Help Print this page 
Title and reference
Verordening (EG) nr. 2603/1999 van de Commissie van 9 december 1999 tot vaststelling van overgangsbepalingen inzake de in Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad voorziene steun voor plattelandsontwikkeling

OJ L 316, 10.12.1999, p. 26–30 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
Special edition in Czech: Chapter 03 Volume 027 P. 156 - 160
Special edition in Estonian: Chapter 03 Volume 027 P. 156 - 160
Special edition in Latvian: Chapter 03 Volume 027 P. 156 - 160
Special edition in Lithuanian: Chapter 03 Volume 027 P. 156 - 160
Special edition in Hungarian Chapter 03 Volume 027 P. 156 - 160
Special edition in Maltese: Chapter 03 Volume 027 P. 156 - 160
Special edition in Polish: Chapter 03 Volume 027 P. 156 - 160
Special edition in Slovak: Chapter 03 Volume 027 P. 156 - 160
Special edition in Slovene: Chapter 03 Volume 027 P. 156 - 160
Languages, formats and link to OJ
Multilingual display
Text

31999R2603

Verordening (EG) nr. 2603/1999 van de Commissie van 9 december 1999 tot vaststelling van overgangsbepalingen inzake de in Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad voorziene steun voor plattelandsontwikkeling

Publicatieblad Nr. L 316 van 10/12/1999 blz. 0026 - 0030


VERORDENING (EG) Nr. 2603/1999 VAN DE COMMISSIE

van 9 december 1999

tot vaststelling van overgangsbepalingen inzake de in Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad voorziene steun voor plattelandsontwikkeling

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en tot wijziging en intrekking van een aantal verordeningen(1), en met name op artikel 53, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Overeenkomstig artikel 56 van Verordening (EG) nr. 1257/1999 is die verordening met betrekking tot communautaire steun vanaf 1 januari 2000 van toepassing. De bij artikel 55 van die verordening ingetrokken verordeningen en geschrapte bepalingen blijven op grond van artikel 55, lid 3, van toepassing voor de acties die de Commissie vóór 1 januari 2000 in het kader van de betrokken verordeningen heeft goedgekeurd.

(2) Om te voorkomen dat zich tijdens de overgangsperiode bij de tenuitvoerlegging van de steun voor plattelandsontwikkeling problemen of vertragingen voordoen, moet de overgang van de bestaande steunregelingen naar de nieuwe regeling inzake steun voor plattelandsontwikkeling door middel van overgangsbepalingen worden vergemakkelijkt.

(3) De steun voor plattelandsontwikkeling op grond van Verordening (EG) nr. 1257/1999 moet volgens artikel 42 van die verordening een programmeringsperiode bestrijken die op 1 januari 2000 ingaat. Om een volledige integratie van alle toekomstige maatregelen in de nieuwe programmering te verzekeren dient de Commissie, tenzij onmiddellijke goedkeuring om dwingende redenen noodzakelijk is, maatregelen of wijzigingen van maatregelen die na 31 december 1999 nog van kracht zullen zijn, niet langer op grond van de bestaande regelingen goed te keuren.

(4) Om de continuïteit van de landbouwmilieusteun te garanderen moet de lidstaten worden toegestaan bestaande landbouwmilieuverbintenissen te verlengen met de periode die nodig is om de overgang naar de nieuwe regeling mogelijk te maken, en nieuwe contracten inzake milieumaatregelen in de landbouw te sluiten, indien volledige overeenstemming van de betrokken verbintenissen met de nieuwe steunregeling kan worden gewaarborgd. Om te bereiken dat de nieuwe voorschriften inzake landbouwmilieusteun doeltreffend zullen zijn, moeten de specifieke overgangsbepalingen inzake de landbouwmilieuverbintenissen worden toegepast met ingang van 30 juli 1999, de dag na die waarop zij in het Comité van beheer aan de lidstaten zijn meegedeeld. De lidstaten dient ook te worden toegestaan vóór 1 januari 2000 nieuwe landbouwmilieuverbintenissen overeen te komen naar aanleiding van aanvragen die vóór 30 juli 1999 overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 2078/92 van de Raad(2), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) Nr. 2772/95 van de Commissie(3), zijn ingediend.

(5) Uitgaven op grond van vóór 1 januari 2000 aangegane verbintenissen in het kader van regelingen voor plattelandsontwikkeling die in de toekomst door het EOGFL, afdeling Garantie, worden gefinancierd, dienen tot en met 31 december 2001 overeenkomstig de bestaande steunverleningsvoorwaarden en voorzover de benodigde middelen beschikbaar zijn verder door het EOGFL, afdeling Oriëntatie, te worden gefinancierd. Echter tot 31 december 2001 kunnen meerjarenuitgaven, welke uit dergelijke verbintenissen ontstaan, alsook compenserende vergoedingen met betrekking tot uiterlijk het jaar 1999, onder bepaalde voorwaarden door het EOGFL, afdeling Garantie, worden gefinancierd voor het geval geen fondsen beschikbaar zijn of de beschikbare fondsen onvoldoende zijn. In ieder geval dienen meerjarige uitgaven na 31 december 2001 door het EOGFL, afdeling Garantie, te worden gefinancierd.

(6) Er moeten specifieke bepalingen worden vastgesteld met betrekking tot het beginpunt waarvanaf uitgaven in het kader van de nieuwe programmeringsdocumenten voor plattelandsontwikkeling voor steun in aanmerking komen.

(7) Teneinde de specifieke problemen op te lossen die het gevolg zijn van de omschakeling van betalingen per dier op areaalbetalingen bij de toekenning van compenserende vergoedingen, dient de lidstaten te worden toegestaan gedurende een overgangsperiode van één jaar betalingen per dier te blijven doen.

(8) Voor nieuwe steun in de zin van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen van de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag(4) dient te worden bepaald vanaf welke datum de in titel IV van Verordening (EG) nr. 1257/1999 opgenomen bepalingen betreffende staatssteun gelden.

(9) De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de landbouwstructuur en de plattelandsontwikkeling,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

Reikwijdte

Artikel 1

Bij deze verordening worden specifieke maatregelen vastgesteld om de overgang van de geldende regeling naar de bij Verordening (EG) nr. 1257/1999 vastgestelde regeling te vergemakkelijken.

HOOFDSTUK II

Bestaande maatregelen

Artikel 2

De Commissie keurt op grond van de bij artikel 55, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1257/1999 ingetrokken verordeningen geen enkele maatregel of wijziging van een maatregel goed waarvan de duur zich nog na 31 december 1999 zal uitstrekken, tenzij onmiddellijke goedkeuring om dwingende redenen noodzakelijk is.

Artikel 3

1. De lidstaten kunnen een op grond van Verordening (EEG) nr. 2078/92 aangegane landbouwmilieuverbintenis die afloopt voordat de Commissie het programmeringsdocument voor plattelandsontwikkeling heeft goedgekeurd, met een periode van maximaal één jaar verlengen, waarbij de nieuwe einddatum echter in geen geval later dan 31 december 2000 mag zijn.

De verlenging wordt niet in aanmerking genomen bij de berekening van de duur van verbintenissen op grond van Verordening (EG) nr. 1257/1999.

2. De lidstaten kunnen alleen vóór 1 januari 2000 nieuwe landbouwmilieuverbintenissen op grond van Verordening (EEG) nr. 2078/92 overeenkomen, doch op voorwaarde dat:

a) vóór 30 juli 1999 een aanvraag is ingediend en de continuïteit van de landbouwmilieusteun een verbintenis zonder te veel uitstel noodzakelijk maakt.

b) deze verbintenissen, indien nodig en zo spoedig mogelijk, aan het door de Commissie goedgekeurde programmeringsdocument voor plattelandsontwikkeling zullen worden aangepast. In de gevallen waarin een dergelijke aanpassing gebeurt, wordt de periode vóór de aanpassing bij de berekening van de duur van de verbintenissen op grond van Verordening (EG) nr. 1257/1999 niet in aanmerking genomen.

3. De lidstaten vermelden in hun plannen voor plattelandsontwikkeling wanneer zij lid 1 of lid 2 hebben toegepast, en nemen de aanpassingen op grond van lid 2, onder b), erin op.

Artikel 4

1. De leden 2 en 3 van dit artikel zijn van toepassing in de gevallen van steun verleend op grond van de Verordeningen (EEG) nr. 1696/71(5), (EEG) nr. 404/93(6) en (EG) nr. 2200/96(7) van de Raad, alsmede op grond van de Verordeningen (EEG) nr. 4256/88(8), (EEG) nr. 1610/89(9), (EEG) nr. 867/90(10), (EG) nr. 950/97(11), (EG) nr. 951/97(12) en (EG) nr. 952/97(13) van de Raad.

2. Betalingen, met inbegrip van compenserende vergoedingen, met betrekking tot ten laatste het jaar 1999, op grond van verbintenissen die de lidstaten vóór 1 januari 2000 zijn overeengekomen en waarvoor de Commissie de aanvraag voor betaling vóór 1 januari 2002 heeft ontvangen, worden tot en met 31 december 2001 verder door het EOGFL, afdeling Oriëntatie, gefinancierd overeenkomstig de bij die verordeningen vastgestelde voorwaarden, en voorzover de benodigde middelen beschikbaar zijn.

Mochten de in de eerste alinea genoemde middelen onvoldoende of niet beschikbaar zijn, kunnen de volgende betalingen in de plattenlandsontwikkelingprogramma's voor de periode 2000-2006 worden opgenomen en verder door de afdeling Garantie van het EOGFL worden gefinancierd, op voorwaarde dat de betrokken lidstaten duidelijke criteria hebben vastgesteld voor de in de programmering op te nemen uitgaven:

a) betalingen in verband met compenserende vergoedingen die uiterlijk op het jaar 1999 betrekking hebben of

b) betalingen in verband met meerjarige uitgaven in niet door doelstelling 1 bestreken gebieden, zoals vastgesteld vanaf 1 januari 2000.

3. Communautaire steun voor de in lid 2, eerste alinea, bedoelde meerjarige uitgaven voor acties waarvoor de Commissie de aanvraag voor betaling na 31 december 2001 heeft ontvangen, wordt in de niet door doelstelling 1 bestreken gebieden zoals vastgesteld vanaf 1 januari 2000, door het EOGFL, afdeling Garantie, gefinancierd.

4. De lidstaten vermelden in hun plannen voor plattelandsontwikkeling wanneer zij lid 2 of lid 3 hebben toegepast.

Artikel 5

1. Met betrekking tot de bestaande maatregelen brengen de lidstaten verder aan de Commissie verslag uit overeenkomstig de voor die maatregelen geldende bepalingen.

2. Uiterlijk op 31 maart 2000 dienen de lidstaten bij de Commissie een verslag in over de onder artikel 4 vallende acties. Dit verslag moet met gebruikmaking van de tabellen in de bijlagen I en II worden opgesteld.

HOOFDSTUK III

Nieuwe maatregelen

Artikel 6

Uitgaven komen slechts voor steun van het EOGFL, afdeling Garantie, in aanmerking indien zij na 31 december 1999 en na de datum waarop het plan voor plattelandsontwikkeling of een voor de betrokken maatregel relevante wijziging van dit plan bij de Commissie is ingediend of aan haar is meegedeeld, aan de individuele begunstigde van een steunmaatregel inzake plattelandsontwikkeling daadwerkelijk zijn betaald. De recentste van deze data vormt het beginpunt waarvanaf de betrokken uitgaven voor steun in aanmerking komen.

Uitgaven voor de voorafgaande evaluatie kunnen evenwel voor steun overeenkomstig artikel 40 van Verordening (EG) nr. 1750/1999 van de Commissie(14) in aanmerking worden genomen, indien zij na 31 juli 1999 zijn betaald.

Artikel 7

De lidstaten kunnen in hun plannen voor plattelandsontwikkeling bepalen dat de compenserende vergoedingen wat de voor het jaar 2000 verschuldigde betalingen betreft verder op grond van de aantallen dieren kunnen worden toegekend. In dit geval geldt de in de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1257/1999 vastgestelde maximale compenserende vergoeding per grootvee-eenheid.

HOOFDSTUK IV

Steunmaatregelen van de staten

Artikel 8

Titel IV van Verordening (EG) nr. 1257/1999 geldt met ingang van 1 januari 2000 voor nieuwe steun in de zin van artikel 1, onder c), van Verordening (EG) nr. 659/1999.

HOOFDSTUK V

Slotbepalingen

Artikel 9

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 3 is met ingang van 30 juli 1999 van toepassing.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 9 december 1999.

Voor de Commissie

Franz FISCHLER

Lid van de Commissie

(1) PB L 160 van 26.6.1999, blz. 80.

(2) PB L 215 van 30.7.1992, blz. 91.

(3) PB L 288 van 1.12.1995, blz. 35.

(4) PB L 83 van 27.3.1999, blz. 1.

(5) PB L 175 van 4.8.1971, blz. 1.

(6) PB L 47 van 25.2.1993, blz. 1.

(7) PB L 297 van 21.11.1996, blz. 1.

(8) PB L 374 van 31.12.1988, blz. 25.

(9) PB L 165 van 15.6.1989, blz. 3.

(10) PB L 91 van 6.4.1990, blz. 7.

(11) PB L 142 van 2.6.1997, blz. 1.

(12) PB L 142 van 2.6.1997, blz. 22.

(13) PB L 142 van 2.6.1997, blz. 30.

(14) PB L 214 van 13.8.1999, blz. 31.

BIJLAGE I

>PIC FILE= "L_1999316NL.002902.EPS">

BIJLAGE II

>PIC FILE= "L_1999316NL.003002.EPS">

Top