Help Print this page 

Document 32000R2860

Title and reference
Verordening (EG) nr. 2860/2000 van de Commissie van 27 december 2000 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2316/1999 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen, met het oog op opname van vezelvlas en -hennep, verduidelijking van de voorschriften inzake braakgelegd areaal en wijziging van de basisarealen voor Griekenland en Portugal
  • No longer in force
OJ L 332, 28.12.2000, p. 63–75 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
Special edition in Czech: Chapter 03 Volume 031 P. 102 - 114
Special edition in Estonian: Chapter 03 Volume 031 P. 102 - 114
Special edition in Latvian: Chapter 03 Volume 031 P. 102 - 114
Special edition in Lithuanian: Chapter 03 Volume 031 P. 102 - 114
Special edition in Hungarian Chapter 03 Volume 031 P. 102 - 114
Special edition in Maltese: Chapter 03 Volume 031 P. 102 - 114
Special edition in Polish: Chapter 03 Volume 031 P. 102 - 114
Special edition in Slovak: Chapter 03 Volume 031 P. 102 - 114
Special edition in Slovene: Chapter 03 Volume 031 P. 102 - 114

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2000/2860/oj
Multilingual display
Text

32000R2860

Verordening (EG) nr. 2860/2000 van de Commissie van 27 december 2000 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2316/1999 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen, met het oog op opname van vezelvlas en -hennep, verduidelijking van de voorschriften inzake braakgelegd areaal en wijziging van de basisarealen voor Griekenland en Portugal

Publicatieblad Nr. L 332 van 28/12/2000 blz. 0063 - 0075


Verordening (EG) nr. 2860/2000 van de Commissie

van 27 december 2000

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2316/1999 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen, met het oog op opname van vezelvlas en -hennep, verduidelijking van de voorschriften inzake braakgelegd areaal en wijziging van de basisarealen voor Griekenland en Portugal

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad van 17 mei 1999 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen(1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1672/2000(2), en met name op de artikelen 9 en 12,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Bij Verordening (EG) nr. 1672/2000 zijn vezelvlas en -hennep opgenomen in de steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen die is ingesteld bij Verordening (EG) nr. 1251/1999. Bij Verordening (EG) nr. 2316/1999 van de Commissie(3), gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1454/2000(4), zijn voor Verordening (EG) nr. 1251/1999 uitvoeringsbepalingen vastgesteld wat betreft de toekenning van areaalbetalingen voor bepaalde akkerbouwgewassen. Verordening (EG) nr. 2316/1999 moet bijgevolg worden gewijzigd om rekening te houden met de opname van vezelvlas en -hennep in de regeling.

(2) In artikel 5 bis van Verordening (EG) nr. 1251/1999 is bepaald, enerzijds, dat gebruik moet worden gemaakt van rassen waarvan het tetrahydrocannabinolgehalte maximaal 0,2 % bedraagt, en, anderzijds, dat de lidstaten een systeem moeten invoeren om het tetrahydrocannabinolgehalte van hennep te controleren. Met het oog op de uitvoering van deze controle moeten specifieke maatregelen worden vastgesteld, met name inzake de instandhouding van het gewas tot een bepaalde datum bij de hennepteelt.

(3) In artikel 5 bis is bepaald dat de areaalbetaling voor vezelvlas en -hennep slechts wordt uitgekeerd als er een contract is gesloten of een verbintenis is aangegaan zoals bedoeld in artikel 2, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1673/2000 van de Raad(5). Bijgevolg moet worden bepaald dat een kopie van het contract of van de verbintenis moet worden voorgelegd aan de autoriteiten van de lidstaat die bevoegd zijn voor het beheer van de betalingsaanvragen.

(4) Gegarandeerd moet worden dat alleen rassen van vezelvlas en -hennep worden ingezaaid die in de gemeenschappelijke lijst zijn opgenomen als vezelgewassen en, wat meer inzonderheid vlas betreft, als "vezelvlas". Voorts mag voor hennep het tetrahydrocannabinolgehalte van de toegestane rassen niet hoger zijn dan 0,2 %. Er moet dus een lijst met in aanmerking komende rassen worden opgesteld. Voor hennep moet, met het oog op een vlottere overgang van de geldende regeling naar die welke bij Verordening (EG) nr. 1251/1999 is ingesteld, een lijst worden vastgesteld van tijdelijk voor het verkoopseizoen 2001/2002 toegestane rassen die in de loop van dat verkoopseizoen aan aanvullende analyses moeten worden onderworpen. Om de garantie voor hennep te verhogen, moet worden bepaald dat gecertificeerd zaad moet worden gebruikt.

(5) Met het oog op de controle van het gebruikte zaad moet worden bepaald dat de op de verpakkingen aangebrachte etiketten of, voor vlas, elk ander gelijkwaardig document aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat moeten worden voorgelegd.

(6) Om de administratieve controle voor hennep te verscherpen moeten extra gegevens worden verlangd, die moeten worden vermeld in de steunaanvraag "oppervlakten" zoals bedoeld in artikel 4 van Verordening (EEG) nr. 3887/92 van de Commissie(6), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2801/1999(7).

(7) Overeenkomstig artikel 9, eerste alinea, achtste streepje, van Verordening (EG) nr. 1251/1999 moet worden vastgesteld volgens welke methode het tetrahydrocannabinolgehalte van vezelhennep moet worden bepaald. Voorts moet worden bepaald dat de resultaten van de volgens deze methode uitgevoerde analyses aan de Commissie moeten worden meegedeeld.

(8) In artikel 5 bis, lid 2, is bepaald dat de lidstaten 30 % moeten controleren van de vezelhenneparealen waarvoor betalingsaanvragen zijn ingediend, en 20 % als voor de hennepteelt voorafgaande vergunningen worden gegeven. Er moet worden gepreciseerd aan welke eisen deze controles moeten voldoen.

(9) In bijlage X bij Verordening (EG) nr. 2316/1999 is voor sommige gewassen en regio's 15 juni als uiterste inzaaidatum vastgesteld. Aangezien vezelhennep soms tot 15 juni wordt ingezaaid, moet dit gewas aan deze bijlage worden toegevoegd.

(10) In Verordening (EG) nr. 2316/1999 is bepaald dat de minimumbreedte van braakgelegde percelen om milieuredenen kan worden beperkt. Ook moet worden voorzien in de mogelijkheid om de minimumoppervlakte van die percelen dienovereenkomstig aan te passen.

(11) In het kader van Verordening (EG) nr. 1017/94 van de Raad van 26 april 1994 betreffende de omschakeling van akkerbouwareaal op de extensieve veehouderij in Portugal(8), gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1461/95(9), zijn omschakelingsaanvragen ingediend voor een totale oppervlakte van 7052 ha. Bijgevolg moet het basisareaal dat in bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 2316/1999 is vermeld, dienovereenkomstig worden aangepast.

(12) Op verzoek van Griekenland moeten nieuwe basisarealen worden vastgesteld overeenkomstig het Griekse regioplan, zonder evenwel het totale basisareaal te wijzigen.

(13) De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor granen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 2316/1999 wordt als volgt gewijzigd:

1. Artikel 3, lid 1, onder c), wordt vervangen door:

"c) waarop het akkerbouwgewas in normale groeiomstandigheden en volgens de plaatselijke normen in stand wordt gehouden tot ten minste het begin van de bloei. Bij de teelt van oliehoudende zaden, eiwithoudende gewassen, lijnzaad, vezelvlas en durumtarwe moet het gewas in normale groeiomstandigheden en volgens de plaatselijke normen in stand worden gehouden, en wel ten minste tot en met 30 juni vóór het betrokken verkoopseizoen, tenzij het gewas vóór die datum volledig rijp wordt geoogst. Eiwithoudende gewassen mogen pas na het melkrijpheidsstadium worden geoogst. Om de in artikel 5 bis, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1251/1999 bedoelde controles mogelijk te maken, moet vezelhennep in normale groeiomstandigheden en volgens de plaatselijke normen in stand worden gehouden, en wel ten minste tot tien dagen na het einde van de bloei. De lidstaat mag evenwel toestaan dat vezelhennep na het begin van de bloei maar vóór het verstrijken van de periode van tien dagen na het einde van de bloei wordt geoogst als de betrokken producent reeds een in artikel 5 bis van Verordening (EG) nr. 1251/1999 bedoelde controle heeft ondergaan of als alle controles die overeenkomstig artikel 5 bis, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1251/1999 moeten worden uitgevoerd, reeds zijn verricht.".

2. Het volgende artikel 7 bis wordt toegevoegd:

"Artikel 7 bis

1. Met het oog op de toepassing van artikel 5 bis, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1251/1999 wordt de areaalbetaling voor vezelvlas en -hennep slechts uitgekeerd als:

a) uiterlijk op 15 september na de indiening van de in artikel 8, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1251/1999 bedoelde betalingsaanvraag of op een door de lidstaat vastgestelde vroegere datum een kopie van het contract of van de verbintenis zoals bedoeld in artikel 2, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1673/2000 van de Raad(10) wordt ingediend, en

b) zaad wordt gebruikt van rassen die op 15 mei vóór het verkoopseizoen waarvoor de areaalbetaling wordt aangevraagd, zijn opgenomen in de lijst van bijlage XII. Voor vezelhennep geldt voorts dat het zaad gecertificeerd moet zijn overeenkomstig Richtlijn 69/208/EEG van de Raad(11).

2. Met het oog op de controle van het gebruikte vezelvlaszaad en het gebruikte gecertificeerde vezelhennepzaad moet de in artikel 4 van Verordening (EEG) nr. 3887/92 bedoelde steunaanvraag 'oppervlakten' vergezeld gaan van de op de verpakkingen van het gebruikte zaad aangebrachte officiële etiketten die overeenkomstig Richtlijn 69/208/EEG, en met name artikel 10, of overeenkomstig op grond van die richtlijn vastgestelde bepalingen zijn opgesteld, of, voor vezelvlas, van enig ander document dat door de betrokken lidstaat als gelijkwaardig is erkend, waaronder de in het kader van artikel 14 van die richtlijn afgegeven certificaten. Als de inzaai plaatsvindt na de uiterste datum voor de indiening van de steunaanvraag 'oppervlakten', moeten de etiketten of de als gelijkwaardig erkende documenten uiterlijk op 30 juni na de indiening van de aanvraag worden ingediend.

Met betrekking tot etiketten van zaad van hennep die bestemd is voor de vezelproductie, kunnen de lidstaten bepalen dat deze etiketten na overlegging aan de voor de steunaanvragen 'oppervlakten' verantwoordelijke autoriteiten aan de verantwoordelijke landbouwer worden teruggestuurd ingeval diezelfde etiketten moeten worden voorgelegd aan andere nationale autoriteiten.

3. Met het oog op de toekenning van de areaalbetaling voor vezelhennep moet in de steunaanvraag 'oppervlakten' zoals bedoeld in artikel 4 van Verordening (EEG) nr. 3887/92, het volgende worden vermeld:

a) alle gegevens aan de hand waarvan de met hennep ingezaaide percelen, uitgesplitst naar gebruikt hennepras, kunnen worden geïdentificeerd,

b) informatie over de hoeveelheden zaad die zijn gebruikt, uitgedrukt in kilogram per hectare.

De lidstaten kunnen bepalen welke minimumhoeveelheid zaaizaad moet worden ingezaaid voor een doelmatige teelt. Zij delen deze informatie uiterlijk op 15 mei 2001 aan de Commissie mee.".

3. Het volgende artikel 7 ter wordt toegevoegd:

"Artikel 7 ter

1. Met het oog op de toepassing van artikel 5 bis, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1251/1999 moeten de bevoegde autoriteiten van de lidstaat de in bijlage XIII beschreven methode gebruiken om het tetrahydrocannabinolgehalte van vezelhennep te bepalen voor een bepaald percentage van de vezelhenneparealen waarvoor betalingsaanvragen zijn ingediend.

De lidstaten dienen uiterlijk op 15 november van het betrokken verkoopseizoen bij de Commissie een verslag in over de geconstateerde THC-gehaltes. Voor ieder ras bevat dit verslag met name:

a) voor procedure A, het tijdstip waarop het monster is genomen,

b) het aantal uitgevoerde metingen,

c) de resultaten van deze metingen, uitgesplitst naar THC-gehalte volgens een schaalverdeling met gradaties van 0,1 %,

d) de op nationaal niveau genomen maatregelen.

Als uit de metingen blijkt dat het THC-gehalte voor een significant aantal monsters van een bepaald ras hoger ligt dan het in artikel 5 bis, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1251/1999 vastgestelde maximum, kan de Commissie, onverminderd andere maatregelen, volgens de procedure van artikel 23 van Verordening (EEG) nr. 1766/92 besluiten om tijdens het daaropvolgende verkoopseizoen voor dat ras procedure B te volgen.

Voor rassen van voor de vezelproductie bestemde hennep die zijn vermeld in bijlage XII, punt 2b, van deze verordening geldt in het verkoopseizoen 2001/2002 procedure B in alle lidstaten waar ze worden verbouwd.

2. De controle van het THC-gehalte voor ten minste 30 % van de vezelhenneparealen waarvoor betalingsaanvragen zijn ingediend, moet betrekking hebben op ten minste 30 % van de betrokken aanvragen en op alle gebruikte zaadrassen.

De lidstaat deelt de Commissie uiterlijk op 15 mei 2001 de toepassingsbepalingen en de voorwaarden mee inzake het systeem van voorafgaande teeltvergunningen op grond waarvan het minimumpercentage van de op THC-gehalte te controleren vezelhenneparealen waarvoor betalingsaanvragen zijn ingediend, mag worden verlaagd van 30 % tot 20 %. Elke wijziging in deze toepassingsbepalingen of voorwaarden moet aan de Commissie worden meegedeeld. Als een dergelijk systeem wordt toegepast, moet de controle betrekking hebben op ten minste 20 % van de betrokken aanvragen en op alle gebruikte zaadrassen.

3. De aanvragen om opname van een hennepras in de lijst van bijlage XII moeten vergezeld gaan van een verslag over de resultaten van de analyses die volgens procedure B van de in bijlage XIII beschreven methode worden uitgevoerd, alsmede van een beschrijvende notitie over het betrokken ras.".

4. In artikel 19, lid 1, tweede alinea, onder c), wordt de volgende zin toegevoegd:"In dit geval kan de in de vorige alinea bedoelde minimumoppervlakte op 0,1 ha worden vastgesteld.".

5. Bijlage VI wordt vervangen door bijlage I bij deze verordening.

6. Bijlage VII wordt vervangen door bijlage II bij deze verordening.

7. Bijlage X wordt vervangen door bijlage III bij deze verordening.

8. Bijlage XI wordt vervangen door bijlage IV bij deze verordening.

9. Bijlage XII, waarvan de tekst in bijlage V bij deze verordening is opgenomen, wordt toegevoegd.

10. Bijlage XIII, waarvan de tekst in bijlage VI bij deze verordening is opgenomen, wordt toegevoegd.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Zij is van toepassing met ingang van het verkoopseizoen 2001/2002.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 december 2000.

Voor de Commissie

Franz Fischler

Lid van de Commissie

(1) PB L 160 van 26.6.1999, blz. 1.

(2) PB L 193 van 29.7.2000, blz. 13.

(3) PB L 280 van 30.10.1999, blz. 43.

(4) PB L 163 van 4.7.2000, blz. 28.

(5) PB L 193 van 29.7.2000, blz. 16.

(6) PB L 391 van 31.12.1992, blz. 36.

(7) PB L 340 van 31.12.1999, blz. 29.

(8) PB L 112 van 3.5.1994, blz. 2.

(9) PB L 144 van 28.6.1995, blz. 4.

(10) PB L 193 van 29.7.2000, blz. 16.

(11) PB L 169 van 10.7.1969, blz. 3.

BIJLAGE I

"BIJLAGE VI

(artikel 8)

BASISAREALEN

>RUIMTE VOOR DE TABEL>"

BIJLAGE II

"BIJLAGE VII

(artikel 10, lid 4)

>PIC FILE= "L_2000332NL.006803.EPS">"

BIJLAGE III

"BIJLAGE X

(artikel 24, eerste alinea)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>"

BIJLAGE IV

"BIJLAGE XI

(artikel 26, lid 1)

AAN DE COMMISSIE MEE TE DELEN GEGEVENS

De informatie moet worden verstrekt aan de hand van een aantal tabellen naar het hiernavolgende model:

- in een eerste groep tabellen worden de gegevens ingevuld per productieregio in de zin van artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1251/1999,

- in een tweede groep tabellen worden de gegevens ingevuld voor elke regio waarvoor een basisareaal is vastgesteld in de zin van bijlage VI,

- in één enkele tabel worden de gegevens per lidstaat samengebracht.

De tabellen moeten zowel op papier als op elektronische gegevensdrager aan de Commissie worden meegedeeld.

Formules voor de oppervlakten:

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

Opmerkingen

Elke tabel moet de naam van de betrokken regio vermelden.

De opbrengst is die waarvan wordt uitgegaan voor de berekening van de areaalbetaling overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1251/1999.

Het onderscheid tussen "geïrrigeerd" en "niet-geïrrigeerd" hoeft alleen te worden gemaakt voor regio's die in dit opzicht niet homogeen zijn. In dit geval geldt:

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

Regel 1 betreft uitsluitend durumtarwe waarvoor de in artikel 5, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 1251/1999 bedoelde toeslag wordt toegekend.

Regel 2 betreft uitsluitend durumtarwe waarvoor de in artikel 5, vierde alinea, van Verordening (EG) nr. 1251/1999 bedoelde toeslag wordt toegekend.

Regel 19 betreft uitsluitend op grond van de artikelen 22, 23, 24 en 31 van Verordening (EG) nr. 1251/1999 uit productie genomen of beboste oppervlakten die overeenkomstig artikel 6, lid 8, van Verordening (EG) nr. 1251/1999 als braakgelegd akkerland worden meegerekend.

Regel 20 betreft de in artikel 2, lid 4, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1251/1999 bedoelde oppervlakten.

Er moeten ook gegevens worden verstrekt betreffende producenten die geen aanvraag indienen voor de areaalbetaling in het kader van de steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen (Verordening (EG) nr. 1251/1999). Deze gegevens moeten worden vermeld in de kolommen "m" en "n" onder de rubriek "Andere" en hebben vooral betrekking op akkerbouwland dat is aangegeven als voederareaal voor runderen en schapen voor het vlees waarvan een premie wordt betaald.

Regel 23 betreft braakgelegde grond die wordt begruikt voor de teelt van niet voor voeding of vervoedering bestemde gewassen waarvoor volgens de bepalingen voor de uitvoering van artikel 6, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1251/1999 geen areaalbetaling wordt toegekend (bijvoorbeeld suikerbieten, aardperen en cichoreiwortels)."

>PIC FILE= "L_2000332NL.007101.EPS">

BIJLAGE V

"BIJLAGE XII

(artikel 7 bis, lid 1)

RASSEN VAN VEZELVLAS EN -HENNEP DIE VOOR DE STEUNREGELING IN AANMERKING KOMEN

1. Vezelvlasrassen

Agatha

Angelin

Argos

Ariane

Aurore

Belinka

Diane

Diva

Electra

Elise

Escalina

Evelin

Exel

Hermes

Ilona

Laura

Liflax

Liviola

Marina

Marylin

Nike

Opaline

Venus

Veralin

Viking

Viola

2a. Vezelhenneprassen

Carmagnola

Cs

Dioica 88

Epsilon 68

Fedora 17

Fédrina 74

Felina 32

Felina 34 - Félina 34

Ferimon - Férimon

Fibranova

Fibrimon 24

Fibrimon 56

Futura

Futura 75

Santhica 23

2b. Voor het verkoopseizoen 2001/2002 toegestane vezelhenneprassen

Beniko

Bialobrzeskie

Delta-405

Fasamo

Fedora 19

Juso 14

Kompolti

Uso 31"

BIJLAGE VI

"BIJLAGE XIII

(artikel 7 ter, lid 1)

COMMUNAUTAIRE METHODE VOOR DE KWANTITATIEVE BEPALING VAN Δ9-THC IN HENNEPRASSEN

1. Doel en toepassingsgebied

Het doel van deze methode is de bepaling van het gehalte aan Δ9-tetrahydrocannabinol (THC) in henneprassen (Cannabis sativa L.). Al naar gelang van het geval wordt procedure A of B gevolgd, zoals hieronder beschreven.

De methode berust op de kwantitatieve bepaling van Δ9-THC door middel van gaschromatografie na extractie met een oplosmiddel.

1.1. Procedure A

Procedure A wordt gebruikt voor de in artikel 5 bis, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1251/1999 bedoelde controle.

1.2. Procedure B

Procedure B wordt gevolgd voor de in artikel 7 ter, lid 1, derde alinea, van deze verordening bedoelde gevallen en om na te gaan of wordt voldaan aan de in artikel 5 bis, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1251/1999 vastgestelde voorwaarde voor opname in de lijst van vezelhenneprassen die vanaf het verkoopseizoen 2001/2002 voor areaalbetalingen in aanmerking komen.

2. Bemonstering

2.1. Monsterneming

- Procedure A: Uit een populatie van een bepaald hennepras wordt van elke geselecteerde plant een stuk van 30 cm met ten minste één vrouwelijke bloemtop genomen. De monsterneming wordt overdag uitgevoerd in de periode tussen 20 dagen na het begin en tien dagen na het einde van de bloei en hierbij wordt een systematische route gevolgd zodat een representatieve steekproef van het perceel verkregen wordt; daarbij wordt de rand van het veld niet bemonsterd. De lidstaat kan toestaan dat het monster wordt genomen in de periode tussen het begin van de bloei en 20 dagen na het begin van de bloei, op voorwaarde dat voor elk geteeld ras overeenkomstig de genoemde regels andere representatieve monsters worden genomen in de periode tussen 20 dagen na het begin en tien dagen na het einde van de bloei.

- Procedure B: Uit een populatie van een bepaald hennepras wordt het bovenste stuk (een derde) van elke geselecteerde plant genomen. De monsterneming wordt overdag uitgevoerd in de tien dagen na het einde van de bloei en hierbij wordt een systematische route gevolgd zodat een representatieve steekproef van het perceel verkregen wordt; daarbij wordt de rand van het veld niet bemonsterd. Bij een tweehuizig ras worden alleen de vrouwelijke planten bemonsterd.

2.2. Omvang van het monster

- Procedure A: van elk perceel worden monsters van 50 planten genomen.

- Procedure B: van elk perceel worden monsters van 200 planten genomen.

Elk monster wordt zonder aandrukken in een stoffen of papieren zak gedaan en naar het analyselaboratorium gezonden.

De lidstaat kan bepalen dat een tweede monster voor een eventuele contra-analyse wordt genomen en hetzij door de teler, hetzij door de voor de analyse verantwoordelijke instantie wordt bewaard.

2.3. Droging en opslag van het monster

De monsters moeten zo snel mogelijk en in ieder geval binnen 48 uur worden gedroogd volgens ongeacht welke methode waarbij de temperatuur onder 70 °C blijft. De monsters worden gedroogd tot constant gewicht en een vochtigheid van 8 tot 13 %.

De droge monsters worden zonder aandrukken in het donker op een temperatuur beneden 25 °C bewaard.

3. Bepaling van het THC-gehalte

3.1. Bereidingswijze van het analysemonster

De droge monsters worden van stengels en zaden van meer dan 2 mm ontdaan.

De gedroogde monsters worden tot een halffijn poeder gemalen (maaswijdte van de zeef: 1 mm).

Het poeder mag maximaal tien weken droog, in het donker en op een temperatuur beneden 25 °C bewaard worden.

3.2. Reagentia en extractievloeistof

Reagentia

- Δ9-tetrahydrocannabinol voor chromatografie,

- squalaan voor chromatografie als interne standaard.

Extractievloeistof

- 35 mg squalaan per 100 ml hexaan.

3.3. Extractie van Δ9-THC

Weeg 100 mg poedervormig analysemonster af en doe dit in een centrifugebuis; voeg 5 ml extractievloeistof met interne standaard toe.

Plaats de buis gedurende 20 minuten in een ultrasoonbad. Centrifugeer gedurende vijf minuten op 3000 toeren per minuut en schenk de bovenstaande vloeistof met de opgeloste THC af. Injecteer deze vloeistof in de chromatograaf en verricht de kwantitatieve bepaling.

3.4. Gaschromatografie

a) Apparatuur

- Gaschromatograaf voorzien van een vlamionisatiedetector en een split/splitless-injector.

- Kolom waarmee een goede scheiding van cannabinoïden wordt verkregen, bijvoorbeeld een glazen capillaire kolom van 25 m lengte en 0,22 mm diameter, geïmpregneerd met een apolaire fase van het type 5 % fenyl-methyl-siloxaan.

b) IJkoplossingen

Ten minste drie punten voor procedure A en vijf punten voor procedure B, met de punten 0,04 en 0,50 mg/ml Δ9-THC per ml extractievloeistof.

c) Instelling van de apparatuur

De volgende instellingen worden als voorbeeld voor de onder a) genoemde kolom gegeven:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

d) Geïnjecteerd volume: 1 μl.

4. Resultaten

Het resultaat wordt in twee decimalen uitgedrukt als g Δ9-THC per 100 g van het analysemonster. Het resultaat mag een maximale afwijking hebben van 0,03 % in absolute waarde.

- Procedure A: per te analyseren monster wordt één bepaling verricht.

Als het resultaat boven de in artikel 5 bis, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1251/1999 vermelde grens ligt, wordt per te analyseren monster een tweede bepaling verricht en wordt het gemiddelde van de twee bepalingen als resultaat genomen.

- Procedure B: per te analyseren monster worden twee bepalingen verricht, waarvan het gemiddelde wordt genomen."

Top