Help Print this page 

Document 32000R1655

Title and reference
Verordening (EG) nr. 1655/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 betreffende het financieringsinstrument voor het milieu (LIFE)
  • No longer in force
OJ L 192, 28.7.2000, p. 1–10 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
Special edition in Czech: Chapter 15 Volume 005 P. 121 - 129
Special edition in Estonian: Chapter 15 Volume 005 P. 121 - 129
Special edition in Latvian: Chapter 15 Volume 005 P. 121 - 129
Special edition in Lithuanian: Chapter 15 Volume 005 P. 121 - 129
Special edition in Hungarian Chapter 15 Volume 005 P. 121 - 129
Special edition in Maltese: Chapter 15 Volume 005 P. 121 - 129
Special edition in Polish: Chapter 15 Volume 005 P. 121 - 129
Special edition in Slovak: Chapter 15 Volume 005 P. 121 - 129
Special edition in Slovene: Chapter 15 Volume 005 P. 121 - 129

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2000/1655/oj
Multilingual display
Text

28.7.2000   

NL

Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen

L 192/1


VERORDENING (EG) Nr. 1655/2000 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 17 juli 2000

betreffende het financieringsinstrument voor het milieu (LIFE)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 175, lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (2),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (3),

Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag, in het licht van de door het Bemiddelingscomité op 23 mei 2000 goedgekeurde gemeenschappelijke tekst (4),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EEG) nr. 1973/92 van de Raad van 21 mei 1992 inzake de oprichting van een financieel instrument voor het milieu (LIFE) (5) werd aangenomen om bij te dragen tot de uitvoering en de ontwikkeling van het communautaire milieubeleid en van de milieuwetgeving.

(2)

Verordening (EEG) nr. 1973/92 werd ingrijpend gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1404/96 (6). Teneinde een verdere bijdrage te leveren aan de uitvoering, de actualisering en de ontwikkeling van het communautaire milieubeleid en van de milieuwetgeving, met name ten aanzien van de integratie in het overige beleid, en aan duurzame ontwikkeling in de Gemeenschap, dienen nieuwe wijzigingen te worden aangebracht in Verordening (EEG) nr. 1973/92 die omwille van de duidelijkheid, algeheel moet worden herzien en door de onderhavige verordening moet worden vervangen.

(3)

Het financieringsinstrument voor het milieu LIFE wordt uitgevoerd in fasen. De tweede fase liep af op 31 december 1999.

(4)

Gezien de positieve bijdrage van LIFE aan het bereiken van de doelstellingen van het communautaire milieubeleid en overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EEG) nr. 1973/92, moet een derde fase van vijf jaar worden aangevat die op 31 december 2004 afloopt.

(5)

LIFE moet meer worden uitgebouwd als specifiek financieringsinstrument dat een aanvulling vormt op andere communautaire instrumenten, doch zonder de steunverlening in het kader van LIFE te beperken tot gebieden die niet door andere communautaire financieringsinstrumenten worden bestreken.

(6)

De doeltreffendheid en de doorzichtigheid van de diverse procedures voor LIFE moeten worden verbeterd door de drie onderdelen van het instrument duidelijk te omschrijven.

(7)

Het is noodzakelijk zorg te dragen voor een doeltreffende follow-up en evaluatie van de in het kader van LIFE ondernomen acties.

(8)

De ervaring die tijdens de tweede fase van LIFE is opgedaan, leert dat het nodig is de inspanningen te concentreren door de actiegebieden die voor financiële steun van de Gemeenschap in aanmerking komen duidelijker te omschrijven, de beheerstaken te vereenvoudigen en de maatregelen ter verspreiding van de informatie over de opgedane ervaring, de bereikte resultaten en het effect daarvan op lange termijn, te verbeteren, teneinde de overdracht van die resultaten te bevorderen.

(9)

Bij de ontwikkeling van het communautaire milieubeleid dient rekening te worden gehouden met de resultaten van en de ervaring met de afzonderlijke acties in het kader van LIFE.

(10)

Aandacht moet worden besteed aan vogeltrekroutes en de rol van bufferzones in het kader van projecten die bijdragen tot de uitvoering van Natura 2000.

(11)

Voorbereidende projecten moeten betrekking hebben op de ontwikkeling van nieuwe communautaire milieuacties en -instrumenten en/of op de actualisering van milieuwetgeving en -beleid.

(12)

Volgens Besluit nr. 2179/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 1998 betreffende de herziening van het beleidsplan en actieprogramma van de Europese Gemeenschap inzake het milieu en duurzame ontwikkeling „Op weg naar duurzame ontwikkeling” (7) zijn het de prioritaire doelstellingen van de Gemeenschap, programma's te ontwikkelen voor het verder bevorderen van het milieubewustzijn van de industrie, inclusief met name het midden- en kleinbedrijf, en voorrang te geven aan de door het midden- en kleinbedrijf ondervonden problemen in verband met technische en financiële belemmeringen voor de ontwikkeling en het gebruik van schone technologie ten behoeve van het milieu.

(13)

Voor voorstellen die voor financiële steun in het kader van LIFE-Milieu in aanmerking worden genomen, moet in voorkomend geval rekening worden gehouden met de werkgelegenheidseffecten ervan.

(14)

Aan derde landen rond de Middellandse Zee of de Oostzee, andere dan de landen in Midden- en Oost-Europa die associatieovereenkomsten met de Europese Gemeenschap hebben gesloten, moet technische bijstand worden verleend om capaciteiten en administratieve structuren op milieugebied tot stand te brengen.

(15)

De Europa-overeenkomsten tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten enerzijds en de kandidaat-lidstaten in Midden- en Oost-Europa anderzijds voorzien in de deelname van die landen aan communautaire programma's, met name op het gebied van het milieu.

(16)

Bovenbedoelde landen in Midden- en Oost-Europa dragen de kosten van hun deelname normaliter zelf, doch indien noodzakelijk kan de Gemeenschap, voor specifieke gevallen en in overeenstemming met de regels die van toepassing zijn op de algemene begroting van de Europese Unie en de betrokken associatieovereenkomsten besluiten, de nationale bijdrage van het betrokken land aan te vullen.

(17)

De overige kandidaat-lidstaten kunnen, voorzover zij financieel bijdragen in LIFE, daaraan deelnemen onder soortgelijke voorwaarden als de kandidaat-lidstaten in Midden- en Oost-Europa.

(18)

Van derde landen ontvangen bedragen vormen middelen die alleen voor het betrokken instrument bestemd zijn en worden als zodanig in het overeenkomstige uitgavenonderdeel opgenomen.

(19)

Er moet worden voorzien in selectiemechanismen die het mogelijk maken de steun van de Gemeenschap op de specifieke kenmerken van de te ondersteunen projecten af te stemmen. Richtsnoeren moeten zorgen voor synergie tussen demonstratieprojecten en de leidende beginselen van het communautaire milieubeleid met het oog op duurzame ontwikkeling.

(20)

De maatregelen die nodig zijn voor de uitvoering van deze verordening worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (8).

(21)

In deze verordening worden voor de gehele duur van de derde fase de financiële middelen vastgesteld die voor de begrotingsautoriteit in de loop van de jaarlijkse begrotingsprocedure het voornaamste referentiepunt vormen, in de zin van punt 33 van het Interinstitutioneel Akkoord van 6 mei 1999 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (9).

(22)

Het Europees Parlement en de Raad gaan op voorstel van de Commissie na, of het raadzaam is de LIFE-actie na de derde fase voort te zetten,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Algemene doelstelling

Er wordt een financieringsinstrument voor het milieu ingesteld, hierna „LIFE” te noemen.

De algemene doelstelling van LIFE bestaat erin, bij te dragen tot de uitvoering, de actualisering en de ontwikkeling van het communautaire milieubeleid en van milieuwetgeving, met name wat betreft de integratie van het milieuaspect in de andere takken van het beleid, en tot duurzame ontwikkeling in de Gemeenschap.

Artikel 2

Thematische onderdelen en algemene criteria

LIFE bestaat uit drie thematische onderdelen, LIFE-Natuur, LIFE-Milieu en LIFE-Derde Landen.

De door LIFE gefinancierde projecten dienen aan de volgende criteria te voldoen:

a)

van communautair belang zijn en een significante bijdrage leveren tot de algemene doelstelling van artikel 1;

b)

uitgevoerd worden door technisch betrouwbare en financieel gezonde deelnemers;

c)

haalbaar zijn wat betreft de technische voorstellen, planning, begroting en het rendement.

Prioriteit kan worden verleend aan projecten met een multinationale opzet wanneer daarmee de doelstellingen beter kunnen worden bereikt, de haalbaarheid en kosten in aanmerking genomen.

Artikel 3

LIFE-Natuur

1.   LIFE-Natuur heeft als specifiek doel bij te dragen tot de uitvoering van Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (10), Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (11) en in het bijzonder het Europese „Natura 2000”-netwerk dat bij de laatstgenoemde richtlijn is opgezet.

2.   De volgende projecten en/of maatregelen komen voor steun in het kader van LIFE-Natuur in aanmerking:

a)

natuurbehoudsprojecten die gericht zijn op het specifieke doel van lid 1 en die bijdragen tot behoud of herstel van natuurlijke habitats en populaties van de diverse soorten in een gunstige staat van instandhouding, als omschreven in Richtlijn 92/43/EEG,

b)

begeleidende maatregelen die het specifieke doel van lid 1 bevorderen en die vereist zijn voor:

i)

de voorbereiding van projecten waarbij partners uit diverse lidstaten zijn betrokken („starter-maatregelen”);

ii)

de uitwisseling van ervaringen tussen projecten („co-op-maatregelen”);

iii)

de follow-up en beoordeling van de projecten alsmede de verspreiding van de resultaten daarvan, met inbegrip van de in vorige fasen van LIFE gehonoreerde projecten („assist-maatregelen”).

3.   De financiële steun neemt de vorm aan van medefinanciering van de projecten. Het maximale financieringspercentage bedraagt:

a)

50 % voor natuurbehoudsprojecten en 100 % voor begeleidende maatregelen;

b)

bij wijze van uitzondering wordt het onder a) genoemde financieringspercentage van 50 % verhoogd tot 75 % voor projecten met betrekking tot prioritaire natuurlijke habitats of prioritaire soorten in de zin van Richtlijn 92/43/EEG of tot vogelsoorten die door het comité van artikel 16 van Richtlijn 79/409/EEG worden aangemerkt als bij voorrang in aanmerking komend voor financiering uit hoofde van LIFE-Natuur.

4.   Voorstellen voor overeenkomstig lid 2, onder a), te financieren projecten worden door de lidstaten aan de Commissie doorgeleid. Indien er meer dan één lidstaat bij een project betrokken is, wordt het voorstel doorgeleid door de lidstaat waar de coördinerende instantie gevestigd is.

De Commissie stelt elk jaar de datum voor het doorgeleiden van de voorstellen vast en neemt overeenkomstig lid 7 een besluit over de voorstellen.

5.   Voor financiële steun overeenkomstig lid 7 komen alleen voorstellen in aanmerking die voldoen aan de vereisten van artikel 2 en artikel 3, lid 2, onder a), en aan de volgende criteria:

a)

projecten op het Europese grondgebied van de lidstaten die betrekking hebben op:

i)

een door een lidstaat overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 92/43/EEG voorgesteld gebied, of

ii)

een overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 79/409/EEG aangewezen beschermingszone, of

iii)

een in bijlage II of bijlage IV van Richtlijn 92/43/EEG of bijlage I van Richtlijn 79/409/EEG genoemde soort;

b)

projecten in de kandidaat-lidstaten waarop artikel 6 van toepassing is, die betrekking hebben op:

i)

een gebied van internationaal belang waar wordt aangetroffen, een habitattype van bijlage I of een soort van bijlage II van Richtlijn 92/43/EEG, of een habitattype of een soort die niet in de Gemeenschap voorkomen maar waarvoor overeenkomstig de desbetreffende resolutie in het kader van het Verdrag van Bern specifieke instandhoudingsmaatregelen vereist zijn, of

ii)

een gebied van internationaal belang waar wordt aangetroffen, een vogelsoort van bijlage I van Richtlijn 79/409/EEG of een in de Gemeenschap voorkomende trekvogelsoort, of een niet in de Gemeenschap voorkomende vogelsoort maar waarvoor overeenkomstig de desbetreffende resolutie in het kader van het Verdrag van Bern specifieke instandhoudingsmaatregelen vereist zijn, of

iii)

een soort van bijlage II of IV van Richtlijn 92/43/EEG of van bijlage I van Richtlijn 79/409/EEG of op een niet in de Gemeenschap voorkomende soort die in bijlage I of II van het Verdrag van Bern is ingedeeld.

6.   De Commissie stuurt de lidstaten een samenvatting van de ontvangen voorstellen toe. Op verzoek verleent zij de lidstaten inzage van de originele documenten.

7.   Ten aanzien van de voor financiering in het kader van LIFE-Natuur in aanmerking genomen projecten wordt de procedure van artikel 11 toegepast. Voor de toepassing van dit lid is het bedoelde comité dat van artikel 20 van Richtlijn 92/43/EEG.

De Commissie stelt een tot de lidstaten gericht kaderbesluit vast betreffende de geselecteerde voorstellen en tot de begunstigden gerichte individuele beschikkingen betreffende het steunbedrag, de financierings- en controleregelingen alsmede alle specifieke technische voorwaarden in samenhang met het goedgekeurde project.

8.   Op initiatief van de Commissie

a)

en na raadpleging van het comité van artikel 21 van Richtlijn 92/43/EEG wordt met betrekking tot de overeenkomstig lid 2, onder b), punten i) en ii), te financieren begeleidende maatregelen opgeroepen tot het indienen van blijken van belangstelling. Lidstaten kunnen voorstellen voor begeleidende maatregelen aan de Commissie doen toekomen;

b)

wordt met betrekking tot de overeenkomstig lid 2, onder b), punt iii), te financieren begeleidende maatregelen opgeroepen tot het indienen van blijken van belangstelling.

Alle oproepen tot het indienen van blijken van belangstelling worden, met vermelding van de vereiste specifieke criteria, in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen bekendgemaakt.

Artikel 4

LIFE-Milieu

1.   LIFE-Milieu heeft als specifiek doel bij te dragen tot de ontwikkeling van innoverende en geïntegreerde technieken en methoden en tot de verdere ontwikkeling van het milieubeleid van de Gemeenschap.

2.   De volgende projecten en/of maatregelen komen voor steun in het kader van LIFE-Milieu in aanmerking:

a)

demonstratieprojecten die het in lid 1 genoemde doel ten goede komen en erop gericht zijn:

overwegingen inzake milieu en duurzame ontwikkeling te integreren in de ruimtelijke ordening en planning, ook in stedelijke en in kustgebieden; of

duurzaam beheer van grondwater en oppervlaktewateren te bevorderen; of

de milieueffecten van economische activiteiten te minimaliseren, met name door de ontwikkeling van schone technologieën en door nadruk te leggen op preventie, onder meer door de vermindering van de emissie van broeikasgassen; of

alle soorten afval te voorkomen, te hergebruiken en te recycleren en de afvalstromen rationeel te beheren; of

de milieueffecten van producten te verminderen door een geïntegreerde benadering van productie, distributie, consumptie en verwerking aan het einde van hun levensduur, met inbegrip van de ontwikkeling van milieuvriendelijke producten;

b)

projecten die voorafgaan aan de ontwikkeling van nieuwe milieuacties en -instrumenten van de Gemeenschap en/of aan de actualisering van milieuwetgeving en -beleid;

c)

begeleidende maatregelen die nodig zijn voor

i)

de verspreiding van informatie met het oog op de uitwisseling van ervaringen tussen projecten;

ii)

de evaluatie, de follow-up en de promotie van de tijdens deze uitvoeringsfase van het LIFE-instrument en de eerste twee fasen ondernomen acties, alsmede voor de verspreiding van informatie over de met die acties opgedane ervaring en over de overdracht van de daarmee bereikte resultaten.

3.   De financiële steun neemt de vorm aan van medefinanciering van de projecten.

Voor projecten die aanzienlijke netto-inkomsten opleveren bedraagt de financiële steun van de Gemeenschap ten hoogste 30 % van de in aanmerking komende kosten. Bovendien dient in dit geval de bijdrage van de begunstigden ten minste evenveel te bedragen als de communautaire steun.

Voor alle andere projecten bedraagt de financiële steun van de Gemeenschap ten hoogste 50 % van de in aanmerking komende kosten.

Voor begeleidende maatregelen kan de financiële steun van de Gemeenschap tot 100 % van de kosten bedragen.

4.   Voor demonstratieprojecten stelt de Commissie met toepassing van de procedure van artikel 11 richtsnoeren vast die in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen worden bekendgemaakt. De richtsnoeren bevorderen de synergie tussen de demonstratieprojecten en de leidende beginselen van het communautaire milieubeleid met het oog op duurzame ontwikkeling.

5.   Voorstellen voor overeenkomstig lid 2, onder a), te financieren projecten worden door de lidstaten aan de Commissie doorgeleid. Indien er meer dan één lidstaat bij een project is betrokken, wordt het voorstel doorgeleid door de lidstaat waar de coördinerende instantie gevestigd is.

De Commissie stelt elk jaar de datum voor het doorgeleiden van de voorstellen vast en neemt overeenkomstig lid 10 een besluit over de voorstellen.

6.   Voor toekenning van financiële steun overeenkomstig lid 10 komen alleen voorstellen in aanmerking die voldoen aan de vereisten van artikel 2 en artikel 4, lid 2, onder a), en aan de volgende criteria:

a)

oplossingen bieden voor een probleem dat zich in de Gemeenschap veelvuldig voordoet of dat voor bepaalde lidstaten een punt van ernstige bezorgdheid is;

b)

in technisch opzicht of inzake toegepaste methode innoverend zijn;

c)

een voorbeeldfunctie hebben en vooruitgang betekenen ten opzichte van de huidige situatie;

d)

stimulansen kunnen bieden voor de verspreiding en zo ruim mogelijke toepassing van praktijken, technologieën en/of producten die bevorderlijk zijn voor de bescherming van het milieu;

e)

gericht zijn op de ontwikkeling en de overdracht van knowhow die in identieke of soortgelijke situaties kan worden gebruikt;

f)

samenwerking op milieugebied bevorderen;

g)

een uit milieuoogpunt bevredigende kosten/batenverhouding lijken te bieden;

h)

de integratie van het milieuaspect in activiteiten met hoofdzakelijk sociaal-economische doeleinden bevorderen.

Bij de beoordeling van de voorstellen moet in voorkomend geval ook met de werkgelegenheidseffecten rekening worden gehouden.

7.   Uitgaven voor de volgende doeleinden komen niet voor steun in aanmerking:

a)

aankoop van terreinen;

b)

studies die niet specifiek betrekking hebben op het doel van de gefinancierde projecten;

c)

investeringen in grote infrastructuur en structurele investeringen zonder innoverend karakter, met inbegrip van activiteiten die reeds op industriële schaal zijn uitgevoerd;

d)

activiteiten op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling.

8.   Op initiatief van de Commissie

a)

en na raadpleging van het comité van lid 11, wordt met betrekking tot de overeenkomstig lid 2, onder b), te financieren projecten en tot de overeenkomstig lid 2, onder c), punt i), begeleidende maatregelen opgeroepen tot het indienen van blijken van belangstelling. Lidstaten kunnen voorstellen voor begeleidende maatregelen aan de Commissie doen toekomen,

b)

wordt met betrekking tot de overeenkomstig lid 2, onder c) ii), te financieren begeleidende maatregelen opgeroepen tot het indienen van blijken van belangstelling.

Alle oproepen tot het indienen van blijken van belangstelling worden, met vermelding van de vereiste specifieke criteria, in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen bekendgemaakt.

9.   De Commissie stuurt de lidstaten een samenvatting toe van de uit hoofde van lid 2, onder a) en b), ontvangen voorstellen. Op verzoek verleent zij de lidstaten inzage van de originele documenten.

10.   Ten aanzien van de voor financiering in aanmerking genomen projecten wordt de procedure van artikel 11 toegepast.

11.   De Commissie stelt een tot de lidstaten gericht kaderbesluit vast betreffende de geselecteerde voorstellen en tot de begunstigden gerichte individuele beschikkingen betreffende het steunbedrag, de financierings- en controleregelingen alsmede alle specifieke technische voorwaarden in samenhang met het goedgekeurde project.

Artikel 5

LIFE-Derde Landen

1.   LIFE-Derde Landen heeft als specifiek doel bij te dragen tot de totstandbrenging van de noodzakelijke capaciteiten en administratieve structuren op milieugebied en tot de ontwikkeling van het beleid en van actieprogramma's op milieugebied in derde landen rond de Middellandse Zee en de Oostzee, met uitzondering van de landen in Midden- en Oost-Europa die associatieovereenkomsten met de Europese Unie hebben gesloten en die onder artikel 6, lid 1, vallen.

2.   Voor steun in het kader van LIFE-Derde Landen komen in aanmerking:

a)

technische-bijstandsprojecten die gericht zijn op het in lid 1 genoemde doel;

b)

begeleidende maatregelen die nodig zijn voor de evaluatie, de follow-up en de promotie van de tijdens deze uitvoeringsfase van het LIFE-instrument en de eerste twee fasen ondernomen acties, alsmede voor de uitwisseling van ervaringen tussen projecten en de verspreiding van informatie over de dankzij die acties verkregen ervaring en resultaten.

3.   De financiële steun neemt de vorm aan van medefinanciering van projecten en begeleidende maatregelen. De financiële steun van de Gemeenschap bedraagt ten hoogste 70 % van de kosten van de in lid 2, onder a), bedoelde projecten en kan tot 100 % bedragen van de kosten van de in lid 2, onder b), bedoelde begeleidende maatregelen.

4.   Voorstellen voor overeenkomstig lid 2, onder a), te financieren projecten worden bij de Commissie ingediend door de bevoegde autoriteiten van de betrokken derde landen. Indien er meer dan één derde land bij een project is betrokken, wordt het voorstel ingediend door het land waar de coördinerende instantie gevestigd is, of door de internationale organisatie die zich in de betrokken geografische regio voor de bescherming van het milieu inzet.

De Commissie stelt elk jaar de datum voor het doorgeleiden van de voorstellen vast en neemt overeenkomstig lid 7 een besluit over de voorstellen.

5.   Voor financiële steun overeenkomstig lid 7 komen alleen voorstellen in aanmerking die voldoen aan de vereisten van artikel 2 en artikel 5, lid 2, onder a), en aan de volgende criteria:

a)

van belang zijn voor de Gemeenschap, met name doordat zij bijdragen tot de uitvoering van regionale en internationale beleidslijnen en overeenkomsten;

b)

bijdragen tot het tot stand brengen van een aanpak die bevorderlijk is voor duurzame ontwikkeling op internationaal, nationaal of regionaal niveau;

c)

oplossingen bieden voor belangrijke milieuproblemen in de regio of in de betrokken sector.

Er wordt prioriteit verleend aan acties die grensoverschrijdende, transnationale of regionale samenwerking kunnen bevorderen.

6.   De Commissie stuurt de lidstaten een samenvatting toe van de belangrijkste elementen en de inhoud van de voorstellen die zij van de derde landen ontvangen heeft.

Op verzoek verleent zij de lidstaten inzage van de originele documenten.

7.   Ten aanzien van de voor financiering in aanmerking genomen projecten wordt de procedure van artikel 11 toegepast. Onverminderd deze procedure wordt het comité van artikel 21 van Richtlijn 92/43/EEG geraadpleegd alvorens een beslissing wordt genomen over projecten met betrekking tot natuurbescherming. De Commissie legt de lijst van de geselecteerde projecten vast in een besluit.

8.   Met betrekking tot de goedgekeurde projecten wordt door de Commissie en de begunstigden een contract gesloten waarin het bedrag van de financiële steun, de financierings- en controleregelingen alsmede alle specifieke technische voorwaarden in samenhang met het goedgekeurde project worden vastgesteld. De lijst van de geselecteerde voorstellen wordt aan de lidstaten meegedeeld.

9.   Op initiatief van de Commissie wordt met betrekking tot de overeenkomstig lid 2, onder b), te financieren begeleidende maatregelen in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen opgeroepen tot het indienen van blijken van belangstelling, met vermelding van de vereiste specifieke criteria.

Artikel 6

Deelname van de kandidaat-lidstaten

1.   LIFE staat open voor deelname van de kandidaat-lidstaten in Midden- en Oost-Europa, overeenkomstig de voorwaarden die zijn vastgesteld in de met ieder betrokken land gesloten associatieovereenkomsten op basis van het bepaalde in het besluit van de voor dat betrokken land bevoegde Associatieraad.

2.   Voorstellen voor in het kader van LIFE-Natuur en LIFE-Milieu te financieren projecten worden door de nationale autoriteiten van de betrokken landen aan de Commissie doorgeleid binnen de door de Commissie overeenkomstig artikel 3, lid 4, respectievelijk artikel 4, lid 5, vastgestelde termijn. Voor projecten waaraan door meer dan één land wordt deelgenomen, wordt het voorstel doorgeleid door het land waar de coördinerende instantie gevestigd is.

3.   Voor toekenning van communautaire financiële steun worden de voorstellen in aanmerking genomen die voldoen aan de algemene criteria van artikel 2, lid 2, en aan de specifieke criteria van artikel 3, lid 5, onder b), en artikel 4, leden 6 en 8.

4.   De Commissie stuurt de lidstaten een samenvatting van de belangrijkste elementen en de inhoud van de voorstellen die zij van de nationale autoriteiten van de betrokken landen heeft ontvangen. Op verzoek stelt zij de originele documenten voor raadpleging ter beschikking van de lidstaten.

5.   Ten aanzien van de voor financiële steun in het kader van LIFE in aanmerking genomen projecten wordt, afhankelijk van het type project dat wordt voorgesteld, de procedure van artikel 3, lid 7, dan wel de procedure van artikel 11 toegepast.

6.   Met betrekking tot de goedgekeurde projecten wordt met de begunstigden een contract of overeenkomst gesloten waarin het bedrag van de financiële steun, de financierings- en controleregelingen alsmede alle specifieke technische voorwaarden in samenhang met het goedgekeurde project worden vastgesteld. De lijst van de geselecteerde voorstellen wordt aan de lidstaten meegedeeld.

7.   Zodra ten aanzien van de andere kandidaat-lidstaten voorwaarden en bepalingen als die van lid 1 zijn vastgesteld, wordt LIFE opengesteld voor deelname door die landen overeenkomstig het bepaalde in de leden 2 tot en met 6. Landen die deelnemen op grond van dit artikel mogen niet deelnemen op grond van artikel 5.

8.   De jaarlijkse uitsplitsing van de middelen die door de in de leden 1 en 7 bedoelde landen voor de medefinanciering van het instrument worden opgebracht, wordt bekendgemaakt in de algemene begroting van de Europese Unie, afdeling III, deel B, bijlage IV.

Artikel 7

Samenhang tussen de financieringsinstrumenten

1.   Onverminderd het bepaalde in artikel 6 voor kandidaat-lidstaten, kan op grond van deze verordening geen steun worden toegekend voor projecten waarvoor uit structuurfondsen of uit andere communautaire financieringsinstrumenten steun wordt verleend.

2.   De Commissie zorgt voor coherentie tussen de maatregelen die in het kader van deze verordening worden genomen en die welke in het kader van structuurfondsen, programma's voor onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie en andere communautaire financieringsinstrumenten worden genomen.

Artikel 8

Duur van de derde fase en financiële middelen

1.   LIFE wordt in fasen uitgevoerd. De derde fase gaat in op 1 januari 2000 en eindigt op 31 december 2004. Het financiële kader voor de uitvoering van de derde fase (2000-2004) wordt hierbij vastgesteld op 640 miljoen EUR.

2.   De begrotingsmiddelen die worden uitgetrokken voor de acties waarin deze verordening voorziet, worden jaarlijks ingeschreven in de algemene begroting van de Europese Unie. De begrotingsautoriteit stelt, binnen de perken van de financiële vooruitzichten, de omvang vast van de middelen die voor ieder begrotingsjaar beschikbaar worden gesteld.

3.   De toe te wijzen middelen worden als volgt over de diverse actiegebieden omgeslagen:

a)

47 % voor acties uit hoofde van artikel 3;

b)

47 % voor acties uit hoofde van artikel 4;

c)

6 % voor acties uit hoofde van artikel 5.

De middelen voor begeleidende maatregelen worden beperkt tot 5 % van de beschikbare kredieten.

Artikel 9

Toezicht op de projecten

1.   Met betrekking tot ieder door LIFE gefinancierd project sturen de begunstigden de Commissie en, op verzoek, de betrokken lidstaat technische en financiële voortgangsrapporten toe. Aan de lidstaten kunnen samenvattingen van de rapporten worden toegezonden. Voorts wordt de Commissie en de betrokken lidstaat binnen drie maanden na de voltooiing van het project een eindrapport toegestuurd.

De Commissie bepaalt vorm en inhoud van deze rapporten. De rapporten worden gebaseerd op de materiële en financiële gegevens die in de beschikking van de Commissie waarbij het project wordt goedgekeurd of het contract of de overeenkomst dat/die met de begunstigden werd gesloten, omschreven zijn. Die gegevens schetsen een beeld van het werk en de binnen een gegeven termijn te bereiken doeleinden.

2.   Onverminderd de controles die door de Rekenkamer in overleg met de bevoegde nationale instellingen of diensten worden uitgevoerd overeenkomstig artikel 248 van het Verdrag en eventuele inspecties krachtens artikel 279, onder c), van het Verdrag, kunnen ambtenaren of andere personeelsleden van de Commissie ter plaatse, met name aan de hand van steekproeven, de door LIFE gefinancierde projecten controleren.

Alvorens een controle ter plaatse wordt uitgevoerd, brengt de Commissie de betrokken begunstigde hiervan op de hoogte, behalve in het geval van gegronde verdenking van fraude en/of oneigenlijk gebruik.

3.   Gedurende een periode van vijf jaar, te rekenen vanaf de laatste betaling in samenhang met een actie, houdt de begunstigde van financiële steun alle bescheiden ter staving van de in het kader van de actie gedane uitgaven ter beschikking van de Commissie.

4.   Op basis van de conclusies van de in de leden 1 en 2 bedoelde rapporten en de steekproefsgewijze controles past de Commissie zo nodig de omvang van de aanvankelijk toegekende steun of de desbetreffende toekenningsvoorwaarden alsmede het tijdschema van de betalingen aan.

5.   De Commissie neemt alle andere maatregelen die nodig zijn om na te gaan of de gefinancierde projecten correct en overeenkomstig deze verordening worden uitgevoerd.

Artikel 10

Bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap

1.   De Commissie kan de voor een project verleende financiële steun verminderen, opschorten of terugvorderen indien zij onregelmatigheden constateert, met inbegrip van niet-naleving van deze verordening, de individuele beschikking of het contract of de overeenkomst waarbij de financiële steun in kwestie werd toegekend, of indien blijkt dat een belangrijke wijziging in het project is aangebracht die strijdig is met de aard of de uitvoeringsvoorwaarden ervan en waarvoor de Commissie niet om goedkeuring is verzocht.

2.   Als de termijnen niet in acht genomen zijn of als de manier waarop een project werd uitgevoerd, slechts een deel van de toegezegde steun rechtvaardigt, verzoekt de Commissie de begunstigde haar binnen een vastgestelde termijn zijn opmerkingen toe te sturen. Indien de begunstigde geen geldige verantwoording verstrekt, kan de Commissie de rest van de financiële steun schrappen en de terugbetaling van de reeds betaalde bedragen eisen.

3.   Onverschuldigd betaalde bedragen moeten aan de Commissie worden terugbetaald. Voor niet terugbetaalde bedragen kunnen moratoire interesten worden aangerekend. De Commissie stelt de toepassingsbepalingen van dit lid vast.

Artikel 11

Comité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité (hierna „het comité” genoemd).

2.   In de gevallen waarin naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van de bepalingen van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

3.   Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 12

Evaluatie van de derde fase en voortzetting van LIFE

1.   Uiterlijk op 30 september 2003 legt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad

a)

een rapport voor over de uitvoering van deze verordening, de bijdrage ervan aan de ontwikkeling van het communautaire milieubeleid en de benutting van de kredieten, en doet zij zo nodig voorstellen voor aanpassingen met het oog op de voortzetting van de actie na de derde fase;

b)

indien nodig een voorstel betreffende een vierde fase van LIFE voor.

2.   Overeenkomstig het Verdrag nemen het Europees Parlement en de Raad uiterlijk op 1 juli 2004 een besluit over de uitvoering van de vierde fase vanaf 1 januari 2005.

Artikel 13

Intrekking van Verordening (EEG) nr. 1973/92

1.   Verordening (EEG) nr. 1973/92 wordt ingetrokken; op grond van die verordening vastgestelde beschikkingen en overeenkomsten betreffende de toekenning van financiële steun blijven onverminderd gelden.

2.   Alle verwijzingen naar de ingetrokken verordening worden geacht betrekking te hebben op de onderhavige verordening en moeten gelezen worden overeenkomstig de in de bijlage bij deze verordening opgenomen concordantietabel.

Artikel 14

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 juli 2000.

Voor het Europees Parlament

De voorzitster

N. FONTAINE

Voor de Raad

De voorzitter

J. GLAVANY


(1)  PB C 15 van 20.1.1999, blz. 4.

(2)  PB C 209 van 22.7.1999, blz. 14.

(3)  PB C 374 van 23.12.1999, blz. 45.

(4)  Advies van het Europees Parlement van 14 april 1999 (PB C 219 van 30.7.1999, blz. 265), bevestigd op 6 mei 1999 (PB C 279 van 1.10.1999, blz. 275), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 22 oktober 1999 (PB C 346 van 2.12.1999, blz. 1 ), besluit van het Europees Parlement van 16 februari 2000 (nog niet verschenen in het Publicatieblad), besluit van de Raad van 29 juni 2000 en besluit van het Europees Parlement van 5 juli 2000.

(5)  PB L 206 van 22.7.1992, blz. 1.

(6)  PB L 181 van 20.7.1996, blz. 1.

(7)  PB L 275 van 10.10.1998, blz. 1.

(8)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(9)  PB C 172 van 18.6.1999, blz. 1.

(10)  PB L 103 van 25.4.1979, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 97/49/EG (PB L 223 van 13.8.1997, blz. 9).

(11)  PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 97/62/EG (PB L 305 van 8.11.1997, blz. 42).


BIJLAGE

CONCORDANTIETABEL

Verordening (EEG) nr. 1973/92

Onderhavige verordening

Artikel 1

Artikel 1

Artikel 2, lid 1, onder a)

Artikel 3, lid 1, en lid 2, onder a)

Artikel 2, lid 1, onder b), i), ii)

Artikel 4, lid 1, en lid 2, onder a)

Artikel 2, lid 1, onder b), iii), eerste alinea

Artikel 4, lid 1, en lid 2, onder b)

Artikel 2, lid 1, onder b), iii), eerste, tweede, derde en vierde streepje

Artikel 2, lid 2, onder a)

Artikel 5, lid 1, en lid 2, onder a)

Artikel 2, lid 2, onder b) en c)

Artikel 2, lid 3

Artikel 3, lid 2, onder b), artikel 4, lid 2, onder c), artikel 5, lid 2, onder b)

Artikel 4, onder a)

Artikel 3, lid 3, eerste zin, artikel 4, lid 3, eerste alinea, artikel 5, lid 3, eerste zin

Artikel 4, onder b)

Artikel 5

Artikel 7, lid 1

Artikel 6

Artikel 7, lid 2

Artikel 7, lid 1, eerste alinea

Artikel 8, lid 1, eerste en tweede zin

Artikel 7, lid 1, tweede alinea

Artikel 8, lid 1, derde zin

Artikel 7, lid 1, derde alinea

Artikel 8, lid 2, tweede zin

Artikel 7, lid 2

Artikel 7, lid 3

Artikel 8, lid 1

Artikel 8, lid 3

Artikel 8, lid 2

Artikel 3, lid 3, onder a), eerste deel, en onder b), artikel 4, lid 3, tweede en derde alinea

Artikel 8, lid 3

Artikel 3, lid 3, onder a), tweede deel, artikel 4, lid 3, vierde alinea, artikel 5, lid 3, tweede zin

Artikel 9, lid 1

Artikel 3, lid 4 en lid 8, onder a), artikel 4, lid 5, en lid 8 onder a)

Artikel 9, lid 2

Artikel 5, lid 4

Artikel 9, lid 3

Artikel 9, lid 4

Artikel 3, lid 6, artikel 4, lid 9, en artikel 5, lid 6

Artikel 9, lid 5, eerste alinea

Artikel 3, lid 7, eerste alinea, en lid 8, onder a), eerste zin, artikel 4, lid 8, onder a), en lid 10, en artikel 5, lid 7

Artikel 9, lid 5, tweede alinea, eerste streepje

Artikel 3, lid 7, tweede alinea, en artikel 4, lid 11

Artikel 9, lid 5, tweede alinea, tweede streepje

Artikel 5, lid 8

Artikel 9, lid 6

Artikel 3, lid 7, tweede alinea, artikel 4, lid 11, artikel 5, lid 8

Artikel 9 bis, lid 1, onder a)

Artikel 2

Artikel 9 bis, lid 1, onder b), i)

Artikel 3, lid 5, onder a)

Artikel 9 bis, lid 1 onder b), ii) en iii)

Artikel 4, lid 6

Artikel 9 bis, lid 1, onder b), iv)

 

Artikel 9 bis, lid 1, onder c), eerste, tweede, derde en vierde streepje

Artikel 5, lid 5

Artikel 9 bis, lid 1, onder c), vijfde en zesde streepje

Artikel 2, tweede alinea, onder b) en c)

Artikel 9 bis, lid 2

Artikel 9 ter

Artikel 4, lid 7, onder b), c) en d)

Artikel 10, lid 1, eerste streepje

Artikel 9, lid 5

Artikel 10, lid 1, tweede en derde streepje

Artikel 10, lid 2

Artikel 9, lid 2

Artikel 10, lid 3

Artikel 9, lid 3

Artikel 11, lid 1

Artikel 10, lid 1

Artikel 11, lid 2

Artikel 10, lid 2

Artikel 11, lid 3

Artikel 10, lid 3

Artikel 12, lid 1

Artikel 12, lid 2

Artikel 9, lid 1

Artikel 12, lid 3

Artikel 9, lid 4

Artikel 12, lid 4

Artikel 13

Artikel 11

Artikel 13 bis

Artikel 6

Artikel 14

Artikel 12

Artikel 15

Artikel 16

Artikel 17

Artikel 14


Verklaring van de Commissie

De Commissie neemt nota van het feit dat het Europees Parlement en de Raad het erover eens zijn dat bij de selectie van de projecten de regelgevingsprocedure moet worden toegepast, en niet de beheersprocedure zoals gesteld in het gewijzigde voorstel dat de Commissie naar aanleiding van de tweede lezing in het Parlement indiende.

De Commissie beklemtoont — zoals zij dat ook ter gelegenheid van de vaststelling van het gemeenschappelijk standpunt heeft gedaan — het belang van een strikte toepassing van de criteria van artikel 2 van Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden.

De Commissie is de mening toegedaan dat bij de selectie van de projecten de beheersprocedure moet worden gevolgd, aangezien dit een maatregel met aanzienlijke gevolgen voor de begroting is.

De Commissie is van mening dat het negeren van de bepalingen van artikel 2 van Besluit 1999/468/EG van de Raad in een zo duidelijk geval als het onderhavige, strijdig is met de letter en de geest van het besluit van de Raad.

De Commissie ziet zich derhalve verplicht in deze kwestie het passende voorbehoud te maken; zij behoudt zich met name het recht voor terzake in de toekomst een procedure bij het Hof in te leiden.


Verklaring van de Raad

De Raad neemt nota van de verklaring van de Commissie over de keuze van de comitéprocedure voor de aanneming door de Commissie van de uitvoeringsmaatregelen in het kader van de LIFE-verordening.

Bij de keuze voor de regelgevingsprocedure bedoeld in artikel 5 van Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden, heeft de Raad rekening gehouden met de ervaring die in de eerste fase (vanaf 1992) en de tweede fase (vanaf 1996) met de regelgevingsprocedure in het kader van het LIFE-instrument is opgedaan, alsmede met de aard van dit instrument, dat een essentiële rol speelt bij de bescherming van het milieu in de Gemeenschap en bijdraagt aan de uitvoering en de ontwikkeling van het communautaire beleid op dat gebied.

De Raad herinnert eraan dat de in artikel 2 van Besluit 1999/468/EG van de Raad genoemde criteria juridisch niet bindend zijn en slechts een indicatief karakter hebben. De Raad is van mening dat het toepassingsgebied van de uitvoeringsbevoegdheden in de onderhavige verordening het gebruik van de regelgevingsprocedure volledig rechtvaardigt.


Verklaring van de Commissie

De Commissie verklaart dat zij vóór de jaarlijkse vaststelling van de termijnen voor indiening van de voorstellen, de betrokken comités zal raadplegen omtrent de haalbaarheid van die termijnen.


Top