Help Print this page 

Document 32003L0087

Title and reference
Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (Voor de EER relevante tekst)
  • In force
OJ L 275, 25.10.2003, p. 32–46 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
Special edition in Czech: Chapter 15 Volume 007 P. 631 - 646
Special edition in Estonian: Chapter 15 Volume 007 P. 631 - 646
Special edition in Latvian: Chapter 15 Volume 007 P. 631 - 646
Special edition in Lithuanian: Chapter 15 Volume 007 P. 631 - 646
Special edition in Hungarian Chapter 15 Volume 007 P. 631 - 646
Special edition in Maltese: Chapter 15 Volume 007 P. 631 - 646
Special edition in Polish: Chapter 15 Volume 007 P. 631 - 646
Special edition in Slovak: Chapter 15 Volume 007 P. 631 - 646
Special edition in Slovene: Chapter 15 Volume 007 P. 631 - 646
Special edition in Bulgarian: Chapter 15 Volume 010 P. 78 - 93
Special edition in Romanian: Chapter 15 Volume 010 P. 78 - 93
Special edition in Croatian: Chapter 15 Volume 009 P. 28 - 42

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2003/87/oj
Multilingual display
Text

25.10.2003   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 275/32


RICHTLIJN 2003/87/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 13 oktober 2003

tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name artikel 175, lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (3),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (4),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het groenboek over de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Europese Unie heeft in geheel Europa een discussie op gang gebracht over de geschiktheid en de eventuele werking van handel in broeikasgasemissierechten binnen de Europese Unie. In het Europees Programma inzake klimaatverandering worden communautaire beleidslijnen en maatregelen overwogen die berusten op een proces waarbij veel belanghebbenden betrokken zijn, waaronder een regeling voor handel in broeikasgasemissierechten in de Gemeenschap („de Gemeenschapsregeling”), die op het groenboek gebaseerd is. In zijn conclusies van 8 maart 2001 erkent de Raad het bijzondere belang van het Programma inzake klimaatverandering en het werk dat op het groenboek gebaseerd is, en onderstreept hij de dringende noodzaak van concrete acties op communautair niveau.

(2)

In het zesde milieuactieprogramma van de Gemeenschap, vastgesteld bij Beschikking nr. 1600/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad (5), wordt klimaatverandering aangemerkt als een prioriteit waarvoor maatregelen moeten worden genomen en wordt voorzien in de invoering van een voor de gehele Gemeenschap geldende regeling voor de handel in emissierechten voor 2005. In dit programma wordt erkend dat de Gemeenschap gehouden is in de periode van 2008 tot en met 2012 8 % minder broeikasgassen uit te stoten dan in 1990, en dat, op de langere termijn, de mondiale emissies van broeikasgassen ten opzichte van 1990 met circa 70 % moeten worden verminderd.

(3)

Het uiteindelijke doel van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering, goedgekeurd bij Besluit 94/69/EG van de Raad van 15 december 1993 betreffende het sluiten van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (6), is het bewerkstelligen van een stabilisering van de concentraties van broeikasgassen in de atmosfeer op een niveau waarop gevaarlijke antropogene verstoring van het klimaatsysteem wordt voorkomen.

(4)

Het Protocol van Kyoto, goedgekeurd bij Beschikking 2002/358/EG van de Raad van 25 april 2002 betreffende de goedkeuring, namens de Europese Gemeenschap, van het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering en de gezamenlijke nakoming van de in dat kader aangegane verplichtingen (7), zal, zodra het in werking is getreden, de Gemeenschap en haar lidstaten ertoe verplichten hun gezamenlijke antropogene emissies van de in bijlage A bij het protocol genoemde broeikasgassen in de periode van 2008 tot en met 2012 ten opzichte van 1990 met 8 % te verlagen.

(5)

De Gemeenschap en haar lidstaten zijn overeengekomen gezamenlijk aan hun verplichtingen uit hoofde van het Protocol van Kyoto betreffende de reductie van de antropogene broeikasgasemissies te voldoen, overeenkomstig Beschikking 2002/358/EG. De richtlijn draagt ertoe bij dat de Europese Gemeenschap en haar lidstaten door middel van een efficiënte Europese markt voor broeikasgasemissierechten doeltreffender en met een zo gering mogelijke teruggang van de economische ontwikkeling en de werkgelegenheid aan hun verplichtingen voldoen.

(6)

Beschikking 93/389/EEG van de Raad van 24 juni 1993 inzake een bewakingssysteem voor de uitstoot van CO2 en andere broeikasgassen (8) voorziet in een systeem voor de bewaking van de broeikasgasemissies en de evaluatie van de vorderingen die worden gemaakt met de nakoming van de met betrekking tot deze emissies aangegane verplichtingen. Met dit systeem zullen de lidstaten de totale hoeveelheid van toe te wijzen rechten kunnen vaststellen.

(7)

Gemeenschapsbepalingen inzake de toewijzing van emissierechten door de lidstaten zijn noodzakelijk om de eenheid van de interne markt te helpen bewaren en concurrentieverstoring te voorkomen.

(8)

Bij de toewijzing van rechten dienen de lidstaten rekening te houden met de mogelijkheden om de uitstoot als gevolg van industriële activiteiten te verminderen.

(9)

De lidstaten kunnen bepalen dat zij aan personen voor geannuleerde emissierechten slechts emissierechten voor een periode van vijf jaar — te beginnen in 2008 — toekennen die overeenkomen met de emissiereducties welke die personen op het nationale grondgebied hebben bereikt tijdens een periode van drie jaar, te beginnen in 2005.

(10)

Met ingang van de bedoelde periode van vijf jaar moet bij overdrachten van emissierechten naar een andere lidstaat een daarmee overeenstemmende aanpassing van de overeenkomstig het Protocol van Kyoto toegewezen hoeveelheid plaatsvinden.

(11)

De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat exploitanten van bepaalde activiteiten een vergunning voor broeikasgasemissies bezitten en hun emissies van in verband met deze activiteiten gespecificeerde broeikasgassen bewaken en rapporteren.

(12)

De lidstaten dienen regels vast te stellen inzake de sancties die van toepassing zijn op schendingen van de bepalingen van deze richtlijn en zorgen ervoor dat zij worden toegepast. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

(13)

Ter wille van de transparantie heeft het publiek toegang tot informatie over de toewijzing van emissierechten en de resultaten van de emissiebewaking, slechts onder voorbehoud van de beperkingen opgenomen in Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 28 januari 2003 inzake de vrije toegang tot milieu-informatie (9).

(14)

De lidstaten behoren een verslag in te dienen over de uitvoering van deze richtlijn, dat wordt opgesteld op basis van Richtlijn 91/692/EEG van de Raad van 23 december 1991 tot standaardisering en rationalisering van de verslagen over de toepassing van bepaalde richtlijnen op milieugebied (10).

(15)

Bij de opneming van verdere installaties in de Gemeenschapsregeling worden de bepalingen van deze richtlijn in acht genomen. Daarbij kan het toepassingsgebied van de Gemeenschapsregeling worden uitgebreid met emissies van andere broeikasgassen dan kooldioxide, o.a. van de aluminium- en de chemische sector.

(16)

De bepalingen van deze richtlijn beletten de lidstaten niet om nationale handelsregelingen te handhaven of in te voeren voor het reguleren van de emissie van broeikasgassen uit andere dan de in bijlage I genoemde of in de Gemeenschapsregeling opgenomen activiteiten, of van installaties die tijdelijk uitgesloten zijn van de Gemeenschapsregeling.

(17)

De lidstaten kunnen deelnemen aan internationale emissierechtenhandel als partijen bij het Protocol van Kyoto met iedere andere in bijlage B bij het protocol genoemde partij.

(18)

Een koppeling tussen de Gemeenschapsregeling en regelingen voor de handel in broeikasgasemissierechten in derde landen zal leiden tot een hogere kosteneffectiviteit van de verwezenlijking van de communautaire doelstelling van emissiereductie die is vastgelegd in Besluit 2002/358/EG over de gezamenlijke nakoming van de verplichtingen.

(19)

Op projecten gebaseerde mechanismen — waaronder gemeenschappelijke uitvoering (JI) en het mechanisme voor schone ontwikkeling (CDM) — zijn belangrijk om de doelstellingen van reductie van de wereldwijde broeikasgasemissies en verbetering van de kosteneffectieve werking van de Gemeenschapsregeling te bereiken. Overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van het Protocol van Kyoto en de Akkoorden van Marrakesj dient het gebruik van deze mechanismen een aanvulling te vormen op het binnenlandse optreden, zodat het binnenlandse optreden een aanzienlijk aandeel zal hebben in de geleverde inspanning.

(20)

Met deze richtlijn wordt beoogd het gebruik te bevorderen van energiezuiniger technologieën, waaronder warmtekrachtkoppeling, waarmee de uitstoot per eenheid output wordt verminderd, terwijl de toekomstige richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de bevordering van warmtekrachtkoppeling op basis van vraag naar nuttige warmte binnen de interne energiemarkt in het bijzonder de warmtekrachtkoppeling zal bevorderen.

(21)

Richtlijn 96/61/EG van de Raad van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (11) geeft een algemene kaderregeling inzake de preventie en bestrijding van verontreiniging, waarbinnen vergunningen voor broeikasgasemissies kunnen worden verleend. Richtlijn 96/61/EG dient aldus te worden gewijzigd, dat er geen emissiegrenswaarden worden vastgesteld voor de directe broeikasgasemissies van een installatie die onder deze richtlijn valt, en dat de lidstaten ervoor kunnen kiezen om geen voorschriften inzake energie-efficiëntie op te leggen voor verbrandingsinstallaties en andere installaties die ter plaatse kooldioxide uitstoten, onverminderd andere eisen uit hoofde van Richtlijn 96/61/EG.

(22)

Deze richtlijn is verenigbaar met het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering en het Protocol van Kyoto. Zij zal worden geëvalueerd in het licht van de ontwikkelingen op dit gebied en om rekening te houden met de bij de uitvoering opgedane ervaring en de met de bewaking van de broeikasgasemissies gemaakte vorderingen.

(23)

De handel in emissierechten zou deel moeten uitmaken van een alomvattend, samenhangend pakket van beleidslijnen en maatregelen die door de lidstaten en op Gemeenschapsniveau worden uitgevoerd. Onverminderd de artikelen 87 en 88 van het Verdrag kunnen de lidstaten, wanneer activiteiten onder de Gemeenschapsregeling vallen, rekening houden met de gevolgen van regulerende, fiscale en andere beleidsmaatregelen waarmee dezelfde doelstellingen worden nagestreefd. Bij de evaluatie van de richtlijn, zal worden nagegaan in hoeverre deze doelstellingen zijn bereikt.

(24)

Belastingheffing kan een nationaal beleidsinstrument zijn om de emissies van tijdelijk uitgesloten installaties te beperken.

(25)

Er zouden door de lidstaten en op Gemeenschapsniveau beleidslijnen en maatregelen moeten worden uitgevoerd in alle economische sectoren, en niet alleen in de sectoren industrie en energie, teneinde substantiële emissiereducties te bewerkstelligen. De Commissie dient met name beleidslijnen en maatregelen op Gemeenschapsniveau in overweging te nemen die ervoor zorgen dat de vervoerssector er substantieel toe bijdraagt dat de Gemeenschap en haar lidstaten aan hun in het Protocol van Kyoto omschreven verplichtingen inzake klimaatverandering voldoen.

(26)

Ondanks de rijk geschakeerde mogelijkheden die marktgerichte mechanismen bieden, moet de EU-strategie voor het tegengaan van klimaatverandering berusten op een evenwicht tussen de regeling voor de handel in emissierechten en andere communautaire, nationale en internationale maatregelen.

(27)

Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn erkend.

(28)

De voor de uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (12).

(29)

De in bijlage III vermelde criteria (1), (5) en (7) mogen niet via de comitologieprocedure worden gewijzigd. Wijzigingen die betrekking hebben op perioden na 2012 mogen alleen overeenkomstig de medebeslissingsprocedure worden vastgesteld.

(30)

Aangezien de doelstelling van het voorgestelde optreden, namelijk de invoering van een Gemeenschapsregeling, niet voldoende kan worden verwezenlijkt door de individuele lidstaten, en derhalve vanwege de omvang en de gevolgen van het voorgestelde optreden beter op Gemeenschapsniveau kan worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig artikel 5 van het EG-Verdrag, maatregelen vaststellen. Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel dat in dat artikel is opgenomen gaat deze richtlijn niet verder dan hetgeen noodzakelijk is om de genoemde doelstelling te bereiken,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze richtlijn wordt een Gemeenschapsregeling vastgesteld voor de handel in broeikasgasemissierechten, hierna „de Gemeenschapsregeling” genoemd, teneinde de emissies van broeikasgassen op een kosteneffectieve en economisch efficiënte wijze te verminderen.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.   Deze richtlijn is van toepassing op emissies uit de in bijlage I genoemde activiteiten en de in bijlage II genoemde broeikasgassen.

2.   Deze richtlijn is van toepassing onverminderd eventuele uit Richtlijn 96/61/EG voortvloeiende voorschriften.

Artikel 3

Definities

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

a)

„emissierecht”: overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn overdraagbaar recht om, uitsluitend teneinde aan de eisen van deze richtlijn te voldoen, gedurende een bepaalde periode één ton kooldioxide-equivalent uit te stoten;

b)

„emissie”: emissie van broeikasgassen in de atmosfeer door in een installatie aanwezige bronnen;

c)

„broeikasgassen”: de in bijlage II genoemde gassen;

d)

„vergunning voor broeikasgasemissies”: overeenkomstig de artikelen 5 en 6 verleende vergunning;

e)

„installatie”: vaste technische eenheid waarin één of meer van de in bijlage I genoemde activiteiten plaatsvinden alsmede andere, daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten plaatsvinden, die technisch in verband staan met de op die plaats ten uitvoer gebrachte activiteiten en gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging;

f)

„exploitant”: persoon die een installatie exploiteert of beheert, indien de nationale wetgeving daarin voorziet, aan wie de economische beschikkingsmacht over de technische werking is overgedragen;

g)

„persoon”: natuurlijke persoon of rechtspersoon;

h)

„nieuwkomer”: installatie waar een of meer van de in bijlage I genoemde activiteiten plaatsvinden, die een vergunning dan wel de bijstelling van een vergunning voor broeikasgasemissies wegens een verandering in de aard of de werking van de installatie of wegens een uitbreiding van de installatie heeft verkregen nadat het nationale toewijzingsplan aan de Commissie is meegedeeld;

i)

„het publiek”: een of meer personen en, overeenkomstig de nationale wetgeving of het gebruik, verenigingen, organisaties of groepen personen;

j)

„ton kooldioxide-equivalent”: een metrische ton kooldioxide (CO2) of een hoeveelheid van een van de andere in bijlage II genoemde broeikasgassen met een gelijkwaardig aardopwarmingsvermogen.

Artikel 4

Vergunningen voor broeikasgasemissies

De lidstaten dragen er zorg voor dat vanaf 1 januari 2005 geen installatie een in bijlage I genoemde activiteit verricht welke een voor die activiteit gespecificeerde emissie tot gevolg heeft, tenzij haar exploitant in het bezit is van een door een bevoegde autoriteit overeenkomstig de artikelen 5 en 6 verleende vergunning, of de installatie uit hoofde van artikel 27 tijdelijk is uitgesloten van de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten van de Gemeenschap.

Artikel 5

Aanvragen van vergunningen voor broeikasgasemissies

Een tot de bevoegde autoriteit gerichte aanvraag van een vergunning voor broeikasgasemissies omvat een beschrijving van:

a)

de installatie en haar activiteiten, met inbegrip van de gebruikte technologie;

b)

de grondstoffen en hulpstoffen waarvan het gebruik waarschijnlijk tot emissies van in bijlage I genoemde gassen zal leiden;

c)

de bronnen van de in bijlage I genoemde emissies van gassen uit de installatie; en

d)

de maatregelen die zijn voorgenomen om de emissies van gassen in het milieu te bewaken en te rapporteren, in overeenstemming met de overeenkomstig artikel 14 vastgestelde richtsnoeren.

De aanvraag omvat tevens een niet-technische samenvatting van de in de eerste alinea bedoelde gegevens.

Artikel 6

Voorwaarden voor en inhoud van de vergunning voor broeikasgasemissies

1.   De bevoegde autoriteit verleent een vergunning waarin toestemming wordt verleend broeikasgassen uit de gehele installatie of een deel daarvan uit te stoten, indien zij ervan overtuigd is dat de exploitant in staat is de emissies te bewaken en te rapporteren.

Een vergunning voor broeikasgasemissies kan betrekking hebben op een of meer installaties op dezelfde plaats die door dezelfde exploitant wordt geëxploiteerd.

2.   Vergunningen voor broeikasgasemissies bevatten:

a)

de naam en het adres van de exploitant;

b)

een beschrijving van de activiteiten en de emissies uit de installatie;

c)

de bewakingsvoorschriften, met vermelding van de bewakingsmethode en de frequentie;

d)

de rapportagevoorschriften, en

e)

de verplichting binnen vier maanden na het einde van elk kalenderjaar een hoeveelheid emissierechten in te leveren die gelijk is aan de totale emissies van de installatie voor dat jaar, als geverifieerd overeenkomstig artikel 15.

Artikel 7

Wijzigingen in installaties

De exploitant stelt de bevoegde autoriteit in kennis van voorgenomen wijzigingen in de aard of de werking, en van voorgenomen uitbreidingen van de installatie, waarvoor een aanpassing van de vergunning vereist kan zijn. Zo nodig stelt de bevoegde autoriteit de vergunning bij. Bij een verandering in de identiteit van de exploitant van de installatie past de bevoegde autoriteit de vergunning aan door vermelding van de naam en het adres van de nieuwe exploitant.

Artikel 8

Coördinatie met Richtlijn 96/61/EG

De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat, wanneer installaties activiteiten verrichten die in bijlage I bij Richtlijn 96/61/EG zijn vermeld, de voorwaarden voor en de procedure voor het verlenen van een vergunning voor broeikasgasemissies worden gecoördineerd met die voor de in die richtlijn bepaalde vergunning. De in de artikelen 5, 6 en 7 vastgestelde eisen kunnen worden opgenomen in de in Richtlijn 96/61/EG vastgelegde procedure of procedures.

Artikel 9

Nationaal toewijzingsplan

1.   Voor elke in artikel 11, leden 1 en 2, bedoelde termijn stelt elke lidstaat een nationaal plan op, waarin de totale hoeveelheid emissierechten wordt vermeld die hij voornemens is voor die periode toe te wijzen, alsmede de manier waarop hij voornemens is deze rechten toe te wijzen. Het plan wordt gebaseerd op objectieve en transparante criteria, waaronder de in bijlage III genoemde, waarbij terdege rekening wordt gehouden met reacties vanuit het publiek. De Commissie geeft onverminderd het Verdrag uiterlijk 31 december 2003 richtsnoeren voor de toepassing van de in bijlag III genoemde criteria.

Voor de in artikel 11, lid 1, bedoelde periode wordt het plan uiterlijk op 31 maart 2004 gepubliceerd en aan de Commissie en de overige lidstaten meegedeeld. Voor latere perioden wordt het plan ten minste achttien maanden voor de aanvang van de betrokken periode gepubliceerd en aan de Commissie en de andere lidstaten meegedeeld.

2.   De nationale toewijzingsplannen worden bestudeerd door het in artikel 23, lid 1, bedoelde comité.

3.   Binnen drie maanden nadat een lidstaat uit hoofde van lid 1 een nationaal toewijzingsplan heeft meegedeeld, kan de Commissie het plan of een deel daarvan verwerpen als het niet met de in bijlage III genoemde criteria of met artikel 10 verenigbaar is. De lidstaten nemen pas een besluit krachtens artikel 11, lid 1, of lid 2, wanneer de voorgestelde wijzigingen door de Commissie zijn aanvaard. Een besluit tot verwerping wordt door de Commissie gemotiveerd.

Artikel 10

Toewijzingsmethode

Voor de periode van drie jaar die ingaat op 1 januari 2005 wijzen de lidstaten ten minste 95 % van de emissierechten kosteloos toe. Voor de periode van vijf jaar die ingaat op 1 januari 2008 wijzen de lidstaten ten minste 90 % van de emissierechten kosteloos toe.

Artikel 11

Toewijzing en verlening van emissierechten

1.   Voor de periode van drie jaar die ingaat op 1 januari 2005 neemt iedere lidstaat een besluit over de totale hoeveelheid emissierechten die hij voor die periode zal toewijzen en over de toewijzing van die emissierechten aan de exploitant van elke installatie. Dit besluit wordt ten minste drie maanden voor het begin van die periode genomen en is gebaseerd op het nationale toewijzingsplan dat is opgesteld ingevolge artikel 9 en in overeenstemming met artikel 10, met inachtneming van de opmerkingen van het publiek.

2.   Voor de periode van vijf jaar die ingaat op 1 januari 2008 en voor elke volgende periode van vijf jaar neemt iedere lidstaat een besluit over de totale hoeveelheid emissierechten die hij voor die periode zal toewijzen en leidt hij het proces van toewijzing van die emissierechten aan de exploitant van elke installatie in. Het besluit wordt ten minste twaalf maanden voor het begin van die periode genomen en is gebaseerd op het toewijzingsplan van de lidstaat dat is opgesteld ingevolge artikel 9 en in overeenstemming met artikel 10, met inachtneming van de opmerkingen van het publiek.

3.   Krachtens lid 1 of lid 2 genomen besluiten zijn in overeenstemming met de voorschriften van het Verdrag, in het bijzonder de artikelen 87 en 88. Bij hun besluit over de toewijzing houden de lidstaten rekening met de noodzaak emissierechten beschikbaar te houden voor nieuwkomers.

4.   De bevoegde autoriteit verleent elk jaar uiterlijk op 28 februari van dat jaar voor de in lid 1 of 2 bedoelde periode een percentage van de totale hoeveelheid emissierechten.

Artikel 12

Overdracht, inlevering en annulering van rechten

1.   De lidstaten dragen er zorg voor dat emissierechten kunnen worden overgedragen tussen

a)

personen binnen de Gemeenschap;

b)

personen in de Gemeenschap en personen in derde landen, waar zulke emissierechten worden erkend volgens de procedure van artikel 25, zonder andere beperkingen dan de bij of krachtens deze richtlijn vastgestelde beperkingen.

2.   De lidstaten dragen er zorg voor, dat de door een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat verleende rechten als geldig worden erkend voor de nakoming van de verplichtingen van een exploitant ingevolge lid 3.

3.   De lidstaten dragen er zorg voor dat de exploitant van iedere installatie uiterlijk 30 april van ieder jaar een hoeveelheid emissierechten inlevert die gelijk is aan de totale emissies van die installatie gedurende het voorgaande kalenderjaar, als geverifieerd overeenkomstig artikel 15, en dat die rechten vervolgens worden geannuleerd.

4.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om er zorg voor te dragen dat emissierechten te allen tijde worden geannuleerd op verzoek van de persoon die de rechten in zijn bezit heeft.

Artikel 13

Geldigheid van emissierechten

1.   Emissierechten zijn geldig voor de emissies in de in artikel 11, lid 1 of lid 2, bedoelde periode waarvoor zij zijn verleend.

2.   Vier maanden na het begin van de eerste periode van vijf jaar, bedoeld in artikel 11, lid 2, worden emissierechten die niet meer geldig zijn en niet overeenkomstig artikel 12, lid 3, zijn ingeleverd en geannuleerd, door de bevoegde autoriteit geannuleerd.

De lidstaten kunnen personen emissierechten verlenen voor de lopende periode ter vervanging van emissierechten die zij bezaten en welke krachtens de eerste alinea zijn geannuleerd.

3.   Vier maanden na het begin van elke volgende periode van vijf jaar als bedoeld in artikel 11, lid 2, worden emissierechten die niet meer geldig zijn en niet overeenkomstig artikel 12, lid 3, zijn ingeleverd en geannuleerd, door de bevoegde autoriteit geannuleerd.

De lidstaten verlenen personen emissierechten voor de lopende termijn ter vervanging van emissierechten die zij bezaten en welke krachtens de eerste alinea zijn geannuleerd.

Artikel 14

Richtsnoeren voor emissiebewaking en -rapportage

1.   De Commissie stelt uiterlijk 30 september 2003 volgens de in artikel 23, lid 2, bedoelde procedure richtsnoeren vast voor de bewaking van en rapportage over emissies uit de in bijlage I genoemde activiteiten van voor die activiteiten gespecificeerde broeikasgassen. De richtsnoeren worden gebaseerd op de in bijlage IV vermelde beginselen voor de bewaking en rapportage.

2.   De lidstaten dragen er zorg voor dat de emissies worden bewaakt volgens de richtsnoeren.

3.   De lidstaten dragen er zorg voor dat iedere exploitant van een installatie over de emissies van de installatie in elk kalenderjaar na afloop van dat jaar overeenkomstig de richtsnoeren verslag uitbrengt aan de bevoegde autoriteit.

Artikel 15

Verificatie

De lidstaten dragen er zorg voor dat de door de exploitanten overeenkomstig artikel 14, lid 3, ingediende verslagen worden geverifieerd volgens de in bijlage V vermelde criteria en dat de bevoegde autoriteit daarvan in kennis wordt gesteld.

De lidstaten dragen er zorg voor dat een exploitant wiens verslag over de emissies tijdens het voorgaande jaar uiterlijk 31 maart van het lopende jaar niet is geverifieerd als bevredigend overeenkomstig de in bijlage V genoemde criteria, geen emissierechten meer mag overdragen, totdat een verslag van die exploitant als bevredigend is geverifieerd.

Artikel 16

Sancties

1.   De lidstaten stellen de regels vast inzake de sancties die van toepassing zijn op schendingen van de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen en nemen de nodige maatregelen om de toepassing van die sancties te verzekeren. De aldus vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten delen die bepalingen uiterlijk 31 december 2003 aan de Commissie mede en melden onverwijld eventuele wijzigingen daarvan.

2.   De lidstaten dragen er zorg voor dat de namen worden bekendgemaakt van de exploitanten die zich niet houden aan de voorschriften van artikel 12, lid 3, inzake het inleveren van voldoende emissierechten.

3.   De lidstaten dragen er zorg voor dat een boete wegens overmatige emissie wordt opgelegd aan elke exploitant die uiterlijk 30 april van elk jaar niet voldoende emissierechten heeft ingeleverd ter dekking van zijn emissies in het voorgaande jaar. De boete wegens overmatige emissie bedraagt 100 EUR voor elke ton door de installatie uitgestoten kooldioxide-equivalent waarvoor de exploitant geen emissierechten heeft ingeleverd. De betaling van de boete wegens overmatige emissie ontslaat de exploitant niet van de verplichting, bij de inlevering van emissierechten in verband met het volgende kalenderjaar een hoeveelheid emissierechten in te leveren die gelijk is aan die emissieoverschrijding.

4.   In de periode van drie jaar die ingaat op 1 januari 2005 leggen de lidstaten een lagere boete wegens overmatige emissie op; deze bedraagt 40 EUR voor elke ton door de installatie uitgestoten kooldioxide-equivalent waarvoor de exploitant geen emissierechten heeft ingeleverd. De betaling van de boete wegens overmatige emissie ontslaat de exploitant niet van de verplichting, bij de inlevering van emissierechten in verband met het volgende kalenderjaar een hoeveelheid emissierechten in te leveren die gelijk is aan die emissieoverschrijding.

Artikel 17

Toegang tot informatie

De besluiten tot toewijzing van emissierechten en de krachtens de vergunning voor broeikasgasemissies vereiste emissieverslagen welke in het bezit zijn van de bevoegde autoriteit worden voor het publiek beschikbaar gesteld, behoudens de in artikel 3, lid 3, en artikel 4 van Richtlijn 2003/4/EG vastgelegde beperkingen.

Artikel 18

Bevoegde autoriteit

De lidstaten zorgen voor de nodige administratieve regelingen, met inbegrip van de aanwijzing van de passende bevoegde autoriteit of autoriteiten, voor de uitvoering van deze richtlijn. Wanneer meer dan één bevoegde autoriteit wordt aangewezen, moet het werk van die autoriteiten uit hoofde van deze richtlijn worden gecoördineerd.

Artikel 19

Registers

1.   De lidstaten dragen er zorg voor dat een register wordt aangelegd en bijgehouden teneinde te zorgen voor de nauwkeurige registratie van de verlening, het bezit en de overdracht en annulering van emissierechten. De lidstaten kunnen hun registers in een geconsolideerd systeem samen met een of meer andere lidstaten bijhouden.

2.   Elke persoon kan emissierechten bezitten. De registers zijn toegankelijk voor het publiek en bevatten afzonderlijke rekeningen voor de registratie van de emissierechten die iedere persoon bezit aan wie of van wie emissierechten worden verleend of overgedragen.

3.   Voor de uitvoering van deze richtlijn stelt de Commissie volgens de in artikel 23, lid 2, bedoelde procedure een verordening vast inzake een gestandaardiseerd en beveiligd stelsel van registers in de vorm van elektronische gegevensbanken, die gemeenschappelijke gegevens bevatten om de verlening, het bezit, de overdracht en de annulering van emissierechten te volgen, om voor toegang van het publiek en de nodige geheimhouding te zorgen en om te waarborgen dat er geen overdrachten geschieden die met uit het Protocol van Kyoto voortvloeiende verplichtingen onverenigbaar zijn.

Artikel 20

Centrale administrateur

1.   De Commissie benoemt een centrale administrateur voor het bijhouden van een onafhankelijk transactielogboek waarin de verlening, het bezit, de overdracht en de annulering van emissierechten worden vastgelegd.

2.   De centrale administrateur oefent via het onafhankelijke transactielogboek een geautomatiseerde controle uit op elke transactie in de registers om te verzekeren dat er bij de verlening, de overdracht en de annulering van emissierechten geen onregelmatigheden geschieden.

3.   Wanneer bij de geautomatiseerde controle onregelmatigheden worden vastgesteld, stelt de centrale administrateur de betrokken lidstaat of lidstaten daarvan in kennis, welke de betrokken transactie en alle verdere transacties in verband met de betrokken emissierechten niet registreren voordat de onregelmatigheden zijn opgelost.

Artikel 21

Rapportage door de lidstaten

1.   De lidstaten brengen bij de Commissie elk jaar verslag uit over de toepassing van deze richtlijn. In dit verslag wordt bijzondere aandacht besteed aan de regelingen voor de toewijzing van emissierechten, het functioneren van de nationale registers, de toepassing van richtsnoeren voor bewaking en rapportage, de verificatie en aangelegenheden die verband houden met de naleving van de richtlijn en de fiscale behandeling van emissierechten, indien van toepassing. Het eerste verslag wordt uiterlijk 30 juni 2005 aan de Commissie toegezonden. Het verslag wordt opgesteld aan de hand van een vragenlijst of een ontwerp dat door de Commissie is uitgewerkt volgens de procedure van artikel 6 van Richtlijn 91/692/EEG. De vragenlijst of het kader wordt ten minste zes maanden voor de uiterste termijn voor het inzenden van het eerste verslag aan de lidstaten toegezonden.

2.   De Commissie publiceert op basis van de in lid 1 bedoelde verslagen binnen drie maanden na ontvangst van de verslagen van de lidstaten een verslag over de toepassing van deze richtlijn.

3.   De Commissie organiseert tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten een uitwisseling van gegevens betreffende ontwikkelingen in verband met vraagstukken betreffende de toewijzing van emissierechten, het functioneren van de registers, de bewaking, de rapportage, de verificatie en de naleving.

Artikel 22

Wijzigingen van bijlage III

De Commissie kan bijlage III, met uitzondering van de criteria (1), (5) en (7), voor de periode van 2008 tot en met 2012 volgens de in artikel 23, lid 2, bedoelde procedure wijzigen op grond van de in artikel 21 bedoelde verslagen en de ervaring die met de toepassing van deze richtlijn is opgedaan.

Artikel 23

Comité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 8 van Beschikking 93/389/EEG ingestelde comité.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt gesteld op drie maanden.

3.   Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 24

Procedures voor de unilaterale opneming van verdere activiteiten en gassen

1.   Vanaf 2008 mogen de lidstaten handel in emissierechten overeenkomstig deze richtlijn toepassen op in bijlage I niet genoemde activiteiten, installaties en broeikasgassen, op voorwaarde dat de opneming van dergelijke activiteiten, installaties en broeikasgassen door de Commissie wordt goedgekeurd volgens de procedure van artikel 23, lid 2, met inachtneming van alle relevante criteria, in het bijzonder de effecten op de interne markt, mogelijke concurrentieverstoringen, de milieu-integriteit van de regeling en de betrouwbaarheid van het geplande bewakings- en rapportagesysteem.

Met ingang van 2005 kunnen de lidstaten emissierechtenhandel op dezelfde voorwaarden toestaan voor installaties die de in bijlage I genoemde activiteiten verrichten waarvan de capaciteit onder de aldaar genoemde drempelwaarden ligt.

2.   Toewijzingen aan installaties die dergelijke activiteiten verrichten worden gespecificeerd in het in artikel 9 bedoelde nationale toewijzingsplan.

3.   De Commissie kan volgens de procedure van artikel 23, lid 2, op eigen initiatief bewakings- en rapportagerichtsnoeren vaststellen, of doet zulks op verzoek van een lidstaat, voor in bijlage I niet genoemde emissies, installaties en broeikasgassen, indien de bewaking van en de rapportage over deze emissies met voldoende nauwkeurigheid kan geschieden.

4.   Indien zulke maatregelen worden ingevoerd, wordt bij evaluaties krachtens artikel 30 ook beoordeeld of bijlage I zodanig moet worden gewijzigd dat de emissies van die activiteiten in de gehele Gemeenschap onder een geharmoniseerde regeling vallen.

Artikel 25

Koppelingen met andere regelingen voor de handel in broeikasgasemissies

1.   Er zouden overeenkomstig artikel 300 van het Verdrag overeenkomsten moeten worden gesloten met de in bijlage B bij het protocol van Kyoto genoemde derde landen die het protocol hebben bekrachtigd om te zorgen voor de wederzijdse erkenning van emissierechten op grond van de Gemeenschapsregeling en andere regelingen voor de handel in emissierechten voor broeikasgassen.

2.   Wanneer een overeenkomst als bedoeld in lid 1 is gesloten, stelt de Commissie volgens de in artikel 23, lid 2, bedoelde procedure de nodige bepalingen in verband met de wederzijdse erkenning van emissierechten op.

Artikel 26

Wijziging van Richtlijn 96/61/EG

Aan lid 3 van artikel 9 van Richtlijn 96/61/EG worden de volgende alinea's toegevoegd:

„Wanneer broeikasgasemissies uit een installatie in bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (13) in verband met een in die installatie verrichte activiteit worden vermeld, omvat de vergunning geen emissiegrenswaarde voor directe emissies van dat gas, tenzij zulks noodzakelijk is om te verzekeren dat er geen significante plaatselijke verontreiniging wordt veroorzaakt.

Wat betreft de in bijlage I van Richtlijn 2003/87/EG genoemde activiteiten kunnen de lidstaten ervoor kiezen om geen voorschriften inzake energie-efficiëntie op te leggen voor verbrandingseenheden en andere eenheden die ter plaatse kooldioxide uitstoten.

Zo nodig wijzigen de bevoegde autoriteiten de vergunning op gepaste wijze.

De drie voorgaande alinea's zijn niet van toepassing op installaties die overeenkomstig artikel 27 van Richtlijn 2003/87/EG tijdelijk zijn uitgesloten van de Gemeenschapsregeling voor de handel in broeikasgasemissierechten.

Artikel 27

Tijdelijke uitsluiting van bepaalde installaties

1.   De lidstaten kunnen de Commissie verzoeken installaties tijdelijk buiten de Gemeenschapsregeling te houden tot en met uiterlijk 31 december 2007. Een dergelijk verzoek bevat een lijst van alle betrokken installaties en wordt bekendgemaakt.

2.   Als de Commissie, na eventuele reacties van het publiek op dit verzoek in overweging te hebben genomen, volgens de procedure van artikel 23, lid 2, besluit dat de betrokken installaties:

a)

als gevolg van nationale beleidsmaatregelen hun emissies evenveel zullen beperken als wanneer deze richtlijn op hen van toepassing zou zijn;

b)

onderworpen zijn aan voorschriften inzake bewaking, rapportage en verificatie die gelijkwaardig zijn aan die welke uit hoofde van de artikelen 14 en 15 worden opgelegd, en

c)

onderworpen zijn aan sancties die ten minste gelijkwaardig zijn aan de in artikel 16, leden 1 en 4, bedoelde sancties in geval van het niet voldoen aan de nationale voorschriften;

bepaalt zij dat die installaties tijdelijk buiten de Gemeenschapsregeling blijven.

Er dient te worden gewaarborgd dat er geen verstoring van de interne markt optreedt.

Artikel 28

Pooling

1.   De lidstaten kunnen de exploitanten van installaties die een van de in bijlage I genoemde activiteiten verrichten, toestaan voor de in artikel 11, lid 1, bedoelde periode en/of de in artikel 11, lid 2, bedoelde eerste periode van vijf jaar een pool van installaties van dezelfde activiteit te vormen overeenkomstig de leden 2 tot en met 6 van onderhavig artikel.

2.   Exploitanten die een in bijlage I genoemde activiteit verrichten en een pool wensen te vormen dienen daartoe bij de bevoegde autoriteit een verzoek in waarin zij vermelden met welke installaties en voor welke periode zij wensen te poolen, en aantonen dat een trustee in staat zal zijn de in de leden 3 en 4 bedoelde verplichtingen te vervullen.

3.   Exploitanten die een pool wensen te vormen, benoemen een trustee:

a)

aan wie, in afwijking van artikel 11 de totale hoeveelheid emissierechten, berekend per installatie van de betrokken exploitanten, wordt verleend;

b)

aan wie, in afwijking van artikel 6, lid 2, punt e), en artikel 12, lid 3, de verantwoordelijkheid wordt verleend een hoeveelheid emissierechten in te leveren die gelijk is aan de totale emissies van de installaties in de pool; en

c)

aan wie de bevoegdheid wordt ontzegd om nog langer emissierechten over te dragen, indien het verslag van een exploitant niet als bevredigend is geverifieerd overeenkomstig artikel 15, tweede alinea.

4.   In afwijking van artikel 16, leden 2, 3 en 4, zijn de sancties voor het schenden van het voorschrift om voldoende emissierechten in te leveren ter dekking van de totale emissie van de installaties in de pool van toepassing op de trustee.

5.   Een lidstaat die toestemming wil geven tot de vorming van een of meer pools, dient het in lid 2 bedoelde verzoek in bij de Commissie. Onverminderd het Verdrag kan de Commissie binnen drie maanden na ontvangst een verzoek afwijzen dat niet aan de bepalingen van deze richtlijn voldoet. Een besluit van die strekking wordt met redenen omkleed. Wordt een verzoek afgewezen, dan mag de lidstaat slechts toestemming tot de vorming van de pool verlenen indien de voorgestelde wijzigingen door de Commissie worden aanvaard.

6.   Indien de trustee de in lid 4 bedoelde sanctiebepalingen niet naleeft, is iedere exploitant van een installatie in de pool aansprakelijk krachtens artikel 12, lid 3, en artikel 16 voor de emissies van zijn eigen installatie.

Artikel 29

Overmacht

1.   Tijdens de in artikel 11, lid 1, bedoelde periode kunnen de lidstaten de Commissie verzoeken om toestemming voor het verlenen van extra rechten aan bepaalde installaties op grond van overmacht. De Commissie bepaalt of overmacht is aangetoond, en geeft, indien dat het geval is, toestemming voor het verlenen van extra, niet-overdraagbare rechten door die lidstaat aan de exploitanten van die installaties.

2.   Onverminderd het Verdrag stelt de Commissie uiterlijk op 31 december 2003 richtsnoeren op waarin zij omschrijft onder welke voorwaarden er van aangetoonde overmacht sprake is.

Artikel 30

Evaluatie en verdere ontwikkeling

1.   Uitgaande van de bij de bewaking van broeikasgasemissies gemaakte vorderingen kan de Commissie uiterlijk 31 december 2004 een voorstel aan het Europees Parlement en de Raad voorleggen om bijlage I aldus te wijzigen dat deze ook andere activiteiten en emissies van andere in bijlage II genoemde broeikasgassen omvat.

2.   Uitgaande van de ervaring met de toepassing van deze richtlijn en de bij de bewaking van broeikasgasemissies gemaakte vorderingen en in het licht van de ontwikkelingen in internationaal verband stelt de Commissie een verslag op over de toepassing van deze richtlijn, waarin zij het volgende beoordeelt:

a)

hoe en of bijlage I dient te worden gewijzigd om andere relevante sectoren, o.a. de chemische, de aluminium- en de vervoerssector, activiteiten en de emissies van andere in bijlage II vermelde broeikasgassen op te nemen, met het oogmerk de economische efficiëntie van de regeling verder te vergroten;

b)

de verhouding tussen de handel in emissierechten binnen de Gemeenschap en de in 2008 beginnende internationale handel in emissierechten;

c)

verdere harmonisatie van de toewijzingsmethode, met inbegrip van het veilen van rechten voor de periode na 2012, en van de criteria voor nationale toewijzingsplannen, bedoeld in bijlage III;

d)

of kredieten van projectmechanismen kunnen worden gebruikt;

e)

de verhouding van de handel in emissierechten tot andere beleidslijnen en -maatregelen die op nationaal en communautair vlak worden uitgevoerd, daaronder begrepen belastingmaatregelen die dezelfde doeleinden nastreven;

f)

of het passend is dat er één enkel communautair register is; en

g)

de hoogte van de boetes wegens overmatige emissie, waarbij zij onder meer rekening houdt met de inflatie, en

h)

de werking van de markt van de emissierechten, waarbij in het bijzonder alle mogelijke verstoringen van de markt worden behandeld;

i)

hoe de Gemeenschapsregeling moet worden aangepast aan de uitgebreide Europese Unie;

j)

pooling;

k)

of het praktisch uitvoerbaar is communautaire benchmarks te ontwikkelen als basis voor de toewijzing, rekening houdende met de beste beschikbare technieken en een kosten-batenanalyse.

De Commissie dient dat verslag uiterlijk 30 juni 2006 bij het Europees Parlement en de Raad in, zo nodig vergezeld van voorstellen.

3.   Het koppelen van de projectgebonden mechanismen, waaronder de gemeenschappelijke uitvoering (JI) en het mechanisme voor schone ontwikkeling (CDM), aan de Gemeenschapsregeling is wenselijk en belangrijk om de doelstellingen van reductie van de wereldwijde broeikasemissies en verbetering van de kosteneffectieve werking van de Gemeenschapsregeling te bereiken. Daarom zullen de emissiekredieten van de projectgebonden mechanismen worden erkend voor gebruik in deze regeling met inachtneming van de regels die door het Europees Parlement en de Raad op voorstel van de Commissie worden vastgesteld en die in 2005 van toepassing zouden moeten zijn naast de Gemeenschapsregeling. Het gebruik van deze mechanismen moet overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van het Protocol van Kyoto en de Akkoorden van Marrakesj een aanvulling vormen op het binnenlandse optreden.

Artikel 31

Uitvoering

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk 31 december 2003 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis. De Commissie stelt de andere lidstaten van deze wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in kennis.

Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen. De Commissie stelt de andere lidstaten daarvan in kennis.

Artikel 32

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 33

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Luxemburg, 13 oktober 2003.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

P. COX

Voor de Raad

De voorzitter

G. ALEMANNO


(1)  PB C 75 E van 26.3.2002, blz.33.

(2)  PB C 221 van 17.9.2002, blz. 27.

(3)  PB C 192 van 12.8.2002, blz. 59.

(4)  Advies van het Europees Parlement van 10 oktober 2002 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 18 maart 2003 (PB C 125 E van 27.5.2003, blz. 72), besluit van het Europees Parlement van 2 juli 2003 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 22 juli 2003.

(5)  PB L 242 van 10.9.2002, blz. 1.

(6)  PB L 33 van 7.2.1994, blz. 11.

(7)  PB L 130 van 15.5.2002, blz. 1.

(8)  PB L 167 van 9.7.1993, blz. 31. Beschikking als gewijzigd bij Beschikking 1999/296/EG (PB L 117 van 5.5.1999, blz. 35).

(9)  PB L 41 van 14.2.2003, blz. 26.

(10)  PB L 377 van 31.12.1991, blz. 48.

(11)  PB L 257 van 10.10.1996, blz. 26.

(12)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.


BIJLAGE I

CATEGORIEËN ACTIVITEITEN, BEDOELD IN ARTIKEL 2, LID 1, DE ARTIKELEN 3 EN 4, ARTIKEL 14, LID 1, ARTIKEL 28 EN ARTIKEL 30

1.

Installaties of delen van installaties, gebruikt voor onderzoek, ontwikkeling en beproeving van nieuwe producten en processen, vallen niet onder deze richtlijn.

2.

De onderstaande grenswaarden hebben over het algemeen betrekking op productie of productiecapaciteit. Wanneer een exploitant verscheidene activiteiten verricht die in dezelfde installatie of op hetzelfde bedrijfsterrein onder dezelfde subrubriek vallen, worden de capaciteiten van dergelijke activiteiten bij elkaar opgeteld.

Activiteiten

Broeikasgassen

Energieactiviteiten

Verbrandingsinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW (met uitzondering van installaties voor het verbranden van gevaarlijke afvalstoffen of stadsafval)

Kooldioxide

Aardolieraffinaderijen

Kooldioxide

Cokesfabrieken

Kooldioxide

Productie en verwerking van ferrometalen

Roost- of sinterinstallaties voor metaalerts (waaronder sulfide-erts)

Kooldioxide

Installaties voor de vervaardiging van ruwijzer of staal (primaire of secundaire smelting) inclusief continugieten, met een capaciteit van meer dan 2,5 ton per uur

Kooldioxide

Delfstoffenindustrie

Installaties voor de vervaardiging van cementklinkers in draaiovens met een productiecapaciteit van meer dan 500 ton per dag of de bereiding van kalk in draaiovens met een productiecapaciteit van meer dan 50 ton per dag, dan wel in andere ovens met een productiecapaciteit van meer dan 50 ton per dag.

Kooldioxide

Installaties voor de vervaardiging van glas, inclusief glasvezel, met een smeltcapaciteit van meer dan 20 ton per dag.

Kooldioxide

Installaties voor de vervaardiging van ceramische producten door vuren, in het bijzonder dakpannen, bakstenen, vuurvaste stenen, tegels, aardewerk of porselein, met een productiecapaciteit van meer dan 75 ton per dag en/of met een ovencapaciteit van meer dan 4 m3 en met een zetdichtheid per oven van meer dan 300 kg/m3.

Kooldioxide

Overige activiteiten

Industriële installaties voor de vervaardiging van

a)

pulp uit hout of andere vezelhoudende materialen

Kooldioxide

b)

papier en karton met een productiecapaciteit van meer dan 20 ton per dag

Kooldioxide


BIJLAGE II

BROEIKASGASSEN, BEDOELD IN DE ARTIKELEN 3 EN 30

Kooldioxide (CO2)

Methaan (CH4)

Distikstofoxide (N2O)

Onvolledig gehalogeneerde fluorkoolwaterstoffen (HFK's)

Perfluorkoolwaterstoffen (PFK's)

Zwavelhexafluoride (SF6)


BIJLAGE III

CRITERIA VOOR NATIONALE TOEWIJZINGSPLANNEN, BEDOELD IN DE ARTIKELEN 9, 22 EN 30

1.

De totale hoeveelheid voor de betrokken periode toe te wijzen emissierechten moet enerzijds overeenstemmen met de verplichtingen van de lidstaat om de emissies te beperken overeenkomstig Beschikking 2002/358/EG en het Protocol van Kyoto, met inachtneming van het aandeel in de totale emissies dat deze vertegenwoordigen in vergelijking met de emissies uit bronnen die niet onder deze richtlijn en het nationale energiebeleid vallen en moeten anderzijds overeenstemmen met het nationaal programma inzake klimaatverandering. De totale hoeveelheid toe te wijzen emissierechten mag niet groter zijn dan de hoeveelheid die waarschijnlijk nodig is voor de strikte toepassing van de in deze bijlage vermelde criteria. Vóór 2008 moet de hoeveelheid in overeenstemming zijn met een ontwikkeling waarmee elke lidstaat zijn streefdoel uit hoofde van Beschikking 2002/358/EG en het Protocol van Kyoto kan halen of overtreffen.

2.

De totale hoeveelheid toe te wijzen emissierechten moet overeenstemmen met evaluaties die overeenkomstig Beschikking 93/389/EEG zijn gemaakt van de feitelijke en de te verwachten vorderingen bij het realiseren van de bijdragen van de lidstaten aan de communautaire verplichtingen.

3.

De hoeveelheden toe te wijzen emissierechten moeten overeenstemmen met de mogelijkheden, waaronder de technologische mogelijkheden, van de door deze regeling bestreken activiteiten om de emissies terug te dringen. De lidstaten kunnen hun verdeling van emissierechten baseren op de gemiddelde emissies van broeikasgassen per product bij elke activiteit en de haalbare vooruitgang bij elke activiteit.

4.

Het plan moet in overeenstemming zijn met andere wetgevende instrumenten en beleidsinstrumenten van de Gemeenschap. Er moet rekening worden gehouden met de onvermijdelijke toename van emissies als gevolg van nieuwe wettelijke eisen.

5.

Het plan mag geen zodanig onderscheid maken tussen ondernemingen of sectoren dat bepaalde ondernemingen of activiteiten onrechtmatig worden bevoordeeld, in overeenstemming met de bepalingen van het Verdrag, in het bijzonder de artikelen 87 en 88.

6.

Het plan moet informatie bevatten over de manier waarop nieuwkomers aan de Gemeenschapsregeling in de betrokken lidstaat kunnen gaan deelnemen.

7.

Het plan kan rekening houden met vroegtijdige maatregelen en bevat informatie over de manier waarop vroegtijdige maatregelen in aanmerking worden genomen. De lidstaten mogen bij de ontwikkeling van hun nationale toewijzingsplannen gebruik maken van aan referentiedocumenten over de beste beschikbare technieken ontleende benchmarks, en vroegtijdige maatregelen kunnen in die benchmarks worden verwerkt.

8.

Het plan bevat informatie over de manier waarop rekening wordt gehouden met schone technologie, waaronder energie-efficiënte technologieën.

9.

Het plan moet bepalingen bevatten inzake opmerkingen door het publiek, alsmede informatie over de regelingen die moeten waarborgen dat er terdege met die opmerkingen rekening wordt gehouden alvorens een besluit over de toewijzing van emissierechten wordt genomen.

10.

Het plan moet een lijst bevatten van de installaties die in deze richtlijn worden opgenomen met de hoeveelheden emissierechten bestemd om te worden toegewezen aan ieder van hen.

11.

Het plan kan informatie bevatten over de manier waarop rekening wordt gehouden met het bestaan van concurrentie uit derde landen of uit entiteiten buiten de Unie.


BIJLAGE IV

BEGINSELEN VOOR DE BEWAKING EN RAPPORTAGE, BEDOELD IN ARTIKEL 14, LID 1

Bewaking van kooldioxide-emissies

De emissies moeten door middel van berekeningen of metingen worden bewaakt.

Berekeningen

De emissies worden met behulp van de volgende formule berekend:

Activiteitsgegevens × emissiefactor × oxidatiefactor

Activiteitsgegevens (gebruikte brandstof, productieomvang enz.) worden bewaakt op basis van toevoergegevens of metingen.

Er worden geaccepteerde emissiefactoren gebruikt. Voor de activiteit specifieke emissiefactoren zijn voor alle brandstoffen aanvaardbaar. Default-factoren zijn aanvaardbaar voor alle brandstoffen, behalve niet-commerciële (afvalbrandstoffen zoals banden en industriële procesgassen). Laagspecifieke defaults voor steenkool, en voor de EU of het producentland specifieke defaults voor aardgas worden verder uitgewerkt. IPCC-defaults zijn voor raffinaderijproducten aanvaardbaar. De emissiefactor voor biomassa is nul.

Als de emissiefactor geen rekening houdt met het feit dat een deel van de koolstof niet wordt geoxideerd, wordt een oxidatiefactor gebruikt. Als voor de activiteit specifieke emissiefactoren zijn berekend die al rekening houden met oxidatie, behoeft geen oxidatiefactor te worden toegepast.

Er worden default-oxidatiefactoren overeenkomstig Richtlijn 96/61/EEG gebruikt, tenzij de exploitant kan aantonen, dat voor de activiteit specifieke factoren nauwkeuriger zijn.

Voor elke activiteit, elke installatie en elke brandstof wordt een afzonderlijke berekening gemaakt.

Metingen

Bij de meting van de emissies wordt gebruik gemaakt van genormaliseerde of aanvaarde methoden en het resultaat moet worden bevestigd door een ondersteunende emissieberekening.

Bewaking van de emissies van andere broeikasgassen

Er moeten genormaliseerde of aanvaarde methoden worden gebruikt die door de Commissie in samenwerking met alle belanghebbenden worden ontwikkeld en volgens de in artikel 23, lid 2, bedoelde procedure worden goedgekeurd.

Emissierapportage

Elke exploitant neemt in zijn verslag over een installatie de onderstaande informatie op.

A.

Gegevens ter identificatie van de installatie, waaronder:

naam van de installatie;

adres van de installatie, met postcode en land;

soort en aantal van de activiteiten als bedoeld in bijlage I, die in de installatie worden verricht;

adres, telefoon-, fax- en e-mailgegevens van een contactpersoon, en

naam van de eigenaar van de installatie en van een eventuele moedermaatschappij.

B.

Voor elke in bijlage I genoemde activiteit die wordt verricht op het terrein waarvoor de emissies worden berekend:

activiteitsgegevens;

emissiefactoren;

oxidatiefactoren;

totale emissies; en

onzekerheid.

C.

Voor elke in bijlage I genoemde activiteit die wordt verricht op het terrein waarvoor de emissies worden gemeten:

totale emissies;

informatie over de betrouwbaarheid van de meetmethoden, en

onzekerheid.

D.

Voor de emissies als gevolg van verbranding ten behoeve van energieproductie wordt in het verslag ook de oxidatiefactor vermeld, tenzij bij de uitwerking van een voor de activiteit specifieke emissiefactor al met de oxidatie rekening is gehouden.

De lidstaten treffen de nodige maatregelen om de rapportagevoorschriften te coördineren met eventuele reeds bestaande rapportagevoorschriften, teneinde het bedrijfsleven in dit opzicht zo veel mogelijk werk te besparen.


BIJLAGE V

CRITERIA VOOR DE VERIFICATIE, BEDOELD IN ARTIKEL 15

Algemene beginselen

1.

De emissies van elke in bijlage I genoemde activiteit moeten aan een verificatie worden onderworpen.

2.

Bij het verificatieproces moeten het verslag uit hoofde van artikel 14, lid 3, en de bewaking tijdens het voorafgaande jaar worden bezien. Hierbij wordt gekeken naar de betrouwbaarheid, de geloofwaardigheid en de nauwkeurigheid van de bewakingssystemen en de gerapporteerde gegevens, en naar informatie inzake de emissies, in het bijzonder:

a)

de gerapporteerde activiteitsgegevens en daarmee verband houdende metingen en berekeningen;

b)

de keuze en het gebruik van emissiefactoren;

c)

de berekeningen die leiden tot de bepaling van de totale emissies, en

d)

indien er metingen zijn gebruikt, de juistheid van de keuze en de wijze van toepassing van de meetmethoden.

3.

De emissies waarover verslag is uitgebracht kunnen alleen worden gevalideerd als betrouwbare, geloofwaardige gegevens en informatie het mogelijk maken de emissies te bepalen met een hoge mate van zekerheid. Voor een hoge mate van zekerheid moet de exploitant aantonen dat:

a)

de gerapporteerde gegevens vrij zijn van inconsistenties;

b)

de gegevens zijn verzameld overeenkomstig de toepasselijke wetenschappelijke normen, en

c)

de desbetreffende documenten van de installatie volledig en consistent zijn.

4.

De verificateur krijgt toegang tot alle bedrijfsterreinen en tot alle informatie in verband met het onderwerp van de verificatie.

5.

De verificateur houdt rekening met de vraag of de installatie geregistreerd is in het kader van EMAS (het communautaire milieubeheer- en milieuauditsysteem).

Methode

Strategische analyse

6.

De verificatie moet worden gebaseerd op een strategische analyse van alle in de installatie verrichte activiteiten. Hiertoe heeft de verificateur een overzicht nodig van alle activiteiten en hun betekenis voor het emissieniveau van de installatie.

Procesanalyse

7.

De verificatie van de overgelegde informatie vindt zo nodig plaats op het terrein van de installatie. De verificateur neemt steekproeven om de betrouwbaarheid van de gerapporteerde gegevens en informatie vast te stellen.

Risicoanalyse

8.

De verificateur moet alle bronnen van emissies in de installatie evalueren met het oog op de betrouwbaarheid van de gegevens van elke bron die tot de totale emissies van de installatie bijdraagt.

9.

Aan de hand van deze analyse identificeert de verificateur uitdrukkelijk de bronnen met een groot foutenpotentieel en andere aspecten van de bewakings- en rapportageprocedure die waarschijnlijk zullen bijdragen tot fouten bij de bepaling van de totale emissies. Het betreft hier met name de keuze van de emissiefactoren en de berekeningen die nodig zijn om de emissies van afzonderlijke emissiebronnen vast te stellen. Bijzondere aandacht wordt besteed aan bronnen met een groot foutenpotentieel en aan de desbetreffende aspecten van de bewakingsprocedure.

10.

De verificateur houdt rekening met alle risicobeheersingsmethoden die de exploitant toepast om de mate van onzekerheid zo klein mogelijk te houden.

Verslag

11.

De verificateur stelt een verslag op over het valideringsproces, waarin wordt vermeld of het verslag bedoeld in artikel 14, lid 3, bevredigend is. In dit verslag komen alle onderwerpen aan de orde die voor het verrichte werk van belang zijn. Er kan worden verklaard dat het verslag bedoeld in artikel 14, lid 3, bevredigend is, als, naar de mening van de verificateur, de totale emissies niet wezenlijk verkeerd zijn weergegeven.

Aan de bevoegdheid van de verificateur te stellen minimumeisen

12.

De verificateur is onafhankelijk van de exploitant, voert zijn werk serieus uit op een objectieve, professionele wijze en is vertrouwd met:

a)

de bepalingen van deze richtlijn, alsmede de door de Commissie conform artikel 14, lid 1, goedgekeurde normen en richtsnoeren;

b)

de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die van toepassing zijn op te verifiëren activiteiten, en

c)

de totstandkoming van alle informatie over elke emissiebron in de installatie, met name wat de verzameling, meting, berekening en rapportage van gegevens betreft.


Top