Help Print this page 
Title and reference
Besluit nr. 508/2000/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 februari 2000 tot instelling van het programma "Cultuur 2000"

OJ L 63, 10.3.2000, p. 1–9 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
Special edition in Czech: Chapter 16 Volume 001 P. 97 - 105
Special edition in Estonian: Chapter 16 Volume 001 P. 97 - 105
Special edition in Latvian: Chapter 16 Volume 001 P. 97 - 105
Special edition in Lithuanian: Chapter 16 Volume 001 P. 97 - 105
Special edition in Hungarian Chapter 16 Volume 001 P. 97 - 105
Special edition in Maltese: Chapter 16 Volume 001 P. 97 - 105
Special edition in Polish: Chapter 16 Volume 001 P. 97 - 105
Special edition in Slovak: Chapter 16 Volume 001 P. 97 - 105
Special edition in Slovene: Chapter 16 Volume 001 P. 97 - 105
Languages, formats and link to OJ
Multilingual display
Text

32000D0508

Besluit nr. 508/2000/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 februari 2000 tot instelling van het programma "Cultuur 2000"

Publicatieblad Nr. L 063 van 10/03/2000 blz. 0001 - 0009


BESLUIT Nr. 508/2000/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 14 februari 2000

tot instelling van het programma "Cultuur 2000"

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 151, lid 5, eerste streepje,

Gezien het voorstel van de Commissie(1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's(2),

Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag en gezien de gemeenschappelijke tekst die op 9 december 1999 door het Bemiddelingscomité is goedgekeurd(3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Cultuur heeft een belangrijke intrinsieke waarde voor alle Europeanen en vormt een wezenlijk element van de Europese integratie en draagt bij tot de bevestiging en de levenskracht van het Europese maatschappijmodel en tot de uitstraling van de Gemeenschap in de wereld.

(2) Cultuur is een factor die niet alleen van economisch belang is maar ook tot sociale integratie en burgerschap bijdraagt; cultuur heeft daarom ten aanzien van de nieuwe uitdagingen voor de Gemeenschap, zoals de mondialisering, de informatiemaatschappij, de sociale cohesie en ook de schepping van werkgelegenheid, een belangrijke rol te vervullen.

(3) Teneinde de Europese Unie een culturele dimensie te geven, moet de Gemeenschap bij acties op grond van andere artikelen dan artikel 151 rekening houden met culturele aspecten, met name om de verscheidenheid van haar culturen te eerbiedigen en te bevorderen; in dit verband dient de Commissie de verspreiding van informatie over de mogelijkheden voor de culturele bedrijfstakken in de Structuurfondsen te bevorderen, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad van 21 juni 1999 houdende algemene bepalingen betreffende de Structuurfondsen(4), en daarnaar onderzoek te doen.

(4) Vanwege het toenemend belang van cultuur voor de Europese samenleving en vanwege de belangrijke uitdagingen waarmee de Gemeenschap thans, aan de vooravond van de 21e eeuw, wordt geconfronteerd, dient de doeltreffendheid en de samenhang van de communautaire actie op cultureel gebied te worden versterkt door één enkel beleids- en programmeringskader voor de jaren 2000 tot en met 2004 voor te stellen, gelet op de noodzaak om op de verschillende betrokken communautaire beleidsterreinen meer met cultuur rekening te houden. De Raad heeft in dit verband in zijn besluit van 22 september 1997 betreffende de toekomst van Europese culturele acties(5) de Commissie verzocht voorstellen te doen voor de totstandbrenging van één enkel programmerings- en financieringsinstrument voor de uitvoering van artikel 151 van het Verdrag.

(5) Met het oog op de volledige steun en deelname van burgers aan de eenmaking van Europa moet meer nadruk komen te liggen op hun gemeenschappelijke culturele waarden en wortels als kernelement van hun identiteit en hun rol in een op vrijheid, democratie, tolerantie en solidariteit berustende maatschappij. Het is noodzakelijk een beter evenwicht te bewerkstelligen tussen de economische en de culturele dimensie van de Gemeenschap zodat deze dimensies elkaar aanvullen en versterken.

(6) De Europese Unie heeft krachtens het Verdrag tot taak tussen de volkeren van Europa een steeds hechter verbond tot stand te brengen en bij te dragen tot de ontplooiing van de culturen van de lidstaten, onder eerbiediging van de nationale en regionale verscheidenheid, maar tegelijkertijd ook de nadruk leggend op het gemeenschappelijk cultureel erfgoed. Bovendien moet specifieke aandacht worden besteed aan de bescherming van de positie van de minderheidstalen en -culturen in Europa.

(7) De Gemeenschap dient zich bijgevolg in te zetten voor de ontwikkeling, op basis van het subsidiariteitsbeginsel, van een open en veelzijdige, voor alle Europeanen gemeenschappelijke culturele ruimte, de samenwerking tussen alle culturele actoren, de bevordering van een wetgevingskader dat gunstig is voor culturele activiteiten en dat instaat voor de eerbiediging van de culturele verscheidenheid, alsmede voor de integratie van culturele aspecten in het communautair beleid, zoals is bepaald in artikel 151, lid 4, van het Verdrag.

(8) Om deze voor de Europeanen gemeenschappelijke culturele ruimte werkelijk tot leven te brengen is het van belang creatieve activiteiten aan te moedigen, het culturele erfgoed met een Europese dimensie te bevorderen, de wederzijdse kennis van cultuur en geschiedenis tussen de volkeren van Europa aan te moedigen en culturele uitwisselingen te bevorderen, teneinde de verbreiding van de kennis te verbeteren en voorts samenwerking en creatieve activiteiten te stimuleren.

(9) In dit verband is het dienstig meer samenwerking met de culturele actoren te bevorderen door hen aan te moedigen samenwerkingsovereenkomsten te sluiten voor de uitvoering van gemeenschappelijke projecten, steun te verlenen aan meer gerichte acties met een sterke Europese uitstraling en aan specifieke en vernieuwende acties en uitwisselingen en de dialoog over geselecteerde thema's van Europees belang te bevorderen.

(10) Met de culturele programma's Caleidoscoop, Ariane en Raphaël, die respectievelijk zijn vervat in Besluit nr. 719/96/EG(6), Besluit nr. 2085/97/EG(7) en Besluit nr. 2228/97/EG(8), van het Europees Parlement en de Raad, is een eerste stap in de goede richting gezet wat de uitvoering van het optreden van de Gemeenschap op cultureel gebied betreft. Het streven van de Gemeenschap op cultureel gebied moet vereenvoudigd en versterkt worden, uitgaande van de resultaten van de evaluatie en de resultaten van de bovengenoemde programma's.

(11) Overeenkomstig de mededeling van de Commissie "Agenda 2000" dient de doeltreffendheid van de op communautaire schaal gevoerde acties te worden vergroot door met name de middelen die binnen de interne beleidsgebieden, waaronder het optreden op cultureel gebied, beschikbaar zijn, te concentreren.

(12) Met name door de evaluatie van de eerste culturele programma's, de uitgebreide consultatieronde met alle betrokken partijen en de resultaten van het Cultureel Forum van de Europese Unie van 29 en 30 januari 1998 is de nodige ervaring opgedaan.

(13) De Gemeenschap moet bij haar optreden op cultureel gebied rekening houden met de specifieke aard en behoeften van elke culturele sector.

(14) In de conclusies van de Europese Raad van Kopenhagen van 21 en 23 juni 1993 wordt verzocht om de communautaire programma's open te stellen voor de landen van Midden- en Oost-Europa die partij zijn bij de associatieovereenkomsten. De Gemeenschap heeft met bepaalde derde landen samenwerkingsovereenkomsten gesloten die een culturele component bevatten.

(15) Bij dit besluit voor de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2004 wordt derhalve één enkel programmerings- en financieringsinstrument voor culturele samenwerking ingesteld, het "programma Cultuur 2000" genaamd.

(16) In het onderhavige besluit worden de financiële middelen van het programma voor de gehele looptijd ervan vastgesteld in de zin van punt 33 van het Interinstitutioneel akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie van 6 mei 1999 inzake de begrotingsdiscipline en de verbetering van de begrotingsprocedure(9).

(17) De voor de uitvoering van dit besluit vereiste maatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden(10).

(18) Overeenkomstig het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel, zoals vervat in artikel 5 van het Verdrag, kunnen de doelstellingen van het overwogen optreden onvoldoende door de lidstaten worden verwezenlijkt en kunnen zij derhalve vanwege de omvang of de gevolgen van het overwogen optreden beter op het niveau van de Gemeenschap worden verwezenlijkt. Het onderhavige besluit beperkt zich tot het minimum dat voor het bereiken van die doelstellingen vereist is en gaat niet verder dan hetgeen daarvoor nodig is.

(19) Het programma Cultuur 2000 dient met ingang van het jaar 2000 het enige operationele programma op het gebied van cultuur te zijn; Besluit nr. 2228/97/EG dient derhalve te worden ingetrokken,

BESLUITEN:

Artikel 1

Duur en doelstellingen

Voor het tijdvak van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2004 wordt voor culturele samenwerking één enkel programmerings- en financieringsinstrument ingesteld, hierna het "programma 'Cultuur 2000'" te noemen.

Het programma "Cultuur 2000" draagt bij tot de ontwikkeling van een door alle Europeanen gedeelde culturele ruimte. In dit verband bevordert het de samenwerking tussen scheppende kunstenaars, in de culturele sector werkzame personen, initiatiefnemers uit de particuliere en de openbare sector, de activiteiten van culturele netwerken en overige partners, alsmede de culturele instellingen van de lidstaten en de andere deelnemende staten, met het oog op de volgende doelstellingen:

a) bevordering van de culturele dialoog en van de wederzijdse kennis van cultuur en geschiedenis van de Europese volkeren;

b) bevordering van creativiteit en van transnationale verspreiding van cultuur, alsmede van het verkeer van kunstenaars, scheppende kunstenaars, andere in de culturele sector werkzame personen en beroepsbeoefenaars en van hun werk, met speciale nadruk op jonge kunstenaars en maatschappelijk kansarmen, alsook op culturele verscheidenheid;

c) accentueren van de culturele verscheidenheid en ontwikkeling van nieuwe culturele expressievormen;

d) delen en accentueren, op Europees niveau, van het gemeenschappelijke culturele erfgoed van Europees belang, verspreiding van kennis en bevordering van goede praktijken inzake het behoud en de instandhouding van dat erfgoed;

e) in aanmerking nemen van de rol van cultuur bij de sociaal-economische ontwikkeling;

f) bevordering van een interculturele dialoog en wederzijdse uitwisseling tussen de Europese en de niet-Europese culturen;

g) expliciete erkenning van de cultuur als een factor die de economie, de sociale integratie en het burgerschap bevordert;

h) verbetering van de toegang tot en de deelname aan cultuur in de Europese Unie voor zoveel mogelijk burgers.

Het programma "Cultuur 2000" bevordert de doeltreffende aansluiting op de acties met een cultureel belang die op andere communautaire beleidsterreinen worden ondernomen.

Artikel 2

Soorten culturele acties en evenementen

De verwezenlijking van de in artikel 1 genoemde doelstellingen geschiedt door middel van de volgende acties:

a) specifieke, vernieuwende en/of experimentele acties;

b) acties die deel uitmaken van gestructureerde meerjarige culturele samenwerkingsovereenkomsten;

c) bijzondere culturele evenementen met Europese en/of internationale uitstraling.

De acties en de uitvoering ervan zijn beschreven in bijlage I. Die acties zijn verticaal (betreffen één cultureel gebied) of horizontaal (betrokkenheid van verscheidene culturele gebieden).

Artikel 3

Begroting

De financiële middelen voor de uitvoering van het programma "Cultuur 2000" voor het in artikel 1 bedoelde tijdvak belopen 167 miljoen EUR.

De jaarlijkse kredieten worden door de begrotingsautoriteit goedgekeurd binnen de grenzen van de financiële vooruitzichten.

Artikel 4

Uitvoering

1. De voor de uitvoering van dit besluit vereiste maatregelen die betrekking hebben op de volgende aangelegenheden, worden vastgesteld volgens de beheersprocedure als bedoeld in artikel 5, lid 2:

a) de prioriteiten en algemene richtsnoeren voor alle in bijlage I beschreven acties en het daaruit voortvloeiende jaarlijkse werkprogramma;

b) het algemene evenwicht tussen alle acties;

c) de selectiewijze en -criteria voor de in bijlage I beschreven soorten projecten (Acties I.1, I.2 en I.3);

d) de financiële steun die de Gemeenschap zal verstrekken (bedragen, looptijd, verdeling, ontvangers van steun);

e) de gedetailleerde procedures voor de controle en evaluatie van dit programma, alsmede de conclusies van het in artikel 8 bedoelde evaluatierapport en daaruit voortvloeiende aanpassingen van het programma "Cultuur 2000".

2. De voor de uitvoering van dit besluit vereiste maatregelen die betrekking hebben op alle andere aangelegenheden, worden vastgesteld volgens de raadplegingsprocedure als bedoeld in artikel 5, lid 3.

Artikel 5

Comité

1. De Commissie wordt bijgestaan door een comité.

2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 4 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 4, lid 3, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op twee maanden.

3. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 3 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8 van dat besluit.

4. Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 6

Overeenstemming en complementariteit

Bij de uitvoering van het programma "Cultuur 2000" zorgt de Commissie in samenwerking met de lidstaten voor de algemene overeenstemming en complementariteit met relevante communautaire beleidsgebieden en acties die gevolgen hebben op cultuurgebied. Een en ander zou kunnen inhouden dat complementaire projecten worden opgenomen die worden gefinancierd via andere communautaire programma's.

Artikel 7

Derde landen en internationale organisaties

Het programma "Cultuur 2000" staat open voor deelname van de landen van de Europese Economische Ruimte, alsmede voor deelname van Cyprus en de geassocieerde landen van Midden- en Oost-Europa, overeenkomstig de voorwaarden die zijn vastgelegd in de met deze landen gesloten of nog te sluiten associatieovereenkomsten of in bij die associatieovereenkomsten gevoegde protocollen betreffende de deelname aan communautaire programma's.

Het programma "Cultuur 2000" staat eveneens open voor samenwerking met andere derde landen die associatie- of samenwerkingsovereenkomsten hebben gesloten waarin culturele bepalingen zijn opgenomen, door middel van aanvullende kredieten die volgens met deze landen overeen te komen procedures worden verleend.

Het programma "Cultuur 2000" maakt samenwerking mogelijk met op cultuurgebied bevoegde internationale organisaties, zoals de Unesco of de Raad van Europa, op basis van gezamenlijke bijdragen en met inachtneming van de eigen regels van elke instelling of organisatie voor de uitvoering van de in artikel 2 genoemde acties en evenementen.

Artikel 8

Evaluatie en controle

Uiterlijk op 31 december 2002 legt de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's een gedetailleerd evaluatierapport voor omtrent de door het programma "Cultuur 2000" ten opzichte van de doelstellingen bereikte resultaten, eventueel vergezeld van een voorstel tot wijziging van het onderhavige besluit.

Na afloop van het programma "Cultuur 2000" dient de Commissie over de uitvoering van het programma een verslag in bij het Europees Parlement, de Raad, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's. De Commissie legt bovendien jaarlijks aan het Europees Parlement, de Raad en het Comité van de Regio's een beknopt verslag voor over de stand van zaken bij de uitvoering van het programma "Cultuur 2000".

In deze evaluatieverslagen wordt vooral aandacht besteed aan het scheppen van toegevoegde waarde, met name culturele waarde, en de sociaal-economische gevolgen van de door de Gemeenschap verleende financiële steun.

Artikel 9

Intrekking

Besluit nr. 2228/97/EG wordt met ingang van 1 januari 2000 ingetrokken.

Artikel 10

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Zij is van toepassing vanaf 1 januari 2000.

Gedaan te Brussel, 14 februari 2000.

Voor het Europees Parlement

De Voorzitster

N. FONTAINE

Voor de Raad

De voorzitter

J. GAMA

(1) PB C 211 van 7.7.1998, blz. 18.

(2) PB C 51 van 22.2.1999, blz. 68.

(3) Advies van het Europees Parlement van 5 november 1998 (PB C 359 van 23.11.1998, blz. 28), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 28 juni 1999 (PB C 232 van 13.8.1999, blz. 25) en besluit van het Europees Parlement van 28 oktober 1999 (nog niet verschenen in het Publicatieblad). Besluit van de Raad van 24 januari 2000 en besluit van het Europees Parlement van 3 februari 2000.

(4) PB L 161 van 26.6.1999, blz. 1.

(5) PB C 305 van 7.10.1997, blz. 1.

(6) PB L 99 van 20.4.1996, blz. 20.

(7) PB L 291 van 24.10.1997, blz. 26.

(8) PB L 305 van 8.11.1997, blz. 31.

(9) PB C 172 van 18.6.1999, blz. 1.

(10) PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

BIJLAGE I

ACTIES EN MAATREGELEN VOOR DE UITVOERING VAN HET PROGRAMMA "CULTUUR 2000"

I. Beschrijving van de acties en evenementen

I.1. Specifieke vernieuwende en/of experimentele acties

De Gemeenschap ondersteunt jaarlijks evenementen en projecten die in het kader van een partnerschap of in de vorm van netwerken worden uitgevoerd. Bij deze projecten zijn operatoren betrokken uit ten minste drie landen die aan het programma "Cultuur 2000" deelnemen, op basis van prioriteiten die na advies van het comité van artikel 5 van het onderhavige besluit zijn vastgesteld, zonder afbreuk te doen aan de openstelling van het programma voor de geassocieerde landen, volgens het bepaalde in artikel 7. Deze acties hebben in beginsel een duur van één jaar die met nog eens twee jaar kan worden verlengd. Deze verticale acties (die één cultureel gebied betreffen) of horizontale acties (waarbij meerdere culturele gebieden betrokken zijn), hebben een vernieuwend en/of experimenteel karakter en hebben in de eerste plaats tot doel:

i) de nadruk zal vooral komen te liggen op een betere toegankelijkheid van de cultuur en een grotere betrokkenheid daarbij van de Europese bevolking in al haar sociale, regionale en culturele verscheidenheid, met name jongeren en de meest kansarmen;

ii) binnen en naast de traditionele culturele gebieden (zoals muziek en andere podiumkunsten, plastische en andere beeldende kunsten, fotografie, architectuur, letterkunde, het boek, het lezen, het culturele erfgoed met inbegrip van het cultuurlandschap en de cultuur voor kinderen) de opkomst en de verspreiding van nieuwe expressievormen te bevorderen;

iii) steun te verlenen aan projecten die beogen de toegang tot boeken en het lezen te verbeteren en op dit gebied werkzame personen op te leiden;

iv) steun te verlenen aan samenwerkingsprojecten die erop gericht zijn het gemeenschappelijke culturele erfgoed van Europese betekenis op Europees niveau te behouden, te delen, te benadrukken en te beschermen;

v) te bevorderen dat aan de verschillende soorten publiek aangepaste multimediaproducten worden vervaardigd en zodoende de kunstwerken en het Europese erfgoed voor iedereen beter waarneembaar en toegankelijker te maken;

vi) initiatieven, uitwisseling van ervaringen en samenwerking tussen personen uit de culturele en sociaal-culturele sector die werkzaam zijn op het gebied van de sociale integratie, in het bijzonder van jongeren, te stimuleren;

vii) de interculturele dialoog en wederzijdse uitwisseling tussen de Europese en de andere culturen te bevorderen, door met name de samenwerking inzake thema's van gemeenschappelijk belang tussen culturele instellingen en/of andere actoren in de lidstaten en in derde landen te stimuleren;

viii) een stimulans te geven aan de rechtstreekse verbreiding van culturele evenementen met behulp van de nieuwe technologieën van de informatiemaatschappij.

De steun van de Gemeenschap bedraagt ten hoogste 60 % van de begroting van de specifieke actie. In de meeste gevallen bedraagt de steun ten minste 50000 EUR en ten hoogste 150000 EUR per jaar.

I.2. Geïntegreerde acties die vallen onder gestructureerde meerjarige overeenkomsten voor transnationale samenwerking op cultureel gebied

Het programma "Cultuur 2000" bevordert de toenadering en het werken in groepsverband, door culturele netwerken te steunen, en met name netwerken van operatoren, culturele organen en instellingen waaraan met name beroepsmensen uit de diverse lidstaten zijn betrokken met het oog op de uitvoering van gestructureerde culturele projecten, zowel binnen als buiten de Gemeenschap. Deze maatregel betreft kwaliteitsprojecten van een zekere omvang en met een Europese dimensie waarbij ten minste vijf landen betrokken zijn die aan het programma "Cultuur 2000" deelnemen.

De samenwerkingsovereenkomsten beogen de uitvoering van gestructureerde meerjarige culturele acties door actoren van verscheidene lidstaten en van andere landen die aan het programma "Cultuur 2000" deelnemen. De samenwerkingsovereenkomsten hebben betrekking op transnationale acties in één cultureel domein (verticale acties), zoals muziek en andere podiumkunsten, plastische en andere beeldende kunsten, letterkunde, het boek en het lezen, met inbegrip van vertalingen, alsmede het culturele erfgoed. De overeenkomsten bieden bovendien een stimulans voor de verwezenlijking van geïntegreerde transsectorale acties (horizontale acties gebaseerd op synergie), d.w.z. acties waarbij verschillende culturele disciplines betrokken zijn, waarbij tevens gebruik wordt gemaakt van de nieuwe media.

De aldus voor een looptijd van ten hoogste drie jaar voorgestelde samenwerkingsovereenkomsten omvatten alle of een aantal van de volgende acties:

i) coproductie en verspreiding van kunstwerken en andere culturele manifestaties in de Europese Unie (zoals tentoonstellingen, festivals, enz.) zodat deze voor zoveel mogelijk burgers toegankelijk worden;

ii) verkeer van kunstenaars en andere in de culturele sector werkzame personen;

iii) bijscholing van hen die beroepsmatig in de cultuur werkzaam zijn, alsook uitwisseling van ervaringen, zowel op academisch als op praktisch niveau;

iv) opwaardering van culturele locaties en monumenten in de Gemeenschap om het bewustzijn van de Europese cultuur te vergroten;

v) onderzoeksprojecten, projecten voor de bewustmaking van het publiek, onderricht en verspreiding van kennis, seminars, congressen, bijeenkomsten over culturele thema's van Europees belang;

vi) gebruik van de nieuwe technologieën;

vii) projecten die de nadruk leggen op culturele diversiteit, meertaligheid, bevordering van de wederzijdse kennis van de geschiedenis, wortels en gemeenschappelijke culturele waarden van de Europese volkeren, alsmede van hun gemeenschappelijke culturele erfgoed.

De Gemeenschap verleent, na raadpleging van het comité van artikel 5, lid 1, van het onderhavige besluit, steun voor de uitvoering van de culturele samenwerkingsovereenkomsten. Met deze steun worden, naast een deel van de financiering van het project, tevens de kosten gedekt die gemoeid zijn met de initiële totstandbrenging van een duurzame samenwerking die meerjarig kan zijn en die in een van de lidstaten van de Unie een juridisch erkende vorm heeft.

Een overeenkomst komt voor steun in aanmerking als operatoren uit ten minste vijf landen die aan het programma "Cultuur 2000" deelnemen bij de acties waarin de overeenkomst voorziet, betrokken zijn.

Degenen die verantwoordelijk zijn voor de meerjarige "culturele samenwerkingsovereenkomsten" en die langer dan een jaar communautaire steun ontvangen, moeten de Commissie aan het eind van ieder jaar een overzicht voorleggen van de ontplooide activiteiten en de kosten die hiermee gemoeid zijn om in aanmerking te komen voor verlenging van de steun voor de periode die voor het project is gepland.

De communautaire steun bedraagt ten hoogste 60 % van de begroting van de "culturele samenwerkingsovereenkomst". De steun bedraagt ten hoogste 300000 EUR per jaar.

Deze steun kan met maximaal 20 % worden verhoogd om de relevante beheerskosten van de samenwerkingsovereenkomst te dekken.

I.3. Bijzondere culturele evenementen met een Europese of internationale uitstraling

Dit zijn acties van aanzienlijke omvang en met een grote draagwijdte, die veel weerklank vinden bij de Europese burgers en die ertoe bijdragen dat dezen zich niet alleen sterker bewust worden van het feit dat zij tot eenzelfde gemeenschap behoren, maar ook van de culturele verscheidenheid van de lidstaten; tevens wordt door deze acties de interculturele en internationale dialoog bevorderd.

Onder deze evenementen vallen met name:

i) de Culturele Hoofdstad van Europa en de Europese Cultuurmaand;

ii) het stimuleren van de culturele dialoog, zowel binnen als buiten de Gemeenschap, door het organiseren van symposia over kwesties van gemeenschappelijk cultureel belang;

iii) het organiseren van vernieuwende culturele evenementen met een grote aantrekkingskracht die toegankelijk zijn voor burgers in het algemeen, vooral op het gebied van het culturele erfgoed, kunsten en de geschiedenis van Europa en waarbij met name een verband wordt gelegd tussen onderwijs, kunst en cultuur;

iv) het erkennen en stimuleren van Europees artistiek talent, met name bij jonge mensen, door middel van onder meer Europese prijzen in verschillende culturele sectoren: literatuur, vertaling, architectuur, enz.;

v) steun aan door bevoegde autoriteiten van de lidstaten ingediende projecten voor de bescherming van het cultureel erfgoed die van uitzonderlijk belang zijn en bijdragen tot de ontwikkeling en de verspreiding van innoverende concepten, methoden en technieken op Europees niveau en die het label "Europese laboratoria voor het cultureel erfgoed" verdienen.

De prioriteiten betreffende deze evenementen worden vastgesteld na het advies van het comité van artikel 5 van het onderhavige besluit.

De steun van de Gemeenschap bedraagt ten hoogste 60 % van de begroting van een bijzonder cultureel evenement. De steun bedraagt ten minste 200000 EUR en ten hoogste 1 miljoen EUR per jaar voor de onder i) genoemde evenementen. Voor de onder ii) t/m v) genoemde evenementen zullen de desbetreffende grensbedragen in de meeste gevallen niet minder dan 150000 EUR per jaar, maar in geen geval meer dan 300000 EUR per jaar bedragen. Deze acties ontvangen op indicatieve titel 10 % van de totale kredieten van het programma.

Voor de drie in de delen I.1, I.2 en I.3 beschreven soorten acties en evenementen wordt ofwel een verticale aanpak (betreffende één cultureel gebied), ofwel een horizontale aanpak (waarbij meerdere culturele gebieden zijn betrokken) gevolgd.

Een indicatieve beschrijving van deze aanpak staat in bijlage II.

II. Coördinatie met de andere communautaire instrumenten op cultureel gebied

De Commissie zorgt via specifieke acties, culturele samenwerkingsovereenkomsten en bijzondere culturele evenementen voor de coördinatie met de overige communautaire instrumenten op cultureel gebied, zulks met name om de samenwerking tussen sectoren met gemeenschappelijke en gelijkgerichte belangen te bevorderen en te organiseren. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om sectoren als:

- cultuur en toerisme (door middel van het cultureel toerisme),

- cultuur, onderwijs en jeugd (met name door op lagere en middelbare scholen audiovisuele en multimediaproducten over de Europese cultuur te vertonen waarbij het commentaar wordt gesproken door scheppende en andere kunstenaars),

- cultuur en werkgelegenheid (door het scheppen van banen in de culturele sector, met name op nieuwe culturele gebieden te bevorderen),

- cultuur en buitenlandse betrekkingen,

- statistieken op cultureel gebied die het resultaat zijn van een uitwisseling van op communautair niveau vergelijkbare statistische gegevens,

- cultuur en de interne markt,

- cultuur en onderzoek,

- cultuur en de uitvoer van cultuurgoederen.

III. Communicatie

Dit aspect moet expliciet, en zo opvallend mogelijk, door de ontvangers van communautaire steun vermeld worden in alle informatie of in elke mededeling met betrekking tot de projecten.

IV. Technische bijstand en begeleidende maatregelen

Bij de uitvoering van het "Cultuur 2000"-programma kan de Commissie een beroep doen op organisaties voor technische bijstand; de financiering daarvan is verrekend in de totale financiering van het programma en bedraagt niet meer dan 3 % ervan. De Commissie kan tevens onder dezelfde voorwaarden een beroep doen op deskundigen of netwerken van deskundigen.

Bovendien kan de Commissie evaluatiestudies laten verrichten en seminars, colloquia en andere bijeenkomsten van deskundigen organiseren ten behoeve van de uitvoering van het programma "Cultuur 2000". De Commissie kan ook acties organiseren op het gebied van voorlichting, publicatie en verspreiding.

V. Contactpunten

De Commissie en de lidstaten organiseren op vrijwillige basis de wederzijdse uitwisseling van informatie met het oog op de uitvoering van het programma "Cultuur 2000" en voeren deze op via culturele contactpunten die belast zijn met:

- promotie voor het programma;

- de toegang tot het programma vergemakkelijken en het bevorderen van de deelname aan de projecten door een zo groot mogelijk aantal culturele beroepsbeoefenaars en actoren, dankzij een effectieve verspreiding van informatie;

- het verzorgen van effectieve contacten met de verschillende instellingen die in de lidstaten steun verlenen aan de culturele sector, om er aldus toe bij te dragen dat de acties van het programma "Cultuur 2000" en de nationale steunmaatregelen elkaar aanvullen;

- het verzorgen van voorlichting en contacten op het passende niveau tussen de deelnemers aan het programma "Cultuur 2000" en deelnemers aan de overige communautaire programma's die openstaan voor culturele projecten.

VI. Verdeling van de begroting

VI.1. Bij de aanvang van het programma en uiterlijk op 1 maart van ieder jaar dient de Commissie bij het comité een verdeling ex ante in van de begrotingsmiddelen per type actie, daarbij rekening houdend met de in artikel 1 van het besluit vastgelegde doelstellingen.

VI.2. De interne verdeling van de beschikbare middelen geschiedt met inachtneming van de volgende indicatieve richtsnoeren:

a) De middelen die worden toegewezen aan specifieke vernieuwende en/of experimentele acties mogen niet meer dan 45 % van de jaarlijkse begroting van het programma "Cultuur 2000" bedragen.

b) De middelen die worden toegewezen aan acties die vallen onder gestructureerde meerjarige overeenkomsten voor culturele samenwerking mogen niet minder dan 35 % van de jaarlijkse begroting van het programma bedragen.

c) De middelen die worden toegewezen aan bijzondere culturele evenementen met een Europese of internationale uitstraling moeten circa 10 % van de jaarlijkse begroting van het programma bedragen.

d) De overige uitgaven, met inbegrip van de kosten in verband met de contactpunten, moeten circa 10 % van de jaarlijkse begroting van het programma bedragen.

VI.3. Alle bovenvermelde percentages zijn indicatief en kunnen volgens de procedure van artikel 4 van dit besluit door het comité worden aangepast.

BIJLAGE II

INDICATIEVE BESCHRIJVING VAN DE VERTICALE EN DE HORIZONTALE AANPAK

De drie acties van het programma "Cultuur 2000" behelzen ofwel een verticale aanpak (betreffende één culturele sector), ofwel een horizontale aanpak (waarbij een aantal culturele sectoren betrokken zijn).

Ter indicatie kan hierbij als volgt te werk worden gegaan:

I. Een verticale aanpak

Deze houdt een aanpak per sector in waarbij wordt getracht rekening te houden met de specifieke behoeften van elke culturele sector, met name:

a) in de sectoren muziek, podiumkunsten, plastische en visuele kunsten, architectuur, alsmede voor andere vormen van kunstzinnige expressie (bijvoorbeeld multimedia, fotografie, cultuur voor kinderen en straatkunst) dient deze aanpak, afhankelijk van de specifieke aspecten van elke culturele sector, het volgende te behelzen:

i) het bevorderen van uitwisselingen en samenwerking tussen culturele actoren;

ii) het verlenen van hulp voor het verkeer van kunstenaars en van hun werken door heel Europa;

iii) het verbeteren van de mogelijkheden van opleiding en vervolgopleiding, met name in combinatie met de toegenomen mobiliteit van degenen die in de culturele sector werkzaam zijn (met inbegrip van docenten en studenten);

iv) het aanmoedigen van de creativiteit en daarnaast steun verlenen aan de uitvoering van activiteiten, waardoor Europese kunstenaars en hun werk in de bovengenoemde sectoren binnen Europa worden gepromoot, en een op een dialoog en uitwisselingen met andere culturen in de wereld gericht beleid bevorderen;

v) het steunen van initiatieven waarbij creativiteit als middel voor sociale integratie wordt ingezet.

b) Wat betreft boeken, lezen en vertalen wordt met deze aanpak het volgende beoogd:

i) bevordering van uitwisselingen en samenwerking tussen instellingen en/of personen uit de verschillende lidstaten, andere landen die aan het programma deelnemen en derde landen;

ii) verbetering van de bewustwording omtrent en de verspreiding van literiair scheppend werk en de geschiedenis van de Europese volkeren door ondersteuning van het vertalen van literaire, toneel- en naslagwerken (met name van werken in de minst verspreide Europese talen en de talen van Midden- en Oost-Europa);

iii) bevordering van de mobiliteit en vervolgopleiding van degenen die werkzaam zijn in de sector van het boek en het lezen;

iv) het promoten van het boek en het lezen met name bij jongeren en in achtergestelde segmenten van de samenleving.

De in de eerste alinea van deel I.1 van bijlage I vastgelegde voorwaarde betreffende het minimumaantal operatoren uit staten dat voor indiening van projecten in het kader van het programma "Cultuur 2000" vereist is, kan worden gewijzigd om met de specifieke behoeften van het literaire vertalen rekening te houden.

c) Voor wat betreft het culturele erfgoed van Europees belang, met name het intellectuele en niet-intellectuele, het roerende en onroerende erfgoed (musea en collecties, bibliotheken, archieven, inclusief fotoarchieven, audiovisuele archieven betreffende culturele werkzaamheden), archeologisch erfgoed onder water, architectonisch erfgoed, alle culturele sites en landschappen (cultuur- en natuurgoed), wordt er bij deze aanpak naar gestreefd:

i) de samenwerkingsprojecten gericht op het behoud en de restauratie van het Europese culturele erfgoed te bevorderen;

ii) de ontwikkeling van internationale samenwerking tussen instellingen en/of operatoren te bevorderen, en zodoende bij te dragen tot de uitwisseling van expertise en de ontwikkeling van goede praktijken inzake behoud en bescherming van het culturele erfgoed;

iii) de toegang tot het culturele erfgoed te verbeteren wanneer er sprake is van een Europese uitstraling, en de actieve deelname van het algemene publiek aan te moedigen, met name kinderen, jongeren, mensen die op cultureel gebied zijn achtergesteld en bewoners van rurale en perifere gebieden van de Gemeenschap;

iv) mobiliteit en opleiding op het gebied van cultureel erfgoed te bevorderen voor degenen die werkzaam zijn in de culturele sector;

v) internationale samenwerking te bevorderen met het oog op de ontwikkeling van nieuwe technologieën en vernieuwing in de verschillende sectoren van het erfgoed en het behoud van traditionele ambachtelijke technieken en methoden;

vi) het erfgoed ook in andere communautaire beleidsgebieden en programma's in aanmerking te nemen;

vii) samenwerking met derde landen en de relevante internationale organisaties te bevorderen.

Bij de toewijzing van middelen wordt op evenwichtige wijze rekening gehouden met de specifieke behoeften van verschillende cultuursectoren (podiumkunsten en visuele kunsten, boeken en lezen, cultureel erfgoed, enz.).

II. Een horizontale aanpak

Met deze aanpak wordt ernaar gestreefd synergie te bevorderen en culturele creativiteit te ontwikkelen zowel door het bevorderen van sectoroverschrijdende activiteiten waarbij diverse culturele sectoren betrokken zijn, als door ondersteuning van gezamenlijke activiteiten in het kader van verschillende communautaire programma's en beleidsgebieden (met name op het gebied van onderwijs, jeugd, beroepsopleiding, werkgelegenheid, enz.).

Deze acties ontvangen op indicatieve titel 10 % van de kredieten van het programma.

Top