Help Print this page 
Title and reference
Richtlijn 2005/89/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 januari 2006 inzake maatregelen om de zekerheid van de elektriciteitsvoorziening en de infrastructuurinvesteringen te waarborgen (Voor de EER relevante tekst)

OJ L 33, 4.2.2006, p. 22–27 (ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, SK, SL, FI, SV)
Special edition in Bulgarian: Chapter 13 Volume 051 P. 309 - 314
Special edition in Romanian: Chapter 13 Volume 051 P. 309 - 314
Special edition in Croatian: Chapter 13 Volume 058 P. 115 - 120
Languages, formats and link to OJ
Multilingual display
Text

4.2.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 33/22


RICHTLIJN 2005/89/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 18 januari 2006

inzake maatregelen om de zekerheid van de elektriciteitsvoorziening en de infrastructuurinvesteringen te waarborgen

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 95,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 2003/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit (3) heeft een zeer belangrijke bijdrage geleverd aan de totstandbrenging van de interne markt voor elektriciteit. Het waarborgen van een hoge mate van zekerheid van de elektriciteitsvoorziening is een basisvoorwaarde voor een goed functionerende interne markt en genoemde richtlijn biedt de lidstaten de mogelijkheid openbaredienstverplichtingen aan elektriciteitsbedrijven op te leggen die onder andere betrekking kunnen hebben op de zekerheid van de voorziening. Deze openbaredienstverplichtingen moeten zo strak en nauwkeurig mogelijk worden gedefinieerd, en mogen niet resulteren in de schepping van meer productiecapaciteit dan nodig voor het voorkomen van ongewenste onderbreking van de elektriciteitsdistributie aan de eindafnemers.

(2)

De vraag naar elektriciteit wordt gewoonlijk op middellange termijn voorspeld aan de hand van scenario’s die worden uitgewerkt door transportnetbeheerders of andere organisaties die deze scenario’s kunnen opstellen op verzoek van een lidstaat.

(3)

Een concurrentiële ééngemaakte EU-markt voor elektriciteit vereist een transparant en niet-discriminerend beleid inzake de zekerheid van de elektriciteitsvoorziening dat verenigbaar is met de eisen van een dergelijke markt. Het ontbreken van een dergelijk beleid in individuele lidstaten of aanzienlijke discrepanties in het beleid van de verschillende lidstaten zouden tot concurrentieverstoringen leiden. Een duidelijke afbakening van de rol en verantwoordelijkheden van de bevoegde autoriteiten en de lidstaten zelf alsmede van alle relevante marktdeelnemers is bijgevolg van cruciaal belang voor het waarborgen van de zekerheid van de elektriciteitsvoorziening en voor het correct functioneren van de interne markt; daarbij moet echter worden voorkomen dat belemmeringen voor nieuwe marktdeelnemers, zoals een bedrijf dat in een lidstaat elektriciteit produceert of levert en onlangs in die lidstaat met zijn activiteiten is gestart, worden opgeworpen, dat de interne elektriciteitsmarkt wordt verstoord of dat marktdeelnemers, waaronder bedrijven met een klein marktaandeel, zoals een producent of -leverancier met een zeer klein aandeel van de relevante communautaire markt, aanzienlijke moeilijkheden ondervinden.

(4)

Beschikking nr. 1229/2003/EG van het Europees Parlement en de Raad (4) bevat een aantal richtsnoeren voor het communautaire beleid inzake trans-Europese energienetwerken; Verordening (EG) nr. 1228/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende de voorwaarden voor toegang tot het net voor grensoverschrijdende handel in elektriciteit (5) bevat onder andere algemene beginselen en gedetailleerde voorschriften inzake congestiebeheer.

(5)

Wanneer men elektriciteitsproductie uit hernieuwbare energiebronnen stimuleert, moet, indien dit uit technisch oogpunt noodzakelijk is, ook de beschikbaarheid van de bijbehorende reservecapaciteit worden gewaarborgd om te voorkomen dat de betrouwbaarheid en de veiligheid van het net worden aangetast.

(6)

Om aan de milieutoezeggingen van de Gemeenschap te kunnen voldoen en om de afhankelijkheid van externe energiebronnen te beperken, moet rekening worden gehouden met de langetermijneffecten van de groeiende vraag naar elektriciteit.

(7)

Samenwerking tussen nationale transportnetbeheerders bij kwesties die verband houden met netwerkveiligheid, inclusief vaststelling van de transportcapaciteit, informatieverstrekking en netwerkmodellering, is van vitaal belang voor de ontwikkeling van een goed functionerende interne markt en zou verder kunnen worden verbeterd. Een gebrek aan coördinatie met betrekking tot netwerkveiligheid is schadelijk voor de totstandbrenging van gelijke concurrentievoorwaarden.

(8)

Het hoofddoel van relevante technische voorschriften en aanbevelingen zoals vervat in het operationeel handboek van de UCTE (Unie voor de coördinatie van het transport van elektriciteit), soortgelijke voorschriften en aanbevelingen die door NORDEL, de Baltische netcode, en voor de systemen van het Verenigd Koninkrijk en Ierland zijn opgesteld, is de technische werking van het koppelnet te ondersteunen, en daarmee bij te dragen tot de noodzakelijke continue werking van het netwerk wanneer er op één of meer plaatsen in het netwerk een storing optreedt en de kosten voor het beperken van een dergelijke storing in de voorziening zo laag mogelijk te houden.

(9)

Van transport- en distributienetbeheerders dient te worden verlangd dat zij de eindafnemers een hoog niveau van dienstverlening leveren wat de frequentie en de duur van stroomonderbrekingen betreft.

(10)

Eventuele maatregelen tot handhaving van een voldoende grote productiereservecapaciteit moeten marktgericht en niet-discriminerend zijn en zouden onder andere contractuele garanties en regelingen, capaciteitsopties of capaciteitsverplichtingen kunnen omvatten. Deze maatregelen zouden ook kunnen worden aangevuld met andere niet-discriminerende instrumenten zoals capaciteitsbetalingen.

(11)

Teneinde te waarborgen dat er passende voorafgaande informatie beschikbaar is, dienen de lidstaten maatregelen ter handhaving van het evenwicht tussen aanbod en vraag bekend te maken bij huidige en mogelijke investeerders in productie en bij afnemers van elektriciteit.

(12)

Onverminderd de artikelen 86, 87 en 88 van het Verdrag, is het van belang dat de lidstaten een eenduidig, passend en stabiel kader vaststellen dat de zekerheid van de elektriciteitsvoorziening vergemakkelijkt en bevorderlijk is voor investeringen in productiecapaciteit en vraagbeheerstechnieken. Daarbij is ook van belang dat passende maatregelen worden getroffen voor het opzetten van een regelgevingskader ter bevordering van investeringen in nieuwe koppelingen voor transport, vooral tussen de lidstaten.

(13)

De Europese Raad van Barcelona van 15 en 16 maart 2002 is een zekere mate van koppeling tussen de lidstaten overeengekomen. Een geringe mate van koppeling leidt tot fragmentatie van de markt en vormt een belemmering voor de ontwikkeling van concurrentie. Het bestaan van adequate fysieke koppelingscapaciteit voor transport, al dan niet grensoverschrijdende, is van cruciaal belang, maar op zichzelf niet toereikend om concurrentie honderd procent effectief te maken. In het belang van de eindafnemer zou de verhouding tussen de potentiële voordelen van nieuwe koppelingsprojecten en de kosten voor deze projecten in redelijk evenwicht moeten zijn.

(14)

Terwijl het van belang is de maximaal beschikbare transportcapaciteiten te bepalen zonder de vereisten voor een veilige werking van het net te veronachtzamen, moet in dat verband ook gezorgd worden voor volledige doorzichtigheid van de capaciteitsberekening en de toekenningsprocedure in het transportnet. Op deze wijze zou wellicht beter gebruik kunnen worden gemaakt van de bestaande capaciteit en worden er geen valse signalen over tekorten aan de markt afgegeven, hetgeen een stimulans is voor de totstandbrenging van een interne markt met volledige concurrentie, zoals beoogd in Richtlijn 2003/54/EG.

(15)

Transport- en distributienetbeheerders hebben behoefte aan een passend en stabiel regelgevingskader voor investeringen en voor onderhoud en vernieuwing van de netwerken.

(16)

Artikel 4 van Richtlijn 2003/54/EG bepaalt dat de lidstaten toezicht houden op de zekerheid van de elektriciteitsvoorziening en hierover verslag uitbrengen. In dit verslag moet worden ingegaan op factoren op korte, middellange en lange termijn die van belang zijn voor de voorzieningszekerheid, waaronder het voornemen van de transportnetbeheerders om in het netwerk te investeren. Bij de opstelling van dit verslag wordt van de lidstaten verwacht dat zij verwijzen naar informatie en beoordelingen die al worden uitgevoerd door de transportnetbeheerders, zowel individueel als collectief, ook op Europees niveau.

(17)

De lidstaten moeten toezien op de doeltreffende uitvoering van deze richtlijn.

(18)

Aangezien de met de voorgestelde maatregel beoogde doelstellingen, namelijk een zekerheid van de elektriciteitsvoorziening die gebaseerd is op eerlijke concurrentie, en de totstandbrenging van een volledig functionerende interne elektriciteitsmarkt, onvoldoende door de lidstaten kunnen worden gerealiseerd en bijgevolg, vanwege de omvang en effecten van de voorgenomen maatregel, beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te bereiken,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Werkingssfeer

1.   Deze richtlijn voorziet in maatregelen die erop gericht zijn de zekerheid van de elektriciteitsvoorziening te waarborgen teneinde de interne markt voor elektriciteit naar behoren te laten functioneren en het volgende te garanderen:

a)

een adequaat productiecapaciteitsniveau,

b)

een adequaat evenwicht tussen aanbod en vraag,

en

c)

een passend koppelingsniveau tussen de lidstaten voor de ontwikkeling van de interne markt.

2.   Zij stelt een kader in waarbinnen de lidstaten transparante, stabiele en niet-discriminerende beleidsmaatregelen voor de zekerheid van de elektriciteitsvoorziening moeten vaststellen die verenigbaar zijn met de eisen van een concurrentiële interne markt voor elektriciteit.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn gelden de definities van artikel 2 van Richtlijn 2003/54/EG. Voorts gelden de volgende definities:

a)

„regelgevende instantie”: de overeenkomstig artikel 23 van Richtlijn 2003/54/EG aangewezen regelgevende instanties in de lidstaten;

b)

„zekerheid van de elektriciteitsvoorziening”: het vermogen van een elektriciteitsnet om elektriciteit te leveren aan eindafnemers, zoals bepaald in deze richtlijn;

c)

„operationele netwerkbeveiliging”: het operationeel houden van het transport- en, in voorkomend geval, het distributienetwerk in voorzienbare omstandigheden;

d)

„evenwicht tussen aanbod en vraag”: het voldoen aan de voorzienbare vraag van verbruikers naar elektriciteit zonder dat het nodig is verplichte maatregelen tot beperking van het verbruik op te leggen.

Artikel 3

Algemene bepalingen

1.   De lidstaten zorgen voor een hoge mate van zekerheid van de elektriciteitsvoorziening door de nodige maatregelen ter bevordering van een stabiel investeringsklimaat te nemen en door de rol en de verantwoordelijkheden van de bevoegde instanties, waaronder in voorkomend geval de regelgevende instanties, en alle relevante marktdeelnemers vast te stellen en daarover informatie bekend te maken. Tot de relevante marktdeelnemers behoren onder meer transport- en distributienetbeheerders, elektriciteitsproducenten, leveranciers en eindafnemers.

2.   Bij de uitvoering van de maatregelen als bedoeld in lid 1, houden de lidstaten rekening met:

a)

het belang van het waarborgen van een zekere elektriciteitsvoorziening;

b)

het belang van een transparant en stabiel regelgevingskader;

c)

de interne markt en de mogelijkheden van grensoverschrijdende samenwerking ten behoeve van de zekerheid van de elektriciteitsvoorziening;

d)

de noodzaak om de transport- en distributienetwerken regelmatig te onderhouden en, in voorkomend geval, te vernieuwen om de prestaties ervan op peil te houden;

e)

het belang een correcte toepassing van Richtlijn 2001/77/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2001 betreffende de bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen op de interne elektriciteitsmarkt (6) en van Richtlijn 2004/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 inzake de bevordering van warmtekrachtkoppeling op basis van de vraag naar nuttige warmte binnen de interne energiemarkt (7) te waarborgen, voorzover de bepalingen daarvan betrekking hebben op de zekerheid van de elektriciteitsvoorziening;

f)

de noodzaak om voor voldoende transport- en productiereservecapaciteit te zorgen met het oog op operationele stabiliteit,

en

g)

het belang van stimulering van de totstandbrenging van liquide groothandelsmarkten.

3.   Bij de uitvoering van de maatregelen als bedoeld in lid 1, kunnen de lidstaten ook rekening houden met:

a)

de mate van diversifiëring in de elektriciteitsproductie op nationaal of relevant regionaal niveau;

b)

het belang van een beperking van de langetermijngevolgen van de groeiende vraag naar elektriciteit;

c)

het belang van de bevordering van energie-efficiëntie en de invoering van nieuwe technologieën, met name voor vraagbeheer, hernieuwbare energie en plaatselijke elektriciteitsproductie;

d)

het belang van het wegnemen van administratieve belemmeringen voor investeringen in infrastructuur en productiecapaciteit.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat de overeenkomstig deze richtlijn vastgestelde maatregelen niet discriminerend zijn en geen onredelijke belasting voor de marktdeelnemers, met inbegrip van nieuwkomers op de markt en bedrijven met een klein marktaandeel, vormen. De lidstaten houden tevens reeds vóór de vaststelling van de maatregelen rekening met het effect daarvan op de elektriciteitskosten voor de eindafnemers.

5.   Bij het waarborgen van een passend koppelingsniveau tussen de lidstaten, als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder c), moet bijzondere aandacht worden besteed aan

a)

de specifieke geografische ligging van iedere lidstaat,

b)

de handhaving van een redelijk evenwicht tussen de kosten voor het bouwen van nieuwe koppellijnen en de baten voor de eindafnemers,

en

c)

het waarborgen van een zo doeltreffend mogelijk gebruik van de bestaande koppellijnen.

Artikel 4

Operationele netwerkbeveiliging

1.

a)

De lidstaten of de bevoegde instanties zorgen ervoor dat de transportnetbeheerders minimale operationele voorschriften en verplichtingen inzake netwerkbeveiliging vaststellen.

Voordat zij deze voorschriften en verplichtingen vaststellen, plegen zij overleg met de relevante actoren in de betrokken landen waarmee koppeling bestaat.

b)

Niettegenstaande punt a), eerste alinea, kunnen de lidstaten eisen dat de transportnetbeheerders deze voorschriften en verplichtingen ter goedkeuring voorleggen aan de bevoegde instantie.

c)

De lidstaten zorgen ervoor dat de transport- en, in voorkomend geval, de distributienetbeheerders voldoen aan de minimale operationele voorschriften en verplichtingen inzake netwerkbeveiliging.

d)

De lidstaten eisen dat de transportnetbeheerders een passend niveau van netwerkbeveiliging handhaven.

De transportnetbeheerders handhaven daartoe een technische transportreservecapaciteit die groot genoeg is voor de operationele netwerkbeveiliging en werken samen met de betrokken transportnetbeheerders waarmee zij een koppeling hebben.

Het niveau van de voorzienbare omstandigheden waarin de beveiliging gehandhaafd moet blijven, wordt bepaald in de voorschriften inzake operationele netwerkbeveiliging.

e)

De lidstaten zorgen er met name voor dat beheerders van gekoppelde transport- en, in voorkomend geval, distributienetwerken tijdig en op doeltreffende wijze overeenkomstig de operationele minimumvereisten informatie over het functioneren van netwerken uitwisselen. Dezelfde vereisten gelden in voorkomend geval voor beheerders van transport- en distributienetwerken die gekoppeld zijn aan netbeheerders buiten de Gemeenschap.

2.   De lidstaten of de bevoegde instanties zorgen ervoor dat de transport- en, in voorkomend geval, de distributienetbeheerders doelstellingen op het gebied van leveringskwaliteit en prestaties inzake netwerkbeveiliging vaststellen en halen. Deze doelstellingen moeten worden goedgekeurd door de lidstaten of de bevoegde instanties, die toezicht houden op de uitvoering ervan. Deze doelstellingen moeten objectief, transparant en niet-discriminerend zijn en moeten worden bekendgemaakt.

3.   Wanneer de lidstaten de maatregelen als bedoeld in artikel 24 van Richtlijn 2003/54/EG en artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1228/2003 treffen, maken zij geen onderscheid tussen grensoverschrijdende en nationale contracten.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat verminderingen in de voorziening in noodsituaties gebaseerd zijn op vooraf gedefinieerde criteria met betrekking tot het beheer van onevenwichten door de transportnetbeheerders. Alle vrijwaringsmaatregelen worden in nauw overleg met andere relevante transportnetbeheerders genomen, met inachtneming van de terzake geldende bilaterale overeenkomsten, waaronder overeenkomsten over informatie-uitwisseling.

Artikel 5

Handhaving van het evenwicht tussen aanbod en vraag

1.   De lidstaten treffen passende maatregelen om een evenwicht tussen de elektriciteitsvraag en de beschikbare productiecapaciteit te handhaven.

De lidstaten zullen met name:

a)

onverminderd de bijzondere vereisten van kleine geïsoleerde netten, de vaststelling aanmoedigen van een kader voor de groothandelsmarkt dat passende prijssignalen voor productie en verbruik afgeeft;

b)

de transportnetbeheerders verplichten ervoor te zorgen dat er een productiereservecapaciteit van een passende omvang beschikbaar is om een evenwicht tot stand te brengen en/of gelijkwaardige marktgerichte maatregelen te nemen.

2.   Onverminderd de artikelen 87 en 88 van het Verdrag, kunnen de lidstaten ook aanvullende maatregelen nemen, met inbegrip van, zij het niet beperkt tot, het volgende:

a)

bepalingen ter bevordering van nieuwe productiecapaciteit en de komst van nieuwe productiebedrijven op de markt;

b)

het wegnemen van belemmeringen voor het gebruik van opzegbare overeenkomsten;

c)

het wegnemen van belemmeringen voor het afsluiten van overeenkomsten met een variërende looptijd voor zowel producenten als afnemers;

d)

het stimuleren van de invoering van technologieën voor vraagbeheer in real-time, zoals geavanceerde metersystemen;

e)

het bevorderen van energiebesparingsmaatregelen;

f)

aanbestedingsprocedures of procedures die inzake transparantie en non-discriminatie gelijkwaardig zijn overeenkomstig artikel 7, lid 1, van Richtlijn 2003/54/EG.

3.   De lidstaten maken de op grond van dit artikel te treffen maatregelen bekend en zorgen voor een zo ruim mogelijke verspreiding van deze informatie.

Artikel 6

Investeren in netwerken

1.   De lidstaten brengen een regelgevingskader tot stand dat:

a)

zowel voor transport- als distributienetbeheerders in investeringssignalen voorziet om hun netwerken zo te ontwikkelen dat zij aan de voorzienbare vraag van de markt kunnen voldoen;

b)

het onderhoud en, in voorkomend geval, de vernieuwing van hun netwerken vergemakkelijkt.

2.   Onverminderd Verordening (EG) nr. 1228/2003 kunnen de lidstaten commerciële investeringen in de koppeling toestaan.

De lidstaten zorgen ervoor dat besluiten over investeringen in de koppeling in nauwe samenwerking tussen de relevante transportnetbeheerders worden genomen.

Artikel 7

Verslaggeving

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat in het in artikel 4 van Richtlijn 2003/54/EG bedoelde verslag wordt ingegaan op de algehele toereikendheid van het stroomvoorzieningssysteem en de geraamde vraag naar elektriciteit, waaronder:

a)

de operationele netwerkbeveiliging;

b)

het geraamde evenwicht tussen aanbod en vraag in de komende vijf jaar;

c)

de vooruitzichten inzake zekerheid van de elektriciteitsvoorziening voor de periode tussen 5 en 15 jaar na de datum van verslaglegging,

en

d)

de voornemens van transportnetbeheerders of van andere partijen waarvan zij kennis hebben, voor de komende vijf of meer kalenderjaren op het gebied van investeringen ter voorziening in grensoverschrijdende koppelingscapaciteit.

2.   De lidstaten of de bevoegde instanties stellen het verslag in nauwe samenwerking met de transportnetbeheerders op. Waar van toepassing, plegen de transportnetbeheerders overleg met naburige transportnetbeheerders.

3.   In het in lid 1, onder d), bedoelde gedeelte van het verslag over investeringsvoornemens in de koppeling wordt rekening gehouden met:

a)

de beginselen van congestiebeheer, zoals vermeld in Verordening (EG) nr. 1228/2003;

b)

bestaande en geplande transportlijnen;

c)

verwachte patronen op het gebied van productie, levering, grensoverschrijdende handel en verbruik waarbij ruimte is voor vraagbeheersmaatregelen,

en

d)

regionale, nationale en Europese doelstellingen voor duurzame ontwikkeling, met inbegrip van de projecten behorende tot de assen voor prioritaire projecten die zijn opgenomen in bijlage I bij Beschikking nr. 1229/2003/EG.

De lidstaten zorgen ervoor dat de transportnetbeheerders informatie vertrekken over hun voornemens of die van andere partijen waarvan zij kennis hebben, op het gebied van investeringen inzake voorziening in grensoverschrijdende koppelingscapaciteit.

De lidstaten kunnen ook van de transportnetbeheerders eisen dat zij informatie verstrekken over investeringen in verband met de aanleg van interne lijnen die van aanzienlijke invloed zijn op de totstandbrenging van grensoverschrijdende koppeling.

4.   De lidstaten of de bevoegde instanties zorgen ervoor dat de noodzakelijke middelen voor toegang tot de relevante gegevens worden vergemakkelijkt voor de transportnetbeheerders en/of de bevoegde instanties, waar dit van belang is voor de uitvoering van deze taak.

Er wordt zorg voor gedragen dat vertrouwelijke informatie niet openbaar wordt gemaakt.

5.   Op basis van de in lid 1, onder d), bedoelde informatie die door de bevoegde instanties is verstrekt, brengt de Commissie aan de lidstaten, aan de bevoegde instanties en aan de bij Besluit 2003/796/EG van de Commissie (8) opgerichte Europese groep van regelgevende instanties voor elektriciteit en gas verslag uit over de geplande investeringen en de bijdrage daarvan aan de in artikel 1, lid 1, omschreven doelstellingen.

Dit verslag kan worden gecombineerd met de verslaglegging uit hoofde van artikel 28, lid 1, onder c), van Richtlijn 2003/54/EG en wordt bekendgemaakt.

Artikel 8

Omzetting

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 24 februari 2008 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 1 december 2007 in kennis van de nationale bepalingen die zij vaststellen op het door deze richtlijn bestreken terrein.

Artikel 9

Rapportage

De Commissie volgt en toetst de toepassing van deze richtlijn en dient uiterlijk op 24 februari 2010 een voortgangsverslag in bij het Europees Parlement en de Raad.

Artikel 10

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 11

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 18 januari 2006.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

J. BORRELL FONTELLES

Voor de Raad

De voorzitter

H. WINKLER


(1)  PB C 120 van 20.5.2005, blz. 119.

(2)  Advies van het Europees Parlement van 5 juli 2005 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 1 december 2005.

(3)  PB L 176 van 15.7.2003, blz. 37. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 2004/85/EG van de Raad (PB L 236 van 7.7.2004, blz. 10).

(4)  PB L 176 van 15.7.2003, blz. 11.

(5)  PB L 176 van 15.7.2003, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1223/2004 van de Raad (PB L 233 van 2.7.2004, blz. 3).

(6)  PB L 283 van 27.10.2001, blz. 33. Richtlijn gewijzigd bij de Toetredingsakte van 2003.

(7)  PB L 52 van 21.2.2004, blz. 50.

(8)  PB L 296 van 14.11.2003, blz. 34.


Top