Help Print this page 
Title and reference
Verordening (EG) nr. 2277/2003 van de Commissie van 22 december 2003 tot wijziging van de bijlagen I en II van Verordening (EEG) nr. 2092/91 van de Raad inzake de biologische productiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwproducten en levensmiddelen (Voor de EER relevante tekst)

OJ L 336, 23.12.2003, p. 68–74 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
Special edition in Czech: Chapter 15 Volume 007 P. 685 - 691
Special edition in Estonian: Chapter 15 Volume 007 P. 685 - 691
Special edition in Latvian: Chapter 15 Volume 007 P. 685 - 691
Special edition in Lithuanian: Chapter 15 Volume 007 P. 685 - 691
Special edition in Hungarian Chapter 15 Volume 007 P. 685 - 691
Special edition in Maltese: Chapter 15 Volume 007 P. 685 - 691
Special edition in Polish: Chapter 15 Volume 007 P. 685 - 691
Special edition in Slovak: Chapter 15 Volume 007 P. 685 - 691
Special edition in Slovene: Chapter 15 Volume 007 P. 685 - 691
Special edition in Bulgarian: Chapter 15 Volume 010 P. 126 - 132
Special edition in Romanian: Chapter 15 Volume 010 P. 126 - 132
Languages, formats and link to OJ
Multilingual display
Text

32003R2277

Verordening (EG) nr. 2277/2003 van de Commissie van 22 december 2003 tot wijziging van de bijlagen I en II van Verordening (EEG) nr. 2092/91 van de Raad inzake de biologische productiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwproducten en levensmiddelen (Voor de EER relevante tekst)

Publicatieblad Nr. L 336 van 23/12/2003 blz. 0068 - 0074


Verordening (EG) nr. 2277/2003 van de Commissie

van 22 december 2003

tot wijziging van de bijlagen I en II van Verordening (EEG) nr. 2092/91 van de Raad inzake de biologische productiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwproducten en levensmiddelen

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 2092/91 van de Raad van 24 juni 1991 inzake de biologische productiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwproducten en levensmiddelen(1), en met name op artikel 13, tweede streepje,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) De lijsten met voedermiddelen, toevoegingsmiddelen in diervoeding, bepaalde in diervoeding gebruikte producten en technische hulpmiddelen voor diervoeders, zoals vastgelegd in bijlage II, delen C en D, van Verordening (EEG) nr. 2092/91 zijn overeenkomstig bijlage I, deel B, punt 4.15, van die verordening herzien.

(2) Aan bepaalde traditionele voedermiddelen van plantaardige oorsprong heeft de biologische landbouw in de Gemeenschap geen behoefte meer. De meeste traditionele voedermiddelen, en met name bepaalde eiwithoudende gewassen, zijn echter nog steeds onmisbaar, ten minste in enkele lidstaten. Bovendien zijn de traditionele bijproducten van melk nog steeds noodzakelijk voor de biologische landbouw en is er behoefte aan extra voedermiddelen van minerale oorsprong voor het welzijn van via de biologische productiemethode gehouden dieren.

(3) Het gebruik van bepaalde conserveermiddelen is bij biologische landbouw alleen toegestaan als toevoegingsmiddel voor kuilvoer. In sommige lidstaten is het gebruik van die stoffen echter vereist voor het beschermen van gewassen. Bovendien zijn om technische redenen extra toevoegingsmiddelen noodzakelijk uit de categorie bindmiddelen, verdunningsmiddelen en stollingsmiddelen.

(4) De lijsten met voedermiddelen en toevoegingsmiddelen in veevoeding moeten dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(5) De regels voor de biologische veeteelt zijn pas recentelijk geharmoniseerd. Het beschikbare genetische materiaal van via de biologische productiemethode gehouden diersoorten is nog klein. Wat pluimvee betreft, omvatten de productiemethoden bovendien verschillende stadia die gewoonlijk door gespecialiseerde sectoren worden beheerd. Vanwege de complexiteit van deze methoden is nog in geen enkele lidstaat een volledig biologische productieketen voor pluimvee tot stand gebracht. Om te zorgen voor voldoende biodiversiteit onder via de biologische productiemethode gehouden dieren en om de ontwikkeling van de biologische veeteelt te vergemakkelijken, moet de overgangsperiode waarin traditionele dieren in de biologische landbouw mogen worden gebruikt, worden verlengd.

(6) Ter aanvulling op de natuurlijke groei en voor het vernieuwen van een veestapel of bestand moet bijzondere aandacht worden besteed aan traditionele rassen die voor de landbouw verloren dreigen te gaan.

(7) Een van de beginselen van de biologische landbouw is het waarborgen van een verband tussen veeteelt en akkerbouw. Voor het voederen van via de biologische productiemethode gehouden dieren moet in de eerste plaats gebruik worden gemaakt van voeder van de eenheid zelf of, indien dit niet mogelijk is, van voeder dat wordt geproduceerd in samenwerking met andere biologische landbouwondernemingen.

(8) De bijlagen I en II van Verordening (EEG) nr. 2092/91 moeten derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(9) De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EEG) nr. 2092/91 ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlagen I en II van Verordening (EEG) nr. 2092/91 worden overeenkomstig de bijlage bij de onderhavige verordening gewijzigd.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 22 december 2003.

Voor de Commissie

Franz Fischler

Lid van de Commissie

(1) PB L 198 van 22.7.1991, blz.. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 806/2003 (PB L 122 van 16.5.2003, blz. 1).

BIJLAGE

1. Bijlage I, deel B, van Verordening (EEG) nr. 2092/91 wordt als volgt gewijzigd:

a) De tekst van punt 3.4 wordt vervangen door de volgende tekst:

"Als tweede afwijking mogen, wanneer een veestapel of bestand voor het eerst wordt samengesteld en indien er niet genoeg via de biologische productiemethode gehouden dieren verkrijgbaar zijn, onder de volgende voorwaarden niet-biologisch gehouden dieren in een biologische productie-eenheid worden binnengebracht:

- voor de eierproductie bestemde jonge hennen mogen niet ouder zijn dan 18 weken;

- voor de vleesproductie bestemd pluimvee moet jonger zijn dan drie dagen;

- jonge buffels voor de fokkerij moeten jonger zijn dan zes maanden;

- kalveren en veulens voor de fokkerij moeten worden gehouden in overeenstemming met de voorschriften van deze verordening zodra zij gespeend zijn, en zij moeten in ieder geval jonger zijn dan zes maanden;

- lammeren en geitjes voor de fokkerij moeten worden gehouden in overeenstemming met de voorschriften van deze verordening zodra zij gespeend zijn, en zij moeten in ieder geval jonger zijn dan 60 dagen;

- biggen voor de fokkerij moeten worden gehouden in overeenstemming met de voorschriften van deze verordening zodra zij gespeend zijn, en zij moeten minder wegen dan 35 kg.".

b) De tekst van punt 3.5 wordt vervangen door de volgende tekst:

"Deze afwijking, die van tevoren moet worden toegestaan door de controleautoriteit of -instantie, geldt voor een overgangsperiode die op 31 december 2004 verstrijkt.".

c) De tekst van punt 3.6 wordt vervangen door de volgende tekst:

"Als derde afwijking wordt, indien er geen via de biologische productiemethode gehouden dieren verkrijgbaar zijn, in de volgende gevallen door de controleautoriteit of -instantie toestemming verleend voor de vernieuwing of de aanvulling van de veestapel of het bestand:

a) grote sterfte onder de dieren als gevolg van gezondheidsproblemen of een ramp;

b) voor de eierproductie bestemde jonge hennen die niet ouder zijn dan 18 weken;

c) voor de vleesproductie bestemd pluimvee dat jonger is dan drie dagen en biggen van minder dan 35 kg, zodra zij gespeend zijn;

d) biggen voor de fokkerij die minder wegen dan 35 kg, zodra zij gespeend zijn.

De gevallen onder b), c) en d) worden toegestaan voor een overgangsperiode die op 31 december 2004 verstrijkt.".

d) De tekst van punt 3.10 wordt vervangen door de volgende tekst:

"Op advies en met instemming van de controleautoriteit of -instantie mogen die percentages in de volgende bijzondere gevallen tot maximaal 40 % worden verhoogd:

- een aanzienlijke bedrijfsuitbreiding;

- verandering van ras;

- opzet van een nieuwe tak van veehouderij;

- wanneer rassen voor de landbouw verloren dreigen te gaan. Dieren van deze soorten hoeven niet noodzakelijk nullipara te zijn.".

e) De tekst van punt 4.3 wordt vervangen door de volgende tekst:

"Voorts moeten de dieren worden gehouden volgens de voorschriften van deze bijlage met gebruikmaking van voeder van de eenheid zelf of, indien dit niet mogelijk is, van voeder van andere eenheden of ondernemingen die aan deze verordening onderworpen zijn. Bovendien moet het voeder voor herbivoren, behalve tijdens de jaarlijkse transhumanceperiode van de dieren, voor ten minste 50 % van de eenheid zelf afkomstig zijn of, als dit niet mogelijk is, in samenwerking met andere biologische landbouwondernemingen worden geproduceerd.".

f) De tekst van punt 4.8 wordt vervangen door de volgende tekst:

"In afwijking van het bepaalde in punt 4.2 en gedurende een overgangsperiode die op 24 augustus 2005 afloopt, is het gebruik van een beperkt percentage traditionele diervoeders toegestaan als de landbouwer ten genoegen van de controle-instantie of -organisatie van de lidstaat heeft aangetoond dat er onvoldoende biologisch geproduceerde voeders beschikbaar zijn. Het maximaal per jaar toegestane percentage traditionele diervoeders is 10 % voor herbivoren en 20 % voor andere soorten. Deze percentages worden jaarlijks berekend als percentage van de droge stof van diervoeders van agrarische oorsprong. Het maximaal toegestane percentage traditionele voeders in het dagrantsoen moet, behalve tijdens de jaarlijkse transhumanceperiode van de dieren, berekend als percentage van de droge stof, 25 % bedragen.".

g) Punt 4.10 wordt geschrapt.

h) De tekst van punt 4.17 wordt vervangen door de volgende tekst:

"Alleen de producten die zijn opgenomen in bijlage II, deel D, punten 1.3 (Enzymen), 1.4 (Micro-organismen), 1.5 (Conserveermiddelen), 1.6 (Bindmiddelen, verdunnings- en stollingsmiddelen), 1.7 (Antioxidantia), 1.8 (Toevoegingsmiddelen voor kuilvoer), 2 (Bepaalde in diervoeding gebruikte producten) en 3 (Technische hulpmiddelen voor diervoeders) mogen in diervoeding worden gebruikt voor de met betrekking tot bovenstaande categorieën vermelde doelen. Antibiotica, coccidiostatica, medicinale stoffen, groeibevorderaars en andere stoffen die ten doel hebben de groei of de productie te bevorderen, mogen niet in diervoeding gebruikt worden.".

2. De tekst van bijlage II, deel C, van Verordening (EEG) nr. 2092/91 wordt vervangen door de volgende tekst:

"1. Voedermiddelen van plantaardige oorsprong

1.1. Granen, graankorrels en daarvan afgeleide producten en bijproducten. Deze categorie omvat uitsluitend de volgende stoffen:

Haverkorrels, havervlokken, havervoermeel, haverschillen en haverzemelgrint; gerstekorrels, gersteiwit en gerstevoermeel; rijstkiemkoek; gierstkorrels; roggekorrels en roggevoermeel; sorghumkorrels; tarwekorrels, tarwevoermeel, tarwezemelgrint, tarweglutenvoer, tarwegluten en tarwekiemen; speltkorrels; triticalekorrels; maïskorrels, maïszemelgrint, maïsvoermeel, maïskiemkoek en maïsgluten; moutkiemen; bierbostel.

1.2. Oliehoudende zaden, oliehoudende vruchten en daarvan afgeleide producten en bijproducten. Deze categorie omvat uitsluitend de volgende stoffen:

Kool- en raapzaad, kool- en raapzaadkoek, kool- en raapzaadschillen; sojabonen, getoaste sojabonen, sojabonenkoeken en sojabonenschillen; zonnebloemzaad en zonnebloemkoek; katoenzaad en katoenzaadkoek; lijnzaad en lijnzaadkoek; sesamkoek; palmpitkoek; pompoenzaadkoek; olijven, olijfpulpkoek; plantaardige oliën (uit fysieke extractie verkregen).

1.3. Zaden van peulvruchten en daarvan afgeleide producten en bijproducten. Deze categorie omvat uitsluitend de volgende stoffen:

Sissererwtenzaad, sissererwtenmeel en sissererwtenzemelen; linzenwikkezaad, linzenwikkemeel en linzenwikkezemelen; zaailathyruszaad na een hittebehandeling, zaailathyrusmeel en zaailathyruszemelen; erwtenzaad, erwtenmeel en erwtenzemelen; tuinboonzaad, tuinboonmeel en tuinboonzemelen; paardebonenzaad, paardebonenmeel en paardebonenzemelen; wikkezaad, wikkemeel en wikkezemelen en lupinezaad, lupinemeel en lupinezemelen.

1.4. Knollen en wortels en daarvan afgeleide producten en bijproducten. Deze categorie omvat uitsluitend de volgende stoffen:

Suikerbietenpulp, aardappels, knollen van zoete aardappels, aardappelvezels (bijproduct van de extractie van aardappelzetmeel), aardappelzetmeel, aardappeleiwit en maniok.

1.5. Overige zaden en vruchten en daarvan afgeleide producten en bijproducten. Deze categorie omvat uitsluitend de volgende stoffen:

Johannesbrood, peulen van johannesbrood en meel daarvan, pompoenen, citruspulp; appelen, kweeperen, peren, perziken, vijgen, druiven en pulp daarvan; walnoten, walnootkoek, hazelnootkoek; cacaodoppen en cacaokoek; eikels.

1.6. Voedergewassen en ruwvoedergewassen. Deze categorie omvat uitsluitend de volgende stoffen:

Luzerne, luzernemeel; klaver, klavermeel, gras (verkregen uit voedergewassen), grasmeel, hooi, kuilgras, van graan afkomstig stro en wortelknollen van voedergewassen.

1.7. Overige planten en daarvan afgeleide producten en bijproducten. Deze categorie omvat uitsluitend de volgende stoffen:

Melasse, zeewiermeel (verkregen door het drogen en malen van zeewier dat is gewassen om het jodiumgehalte te verlagen), poeders en extracten van planten, eiwithoudende extracten van planten (uitsluitend bestemd voor jonge dieren), kruiden en specerijen.

1.8. Het gebruik van de volgende voedermiddelen is toegestaan tot en met 30 juni 2004: rijstkorrels, gebroken rijst, rijstvoermeel, roggegries, roggezemelgrint, kool- en raapzaadkoek, kool- en raapzaadschillen, tapioca.

2. Voedermiddelen van dierlijke oorsprong

2.1. Melk en melkproducten. Deze categorie omvat uitsluitend de volgende producten:

Rauwe melk zoals omschreven in artikel 2 van Richtlijn 92/46/EEG van de Raad(1), melkpoeder, magere melk, mageremelkpoeder, karnemelk, karnemelkpoeder, wei, weipoeder, suikerarme weipoeder, eiwithoudende weipoeder (geëxtraheerd door fysische behandeling), caseïnepoeder, lactosepoeder, wrongel en zure melk.

2.2. Vis, andere zeedieren en daarvan afgeleide producten en bijproducten. Deze categorie omvat uitsluitend de volgende producten:

Vis, visolie en levertraan, niet geraffineerd; langs enzymatische weg verkregen autolysaten, hydrolysaten en proteolysaten van vis, weekdieren of schelpdieren, al dan niet oplosbaar, alleen te verstrekken aan jonge dieren; vismeel.

2.3. Eieren en eierproducten als pluimveevoeder, bij voorkeur van hetzelfde bedrijf afkomstig.

3. Voedermiddelen van minerale oorsprong

Deze categorie omvat uitsluitend de volgende stoffen:

Natrium:

Ongeraffineerd zeezout

Ruw steenzout uit mijnen

Natriumsulfaat

Natriumcarbonaat

Natriumbicarbonaat

Natriumchloride

Kalium:

Kaliumchloride

Calcium:

Roodwier en kalkwier

Schelpen van waterdieren (ook sepiabeen)

Calciumcarbonaat

Calciumlactaat

Calciumgluconaat

Fosfor:

Gedefluorideerd dicalciumfosfaat

Gedefluorideerd monocalciumfosfaat

Mononatriumfosfaat

Calciummagnesiumfosfaat

Calciumnatriumfosfaat

Magnesium:

Magnesiumoxide (watervrije magnesia)

Magnesiumsulfaat

Magnesiumchloride

Magnesiumcarbonaat

Magnesiumfosfaat

Zwavel:

Natriumsulfaat

Bicalciumfosfaten zijnde precipitaten van beenderen mogen worden gebruikt tot en met 30 juni 2004."

3. De tekst van bijlage II, deel D, van Verordening (EEG) nr. 2092/91 wordt vervangen door de volgende tekst:

"1. Toevoegingsmiddelen in diervoeding

1.1. Spoorelementen. Deze categorie omvat uitsluitend de volgende stoffen:

E1 IJzer:

IJzer(II)carbonaat

IJzer(II)sulfaat, monohydraat en/of heptahydraat

IJzer(III)oxide

E2 Jodium:

Calciumjodaat, watervrij

Calciumjodaat, hexahydraat

Natriumjodide

E3 Kobalt:

Kobalt(II)sulfaat, monohydraat en/of heptahydraat

Basisch kobalt(II)sulfaat, monohydraat

E4 Koper:

Koper(II)oxide

Basisch koper(II)carbonaat, monohydraat

Koper(II)sulfaat, pentahydraat

E5 Mangaan:

Mangaan(II)carbonaat

Mangaan(II) en mangaan(III)oxide

Mangaan(II)sulfaat, mono- en/of tetrahydraat

E6 Zink:

Zinkcarbonaat

Zinkoxide

Zinksulfaat, monohydraat en/of heptahydraat

E7 Molybdeen:

Ammoniummolybdaat, natriummolybdaat

E8 Selenium:

Natriumselenaat

Natriumseleniet

1.2. Vitaminen, provitaminen en in chemische termen gedefinieerde stoffen met een gelijkaardige werking. Deze categorie omvat uitsluitend de volgende stoffen:

Vitaminen die zijn toegestaan krachtens Richtlijn 70/524/EEG van de Raad(2).

- Bij voorkeur afgeleid van grondstoffen die van nature in voeders voorkomen, dan wel

- synthetische vitamines die identiek zijn aan natuurlijke vitamines, enkel bestemd voor dieren met één maag.

In afwijking van het bepaalde in de eerste alinea en gedurende een overgangsperiode die op 31 december 2005 afloopt, mag de bevoegde autoriteit van elke lidstaat het gebruik van de synthetische vitaminen A, D en E in voeder voor herkauwers toestaan voorzover aan de volgende voorwaarden is voldaan:

- De betrokken synthetische vitaminen zijn identiek aan de natuurlijke vitaminen en

- de door de lidstaat verleende toestemming is gebaseerd op nauwkeurige criteria en wordt aan de Commissie gemeld.

Veehouders kunnen alleen van deze toestemming gebruikmaken als zij ten genoegen van de controle-instantie of organisatie van de lidstaat hebben aangetoond dat de gezondheid en het welzijn van hun dieren zonder gebruikmaking van deze synthetische vitaminen niet kan worden gegarandeerd.

1.3. Enzymen. Deze categorie omvat uitsluitend de volgende stoffen:

Enzymen die zijn toegestaan krachtens Richtlijn 70/524/EEG.

1.4. Micro-organismen. Deze categorie omvat uitsluitend de volgende micro-organismen:

Micro-organismen die zijn toegestaan krachtens Richtlijn 70/524/EEG.

1.5. Conserveermiddelen. Deze categorie omvat uitsluitend de volgende stoffen:

E 200 E 200 Sorbinezuur

E 236 E 236 Mierenzuur

E 260 E 260 Azijnzuur

E 270 E 270 Melkzuur

E 280 E 280 Propionzuur

E 330 E 330 Citroenzuur

Melkzuur, mierenzuur, propionzuur en azijnzuur mogen bij de productie van kuilvoer alleen worden gebruikt indien de weersomstandigheden belemmeren dat de juiste fermentatie optreedt.

1.6. Bindmiddelen, verdunningsmiddelen en stollingsmiddelen. Deze categorie omvat uitsluitend de volgende stoffen:

E 470 E 470 Calciumstearaat van natuurlijke oorsprong

E 551b E 551b Coloïdale siliciumdioxide

E 551c E 551c Diatomeenaarde

E 558 E 558 Bentoniet

E 559 E 559 Kaoliniethoudende klei

E 560 E 560 Natuurlijke mengsels van stearaten en chloriet

E 561 E 561 Vermiculiet

E 562 E 562 Sepioliet

E 599 E 599 Perliet.

1.7. Antioxidantia. Deze categorie omvat uitsluitend de volgende stoffen:

E 306 E 306 Tocoferolrijke extracten van natuurlijke oorsprong.

1.8. Toevoegingsmiddelen voor kuilvoer. Deze categorie omvat uitsluitend de volgende stoffen:

Met ingang van 19 oktober 2004, de op grond van Verordening (EG) nr. 1831/2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding toegestane enzymen, gisten en bacteriën.

2. Bepaalde in diervoeding gebruikte producten

Deze categorie omvat uitsluitend de volgende producten:

Biergisten.

3. Technische hulpmiddelen voor diervoeders

3.1. Technische hulpmiddelen voor de bereiding van kuilvoer. Deze categorie omvat de volgende stoffen:

- Zeezout, ruw steenzout uit mijnen, wei, suiker, suikerbietenpulp, tarwemeel en melasse.

- Tot en met 18 oktober 2004 enzymen, gisten, melkzuur-, azijnzuur-, mierenzuur- en propionzuurbacteriën."

(1) PB L 268 van 14.9.1992, blz. 1.

(2) PB L 270 van 14.12.1970, blz. 1. Richtlijn 70/524/EEG wordt ingetrokken met ingang van 19 oktober 2004. Vanaf die datum is Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29) van toepassing.

Top