Help Print this page 
Title and reference
Verordening (EEG) nr. 1210/90 van de Raad van 7 mei 1990 inzake de oprichting van het Europees Milieuagentschap en het Europees milieuobservatie- en -informatienetwerk

OJ L 120, 11.5.1990, p. 1–6 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT)
Special edition in Finnish: Chapter 15 Volume 009 P. 225 - 230
Special edition in Swedish: Chapter 15 Volume 009 P. 225 - 230
Special edition in Czech: Chapter 15 Volume 001 P. 396 - 401
Special edition in Estonian: Chapter 15 Volume 001 P. 396 - 401
Special edition in Latvian: Chapter 15 Volume 001 P. 396 - 401
Special edition in Lithuanian: Chapter 15 Volume 001 P. 396 - 401
Special edition in Hungarian Chapter 15 Volume 001 P. 396 - 401
Special edition in Maltese: Chapter 15 Volume 001 P. 396 - 401
Special edition in Polish: Chapter 15 Volume 001 P. 396 - 401
Special edition in Slovak: Chapter 15 Volume 001 P. 396 - 401
Special edition in Slovene: Chapter 15 Volume 001 P. 396 - 401
Special edition in Bulgarian: Chapter 15 Volume 002 P. 28 - 33
Special edition in Romanian: Chapter 15 Volume 002 P. 28 - 33
Languages, formats and link to OJ
Multilingual display
Text

31990R1210

Verordening (EEG) nr. 1210/90 van de Raad van 7 mei 1990 inzake de oprichting van het Europees Milieuagentschap en het Europees milieuobservatie- en -informatienetwerk

Publicatieblad Nr. L 120 van 11/05/1990 blz. 0001 - 0006
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 15 Deel 9 blz. 0225
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 15 Deel 9 blz. 0225


*****

VERORDENING (EEG) Nr. 1210/90 VAN DE RAAD

van 7 mei 1990

inzake de oprichting van het Europees Milieuagentschap en het Europees milieuobservatie- en -informatienetwerk

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 130 S,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Europese Parlement (2),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (3),

Overwegende dat het Verdrag voorziet in de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van een communautair milieubeleid, en de doelstellingen en beginselen bevat die aan dit beleid ten grondslag moeten liggen;

Overwegende dat de eisen ter zake van milieubescherming een bestanddeel vormen van de andere takken van Gemeenschapsbeleid;

Overwegende dat volgens artikel 130 R van het Verdrag de Gemeenschap bij de uitwerking van haar optreden op milieugebied onder meer rekening dient te houden met de beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens;

Overwegende dat de Commissie overeenkomstig Beschikking 85/338/EEG (4) is begonnen met een werkprogramma betreffende een proefproject voor het verzamelen van, het cooerdineren van en het brengen van samenhang in de informatie inzake de toestand van het milieu en de natuurlijke hulpbronnen in de Gemeenschap; dat thans de nodige besluiten dienen te worden genomen met betrekking tot een permanent systeem voor observatie en informatie op milieugebied;

Overwegende dat verzameling, verwerking en analyse van milieugegevens op Europees niveau nodig is om objectieve, betrouwbare en vergelijkbare informatie te verschaffen die het de Gemeenschap en de Lid-Staten mogelijk maakt de ter bescherming van het milieu noodzakelijke maatregelen te nemen, de resultaten van die maatregelen te beoordelen en een degelijke voorlichting van het publiek over de toestand van het milieu te waarborgen;

Overwegende dat er in de Gemeenschap en de Lid-Staten reeds voorzieningen bestaan waarmee voor informatievoorziening en dienstverlening op dit gebied wordt zorg gedragen;

Overwegende dat op basis hiervan een Europees milieuobservatie- en -informatienetwerk dient te worden opgericht waarbij een Europees Milieuagentschap op communautair niveau voor de cooerdinatie zorg draagt;

Overwegende dat het Agentschap met de bestaande communautaire structuren dient samen te werken, opdat de Commissie ervoor kan zorgen dat de communautaire milieuwetgeving onverkort wordt toegepast;

Overwegende dat de rechtspositie en de structuur van dit Agentschap moeten zijn afgestemd op het objectieve karakter van de resultaten die het zou moeten opleveren; dat het Agentschap de mogelijkheid moet worden geboden zijn taken in nauwe samenwerking met de bestaande nationale en internationale voorzieningen te vervullen;

Overwegende dat het Agentschap juridisch autonoom dient te zijn, zij het dat het een nauwe band met de Instellingen van de Gemeenschap en de Lid-Staten moet kunnen onderhouden;

Overwegende dat het dienstig is te voorzien in de mogelijkheid dat andere landen die de belangstelling van de Gemeenschap en de Lid-Staten voor de doelstellingen van het Agentschap delen, krachtens tussen die landen en de Gemeenschap te sluiten overeenkomsten aan de werkzaamheden van het Agentschap deelnemen;

Overwegende dat deze verordening na twee jaar opnieuw dient te worden bezien met het oog op een besluit over de verdere taken van het Agentschap,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING

VASTGESTELD:

Artikel 1

1. Bij deze verordening wordt het Europees Milieuagentschap opgericht en de vorming van een Europees milieuobservatie- en -informatienetwerk beoogd.

2. Om de bij het Verdrag en de achtereenvolgende communautaire milieuactieprogramma's vastgestelde doelstellingen op het gebied van bescherming en verbetering van het milieu te verwezenlijken, wordt beoogd de Gemeenschap en de Lid-Staten:

- objectieve, betrouwbare en vergelijkbare informatie op Europees niveau te verschaffen op grond waarvan zij de nodige maatregelen ter bescherming van het milieu kunnen nemen, de resultaten daarvan kunnen beoordelen en het publiek degelijke informatie kunnen geven over de toestand van het milieu;

- te dien einde in technisch en wetenschappelijk opzicht de nodige bijstand te verlenen.

Artikel 2

Om het in artikel 1 gestelde doel te bereiken vervult het Agentschap de volgende taken:

i) in samenwerking met de Lid-Staten het in artikel 4 bedoelde Netwerk tot stand brengen en cooerdineren. Daartoe zorgt het Agentschap voor het verzamelen, verwerken en analyseren van gegevens, met name op de in artikel 3 genoemde gebieden. Het behoort voorts tot zijn taak de krachtens Beschikking 85/338/EEG begonnen werkzaamheden voort te zetten;

ii) de Gemeenschap en de Lid-Staten voorzien van de objectieve informatie die noodzakelijk is voor het bepalen en uitvoeren van een oordeelkundig en doeltreffend milieubeleid; daartoe met name aan de Commissie de nodige informatie verschaffen opdat deze haar taken op het gebied van het identificeren, voorbereiden en evalueren van milieumaatregelen en -wetgeving succesvol kan uitvoeren;

iii) verzamelen, en evalueren van gegevens betreffende de toestand van het milieu, opstellen van deskundigenrapporten betreffende kwaliteit, gevoeligheid en belasting van het milieu op het grondgebied van de Gemeenschap, aanleggen van uniforme criteria voor de evaluatie van milieu-informatie in alle Lid-Staten. De Commissie maakt van deze informatie gebruik bij haar opdracht om de tenuitvoerlegging van de communautaire milieuwetgeving te verzekeren;

iv) bijdragen tot het vergelijkbaar maken van de milieugegevens op Europees niveau en, indien nodig, via passende wegen een betere harmonisatie van de meetmethoden bevorderen;

v) bevorderen van integratie van de Europese milieu-informatie in internationale milieubewakingsprogramma's, zoals die welke in het kader van de Verenigde Naties en de gespecialiseerde instellingen daarvan zijn opgesteld;

vi) zorgen voor een ruime verspreiding van betrouwbare milieu-informatie. Het Agentschap publiceert tevens om de drie jaar een rapport over de toestand van het milieu;

vii) stimuleren van de ontwikkeling en de toepassing van de technieken voor milieuprognoses op grond waarvan tijdig adequate preventieve maatregelen kunnen worden genomen;

viii) stimuleren van de ontwikkeling van methoden voor de evaluatie van de kosten van schade aan het milieu en van de kosten van een beleid gericht op preventie en bescherming en herstel van het milieu;

ix) stimuleren van de uitwisseling van informatie over de beste technologie die beschikbaar is om schade aan het milieu te voorkomen of te verminderen;

x) samenwerken met de in artikel 15 bedoelde instanties en programma's.

Artikel 3

1. De voornaamste werkterreinen van het Agentschap omvatten voor zover mogelijk alles wat dienstig kan zijn voor het verzamelen van informatie met behulp waarvan de huidige en de te verwachten toestand van het milieu kan worden beschreven vanuit de volgende invalshoeken:

i) kwaliteit van het milieu,

ii) belasting van het milieu,

iii) gevoeligheid van het milieu.

2. Het Agentschap verschaft informatie die bij de tenuitvoerlegging van het milieubeleid van de Gemeenschap rechtstreeks te gebruiken is.

Aan de volgende werkterreinen wordt voorrang gegeven:

- luchtkwaliteit en emissies in de atmosfeer,

- waterkwaliteit, verontreinigingen en watervoorraden,

- toestand van bodem, flora, fauna en biotopen,

- bodemgebruik en natuurlijke hulpbronnen,

- afvalbeheer,

- geluidsemissies,

- milieugevaarlijke chemische stoffen,

- bescherming van de kust.

In het bijzonder worden grensoverschrijdende, plurinationale en globale verschijnselen behandeld.

De sociaal-economische aspecten worden eveneens in aanmerking genomen.

Het Agentschap vermijdt dat zijn werk de door andere instellingen en organisaties reeds ondernomen activiteiten overlapt.

Artikel 4

1. Het Netwerk omvat:

- de voornaamste componenten van de nationale informatienetwerken;

- de nationale knooppunten;

- de thematische centra.

2. Om het Netwerk zo snel en zo doeltreffend mogelijk op te zetten, dienen de Lid-Staten binnen zes maanden na de inwerkingtreding van deze verordening aan het Agentschap mede te delen, wat de voornaamste bestanddelen van hun nationale milieu- informatienetwerken zijn, in het bijzonder op de in artikel 3, lid 2, genoemde prioritaire gebieden, alsmede welke instellingen volgens hen aan de werkzaamheden van het Agentschap zouden kunnen meewerken, gelet op de noodzaak dat hun grondgebied zo volledig mogelijk wordt bestreken.

3. De Lid-Staten kunnen met name één van de in lid 2 genoemde instellingen of een andere op hun grondgebied gevestigde organisatie aanwijzen als »nationaal knooppunt", belast met de cooerdinatie en/of het doorsturen van de informatie die op nationaal niveau moet worden verstrekt aan het Agentschap en aan de instellingen of organisaties die deel uitmaken van het Netwerk, met inbegrip van de in lid 4 genoemde thematische centra.

4. De Lid-Staten kunnen tevens, binnen de in lid 2 genoemde termijn, de op hun grondgebied gevestigde instellingen of andere organisaties aanwijzen die specifiek zouden kunnen worden belast met samenwerking met het Agentschap ten aanzien van bepaalde thema's die van bijzonder belang zijn. Een aldus aangewezen instelling zou een overeenkomst met het Agentschap moeten kunnen sluiten om als thematisch centrum van het Netwerk op te treden voor het vervullen van specifieke taken voor een bepaald geografisch gebied. Deze centra werken samen met andere instellingen die deel uitmaken van het Netwerk.

5. Binnen zes maanden na ontvangst van de in lid 2 bedoelde informatie bevestigt het Agentschap op basis van een besluit van de Raad van Bestuur en van de in artikel 5 genoemde regelingen de voornaamste componenten van het Netwerk.

De thematische centra worden aangewezen bij een besluit dat met eenparigheid van stemmen door de leden van de Raad van Bestuur, als omschreven in artikel 8, lid 1, wordt genomen, voor een periode die niet langer is dan de looptijd van elk meerjarig werkprogramma als bedoeld in artikel 8, lid 4. Deze aanwijzing kan echter worden verlengd.

6. De toekenning van de specifieke taken aan de thematische centra wordt vermeld in het in artikel 8, lid 4, bedoelde meerjarig werkprogramma van het Agentschap.

7. In het licht van met name het meerjarig werkprogramma onderwerpt het Agentschap de in lid 2 bedoelde componenten van het Netwerk aan een periodieke heroverweging en brengt het daarin de wijzigingen aan waartoe de Raad van Bestuur heeft besloten, met inachtneming van eventuele nieuwe aanwijzingen van de Lid-Staten.

Artikel 5

Het Agentschap kan met de in artikel 4 bedoelde instellingen of organisaties die deel uitmaken van het Netwerk, de nodige regelingen treffen, en met name contracten sluiten, om de taken die het deze kan toevertrouwen succesvol uit te voeren. Een Lid-Staat kan voor op zijn grondgebied gevestigde nationale instellingen of organisaties bepalen dat dergelijke regelingen met het Agentschap moeten worden getroffen met instemming van het nationale knooppunt.

Artikel 6

De milieugegevens die het Agentschap ontvangt of meedeelt, kunnen openbaar worden gemaakt en zijn toegankelijk voor het publiek, op voorwaarde dat zij overeenstemmen met de regels van de Commissie en de Lid-Staten betreffende informatieverstrekking, met name op het punt van vertrouwelijkheid.

Artikel 7

Het Agentschap bezit rechtspersoonlijkheid. Het geniet in alle Lid-Staten de ruimste handelingsbevoegdheid die door de nationale wetgevingen aan rechtspersonen wordt toegekend.

Artikel 8

1. Het Agentschap heeft een Raad van Bestuur bestaande uit één vertegenwoordiger van iedere Lid-Staat en twee vertegenwoordigers van de Commissie.

Voorts wijst het Europese Parlement als leden van de Raad van Bestuur twee vooraanstaande wetenschappers aan, die vooral deskundig zijn op het gebied van de milieubescherming en die op grond van de van hen te verwachten persoonlijke bijdrage tot de werkzaamheden van het Agentschap worden gekozen.

Elk lid van de Raad van Bestuur kan zich door een plaatsvervangend lid doen vervangen.

2. De Raad van Bestuur kiest zijn voorzitter uit zijn leden voor een periode van drie jaar en stelt zijn reglement van orde vast. Ieder lid van de Raad van Bestuur beschikt over één stem.

3. De besluiten van de Raad van Bestuur worden met een meerderheid van twee derden van zijn leden genomen, behalve in het in artikel 4, lid 5, tweede alinea, bedoelde geval.

4. De Raad van Bestuur neemt op basis van een ontwerp dat de in artikel 9 bedoelde Uitvoerend Directeur na raadpleging van het in artikel 10 bedoelde Wetenschappelijk Comité en na advies van de Commissie heeft voorgelegd, een meerjarig werkprogramma aan waarin wordt uitgegaan van de in artikel 3, lid 2, beschreven prioritaire thema's. Het eerste meerjarig programma wordt aangenomen binnen een termijn van negen maanden na de inwerkingtreding van deze verordening.

5. In het kader van het meerjarig programma neemt de Raad van Bestuur ieder jaar het werkprogramma van het Agentschap aan op basis van een ontwerp dat de Uitvoerend Directeur na raadpleging van het Wetenschappelijk Comité en na advies van de Commissie heeft voorgelegd. Dit programma kan in de loop van het jaar volgens dezelfde procedure worden aangepast.

6. De Raad van Bestuur neemt jaarlijks uiterlijk op 31 januari een algemeen jaarverslag over de activiteiten van het Agentschap aan. De Uitvoerend Directeur doet dit verslag toekomen aan het Europese Parlement, de Raad, de Commissie en de Lid-Staten. Artikel 9

1. Het Agentschap staat onder leiding van een Uitvoerend Directeur, die door de Raad van Bestuur op voorstel van de Commissie wordt benoemd voor een periode van vijf jaar, welke telkens met vijf jaar kan worden verlengd. De Uitvoerend Directeur is de wettelijke vertegenwoordiger van het Agentschap. Hij is verantwoordelijk voor:

- een passende uitwerking en uitvoering van de door de Raad van Bestuur vastgestelde besluiten en programma's,

- de dagelijkse leiding van het Agentschap,

- de uitvoering van de in de artikelen 12 en 13 beschreven taken,

- de opstelling en publikatie van de in artikel 2, punt vi), genoemde rapporten,

- alle personeelszaken,

- het vervullen van de in artikel 8, leden 4 en 5, genoemde taken.

Hij wint voor de aanwerving van het wetenschappelijk personeel van het Agentschap advies in bij het in artikel 10 bedoelde Wetenschappelijk Comité.

2. Hij is voor zijn activiteiten aan de Raad van Bestuur verantwoording schuldig.

Artikel 10

1. De Raad van Bestuur en de Uitvoerend Directeur worden bijgestaan door een Wetenschappelijk Comité. Dit Comité heeft tot taak advies te geven in de in deze verordening bedoelde gevallen en over elke wetenschappelijke aangelegenheid die met de werkzaamheden van het Agentschap verband houdt en door de Raad van Bestuur of door de Uitvoerend Directeur aan het Comité wordt voorgelegd.

De adviezen van het Wetenschappelijk Comité worden gepubliceerd.

2. Het Wetenschappelijk Comité bestaat uit negen leden, die bijzonder gekwalificeerd zijn op milieugebied, en door de Raad van Bestuur worden aangewezen voor een periode van vier jaar, die eenmaal met vier jaar kan worden verlengd. In het in artikel 8, lid 2, bedoelde reglement van orde wordt de werking van het Comité geregeld.

Artikel 11

1. Voor alle ontvangsten en uitgaven van het Agentschap moeten ramingen worden gemaakt voor elk begrotingsjaar, dat samenvalt met het kalenderjaar; deze ontvangsten en uitgaven moeten worden opgenomen in de begroting van het Agentschap.

2. De ontvangsten en uitgaven op de begroting moeten in evenwicht zijn.

3. De ontvangsten van het Agentschap omvatten, onverminderd andere inkomsten, een in de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen opgenomen bijdrage van de Gemeenschap en de betalingen ontvangen ter vergoeding van verleende diensten.

4. De uitgaven van het Agenschap omvatten met name de bezoldiging van het personeel, de uitgaven voor administratie en infrastructuur, de huishoudelijke kosten en de uitgaven uit hoofde van de met instellingen of organisaties die deel uitmaken van het Netwerk, alsmede met derden gesloten contracten.

Artikel 12

1. De Uitvoerend Directeur maakt jaarlijks uiterlijk op 31 maart een ontwerp-raming van de inkomsten en uitgaven van het Agentschap voor het volgende begrotingsjaar op en zendt die, te zamen met een personeelsformatie, toe aan de Raad van Bestuur.

2. De Raad van Bestuur stelt de raming op, die vergezeld gaat van de personeelsformatie, en zendt die onverwijld toe aan de Commissie, die op basis daarvan in het voorontwerp van begroting dat zij overeenkomstig artikel 203 van het Verdrag voorlegt aan de Raad, de corresponderende ramingen opstelt.

3. De Raad van Bestuur stelt de begroting van het Agentschap vast vóór de aanvang van het begrotingsjaar en past deze zo nodig aan de bijdrage van de Gemeenschap en de andere inkomsten van het Agentschap aan.

Artikel 13

1. De Uitvoerend Directeur voert de begroting van het Agentschap uit.

2. De controle op de betalingsverplichtingen en de betalingen met betrekking tot alle uitgaven en de controle op de vaststelling en de invordering van alle ontvangsten van het Agentschap worden uitgeoefend door de financieel controleur die door de Raad van Bestuur wordt aangewezen.

3. Jaarlijks, uiterlijk op 31 maart, doet de Uitvoerend Directeur de Commissie, de Raad van Bestuur en de Rekenkamer de rekeningen toekomen van alle ontvangsten en uitgaven van het Agentschap in het afgelopen begrotingsjaar. De Rekenkamer onderzoekt deze overeenkomstig artikel 206 bis van het Verdrag.

4. De Raad van Bestuur verleent de Uitvoerend Directeur kwijting voor de uitvoering van de begroting.

Artikel 14

De Raad van Bestuur stelt, na het advies van de Rekenkamer, de interne financiële bepalingen vast, waarin met name de regels voor de opstelling en de uitvoering van de begroting van het Agentschap nader worden vastgesteld.

Artikel 15

1. Het Agentschap streeft actief naar samenwerking met andere communautaire instanties en programma's, met name het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek, het Bureau voor de Statistiek en de communautaire milieuonderzoek- en -ontwikkelingsprogramma's. Daarbij geldt dat:

- de samenwerking met het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek met name de in punt A van de bijlage omschreven taken omvat;

- de cooerdinatie met het Bureau voor de Statistiek van de Europese Gemeenschappen (Eurostat) en het Statistiekprogramma van de Europese Gemeenschappen volgens de richtsnoeren in punt B van de bijlage geschiedt. 2. Het Agentschap werkt tevens actief samen met andere organisaties, zoals het Europees Ruimte-Agentschap (ESA), de OESO, de Raad van Europa, het Internationale Energie-Agentschap, de Verenigde Naties en de gespecialiseerde instellingen ervan, met name het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP), de Wereld Meteorologische Organisatie en de Internationale Organisatie voor Atoomenergie.

3. Bij de in de leden 1 en 2 bedoelde samenwerking wordt met name rekening gehouden met de noodzaak overlappingen te vermijden.

Artikel 16

Het Protocol Europese betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen is op het Agentschap van toepassing.

Artikel 17

Het personeel van het Agentschap is onderworpen aan de verordeningen en regelingen van toepassing op de ambtenaren en andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen.

Het Agentschap oefent ten aanzien van zijn personeel de bevoegdheden uit van het tot aanstelling bevoegde gezag.

De Raad van Bestuur stelt in overeenstemming met de Commissie passende uitvoeringsbepalingen vast.

Artikel 18

1. De contractuele aansprakelijkheid van het Agentschap wordt beheerst door de wet die op het betrokken contract van toepassing is. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is bevoegd uitspraak te doen krachtens een arbitragebeding dat in een door het Agentschap gesloten overeenkomst is opgenomen.

2. Wat de niet-contractuele aansprakelijkheid betreft, moet het Agentschap, overeenkomstig de algemene beginselen welke de rechtsstelsels der Lid-Staten gemeen hebben, de schade vergoeden die door het Agentschap of door zijn personeelsleden bij de uitoefening van hun functies is veroorzaakt.

Het Hof van Justitie is bevoegd uitspraak te doen in geschillen over vergoeding van deze schade.

3. De persoonlijke aansprakelijkheid van de personeelsleden jegens het Agentschap wordt geregeld bij de bepalingen die op het personeel van het Agentschap van toepassing zijn.

Artikel 19

Het Agentschap staat open voor landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap, maar met de Gemeenschappen en de Lid-Staten de belangstelling delen voor de doelstellingen van het Agentschap, krachtens tussen die landen en de Gemeenschap overeenkomstig de procedure van artikel 228 van het Verdrag gesloten overeenkomsten.

Artikel 20

Uiterlijk twee jaar na de inwerkingtreding van deze verordening en na raadpleging van het Europese Parlement, neemt de Raad op dezelfde grondslag als voor deze verordening en op basis van een verslag van de Commissie dat vergezeld gaat van passende voorstellen, een besluit over de verdere taken van het Agentschap, met name op het stuk van de:

- verlening van bijstand bij het toezicht op de tenuitvoerlegging van de communautaire milieuwetgeving, in samenwerking met de Commissie en de bestaande bevoegde instanties van de Lid-Staten;

- uitwerking van milieulabels en van criteria voor de toekenning van dergelijke labels voor milieuvriendelijke produkten, technieken, goederen, diensten en programma's die geen natuurlijke hulpbronnen verspillen;

- bevordering van milieuvriendelijke technieken en processen alsmede het gebruik en de overdracht daarvan in de Gemeenschap en naar derde landen;

- vaststelling van criteria voor de milieu-effectbeoordeling met het oog op de toepassing en de mogelijke herziening van Richtlijn 85/337/EEG (1) overeenkomstig artikel 11 van die richtlijn.

Artikel 21

Deze verordening treedt in werking op de dag nadat de bevoegde autoriteiten een besluit hebben genomen over de vestigingsplaats van het Agentschap (2).

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.

Gedaan te Brussel, 7 mei 1990.

Voor de Raad

De Voorzitter

G. COLLINS

(1) PB nr. C 217 van 23. 8. 1989, blz. 7.

(2) PB nr. C 96 van 17. 4. 1990.

(3) PB nr. C 56 van 7. 3. 1990, blz. 20.

(4) PB nr. L 176 van 6. 7. 1985, blz. 14.

(1) PB nr. L 175 van 5. 7. 1985, blz. 40.

(2) De datum van inwerkingtreding van de verordening moet in het Publikatieblad worden bekendgemaakt.

BIJLAGE

A. Samenwerking met het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek

- Harmonisatie van milieumeetmethoden (1);

- onderlinge ijking van apparatuur (1);

- standaardisatie van dataformats;

- ontwikkeling van nieuwe milieumeetmethoden en apparatuur daarvoor;

- andere taken als overeengekomen tussen de Uitvoerend Directeur van het Agentschap en de Directeur-generaal van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek.

B. Samenwerking met Eurostat

1. Het systeem dient zoveel mogelijk gebruik te maken van het systeem voor statistische informatie zoals dat door Eurostat en de nationale bureaus voor de statistiek in de Lid-Staten is opgezet.

2. Het Statistiekprogramma op milieugebied zal door de Uitvoerend Directeur van het Agentschap en de Directeur-generaal van Eurostat in onderling overleg worden opgesteld en aan de Raad van Bestuur van het Agentschap en aan het Comité voor het Statistiekprogramma ter goedkeuring worden voorgelegd.

3. Het Statistiekprogramma wordt opgezet en uitgevoerd in het kader dat door internationale statistische organisaties, zoals de Statistical Commission van de Verenigde Naties, de Conferentie van Europese Statistici en de OESO is opgezet.

(1) Bij samenwerking op deze gebieden moet ook rekening worden gehouden met de werkzaamheden van het Communautair Referentiebureau.

Top