Help Print this page 
Title and reference
Beschikking nr. 888/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 maart 1998 houdende vaststelling van een actieprogramma ter verbetering van de stelsels van indirecte belastingen van de interne markt (Fiscalis- programma)

OJ L 126, 28.4.1998, p. 1–5 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
Languages, formats and link to OJ
BG ES CS DA DE ET EL EN FR GA HR IT LV LT HU MT NL PL PT RO SK SL FI SV
HTML html ES html DA html DE html EL html EN html FR html IT html NL html PT html FI html SV
PDF pdf ES pdf DA pdf DE pdf EL pdf EN pdf FR pdf IT pdf NL pdf PT pdf FI pdf SV
Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal
Multilingual display
Text

31998D0888

Beschikking nr. 888/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 maart 1998 houdende vaststelling van een actieprogramma ter verbetering van de stelsels van indirecte belastingen van de interne markt (Fiscalis- programma)

Publicatieblad Nr. L 126 van 28/04/1998 blz. 0001 - 0005


BESCHIKKING Nr. 888/98/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 30 maart 1998 houdende vaststelling van een actieprogramma ter verbetering van de stelsels van indirecte belastingen van de interne markt (Fiscalis-programma)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 100 A,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (2),

Volgens de procedure van artikel 189 B van het Verdrag (3),

(1) Overwegende dat in de interne markt de daadwerkelijke, eenvormige en doeltreffende toepassing van het Gemeenschapsrecht van wezenlijk belang is voor de werking van de stelsels van indirecte belastingen, in het bijzonder om de financiële belangen van de lidstaten en de Gemeenschap te beschermen door belastingfraude en -vermijding te bestrijden, om mededingingsvervalsing te voorkomen, en om onnodige administratieve rompslomp voor overheidsdiensten en belastingbetalers te verminderen;

(2) Overwegende dat de Gemeenschap, tezamen met de lidstaten, verantwoordelijk is voor deze daadwerkelijke, eenvormige en doeltreffende toepassing; dat de lidstaten weliswaar meer verantwoordelijkheid hebben wat betreft de te verstrekken middelen, maar dat bij de verschaffing van de infrastructuur en de nodige stimulansen voor de Gemeenschap een belangrijke rol is weggelegd;

(3) Overwegende dat het van wezenlijk belang is voor een eenvormige toepassing van het Gemeenschapsrecht dat de met de indirecte belastingen belaste ambtenaren een goed gemeenschappelijk begrip van dit recht en van de toepassing ervan in de lidstaten hebben; dat dit alleen kan worden bereikt indien de lidstaten een goede begin- en voortgezette scholing verstrekken; dat aanvullende communautaire maatregelen nuttig zijn om deze opleidingen te coördineren en te stimuleren;

(4) Overwegende dat een doeltreffende, daadwerkelijke en uitgebreide samenwerking tussen de lidstaten onderling en tussen deze en de Commissie van belang is voor de werking van de stelsels van indirecte belastingen van de interne markt; dat een communautaire infrastructuur voor communicatie en informatie-uitwisseling hiertoe onontbeerlijk is; dat met een stimulans van de zijde van de Gemeenschap een voldoende mate van samenwerking wordt vergemakkelijkt;

(5) Overwegende dat voortdurende verbetering van administratieve procedures van wezenlijk belang is voor de werking van de stelsels van de indirecte belastingen van de interne markt; dat ofschoon de verantwoordelijkheid hiervoor in de eerste plaats bij de lidstaten berust, aanvullende communautaire maatregelen nodig zijn om deze verbetering te coördineren en aan te moedigen;

(6) Overwegende dat daarom, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel, zoals neergelegd in artikel 3 B van het Verdrag, de doelstellingen van de in deze beschikking voorziene maatregelen niet alle voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt en dat deze beschikking niet verder gaat dan wat nodig is om dit doel te bereiken;

(7) Overwegende dat de ervaring met communautaire systemen voor de uitwisseling van informatie op het gebied van de indirecte belastingen, en met name de ervaring met het bij Verordening (EEG) nr. 218/92 van de Raad van 27 januari 1992 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de indirecte belastingen (BTW) (4) ingevoerde BTW-informatiesysteem (VIES), heeft geleerd dat de informatietechnologie van nut kan zijn om inkomsten veilig te stellen en tegelijkertijd de administratieve rompslomp zoveel mogelijk te verminderen; dat deze systemen essentiële hulpmiddelen voor de samenwerking zijn gebleken die de lidstaten tevens tot meer algemene samenwerking hebben aangespoord;

(8) Overwegende dat communicatie- en informatie-uitwisselingssystemen moeten worden ingevoerd, waarvan de werking gegarandeerd moet worden naargelang de behoeften van de stelsels van indirecte belastingen veranderen, teneinde de voortzetting van de samenwerking te verzekeren;

(9) Overwegende dat de ervaring van de Gemeenschap in het kader van het Matthaeus-Tax-programma, vastgesteld bij Beschikking 93/588/EEG van de Raad van 29 oktober 1993 tot vaststelling van een communautair actieprogramma voor de beroepsopleiding van ambtenaren belast met de indirecte fiscaliteit (5), en de ervaring met de organisatie van multilaterale controles heeft aangetoond dat de doelstellingen van het onderhavige programma kunnen worden verwezenlijkt door middel van uitwisselingen, studiebijeenkomsten en multilaterale controle-oefeningen waarbij ambtenaren van verschillende diensten in het kader van beroepswerkzaamheden worden bijeengebracht; dat deze activiteiten derhalve moeten worden voortgezet;

(10) Overwegende dat de studiebijeenkomsten aan ambtenaren van overheidsdiensten, vertegenwoordigers van de Commissie en zo nodig andere deskundigen op het gebied van indirecte belastingen een ideale gelegenheid bieden om ideeën uit te wisselen; dat deze studiebijeenkomsten suggesties kunnen opleveren om de vigerende rechtsinstrumenten te verbeteren en de samenwerking tussen overheidsdiensten met het oog op convergentie van de nationale stelsels van indirecte belastingen te vergemakkelijken;

(11) Overwegende dat de ervaring met het Matthaeus-Tax-programma heeft aangetoond, dat met een gecoördineerde ontwikkeling en uitvoering van een gemeenschappelijk opleidingsprogramma, zoals het programma dat is vastgesteld bij Beschikking 95/279/EG van de Commissie van 12 juli 1995 tot vaststelling van sommige bepalingen ter uitvoering van Beschikking 93/588/EEG van de Raad tot vaststelling van een communautair actieprogramma voor de beroepsopleiding van ambtenaren belast met indirecte fiscaliteit (6), de doelstellingen van het programma kunnen worden verwezenlijkt, in het bijzonder doordat de kennis van het Gemeenschapsrecht op een hoger gemeenschappelijk peil wordt gebracht; dat de programma's op door de Commissie en de lidstaten nader te bepalen gebieden verder dienen te worden ontwikkeld en dat de lidstaten derhalve ervoor moeten zorgen dat al hun ambtenaren de aanvankelijke opleiding en geregelde na- en bijscholing ontvangen waarin bij de gemeenschappelijke opleidingsprogramma's wordt voorzien;

(12) Overwegende dat ter vergemakkelijking van de samenwerking voldoende talenkennis van de voor de indirecte belastingen verantwoordelijke ambtenaren van wezenlijk belang is gebleken en dat de lidstaten derhalve het nodige talenonderricht aan hun ambtenaren dienen te verstrekken;

(13) Overwegende dat deelneming aan het programma dient open te staan voor de geassocieerde landen van Midden- en Oost-Europa; dat deelneming aan het programma tevens dient open te staan voor Cyprus;

(14) Overwegende dat de financiering van het programma voor rekening van de Gemeenschap en de lidstaten dient te komen en dat de bijdrage van de Gemeenschap in de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (afdeling III, Commissie) moet worden opgenomen;

(15) Overwegende dat in deze beschikking financiële middelen zijn opgenomen voor de gehele duur van het programma, die in de zin van punt 1 van de verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie van 6 maart 1995 betreffende de opneming van financiële bepalingen in de wetgevingsbesluiten (7) het voornaamste referentiepunt vormen voor de begrotingsautoriteit in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure,

HEBBEN DE VOLGENDE BESCHIKKING VASTGESTELD:

Artikel 1

Fiscalis-programma

Hierbij wordt voor de periode van 1 januari 1998 tot en met 31 december 2002 een meerjarig communautair actieprogramma (Fiscalis-programma), hierna "programma" genoemd, vastgesteld ter verbetering van de werking van de stelsels van indirecte belastingen van de interne markt. Het omvat de in de artikelen 4, 5 en 6 genoemde actiegebieden.

Artikel 2

Definities

In deze beschikking wordt verstaan onder:

a) "indirecte belastingen": de indirecte belastingen die onder het toepassingsgebied van het Gemeenschapsrecht vallen;

b) "overheidsdienst": de voor de indirecte belastingen verantwoordelijke diensten van de lidstaten;

c) "ambtenaar": een ambtenaar van een overheidsdienst, die is belast met de toepassing van communautaire of nationale wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen inzake indirecte belastingen;

d) "uitwisseling": een in het belang van de Gemeenschap in het kader van het programma georganiseerd werkbezoek van een ambtenaar van een overheidsdienst aan een overheidsdienst van een andere lidstaat;

e) "multilaterale controles": samenwerking, binnen het communautair juridisch kader inzake samenwerking, van ten minste drie overheidsdiensten met het oog op de integratie en coördinatie van de door hen verrichte controles van belastingplichtigen met verplichtingen inzake indirecte belastingen in de betrokken lidstaten;

f) "communautair juridisch kader inzake samenwerking": alle communautaire bepalingen inzake wederzijdse bijstand en administratieve samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van de indirecte belastingen.

Artikel 3

Doelstellingen

Het programma heeft ten doel door middel van communautaire maatregelen de inspanningen van de lidstaten te ondersteunen met het oog op:

a) het op een hoog gemeenschappelijk peil brengen van het begrip van het Gemeenschapsrecht bij de ambtenaren, in het bijzonder op het gebied van de indirecte belastingen, en van de uitvoering ervan in de lidstaten;

b) een doeltreffende, daadwerkelijke en uitgebreide samenwerking tussen de lidstaten en tussen deze en de Commissie;

c) de voortdurende verbetering van de administratieve procedures, met het oog op de behoeften van de overheidsdiensten en belastingbetalers, door de ontwikkeling en verbreiding van goede administratieve praktijken.

Artikel 4

Communicatie- en informatie-uitwisselingssystemen, handboeken en gidsen

1. De Commissie en de lidstaten dragen zorg voor de instandhouding van de bestaande communicatie- en informatie-uitwisselingssystemen, handboeken en gidsen die zij nodig achten. Zij dragen zorg voor de ontwikkeling en het gebruik van nieuwe communicatie- en informatie-uitwisselingssystemen, handboeken en gidsen die zij nodig achten.

2. De communautaire componenten van de communicatie- en informatie-uitwisselingssystemen omvatten de apparatuur, programmatuur en netwerkverbindingen die alle lidstaten gemeenschappelijk moeten hebben ter verzekering van de onderlinge koppeling en de interoperabiliteit van de systemen, ongeacht of deze zich in de gebouwen van de Commissie (of van een aangewezen onderaannemer) dan wel in de gebouwen van de lidstaten (of van een aangewezen onderaannemer) bevinden.

3. De niet-communautaire componenten van de communicatie- en informatie-uitwisselingssystemen omvatten de nationale gegevensbanken die deel van deze systemen uitmaken, de netwerkverbindingen tussen de communautaire en de niet-communautaire componenten, alsmede de programmatuur en de apparatuur die iedere lidstaat noodzakelijk acht voor de volledige benutting van deze systemen in zijn overheidsdiensten.

Artikel 5

Uitwisselingen, studiebijeenkomsten en multilaterale controles

1. De Commissie en de lidstaten organiseren uitwisselingen van ambtenaren. De uitwisselingen variëren in duur, naargelang het geval, maar duren niet langer dan zes maanden. Iedere uitwisseling is gericht op een bepaald werkterrein en wordt door de betrokken ambtenaren en overheidsdiensten tevoren voldoende voorbereid en achteraf beoordeeld.

De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat de uit te wisselen ambtenaren daadwerkelijk aan de werkzaamheden van de ontvangende overheidsdienst kunnen deelnemen; hiertoe wordt het deze ambtenaren toegestaan de werkzaamheden te verrichten die verband houden met de functie die de ontvangende overheidsdienst hun overeenkomstig zijn rechtsstelsel heeft toevertrouwd.

Tijdens de uitwisselingsperiode geldt voor de ambtenaar in de uitoefening van zijn functie dezelfde wettelijke aansprakelijkheid als voor de nationale ambtenaren van de ontvangende dienst.

De uit te wisselen ambtenaren zijn aan dezelfde regels inzake ambtsgeheim onderworpen als de nationale ambtenaren.

2. De Commissie en de lidstaten organiseren studiebijeenkomsten waaraan wordt deelgenomen door ambtenaren van overheidsdiensten, vertegenwoordigers van de Commissie en zo nodig andere deskundigen op het gebied van de indirecte belastingen.

3. De Commissie en de lidstaten kunnen, in het in artikel 11 bedoelde comité, uit de door de lidstaten binnen het communautair juridisch kader inzake samenwerking georganiseerde multilaterale controles de controles selecteren die, omdat zij tot oefening dienen, volgens de bepalingen van artikel 8 ten laste komen van de Gemeenschap. De deelnemende lidstaten zenden de verslagen en de evaluaties betreffende deze controles naar de Commissie en de andere lidstaten.

Artikel 6

Gemeenschappelijk opleidingsinitiatief

1. Ter stimulering van een gestructureerde samenwerking tussen hun opleidingsinstellingen en de ambtenaren die in de overheidsdiensten belast zijn met de opleiding op het gebied van de indirecte belastingen, dienen de lidstaten, in samenwerking met de Commissie:

a) de bestaande opleidingsprogramma's te ontwikkelen en, in voorkomend geval, nieuwe opleidingsprogramma's op te stellen, teneinde een gemeenschappelijke basisopleiding voor de ambtenaren tot stand te brengen en hen in staat te stellen de nodige gemeenschappelijke beroepskwalificaties en -kennis te verwerven;

b) de opleidingen op het gebied van de indirecte belastingen die elke lidstaat voor zijn eigen ambtenaren verzorgt, waar nodig open te stellen voor de ambtenaren van alle lidstaten;

c) de nodige gemeenschappelijke hulpmiddelen voor de opleiding op het gebied van de indirecte belastingen te ontwikkelen, met name hulpmiddelen voor het talenonderricht.

2. De lidstaten dragen er zorg voor dat hun ambtenaren de nodige beginopleiding en na- en bijscholing ontvangen om de gemeenschappelijke beroepskwalificaties en -kennis conform de gemeenschappelijke opleidingsprogramma's te verkrijgen, alsook het nodige talenonderricht om deze ambtenaren in staat te stellen voldoende talenkennis te verwerven. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 12, lid 2, stellen zij de Commissie in kennis van de inhoud en de omvang van de aan hun ambtenaren gegeven opleiding.

Artikel 7

Deelneming van de geassocieerde landen

Het programma staat open voor deelneming van de geassocieerde landen van Midden- en Oost-Europa in overeenstemming met de voorwaarden die in de Europa-overeenkomsten of de aanvullende protocollen daarbij zijn vastgelegd met betrekking tot hun deelneming aan communautaire programma's, zulks voorzover het Gemeenschapsrecht inzake indirecte belastingen dit toestaat. Het programma staat voorts open voor deelneming van Cyprus, voorzover het Gemeenschapsrecht inzake indirecte belastingen dit toestaat.

Artikel 8

Kosten

1. De kosten voor de uitvoering van het programma worden tussen de Gemeenschap en de lidstaten gedeeld, overeenkomstig het bepaalde in de leden 2 en 3.

2. De Gemeenschap neemt de volgende kosten voor haar rekening:

a) de reis- en verblijfkosten van ambtenaren die in een andere lidstaat aan de in artikel 5 genoemde werkzaamheden deelnemen, de reis- en verblijfkosten van de andere deskundigen op het gebied van indirecte belastingen die aan de in artikel 5, lid 2, genoemde werkzaamheden deelnemen, alsmede de kosten van de organisatie van deze studiebijeenkomsten;

b) de kosten van de ontwikkeling van de in artikel 6, lid 1, onder c), bedoelde hulpmiddelen voor de opleiding op het gebied van de indirecte belastingen, alsmede van de opstelling van de in artikel 4, lid 1, bedoelde handboeken en gidsen;

c) de kosten van de ontwikkeling, de aankoop, de installatie en het onderhoud van de in artikel 4, lid 2, bedoelde communautaire componenten van de communicatie- en informatie-uitwisselingssystemen alsmede de dagelijkse operationele kosten van de zich in de gebouwen van de Commissie (of van een aangewezen onderaannemer) bevindende communautaire componenten;

d) de kosten van zo nodig door derden te verrichten studies die betrekking hebben op het effect van het programma, waarbij de vertrouwelijkheid van de gegevens wordt gewaarborgd.

3. De lidstaten nemen de volgende kosten voor hun rekening:

a) de kosten van de in artikel 6, lid 1, bedoelde beginopleiding en de na- en bijscholing van hun ambtenaren, alsmede van het in artikel 6, lid 2, bedoelde talenonderricht aan hun ambtenaren. De lidstaten nemen de kosten voor hun rekening van de deelneming van hun ambtenaren aan extra activiteiten die in het kader van artikel 5 worden georganiseerd, naast die welke door de Gemeenschap worden bekostigd;

b) de kosten van de ontwikkeling en het gebruik van de in artikel 4, lid 3, bedoelde niet-communautaire componenten van de communicatie- en informatie-uitwisselingssystemen alsmede de dagelijkse operationele kosten van de zich in hun gebouwen (of in die van een aangewezen onderaannemer) bevindende communautaire componenten van deze systemen.

Artikel 9

Financieel kader

De financiële middelen voor de uitvoering van dit programma voor de periode 1 januari 1998 tot en met 31 december 2002 worden vastgesteld op 40 miljoen ECU. De jaarlijkse begrotingskredieten worden door de begrotingsautoriteit binnen de grenzen van de financiële vooruitzichten goedgekeurd.

Artikel 10

Uitvoeringsbepalingen

De voor de uitvoering van dit programma noodzakelijke maatregelen worden door de Commissie vastgesteld volgens de procedure van artikel 11. De uitvoeringsmaatregelen laten de communautaire bepalingen betreffende inning en controle, alsook administratieve samenwerking en wederzijdse bijstand op het gebied van indirecte belastingen onverlet.

Artikel 11

Comité

1. De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 10 van Verordening (EEG) nr. 218/92 ingestelde Permanente Comité inzake administratieve samenwerking op het gebied van de indirecte belastingen.

2. De vertegenwoordiger van de Commissie legt het comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het comité brengt advies uit over dit ontwerp binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen naar gelang van de urgentie van de materie. Het comité spreekt zich uit met de meerderheid van stemmen die in artikel 148, lid 2, van het Verdrag is voorgeschreven voor de aanneming van de besluiten die de Raad op voorstel van de Commissie dient te nemen. Bij de stemming in het comité worden de stemmen van de vertegenwoordigers van de lidstaten gewogen overeenkomstig genoemd artikel. De voorzitter neemt niet aan de stemming deel.

3. a) De Commissie stelt maatregelen vast die onmiddellijk van toepassing zijn.

b) Indien deze maatregelen echter niet in overeenstemming zijn met het advies dat het Comité heeft uitgebracht, worden zij onverwijld door de Commissie ter kennis van de Raad gebracht. In dat geval

- stelt de Commissie de toepassing van de maatregelen waartoe zij heeft besloten uit voor een termijn van drie maanden na de datum van kennisgeving;

- kan de Raad binnen de bij het eerste streepje genoemde termijn met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen een andersluidend besluit nemen.

4. Naast de in artikel 10 genoemde maatregelen, bestudeert het comité de punten in verband met de toepassing van deze beschikking die door zijn voorzitter op diens initiatief of op verzoek van de vertegenwoordiger van een lidstaat aan de orde worden gesteld.

Artikel 12

Beoordeling

1. Dit programma wordt in onderling overleg tussen de Commissie en de lidstaten voortdurend beoordeeld. De beoordeling geschiedt op grond van de in lid 2 en lid 3 bedoelde verslagen.

2. De lidstaten zenden aan de Commissie:

a) uiterlijk op 30 juni 2000 een interimverslag;

b) uiterlijk op 31 december 2002 een eindverslag over de tenuitvoerlegging en de uitwerking van dit programma.

3. De Commissie zendt het Europees Parlement en de Raad:

a) uiterlijk op 30 juni 2001 een mededeling, op basis van de interimverslagen van de lidstaten over de wenselijkheid van de voortzetting van dit programma, zo nodig vergezeld van een voorstel terzake;

b) uiterlijk op 30 juni 2003 een eindverslag over de tenuitvoerlegging en de uitwerking van dit programma.

Deze verslagen worden tevens ter kennisneming aan het Economisch en Sociaal Comité en aan het Comité van de Regio's toegezonden.

Artikel 13

Inwerkingtreding

Deze beschikking treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Deze beschikking is van toepassing met ingang van 1 januari 1998.

Artikel 14

Adressaten

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 30 maart 1998.

Voor het Europees Parlement

De Voorzitter

J. M. GIL-ROBLES

Voor de Raad

De Voorzitter

Lord SIMON of HIGHBURY

(1) PB C 177 van 11. 6. 1997, blz. 8, en

PB C 1 van 3. 1. 1998, blz. 13.

(2) PB C 19 van 21. 1. 1998, blz. 48.

(3) Advies van het Europees Parlement van 20 november 1997 (PB C 371 van 8. 12. 1997), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 26 januari 1998 (PB C 62 van 26. 2. 1998, blz. 38) en besluit van het Europees Parlement van 18 februari 1998 (PB C 80 van 16. 3. 1998). Besluit van de Raad van 3 maart 1998.

(4) PB L 24 van 1. 2. 1992, blz. 1.

(5) PB L 280 van 13. 11. 1993, blz. 27.

(6) PB L 172 van 22. 7. 1995, blz. 24.

(7) PB C 102 van 4. 4. 1996, blz. 4.

Top