Help Print this page 
Title and reference
Verordening (EG) nr. 2020/2000 van de Commissie van 25 september 2000 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 207/93 tot vaststelling van de inhoud van bijlage VI bij Verordening (EEG) nr. 2092/91 van de Raad en tot wijziging van deel C van bijlage VI bij Verordening (EEG) nr. 2092/91 inzake de biologische productiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwproducten en levensmiddelen

OJ L 241, 26.9.2000, p. 39–42 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
Special edition in Czech: Chapter 03 Volume 030 P. 313 - 316
Special edition in Estonian: Chapter 03 Volume 030 P. 313 - 316
Special edition in Latvian: Chapter 03 Volume 030 P. 313 - 316
Special edition in Lithuanian: Chapter 03 Volume 030 P. 313 - 316
Special edition in Hungarian Chapter 03 Volume 030 P. 313 - 316
Special edition in Maltese: Chapter 03 Volume 030 P. 313 - 316
Special edition in Polish: Chapter 03 Volume 030 P. 313 - 316
Special edition in Slovak: Chapter 03 Volume 030 P. 313 - 316
Special edition in Slovene: Chapter 03 Volume 030 P. 313 - 316
Special edition in Bulgarian: Chapter 03 Volume 034 P. 245 - 248
Special edition in Romanian: Chapter 03 Volume 034 P. 245 - 248
Languages, formats and link to OJ
Multilingual display
Text

32000R2020

Verordening (EG) nr. 2020/2000 van de Commissie van 25 september 2000 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 207/93 tot vaststelling van de inhoud van bijlage VI bij Verordening (EEG) nr. 2092/91 van de Raad en tot wijziging van deel C van bijlage VI bij Verordening (EEG) nr. 2092/91 inzake de biologische productiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwproducten en levensmiddelen

Publicatieblad Nr. L 241 van 26/09/2000 blz. 0039 - 0042


Verordening (EG) nr. 2020/2000 van de Commissie

van 25 september 2000

tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 207/93 tot vaststelling van de inhoud van bijlage VI bij Verordening (EEG) nr. 2092/91 van de Raad en tot wijziging van deel C van bijlage VI bij Verordening (EEG) nr. 2092/91 inzake de biologische productiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwproducten en levensmiddelen

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 2092/91 van de Raad van 24 juni 1991 inzake de biologische productiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwproducten en levensmiddelen(1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1437/2000 van de Commissie(2), en met name op artikel 5, leden 7 en 8, en artikel 13,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Bij Verordening (EEG) nr. 207/93 van de Commissie(3), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 345/97(4), is de inhoud van bijlage VI bij Verordening (EEG) nr. 2092/91 vastgesteld en zijn bepalingen vastgesteld voor de toepassing van artikel 5, lid 4, van die verordening.

(2) De gedetailleerde regels voor de toepassing van de regeling betreffende voorlopige machtigingen door de lidstaten op grond van artikel 5, lid 3, onder b), en artikel 5, lid 5 bis, onder b), van Verordening (EEG) nr. 2092/91, zoals vastgesteld in artikel 3 van Verordening (EEG) nr. 207/93, moeten worden herzien om rekening te houden met de problemen die bepaalde lidstaten momenteel ondervinden.

(3) Gebleken is dat voor bepaalde producten in deel C van bijlage VI in de Gemeenschap voldoende hoeveelheden beschikbaar zijn uit biologische productie. Deze producten moeten derhalve worden geschrapt uit deel C van bijlage VI.

(4) Voor bepaalde conventionele producten die in bovengenoemde bijlage worden geschrapt, moet worden voorzien in een gedoogperiode om de bestaande voorraden op te maken en om de sector in staat te stellen zich aan de nieuwe vereisten aan te passen.

(5) De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het in artikel 14 van Verordening (EEG) nr. 2092/91 bedoelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Artikel 3 van Verordening (EEG) nr. 207/93 wordt vervangen door:

"Artikel 3

1. Zolang een ingrediënt van agrarische oorsprong niet is opgenomen in deel C van bijlage VI bij Verordening (EEG) nr. 2092/91, mag dit ingrediënt op grond van de afwijkingsbepalingen van artikel 5, lid 3, onder b), en artikel 5, lid 5 bis, onder b), van Verordening (EEG) nr. 2092/91 worden gebruikt, voorzover:

a) de marktdeelnemer de bevoegde autoriteit van de lidstaat de nodige bewijzen heeft verstrekt waaruit blijkt dat het betrokken ingrediënt voldoet aan de vereisten van artikel 5, lid 4, van Verordening (EEG) nr. 2092/91, en

b) de bevoegde autoriteit van de lidstaat overeenkomstig de vereisten van artikel 5, lid 4, van Verordening (EEG) nr. 2092/91 een voorlopige machtiging heeft verleend voor het gebruik voor een periode van ten hoogste drie maanden, na te hebben gecontroleerd of de marktdeelnemer zich er bij de overige leveranciers in de Gemeenschap van heeft vergewist dat er geen ingrediënten beschikbaar zijn die wel aan de gestelde kwaliteitseisen voldoen; onverinderd het bepaalde in lid 6, mag de lidstaat deze machtiging ten hoogste drie maal met een periode van steeds zeven maanden verlengen, en

c) overeenkomstig de bepalingen van de leden 4 en 6, niet is besloten dat een eerdere machtiging voor het betrokken ingrediënt moet worden ingetrokken.

2. Wanneer een machtiging als bedoeld in lid 1 is verleend, verstrekt de lidstaat de andere lidstaten en de Commissie onmiddellijk de volgende gegevens:

a) de datum van de machtiging en, in het geval van een verlenging, de datum van de eerste machtiging;

b) naam, adres, telefoonnummer en, indien van toepassing, faxnummer en e-mailadres van de houder van de machtiging; naam en adres van het contactpunt bij de autoriteit die de machtiging heeft verleend;

c) naam en indien nodig een nauwkeurige beschrijving en de kwaliteitseisen van het betrokken ingrediënt van agrarische oorspong;

d) de soort producten voor de bereiding waarvan het betrokken ingrediënt vereist is;

e) de hoeveelheden die nodig zijn en de reden waarom;

f) de redenen en de verwachte duur van het tekort;

g) de datum waarop de lidstaat de kennisgeving aan de andere lidstaten en de Commissie toestuurt.

De Commissie en/of de overige lidstaten mogen deze informatie bekendmaken.

3. Als een lidstaat aan de Commissie en aan de lidstaat die de machtiging heeft verleend, opmerkingen toestuurt waaruit blijkt dat tijdens de periode met een tekort hoeveelheden van het ingrediënt beschikbaar zijn, overweegt laatstgenoemde lidstaat intrekking van de machtiging of beperking van de geldigheidsduur daarvan en stelt hij de Commissie en de andere lidstaten binnen vijftien dagen na de datum van ontvangst van de opmerkingen in kennis van de maatregelen die hij heeft genomen of zal nemen.

4. Op verzoek van een lidstaat of op initiatief van de Commissie wordt de kwestie voorgelegd aan het in artikel 14 van Verordening (EEG) nr. 2092/91 bedoelde comité. Volgens de procedure van genoemd artikel 14 kan worden besloten dat een verleende machtiging moet worden ingetrokken of dat de geldigheidsduur ervan moet worden gewijzigd of, indien nodig, dat het betrokken ingrediënt wordt opgenomen in deel C van bijlage VI.

5. In het geval van een verlenging als bedoeld in lid 1, onder b), zijn de procedures van de leden 2 en 3 van toepassing.

6. Indien een lidstaat ervoor wil zorgen dat een op conventionele wijze geproduceerd ingrediënt nog steeds mag worden gebruikt nadat de in lid 1, onder b), bedoelde machtiging voor de derde maal is verlengd, doet deze lidstaat de kennisgeving van de derde verlenging van een verleende machtiging vergezeld gaan van een verzoek om opneming van het ingrediënt in deel C van bijlage VI. Zolang er nog geen volgens de procedure van artikel 14 vastgesteld besluit tot opneming van het ingrediënt in deel C van bijlage VI of tot intrekking van de machtiging, in werking is getreden, kan de lidstaat de machtiging steeds opnieuw verlengen voor een periode van zeven maanden met inachtneming van de voorwaarden van de leden 1, 2 en 3.".

Artikel 2

Deel C van bijlage VI bij Verordening (EEG) nr. 2092/91 wordt vervangen door de bijlage bij deze verordening.

Artikel 3

De volgende plantaardige producten mogen gedurende zes maanden na de inwerkingtreding van deze verordening onder dezelfde voorwaarden als de in deel C van bijlage VI bij Verordening (EEG) nr. 2092/91 opgenomen producten worden gebruikt:

Acerola (Malpighia punicifolia); cashewnoten (Anacardium occidentale); fenegriek (Trigonella foenum-graecum); papaja's (Carica papaya); pijnboompitten (pinus pinea); pimentboom (Pimenta dioica); kardemom (Fructus cardamomi (minoris) (malabariensis) Elettaria cardamomum); kaneel (Cinnamomum zeylanicum); kruidnagel (Syzygium aromaticum); gember (Zingiber officinale); kerrie bestaande uit: koriander (Coriandrum sativum), mosterd (Sinapis alba), venkel (Foeniculum vulgare), gember (Zingiber officinale), alsmede oliën en vetten, wel of niet geraffineerd, doch niet chemisch gemodificeerd, van palmzaad, kool- en raapzaad en soja.

Artikel 4

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 25 september 2000.

Voor de Commissie

Franz Fischler

Lid van de Commissie

(1) PB L 198 van 22.7.1991, blz. 1.

(2) PB L 161 van 1.7.2000, blz. 62.

(3) PB L 25 van 2.2.1993, blz. 5.

(4) PB L 58 van 27.2.1997, blz. 38.

BIJLAGE

"DEEL C: IN ARTIKEL 5, LID 4, VAN VERORDENING (EEG) Nr. 2092/91 BEDOELDE INGREDIËNTEN VAN AGRARISCHE OORSPRONG DIE NIET BIOLOGISCH ZIJN GEPRODUCEERD

C.1. Onverwerkte plantaardige producten en producten daarvan verkregen via de procédés als bedoeld in punt 2, onder a), van de inleiding van deze bijlage:

C.1.1. Eetbare vruchten, noten en zaden

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

C.1.2. Eetbare specerijen en kruiden

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

C.1.3. Varia

Algen, inclusief zeewier, die in de bereiding van conventionele voeding mogen worden gebruikt

C.2. Plantaardige producten, verkregen door procédés als bedoeld in punt 2, onder b), van de inleiding van deze bijlage:

C.2.1. Oliën en vetten, wel of niet geraffineerd, doch niet chemisch gemodificeerd, met uitzondering van die van

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

C.2.2. Volgende suikers, zetmeel en andere producten op basis van granen en knollen

Bietsuiker, alleen tot en met 1 april 2003

Fructose

Rijstpapier

Ouwel

Zetmeel van rijst en kleefmaïs, niet chemisch gemodificeerd

C.2.3. Varia

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Rum: uitsluitend bereid uit suikerrietsap

Kirsch bereid op basis van vruchten en smaakstoffen als bedoeld in deel A.2. van deze bijlage

Mengsels van plantaardige producten die in de bereiding van conventionele voeding mogen worden gebruikt als kleur- en zoetstof voor snoepgoed, zij het uitsluitend voor de bereiding van 'Gummibärchen', alleen tot en met 30 september 2000

Mengsels van pepers van de volgende soorten: Piper nigrum, Schinus molle et Schinus terebinthifolium, alleen tot en met 31 december 2000

C.3. Dierlijke producten

Aquatische organismen, niet afkomstig van aquacultuur, die in de bereiding van conventionele voeding mogen worden gebruikt

>RUIMTE VOOR DE TABEL>"

Top