Help Print this page 

Document 32005D0370

Title and reference
2005/370/EG: Besluit van de Raad van 17 februari 2005 betreffende het sluiten, namens de Europese Gemeenschap, van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden

OJ L 124, 17.5.2005, p. 1–3 (ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, NL, PL, PT, SK, SL, FI, SV)
OJ L 164M , 16.6.2006, p. 17–19 (MT)
Special edition in Bulgarian: Chapter 15 Volume 014 P. 201 - 203
Special edition in Romanian: Chapter 15 Volume 014 P. 201 - 203
Special edition in Croatian: Chapter 15 Volume 003 P. 10 - 12

ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2005/370/oj
Multilingual display
Text

17.5.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 124/1


BESLUIT VAN DE RAAD

van 17 februari 2005

betreffende het sluiten, namens de Europese Gemeenschap, van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden

(2005/370/EG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 175, lid 1, junctis de eerste zin van de eerste alinea van artikel 300, lid 2, en de eerste alinea van artikel 300, lid 3,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden van de VN/ECE (hierna het Verdrag van Aarhus) beoogt aan het publiek rechten te verlenen en legt aan de partijen en overheidsinstanties verplichtingen op betreffende toegang tot informatie en inspraak en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden.

(2)

De verbetering van de toegang van het publiek tot informatie, een bredere inspraak van het publiek bij besluitvormingsprocessen en toegang tot de rechter zijn essentiële instrumenten om het publiek bewust te maken van milieuaangelegenheden en een betere uitvoering en handhaving van de milieuwetgeving te bevorderen. Aldus wordt bijgedragen tot het versterken en doeltreffender maken van milieubeschermingsbeleid.

(3)

Het Verdrag van Aarhus staat open voor ratificatie, aanvaarding, goedkeuring of toetreding door staten en regionale organisaties voor economische integratie.

(4)

Krachtens het Verdrag van Aarhus moet een regionale organisatie voor economische integratie in haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding de reikwijdte vermelden van haar bevoegdheid ten aanzien van de aangelegenheden die onder het Verdrag vallen.

(5)

De Gemeenschap is, in overeenstemming met het Verdrag en met name artikel 175, lid 1, ervan, samen met haar lidstaten bevoegd voor het aangaan van internationale overeenkomsten en het implementeren van de daaruit resulterende verplichtingen die bijdragen tot het nastreven van de in artikel 174, lid 1, van het EG-Verdrag opgenomen doelstellingen.

(6)

De Gemeenschap en de meeste van haar lidstaten hebben het Verdrag van Aarhus ondertekend in 1998 en hebben sindsdien hun inspanningen voortgezet met het oog op hun goedkeuring van het Verdrag. Ondertussen wordt de relevante Gemeenschapswetgeving in overeenstemming gebracht met het Verdrag.

(7)

Het doel van het Verdrag van Aarhus, als onderschreven in artikel 1 daarvan, strookt met de doelstellingen van het communautaire milieubeleid, die zijn vervat in artikel 174 van het EG-Verdrag. Op basis van dit artikel heeft de Gemeenschap, die de bevoegdheid met haar lidstaten deelt, reeds een uitgebreide wetgeving aangenomen welke zich nog steeds ontwikkelt en bijdraagt aan de verwezenlijking van de doelstelling van het Verdrag van Aarhus, niet alleen door haar eigen instellingen, maar ook door overheidsinstanties in haar lidstaten.

(8)

Het Verdrag van Aarhus dient derhalve te worden gesloten,

BESLUIT:

Artikel 1

Het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden van de VN/ECE („Verdrag van Aarhus”) wordt hierbij namens de Gemeenschap goedgekeurd.

De tekst van het Verdrag van Aarhus is bij dit besluit gevoegd.

Artikel 2

De voorzitter van de Raad wordt hierbij gemachtigd de persoon of personen aan te wijzen bevoegd om de akte van goedkeuring neder te leggen bij de secretaris-generaal van de Verenigde Naties overeenkomstig artikel 19 van het Verdrag van Aarhus.

Tegelijkertijd legt of leggen de aangewezen persoon of personen de in de bijlage bij dit besluit genoemde verklaringen neder overeenkomstig artikel 19 van het Verdrag van Aarhus.

Artikel 3

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 17 februari 2005.

Voor de Raad

De voorzitter

J.-C. JUNCKER


(1)  Advies uitgebracht op 31 maart 2004 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).


BIJLAGE

VERKLARING DOOR DE EUROPESE GEMEENSCHAP IN OVEREENSTEMMING MET ARTIKEL 19 VAN HET VERDRAG BETREFFENDE TOEGANG TOT INFORMATIE, INSPRAAK BIJ BESLUITVORMING EN TOEGANG TOT DE RECHTER INZAKE MILIEUAANGELEGENHEDEN

De Europese Gemeenschap verklaart dat zij, overeenkomstig het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name artikel 175, lid 1, bevoegd is om toe te treden tot internationale overeenkomsten, en om de daaruit voortvloeiende verplichtingen na te komen, die bijdragen tot de verwezenlijking van de volgende doelstellingen:

behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu;

bescherming van de gezondheid van de mens;

behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen;

bevordering op internationaal vlak van maatregelen om het hoofd te bieden aan regionale of mondiale milieuproblemen.

Voorts verklaart de Europese Gemeenschap dat zij reeds verscheidene voor haar lidstaten bindende juridische instrumenten heeft aangenomen ter uitvoering van bepalingen van het Verdrag van Aarhus, en dat zij overeenkomstig artikel 10, lid 2, en artikel 19, lid 5, van het Verdrag van Aarhus een lijst van die juridische instrumenten bij de depositaris zal indienen en in voorkomend geval actualiseren. In het bijzonder verklaart de Europese Gemeenschap tevens dat de geldende rechtsinstrumenten de uitvoering van de verplichtingen uit hoofde van artikel 9, lid 3, van het Verdrag van Aarhus niet volledig dekken aangezien deze betrekking hebben op bestuursrechtelijke of rechterlijke procedures om handelingen en nalatigheden te betwisten van particulieren en andere overheidsinstanties dan de instellingen van de Europese Gemeenschap, zoals bepaald in artikel 2, lid 2, onder d), van het Verdrag van Aarhus, en dat bijgevolg bij de goedkeuring van het Verdrag van Aarhus door de Europese Gemeenschap haar lidstaten verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van deze verplichtingen en dit ook zullen blijven tenzij en totdat de Gemeenschap in de uitoefening van haar bevoegdheden uit hoofde van het EG-Verdrag bepalingen van Gemeenschapsrecht inzake de uitvoering van deze verplichtingen aanneemt.

Tot slot herhaalt de Gemeenschap hetgeen zij bij de ondertekening van het Verdrag van Aarhus heeft verklaard, namelijk dat de communautaire instellingen het Verdrag van Aarhus zullen toepassen in het kader van hun bestaande en toekomstige regelgeving inzake toegang tot documenten en andere relevante voorschriften van het Gemeenschapsrecht op het door dat Verdrag bestreken gebied.

De Gemeenschap is verantwoordelijk voor de naleving van de uit het Verdrag van Aarhus voortvloeiende verplichtingen waarop het vigerende Gemeenschapsrecht van toepassing is.

De uitoefening van de bevoegdheid van de Gemeenschap is uiteraard voortdurend in ontwikkeling.

VERKLARING VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAP OVER ENKELE SPECIFIEKE BEPALINGEN VAN RICHTLIJN 2003/4/EG

Met betrekking tot artikel 9 van het Verdrag van Aarhus verzoekt de Europese Gemeenschap de partijen bij dat Verdrag nota te nemen van artikel 2, lid 2, en artikel 6 van Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie. Deze bepalingen bieden de lidstaten van de Europese Gemeenschap de mogelijkheid in uitzonderlijke gevallen en onder strikte voorwaarden bepaalde instellingen en organen uit te sluiten van de voorschriften inzake beroepsprocedures ten aanzien van besluiten betreffende de verzoeken om informatie.

De ratificatie door de Europese Gemeenschap van het Verdrag van Aarhus laat derhalve een eventueel voorbehoud van een lidstaat van de Europese Gemeenschap onverlet voorzover dat voorbehoud verenigbaar is met artikel 2, lid 2, en artikel 6 van Richtlijn 2003/4/EG.


Top

17.5.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 124/4


VERDRAG BETREFFENDE TOEGANG TOT INFORMATIE, INSPRAAK BIJ BESLUITVORMING EN TOEGANG TOT DE RECHTER INZAKE MILIEUAANGELEGENHEDEN

Gedaan te Aarhus, Denemarken, 25 juni 1998.

De partijen bij dit Verdrag,

Herinnerend aan beginsel 1 van de Verklaring van Stockholm inzake het menselijk leefmilieu,

Tevens herinnerend aan beginsel 10 van de Verklaring van Rio inzake milieu en ontwikkeling,

Voorts herinnerend aan de resoluties van de Algemene Vergadering 37/7 van 28 oktober 1982 inzake het Wereldnatuurhandvest en 45/94 van 14 december 1990 inzake de noodzaak een gezond milieu te waarborgen voor het welzijn van individuen,

Herinnerend aan het Europees Handvest inzake milieu en gezondheid aangenomen op de eerste Europese Conferentie inzake milieu en gezondheid van de Wereldgezondheidsorganisatie in Frankfurt-am-Main, Duitsland, op 8 december 1989,

Bevestigend de noodzaak de toestand van het milieu te beschermen, in stand te houden en te verbeteren en een duurzame en milieuhygiënisch verantwoorde ontwikkeling te waarborgen,

Erkennend dat adequate bescherming van het milieu van wezenlijk belang is voor het welzijn van de mens en het genot van de fundamentele mensenrechten, waaronder het recht op leven zelf,

Tevens erkennend dat een ieder het recht heeft te leven in een milieu dat passend is voor zijn of haar gezondheid en welzijn en de plicht heeft, zowel individueel als tezamen met anderen, het milieu te beschermen en te verbeteren in het belang van de huidige en toekomstige generaties,

Overwegende dat, om dit recht te kunnen doen gelden en deze plicht te kunnen vervullen, burgers toegang tot informatie, recht op inspraak in de besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden moeten hebben, en in dit verband erkennend dat burgers bijstand nodig kunnen hebben om hun rechten uit te oefenen,

Erkennend dat, op milieugebied, een verbeterde toegang tot informatie alsmede inspraak in besluitvorming de kwaliteit en de uitvoering van besluiten verbeteren, bijdragen tot de bewustheid bij het publiek van milieuvraagstukken, het publiek de gelegenheid bieden om zijn bezorgdheid te uiten en bestuursorganen in staat stellen naar behoren rekening te houden met deze bezorgdheid,

Aldus beogend de verantwoording en transparantie van de besluitvorming te bevorderen en de publieke steun voor besluiten over het milieu te versterken,

Erkennend dat transparantie in alle geledingen van de overheid gewenst is, en wetgevende lichamen uitnodigend de beginselen van dit Verdrag in hun handelingen ten uitvoer te brengen,

Tevens erkennend dat het publiek bekend dient te zijn met de procedures voor inspraak in besluitvorming op milieugebied, er vrije toegang toe dient te hebben en dient te weten hoe deze te gebruiken,

Voorts het belang erkennend van de onderscheiden rollen die individuele burgers, niet-gouvernementele organisaties en de particuliere sector kunnen spelen in het beschermen van het milieu,

Geleid door de wens milieueducatie te stimuleren ter bevordering van het begrip van het milieu en duurzame ontwikkeling en bij het publiek een wijdverbreide bewustheid van, en inspraak aan te moedigen in, besluiten die invloed hebben op het milieu en die duurzame ontwikkeling beïnvloeden,

Gelet op, in dit verband, het belang van gebruikmaking van de media en van elektronische of andere, toekomstige vormen van communicatie,

Het belang erkennend van geheel in besluitvorming van de overheid geïntegreerde milieuoverwegingen en derhalve van de noodzaak voor bestuursorganen te beschikken over nauwkeurige, uitvoerige en actuele milieu-informatie,

Erkennend dat bestuursorganen milieu-informatie bezitten in het openbaar belang,

Geleid door de wens het publiek, met inbegrip van organisaties, toegang te geven tot doelmatige mechanismen van rechtspraak, opdat zijn rechtmatige belangen worden beschermd en het recht wordt toegepast,

Gelet op het belang dat adequate productinformatie wordt verstrekt aan consumenten, om hen in staat te stellen weloverwogen milieukeuzen te maken,

Erkennend de bezorgdheid van het publiek over de doelbewuste introductie in het milieu van genetisch gemodificeerde organismen en de noodzaak van grotere transparantie en meer inspraak in de besluitvorming op dit gebied,

Overtuigd dat de uitvoering van dit Verdrag zal bijdragen tot het versterken van de democratie in de regio van de Economische Commissie voor Europa (ECE) van de Verenigde Naties,

Zich bewust van de rol die de ECE in dit opzicht heeft gespeeld en herinnerend aan, onder meer, de richtsnoeren van de ECE inzake de toegang tot milieu-informatie en inspraak in milieubesluitvorming, bekrachtigd in de ministeriële verklaring aangenomen op de derde ministeriële conferentie „Milieu voor Europa”' in Sofia, Bulgarije, op 25 oktober 1995,

Indachtig de relevante bepalingen van het Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband, totstandgekomen te Espoo, Finland, op 25 februari 1991, en het Verdrag inzake de grensoverschrijdende gevolgen van industriële ongevallen en het Verdrag inzake de bescherming en het gebruik van grensoverschrijdende waterlopen en internationale meren, beide totstandgekomen te Helsinki op 17 maart 1992, en andere regionale verdragen,

Zich ervan bewust dat het aannemen van dit Verdrag een bijdrage zal vormen aan het verder versterken van het proces „Milieu voor Europa”' en aan de resultaten van de vierde ministeriële conferentie in Aarhus, Denemarken, in juni 1998,

ZIJN HET VOLGENDE OVEREENGEKOMEN:

Artikel 1

Doel

Om bij te dragen aan de bescherming van het recht van elke persoon van de huidige en toekomstige generaties om te leven in een milieu dat passend is voor zijn of haar gezondheid en welzijn, waarborgt elke partij de rechten op toegang tot informatie, inspraak in de besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag.

Artikel 2

Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit Verdrag,

1.

wordt onder „partij”' verstaan, tenzij uit de tekst anders blijkt, een verdragsluitende partij bij dit Verdrag;

2.

wordt onder „overheidsinstantie”' verstaan:

a)

overheid op nationaal, regionaal of ander niveau;

b)

natuurlijke of rechtspersonen die openbare bestuursfuncties naar nationaal recht vervullen, met inbegrip van specifieke taken, activiteiten of diensten met betrekking tot het milieu;

c)

alle andere natuurlijke of rechtspersonen die openbare verantwoordelijkheden of functies hebben, of openbare diensten verlenen, met betrekking tot het milieu, onder toezicht van een orgaan of persoon vallend onder het bovenstaande onder a) of b);

d)

de instellingen van elke regionale organisatie voor economische integratie bedoeld in artikel 17 die partij is bij dit Verdrag.

Deze begripsomschrijving omvat geen organen of instellingen die optreden in een rechterlijke of wetgevende hoedanigheid;

3.

wordt onder „milieu-informatie”' verstaan alle informatie in geschreven, visuele, auditieve, elektronische of enige andere materiële vorm over:

a)

de toestand van elementen van het milieu, zoals lucht en atmosfeer, water, bodem, land, landschappen en natuurgebieden, biologische diversiteit en componenten daarvan, met inbegrip van genetisch gemodificeerde organismen, en de interactie tussen deze elementen;

b)

factoren, zoals stoffen, energie, geluid en straling, en activiteiten of maatregelen, met inbegrip van bestuurlijke maatregelen, milieuakkoorden, beleid, wetgeving, plannen en programma's die de elementen van het milieu aantasten of waarschijnlijk aantasten binnen het toepassingsgebied van het voorgaande onder a), en kosten-baten- en andere economische analysen en veronderstellingen gebruikt in milieubesluitvorming;

c)

de toestand van de menselijke gezondheid en veiligheid, de menselijke levensomstandigheden, cultureel waardevolle gebieden en bouwwerken, voorzover deze worden of kunnen worden aangetast door de toestand van de elementen van het milieu of, via deze elementen, door de factoren, activiteiten of maatregelen bedoeld in het voorgaande onder b);

4.

wordt onder „het publiek”' verstaan een of meer natuurlijke of rechtspersonen en, in overeenstemming met nationale wetgeving of praktijk, hun verenigingen, organisaties of groepen;

5.

wordt onder „het betrokken publiek”' verstaan het publiek dat gevolgen ondervindt, of waarschijnlijk ondervindt van, of belanghebbende is bij, milieubesluitvorming; voor de toepassing van deze omschrijving worden niet-gouvernementele organisaties die zich inzetten voor milieubescherming en voldoen aan de eisen van nationaal recht geacht belanghebbende te zijn.

Artikel 3

Algemene bepalingen

1.   Elke partij neemt de noodzakelijke wet- en regelgevende en andere maatregelen, met inbegrip van maatregelen om verenigbaarheid te bewerkstelligen tussen de bepalingen ter uitvoering van de bepalingen in dit Verdrag betreffende informatie, inspraak en toegang tot de rechter, alsmede passende handhavingsmaatregelen, voor het instellen en instandhouden van een duidelijk, transparant en samenhangend kader voor het uitvoeren van de bepalingen van dit Verdrag.

2.   Elke partij streeft ernaar te waarborgen dat overheidsfunctionarissen en overheidsinstanties het publiek bijstaan en begeleiden bij het verkrijgen van toegang tot informatie, het vergemakkelijken van inspraak in besluitvorming en het verkrijgen van toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden.

3.   Elke partij bevordert milieueducatie en milieubewustzijn onder het publiek, in het bijzonder omtrent het verkrijgen van toegang tot informatie, omtrent inspraak in besluitvorming en omtrent het verkrijgen van toegang tot de rechter in milieuaangelegenheden.

4.   Elke partij voorziet in passende erkenning van en steun aan verenigingen, organisaties of groepen die milieubescherming bevorderen en waarborgt dat haar nationale rechtsstelsel strookt met deze verplichting.

5.   De bepalingen van dit Verdrag laten onverlet het recht van een partij maatregelen te handhaven of in te stellen die voorzien in een ruimere toegang tot informatie, uitgebreidere inspraak in besluitvorming en ruimere toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden dan vereist door dit Verdrag.

6.   Dit Verdrag verplicht niet tot het afwijken van bestaande rechten op toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden.

7.   Elke partij bevordert de toepassing van de beginselen van dit Verdrag bij internationale besluitvormingsprocessen aangaande het milieu en binnen het kader van internationale organisaties in aangelegenheden verband houdend met het milieu.

8.   Elke partij waarborgt dat personen die hun rechten uitoefenen overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag niet worden gestraft, vervolgd of op enige wijze gehinderd wegens hun betrokkenheid. Deze bepaling laat onverlet de bevoegdheden van de nationale rechter om in een rechtsgeding redelijke kosten toe te wijzen.

9.   Binnen het toepassingsgebied van de relevante bepalingen van dit Verdrag heeft het publiek toegang tot informatie, heeft het de mogelijkheid van inspraak in besluitvorming en heeft het toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden zonder discriminatie op grond van staatsburgerschap, nationaliteit of woonplaats en, in het geval van een rechtspersoon, zonder discriminatie op grond van de plaats van de statutaire zetel of een feitelijk middelpunt van de activiteiten.

Artikel 4

Toegang tot milieu-informatie

1.

a)

zonder dat een bepaald belang behoeft te worden gesteld;

b)

in de verzochte vorm, tenzij:

i)

het voor de overheidsinstantie redelijk is dit in een andere vorm beschikbaar te stellen, in welk geval het beschikbaar stellen in die vorm met redenen wordt omkleed; of

ii)

de informatie al voor het publiek beschikbaar is in een andere vorm.

2.   De milieu-informatie bedoeld in het bovenstaande lid 1 wordt zo spoedig mogelijk beschikbaar gesteld en uiterlijk binnen een maand nadat het verzoek is ingediend, tenzij de omvang en de ingewikkeldheid van de informatie een verlenging van deze termijn rechtvaardigen tot ten hoogste twee maanden na het verzoek. De verzoeker wordt ingelicht over elke verlenging en over de redenen die deze rechtvaardigen.

3.

a)

de overheidsinstantie waaraan het verzoek is gericht de verzochte milieu-informatie niet bezit;

b)

het verzoek kennelijk onredelijk is of op een te algemene wijze is geformuleerd; of

c)

het verzoek nog onvoltooid materiaal of interne mededelingen van overheidsinstanties betreft, wanneer in een dergelijke uitzondering is voorzien in het nationale recht of bestendig gebruik, met inachtneming van het openbare belang dat met bekendmaking wordt gediend.

4.   Een verzoek om milieu-informatie kan worden geweigerd indien de bekendmaking een nadelige invloed zou hebben op:

a)

de vertrouwelijkheid van het handelen van overheidsinstanties, wanneer in dergelijke vertrouwelijkheid is voorzien naar nationaal recht;

b)

internationale betrekkingen, nationale defensie of openbare veiligheid;

c)

de rechtspleging, de mogelijkheid van een persoon een eerlijk proces te verkrijgen of de bevoegdheid van een overheidsinstantie om een onderzoek te verrichten van strafrechtelijke of tuchtrechtelijke aard;

d)

de vertrouwelijkheid van commerciële en industriële informatie, wanneer deze informatie bij wet beschermd wordt om een legitiem economisch belang te beschermen. Binnen dit kader wordt informatie over emissies bekendgemaakt die van belang is voor de bescherming van het milieu;

e)

intellectuele-eigendomsrechten;

f)

de vertrouwelijkheid van persoonsgegevens en/of -dossiers met betrekking tot een natuurlijk persoon wanneer die persoon niet heeft ingestemd met bekendmaking van de informatie aan het publiek, wanneer in deze vertrouwelijkheid is voorzien naar nationaal recht;

g)

de belangen van een derde die de verzochte informatie heeft verstrekt zonder dat deze derde wettelijk verplicht is of wettelijk verplicht kan worden dat te doen, en wanneer die derde niet instemt met het vrijgeven van het materiaal; of

h)

het milieu waarop de informatie betrekking heeft, zoals de voortplantingsgebieden van zeldzame soorten.

De bovengenoemde gronden voor weigering worden restrictief uitgelegd, met inachtneming van het met bekendmaking gediende openbare belang en in aanmerking nemend of de verzochte informatie betrekking heeft op emissies in het milieu.

5.   Indien een overheidsinstantie de verzochte milieu-informatie niet bezit, licht deze overheidsinstantie de verzoeker zo spoedig mogelijk in over de overheidsinstantie waarbij naar zijn mening de verzochte informatie kan worden aangevraagd, of het zendt het verzoek door aan die overheidsinstantie en licht de verzoeker hierover in.

6.   Elke partij waarborgt dat, indien informatie die ingevolge het voorgaande lid 3, onder c), en lid 4 is uitgezonderd van bekendmaking kan worden afgescheiden zonder afbreuk te doen aan de vertrouwelijkheid van de uitgezonderde informatie, overheidsinstanties de overige milieu-informatie waarom is verzocht beschikbaar stellen.

7.   Een weigering van een verzoek geschiedt schriftelijk indien het verzoek schriftelijk is gedaan of de verzoeker daarom verzoekt. Een weigering wordt met redenen omkleed en verschaft informatie over toegang tot de herzieningsprocedure waarin is voorzien in overeenstemming met artikel 9. De weigering geschiedt zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen een maand, tenzij de ingewikkeldheid van de informatie een verlenging van deze termijn rechtvaardigt tot ten hoogste twee maanden na het verzoek. De verzoeker wordt ingelicht over elke verlenging en over de redenen die deze rechtvaardigen.

8.   Elke partij kan haar overheidsinstanties toestaan kosten te heffen voor het verstrekken van informatie, maar deze vergoeding gaat een redelijk bedrag niet te boven.

Overheidsinstanties die voornemens zijn dergelijke kosten te heffen voor het verstrekken van informatie stellen aan verzoekers een overzicht beschikbaar van de vergoedingen die kunnen worden geheven, met vermelding van de omstandigheden waarin deze kunnen worden geheven of vrijstelling kan worden verleend en wanneer het verstrekken van informatie afhankelijk is van vooruitbetaling van dergelijke kosten.

Artikel 5

Verzamelen en verspreiden van milieu-informatie

1.

a)

overheidsinstanties milieu-informatie bezitten en actualiseren die van belang is voor hun functies;

b)

er verplichte mechanismen worden ingesteld voor een adequate informatiestroom naar de overheidsinstanties over voorgestelde en bestaande activiteiten die het milieu aanmerkelijk kunnen beïnvloeden;

c)

in het geval van een onmiddellijke bedreiging van de menselijke gezondheid of het milieu, hetzij veroorzaakt door menselijke activiteiten of ten gevolge van natuurlijke oorzaken, alle informatie die het publiek in staat kan stellen maatregelen te nemen om uit de bedreiging voortvloeiende schade te voorkomen of te beperken en die in bezit is van een overheidsinstantie onmiddellijk en terstond wordt verspreid onder leden van het publiek die getroffen kunnen worden.

2.

a)

het verstrekken van voldoende informatie aan het publiek over de aard en de strekking van de milieu-informatie die in het bezit is van de betrokken overheidsinstanties, de fundamentele voorwaarden waarop deze informatie beschikbaar wordt gesteld en toegankelijk is, en via welke procedure deze kan worden verkregen;

b)

het instellen en in stand houden van praktische voorzieningen zoals:

i)

voor het publiek toegankelijke lijsten, registers of bestanden;

ii)

de eis dat overheidsfunctionarissen het publiek bijstaan bij het verkrijgen van toegang tot informatie ingevolge dit Verdrag; en

iii)

het aanwijzen van contactpunten;

c)

het kosteloos verschaffen van toegang tot de milieu-informatie die zich bevindt in lijsten, registers of bestanden als bedoeld in het voorgaande onder b), i).

3.

a)

rapporten over de toestand van het milieu, bedoeld in het navolgende lid 4;

b)

wetteksten over of verband houdend met het milieu;

c)

indien van toepassing beleid, plannen en programma's over of verband houdend met het milieu, en milieuakkoorden; en

d)

andere informatie, voorzover de beschikbaarheid van deze informatie in deze vorm de toepassing van nationale wetgeving ter uitvoering van dit Verdrag zou kunnen vergemakkelijken, mits zulke informatie reeds beschikbaar is in elektronische vorm.

4.   Elke partij publiceert en verspreidt, met regelmatige tussenpozen van ten hoogste drie of vier jaar een nationaal rapport over de toestand van het milieu, met inbegrip van informatie over de kwaliteit van het milieu en informatie over op het milieu uitgeoefende druk.

5.

a)

wetgeving en beleidsdocumenten zoals documenten over strategieën, beleid, programma's en actieplannen betreffende het milieu, en voortgangsrapporten over hun uitvoering, voorbereid op verschillende overheidsniveaus;

b)

internationale verdragen en overeenkomsten over milieuonderwerpen; en

c)

indien van toepassing, andere belangrijke internationale documenten over milieuonderwerpen.

6.   Elke partij moedigt exploitanten wier activiteiten een aanmerkelijke invloed op het milieu hebben aan het publiek regelmatig te informeren over de gevolgen van hun activiteiten en producten voor het milieu, indien van toepassing, binnen het kader van vrijwillige milieukeur- of milieuauditsystemen of met andere middelen.

7.

a)

publiceert de feiten en feitenanalysen die zij relevant en belangrijk acht voor het opstellen van essentiële milieubeleidsvoorstellen;

b)

publiceert, of maakt op andere wijze beschikbaar toelichtend materiaal toegankelijk over haar contacten met het publiek over aangelegenheden die behoren tot het toepassingsgebied van dit Verdrag; en

c)

verstrekt in gepaste vorm informatie over het verrichten van openbare functies of het verlenen van openbare diensten betreffende het milieu door de overheid op alle niveaus.

8.   Elke partij ontwikkelt mechanismen om te waarborgen dat toereikende productinformatie beschikbaar wordt gemaakt voor het publiek op een wijze die consumenten in staat stelt weloverwogen milieukeuzen te maken.

9.   Elke partij neemt geleidelijk stappen om, indien van toepassing rekening houdend met internationale processen, een coherent, landelijk systeem voor inventarisatie of registratie van verontreinigingsgegevens in te stellen in een gestructureerd, geautomatiseerd en voor het publiek toegankelijk gegevensbestand, samengesteld op grond van gestandaardiseerde rapportages. Dit systeem kan betrekking hebben op de introductie, het uitstoten en overbrengen van een bepaalde reeks stoffen en producten, met inbegrip van water, energie en hulpbronnenverbruik, afkomstig van een bepaalde reeks activiteiten, in de verschillende milieucompartimenten en naar ter plaatse of elders gelegen verwerkings- en stortplaatsen.

10.   Niets in dit artikel doet afbreuk aan het recht van partijen te weigeren bepaalde milieu-informatie bekend te maken in overeenstemming met artikel 4, leden 3 en 4.

Artikel 6

Inspraak in besluiten over specifieke activiteiten

1.

a)

past de bepalingen van dit artikel toe ten aanzien van besluiten over het al dan niet toestaan van voorgestelde activiteiten vermeld in bijlage I;

b)

past, in overeenstemming met haar nationale wetgeving, de bepalingen van dit artikel ook toe op besluiten over niet in bijlage I vermelde voorgestelde activiteiten die een aanzienlijk effect op het milieu kunnen hebben. Hiertoe bepalen de partijen of een dergelijke voorgestelde activiteit onder deze bepalingen valt; en

c)

kan, indien haar nationale wetgeving hierin voorziet, per geval besluiten de bepalingen van dit artikel niet toe te passen op voorgestelde activiteiten voor nationale defensiedoeleinden, indien die partij meent dat een dergelijke toepassing op deze doeleinden van nadelige invloed zal zijn.

2.

a)

de voorgestelde activiteit en de aanvraag waarover een besluit zal worden genomen;

b)

de aard van mogelijke besluiten of het ontwerp-besluit;

c)

de voor de besluitvorming verantwoordelijke overheidsinstantie;

d)

de beoogde procedure, met inbegrip van, in de gevallen waarin deze informatie kan worden verstrekt:

i)

de aanvang van de procedure;

ii)

de mogelijkheden voor inspraak van het publiek;

iii)

de tijd en plaats van een beoogde openbare hoorzitting;

iv)

een aanduiding van de overheidsinstantie waarvan relevante informatie kan worden verkregen en waarbij de relevante informatie voor het publiek ter inzage is gelegd;

v)

een aanduiding van de betreffende overheidsinstantie of enig ander officieel lichaam waarbij opmerkingen of vragen kunnen worden ingediend en van het tijdschema voor het doorgeven van opmerkingen of vragen; en

vi)

een aanduiding van welke voor de voorgestelde activiteit relevante milieu-informatie beschikbaar is; en

e)

het feit dat de activiteit voorwerp is van een nationale of grensoverschrijdende milieueffectrapportage.

3.   De inspraakprocedures omvatten redelijke termijnen voor de verschillende fasen, die voldoende tijd laten voor het informeren van het publiek in overeenstemming met het voorgaande lid 2 en voor het publiek om zich gedurende de milieubesluitvorming doeltreffend voor te bereiden en deel te nemen.

4.   Elke partij voorziet in vroegtijdige inspraak, wanneer alle opties open zijn en doeltreffende inspraak kan plaatsvinden.

5.   Elke partij zou, indien van toepassing, potentiële aanvragers aan dienen te moedigen het betrokken publiek te identificeren, discussies aan te gaan en informatie te verstrekken betreffende de doelstellingen van hun aanvraag alvorens een vergunning aan te vragen.

6.

a)

een beschrijving van het terrein en de fysieke en technische kenmerken van de voorgestelde activiteit, met inbegrip van een prognose van de verwachte residuen en emissies;

b)

een beschrijving van de belangrijke effecten van de voorgestelde activiteit op het milieu;

c)

een beschrijving van de beoogde maatregelen om de effecten, met inbegrip van emissies, te voorkomen en/of te verminderen;

d)

een niet-technische samenvatting van het voorgaande;

e)

een schets van de voornaamste door de aanvrager bestudeerde alternatieven; en

f)

in overeenstemming met de nationale wetgeving, de voornaamste aan de overheidsinstantie uitgebrachte rapporten en adviezen op het tijdstip waarop het betrokken publiek dient te worden geïnformeerd in overeenstemming met het voorgaande lid 2.

7.   Inspraakprocedures bieden het publiek de mogelijkheid schriftelijk of, indien van toepassing, tijdens een hoorzitting of onderzoek met de verzoeker, alle opmerkingen, informatie, analysen of meningen naar voren te brengen die het relevant acht voor de voorgestelde activiteit.

8.   Elke partij waarborgt dat in het besluit naar behoren rekening wordt gehouden met het resultaat van de inspraak.

9.   Elke partij waarborgt dat, wanneer het besluit is genomen door de overheidsinstantie, het publiek terstond over het besluit wordt ingelicht in overeenstemming met de toepasselijke procedures. Elke partij maakt de tekst van het besluit toegankelijk voor het publiek tezamen met de redenen en overwegingen waarop het besluit is gebaseerd.

10.   Elke partij waarborgt dat, wanneer een overheidsinstantie de voorwaarden voor het uitvoeren van een in lid 1 bedoelde activiteit heroverweegt of aanpast, de bepalingen van de leden 2 tot en met 9 van dit artikel dienovereenkomstig worden toegepast, waar dit van toepassing is.

11.   Elke partij past, binnen het kader van haar nationale wetgeving, voorzover mogelijk en passend, de bepalingen van dit artikel toe op besluiten over het al dan niet toestaan van de opzettelijke introductie in het milieu van genetisch gemodificeerde organismen.

Artikel 7

Het milieu

Elke partij treft passende praktische en/of andere voorzieningen voor inspraak voor het publiek gedurende de voorbereiding van plannen en programma's betreffende het milieu, binnen een transparant en eerlijk kader, na het publiek de benodigde informatie te hebben verstrekt. In dit kader wordt artikel 6, leden 3, 4 en 8, toegepast. Het publiek dat kan inspreken wordt door de betreffende overheidsinstantie aangewezen met inachtneming van de doelstellingen van dit Verdrag. Voorzover passend spant elke partij zich in om, bij de voorbereiding van beleid betreffende het milieu mogelijkheden te scheppen voor inspraak.

Artikel 8

Inspraak tijdens de voorbereiding van uitvoerende regelingen en/of algemeen toepasselijke wettelijk bindende normatieve instrumenten

Elke partij tracht doeltreffende inspraak in een passend stadium te bevorderen, en terwijl opties nog openstaan, gedurende de voorbereiding door overheidsinstanties van uitvoerende regelingen en andere algemeen toepasselijke wettelijk bindende regels die een aanzienlijk effect kunnen hebben op het milieu.

Hiertoe zouden de volgende stappen dienen te worden genomen:

a)

er zouden voor doeltreffende inspraak toereikende termijnen dienen te worden vastgesteld;

b)

ontwerp-regels zouden dienen te worden gepubliceerd of anderszins aan het publiek beschikbaar te worden gesteld; en

c)

het publiek zou in de gelegenheid dienen te worden gesteld opmerkingen te maken, rechtstreeks of via representatieve overlegorganen.

Met het resultaat van de inspraak wordt zoveel mogelijk rekening gehouden.

Artikel 9

Toegang tot de rechter

1.   Elke partij waarborgt, binnen het kader van haar nationale wetgeving, dat een ieder die meent dat zijn of haar verzoek om informatie ingevolge artikel 4 veronachtzaamd, ten onrechte geheel of gedeeltelijk afgewezen of anderszins niet beantwoord is in overeenstemming met de bepalingen van dat artikel, toegang heeft tot een herzieningsprocedure voor een rechterlijke instantie of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan.

In de omstandigheden waarin een partij in een dergelijk beroep bij een rechterlijke instantie voorziet, waarborgt zij dat een dergelijke persoon tevens toegang heeft tot een bij wet ingestelde snelle procedure die kosteloos of niet kostbaar is, voor heroverweging door een overheidsinstantie of toetsing door een onafhankelijk en onpartijdig orgaan anders dan een rechterlijke instantie.

Eindbeslissingen ingevolge lid 1 zijn bindend voor de overheidsinstantie die de informatie bezit. De redengeving geschiedt schriftelijk, in ieder geval wanneer toegang tot informatie wordt geweigerd ingevolge dit lid.

2.   Elke partij waarborgt, binnen het kader van haar nationale wetgeving, dat leden van het betrokken publiek

a)

die een voldoende belang hebben, dan wel

b)

stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, wanneer het bestuursprocesrecht van een partij dit als voorwaarde stelt, toegang hebben tot een herzieningsprocedure voor een rechterlijke instantie en/of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan, om de materiële en formele rechtmatigheid te bestrijden van enig besluit, handelen of nalaten vallend onder de bepalingen van artikel 6 en, wanneer het nationale recht hierin voorziet en onverminderd het navolgende lid 3, andere relevante bepalingen van dit Verdrag.

Wat een voldoende belang en een inbreuk op een recht vormt, wordt vastgesteld in overeenstemming met de eisen van nationaal recht en strokend met het doel aan het betrokken publiek binnen het toepassingsgebied van dit Verdrag ruim toegang tot de rechter te verschaffen. Hiertoe wordt het belang van elke niet-gouvernementele organisatie die voldoet aan de in artikel 2, lid 5, gestelde eisen voldoende geacht in de zin van het voorgaande onder a). Dergelijke organisaties worden tevens geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van het voorgaande onder b).

De bepalingen van dit lid 2 sluiten niet de mogelijkheid uit van een herzieningsprocedure voor een bestuursrechtelijke instantie en laten onverlet de eis van het uitputten van de bestuursrechtelijke beroepsgang alvorens over te gaan tot rechterlijke herzieningsprocedures, wanneer die eis bestaat naar nationaal recht.

3.   Aanvullend op en onverminderd de in de voorgaande leden 1 en 2, bedoelde herzieningsprocedures, waarborgt elke partij dat leden van het publiek, wanneer zij voldoen aan de eventuele in haar nationale recht neergelegde criteria, toegang hebben tot bestuursrechtelijke of rechterlijke procedures om het handelen en nalaten van privé-personen en overheidsinstanties te betwisten die strijdig zijn met bepalingen van haar nationale recht betreffende het milieu.

4.   Aanvullend op en onverminderd het voorgaande lid 1, voorzien de in de voorgaande leden 1, 2 en 3, bedoelde procedures in passende en doeltreffende middelen, met inbegrip van, zo nodig, een dwangmiddel tot rechtsherstel en zijn zij billijk, snel en niet onevenredig kostbaar. Beslissingen ingevolge dit artikel zijn schriftelijk of worden schriftelijk vastgelegd. Beslissingen van rechterlijke instanties, en waar mogelijk van andere organen, zijn voor het publiek toegankelijk.

5.   Om de doeltreffendheid van de bepalingen van dit artikel te bevorderen waarborgt elke partij dat aan het publiek informatie wordt verstrekt over toegang tot bestuursrechtelijke en rechterlijke herzieningsprocedures en overweegt zij het instellen van passende mechanismen voor bijstand om financiële of andere belemmeringen voor de toegang tot de rechter weg te nemen of te verminderen.

Artikel 10

Vergadering van partijen

1.   De eerste vergadering van de partijen wordt niet later bijeengeroepen dan een jaar na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag. Daarna wordt ten minste eenmaal per twee jaar een gewone vergadering van de partijen gehouden, tenzij anders besloten door de partijen, of op schriftelijk verzoek van een partij, mits binnen zes maanden na het meedelen van het verzoek aan alle partijen door de uitvoerend secretaris van de Economische Commissie voor Europa, het genoemde verzoek gesteund wordt door ten minste een derde van de partijen.

2.

a)

toetsen zij het beleid alsmede juridische en methodologische benaderingen inzake toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, met het oog op verdere verbetering ervan;

b)

wisselen zij informatie uit aangaande ervaring verworven bij het sluiten en uitvoeren van bilaterale en multilaterale overeenkomsten of andere regelingen die van belang zijn voor de doelstellingen van dit Verdrag en waarbij een of meer van de partijen partij zijn;

c)

verzoeken zij, indien van toepassing, om de diensten van de relevante ECE-organen en van andere bevoegde internationale organen en speciale commissies, bij alle aspecten die verband houden met het verwezenlijken van de doelstellingen van dit Verdrag;

d)

stellen zij alle subsidiaire organen in die zij noodzakelijk achten;

e)

bereiden zij, indien van toepassing, protocollen bij dit Verdrag voor;

f)

overwegen zij en nemen zij voorstellen aan voor wijzigingen van dit Verdrag in overeenstemming met de bepalingen van artikel 14;

g)

overwegen zij en ondernemen zij elke aanvullende actie die vereist kan zijn voor het verwezenlijken van de doelstellingen van dit Verdrag;

h)

overwegen zij en nemen zij bij hun eerste vergadering bij consensus een reglement van orde aan voor hun vergaderingen en de vergaderingen van subsidiaire organen;

i)

toetsen zij tijdens hun eerste vergadering hun ervaring met het uitvoeren van de bepalingen van artikel 5, lid 9, en overwegen zij welke stappen nodig zijn voor het verder ontwikkelen van het in dat lid bedoelde systeem, met inachtneming van internationale processen en ontwikkelingen, met inbegrip van de uitwerking van een passend instrument voor registers of inventarisaties van het uitstoten en overbrengen van verontreiniging die als bijlage bij dit Verdrag kunnen worden opgenomen.

3.   De vergadering van de partijen kan, zo nodig, op basis van consensus het instellen van financiële regelingen overwegen.

4.   De Verenigde Naties, de gespecialiseerde VN-agentschappen en de Internationale Organisatie voor Atoomenergie, alsmede elke staat of regionale organisatie voor economische integratie die ingevolge artikel 17 het recht heeft dit Verdrag te ondertekenen maar geen partij bij dit Verdrag is, en elke intergouvernementele organisatie die bevoegd is op de gebieden waarop dit Verdrag betrekking heeft, hebben het recht als waarnemers deel te nemen aan de vergaderingen van de partijen.

5.   Elke niet-gouvernementele organisatie die bevoegd is op de gebieden waarop dit Verdrag betrekking heeft, die de uitvoerend secretaris van de Economische Commissie voor Europa op de hoogte heeft gesteld van haar wens vertegenwoordigd te zijn bij een vergadering van de partijen heeft het recht deel te nemen als waarnemer tenzij ten minste een derde van de ter vergadering aanwezige partijen bezwaar maken.

6.   Voor de toepassing van de voorgaande leden 4 en 5, voorziet het in het voorgaande lid 2, onder h), bedoelde reglement van orde in praktische regelingen voor de toelatingsprocedure en andere relevante voorwaarden.

Artikel 11

Stemrecht

1.   Behoudens het bepaalde in het navolgende lid 2, heeft elke partij bij dit Verdrag één stem.

2.   Regionale organisaties voor economische integratie oefenen, ten aanzien van aangelegenheden die onder hun bevoegdheid vallen, hun stemrecht uit met een aantal stemmen dat gelijk is aan het aantal van hun lidstaten die partij zijn bij dit Verdrag. Deze organisaties oefenen hun stemrecht niet uit indien hun lidstaten hun stemrecht uitoefenen, en omgekeerd.

Artikel 12

Secretariaat

a)

het beleggen en voorbereiden van vergaderingen van de partijen;

b)

het toezenden aan de partijen van verslagen en andere in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag ontvangen informatie; en

c)

andere taken als door de partijen kunnen worden bepaald.

Artikel 13

Bijlagen

De bijlagen bij dit Verdrag maken een integrerend deel daarvan uit.

Artikel 14

Wijzigingen van het verdrag

1.   Elke partij kan wijzigingen van dit Verdrag voorstellen.

2.   Teksten van voorstellen tot wijziging van dit Verdrag worden schriftelijk ingediend bij de uitvoerend secretaris van de Economische Commissie voor Europa, die ze ten minste negentig dagen voor de vergadering van de partijen tijdens welke zij ter aanneming zullen worden voorgelegd, doet toekomen aan alle partijen.

3.   De partijen stellen alles in het werk om consensus te bereiken over voorgestelde wijzigingen van dit Verdrag. Indien alle pogingen om consensus te bereiken zijn uitgeput, en geen overeenstemming is bereikt, wordt de wijziging in laatste instantie aangenomen met een meerderheid van drievierde van de stemmen van de op de vergadering aanwezige partijen die hun stem uitbrengen.

4.   Wijzigingen van dit Verdrag die zijn aangenomen in overeenstemming met het voorgaande lid 3 worden door de depositaris aan alle partijen toegezonden voor bekrachtiging, goedkeuring of aanvaarding. Wijzigingen van dit Verdrag anders dan die van een bijlage worden van kracht voor partijen die deze hebben bekrachtigd, goedgekeurd of aanvaard op de negentigste dag na de ontvangst door de depositaris van de kennisgeving van hun bekrachtiging, goedkeuring of aanvaarding door ten minste drievierde van deze partijen. Daarna worden zij van kracht voor elke andere partij op de negentigste dag nadat die partij haar akte van bekrachtiging, goedkeuring of aanvaarding van de wijzigingen nederlegt.

5.   Een partij die niet in staat is een wijziging van een bijlage bij dit Verdrag goed te keuren, stelt de depositaris hiervan schriftelijk in kennis binnen twaalf maanden na het bericht van de aanneming. De depositaris stelt alle partijen onverwijld in kennis van elke kennisgeving die hij ontvangt. Een partij kan te allen tijde een eerder gedane kennisgeving vervangen door een verklaring van aanvaarding, en na nederlegging van een akte van aanvaarding bij de depositaris, worden de wijzigingen van een dergelijke bijlage voor die partij van kracht.

6.   Na het verstrijken van twaalf maanden na de datum van haar toezending door de depositaris als voorzien in het voorgaande lid 4, wordt een wijziging van een bijlage van kracht voor die partijen die bij de depositaris geen kennisgeving hebben ingediend in overeenstemming met de bepalingen van het voorgaande lid 5, mits niet meer dan eenderde van de partijen een dergelijke kennisgeving hebben ingediend.

7.   Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „aanwezige partijen die hun stem uitbrengen” verstaan de partijen die aanwezig zijn en een stem vóór of tegen een voorstel uitbrengen.

Artikel 15

Toezicht op naleving

De vergadering van de partijen stelt, op basis van consensus, facultatieve regelingen vast van niet-confronterende, niet-rechterlijke en raadplegende aard voor toetsing van de naleving van de bepalingen van dit Verdrag. Deze regelingen laten ruimte voor passende betrokkenheid van het publiek en kunnen de optie omvatten mededelingen van leden van het publiek over aangelegenheden met betrekking tot dit Verdrag in overweging te nemen.

Artikel 16

Regeling van geschillen

1.   Indien tussen twee of meer partijen een geschil ontstaat over de uitlegging of de toepassing van dit Verdrag, trachten zij dit op te lossen door onderhandeling of volgens een andere voor de partijen bij het geschil aanvaardbare methode voor de regeling van geschillen.

2.

a)

voorlegging van het geschil aan het Internationaal Gerechtshof;

b)

arbitrage in overeenstemming met de procedure omschreven in bijlage II.

3.   Indien de partijen bij het geschil beide in het voorgaande lid 2 genoemde methoden voor de regeling van geschillen hebben aanvaard, kan het geschil alleen aan het Internationaal Gerechtshof worden voorgelegd, tenzij de partijen anders overeenkomen.

Artikel 17

Ondertekening

Dit Verdrag staat op 25 juni 1998 te Aarhus (Denemarken), en daarna tot 21 december 1998 op de zetel van de Verenigde Naties te New York, open voor ondertekening door de lidstaten van de Economische Commissie voor Europa alsmede door staten die een consultatieve status bij de Europese Commissie voor Europa hebben krachtens de paragrafen 8 en 11 van resolutie 36 (IV) van de Economische en Sociale Raad van 28 maart 1947, en door regionale organisaties voor economische integratie opgericht door soevereine staten die lid zijn van de Economische Commissie voor Europa, waaraan de lidstaten bevoegdheden hebben overgedragen ten aanzien van aangelegenheden die onder dit Verdrag vallen, met inbegrip van de bevoegdheid ten aanzien van deze aangelegenheden verdragen aan te gaan.

Artikel 18

Depositaris

De secretaris-generaal van de Verenigde Naties treedt op als depositaris van dit Verdrag.

Artikel 19

Bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring en toetreding

1.   Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd door ondertekenende staten en regionale organisaties voor economische integratie.

2.   Dit Verdrag staat vanaf 22 december 1998 open voor toetreding door de staten en regionale organisaties voor economische integratie bedoeld in artikel 17.

3.   Elke andere, niet in het voorgaande lid 2 bedoelde staat die lid is van de Verenigde Naties kan toetreden tot het Verdrag na goedkeuring door de vergadering van de partijen.

4.   Iedere organisatie zoals bedoeld in artikel 17 die partij wordt bij dit Verdrag zonder dat een van haar lidstaten partij is, is gebonden door alle verplichtingen krachtens dit Verdrag. Indien een of meer lidstaten van een dergelijke organisatie partij bij dit Verdrag zijn, beslissen de organisatie en haar lidstaten over hun onderscheiden verantwoordelijkheden ten aanzien van de nakoming van hun verplichtingen krachtens dit Verdrag. In dat geval mogen de organisatie en de lidstaten niet tegelijkertijd rechten krachtens dit Verdrag uitoefenen.

5.   In hun akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding vermelden de regionale organisaties voor economische integratie bedoeld in artikel 17 de reikwijdte van hun bevoegdheid ten aanzien van de aangelegenheden die onder dit Verdrag vallen. Deze organisaties doen de depositaris tevens mededeling van elke wezenlijke verandering in de reikwijdte van hun bevoegdheid.

Artikel 20

Inwerkingtreding

1.   Dit Verdrag treedt in werking op de negentigste dag na de datum van nederlegging van de zestiende akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding.

2.   Voor de toepassing van het voorgaande lid 1 wordt de door een regionale organisatie voor economische integratie neergelegde akte niet meegeteld naast akten die zijn nedergelegd door lidstaten van die organisatie.

3.   Ten aanzien van elke staat of organisatie bedoeld in artikel 17 die dit Verdrag bekrachtigt, aanvaardt of goedkeurt of ertoe toetreedt na de nederlegging van de zestiende akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, treedt het Verdrag in werking op de negentigste dag na de datum van nederlegging door de staat of organisatie van zijn of haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding.

Artikel 21

Opzegging

Elke partij kan, te allen tijde na drie jaar vanaf de datum waarop dit Verdrag ten aanzien van die partij in werking is getreden, het Verdrag opzeggen door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de depositaris. De opzegging wordt van kracht op de negentigste dag na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de depositaris.

Artikel 22

Authentieke teksten

Het originele exemplaar van dit Verdrag, waarvan de Engelse, de Franse en de Russische tekst gelijkelijk authentiek zijn, wordt nedergelegd bij de secretaris-generaal van de Verenigde Naties.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, hiertoe naar behoren gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.

GEDAAN te Aarhus (Denemarken), de vijfentwintigste juni negentienhonderdachtennegentig.


VERDRAG BETREFFENDE TOEGANG TOT INFORMATIE, INSPRAAK BIJ BESLUITVORMING EN TOEGANG TOT DE RECHTER INZAKE MILIEUAANGELEGENHEDEN

Gedaan te Aarhus, Denemarken, 25 juni 1998.

De partijen bij dit Verdrag,

Herinnerend aan beginsel 1 van de Verklaring van Stockholm inzake het menselijk leefmilieu,

Tevens herinnerend aan beginsel 10 van de Verklaring van Rio inzake milieu en ontwikkeling,

Voorts herinnerend aan de resoluties van de Algemene Vergadering 37/7 van 28 oktober 1982 inzake het Wereldnatuurhandvest en 45/94 van 14 december 1990 inzake de noodzaak een gezond milieu te waarborgen voor het welzijn van individuen,

Herinnerend aan het Europees Handvest inzake milieu en gezondheid aangenomen op de eerste Europese Conferentie inzake milieu en gezondheid van de Wereldgezondheidsorganisatie in Frankfurt-am-Main, Duitsland, op 8 december 1989,

Bevestigend de noodzaak de toestand van het milieu te beschermen, in stand te houden en te verbeteren en een duurzame en milieuhygiënisch verantwoorde ontwikkeling te waarborgen,

Erkennend dat adequate bescherming van het milieu van wezenlijk belang is voor het welzijn van de mens en het genot van de fundamentele mensenrechten, waaronder het recht op leven zelf,

Tevens erkennend dat een ieder het recht heeft te leven in een milieu dat passend is voor zijn of haar gezondheid en welzijn en de plicht heeft, zowel individueel als tezamen met anderen, het milieu te beschermen en te verbeteren in het belang van de huidige en toekomstige generaties,

Overwegende dat, om dit recht te kunnen doen gelden en deze plicht te kunnen vervullen, burgers toegang tot informatie, recht op inspraak in de besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden moeten hebben, en in dit verband erkennend dat burgers bijstand nodig kunnen hebben om hun rechten uit te oefenen,

Erkennend dat, op milieugebied, een verbeterde toegang tot informatie alsmede inspraak in besluitvorming de kwaliteit en de uitvoering van besluiten verbeteren, bijdragen tot de bewustheid bij het publiek van milieuvraagstukken, het publiek de gelegenheid bieden om zijn bezorgdheid te uiten en bestuursorganen in staat stellen naar behoren rekening te houden met deze bezorgdheid,

Aldus beogend de verantwoording en transparantie van de besluitvorming te bevorderen en de publieke steun voor besluiten over het milieu te versterken,

Erkennend dat transparantie in alle geledingen van de overheid gewenst is, en wetgevende lichamen uitnodigend de beginselen van dit Verdrag in hun handelingen ten uitvoer te brengen,

Tevens erkennend dat het publiek bekend dient te zijn met de procedures voor inspraak in besluitvorming op milieugebied, er vrije toegang toe dient te hebben en dient te weten hoe deze te gebruiken,

Voorts het belang erkennend van de onderscheiden rollen die individuele burgers, niet-gouvernementele organisaties en de particuliere sector kunnen spelen in het beschermen van het milieu,

Geleid door de wens milieueducatie te stimuleren ter bevordering van het begrip van het milieu en duurzame ontwikkeling en bij het publiek een wijdverbreide bewustheid van, en inspraak aan te moedigen in, besluiten die invloed hebben op het milieu en die duurzame ontwikkeling beïnvloeden,

Gelet op, in dit verband, het belang van gebruikmaking van de media en van elektronische of andere, toekomstige vormen van communicatie,

Het belang erkennend van geheel in besluitvorming van de overheid geïntegreerde milieuoverwegingen en derhalve van de noodzaak voor bestuursorganen te beschikken over nauwkeurige, uitvoerige en actuele milieu-informatie,

Erkennend dat bestuursorganen milieu-informatie bezitten in het openbaar belang,

Geleid door de wens het publiek, met inbegrip van organisaties, toegang te geven tot doelmatige mechanismen van rechtspraak, opdat zijn rechtmatige belangen worden beschermd en het recht wordt toegepast,

Gelet op het belang dat adequate productinformatie wordt verstrekt aan consumenten, om hen in staat te stellen weloverwogen milieukeuzen te maken,

Erkennend de bezorgdheid van het publiek over de doelbewuste introductie in het milieu van genetisch gemodificeerde organismen en de noodzaak van grotere transparantie en meer inspraak in de besluitvorming op dit gebied,

Overtuigd dat de uitvoering van dit Verdrag zal bijdragen tot het versterken van de democratie in de regio van de Economische Commissie voor Europa (ECE) van de Verenigde Naties,

Zich bewust van de rol die de ECE in dit opzicht heeft gespeeld en herinnerend aan, onder meer, de richtsnoeren van de ECE inzake de toegang tot milieu-informatie en inspraak in milieubesluitvorming, bekrachtigd in de ministeriële verklaring aangenomen op de derde ministeriële conferentie „Milieu voor Europa”' in Sofia, Bulgarije, op 25 oktober 1995,

Indachtig de relevante bepalingen van het Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband, totstandgekomen te Espoo, Finland, op 25 februari 1991, en het Verdrag inzake de grensoverschrijdende gevolgen van industriële ongevallen en het Verdrag inzake de bescherming en het gebruik van grensoverschrijdende waterlopen en internationale meren, beide totstandgekomen te Helsinki op 17 maart 1992, en andere regionale verdragen,

Zich ervan bewust dat het aannemen van dit Verdrag een bijdrage zal vormen aan het verder versterken van het proces „Milieu voor Europa”' en aan de resultaten van de vierde ministeriële conferentie in Aarhus, Denemarken, in juni 1998,

ZIJN HET VOLGENDE OVEREENGEKOMEN:

Artikel 1

Doel

Om bij te dragen aan de bescherming van het recht van elke persoon van de huidige en toekomstige generaties om te leven in een milieu dat passend is voor zijn of haar gezondheid en welzijn, waarborgt elke partij de rechten op toegang tot informatie, inspraak in de besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag.

Artikel 2

Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit Verdrag,

1.

wordt onder „partij”' verstaan, tenzij uit de tekst anders blijkt, een verdragsluitende partij bij dit Verdrag;

2.

wordt onder „overheidsinstantie”' verstaan:

a)

overheid op nationaal, regionaal of ander niveau;

b)

natuurlijke of rechtspersonen die openbare bestuursfuncties naar nationaal recht vervullen, met inbegrip van specifieke taken, activiteiten of diensten met betrekking tot het milieu;

c)

alle andere natuurlijke of rechtspersonen die openbare verantwoordelijkheden of functies hebben, of openbare diensten verlenen, met betrekking tot het milieu, onder toezicht van een orgaan of persoon vallend onder het bovenstaande onder a) of b);

d)

de instellingen van elke regionale organisatie voor economische integratie bedoeld in artikel 17 die partij is bij dit Verdrag.

Deze begripsomschrijving omvat geen organen of instellingen die optreden in een rechterlijke of wetgevende hoedanigheid;

3.

wordt onder „milieu-informatie”' verstaan alle informatie in geschreven, visuele, auditieve, elektronische of enige andere materiële vorm over:

a)

de toestand van elementen van het milieu, zoals lucht en atmosfeer, water, bodem, land, landschappen en natuurgebieden, biologische diversiteit en componenten daarvan, met inbegrip van genetisch gemodificeerde organismen, en de interactie tussen deze elementen;

b)

factoren, zoals stoffen, energie, geluid en straling, en activiteiten of maatregelen, met inbegrip van bestuurlijke maatregelen, milieuakkoorden, beleid, wetgeving, plannen en programma's die de elementen van het milieu aantasten of waarschijnlijk aantasten binnen het toepassingsgebied van het voorgaande onder a), en kosten-baten- en andere economische analysen en veronderstellingen gebruikt in milieubesluitvorming;

c)

de toestand van de menselijke gezondheid en veiligheid, de menselijke levensomstandigheden, cultureel waardevolle gebieden en bouwwerken, voorzover deze worden of kunnen worden aangetast door de toestand van de elementen van het milieu of, via deze elementen, door de factoren, activiteiten of maatregelen bedoeld in het voorgaande onder b);

4.

wordt onder „het publiek”' verstaan een of meer natuurlijke of rechtspersonen en, in overeenstemming met nationale wetgeving of praktijk, hun verenigingen, organisaties of groepen;

5.

wordt onder „het betrokken publiek”' verstaan het publiek dat gevolgen ondervindt, of waarschijnlijk ondervindt van, of belanghebbende is bij, milieubesluitvorming; voor de toepassing van deze omschrijving worden niet-gouvernementele organisaties die zich inzetten voor milieubescherming en voldoen aan de eisen van nationaal recht geacht belanghebbende te zijn.

Artikel 3

Algemene bepalingen

1.   Elke partij neemt de noodzakelijke wet- en regelgevende en andere maatregelen, met inbegrip van maatregelen om verenigbaarheid te bewerkstelligen tussen de bepalingen ter uitvoering van de bepalingen in dit Verdrag betreffende informatie, inspraak en toegang tot de rechter, alsmede passende handhavingsmaatregelen, voor het instellen en instandhouden van een duidelijk, transparant en samenhangend kader voor het uitvoeren van de bepalingen van dit Verdrag.

2.   Elke partij streeft ernaar te waarborgen dat overheidsfunctionarissen en overheidsinstanties het publiek bijstaan en begeleiden bij het verkrijgen van toegang tot informatie, het vergemakkelijken van inspraak in besluitvorming en het verkrijgen van toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden.

3.   Elke partij bevordert milieueducatie en milieubewustzijn onder het publiek, in het bijzonder omtrent het verkrijgen van toegang tot informatie, omtrent inspraak in besluitvorming en omtrent het verkrijgen van toegang tot de rechter in milieuaangelegenheden.

4.   Elke partij voorziet in passende erkenning van en steun aan verenigingen, organisaties of groepen die milieubescherming bevorderen en waarborgt dat haar nationale rechtsstelsel strookt met deze verplichting.

5.   De bepalingen van dit Verdrag laten onverlet het recht van een partij maatregelen te handhaven of in te stellen die voorzien in een ruimere toegang tot informatie, uitgebreidere inspraak in besluitvorming en ruimere toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden dan vereist door dit Verdrag.

6.   Dit Verdrag verplicht niet tot het afwijken van bestaande rechten op toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden.

7.   Elke partij bevordert de toepassing van de beginselen van dit Verdrag bij internationale besluitvormingsprocessen aangaande het milieu en binnen het kader van internationale organisaties in aangelegenheden verband houdend met het milieu.

8.   Elke partij waarborgt dat personen die hun rechten uitoefenen overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag niet worden gestraft, vervolgd of op enige wijze gehinderd wegens hun betrokkenheid. Deze bepaling laat onverlet de bevoegdheden van de nationale rechter om in een rechtsgeding redelijke kosten toe te wijzen.

9.   Binnen het toepassingsgebied van de relevante bepalingen van dit Verdrag heeft het publiek toegang tot informatie, heeft het de mogelijkheid van inspraak in besluitvorming en heeft het toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden zonder discriminatie op grond van staatsburgerschap, nationaliteit of woonplaats en, in het geval van een rechtspersoon, zonder discriminatie op grond van de plaats van de statutaire zetel of een feitelijk middelpunt van de activiteiten.

Artikel 4

Toegang tot milieu-informatie

1.

a)

zonder dat een bepaald belang behoeft te worden gesteld;

b)

in de verzochte vorm, tenzij:

i)

het voor de overheidsinstantie redelijk is dit in een andere vorm beschikbaar te stellen, in welk geval het beschikbaar stellen in die vorm met redenen wordt omkleed; of

ii)

de informatie al voor het publiek beschikbaar is in een andere vorm.

2.   De milieu-informatie bedoeld in het bovenstaande lid 1 wordt zo spoedig mogelijk beschikbaar gesteld en uiterlijk binnen een maand nadat het verzoek is ingediend, tenzij de omvang en de ingewikkeldheid van de informatie een verlenging van deze termijn rechtvaardigen tot ten hoogste twee maanden na het verzoek. De verzoeker wordt ingelicht over elke verlenging en over de redenen die deze rechtvaardigen.

3.

a)

de overheidsinstantie waaraan het verzoek is gericht de verzochte milieu-informatie niet bezit;

b)

het verzoek kennelijk onredelijk is of op een te algemene wijze is geformuleerd; of

c)

het verzoek nog onvoltooid materiaal of interne mededelingen van overheidsinstanties betreft, wanneer in een dergelijke uitzondering is voorzien in het nationale recht of bestendig gebruik, met inachtneming van het openbare belang dat met bekendmaking wordt gediend.

4.   Een verzoek om milieu-informatie kan worden geweigerd indien de bekendmaking een nadelige invloed zou hebben op:

a)

de vertrouwelijkheid van het handelen van overheidsinstanties, wanneer in dergelijke vertrouwelijkheid is voorzien naar nationaal recht;

b)

internationale betrekkingen, nationale defensie of openbare veiligheid;

c)

de rechtspleging, de mogelijkheid van een persoon een eerlijk proces te verkrijgen of de bevoegdheid van een overheidsinstantie om een onderzoek te verrichten van strafrechtelijke of tuchtrechtelijke aard;

d)

de vertrouwelijkheid van commerciële en industriële informatie, wanneer deze informatie bij wet beschermd wordt om een legitiem economisch belang te beschermen. Binnen dit kader wordt informatie over emissies bekendgemaakt die van belang is voor de bescherming van het milieu;

e)

intellectuele-eigendomsrechten;

f)

de vertrouwelijkheid van persoonsgegevens en/of -dossiers met betrekking tot een natuurlijk persoon wanneer die persoon niet heeft ingestemd met bekendmaking van de informatie aan het publiek, wanneer in deze vertrouwelijkheid is voorzien naar nationaal recht;

g)

de belangen van een derde die de verzochte informatie heeft verstrekt zonder dat deze derde wettelijk verplicht is of wettelijk verplicht kan worden dat te doen, en wanneer die derde niet instemt met het vrijgeven van het materiaal; of

h)

het milieu waarop de informatie betrekking heeft, zoals de voortplantingsgebieden van zeldzame soorten.

De bovengenoemde gronden voor weigering worden restrictief uitgelegd, met inachtneming van het met bekendmaking gediende openbare belang en in aanmerking nemend of de verzochte informatie betrekking heeft op emissies in het milieu.

5.   Indien een overheidsinstantie de verzochte milieu-informatie niet bezit, licht deze overheidsinstantie de verzoeker zo spoedig mogelijk in over de overheidsinstantie waarbij naar zijn mening de verzochte informatie kan worden aangevraagd, of het zendt het verzoek door aan die overheidsinstantie en licht de verzoeker hierover in.

6.   Elke partij waarborgt dat, indien informatie die ingevolge het voorgaande lid 3, onder c), en lid 4 is uitgezonderd van bekendmaking kan worden afgescheiden zonder afbreuk te doen aan de vertrouwelijkheid van de uitgezonderde informatie, overheidsinstanties de overige milieu-informatie waarom is verzocht beschikbaar stellen.

7.   Een weigering van een verzoek geschiedt schriftelijk indien het verzoek schriftelijk is gedaan of de verzoeker daarom verzoekt. Een weigering wordt met redenen omkleed en verschaft informatie over toegang tot de herzieningsprocedure waarin is voorzien in overeenstemming met artikel 9. De weigering geschiedt zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen een maand, tenzij de ingewikkeldheid van de informatie een verlenging van deze termijn rechtvaardigt tot ten hoogste twee maanden na het verzoek. De verzoeker wordt ingelicht over elke verlenging en over de redenen die deze rechtvaardigen.

8.   Elke partij kan haar overheidsinstanties toestaan kosten te heffen voor het verstrekken van informatie, maar deze vergoeding gaat een redelijk bedrag niet te boven.

Overheidsinstanties die voornemens zijn dergelijke kosten te heffen voor het verstrekken van informatie stellen aan verzoekers een overzicht beschikbaar van de vergoedingen die kunnen worden geheven, met vermelding van de omstandigheden waarin deze kunnen worden geheven of vrijstelling kan worden verleend en wanneer het verstrekken van informatie afhankelijk is van vooruitbetaling van dergelijke kosten.

Artikel 5

Verzamelen en verspreiden van milieu-informatie

1.

a)

overheidsinstanties milieu-informatie bezitten en actualiseren die van belang is voor hun functies;

b)

er verplichte mechanismen worden ingesteld voor een adequate informatiestroom naar de overheidsinstanties over voorgestelde en bestaande activiteiten die het milieu aanmerkelijk kunnen beïnvloeden;

c)

in het geval van een onmiddellijke bedreiging van de menselijke gezondheid of het milieu, hetzij veroorzaakt door menselijke activiteiten of ten gevolge van natuurlijke oorzaken, alle informatie die het publiek in staat kan stellen maatregelen te nemen om uit de bedreiging voortvloeiende schade te voorkomen of te beperken en die in bezit is van een overheidsinstantie onmiddellijk en terstond wordt verspreid onder leden van het publiek die getroffen kunnen worden.

2.

a)

het verstrekken van voldoende informatie aan het publiek over de aard en de strekking van de milieu-informatie die in het bezit is van de betrokken overheidsinstanties, de fundamentele voorwaarden waarop deze informatie beschikbaar wordt gesteld en toegankelijk is, en via welke procedure deze kan worden verkregen;

b)

het instellen en in stand houden van praktische voorzieningen zoals:

i)

voor het publiek toegankelijke lijsten, registers of bestanden;

ii)

de eis dat overheidsfunctionarissen het publiek bijstaan bij het verkrijgen van toegang tot informatie ingevolge dit Verdrag; en

iii)

het aanwijzen van contactpunten;

c)

het kosteloos verschaffen van toegang tot de milieu-informatie die zich bevindt in lijsten, registers of bestanden als bedoeld in het voorgaande onder b), i).

3.

a)

rapporten over de toestand van het milieu, bedoeld in het navolgende lid 4;

b)

wetteksten over of verband houdend met het milieu;

c)

indien van toepassing beleid, plannen en programma's over of verband houdend met het milieu, en milieuakkoorden; en

d)

andere informatie, voorzover de beschikbaarheid van deze informatie in deze vorm de toepassing van nationale wetgeving ter uitvoering van dit Verdrag zou kunnen vergemakkelijken, mits zulke informatie reeds beschikbaar is in elektronische vorm.

4.   Elke partij publiceert en verspreidt, met regelmatige tussenpozen van ten hoogste drie of vier jaar een nationaal rapport over de toestand van het milieu, met inbegrip van informatie over de kwaliteit van het milieu en informatie over op het milieu uitgeoefende druk.

5.

a)

wetgeving en beleidsdocumenten zoals documenten over strategieën, beleid, programma's en actieplannen betreffende het milieu, en voortgangsrapporten over hun uitvoering, voorbereid op verschillende overheidsniveaus;

b)

internationale verdragen en overeenkomsten over milieuonderwerpen; en

c)

indien van toepassing, andere belangrijke internationale documenten over milieuonderwerpen.

6.   Elke partij moedigt exploitanten wier activiteiten een aanmerkelijke invloed op het milieu hebben aan het publiek regelmatig te informeren over de gevolgen van hun activiteiten en producten voor het milieu, indien van toepassing, binnen het kader van vrijwillige milieukeur- of milieuauditsystemen of met andere middelen.

7.

a)

publiceert de feiten en feitenanalysen die zij relevant en belangrijk acht voor het opstellen van essentiële milieubeleidsvoorstellen;

b)

publiceert, of maakt op andere wijze beschikbaar toelichtend materiaal toegankelijk over haar contacten met het publiek over aangelegenheden die behoren tot het toepassingsgebied van dit Verdrag; en

c)

verstrekt in gepaste vorm informatie over het verrichten van openbare functies of het verlenen van openbare diensten betreffende het milieu door de overheid op alle niveaus.

8.   Elke partij ontwikkelt mechanismen om te waarborgen dat toereikende productinformatie beschikbaar wordt gemaakt voor het publiek op een wijze die consumenten in staat stelt weloverwogen milieukeuzen te maken.

9.   Elke partij neemt geleidelijk stappen om, indien van toepassing rekening houdend met internationale processen, een coherent, landelijk systeem voor inventarisatie of registratie van verontreinigingsgegevens in te stellen in een gestructureerd, geautomatiseerd en voor het publiek toegankelijk gegevensbestand, samengesteld op grond van gestandaardiseerde rapportages. Dit systeem kan betrekking hebben op de introductie, het uitstoten en overbrengen van een bepaalde reeks stoffen en producten, met inbegrip van water, energie en hulpbronnenverbruik, afkomstig van een bepaalde reeks activiteiten, in de verschillende milieucompartimenten en naar ter plaatse of elders gelegen verwerkings- en stortplaatsen.

10.   Niets in dit artikel doet afbreuk aan het recht van partijen te weigeren bepaalde milieu-informatie bekend te maken in overeenstemming met artikel 4, leden 3 en 4.

Artikel 6

Inspraak in besluiten over specifieke activiteiten

1.

a)

past de bepalingen van dit artikel toe ten aanzien van besluiten over het al dan niet toestaan van voorgestelde activiteiten vermeld in bijlage I;

b)

past, in overeenstemming met haar nationale wetgeving, de bepalingen van dit artikel ook toe op besluiten over niet in bijlage I vermelde voorgestelde activiteiten die een aanzienlijk effect op het milieu kunnen hebben. Hiertoe bepalen de partijen of een dergelijke voorgestelde activiteit onder deze bepalingen valt; en

c)

kan, indien haar nationale wetgeving hierin voorziet, per geval besluiten de bepalingen van dit artikel niet toe te passen op voorgestelde activiteiten voor nationale defensiedoeleinden, indien die partij meent dat een dergelijke toepassing op deze doeleinden van nadelige invloed zal zijn.

2.

a)

de voorgestelde activiteit en de aanvraag waarover een besluit zal worden genomen;

b)

de aard van mogelijke besluiten of het ontwerp-besluit;

c)

de voor de besluitvorming verantwoordelijke overheidsinstantie;

d)

de beoogde procedure, met inbegrip van, in de gevallen waarin deze informatie kan worden verstrekt:

i)

de aanvang van de procedure;

ii)

de mogelijkheden voor inspraak van het publiek;

iii)

de tijd en plaats van een beoogde openbare hoorzitting;

iv)

een aanduiding van de overheidsinstantie waarvan relevante informatie kan worden verkregen en waarbij de relevante informatie voor het publiek ter inzage is gelegd;

v)

een aanduiding van de betreffende overheidsinstantie of enig ander officieel lichaam waarbij opmerkingen of vragen kunnen worden ingediend en van het tijdschema voor het doorgeven van opmerkingen of vragen; en

vi)

een aanduiding van welke voor de voorgestelde activiteit relevante milieu-informatie beschikbaar is; en

e)

het feit dat de activiteit voorwerp is van een nationale of grensoverschrijdende milieueffectrapportage.

3.   De inspraakprocedures omvatten redelijke termijnen voor de verschillende fasen, die voldoende tijd laten voor het informeren van het publiek in overeenstemming met het voorgaande lid 2 en voor het publiek om zich gedurende de milieubesluitvorming doeltreffend voor te bereiden en deel te nemen.

4.   Elke partij voorziet in vroegtijdige inspraak, wanneer alle opties open zijn en doeltreffende inspraak kan plaatsvinden.

5.   Elke partij zou, indien van toepassing, potentiële aanvragers aan dienen te moedigen het betrokken publiek te identificeren, discussies aan te gaan en informatie te verstrekken betreffende de doelstellingen van hun aanvraag alvorens een vergunning aan te vragen.

6.

a)

een beschrijving van het terrein en de fysieke en technische kenmerken van de voorgestelde activiteit, met inbegrip van een prognose van de verwachte residuen en emissies;

b)

een beschrijving van de belangrijke effecten van de voorgestelde activiteit op het milieu;

c)

een beschrijving van de beoogde maatregelen om de effecten, met inbegrip van emissies, te voorkomen en/of te verminderen;

d)

een niet-technische samenvatting van het voorgaande;

e)

een schets van de voornaamste door de aanvrager bestudeerde alternatieven; en

f)

in overeenstemming met de nationale wetgeving, de voornaamste aan de overheidsinstantie uitgebrachte rapporten en adviezen op het tijdstip waarop het betrokken publiek dient te worden geïnformeerd in overeenstemming met het voorgaande lid 2.

7.   Inspraakprocedures bieden het publiek de mogelijkheid schriftelijk of, indien van toepassing, tijdens een hoorzitting of onderzoek met de verzoeker, alle opmerkingen, informatie, analysen of meningen naar voren te brengen die het relevant acht voor de voorgestelde activiteit.

8.   Elke partij waarborgt dat in het besluit naar behoren rekening wordt gehouden met het resultaat van de inspraak.

9.   Elke partij waarborgt dat, wanneer het besluit is genomen door de overheidsinstantie, het publiek terstond over het besluit wordt ingelicht in overeenstemming met de toepasselijke procedures. Elke partij maakt de tekst van het besluit toegankelijk voor het publiek tezamen met de redenen en overwegingen waarop het besluit is gebaseerd.

10.   Elke partij waarborgt dat, wanneer een overheidsinstantie de voorwaarden voor het uitvoeren van een in lid 1 bedoelde activiteit heroverweegt of aanpast, de bepalingen van de leden 2 tot en met 9 van dit artikel dienovereenkomstig worden toegepast, waar dit van toepassing is.

11.   Elke partij past, binnen het kader van haar nationale wetgeving, voorzover mogelijk en passend, de bepalingen van dit artikel toe op besluiten over het al dan niet toestaan van de opzettelijke introductie in het milieu van genetisch gemodificeerde organismen.

Artikel 7

Het milieu

Elke partij treft passende praktische en/of andere voorzieningen voor inspraak voor het publiek gedurende de voorbereiding van plannen en programma's betreffende het milieu, binnen een transparant en eerlijk kader, na het publiek de benodigde informatie te hebben verstrekt. In dit kader wordt artikel 6, leden 3, 4 en 8, toegepast. Het publiek dat kan inspreken wordt door de betreffende overheidsinstantie aangewezen met inachtneming van de doelstellingen van dit Verdrag. Voorzover passend spant elke partij zich in om, bij de voorbereiding van beleid betreffende het milieu mogelijkheden te scheppen voor inspraak.

Artikel 8

Inspraak tijdens de voorbereiding van uitvoerende regelingen en/of algemeen toepasselijke wettelijk bindende normatieve instrumenten

Elke partij tracht doeltreffende inspraak in een passend stadium te bevorderen, en terwijl opties nog openstaan, gedurende de voorbereiding door overheidsinstanties van uitvoerende regelingen en andere algemeen toepasselijke wettelijk bindende regels die een aanzienlijk effect kunnen hebben op het milieu.

Hiertoe zouden de volgende stappen dienen te worden genomen:

a)

er zouden voor doeltreffende inspraak toereikende termijnen dienen te worden vastgesteld;

b)

ontwerp-regels zouden dienen te worden gepubliceerd of anderszins aan het publiek beschikbaar te worden gesteld; en

c)

het publiek zou in de gelegenheid dienen te worden gesteld opmerkingen te maken, rechtstreeks of via representatieve overlegorganen.

Met het resultaat van de inspraak wordt zoveel mogelijk rekening gehouden.

Artikel 9

Toegang tot de rechter

1.   Elke partij waarborgt, binnen het kader van haar nationale wetgeving, dat een ieder die meent dat zijn of haar verzoek om informatie ingevolge artikel 4 veronachtzaamd, ten onrechte geheel of gedeeltelijk afgewezen of anderszins niet beantwoord is in overeenstemming met de bepalingen van dat artikel, toegang heeft tot een herzieningsprocedure voor een rechterlijke instantie of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan.

In de omstandigheden waarin een partij in een dergelijk beroep bij een rechterlijke instantie voorziet, waarborgt zij dat een dergelijke persoon tevens toegang heeft tot een bij wet ingestelde snelle procedure die kosteloos of niet kostbaar is, voor heroverweging door een overheidsinstantie of toetsing door een onafhankelijk en onpartijdig orgaan anders dan een rechterlijke instantie.

Eindbeslissingen ingevolge lid 1 zijn bindend voor de overheidsinstantie die de informatie bezit. De redengeving geschiedt schriftelijk, in ieder geval wanneer toegang tot informatie wordt geweigerd ingevolge dit lid.

2.   Elke partij waarborgt, binnen het kader van haar nationale wetgeving, dat leden van het betrokken publiek

a)

die een voldoende belang hebben, dan wel

b)

stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, wanneer het bestuursprocesrecht van een partij dit als voorwaarde stelt, toegang hebben tot een herzieningsprocedure voor een rechterlijke instantie en/of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan, om de materiële en formele rechtmatigheid te bestrijden van enig besluit, handelen of nalaten vallend onder de bepalingen van artikel 6 en, wanneer het nationale recht hierin voorziet en onverminderd het navolgende lid 3, andere relevante bepalingen van dit Verdrag.

Wat een voldoende belang en een inbreuk op een recht vormt, wordt vastgesteld in overeenstemming met de eisen van nationaal recht en strokend met het doel aan het betrokken publiek binnen het toepassingsgebied van dit Verdrag ruim toegang tot de rechter te verschaffen. Hiertoe wordt het belang van elke niet-gouvernementele organisatie die voldoet aan de in artikel 2, lid 5, gestelde eisen voldoende geacht in de zin van het voorgaande onder a). Dergelijke organisaties worden tevens geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van het voorgaande onder b).

De bepalingen van dit lid 2 sluiten niet de mogelijkheid uit van een herzieningsprocedure voor een bestuursrechtelijke instantie en laten onverlet de eis van het uitputten van de bestuursrechtelijke beroepsgang alvorens over te gaan tot rechterlijke herzieningsprocedures, wanneer die eis bestaat naar nationaal recht.

3.   Aanvullend op en onverminderd de in de voorgaande leden 1 en 2, bedoelde herzieningsprocedures, waarborgt elke partij dat leden van het publiek, wanneer zij voldoen aan de eventuele in haar nationale recht neergelegde criteria, toegang hebben tot bestuursrechtelijke of rechterlijke procedures om het handelen en nalaten van privé-personen en overheidsinstanties te betwisten die strijdig zijn met bepalingen van haar nationale recht betreffende het milieu.

4.   Aanvullend op en onverminderd het voorgaande lid 1, voorzien de in de voorgaande leden 1, 2 en 3, bedoelde procedures in passende en doeltreffende middelen, met inbegrip van, zo nodig, een dwangmiddel tot rechtsherstel en zijn zij billijk, snel en niet onevenredig kostbaar. Beslissingen ingevolge dit artikel zijn schriftelijk of worden schriftelijk vastgelegd. Beslissingen van rechterlijke instanties, en waar mogelijk van andere organen, zijn voor het publiek toegankelijk.

5.   Om de doeltreffendheid van de bepalingen van dit artikel te bevorderen waarborgt elke partij dat aan het publiek informatie wordt verstrekt over toegang tot bestuursrechtelijke en rechterlijke herzieningsprocedures en overweegt zij het instellen van passende mechanismen voor bijstand om financiële of andere belemmeringen voor de toegang tot de rechter weg te nemen of te verminderen.

Artikel 10

Vergadering van partijen

1.   De eerste vergadering van de partijen wordt niet later bijeengeroepen dan een jaar na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag. Daarna wordt ten minste eenmaal per twee jaar een gewone vergadering van de partijen gehouden, tenzij anders besloten door de partijen, of op schriftelijk verzoek van een partij, mits binnen zes maanden na het meedelen van het verzoek aan alle partijen door de uitvoerend secretaris van de Economische Commissie voor Europa, het genoemde verzoek gesteund wordt door ten minste een derde van de partijen.

2.

a)

toetsen zij het beleid alsmede juridische en methodologische benaderingen inzake toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, met het oog op verdere verbetering ervan;

b)

wisselen zij informatie uit aangaande ervaring verworven bij het sluiten en uitvoeren van bilaterale en multilaterale overeenkomsten of andere regelingen die van belang zijn voor de doelstellingen van dit Verdrag en waarbij een of meer van de partijen partij zijn;

c)

verzoeken zij, indien van toepassing, om de diensten van de relevante ECE-organen en van andere bevoegde internationale organen en speciale commissies, bij alle aspecten die verband houden met het verwezenlijken van de doelstellingen van dit Verdrag;

d)

stellen zij alle subsidiaire organen in die zij noodzakelijk achten;

e)

bereiden zij, indien van toepassing, protocollen bij dit Verdrag voor;

f)

overwegen zij en nemen zij voorstellen aan voor wijzigingen van dit Verdrag in overeenstemming met de bepalingen van artikel 14;

g)

overwegen zij en ondernemen zij elke aanvullende actie die vereist kan zijn voor het verwezenlijken van de doelstellingen van dit Verdrag;

h)

overwegen zij en nemen zij bij hun eerste vergadering bij consensus een reglement van orde aan voor hun vergaderingen en de vergaderingen van subsidiaire organen;

i)

toetsen zij tijdens hun eerste vergadering hun ervaring met het uitvoeren van de bepalingen van artikel 5, lid 9, en overwegen zij welke stappen nodig zijn voor het verder ontwikkelen van het in dat lid bedoelde systeem, met inachtneming van internationale processen en ontwikkelingen, met inbegrip van de uitwerking van een passend instrument voor registers of inventarisaties van het uitstoten en overbrengen van verontreiniging die als bijlage bij dit Verdrag kunnen worden opgenomen.

3.   De vergadering van de partijen kan, zo nodig, op basis van consensus het instellen van financiële regelingen overwegen.

4.   De Verenigde Naties, de gespecialiseerde VN-agentschappen en de Internationale Organisatie voor Atoomenergie, alsmede elke staat of regionale organisatie voor economische integratie die ingevolge artikel 17 het recht heeft dit Verdrag te ondertekenen maar geen partij bij dit Verdrag is, en elke intergouvernementele organisatie die bevoegd is op de gebieden waarop dit Verdrag betrekking heeft, hebben het recht als waarnemers deel te nemen aan de vergaderingen van de partijen.

5.   Elke niet-gouvernementele organisatie die bevoegd is op de gebieden waarop dit Verdrag betrekking heeft, die de uitvoerend secretaris van de Economische Commissie voor Europa op de hoogte heeft gesteld van haar wens vertegenwoordigd te zijn bij een vergadering van de partijen heeft het recht deel te nemen als waarnemer tenzij ten minste een derde van de ter vergadering aanwezige partijen bezwaar maken.

6.   Voor de toepassing van de voorgaande leden 4 en 5, voorziet het in het voorgaande lid 2, onder h), bedoelde reglement van orde in praktische regelingen voor de toelatingsprocedure en andere relevante voorwaarden.

Artikel 11

Stemrecht

1.   Behoudens het bepaalde in het navolgende lid 2, heeft elke partij bij dit Verdrag één stem.

2.   Regionale organisaties voor economische integratie oefenen, ten aanzien van aangelegenheden die onder hun bevoegdheid vallen, hun stemrecht uit met een aantal stemmen dat gelijk is aan het aantal van hun lidstaten die partij zijn bij dit Verdrag. Deze organisaties oefenen hun stemrecht niet uit indien hun lidstaten hun stemrecht uitoefenen, en omgekeerd.

Artikel 12

Secretariaat

a)

het beleggen en voorbereiden van vergaderingen van de partijen;

b)

het toezenden aan de partijen van verslagen en andere in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag ontvangen informatie; en

c)

andere taken als door de partijen kunnen worden bepaald.

Artikel 13

Bijlagen

De bijlagen bij dit Verdrag maken een integrerend deel daarvan uit.

Artikel 14

Wijzigingen van het verdrag

1.   Elke partij kan wijzigingen van dit Verdrag voorstellen.

2.   Teksten van voorstellen tot wijziging van dit Verdrag worden schriftelijk ingediend bij de uitvoerend secretaris van de Economische Commissie voor Europa, die ze ten minste negentig dagen voor de vergadering van de partijen tijdens welke zij ter aanneming zullen worden voorgelegd, doet toekomen aan alle partijen.

3.   De partijen stellen alles in het werk om consensus te bereiken over voorgestelde wijzigingen van dit Verdrag. Indien alle pogingen om consensus te bereiken zijn uitgeput, en geen overeenstemming is bereikt, wordt de wijziging in laatste instantie aangenomen met een meerderheid van drievierde van de stemmen van de op de vergadering aanwezige partijen die hun stem uitbrengen.

4.   Wijzigingen van dit Verdrag die zijn aangenomen in overeenstemming met het voorgaande lid 3 worden door de depositaris aan alle partijen toegezonden voor bekrachtiging, goedkeuring of aanvaarding. Wijzigingen van dit Verdrag anders dan die van een bijlage worden van kracht voor partijen die deze hebben bekrachtigd, goedgekeurd of aanvaard op de negentigste dag na de ontvangst door de depositaris van de kennisgeving van hun bekrachtiging, goedkeuring of aanvaarding door ten minste drievierde van deze partijen. Daarna worden zij van kracht voor elke andere partij op de negentigste dag nadat die partij haar akte van bekrachtiging, goedkeuring of aanvaarding van de wijzigingen nederlegt.

5.   Een partij die niet in staat is een wijziging van een bijlage bij dit Verdrag goed te keuren, stelt de depositaris hiervan schriftelijk in kennis binnen twaalf maanden na het bericht van de aanneming. De depositaris stelt alle partijen onverwijld in kennis van elke kennisgeving die hij ontvangt. Een partij kan te allen tijde een eerder gedane kennisgeving vervangen door een verklaring van aanvaarding, en na nederlegging van een akte van aanvaarding bij de depositaris, worden de wijzigingen van een dergelijke bijlage voor die partij van kracht.

6.   Na het verstrijken van twaalf maanden na de datum van haar toezending door de depositaris als voorzien in het voorgaande lid 4, wordt een wijziging van een bijlage van kracht voor die partijen die bij de depositaris geen kennisgeving hebben ingediend in overeenstemming met de bepalingen van het voorgaande lid 5, mits niet meer dan eenderde van de partijen een dergelijke kennisgeving hebben ingediend.

7.   Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „aanwezige partijen die hun stem uitbrengen” verstaan de partijen die aanwezig zijn en een stem vóór of tegen een voorstel uitbrengen.

Artikel 15

Toezicht op naleving

De vergadering van de partijen stelt, op basis van consensus, facultatieve regelingen vast van niet-confronterende, niet-rechterlijke en raadplegende aard voor toetsing van de naleving van de bepalingen van dit Verdrag. Deze regelingen laten ruimte voor passende betrokkenheid van het publiek en kunnen de optie omvatten mededelingen van leden van het publiek over aangelegenheden met betrekking tot dit Verdrag in overweging te nemen.

Artikel 16

Regeling van geschillen

1.   Indien tussen twee of meer partijen een geschil ontstaat over de uitlegging of de toepassing van dit Verdrag, trachten zij dit op te lossen door onderhandeling of volgens een andere voor de partijen bij het geschil aanvaardbare methode voor de regeling van geschillen.

2.

a)

voorlegging van het geschil aan het Internationaal Gerechtshof;

b)

arbitrage in overeenstemming met de procedure omschreven in bijlage II.

3.   Indien de partijen bij het geschil beide in het voorgaande lid 2 genoemde methoden voor de regeling van geschillen hebben aanvaard, kan het geschil alleen aan het Internationaal Gerechtshof worden voorgelegd, tenzij de partijen anders overeenkomen.

Artikel 17

Ondertekening

Dit Verdrag staat op 25 juni 1998 te Aarhus (Denemarken), en daarna tot 21 december 1998 op de zetel van de Verenigde Naties te New York, open voor ondertekening door de lidstaten van de Economische Commissie voor Europa alsmede door staten die een consultatieve status bij de Europese Commissie voor Europa hebben krachtens de paragrafen 8 en 11 van resolutie 36 (IV) van de Economische en Sociale Raad van 28 maart 1947, en door regionale organisaties voor economische integratie opgericht door soevereine staten die lid zijn van de Economische Commissie voor Europa, waaraan de lidstaten bevoegdheden hebben overgedragen ten aanzien van aangelegenheden die onder dit Verdrag vallen, met inbegrip van de bevoegdheid ten aanzien van deze aangelegenheden verdragen aan te gaan.

Artikel 18

Depositaris

De secretaris-generaal van de Verenigde Naties treedt op als depositaris van dit Verdrag.

Artikel 19

Bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring en toetreding

1.   Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd door ondertekenende staten en regionale organisaties voor economische integratie.

2.   Dit Verdrag staat vanaf 22 december 1998 open voor toetreding door de staten en regionale organisaties voor economische integratie bedoeld in artikel 17.

3.   Elke andere, niet in het voorgaande lid 2 bedoelde staat die lid is van de Verenigde Naties kan toetreden tot het Verdrag na goedkeuring door de vergadering van de partijen.

4.   Iedere organisatie zoals bedoeld in artikel 17 die partij wordt bij dit Verdrag zonder dat een van haar lidstaten partij is, is gebonden door alle verplichtingen krachtens dit Verdrag. Indien een of meer lidstaten van een dergelijke organisatie partij bij dit Verdrag zijn, beslissen de organisatie en haar lidstaten over hun onderscheiden verantwoordelijkheden ten aanzien van de nakoming van hun verplichtingen krachtens dit Verdrag. In dat geval mogen de organisatie en de lidstaten niet tegelijkertijd rechten krachtens dit Verdrag uitoefenen.

5.   In hun akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding vermelden de regionale organisaties voor economische integratie bedoeld in artikel 17 de reikwijdte van hun bevoegdheid ten aanzien van de aangelegenheden die onder dit Verdrag vallen. Deze organisaties doen de depositaris tevens mededeling van elke wezenlijke verandering in de reikwijdte van hun bevoegdheid.

Artikel 20

Inwerkingtreding

1.   Dit Verdrag treedt in werking op de negentigste dag na de datum van nederlegging van de zestiende akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding.

2.   Voor de toepassing van het voorgaande lid 1 wordt de door een regionale organisatie voor economische integratie neergelegde akte niet meegeteld naast akten die zijn nedergelegd door lidstaten van die organisatie.

3.   Ten aanzien van elke staat of organisatie bedoeld in artikel 17 die dit Verdrag bekrachtigt, aanvaardt of goedkeurt of ertoe toetreedt na de nederlegging van de zestiende akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, treedt het Verdrag in werking op de negentigste dag na de datum van nederlegging door de staat of organisatie van zijn of haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding.

Artikel 21

Opzegging

Elke partij kan, te allen tijde na drie jaar vanaf de datum waarop dit Verdrag ten aanzien van die partij in werking is getreden, het Verdrag opzeggen door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de depositaris. De opzegging wordt van kracht op de negentigste dag na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de depositaris.

Artikel 22

Authentieke teksten

Het originele exemplaar van dit Verdrag, waarvan de Engelse, de Franse en de Russische tekst gelijkelijk authentiek zijn, wordt nedergelegd bij de secretaris-generaal van de Verenigde Naties.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, hiertoe naar behoren gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.

GEDAAN te Aarhus (Denemarken), de vijfentwintigste juni negentienhonderdachtennegentig.


VERDRAG BETREFFENDE TOEGANG TOT INFORMATIE, INSPRAAK BIJ BESLUITVORMING EN TOEGANG TOT DE RECHTER INZAKE MILIEUAANGELEGENHEDEN

Gedaan te Aarhus, Denemarken, 25 juni 1998.

De partijen bij dit Verdrag,

Herinnerend aan beginsel 1 van de Verklaring van Stockholm inzake het menselijk leefmilieu,

Tevens herinnerend aan beginsel 10 van de Verklaring van Rio inzake milieu en ontwikkeling,

Voorts herinnerend aan de resoluties van de Algemene Vergadering 37/7 van 28 oktober 1982 inzake het Wereldnatuurhandvest en 45/94 van 14 december 1990 inzake de noodzaak een gezond milieu te waarborgen voor het welzijn van individuen,

Herinnerend aan het Europees Handvest inzake milieu en gezondheid aangenomen op de eerste Europese Conferentie inzake milieu en gezondheid van de Wereldgezondheidsorganisatie in Frankfurt-am-Main, Duitsland, op 8 december 1989,

Bevestigend de noodzaak de toestand van het milieu te beschermen, in stand te houden en te verbeteren en een duurzame en milieuhygiënisch verantwoorde ontwikkeling te waarborgen,

Erkennend dat adequate bescherming van het milieu van wezenlijk belang is voor het welzijn van de mens en het genot van de fundamentele mensenrechten, waaronder het recht op leven zelf,

Tevens erkennend dat een ieder het recht heeft te leven in een milieu dat passend is voor zijn of haar gezondheid en welzijn en de plicht heeft, zowel individueel als tezamen met anderen, het milieu te beschermen en te verbeteren in het belang van de huidige en toekomstige generaties,

Overwegende dat, om dit recht te kunnen doen gelden en deze plicht te kunnen vervullen, burgers toegang tot informatie, recht op inspraak in de besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden moeten hebben, en in dit verband erkennend dat burgers bijstand nodig kunnen hebben om hun rechten uit te oefenen,

Erkennend dat, op milieugebied, een verbeterde toegang tot informatie alsmede inspraak in besluitvorming de kwaliteit en de uitvoering van besluiten verbeteren, bijdragen tot de bewustheid bij het publiek van milieuvraagstukken, het publiek de gelegenheid bieden om zijn bezorgdheid te uiten en bestuursorganen in staat stellen naar behoren rekening te houden met deze bezorgdheid,

Aldus beogend de verantwoording en transparantie van de besluitvorming te bevorderen en de publieke steun voor besluiten over het milieu te versterken,

Erkennend dat transparantie in alle geledingen van de overheid gewenst is, en wetgevende lichamen uitnodigend de beginselen van dit Verdrag in hun handelingen ten uitvoer te brengen,

Tevens erkennend dat het publiek bekend dient te zijn met de procedures voor inspraak in besluitvorming op milieugebied, er vrije toegang toe dient te hebben en dient te weten hoe deze te gebruiken,

Voorts het belang erkennend van de onderscheiden rollen die individuele burgers, niet-gouvernementele organisaties en de particuliere sector kunnen spelen in het beschermen van het milieu,

Geleid door de wens milieueducatie te stimuleren ter bevordering van het begrip van het milieu en duurzame ontwikkeling en bij het publiek een wijdverbreide bewustheid van, en inspraak aan te moedigen in, besluiten die invloed hebben op het milieu en die duurzame ontwikkeling beïnvloeden,

Gelet op, in dit verband, het belang van gebruikmaking van de media en van elektronische of andere, toekomstige vormen van communicatie,

Het belang erkennend van geheel in besluitvorming van de overheid geïntegreerde milieuoverwegingen en derhalve van de noodzaak voor bestuursorganen te beschikken over nauwkeurige, uitvoerige en actuele milieu-informatie,

Erkennend dat bestuursorganen milieu-informatie bezitten in het openbaar belang,

Geleid door de wens het publiek, met inbegrip van organisaties, toegang te geven tot doelmatige mechanismen van rechtspraak, opdat zijn rechtmatige belangen worden beschermd en het recht wordt toegepast,

Gelet op het belang dat adequate productinformatie wordt verstrekt aan consumenten, om hen in staat te stellen weloverwogen milieukeuzen te maken,

Erkennend de bezorgdheid van het publiek over de doelbewuste introductie in het milieu van genetisch gemodificeerde organismen en de noodzaak van grotere transparantie en meer inspraak in de besluitvorming op dit gebied,

Overtuigd dat de uitvoering van dit Verdrag zal bijdragen tot het versterken van de democratie in de regio van de Economische Commissie voor Europa (ECE) van de Verenigde Naties,

Zich bewust van de rol die de ECE in dit opzicht heeft gespeeld en herinnerend aan, onder meer, de richtsnoeren van de ECE inzake de toegang tot milieu-informatie en inspraak in milieubesluitvorming, bekrachtigd in de ministeriële verklaring aangenomen op de derde ministeriële conferentie „Milieu voor Europa”' in Sofia, Bulgarije, op 25 oktober 1995,

Indachtig de relevante bepalingen van het Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband, totstandgekomen te Espoo, Finland, op 25 februari 1991, en het Verdrag inzake de grensoverschrijdende gevolgen van industriële ongevallen en het Verdrag inzake de bescherming en het gebruik van grensoverschrijdende waterlopen en internationale meren, beide totstandgekomen te Helsinki op 17 maart 1992, en andere regionale verdragen,

Zich ervan bewust dat het aannemen van dit Verdrag een bijdrage zal vormen aan het verder versterken van het proces „Milieu voor Europa”' en aan de resultaten van de vierde ministeriële conferentie in Aarhus, Denemarken, in juni 1998,

ZIJN HET VOLGENDE OVEREENGEKOMEN:

Artikel 1

Doel

Om bij te dragen aan de bescherming van het recht van elke persoon van de huidige en toekomstige generaties om te leven in een milieu dat passend is voor zijn of haar gezondheid en welzijn, waarborgt elke partij de rechten op toegang tot informatie, inspraak in de besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag.

Artikel 2

Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit Verdrag,

1.

wordt onder „partij”' verstaan, tenzij uit de tekst anders blijkt, een verdragsluitende partij bij dit Verdrag;

2.

wordt onder „overheidsinstantie”' verstaan:

a)

overheid op nationaal, regionaal of ander niveau;

b)

natuurlijke of rechtspersonen die openbare bestuursfuncties naar nationaal recht vervullen, met inbegrip van specifieke taken, activiteiten of diensten met betrekking tot het milieu;

c)

alle andere natuurlijke of rechtspersonen die openbare verantwoordelijkheden of functies hebben, of openbare diensten verlenen, met betrekking tot het milieu, onder toezicht van een orgaan of persoon vallend onder het bovenstaande onder a) of b);

d)

de instellingen van elke regionale organisatie voor economische integratie bedoeld in artikel 17 die partij is bij dit Verdrag.

Deze begripsomschrijving omvat geen organen of instellingen die optreden in een rechterlijke of wetgevende hoedanigheid;

3.

wordt onder „milieu-informatie”' verstaan alle informatie in geschreven, visuele, auditieve, elektronische of enige andere materiële vorm over:

a)

de toestand van elementen van het milieu, zoals lucht en atmosfeer, water, bodem, land, landschappen en natuurgebieden, biologische diversiteit en componenten daarvan, met inbegrip van genetisch gemodificeerde organismen, en de interactie tussen deze elementen;

b)

factoren, zoals stoffen, energie, geluid en straling, en activiteiten of maatregelen, met inbegrip van bestuurlijke maatregelen, milieuakkoorden, beleid, wetgeving, plannen en programma's die de elementen van het milieu aantasten of waarschijnlijk aantasten binnen het toepassingsgebied van het voorgaande onder a), en kosten-baten- en andere economische analysen en veronderstellingen gebruikt in milieubesluitvorming;

c)

de toestand van de menselijke gezondheid en veiligheid, de menselijke levensomstandigheden, cultureel waardevolle gebieden en bouwwerken, voorzover deze worden of kunnen worden aangetast door de toestand van de elementen van het milieu of, via deze elementen, door de factoren, activiteiten of maatregelen bedoeld in het voorgaande onder b);

4.

wordt onder „het publiek”' verstaan een of meer natuurlijke of rechtspersonen en, in overeenstemming met nationale wetgeving of praktijk, hun verenigingen, organisaties of groepen;

5.

wordt onder „het betrokken publiek”' verstaan het publiek dat gevolgen ondervindt, of waarschijnlijk ondervindt van, of belanghebbende is bij, milieubesluitvorming; voor de toepassing van deze omschrijving worden niet-gouvernementele organisaties die zich inzetten voor milieubescherming en voldoen aan de eisen van nationaal recht geacht belanghebbende te zijn.

Artikel 3

Algemene bepalingen

1.   Elke partij neemt de noodzakelijke wet- en regelgevende en andere maatregelen, met inbegrip van maatregelen om verenigbaarheid te bewerkstelligen tussen de bepalingen ter uitvoering van de bepalingen in dit Verdrag betreffende informatie, inspraak en toegang tot de rechter, alsmede passende handhavingsmaatregelen, voor het instellen en instandhouden van een duidelijk, transparant en samenhangend kader voor het uitvoeren van de bepalingen van dit Verdrag.

2.   Elke partij streeft ernaar te waarborgen dat overheidsfunctionarissen en overheidsinstanties het publiek bijstaan en begeleiden bij het verkrijgen van toegang tot informatie, het vergemakkelijken van inspraak in besluitvorming en het verkrijgen van toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden.

3.   Elke partij bevordert milieueducatie en milieubewustzijn onder het publiek, in het bijzonder omtrent het verkrijgen van toegang tot informatie, omtrent inspraak in besluitvorming en omtrent het verkrijgen van toegang tot de rechter in milieuaangelegenheden.

4.   Elke partij voorziet in passende erkenning van en steun aan verenigingen, organisaties of groepen die milieubescherming bevorderen en waarborgt dat haar nationale rechtsstelsel strookt met deze verplichting.

5.   De bepalingen van dit Verdrag laten onverlet het recht van een partij maatregelen te handhaven of in te stellen die voorzien in een ruimere toegang tot informatie, uitgebreidere inspraak in besluitvorming en ruimere toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden dan vereist door dit Verdrag.

6.   Dit Verdrag verplicht niet tot het afwijken van bestaande rechten op toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden.

7.   Elke partij bevordert de toepassing van de beginselen van dit Verdrag bij internationale besluitvormingsprocessen aangaande het milieu en binnen het kader van internationale organisaties in aangelegenheden verband houdend met het milieu.

8.   Elke partij waarborgt dat personen die hun rechten uitoefenen overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag niet worden gestraft, vervolgd of op enige wijze gehinderd wegens hun betrokkenheid. Deze bepaling laat onverlet de bevoegdheden van de nationale rechter om in een rechtsgeding redelijke kosten toe te wijzen.

9.   Binnen het toepassingsgebied van de relevante bepalingen van dit Verdrag heeft het publiek toegang tot informatie, heeft het de mogelijkheid van inspraak in besluitvorming en heeft het toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden zonder discriminatie op grond van staatsburgerschap, nationaliteit of woonplaats en, in het geval van een rechtspersoon, zonder discriminatie op grond van de plaats van de statutaire zetel of een feitelijk middelpunt van de activiteiten.

Artikel 4

Toegang tot milieu-informatie

1.

a)

zonder dat een bepaald belang behoeft te worden gesteld;

b)

in de verzochte vorm, tenzij:

i)

het voor de overheidsinstantie redelijk is dit in een andere vorm beschikbaar te stellen, in welk geval het beschikbaar stellen in die vorm met redenen wordt omkleed; of

ii)

de informatie al voor het publiek beschikbaar is in een andere vorm.

2.   De milieu-informatie bedoeld in het bovenstaande lid 1 wordt zo spoedig mogelijk beschikbaar gesteld en uiterlijk binnen een maand nadat het verzoek is ingediend, tenzij de omvang en de ingewikkeldheid van de informatie een verlenging van deze termijn rechtvaardigen tot ten hoogste twee maanden na het verzoek. De verzoeker wordt ingelicht over elke verlenging en over de redenen die deze rechtvaardigen.

3.

a)

de overheidsinstantie waaraan het verzoek is gericht de verzochte milieu-informatie niet bezit;

b)

het verzoek kennelijk onredelijk is of op een te algemene wijze is geformuleerd; of

c)

het verzoek nog onvoltooid materiaal of interne mededelingen van overheidsinstanties betreft, wanneer in een dergelijke uitzondering is voorzien in het nationale recht of bestendig gebruik, met inachtneming van het openbare belang dat met bekendmaking wordt gediend.

4.   Een verzoek om milieu-informatie kan worden geweigerd indien de bekendmaking een nadelige invloed zou hebben op:

a)

de vertrouwelijkheid van het handelen van overheidsinstanties, wanneer in dergelijke vertrouwelijkheid is voorzien naar nationaal recht;

b)

internationale betrekkingen, nationale defensie of openbare veiligheid;

c)

de rechtspleging, de mogelijkheid van een persoon een eerlijk proces te verkrijgen of de bevoegdheid van een overheidsinstantie om een onderzoek te verrichten van strafrechtelijke of tuchtrechtelijke aard;

d)

de vertrouwelijkheid van commerciële en industriële informatie, wanneer deze informatie bij wet beschermd wordt om een legitiem economisch belang te beschermen. Binnen dit kader wordt informatie over emissies bekendgemaakt die van belang is voor de bescherming van het milieu;

e)

intellectuele-eigendomsrechten;

f)

de vertrouwelijkheid van persoonsgegevens en/of -dossiers met betrekking tot een natuurlijk persoon wanneer die persoon niet heeft ingestemd met bekendmaking van de informatie aan het publiek, wanneer in deze vertrouwelijkheid is voorzien naar nationaal recht;

g)

de belangen van een derde die de verzochte informatie heeft verstrekt zonder dat deze derde wettelijk verplicht is of wettelijk verplicht kan worden dat te doen, en wanneer die derde niet instemt met het vrijgeven van het materiaal; of

h)

het milieu waarop de informatie betrekking heeft, zoals de voortplantingsgebieden van zeldzame soorten.

De bovengenoemde gronden voor weigering worden restrictief uitgelegd, met inachtneming van het met bekendmaking gediende openbare belang en in aanmerking nemend of de verzochte informatie betrekking heeft op emissies in het milieu.

5.   Indien een overheidsinstantie de verzochte milieu-informatie niet bezit, licht deze overheidsinstantie de verzoeker zo spoedig mogelijk in over de overheidsinstantie waarbij naar zijn mening de verzochte informatie kan worden aangevraagd, of het zendt het verzoek door aan die overheidsinstantie en licht de verzoeker hierover in.

6.   Elke partij waarborgt dat, indien informatie die ingevolge het voorgaande lid 3, onder c), en lid 4 is uitgezonderd van bekendmaking kan worden afgescheiden zonder afbreuk te doen aan de vertrouwelijkheid van de uitgezonderde informatie, overheidsinstanties de overige milieu-informatie waarom is verzocht beschikbaar stellen.

7.   Een weigering van een verzoek geschiedt schriftelijk indien het verzoek schriftelijk is gedaan of de verzoeker daarom verzoekt. Een weigering wordt met redenen omkleed en verschaft informatie over toegang tot de herzieningsprocedure waarin is voorzien in overeenstemming met artikel 9. De weigering geschiedt zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen een maand, tenzij de ingewikkeldheid van de informatie een verlenging van deze termijn rechtvaardigt tot ten hoogste twee maanden na het verzoek. De verzoeker wordt ingelicht over elke verlenging en over de redenen die deze rechtvaardigen.

8.   Elke partij kan haar overheidsinstanties toestaan kosten te heffen voor het verstrekken van informatie, maar deze vergoeding gaat een redelijk bedrag niet te boven.

Overheidsinstanties die voornemens zijn dergelijke kosten te heffen voor het verstrekken van informatie stellen aan verzoekers een overzicht beschikbaar van de vergoedingen die kunnen worden geheven, met vermelding van de omstandigheden waarin deze kunnen worden geheven of vrijstelling kan worden verleend en wanneer het verstrekken van informatie afhankelijk is van vooruitbetaling van dergelijke kosten.

Artikel 5

Verzamelen en verspreiden van milieu-informatie

1.

a)

overheidsinstanties milieu-informatie bezitten en actualiseren die van belang is voor hun functies;

b)

er verplichte mechanismen worden ingesteld voor een adequate informatiestroom naar de overheidsinstanties over voorgestelde en bestaande activiteiten die het milieu aanmerkelijk kunnen beïnvloeden;

c)

in het geval van een onmiddellijke bedreiging van de menselijke gezondheid of het milieu, hetzij veroorzaakt door menselijke activiteiten of ten gevolge van natuurlijke oorzaken, alle informatie die het publiek in staat kan stellen maatregelen te nemen om uit de bedreiging voortvloeiende schade te voorkomen of te beperken en die in bezit is van een overheidsinstantie onmiddellijk en terstond wordt verspreid onder leden van het publiek die getroffen kunnen worden.

2.

a)

het verstrekken van voldoende informatie aan het publiek over de aard en de strekking van de milieu-informatie die in het bezit is van de betrokken overheidsinstanties, de fundamentele voorwaarden waarop deze informatie beschikbaar wordt gesteld en toegankelijk is, en via welke procedure deze kan worden verkregen;

b)

het instellen en in stand houden van praktische voorzieningen zoals:

i)

voor het publiek toegankelijke lijsten, registers of bestanden;

ii)

de eis dat overheidsfunctionarissen het publiek bijstaan bij het verkrijgen van toegang tot informatie ingevolge dit Verdrag; en

iii)

het aanwijzen van contactpunten;

c)

het kosteloos verschaffen van toegang tot de milieu-informatie die zich bevindt in lijsten, registers of bestanden als bedoeld in het voorgaande onder b), i).

3.

a)

rapporten over de toestand van het milieu, bedoeld in het navolgende lid 4;

b)

wetteksten over of verband houdend met het milieu;

c)

indien van toepassing beleid, plannen en programma's over of verband houdend met het milieu, en milieuakkoorden; en

d)

andere informatie, voorzover de beschikbaarheid van deze informatie in deze vorm de toepassing van nationale wetgeving ter uitvoering van dit Verdrag zou kunnen vergemakkelijken, mits zulke informatie reeds beschikbaar is in elektronische vorm.

4.   Elke partij publiceert en verspreidt, met regelmatige tussenpozen van ten hoogste drie of vier jaar een nationaal rapport over de toestand van het milieu, met inbegrip van informatie over de kwaliteit van het milieu en informatie over op het milieu uitgeoefende druk.

5.

a)

wetgeving en beleidsdocumenten zoals documenten over strategieën, beleid, programma's en actieplannen betreffende het milieu, en voortgangsrapporten over hun uitvoering, voorbereid op verschillende overheidsniveaus;

b)

internationale verdragen en overeenkomsten over milieuonderwerpen; en

c)

indien van toepassing, andere belangrijke internationale documenten over milieuonderwerpen.

6.   Elke partij moedigt exploitanten wier activiteiten een aanmerkelijke invloed op het milieu hebben aan het publiek regelmatig te informeren over de gevolgen van hun activiteiten en producten voor het milieu, indien van toepassing, binnen het kader van vrijwillige milieukeur- of milieuauditsystemen of met andere middelen.

7.

a)

publiceert de feiten en feitenanalysen die zij relevant en belangrijk acht voor het opstellen van essentiële milieubeleidsvoorstellen;

b)

publiceert, of maakt op andere wijze beschikbaar toelichtend materiaal toegankelijk over haar contacten met het publiek over aangelegenheden die behoren tot het toepassingsgebied van dit Verdrag; en

c)

verstrekt in gepaste vorm informatie over het verrichten van openbare functies of het verlenen van openbare diensten betreffende het milieu door de overheid op alle niveaus.

8.   Elke partij ontwikkelt mechanismen om te waarborgen dat toereikende productinformatie beschikbaar wordt gemaakt voor het publiek op een wijze die consumenten in staat stelt weloverwogen milieukeuzen te maken.

9.   Elke partij neemt geleidelijk stappen om, indien van toepassing rekening houdend met internationale processen, een coherent, landelijk systeem voor inventarisatie of registratie van verontreinigingsgegevens in te stellen in een gestructureerd, geautomatiseerd en voor het publiek toegankelijk gegevensbestand, samengesteld op grond van gestandaardiseerde rapportages. Dit systeem kan betrekking hebben op de introductie, het uitstoten en overbrengen van een bepaalde reeks stoffen en producten, met inbegrip van water, energie en hulpbronnenverbruik, afkomstig van een bepaalde reeks activiteiten, in de verschillende milieucompartimenten en naar ter plaatse of elders gelegen verwerkings- en stortplaatsen.

10.   Niets in dit artikel doet afbreuk aan het recht van partijen te weigeren bepaalde milieu-informatie bekend te maken in overeenstemming met artikel 4, leden 3 en 4.

Artikel 6

Inspraak in besluiten over specifieke activiteiten

1.

a)

past de bepalingen van dit artikel toe ten aanzien van besluiten over het al dan niet toestaan van voorgestelde activiteiten vermeld in bijlage I;

b)

past, in overeenstemming met haar nationale wetgeving, de bepalingen van dit artikel ook toe op besluiten over niet in bijlage I vermelde voorgestelde activiteiten die een aanzienlijk effect op het milieu kunnen hebben. Hiertoe bepalen de partijen of een dergelijke voorgestelde activiteit onder deze bepalingen valt; en

c)

kan, indien haar nationale wetgeving hierin voorziet, per geval besluiten de bepalingen van dit artikel niet toe te passen op voorgestelde activiteiten voor nationale defensiedoeleinden, indien die partij meent dat een dergelijke toepassing op deze doeleinden van nadelige invloed zal zijn.

2.

a)

de voorgestelde activiteit en de aanvraag waarover een besluit zal worden genomen;

b)

de aard van mogelijke besluiten of het ontwerp-besluit;

c)

de voor de besluitvorming verantwoordelijke overheidsinstantie;

d)

de beoogde procedure, met inbegrip van, in de gevallen waarin deze informatie kan worden verstrekt:

i)

de aanvang van de procedure;

ii)

de mogelijkheden voor inspraak van het publiek;

iii)

de tijd en plaats van een beoogde openbare hoorzitting;

iv)

een aanduiding van de overheidsinstantie waarvan relevante informatie kan worden verkregen en waarbij de relevante informatie voor het publiek ter inzage is gelegd;

v)

een aanduiding van de betreffende overheidsinstantie of enig ander officieel lichaam waarbij opmerkingen of vragen kunnen worden ingediend en van het tijdschema voor het doorgeven van opmerkingen of vragen; en

vi)

een aanduiding van welke voor de voorgestelde activiteit relevante milieu-informatie beschikbaar is; en

e)

het feit dat de activiteit voorwerp is van een nationale of grensoverschrijdende milieueffectrapportage.

3.   De inspraakprocedures omvatten redelijke termijnen voor de verschillende fasen, die voldoende tijd laten voor het informeren van het publiek in overeenstemming met het voorgaande lid 2 en voor het publiek om zich gedurende de milieubesluitvorming doeltreffend voor te bereiden en deel te nemen.

4.   Elke partij voorziet in vroegtijdige inspraak, wanneer alle opties open zijn en doeltreffende inspraak kan plaatsvinden.

5.   Elke partij zou, indien van toepassing, potentiële aanvragers aan dienen te moedigen het betrokken publiek te identificeren, discussies aan te gaan en informatie te verstrekken betreffende de doelstellingen van hun aanvraag alvorens een vergunning aan te vragen.

6.

a)

een beschrijving van het terrein en de fysieke en technische kenmerken van de voorgestelde activiteit, met inbegrip van een prognose van de verwachte residuen en emissies;

b)

een beschrijving van de belangrijke effecten van de voorgestelde activiteit op het milieu;

c)

een beschrijving van de beoogde maatregelen om de effecten, met inbegrip van emissies, te voorkomen en/of te verminderen;

d)

een niet-technische samenvatting van het voorgaande;

e)

een schets van de voornaamste door de aanvrager bestudeerde alternatieven; en

f)

in overeenstemming met de nationale wetgeving, de voornaamste aan de overheidsinstantie uitgebrachte rapporten en adviezen op het tijdstip waarop het betrokken publiek dient te worden geïnformeerd in overeenstemming met het voorgaande lid 2.

7.   Inspraakprocedures bieden het publiek de mogelijkheid schriftelijk of, indien van toepassing, tijdens een hoorzitting of onderzoek met de verzoeker, alle opmerkingen, informatie, analysen of meningen naar voren te brengen die het relevant acht voor de voorgestelde activiteit.

8.   Elke partij waarborgt dat in het besluit naar behoren rekening wordt gehouden met het resultaat van de inspraak.

9.   Elke partij waarborgt dat, wanneer het besluit is genomen door de overheidsinstantie, het publiek terstond over het besluit wordt ingelicht in overeenstemming met de toepasselijke procedures. Elke partij maakt de tekst van het besluit toegankelijk voor het publiek tezamen met de redenen en overwegingen waarop het besluit is gebaseerd.

10.   Elke partij waarborgt dat, wanneer een overheidsinstantie de voorwaarden voor het uitvoeren van een in lid 1 bedoelde activiteit heroverweegt of aanpast, de bepalingen van de leden 2 tot en met 9 van dit artikel dienovereenkomstig worden toegepast, waar dit van toepassing is.

11.   Elke partij past, binnen het kader van haar nationale wetgeving, voorzover mogelijk en passend, de bepalingen van dit artikel toe op besluiten over het al dan niet toestaan van de opzettelijke introductie in het milieu van genetisch gemodificeerde organismen.

Artikel 7

Het milieu

Elke partij treft passende praktische en/of andere voorzieningen voor inspraak voor het publiek gedurende de voorbereiding van plannen en programma's betreffende het milieu, binnen een transparant en eerlijk kader, na het publiek de benodigde informatie te hebben verstrekt. In dit kader wordt artikel 6, leden 3, 4 en 8, toegepast. Het publiek dat kan inspreken wordt door de betreffende overheidsinstantie aangewezen met inachtneming van de doelstellingen van dit Verdrag. Voorzover passend spant elke partij zich in om, bij de voorbereiding van beleid betreffende het milieu mogelijkheden te scheppen voor inspraak.

Artikel 8

Inspraak tijdens de voorbereiding van uitvoerende regelingen en/of algemeen toepasselijke wettelijk bindende normatieve instrumenten

Elke partij tracht doeltreffende inspraak in een passend stadium te bevorderen, en terwijl opties nog openstaan, gedurende de voorbereiding door overheidsinstanties van uitvoerende regelingen en andere algemeen toepasselijke wettelijk bindende regels die een aanzienlijk effect kunnen hebben op het milieu.

Hiertoe zouden de volgende stappen dienen te worden genomen:

a)

er zouden voor doeltreffende inspraak toereikende termijnen dienen te worden vastgesteld;

b)

ontwerp-regels zouden dienen te worden gepubliceerd of anderszins aan het publiek beschikbaar te worden gesteld; en

c)

het publiek zou in de gelegenheid dienen te worden gesteld opmerkingen te maken, rechtstreeks of via representatieve overlegorganen.

Met het resultaat van de inspraak wordt zoveel mogelijk rekening gehouden.

Artikel 9

Toegang tot de rechter

1.   Elke partij waarborgt, binnen het kader van haar nationale wetgeving, dat een ieder die meent dat zijn of haar verzoek om informatie ingevolge artikel 4 veronachtzaamd, ten onrechte geheel of gedeeltelijk afgewezen of anderszins niet beantwoord is in overeenstemming met de bepalingen van dat artikel, toegang heeft tot een herzieningsprocedure voor een rechterlijke instantie of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan.

In de omstandigheden waarin een partij in een dergelijk beroep bij een rechterlijke instantie voorziet, waarborgt zij dat een dergelijke persoon tevens toegang heeft tot een bij wet ingestelde snelle procedure die kosteloos of niet kostbaar is, voor heroverweging door een overheidsinstantie of toetsing door een onafhankelijk en onpartijdig orgaan anders dan een rechterlijke instantie.

Eindbeslissingen ingevolge lid 1 zijn bindend voor de overheidsinstantie die de informatie bezit. De redengeving geschiedt schriftelijk, in ieder geval wanneer toegang tot informatie wordt geweigerd ingevolge dit lid.

2.   Elke partij waarborgt, binnen het kader van haar nationale wetgeving, dat leden van het betrokken publiek

a)

die een voldoende belang hebben, dan wel

b)

stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, wanneer het bestuursprocesrecht van een partij dit als voorwaarde stelt, toegang hebben tot een herzieningsprocedure voor een rechterlijke instantie en/of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan, om de materiële en formele rechtmatigheid te bestrijden van enig besluit, handelen of nalaten vallend onder de bepalingen van artikel 6 en, wanneer het nationale recht hierin voorziet en onverminderd het navolgende lid 3, andere relevante bepalingen van dit Verdrag.

Wat een voldoende belang en een inbreuk op een recht vormt, wordt vastgesteld in overeenstemming met de eisen van nationaal recht en strokend met het doel aan het betrokken publiek binnen het toepassingsgebied van dit Verdrag ruim toegang tot de rechter te verschaffen. Hiertoe wordt het belang van elke niet-gouvernementele organisatie die voldoet aan de in artikel 2, lid 5, gestelde eisen voldoende geacht in de zin van het voorgaande onder a). Dergelijke organisaties worden tevens geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van het voorgaande onder b).

De bepalingen van dit lid 2 sluiten niet de mogelijkheid uit van een herzieningsprocedure voor een bestuursrechtelijke instantie en laten onverlet de eis van het uitputten van de bestuursrechtelijke beroepsgang alvorens over te gaan tot rechterlijke herzieningsprocedures, wanneer die eis bestaat naar nationaal recht.

3.   Aanvullend op en onverminderd de in de voorgaande leden 1 en 2, bedoelde herzieningsprocedures, waarborgt elke partij dat leden van het publiek, wanneer zij voldoen aan de eventuele in haar nationale recht neergelegde criteria, toegang hebben tot bestuursrechtelijke of rechterlijke procedures om het handelen en nalaten van privé-personen en overheidsinstanties te betwisten die strijdig zijn met bepalingen van haar nationale recht betreffende het milieu.

4.   Aanvullend op en onverminderd het voorgaande lid 1, voorzien de in de voorgaande leden 1, 2 en 3, bedoelde procedures in passende en doeltreffende middelen, met inbegrip van, zo nodig, een dwangmiddel tot rechtsherstel en zijn zij billijk, snel en niet onevenredig kostbaar. Beslissingen ingevolge dit artikel zijn schriftelijk of worden schriftelijk vastgelegd. Beslissingen van rechterlijke instanties, en waar mogelijk van andere organen, zijn voor het publiek toegankelijk.

5.   Om de doeltreffendheid van de bepalingen van dit artikel te bevorderen waarborgt elke partij dat aan het publiek informatie wordt verstrekt over toegang tot bestuursrechtelijke en rechterlijke herzieningsprocedures en overweegt zij het instellen van passende mechanismen voor bijstand om financiële of andere belemmeringen voor de toegang tot de rechter weg te nemen of te verminderen.

Artikel 10

Vergadering van partijen

1.   De eerste vergadering van de partijen wordt niet later bijeengeroepen dan een jaar na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag. Daarna wordt ten minste eenmaal per twee jaar een gewone vergadering van de partijen gehouden, tenzij anders besloten door de partijen, of op schriftelijk verzoek van een partij, mits binnen zes maanden na het meedelen van het verzoek aan alle partijen door de uitvoerend secretaris van de Economische Commissie voor Europa, het genoemde verzoek gesteund wordt door ten minste een derde van de partijen.

2.

a)

toetsen zij het beleid alsmede juridische en methodologische benaderingen inzake toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, met het oog op verdere verbetering ervan;

b)

wisselen zij informatie uit aangaande ervaring verworven bij het sluiten en uitvoeren van bilaterale en multilaterale overeenkomsten of andere regelingen die van belang zijn voor de doelstellingen van dit Verdrag en waarbij een of meer van de partijen partij zijn;

c)

verzoeken zij, indien van toepassing, om de diensten van de relevante ECE-organen en van andere bevoegde internationale organen en speciale commissies, bij alle aspecten die verband houden met het verwezenlijken van de doelstellingen van dit Verdrag;

d)

stellen zij alle subsidiaire organen in die zij noodzakelijk achten;

e)

bereiden zij, indien van toepassing, protocollen bij dit Verdrag voor;

f)

overwegen zij en nemen zij voorstellen aan voor wijzigingen van dit Verdrag in overeenstemming met de bepalingen van artikel 14;

g)

overwegen zij en ondernemen zij elke aanvullende actie die vereist kan zijn voor het verwezenlijken van de doelstellingen van dit Verdrag;

h)

overwegen zij en nemen zij bij hun eerste vergadering bij consensus een reglement van orde aan voor hun vergaderingen en de vergaderingen van subsidiaire organen;

i)

toetsen zij tijdens hun eerste vergadering hun ervaring met het uitvoeren van de bepalingen van artikel 5, lid 9, en overwegen zij welke stappen nodig zijn voor het verder ontwikkelen van het in dat lid bedoelde systeem, met inachtneming van internationale processen en ontwikkelingen, met inbegrip van de uitwerking van een passend instrument voor registers of inventarisaties van het uitstoten en overbrengen van verontreiniging die als bijlage bij dit Verdrag kunnen worden opgenomen.

3.   De vergadering van de partijen kan, zo nodig, op basis van consensus het instellen van financiële regelingen overwegen.

4.   De Verenigde Naties, de gespecialiseerde VN-agentschappen en de Internationale Organisatie voor Atoomenergie, alsmede elke staat of regionale organisatie voor economische integratie die ingevolge artikel 17 het recht heeft dit Verdrag te ondertekenen maar geen partij bij dit Verdrag is, en elke intergouvernementele organisatie die bevoegd is op de gebieden waarop dit Verdrag betrekking heeft, hebben het recht als waarnemers deel te nemen aan de vergaderingen van de partijen.

5.   Elke niet-gouvernementele organisatie die bevoegd is op de gebieden waarop dit Verdrag betrekking heeft, die de uitvoerend secretaris van de Economische Commissie voor Europa op de hoogte heeft gesteld van haar wens vertegenwoordigd te zijn bij een vergadering van de partijen heeft het recht deel te nemen als waarnemer tenzij ten minste een derde van de ter vergadering aanwezige partijen bezwaar maken.

6.   Voor de toepassing van de voorgaande leden 4 en 5, voorziet het in het voorgaande lid 2, onder h), bedoelde reglement van orde in praktische regelingen voor de toelatingsprocedure en andere relevante voorwaarden.

Artikel 11

Stemrecht

1.   Behoudens het bepaalde in het navolgende lid 2, heeft elke partij bij dit Verdrag één stem.

2.   Regionale organisaties voor economische integratie oefenen, ten aanzien van aangelegenheden die onder hun bevoegdheid vallen, hun stemrecht uit met een aantal stemmen dat gelijk is aan het aantal van hun lidstaten die partij zijn bij dit Verdrag. Deze organisaties oefenen hun stemrecht niet uit indien hun lidstaten hun stemrecht uitoefenen, en omgekeerd.

Artikel 12

Secretariaat

a)

het beleggen en voorbereiden van vergaderingen van de partijen;

b)

het toezenden aan de partijen van verslagen en andere in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag ontvangen informatie; en

c)

andere taken als door de partijen kunnen worden bepaald.

Artikel 13

Bijlagen

De bijlagen bij dit Verdrag maken een integrerend deel daarvan uit.

Artikel 14

Wijzigingen van het verdrag

1.   Elke partij kan wijzigingen van dit Verdrag voorstellen.

2.   Teksten van voorstellen tot wijziging van dit Verdrag worden schriftelijk ingediend bij de uitvoerend secretaris van de Economische Commissie voor Europa, die ze ten minste negentig dagen voor de vergadering van de partijen tijdens welke zij ter aanneming zullen worden voorgelegd, doet toekomen aan alle partijen.

3.   De partijen stellen alles in het werk om consensus te bereiken over voorgestelde wijzigingen van dit Verdrag. Indien alle pogingen om consensus te bereiken zijn uitgeput, en geen overeenstemming is bereikt, wordt de wijziging in laatste instantie aangenomen met een meerderheid van drievierde van de stemmen van de op de vergadering aanwezige partijen die hun stem uitbrengen.

4.   Wijzigingen van dit Verdrag die zijn aangenomen in overeenstemming met het voorgaande lid 3 worden door de depositaris aan alle partijen toegezonden voor bekrachtiging, goedkeuring of aanvaarding. Wijzigingen van dit Verdrag anders dan die van een bijlage worden van kracht voor partijen die deze hebben bekrachtigd, goedgekeurd of aanvaard op de negentigste dag na de ontvangst door de depositaris van de kennisgeving van hun bekrachtiging, goedkeuring of aanvaarding door ten minste drievierde van deze partijen. Daarna worden zij van kracht voor elke andere partij op de negentigste dag nadat die partij haar akte van bekrachtiging, goedkeuring of aanvaarding van de wijzigingen nederlegt.

5.   Een partij die niet in staat is een wijziging van een bijlage bij dit Verdrag goed te keuren, stelt de depositaris hiervan schriftelijk in kennis binnen twaalf maanden na het bericht van de aanneming. De depositaris stelt alle partijen onverwijld in kennis van elke kennisgeving die hij ontvangt. Een partij kan te allen tijde een eerder gedane kennisgeving vervangen door een verklaring van aanvaarding, en na nederlegging van een akte van aanvaarding bij de depositaris, worden de wijzigingen van een dergelijke bijlage voor die partij van kracht.

6.   Na het verstrijken van twaalf maanden na de datum van haar toezending door de depositaris als voorzien in het voorgaande lid 4, wordt een wijziging van een bijlage van kracht voor die partijen die bij de depositaris geen kennisgeving hebben ingediend in overeenstemming met de bepalingen van het voorgaande lid 5, mits niet meer dan eenderde van de partijen een dergelijke kennisgeving hebben ingediend.

7.   Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „aanwezige partijen die hun stem uitbrengen” verstaan de partijen die aanwezig zijn en een stem vóór of tegen een voorstel uitbrengen.

Artikel 15

Toezicht op naleving

De vergadering van de partijen stelt, op basis van consensus, facultatieve regelingen vast van niet-confronterende, niet-rechterlijke en raadplegende aard voor toetsing van de naleving van de bepalingen van dit Verdrag. Deze regelingen laten ruimte voor passende betrokkenheid van het publiek en kunnen de optie omvatten mededelingen van leden van het publiek over aangelegenheden met betrekking tot dit Verdrag in overweging te nemen.

Artikel 16

Regeling van geschillen

1.   Indien tussen twee of meer partijen een geschil ontstaat over de uitlegging of de toepassing van dit Verdrag, trachten zij dit op te lossen door onderhandeling of volgens een andere voor de partijen bij het geschil aanvaardbare methode voor de regeling van geschillen.

2.

a)

voorlegging van het geschil aan het Internationaal Gerechtshof;

b)

arbitrage in overeenstemming met de procedure omschreven in bijlage II.

3.   Indien de partijen bij het geschil beide in het voorgaande lid 2 genoemde methoden voor de regeling van geschillen hebben aanvaard, kan het geschil alleen aan het Internationaal Gerechtshof worden voorgelegd, tenzij de partijen anders overeenkomen.

Artikel 17

Ondertekening

Dit Verdrag staat op 25 juni 1998 te Aarhus (Denemarken), en daarna tot 21 december 1998 op de zetel van de Verenigde Naties te New York, open voor ondertekening door de lidstaten van de Economische Commissie voor Europa alsmede door staten die een consultatieve status bij de Europese Commissie voor Europa hebben krachtens de paragrafen 8 en 11 van resolutie 36 (IV) van de Economische en Sociale Raad van 28 maart 1947, en door regionale organisaties voor economische integratie opgericht door soevereine staten die lid zijn van de Economische Commissie voor Europa, waaraan de lidstaten bevoegdheden hebben overgedragen ten aanzien van aangelegenheden die onder dit Verdrag vallen, met inbegrip van de bevoegdheid ten aanzien van deze aangelegenheden verdragen aan te gaan.

Artikel 18

Depositaris

De secretaris-generaal van de Verenigde Naties treedt op als depositaris van dit Verdrag.

Artikel 19

Bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring en toetreding

1.   Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd door ondertekenende staten en regionale organisaties voor economische integratie.

2.   Dit Verdrag staat vanaf 22 december 1998 open voor toetreding door de staten en regionale organisaties voor economische integratie bedoeld in artikel 17.

3.   Elke andere, niet in het voorgaande lid 2 bedoelde staat die lid is van de Verenigde Naties kan toetreden tot het Verdrag na goedkeuring door de vergadering van de partijen.

4.   Iedere organisatie zoals bedoeld in artikel 17 die partij wordt bij dit Verdrag zonder dat een van haar lidstaten partij is, is gebonden door alle verplichtingen krachtens dit Verdrag. Indien een of meer lidstaten van een dergelijke organisatie partij bij dit Verdrag zijn, beslissen de organisatie en haar lidstaten over hun onderscheiden verantwoordelijkheden ten aanzien van de nakoming van hun verplichtingen krachtens dit Verdrag. In dat geval mogen de organisatie en de lidstaten niet tegelijkertijd rechten krachtens dit Verdrag uitoefenen.

5.   In hun akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding vermelden de regionale organisaties voor economische integratie bedoeld in artikel 17 de reikwijdte van hun bevoegdheid ten aanzien van de aangelegenheden die onder dit Verdrag vallen. Deze organisaties doen de depositaris tevens mededeling van elke wezenlijke verandering in de reikwijdte van hun bevoegdheid.

Artikel 20

Inwerkingtreding

1.   Dit Verdrag treedt in werking op de negentigste dag na de datum van nederlegging van de zestiende akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding.

2.   Voor de toepassing van het voorgaande lid 1 wordt de door een regionale organisatie voor economische integratie neergelegde akte niet meegeteld naast akten die zijn nedergelegd door lidstaten van die organisatie.

3.   Ten aanzien van elke staat of organisatie bedoeld in artikel 17 die dit Verdrag bekrachtigt, aanvaardt of goedkeurt of ertoe toetreedt na de nederlegging van de zestiende akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, treedt het Verdrag in werking op de negentigste dag na de datum van nederlegging door de staat of organisatie van zijn of haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding.

Artikel 21

Opzegging

Elke partij kan, te allen tijde na drie jaar vanaf de datum waarop dit Verdrag ten aanzien van die partij in werking is getreden, het Verdrag opzeggen door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de depositaris. De opzegging wordt van kracht op de negentigste dag na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de depositaris.

Artikel 22

Authentieke teksten

Het originele exemplaar van dit Verdrag, waarvan de Engelse, de Franse en de Russische tekst gelijkelijk authentiek zijn, wordt nedergelegd bij de secretaris-generaal van de Verenigde Naties.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, hiertoe naar behoren gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.

GEDAAN te Aarhus (Denemarken), de vijfentwintigste juni negentienhonderdachtennegentig.

Top