Help Print this page 
Title and reference
Verordening (EG) nr. 448/2004 van de Commissie van 10 maart 2004 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1685/2000 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad met betrekking tot de subsidiabiliteit van de uitgaven voor door structuurfondsen medegefinancierde verrichtingen, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1145/2003

OJ L 72, 11.3.2004, p. 66–77 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
Special edition in Czech: Chapter 14 Volume 002 P. 3 - 14
Special edition in Estonian: Chapter 14 Volume 002 P. 3 - 14
Special edition in Latvian: Chapter 14 Volume 002 P. 3 - 14
Special edition in Lithuanian: Chapter 14 Volume 002 P. 3 - 14
Special edition in Hungarian Chapter 14 Volume 002 P. 3 - 14
Special edition in Maltese: Chapter 14 Volume 002 P. 3 - 14
Special edition in Polish: Chapter 14 Volume 002 P. 3 - 14
Special edition in Slovak: Chapter 14 Volume 002 P. 3 - 14
Special edition in Slovene: Chapter 14 Volume 002 P. 3 - 14
Special edition in Bulgarian: Chapter 14 Volume 001 P. 144 - 155
Special edition in Romanian: Chapter 14 Volume 001 P. 144 - 155
Languages, formats and link to OJ
Multilingual display
Text

32004R0448

Verordening (EG) nr. 448/2004 van de Commissie van 10 maart 2004 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1685/2000 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad met betrekking tot de subsidiabiliteit van de uitgaven voor door structuurfondsen medegefinancierde verrichtingen, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1145/2003

Publicatieblad Nr. L 072 van 11/03/2004 blz. 0066 - 0077


Verordening (EG) nr. 448/2004 van de Commissie

van 10 maart 2004

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1685/2000 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad met betrekking tot de subsidiabiliteit van de uitgaven voor door structuurfondsen medegefinancierde verrichtingen, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1145/2003

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad van 21 juni 1999 houdende algemene bepalingen inzake de Structuurfondsen(1) en met name op artikel 30, lid 3, en artikel 53, lid 2,

Na raadpleging van het Comité uit hoofde van artikel 147 van het Verdrag, het Comité van beheer voor de landbouwstructuur en de plattelandsontwikkeling en het Comité van beheer voor de visserij en de aquacultuur,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) In de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1685/2000 van de Commissie(2) is een aantal gemeenschappelijke subsidiabiliteitsregels vastgelegd. Die verordening trad op 5 augustus 2000 in werking.

(2) De ervaring heeft echter aangetoond dat deze regels in verschillende opzichten moeten worden gewijzigd.

(3) Het is met name passend de kosten van transnationale financiële transacties in het kader van steunverlening op grond van Peace II en de communautaire initiatieven na aftrek van de op de voorschotten ontvangen rente als subsidiabel aan te merken.

(4) Ook dient te worden verduidelijkt dat stortingen in risicokapitaal-, lenings- en garantiefondsen daadwerkelijk verrichte uitgaven zijn.

(5) Uitdrukkelijk dient te worden bepaald dat de publiek- of privaatrechtelijke status van de eindbegunstigde geen rol speelt bij de vraag of de BTW in aanmerking komt voor cofinanciering.

(6) Ten aanzien van de plattelandsontwikkeling dient te worden verduidelijkt dat de regel dat de uitgaven met vereffende facturen moeten worden gestaafd, van toepassing moet zijn, onverminderd de specifieke regels die vastgelegd werden in Verordening (EG) nr. 445/2002 van de Commissie van 26 februari 2002 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL)(3), voor het geval dat normbedragen voor de prijzen per eenheid voor bepaalde investeringen op bosbouwgebied zijn vastgesteld.

(7) Ter wille van de duidelijkheid en gemakshalve dient de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1685/2000 in haar geheel te worden vervangen.

(8) De bepalingen betreffende stortingen in risicokapitaal-, lenings- en garantiefondsen en de subsidiabiliteit van de BTW hebben tot interpretatieproblemen aanleiding gegeven.

(9) Gelet op het beginsel van gelijke behandeling en om de kosten van transnationale financiële transacties in aanmerking te laten komen, moeten de desbetreffende regels met terugwerkende kracht worden toegepast.

(10) Verordening (EG) nr. 1685/2000 werd dienovereenkomstig gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1145/2003. Bij de goedkeuring van die verordening werden de voorwaarden met betrekking tot de regelgevingsprocedure echter niet volledig in acht genomen en daarom moet Verordening (EG) nr. 1145/2003 ingetrokken worden. De onderhavige verordening zou daarom van toepassing moeten zijn vanaf de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1145/2003.

(11) De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Raadgevend Comité voor de ontwikkeling en omschakeling van de regio's,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 1145/2003 wordt ingetrokken.

Artikel 2

De bijlage bij Verordening (EG) nr. 1685/2000 wordt vervangen door de in de bijlage bij de onderhavige verordening opgenomen tekst.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 5 juli 2003.

De volgende punten in de bijlage zijn van toepassing met ingang van 5 augustus 2000:

a) in regel 1 de punten 1.3, 2.1, 2.2 en 2.3;

b) in regel 3 punt 1;

c) in regel 7 de punten 1 tot en met 5.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 10 maart 2004.

Voor de Commissie

Michel Barnier

Lid van de Commissie

(1) PB L 161 van 26.6.1999, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1105/2003 (PB L 158 van 27.6.2003, blz. 3).

(2) PB L 193 van 29.7.2000, blz. 39. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1145/2003 (PB L 160 van 28.6.2003, blz. 48).

(3) PB L 74 van 15.3.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 963/2003 (PB L 138 van 5.6.2003, blz. 32).

BIJLAGE

SUBSIDIABILITEITSREGELS

Regel 1: Daadwerkelijk verrichte uitgaven

1 DOOR DE EINDBEGUNSTIGDEN GEDANE BETALINGEN

1.1 Door de eindbegunstigden gedane betalingen in de zin van artikel 32, lid 1, derde alinea, van Verordening (EG) nr. 1260/1999, hierna "de algemene verordening" genoemd, geschieden in de vorm van geld, onder voorbehoud van de in punt 1.5 aangegeven uitzonderingen.

1.2 In het geval van steunmaatregelen uit hoofde van artikel 87 van het Verdrag of steun van door de lidstaten aangewezen instanties wordt onder "door de eindbegunstigden gedane betalingen" steun verstaan die door de steunverlenende instantie wordt betaald aan de individuele begunstigden. Ter motivering van de door de eindbegunstigden gedane betalingen moet worden verwezen naar de voorwaarden en doelstellingen van de steun.

1.3 Stortingen in risicokapitaal-, lenings- en garantiefondsen (met inbegrip van risicokapitaalholdingfondsen) worden als "daadwerkelijk verrichte uitgaven" in de zin van artikel 32, lid 1, derde alinea, van de algemene verordening behandeld, op voorwaarde dat de fondsen voldoen aan de in respectievelijk regel 8 en regel 9 gestelde eisen.

1.4 In andere gevallen dan de in punt 1.2 bedoelde, worden onder "door de eindbegunstigden gedane betalingen" betalingen verstaan die worden gedaan door de instantie of de onderneming in de overheids- of particuliere sector van de overeenkomstig artikel 18, lid 3, onder b), van de algemene verordening in het programmacomplement omschreven categorieën, die rechtstreeks verantwoordelijk is voor het geven van de opdracht tot de specifieke actie.

1.5 Onder de in de punten 1.6, 1.7 en 1.8 vastgestelde voorwaarden kunnen afschrijvingen, bijdragen in natura en indirecte kosten (overheadkosten) ook deel uitmaken van de in punt 1.1 bedoelde betalingen. De cofinanciering van een actie door de structuurfondsen mag evenwel niet meer bedragen dan de totale subsidiabele uitgaven aan het eind van de actie, behalve de bijdragen in natura.

1.6 De afschrijvingen van onroerende goederen of materieel die rechtstreeks verband houden met de doelstellingen van de actie vormen subsidiabele uitgaven, mits:

a) de aankoop van dergelijke onroerende goederen of uitrusting niet met nationale of communautaire subsidies is gecofinancierd;

b) zij overeenkomstig de geldende boekhoudregels zijn berekend, en

c) zij uitsluitend betrekking hebben op de periode gedurende welke de betrokken actie wordt gecofinancierd.

1.7 Bijdragen in natura vormen subsidiabele uitgaven, mits:

a) het gaat om de inbreng van grond of onroerend goed, uitrusting of materieel, onderzoeks- of beroepsactiviteiten, of niet-betaald vrijwilligerswerk;

b) zij niet worden toegekend uit hoofde van acties op het gebied van de in de regels 8, 9 en 10 bedoelde financiële instrumentering;

c) de waarde ervan onafhankelijk kan worden beoordeeld en gecontroleerd;

d) in geval van de inbreng van grond of onroerend goed: de waarde is gecertificeerd door een onafhankelijke bevoegde taxateur of een bevoegde officiële instantie;

e) in geval van onbetaald vrijwilligerswerk: de waarde van dat werk wordt vastgesteld met betrekking tot van de eraan bestede tijd en van het normale uur- en dagtarief voor de verrichte werkzaamheden en,

f) in voorkomend geval, is voldaan aan de bepalingen van de regels 4, 5 en 6.

1.8 Indirecte kosten (overheadkosten) zijn subsidiabele uitgaven, mits zij gebaseerd zijn op de werkelijke kosten die verband houden met de uitvoering van de door de structuurfondsen gecofinancierde actie en zij verhoudingsgewijs volgens een naar behoren gemotiveerde eerlijke en billijke methode aan die actie worden toegekend.

1.9 De punten 1.5 tot en met 1.8 zijn van toepassing op de in punt 1.2 bedoelde begunstigden in het geval van steunmaatregelen uit hoofde van artikel 87 van het Verdrag en in het geval van steunverlening door een door de lidstaat aangewezen instantie.

1.10 De lidstaten mogen strengere nationale regels toepassen om vast te stellen welke uitgaven overeenkomstig de punten 1.6, 1.7 en 1.8 in aanmerking komen voor subsidie.

2 BEWIJSSTUKKEN INZAKE DE UITGAVEN

2.1 In het algemeen moeten de door de eindbegunstigden gedane betalingen die worden gedeclareerd met het oog op een tussentijdse betaling of de betaling van het eindsaldo, worden gestaafd met vereffende facturen. Wanneer dit niet mogelijk is, moeten deze betalingen worden gestaafd met boekingsstukken met vergelijkbare bewijskracht.

2.2 Ten aanzien van de plattelandsontwikkeling is punt 2.1 van toepassing, onverminderd de bij Verordening (EG) nr. 445/2002 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1257/1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) vastgestelde specifieke regels voor het geval dat normbedragen voor de prijzen per eenheid voor bepaalde investeringen op bosbouwgebied zijn vastgesteld.

2.3 Voorts moeten in het geval van in het kader van procedures voor overheidsopdrachten uitgevoerde acties de door de eindbegunstigden gedane betalingen die worden gedeclareerd met het oog op een tussentijdse betaling of de betaling van het eindsaldo, worden gestaafd met vereffende facturen die zijn uitgeschreven overeenkomstig de bepalingen van de ondertekende contracten. In alle andere gevallen, met inbegrip van de toekenning van overheidssubsidies, moeten de door de eindbegunstigden gedane betalingen die worden gedeclareerd met het oog op een tussentijdse betaling of de betaling van het eindsaldo, worden gerechtvaardigd door uitgaven (inclusief de in punt 1.5 bedoelde uitgaven) die daadwerkelijk zijn verricht door de instantie of de onderneming in de overheids- of particuliere sector die betrokken is bij de uitvoering van de actie.

3 UITVOERING DOOR SUBCONTRACTANTEN

3.1 Onverminderd de toepassing van strengere nationale regels, komen uitgaven in verband met de volgende onderaannemingscontracten niet in aanmerking voor cofinanciering uit de structuurfondsen:

a) onderaannemingscontracten waardoor de kosten voor de uitvoering van de actie worden verhoogd zonder dat een daarmee evenredige waarde aan de actie wordt toegevoegd;

b) onderaannemingscontracten met tussenpersonen of adviseurs waarin het te betalen bedrag is uitgedrukt als een percentage van de totale kostprijs van de actie, tenzij de gegrondheid van een dergelijke betaling door de eindbegunstigde wordt bewezen aan de hand van de werkelijke waarde van het verrichte werk of de verleende diensten.

3.2 De onderaannemers moeten de audit- en controleorganen voor alle onderaannemingscontracten alle vereiste informatie betreffende de in onderaanneming gegeven activiteiten verschaffen.

Regel 2: Boekhoudkundige behandeling van ontvangsten

1. Onder "ontvangsten" in de zin van deze regel worden de inkomsten verstaan die in het kader van een actie in de periode waarin de cofinanciering loopt of gedurende een door de lidstaat vastgestelde langere periode die loopt tot de afsluiting van de steunmaatregelen, worden verkregen door de verkoop, verhuur, diensten, inschrijvingsgelden of andere daarmee gelijkgestelde ontvangsten, met uitzondering van:

a) de ontvangsten die tijdens de gehele economische levensduur van de gecofinancierde investeringen worden verkregen en onder de specifieke bepalingen van artikel 29, lid 4, van de algemene verordening vallen;

b) de ontvangsten verkregen in het kader van de in de regels 8, 9 en 10 bedoelde financiële instrumenteringsmaatregelen;

c) de bijdragen die de particuliere sector bij wijze van cofinanciering van de acties levert en die in de financiële tabellen betreffende de steunmaatregelen naast de overheidsbijdragen zijn vermeld.

2. De in punt 1 bedoelde ontvangsten vormen inkomsten die het voor de betrokken actie vereiste bedrag van de cofinanciering van de structuurfondsen verlagen. Deze worden voordat de bijdrage van de structuurfondsen wordt berekend en niet later dan op het ogenblik waarop de steunmaatregelen worden afgesloten, afhankelijk van het feit of zij volledig of slechts gedeeltelijk door de gecofinancierde actie zijn verkregen, volledig of verhoudingsgewijs in mindering gebracht op de subsidiabele uitgaven van de actie.

Regel 3: Financiële transactie- en andere kosten, uitgaven voor rechtsbijstand

1 FINANCIËLE TRANSACTIEKOSTEN

Debetrente (anders dan de uitgaven uit hoofde van rentesubsidies om de kosten van leningen voor bedrijven krachtens een goedgekeurde staatssteunregeling te verlagen), kosten verbonden aan financiële transacties, wisselprovisies en wisselkoersverliezen, alsmede andere zuivere financieringskosten komen niet in aanmerking voor cofinanciering door de structuurfondsen. Kosten van transnationale financiële transacties, in het kader van steunverlening op grond van Peace II en de communautaire initiatieven (Interreg III, Leader+, Equal en Urban II) komen echter, na aftrek van de op voorschotten ontvangen rente, in aanmerking voor cofinanciering door de structuurfondsen. Bovendien komt in het geval van globale subsidies de debetrente die door de aangewezen bemiddelende instantie is betaald voordat het eindsaldo van de steun is betaald, na aftrek van de op voorschotten ontvangen rente, in aanmerking voor cofinanciering.

2 AAN REKENINGEN VERBONDEN BANKKOSTEN

Wanneer met het oog op de cofinanciering van de structuurfondsen voor de tenuitvoerlegging van een actie een of meer afzonderlijke bankrekeningen moeten worden geopend, komen de aan het openen en beheren van de rekening verbonden bankkosten in aanmerking voor cofinanciering.

3 KOSTEN VAN JURIDISCH ADVIES, NOTARISKOSTEN, TECHNISCHE OF FINANCIËLE EXPERTISE EN BOEKHOUD- OF AUDITKOSTEN

Deze kosten zijn subsidiabel als zij rechtstreeks op de actie betrekking hebben en noodzakelijk zijn voor de voorbereiding of uitvoering ervan of, wat de boekhoud- of auditkosten betreft, als zij op door de beheersautoriteit opgelegde voorwaarden betrekking hebben.

4 KOSTEN VAN DOOR EEN BANK OF EEN ANDERE FINANCIËLE INSTELLING VERSTREKTE GARANTIES

Deze kosten zijn subsidiabel voor zover de garanties vereist zijn ingevolge de nationale of de communautaire wetgeving of ingevolge de beschikking van de Commissie tot goedkeuring van de steun.

5 BOETES, FINANCIËLE SANCTIES EN PROCESKOSTEN

Deze uitgaven zijn niet subsidiabel.

Regel 4: Aankoop van tweedehands materiaal

Onverminderd de toepassing van strengere nationale regels, komen de aankoopkosten van tweedehands materiaal in aanmerking voor cofinanciering in het kader van de structuurfondsen wanneer aan de volgende drie voorwaarden is voldaan:

a) de verkoper moet een verklaring afgeven waarin de herkomst van het materieel is vermeld en waarin wordt bevestigd dat het in geen geval de voorbije zeven jaar met behulp van nationale of communautaire subsidies is aangekocht;

b) de prijs van het tweedehands materieel mag niet hoger liggen dan de marktwaarde en moet lager liggen dan de kostprijs van soortgelijk nieuw materieel en

c) de technische eigenschappen van het materiaal moeten in overeenstemming zijn met de eisen van de actie en met de geldende normen en standaarden.

Regel 5: Aankoop van grond

1 ALGEMENE REGELS

1.1 Onverminderd de toepassing van strengere nationale regels, komen de kosten voor de aankoop van onbebouwde grond alleen in aanmerking voor cofinanciering door de structuurfondsen wanneer aan de volgende drie voorwaarden is voldaan:

a) er moet een rechtstreeks verband bestaan tussen de aankoop van de grond en de doelstelling van de gecofinancierde actie;

b) het aandeel van de aankoop van grond in de totale subsidiabele uitgaven van de actie mag, behalve in de in punt 2 vermelde gevallen, 10 % niet overschrijden, tenzij in de door de Commissie goedgekeurde steunmaatregelen een hoger percentage is vastgesteld;

c) er moet van een onafhankelijke bevoegde taxateur of van een bevoegde officiële instantie een certificaat worden verkregen, waarin wordt bevestigd dat de aankoopprijs niet hoger ligt dan de marktwaarde.

1.2 In het geval van steunmaatregelen uit hoofde van artikel 87 van het Verdrag, moet in het licht van de steunregeling als geheel worden beoordeeld of de aankoop van grond al dan niet subsidiabel is.

2 ACTIES OP HET GEBIED VAN MILIEUBESCHERMING

Uitgaven voor acties op het gebied van milieubescherming zijn subsidiabel als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

- over de aankoop is door het beheerscomité een gunstig besluit genomen;

- de grond wordt gedurende een in dat besluit vastgestelde periode voor het vastgestelde doel gebruikt;

- de grond is, behalve in naar behoren gemotiveerde en door de beheersautoriteit aanvaarde gevallen, niet voor de landbouw bestemd;

- de grond is aangekocht door of namens een overheidsinstelling of een publiekrechtelijk lichaam.

Regel 6: Aankoop van onroerend goed

1 ALGEMENE REGELS

Onverminderd de toepassing van strengere nationale regels, komen de kosten van de aankoop van onroerend goed, dat wil zeggen bestaande gebouwen en de grond waarop deze staan, onder de in punt 2 vermelde voorwaarden in aanmerking voor cofinanciering in het kader van de structuurfondsen, als er een rechtstreeks verband tussen de aankoop en de doelstellingen van de betrokken actie bestaat.

2 SUBSIDIABILITEITSVOORWAARDEN

2.1 Er moet van een onafhankelijke bevoegde taxateur of een bevoegde officiële instantie een certificaat worden verkregen, waarin wordt vastgesteld dat de prijs niet hoger ligt dan de marktwaarde en wordt verklaard dat het gebouw voldoet aan de nationale voorschriften dan wel waarin de punten worden genoemd waarop het niet aan deze voorschriften voldoet en die de eindbegunstigde voornemens is in het kader van de actie te corrigeren.

2.2 Voor het betrokken gebouw mag in de voorbije tien jaar geen nationale of communautaire subsidie zijn verleend die in geval van cofinanciering van de aankoop door de structuurfondsen tot cumulatie van steun zou leiden.

2.3 Het onroerend goed moet gedurende een door de beheersautoriteit vastgestelde periode voor de door haar vastgestelde bestemming worden gebruikt.

2.4 Het gebouw mag alleen in overeenstemming met de doelstellingen van de actie worden gebruikt. Het mag met name alleen dienen om er diensten van het overheidsbestuur in onder te brengen, wanneer een dergelijk gebruik met de in het kader van het betrokken structuurfonds subsidiabele activiteiten in overeenstemming is.

Regel 7: BTW en andere heffingen en belastingen

1. De BTW vormt geen subsidiabele uitgave, behalve wanneer zij daadwerkelijk en definitief wordt gedragen door de eindbegunstigde, of door de individuele ontvanger in het kader van de steunmaatregelen uit hoofde van artikel 87 van het Verdrag en in het geval van steunverlening door een door de lidstaat aangewezen instantie. BTW die op enigerlei wijze kan worden teruggevorderd kan, zelfs wanneer zij niet daadwerkelijk door de eindbegunstigde of door de individuele ontvanger wordt teruggevorderd, niet als subsidiabel worden beschouwd. Met de vraag of de eindbegunstigde of de individuele ontvanger een publiek- dan wel een privaatrechtelijke status heeft, wordt geen rekening gehouden bij de beslissing of de BTW op grond van deze regel een subsidiabele uitgave vormt.

2. BTW die als gevolg van de toepassing van specifieke nationale voorschriften niet door de eindbegunstigde of de individuele ontvanger kan worden teruggevorderd, vormt slechts een subsidiabele uitgave als die voorschriften volledig in overeenstemming zijn met Zesde Richtlijn 77/388/EEG van de Raad(1) (BTW-richtlijn).

3. Wanneer de eindbegunstigde of de individuele ontvanger onderworpen is aan een forfaitaire regeling van titel XIV van Zesde Richtlijn 77/388/EEG, wordt de betaalde BTW in de zin van punt 1 als terugvorderbaar beschouwd.

4. De communautaire cofinanciering mag niet meer bedragen dan de totale subsidiabele uitgaven exclusief BTW, onverminderd artikel 29, lid 6, van de algemene verordening.

5. Andere belastingen, heffingen en lasten (in het bijzonder directe belastingen en sociale-zekerheidsbijdragen op lonen en salarissen) die voortvloeien uit de cofinanciering van de structuurfondsen, vormen geen subsidiabele uitgaven, behalve wanneer zij daadwerkelijk en definitief door de eindbegunstigde of de begunstigde worden gedragen.

Regel 8: Risicokapitaal- en leningsfondsen

1 ALGEMENE REGELS

De structuurfondsen kunnen onder de in punt 2 vermelde voorwaarden deelnemen aan de financiering van risicokapitaal- en/of leningsfondsen of van risicokapitaalholdingfondsen, hierna "fondsen" genoemd. Onder "risicokapitaalfondsen en leningsfondsen" worden in de zin van deze regel investeringsinstellingen verstaan die specifiek zijn bedoeld om vermogen of andere vormen van risicokapitaal, waaronder leningen, te verstrekken aan kleine en middelgrote ondernemingen in de zin van Aanbeveling 96/280/EG van de Commissie(2), gewijzigd bij Aanbeveling 2003/361/EG. Onder "risicokapitaalholdingfondsen" worden fondsen verstaan die zijn opgericht om in verscheidene risicokapitaal- en leningsfondsen te investeren. De deelneming van de structuurfondsen in de fondsen kan samengaan met mede-investeringen of garanties van andere financieringsinstrumenten van de Gemeenschap.

2 VOORWAARDEN

2.1 De medefinancierders of sponsors van het fonds moeten een voorzichtig bedrijfsplan indienen waarin onder andere de volgende punten moeten worden gespecificeerd: de doelmarkt, de criteria, de financieringsvoorwaarden, de operationele begroting van het fonds, de eigenaren en de medefinancierende partners, de beroepsmatige aanpak, de bevoegdheid en de onafhankelijkheid van het beheer, de statuten van het fonds, de rechtvaardiging van de bijdragen van de structuurfondsen en het gebruik dat men daarvan wil maken, het investeringsonttrekkingsbeleid en de voorwaarden voor de ontbinding van het fonds, waaronder het hergebruik van uit de bijdrage van de structuurfondsen voortvloeiende opbrengsten. Het bedrijfsplan moet zorgvuldig worden beoordeeld en op de uitvoering ervan moet toezicht worden gehouden door of onder de verantwoordelijkheid van de beheersautoriteit.

2.2 Het fonds moet worden opgezet als een onafhankelijke rechtspersoon waarvan de werking is geregeld in de overeenkomsten tussen de aandeelhouders, of als een afzonderlijk financieel geheel binnen een bestaande financiële instelling. In dit laatste geval moet voor het fonds een afzonderlijke uitvoeringsovereenkomst worden opgesteld, waarin met name wordt bepaald dat afzonderlijke rekeningen moeten worden bijgehouden, waarin de nieuwe middelen die in de fondsen worden geïnvesteerd (inclusief de bijdragen van de structuurfondsen) duidelijk worden onderscheiden van de middelen die oorspronkelijk in de instelling beschikbaar waren. Alle deelnemers aan het fonds moeten hun bijdragen in geld betalen.

2.3 De Commissie kan geen vennoot of aandeelhouder van het fonds worden.

2.4 Voor de bijdrage van de structuurfondsen gelden de maxima die in artikel 29, leden 3 en 4, van de algemene verordening zijn vastgesteld.

2.5 De fondsen mogen alleen in kleine en middelgrote ondernemingen investeren bij de oprichting ervan, in de vroegste stadia (inclusief startkapitaal) of de uitbreiding ervan en alleen in activiteiten die door de beheerders van het fonds potentieel economisch levensvatbaar worden geacht. Bij de beoordeling van de levensvatbaarheid moeten alle inkomstenbronnen van de betrokken ondernemingen in aanmerking worden genomen. De fondsen mogen niet investeren in ondernemingen in moeilijkheden in de zin van de communautaire richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden(3).

2.6 Er moeten voorzorgsmaatregelen worden genomen om de verstoring van de mededinging op de markt voor risicokapitaal of leningen zoveel mogelijk te beperken. In het bijzonder opbrengsten uit kapitaalinvesteringen en leningen (na aftrek van het evenredige gedeelte van de beheerskosten) moeten bij voorkeur aan de particuliere investeerders worden toegerekend tot het vergoedingsniveau dat in de aandeelhoudersovereenkomst is vastgesteld en daarna moeten zij evenredig over alle aandeelhouders en de structuurfondsen worden verdeeld. Inkomsten van het fonds die voortvloeien uit de bijdragen van de structuurfondsen moeten opnieuw worden gebruikt voor activiteiten ter ontwikkeling van kleine en middelgrote ondernemingen in hetzelfde voor steun in aanmerking komende gebied.

2.7 De beheerskosten mogen tijdens de periode van de steunverlening per jaar gemiddeld niet meer bedragen dan 5 % van het gestorte kapitaal, tenzij na een openbare aanbesteding een hoger percentage nodig blijkt.

2.8 Bij de afsluiting van de actie worden de subsidiabele uitgaven van het fonds (de eindbegunstigde) gevormd door het kapitaal van het fonds dat is geïnvesteerd in of uitgeleend aan kleine en middelgrote ondernemingen, inclusief de beheerskosten.

2.9 Op de bijdragen van de structuurfondsen en de andere overheidsbijdragen in de fondsen alsmede op de investeringen van fondsen in afzonderlijke kleine en middelgrote ondernemingen zijn de bepalingen inzake staatssteun van toepassing.

3 AANBEVELINGEN

3.1 De Commissie beveelt de in de punten 3.2 tot en met 3.6 vastgestelde normen voor een goede werkwijze aan voor fondsen waarin de structuurfondsen bijdragen. Bij de beoordeling van het fonds op zijn verenigbaarheid met de bepalingen inzake staatssteun zal de Commissie de naleving van deze aanbevelingen als een positief gegeven beschouwen. De aanbevelingen houden geen verplichting in wat de subsidiabiliteit van de uitgaven betreft.

3.2 De financiële inbreng van de particuliere sector moet aanzienlijk zijn en hoger zijn dan 30 %.

3.3 De fondsen moeten omvangrijk genoeg zijn en een voldoende ruime doelgroep bestrijken om te garanderen dat hun activiteiten potentieel economisch levensvatbaar zijn (de investeringstermijn moet in overeenstemming zijn met de bijdrageperiode van het structuurfonds) en zij moeten gericht zijn op gebieden met marktonvolkomenheden.

3.4 De stortingen van de participaties in het fonds worden door de structuurfondsen en door de aandeelhouders gedaan volgens hetzelfde tijdschema en proportioneel met de genomen participaties.

3.5 De fondsen moeten worden beheerd door onafhankelijke professionele teams die over voldoende beroepservaring beschikken om blijk te geven van de vereiste bekwaamheid en geloofwaardigheid om een risicokapitaalfonds te beheren. De beheersteams worden gekozen via een selectieprocedure op basis van mededinging, waarbij de hoogte van de overwogen vergoedingen in aanmerking wordt genomen.

3.6 De fondsen mogen normaal geen meerderheidsbelang in ondernemingen verwerven en moeten ernaar streven alle investeringen tijdens de looptijd van het fonds te realiseren.

Regel 9: Garantiefondsen

1 ALGEMENE REGELS

De structuurfondsen kunnen het kapitaal van garantiefondsen cofinancieren overeenkomstig de in punt 2 genoemde voorwaarden. Onder "garantiefondsen" in de zin van deze regel worden financieringsinstrumenten verstaan die risicokapitaal- en leningsfondsen in de zin van regel 8 en andere risicodragende financieringsregelingen voor kleine en middelgrote ondernemingen (inclusief leningen) vrijwaren tegen verliezen die voortvloeien uit hun investeringen in kleine en middelgrote ondernemingen in de zin van Aanbeveling 96/280/EG, gewijzigd bij Aanbeveling 2003/361/EG. De fondsen kunnen door de overheid gesteunde onderlinge fondsen zijn waarop wordt ingetekend door kleine en middelgrote ondernemingen, op commerciële basis geëxploiteerde fondsen met partners uit de particuliere sector of volledig door de overheid gefinancierde fondsen. De deelneming van de structuurfondsen in de fondsen kan worden gecombineerd met door andere financieringsinstrumenten van de Gemeenschap verstrekte gedeeltelijke garanties.

2 VOORWAARDEN

2.1 De medefinanciers of sponsors van het fonds moeten zoals voor de risicokapitaalfondsen (regel 8) mutatis mutandis een voorzichtig bedrijfsplan indienen, waarin wordt aangegeven welke garantieportefeuille wordt beoogd. Het bedrijfsplan moet zorgvuldig worden beoordeeld en op de uitvoering ervan moet toezicht worden gehouden door of onder de verantwoordelijkheid van de beheersautoriteit.

2.2 Het fonds moet worden opgezet als een onafhankelijke rechtspersoon waarvan de werking is geregeld in de overeenkomsten tussen de aandeelhouders, of als een afzonderlijk financieel geheel binnen een bestaande financiële instelling. In dit laatste geval moet voor het fonds een afzonderlijke uitvoeringsovereenkomst worden opgesteld, waarin met name wordt bepaald dat afzonderlijke rekeningen moeten worden bijgehouden, waarin de nieuwe middelen die in de fondsen worden geïnvesteerd (inclusief de bijdragen van de structuurfondsen) duidelijk worden onderscheiden van de middelen die oorspronkelijk in de instelling beschikbaar waren.

2.3 De Commissie kan geen vennoot of aandeelhouder van het fonds worden.

2.4 De fondsen kunnen alleen waarborgen verstrekken voor investeringen in activiteiten die potentieel economisch levensvatbaar worden geacht. De fondsen kunnen zich niet borg stellen voor ondernemingen in moeilijkheden in de zin van de communautaire richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden.

2.5 Gedeelten van de bijdrage van de structuurfondsen die overblijven nadat de garanties zijn uitbetaald, moeten opnieuw worden gebruikt voor activiteiten ter ontwikkeling van kleine en middelgrote ondernemingen in hetzelfde voor steun in aanmerking komende gebied.

2.6 De beheerskosten mogen tijdens de periode van de steunverlening per jaar gemiddeld niet meer bedragen dan 2 % van het gestorte kapitaal, tenzij na een openbare aanbesteding een hoger percentage nodig blijkt.

2.7 Bij de afsluiting van de actie wordt het bedrag aan gestort kapitaal van het fonds dat, op grond van een onafhankelijke audit, nodig is om de verstrekte garantie, inclusief de veroorzaakte beheerskosten, te dekken, als de voor cofinanciering in aanmerking komende uitgaven van het fonds (de eindbegunstigde) aangemerkt.

2.8 Op de bijdragen van de structuurfondsen en de andere overheidsbijdragen in de garantiefondsen, alsmede op de door dergelijke fondsen aan afzonderlijke kleine en middelgrote ondernemingen verstrekte garanties, zijn de bepalingen inzake staatssteun van toepassing.

Regel 10: Leasing

1 ALGEMENE REGELS

Uitgaven gedaan in verband met leasing komen op de in de punten 2 tot en met 4 genoemde voorwaarden in aanmerking voor cofinanciering uit de structuurfondsen.

2 STEUN VIA DE LEASINGGEVER

2.1 De leasinggever is de rechtstreekse ontvanger van de communautaire cofinanciering die wordt gebruikt ter verlaging van de bedragen die bij wijze van leasingprijs door de leasingnemer moeten worden betaald voor de onder de leaseovereenkomst vallende goederen.

2.2 De leaseovereenkomst waarvoor de communautaire steun wordt verleend, moet voorzien in een koopoptie of in een minimale leasingperiode die overeenkomt met de nuttige levensduur van het geleasde goed.

2.3 De leasinggever moet zich ertoe verbinden, in geval van niet door de bevoegde autoriteiten goedgekeurde vervroegde beëindiging van de minimale leasingperiode, het deel van de communautaire subsidie dat overeenkomt met de resterende duur van de leasingperiode aan de bevoegde nationale autoriteiten terug te betalen (voor rekening van het betrokken fonds).

2.4 De voor cofinanciering in aanmerking komende uitgave is de aankoop van het goed door de leasinggever zoals deze blijkt uit een vereffende factuur of uit boekhoudbescheiden met een vergelijkbare bewijskracht. Voor communautaire cofinanciering kan geen hoger bedrag in aanmerking komen dan de marktwaarde van het geleasde goed.

2.5 Andere dan de in punt 2.4 bedoelde kosten in verband met de leasingovereenkomst (met name belastingen, winstmarge van de leasinggever, rentefinancieringskosten, overheadkosten, verzekeringskosten) zijn niet-subsidiabele uitgaven.

2.6 De aan de leasinggever betaalde communautaire steun moet volledig ten voordele van de begunstigde van de leaseovereenkomst worden gebruikt door alle gedurende de leasingperiode bij wijze van leasingprijs te betalen bedragen op uniforme wijze te verlagen.

2.7 De leasinggever moet het bewijs ervan leveren dat het voordeel van de communautaire steun volledig ten goede komt aan de leasingnemer. Daartoe moet hij de bij wijze van leasingprijs te betalen bedragen uitsplitsen of gebruikmaken van een alternatieve methode die dezelfde garantie geeft.

2.8 De in punt 2.5 bedoelde kosten, de uit de leasingoperatie voortvloeiende belastingvoordelen en de andere voorwaarden van de overeenkomst moeten dezelfde zijn als die welke gelden wanneer geen communautaire steun wordt verleend.

3 STEUN AAN DE LEASINGNEMER

3.1 De leasingnemer is de rechtstreekse ontvanger van de communautaire cofinanciering.

3.2 De voor cofinanciering in aanmerking komende uitgave is de door de leasingnemer aan de leasinggever betaalde leasingprijs zoals deze blijkt uit een vereffende factuur of uit boekhoudbescheiden met een vergelijkbare bewijskracht.

3.3 Wanneer de leasingovereenkomst voorziet in een koopoptie of in een minimale leasingperiode die overeenkomt met de nuttige levensduur van het geleasde goed, kan voor communautaire cofinanciering geen hoger bedrag in aanmerking komen dan de marktwaarde van het geleasde goed. Andere kosten in verband met de leaseovereenkomst (belasting, winstmarge van de leasinggever, rentefinancieringskosten, overheadkosten, verzekeringskosten, enz.) zijn niet-subsidiabele uitgaven.

3.4 De communautaire steun uit hoofde van de in punt 3.3 bedoelde leasingovereenkomsten wordt in één of meer termijnen aan de leasingnemer betaald op basis van de daadwerkelijk als leasingprijs betaalde bedragen. Als de leaseovereenkomst nog doorloopt na de uiterste datum waarop betalingen in het kader van de communautaire steunverlening in aanmerking kunnen worden genomen, kunnen alleen uitgaven in verband met de leasingprijs die de leasingnemer tot en met de uiterste betalingsdatum in het kader van de steunmaatregelen verschuldigd was en heeft betaald, als subsidiabel worden beschouwd.

3.5 Als de leaseovereenkomst niet in een koopoptie voorziet en de leasingperiode korter is dan de nuttige levensduur van het geleasde goed, komt de leasingprijs voor communautaire cofinanciering in aanmerking in verhouding tot de duur van de subsidiabele actie. De leasingnemer moet evenwel het bewijs kunnen leveren dat leasing de rendabelste methode was om het gebruik van het materiaal te verkrijgen. Zouden de kosten lager zijn geweest wanneer van een alternatieve methode gebruik was gemaakt (bijvoorbeeld door het materiaal te huren), dan worden de extra kosten op de subsidiabele uitgaven in mindering gebracht.

3.6 De lidstaten mogen strengere nationale regels toepassen om vast te stellen welke uitgaven overeenkomstig de punten 3.1 tot en met 3.5 subsidiabel zijn.

4 SALE EN LEASEBACK

De leasingprijs die door de leasingnemer in het kader van een sale/leaseback-operatie wordt betaald, kan een subsidiabele uitgave overeenkomstig de regels van punt 3 zijn. De aankoopkosten van het goed komen niet in aanmerking voor communautaire cofinanciering.

Regel 11: Kosten voor het beheer en de tenuitvoerlegging van de structuurfondsen

1 ALGEMENE REGELS

De kosten die voor de lidstaten voortvloeien uit het beheer en de uitvoering van, alsmede uit het toezicht en de controle op de structuurfondsen komen, tenzij dit in punt 2 anders is bepaald en zij binnen de in punt 2.1 vermelde categorieën vallen, niet in aanmerking voor cofinanciering.

2 VOOR COFINANCIERING IN AANMERKING KOMENDE CATEGORIEËN UITGAVEN VOOR BEHEER, UITVOERING, TOEZICHT EN CONTROLE

2.1 Overeenkomstig de in de punten 2.2 tot en met 2.7 omschreven voorwaarden komen de volgende uitgavencategorieën in het kader van de steunverlening in aanmerking voor cofinanciering:

- uitgaven voor de voorbereiding, de selectie en de beoordeling van, en het toezicht op de steunverlening en de acties (maar met uitzondering van uitgaven voor de aanschaf en installatie van computersystemen voor beheer, toezicht en evaluatie);

- uitgaven voor vergaderingen van de toezichtcomités en subcomités in verband met de tenuitvoerlegging van de steun. Deze uitgaven kunnen ook de kosten omvatten van deskundigen en andere deelnemers aan deze comités, onder wie deelnemers die uit een derde land afkomstig zijn, wanneer de persoon die dergelijke comités voorzit hun aanwezigheid voor de doeltreffende tenuitvoerlegging van de steun noodzakelijk acht;

- uitgaven voor audits en controles ter plaatse van de acties.

2.2 Uitgaven voor salarissen, waaronder sociale-zekerheidsbijdragen, komen alleen in de volgende gevallen in aanmerking voor cofinanciering:

a) ambtenaren of andere overheidsfunctionarissen die door een met schriftelijke bewijsstukken te staven besluit van de bevoegde autoriteit zijn gedetacheerd om de in punt 2.1 bedoelde taken uit te voeren;

b) ander personeel dat aangesteld is om de in punt 2.1 bedoelde taken uit te voeren.

Het tijdvak van de detachering of van het dienstverband mag de in de beschikking waarbij de steunverlening werd goedgekeurd vastgestelde einddatum voor de subsidiabiliteit van de uitgaven niet overschrijden.

2.3 De bijdrage van de structuurfondsen aan de in punt 2.1 bedoelde uitgaven wordt beperkt tot een maximumbedrag dat wordt vastgesteld in de door de Commissie goedgekeurde steunmaatregelen en mag de in de punten 2.4 en 2.5 vermelde maxima niet overschrijden.

2.4 Voor alle steunmaatregelen, uitgezonderd communautaire initiatieven, het speciale Peace II-programma en innovatieve acties, is het maximum gelijk aan de som van de volgende bedragen:

- 2,5 % van het gedeelte van de totale bijdrage van de structuurfondsen tot en met 100 miljoen EUR;

- 2 % van het gedeelte van de totale bijdrage van de structuurfondsen tussen 100 miljoen en 500 miljoen EUR;

- 1 % van het gedeelte van de totale bijdrage van de structuurfondsen tussen 500 miljoen en 1 miljard EUR;

- 0,5 % van het gedeelte van de totale bijdrage van de structuurfondsen boven de 1 miljard EUR.

2.5 Voor de communautaire initiatieven, de innovatieve acties en het speciale Peace II-programma bedraagt het maximum 5 % van de totale bijdrage van de structuurfondsen. Wanneer verscheidene lidstaten aan dergelijke steunmaatregelen deelnemen, kan dit maximum worden verhoogd om rekening te houden met de hogere beheers- en uitvoeringskosten en wordt dit maximum in de beschikking van de Commissie vastgesteld.

2.6 Voor de berekening van het bedrag van de in de punten 2.4 en 2.5 aangegeven maxima, geldt als totale bijdrage van de structuurfondsen het totaal dat in ieder door de Commissie goedgekeurd pakket steunmaatregelen is vastgesteld.

2.7 De Commissie en de lidstaten komen overeen de punten 2.1 tot en met 2.6 van deze regel ten uitvoer te leggen. Dit wordt in het pakket steunmaatregelen vastgelegd. Het bijdragepercentage wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 29, lid 7, van de algemene verordening. Wat het toezicht betreft, moet voor de in punt 2.1 bedoelde kosten een afzonderlijke maatregel of submaatregel in het pakket voor technische bijstand worden opgenomen.

3 ANDERE UITGAVEN IN HET KADER VAN DE TECHNISCHE BIJSTAND

De in de punten 2.4 tot en met 2.6 genoemde voorwaarden gelden niet voor andere dan de in punt 2 bedoelde acties die in het kader van de technische bijstand kunnen worden gecofinancierd (zoals studies, studiebijeenkomsten, voorlichtingsacties, evaluaties en de uitgaven voor de aanschaf en installatie van computersystemen voor beheer, toezicht en evaluatie). Uitgaven voor de salarissen van ambtenaren of andere overheidsfunctionarissen die dergelijke acties uitvoeren, komen niet in aanmerking voor cofinanciering.

4 UITGAVEN VAN OVERHEIDSDIENSTEN DIE BETREKKING HEBBEN OP DE UITVOERING VAN DE ACTIES

De volgende uitgaven van overheidsdiensten komen in aanmerking voor cofinanciering, wanneer zij betrekking hebben op de uitvoering van een actie en mits zij niet voortvloeien uit de wettelijke verantwoordelijkheden van de overheidsinstantie of uit de dagelijkse beheers-, toezicht- en controleopdrachten van de instantie, op andere wijze dan via technische bijstand:

a) de kosten van beroepsdiensten die door een overheidsdienst worden verleend in het kader van de uitvoering van een actie. Deze kosten moeten hetzij worden gefactureerd aan een "openbare of particuliere" eindbegunstigde, hetzij worden aangetoond aan de hand van bescheiden met gelijkwaardige bewijskracht die het mogelijk maken de door de betrokken overheidsdienst voor die actie betaalde werkelijke kosten te bepalen;

b) kosten voor de uitvoering van een actie, wanneer uitgaven die verband houden met dienstverlening, ten laste van een overheidsdienst die de eindbegunstigde van de steun is en zelf een actie of project voor eigen rekening uitvoert zonder een beroep op een extern ingenieurs- of ander bedrijf te doen. De betrokken uitgaven moeten verband houden met daadwerkelijk en rechtstreeks voor de gecofinancierde actie betaalde kosten en moeten worden aangetoond aan de hand van bescheiden die het mogelijk maken de door de betrokken overheidsdienst voor die actie betaalde werkelijke kosten te bepalen.

Regel 12: Subsidiabiliteit van de uitgaven op grond van de plaats van de actie

1 ALGEMENE REGELS

In het algemeen geldt dat door de structuurfondsen gecofinancierde acties moeten worden uitgevoerd in de regio waarop de steunverlening betrekking heeft.

2 UITZONDERING

2.1 Als de regio waarop de steunverlening betrekking heeft het volledige of gedeeltelijke voordeel geniet van een actie die buiten die regio plaatsheeft, kan de actie door de beheersautoriteit voor cofinanciering in aanmerking worden genomen, mits is voldaan aan alle in de punten 2.2 tot en met 2.4 vastgestelde voorwaarden. In andere gevallen is de procedure van punt 3 van toepassing om vast te stellen of een actie in aanmerking komt voor cofinanciering. Voor acties die in het kader van het Financieringsinstrument voor de Oriëntatie van de Visserij (FIOV) worden gefinancierd, moet de procedure van punt 3 altijd worden gevolgd.

2.2 De actie moet plaatsvinden in een NUTS III-gebied van de lidstaat, die onmiddellijk grenst aan de regio waarop de steun betrekking heeft.

2.3 Het maximale voor cofinanciering in aanmerking te nemen bedrag aan uitgaven van de actie wordt berekend in verhouding tot de voordelen voor de regio die van de actie worden verwacht en moet worden gebaseerd op een beoordeling door een onafhankelijke instantie. Bij de vaststelling van de voordelen moet rekening worden gehouden met de specifieke doelstellingen van de steun en het verwachte effect ervan. De actie kan niet voor cofinanciering in aanmerking worden genomen wanneer het aandeel van de voordelen lager ligt dan 50 %.

2.4 De overeenkomstig punt 2.1 voor cofinanciering in aanmerking genomen uitgaven van de acties mogen voor elke steunmaatregel niet meer bedragen dan 10 % van de totale voor cofinanciering in aanmerking komende uitgaven voor de desbetreffende maatregel. Bovendien mogen de overeenkomstig punt 2.1 voor cofinanciering in aanmerking komende uitgaven van alle steunmaatregelen niet meer bedragen dan 5 % van de totale voor cofinanciering in aanmerking komende uitgaven voor het desbetreffende pakket steunmaatregelen.

2.5 De acties die door de beheersautoriteit op grond van punt 2.1 worden aanvaard, moeten in het jaar- en eindverslag over de uitvoering van de steun worden vermeld.

3 ANDERE ZAKEN

Acties die worden uitgevoerd buiten de regio waarop de steun betrekking heeft, maar die niet voldoen aan de voorwaarden van punt 2, en acties die in het kader van het FIOV worden gefinancierd, komen alleen in aanmerking voor cofinanciering nadat de Commissie daaraan op grond van een door de lidstaat ingediend verzoek van geval tot geval haar uitdrukkelijke goedkeuring heeft gehecht, rekening houdend in het bijzonder met de plaats waar de actie plaatsheeft, het voordeel dat voor de regio kan worden verwacht en het bedrag van de uitgaven in verhouding tot de totale uitgaven voor de steunmaatregel en het totale pakket. In het geval van steun die betrekking heeft op de buitenste regio's, is de procedure van dit punt van toepassing.

(1) PB L 145 van 13.6.1977, blz. 1.

(2) PB L 107 van 30.4.1996, blz. 4.

(3) PB C 288 van 9.10.1999, blz. 2.

BIJLAGE II

Concordantietabel

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Top