Help Print this page 
Title and reference
Verordening (EG) nr. 1658/98 van de Raad van 17 juli 1998 betreffende de medefinanciering van acties op gebieden die voor de ontwikkelingslanden van belang zijn, met Europese niet-gouvernementele organisaties (NGO's) voor ontwikkeling

OJ L 213, 30.7.1998, p. 1–5 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
Special edition in Czech: Chapter 11 Volume 029 P. 36 - 40
Special edition in Estonian: Chapter 11 Volume 029 P. 36 - 40
Special edition in Latvian: Chapter 11 Volume 029 P. 36 - 40
Special edition in Lithuanian: Chapter 11 Volume 029 P. 36 - 40
Special edition in Hungarian Chapter 11 Volume 029 P. 36 - 40
Special edition in Maltese: Chapter 11 Volume 029 P. 36 - 40
Special edition in Polish: Chapter 11 Volume 029 P. 36 - 40
Special edition in Slovak: Chapter 11 Volume 029 P. 36 - 40
Special edition in Slovene: Chapter 11 Volume 029 P. 36 - 40
Languages, formats and link to OJ
Multilingual display
Text

31998R1658

Verordening (EG) nr. 1658/98 van de Raad van 17 juli 1998 betreffende de medefinanciering van acties op gebieden die voor de ontwikkelingslanden van belang zijn, met Europese niet-gouvernementele organisaties (NGO's) voor ontwikkeling

Publicatieblad Nr. L 213 van 30/07/1998 blz. 0001 - 0005


VERORDENING (EG) Nr. 1658/98 VAN DE RAAD van 17 juli 1998 betreffende de medefinanciering van acties op gebieden die voor de ontwikkelingslanden van belang zijn, met Europese niet-gouvernementele organisaties (NGO's) voor ontwikkeling

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 130 W,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Overeenkomstig de procedure van artikel 189 C van het Verdrag (2),

Overwegende dat de Commissie in haar mededeling aan de Raad van 6 oktober 1975 richtsnoeren heeft voorgesteld voor de betrekkingen met de NGO's die zich met ontwikkelingssamenwerking bezighouden, alsmede algemene criteria en modaliteiten voor de besteding van de voor ontwikkelingsacties van NGO's bestemde kredieten;

Overwegende dat de begrotingsautoriteit in 1976 een begrotingspost heeft ingevoerd voor medefinancieringen met de NGO's en dat zij sindsdien de toewijzing aan deze post voortdurend heeft verhoogd (van 2,5 miljoen ECU in 1976 tot 174 miljoen ECU in 1995), op basis van de verslagen over de besteding van deze kredieten die de Commissie jaarlijks indient;

Overwegende dat de Raad tijdens zijn zitting van 28 november 1977 zijn goedkeuring heeft gehecht aan de door de Commissie voorgestelde algemene bestedingscriteria en -modaliteiten;

Overwegende dat het Europees Parlement in zijn resolutie van 14 mei 1992 over de rol van de NGO's in de ontwikkelingssamenwerking (3) de specifieke en onvervangbare functie van de NGO's en het nut en de doeltreffendheid van hun acties voor de ontwikkeling opnieuw heeft bevestigd, daarbij met name wijzend op het uitmuntende werk van de NGO's ten behoeve van marginale bevolkingsgroepen in de ontwikkelingslanden, op de noodzaak om de autonomie in het optreden van de NGO's te bewaren, en op de onmisbare rol van de NGO's bij de bevordering van de mensenrechten en het democratiseringsproces aan de basis;

Overwegende dat de Raad in zijn resolutie van 27 mei 1991 betreffende de samenwerking met de NGO's het belang van autonomie en onafhankelijkheid van de NGO's heeft onderstreept; dat hij bovendien heeft erkend dat de Gemeenschapsregeling voor samenwerking met de NGO's en de gelijksoortige nationale regelingen elkaar moeten aanvullen en dat de procedures soepel moeten zijn en op soepele wijze moeten worden toegepast;

Overwegende dat de Raad in zijn conclusies van 18 november 1992 met voldoening kennis heeft genomen van de criteria die de Commissie hanteert bij de keuze van de ontwikkelings- en voorlichtingsprojecten voor medefinanciering, met name met het oog op versterking van de democratische structuren en de eerbiediging van de mensenrechten in de ontwikkelingslanden, en vooral verheugd was dat de Commissie duidelijk heeft laten weten dat de kwaliteit van het project de belangrijkste selectienorm blijft, een opvatting waarin hij de Commissie zonder voorbehoud steunt;

Overwegende dat de beheersregels moeten worden vastgesteld die van toepassing zijn op de medefinanciering met Europese NGO's van acties op gebieden die voor de ontwikkelingslanden van belang zijn,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1. De Gemeenschap financiert, samen met de in artikel 3 omschreven Europese NGO's voor ontwikkeling, acties in het veld die gericht zijn op de bevrediging van de basisbehoeften van kansarme bevolkingsgroepen in de ontwikkelingslanden. Er wordt voorrang verleend aan voorstellen voor acties die gebaseerd zijn op een initiatief van de partners in de ontwikkelingslanden. Deze acties, die door de Europese NGO's worden voorgesteld en uitgevoerd in samenwerking met hun partners in de ontwikkelingslanden, hebben ten doel armoede te bestrijden, de levensomstandigheden van de doelgroepen te verbeteren en hun vermogen tot zelfontwikkeling te stimuleren.

2. Tevens financiert de Gemeenschap, samen met de in artikel 3 omschreven Europese NGO's, acties voor bewustmaking en voorlichting van de Europese publieke opinie ten aanzien van de ontwikkelingsproblemen in de Derde Wereld en in de betrekkingen tussen ontwikkelingslanden en geïndustrialiseerde landen. Deze door de Europese NGO's voorgestelde acties hebben ten doel het Europese publiek warm te maken voor de ontwikkeling en voor strategieën en acties die de bevolking van de ontwikkelingslanden ten goede komen.

3. De Gemeenschap medefinanciert ook acties die gericht zijn op versterking van de samenwerking en coördinatie tussen NGO's van de lidstaten, en tussen deze organisaties en de Gemeenschapsinstellingen.

Artikel 2

1. De medegefinancierde acties in de ontwikkelingslanden die krachtens artikel 1, lid 1, moeten worden uitgevoerd, betreffen met name plaatselijke ontwikkeling op het platteland en in de steden in de sociale en economische sectoren, ontwikkeling van het menselijk potentieel, met name door middel van opleidingsmaatregelen, en institutionele steun aan de plaatselijke partners in de ontwikkelingslanden.

Bij deze diverse actiegebieden staat het criterium van de kwaliteit van de actie voorop, maar gaat de aandacht in het bijzonder uit naar beleidslijnen die gericht zijn op:

- versterking van de civiele samenleving en de participerende ontwikkeling, bevordering en verdediging van mensenrechten en democratie,

- de rol van vrouwen in de ontwikkeling,

- duurzame ontwikkeling.

Bijzondere aandacht wordt eveneens besteed aan:

- de verdediging van bedreigde - met name inheemse - culturen,

- de bescherming en verbetering van de situatie en de rechten van kinderen in ontwikkelingslanden.

2. De uit hoofde van artikel 1, lid 2, uit te voeren acties voor de bewustmaking en voorlichting van de publieke opinie in alle lidstaten zijn gericht op welbepaalde groepen, behandelen duidelijk gedefinieerde thema's, berusten op een evenwichtige analyse en op een behoorlijke kennis van onderwerpen en doelgroepen, en bezitten een Europese dimensie.

De kwaliteit van de actie blijft het voornaamste criterium; daarnaast gaat de aandacht in het bijzonder uit naar bewustmakingsacties die:

- de nadruk leggen op de interdependentie tussen de lidstaten en de ontwikkelingslanden,

- een motiverende boodschap uitdragen voor een beter evenwicht tussen Noord en Zuid,

- samenwerking tussen NGO's aanmoedigen,

- actieve deelneming van de partners uit de ontwikkelingslanden mogelijk maken.

3. De krachtens artikel 1, lid 3, uit te voeren acties ter versterking van de coördinatie tussen de NGO's uit de lidstaten en met de Gemeenschapsinstellingen bestaan onder meer uit steun voor het opzetten van passende netwerken voor uitwisseling en communicatie.

4. Wanneer wordt nagegaan of een voorgenomen actie in aanmerking komt voor medefinanciering door de Gemeenschap, geldt als criterium het verwachte ontwikkelingseffect ervan in het (de) betrokken ontwikkelingsland(en). Daarbij wordt aandacht besteed aan:

- de duurzame gevolgen voor het projectontwerp;

- de duidelijke afbakening van en de controle op de doelstellingen en indicatoren voor het welslagen van alle projecten;

- de samenhang met andere ontwikkelingsacties van gedecentraliseerde organen, terwijl gebrekkige samenhang met andere communautaire samenwerkingsinstrumenten wordt vermeden.

Artikel 3

1. De samenwerkingsorganen die voor medefinancierung in het kader van deze verordening in aanmerking komen, zijn NGO's die aan de volgende voorwaarden voldoen:

- zij moeten opgericht zijn als zelfstandige organisatie zonder winstoogmerk in een lidstaat volgens de aldaar geldende wetgeving;

- zij moeten hun hoofdkantoor hebben in een lidstaat; dit hoofdkantoor moet het belangrijkste centrum zijn waar beslissingen over medegefinancierde acties worden genomen;

- het grootste deel van hun financiële middelen moet uit Europa komen.

2. Om vast te stellen of een NGO in aanmerking komt voor medefinanciering, worden ook de volgende elementen in aanmerking genomen:

- haar vermogen om bij het Europese publiek daadwerkelijk solidariteit voor haar ontwikkelingsactiviteiten op te wekken,

- de voorrang die zij aan ontwikkeling geeft, alsmede haar ervaring op dat gebied,

- haar capaciteit inzake administratief en financieel beheer,

- zo mogelijk haar kennis van de betrokken sector en landen,

- haar vermogen om de door de partners in de ontwikkelingslanden voorgestelde ontwikkelingsacties te ondersteunen, alsmede de aard en reikwijdte van haar banden met soortgelijke organisaties in de ontwikkelingslanden.

Artikel 4

1. Communautaire medefinanciering van de in artikel 1 bedoelde acties kan worden gebruikt ter dekking, in deviezen of lokale valuta, van:

- investeringsuitgaven,

- operationele kosten voor investeringen, waarbij erop wordt toegezien dat de projecten levensvatbaar blijven nadat de steun buitenaf is beëindigd,

- alle uitgaven die noodzakelijk zijn voor de goede uitvoering van de medefinancierde acties, met inbegrip van de administratiekosten van de NGO of van NGO-netwerken.

In het bijzondere geval van buitengewoon sterke wisselkoersschommelingen ten nadele van de eindbegunstigden van de projecten in de ontwikkelingslanden, kan de Commissie, op verzoek van de betrokken NGO, passende maatregelen nemen om de gevolgen van dergelijke schommelingen te neutraliseren.

2. De NGO waarmee het medefinanicieringscontract is gesloten, stelt haar partners op de hoogte van de Gemeenschapsbijdrage tot de actie.

3. De NGO moedigt systematisch de instanties en partners in de ontwikkelingslanden waarvoor de actie uiteindelijk bestemd is, aan om naar vermogen in natura of in geld aan die actie bij te dragen, afhankelijk van de specifieke aard van elke actie.

Artikel 5

De medefinanciering van de Gemeenschap uit hoofde van deze verordening geschiedt in de vorm van niet-terugvorderbare hulp, met inbegrip van de bijdragen aan werkkapitaal in het kader van microkredietprojecten.

In het geval van met Europese NGO's medegefinancierde microkredietprojecten die geheel of gedeeltelijk voorzien in de samenstelling en het beheer van werkkapitaal door de lokale partner in de ontwikkelingslanden, kunnen de bedragen van de kleine leningen die door de eindbegunstigden worden terugbetaald, weer worden gebruikt voor nieuwe kleine leningen voor andere eindbegunstigden.

Artikel 6

1. De Commissie wordt belast met het onderzoek, de goed- of afkeuring en het beheer van de medefinanciering van de in deze verordening bedoelde acties volgens de geldende begrotings- en andere procedures, en met name die welke zijn vastgesteld in het Financieel Reglement dat van toepassing is op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen, rekening houdend met de kenmerken en specificiteit van de NGO's en met name het feit dat zij zelf financieel tot deze acties bijdragen.

Als regel dient binnen zes maanden na de ontvangst van de aanvraag te worden besloten of een actie wordt gesteund. Als bij de behandeling van het dossier blijkt dat de aanvraag onvolledig is, begint deze termijn te lopen zodra de vereiste inlichtingen zijn ontvangen. In geval van een afwijzend besluit dient de desbetreffende NGO een controleerbare motivering te worden gegeven.

2. Alle uit hoofde van deze verordening gesloten medefinancieringscontracten bepalen met name dat de Commissie en de Rekenkamer ter plaatse controles kunnen verrichten onder de gebruikelijke voorwaarden die de Commissie heeft vastgesteld in het kader van de geldende bepalingen, in het bijzonder die van het Financieel Reglement dat van toepassing is op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen.

3. Het percentage van de bijdrage van de Gemeenschap bedraat normaliter niet meer dan 50 % van de totale kosten, c.q. 75 % van de totale financiële inbreng, behalve in uitzonderlijke gevallen. Zelfs dan moet de NGO een significante bijdrage aan haar project leveren en mag de bijdrage van de Gemeenschap niet meer bedragen dan 85 % van de totale financiële inbreng.

4. Besluiten betreffende medefinanciering door de Gemeenschap van projecten en programma's (meerjarenprogramma's, consortiumacties of globale subsidies (block grants)) van meer dan 2 miljoen ECU worden vastgesteld overeenkomstig de procedure van artikel 9.

5. Om de drie maanden deelt de Commissie - met opgave van de betrokken bedragen, aard, begunstigd land en partner - mee voor welke projecten en programma's medefinanciering is goedgekeurd. Deze mededeling gaat vergezeld van een bijlage waarin projecten of programma's van meer dan 1 miljoen ECU duidelijk worden aangegeven.

Artikel 7

1. Na elk begrotingsjaar dient de Commissie in de tweede helft van het jaar bij het Europees Parlement en de Raad een jaarverslag in met informatie over de NGO's voor ontwikkeling die medefinanciering ontvangen, een overzicht van de in de loop van het voorafgaande begrotingsjaar gefinancierde acties, alsmede met een evaluatie van de uitvoering van de verordening tijdens dat jaar en de grote lijnen voor het volgende jaar. In dit jaarverslag wordt met betrekking tot de globale bedragen een overzicht gegeven van de betrokken NGO's, terwijl de lijst van de met deze globale bedragen gefinancierde projecten wordt opgenomen in het verslag over het daaropvolgende jaar. In het verslag worden de conclusies van externe evaluaties vermeld.

2. Besluiten betreffende de algemene richtsnoeren voor het volgende jaar en de herziening van de algemene voorwaarden worden door de Commissie vastgesteld volgens de procedure van artikel 10.

Artikel 8

De Commissie wordt bijgestaan door een comité samengesteld uit vertegenwoordigers van de lidstaten en voorgezeten door de Commissievertegenwoordiger.

Artikel 9

1. Wanneer wordt verwezen naar de in dit artikel omschreven procedure wordt de Commissie bijgestaan door het bij artikel 8 opgerichte comité.

2. De Commissievertegenwoordiger legt het comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het comité brengt binnen een door de voorzitter naar gelang van de urgentie van het vraagstuk te bepalen termijn advies uit over dit ontwerp. Het advies wordt uitgebracht met de in artikel 148, lid 2, van het Verdrag, voorgeschreven meerderheid voor de aanneming van besluiten van de Raad op voorstel van de Commissie. Bij de stemming in het comité worden de stemmen van de vertegenwoordigers van de lidstaten overeenkomstig het genoemde artikel gewogen. De voorzitter neemt niet aan de stemming deel.

3. a) De Commissie stelt de beoogde maatregelen vast, die onmiddellijk van toepassing zijn.

b) Indien de maatregelen echter niet in overeenstemming zijn met het advies van het comité, worden zij onverwijld door de Commissie ter kennis van de Raad gebracht. In dat geval:

- stelt de Commissie de toepassing van de maatregelen waartoe zij heeft besloten uit voor een periode van een maand na deze kennisgeving;

- kan de Raad binnen de in het eerste streepje genoemde termijn met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen een andersluidend besluit nemen.

Artikel 10

1. Wanneer wordt verwezen naar de in dit lid omschreven procedure wordt de Commissie bijgestaan door het bij artikel 8 opgerichte comité.

2. De Commissievertegenwoordiger legt het comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het comité brengt binnen een door de voorzitter naar gelang van de urgentie van het vraagstuk te bepalen termijn advies uit over dit ontwerp. Het advies wordt uitgebracht met de in artikel 148, lid 2, van het Verdrag, voorgeschreven meerderheid voor de aanneming van besluiten van de Raad op voorstel van de Commissie. Bij de stemming in het comité worden de stemmen van de vertegenwoordigers van de lidstaten overeenkomstig het genoemde artikel gewogen. De voorzitter neemt niet aan de stemming deel.

3. a) De Commissie stelt de beoogde maatregelen vast, die onmiddellijk van toepassing zijn.

b) Indien de maatregelen echter niet in overeenstemming zijn met het advies van het comité, worden zij onverwijld door de Commissie ter kennis van de Raad gebracht. In dat geval:

- kan de Commissie de toepassing van de maatregelen waartoe zij heeft besloten voor ten hoogste één maand na deze kennisgeving uitstellen;

- kan de Raad binnen de in het eerste streepje genoemde termijn met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen een andersluidend besluit nemen.

Artikel 11

De Commissie evalueert op gezette tijden de door de Gemeenschap medegefinancierde acties teneinde na te gaan of de met deze acties beoogde doelstellingen zijn bereikt en beleidslijnen uit te stippelen om de toekomstige acties doeltreffender te maken. De Commissie legt het in artikel 8 bedoelde comité een samenvatting van de verrichte evaluaties voor die eventueel door het comité kunnen worden bestudeerd. Lidstaten die daarom verzoeken, kunnen inzake krijgen van de evaluatieverslagen.

Artikel 12

Drie jaar na de inwerkingtreding van deze verordening dient de Commissie bij het Parlement en de Raad een algemene evaluatie in van de door de Gemeenschap in het kader van deze verordening gefinancierde advies, eventueel vergezeld van een voorstel tot verlenging en zo nodig tot herziening van de onderhavige verordening.

Artikel 13

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 juli 1998.

Voor de Raad

De Voorzitter

W. RUTTENSDORFER

(1) PB C 251 van 27.9.1995, blz. 18.

(2) Advies van het Europees Parlement van 15 december 1995 (PB C 17 van 22.1.1996, blz. 455), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 7 juli 1997 (PB C 307 van 8.10.1997, blz. 1) en besluit van het Europees Parlement van 18 december 1997 (PB C 14 van 19.1.1998, blz. 14).

(3) PB C 150 van 15.6.1992, blz. 273.

Top