Help Print this page 
Title and reference
Verordening (EEG) nr. 4255/88 van de Raad van 19 december 1988 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2052/88 met betrekking tot het Europees Sociaal Fonds

OJ L 374, 31.12.1988, p. 21–24 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT)
Languages, formats and link to OJ
BG ES CS DA DE ET EL EN FR GA HR IT LV LT HU MT NL PL PT RO SK SL FI SV
HTML html ES html DA html DE html EL html EN html FR html IT html NL html PT
PDF pdf ES pdf DA pdf DE pdf EL pdf EN pdf FR pdf IT pdf NL pdf PT
Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal
Multilingual display
Text

31988R4255

Verordening (EEG) nr. 4255/88 van de Raad van 19 december 1988 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2052/88 met betrekking tot het Europees Sociaal Fonds

Publicatieblad Nr. L 374 van 31/12/1988 blz. 0021 - 0024


VERORDENING ( EEG ) Nr . 4255/88 VAN DE RAAD van 19 december 1988 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van Verordening ( EEG ) nr . 2052/88 met betrekking tot het Europees Sociaal Fonds

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op de artikelen 126 en 127,

Gezien het voorstel van de Commissie(1 ),

Gezien het advies van het Europese Parlement(2 ),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité(3 ),

Overwegende dat in artikel 3, lid 4, van Verordening ( EEG ) nr . 2052/88 van de Raad van 24 juni 1988 betreffende de taken van de Fondsen met structurele strekking, hun doeltreffendheid alsmede de cooerdinatie van hun bijstandsverlening onderling en met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten(4 ) is bepaald dat de Raad de specifieke voorschriften betreffende de werking van ieder Structuurfonds moet vaststellen;

Overwegende dat de soorten acties moeten worden vastgesteld waarvoor bijstand wordt verleend door het Europees Sociaal Fonds, hierna "Fonds'' te noemen, met inbegrip van de acties die nieuwe taken vormen in het kader van zijn bijdrage aan de verwezenlijking van de vijf in artikel 1 van Verordening ( EEG ) nr . 2052/88 bedoelde doelstellingen;

Overwegende dat de doelstellingen 3 en 4 voor het gehele grondgebied van de Gemeenschap gelden;

Overwegende dat de uitgaven moeten worden vastgesteld die voor bijstand van het Fonds in aanmerking komen;

Overwegende dat moet worden vermeden dat de uitgaven zich op uiteenlopende wijze ontwikkelen en dat voor de opleidingsuitgaven die door het Fonds worden gedragen geleidelijk genormaliseerde bedragen moeten worden ingevoerd;

Overwegende dat de Commissie, overeenkomstig arti - kel 10, lid 1, van Verordening ( EEG ) nr . 2052/88, richt - snoeren vaststelt voor de verwezenlijking van de doelstellingen 3 en 4 van die verordening;

Overwegende dat nader moet worden omschreven hoe de plannen moeten worden ingediend die door de Lid-Staten ter toepassing van Verordening ( EEG ) nr . 2052/88 worden vastgesteld;

Overwegende dat de vormen van bijstandsverlening uit het Fonds moeten worden bepaald en dat de inhoud van de aanvragen inzake de in het kader van het arbeidsmarktbeleid van de Lid-Staten te ondernemen acties nader moet worden omschreven;

Overwegende dat moet worden vastgesteld hoe de aanvragen om bijstand van het Fonds moeten worden ingediend en goedgekeurd, en dat moet worden bepaald hoe de controle dient plaats te vinden;

Overwegende dat de overgangsbepalingen nader moeten worden omschreven,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD :

Artikel 1 Voor bijstand in aanmerking komende acties 1 . Onder de voorwaarden vastgesteld bij Verordening ( EEG ) nr . 2052/88, bij Verordening ( EEG ) nr . 4253/88 van de Raad van 19 december 1988 tot vaststelling van toepassingsbepalingen van Verordening ( EEG ) nr . 2052/88 met betrekking tot de cooerdinatie van de bijstandsverlening uit de onderscheiden Structuurfondsen enerzijds en van die bijstandsverlening met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten anderzijds(5 ) en bij de onderhavige verordening, neemt het Fonds deel in de financiering van acties :

a)voor beroepsopleiding, zo nodig vergezeld van acties voor beroepskeuzevoorlichting;

b)voor hulp bij indienstneming op nieuwe, stabiele arbeidsplaatsen en voor het opzetten van zelfstandige activiteiten .

2 . In dit verband neemt het Fonds tot een maximum van 5 % van zijn jaarlijkse middelen ook deel in de financiering van acties :

a)met innoverend karakter, die ten doel hebben nieuwe benaderingen inzake inhoud, methodologie en organisatie van de beroepsopleiding, en meer in het algemeen ten aanzien van de ontwikkeling van de werkgelegenheid, te toetsen, om zodoende een basis voor latere bijstand van het Fonds in de onderscheiden Lid-Staten te vormen;

b)op het gebied van voorbereiding, begeleiding en beheer die voor de uitvoering van deze verordening nodig zijn; deze acties omvatten met name studies, technische bijstand en uitwisseling van ervaringen met een multiplicatoreffect, alsook het grondige toezicht op en de grondige evaluatie van de door het Fonds gefinancierde maatregelen;

c)die in twee of meer Lid-Staten in het kader van de sociale dialoog bestemd zijn voor het personeel van ondernemingen en betrekking hebben op de overdracht van bijzondere kennis inzake de modernisering van het produktieapparaat;

d)op het gebied van voorlichting en advies met het oog op de herintegratie van langdurig werklozen in het arbeidsproces .

3 . De beroepsopleiding in de zin van lid 1, onder a ), omvat elke actie voor het bijbrengen van de bekwaamheden die nodig zijn om op de arbeidsmarkt een of meer soorten specifieke beroepen uit te oefenen, met uitzondering van opleidingen in het leerlingenstelsel, alsmede elke actie met een gepaste technische inhoud die door de technologische veranderingen en de behoeften van en de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt vereist wordt .

4 . In afwijking van lid 3 omvat de beroepsopleiding in de onder de doelstellingen 1, 2 en 5 b ) vallende regio's elke actie gericht op scholing en bijscholing die voor de toepassing van nieuwe produktie - en/of beheerstechnieken in het midden - en kleinbedrijf nodig is .

5 . In afwijking van lid 3 omvat de beroepsopleiding in de onder doelstelling 1 vallende regio's :

-het theoretisch gedeelte van de opleiding dat in het kader van het leerlingenstelsel buiten bedrijfsverband wordt gegeven;

-in specifieke gevallen, vast te stellen aan de hand van de bijzondere behoeften van de betrokken landen en regio's, het gedeelte van de nationale stelsels van middelbaar onderwijs dat speciaal aan de beroepsopleiding na de voltijdse leerplicht is gewijd, en dat door aanpassing van structuur en methoden inzake beroepsonderwijs aan de uitdaging van de economische en technologische veranderingen een antwoord biedt .

6 . In de onder doelstelling 1 vallende regio's worden voor een periode van drie jaar na de inwerkingtreding van deze verordening de acties voor hulp bij indienstneming uitgebreid tot acties voor tewerkstelling in niet produktieve projecten die in collectieve behoeften voorzien en gericht zijn op het scheppen van extra arbeidsplaatsen met een minimumduur van zes maanden ten behoeve van langdurig werklozen die ouder zijn dan 25 jaar .

Artikel 2 Werkingssfeer Met toepassing van artikel 3, lid 2, van Verordening ( EEG ) nr . 2052/88 wordt de bijstand van het Fonds toegekend :

a)uit hoofde van zijn prioritaire doelstellingen 3 en 4, in de gehele Gemeenschap voor acties die ten doel hebben :

-de langdurige werkloosheid te bestrijden door inschakeling in het arbeidsproces van personen die ouder zijn dan 25 jaar en sedert meer dan twaalf maanden werkloos zijn; in specifieke gevallen kan de Commissie de duur van de werkloosheid lager stellen;

-de inschakeling in het arbeidsproces te vergemakkelijken voor werkzoekenden jonger dan 25 jaar vanaf de leeftijd waarop de voltijdse leerplicht ophoudt, ongeacht de tijd dat zij reeds werkzoekend zijn;

b)uit hoofde van de doelstellingen 1, 2 en 5 b ), voor acties die ten doel hebben :

-de stabiliteit van betrekkingen te bevorderen en nieuwe werkgelegenheidsmogelijkheden te ontwikkelen voor :

-werkloze personen;

-door werkloosheid bedreigde personen, met name in het kader van herstructureringen die een technologische modernisering of ingrijpende wijzigingen van het produktie - of beheerssysteem vereisen;

-personen die in het midden - en kleinbedrijf werkzaam zijn;

-de beroepsopleiding te vergemakkelijken van alle werkende personen die deelnemen aan een actie die essentieel is voor het bereiken van de ontwikkelings - en omschakelingsdoelstellingen van een geïntegreerd programma;

c)uit hoofde van doelstelling 1, voor acties ten behoeve van personen :

-met een leercontract, die in aanmerking komen uit hoofde van artikel 1, lid 5, eerste streepje;

-die zijn opgeleid in het kader van de nationale stelsels voor secundair beroepsonderwijs, overeenkomstig artikel 1, lid 5, tweede streepje;

-die werkzaam zijn in het kader van de in artikel 1, lid 6, genoemde acties .

Artikel 3 In aanmerking komende uitgaven 1 . Bijstand van het Fonds kan uitsluitend worden toegekend voor uitgaven die bestemd zijn ter dekking van :

a)het inkomen van personen voor wie beroepsopleidingsacties worden uitgevoerd;

b)de kosten :

-van voorbereiding, uitvoering, beheer en evaluatie van beroepsopleidingsacties, met inbegrip van beroepskeuzevoorlichting, waaronder tevens de kosten van opleiding van het onderwijzend personeel zijn begrepen;

-voor het verblijf en de reis van degenen die aan beroepsopleidingsacties deelnemen;

c)hulp, gedurende ten hoogste twaalf maanden per persoon, voor indienstneming op nieuwe, stabiele arbeidsplaatsen en voor het opzetten van activiteiten van zelfstandigen, alsmede, voor minimaal zes maanden per persoon, hulp voor de in artikel 1, lid 6, bedoelde tewerkstellingsacties;

d)de kosten van de acties waarvoor uit hoofde van arti - kel 1, lid 2, onder b ), c ) en d ), bijstand uit het Fonds wordt ontvangen .

2 . De Commissie stelt jaarlijks in het kader van het partnerschap het in aanmerking komende maximumbedrag per persoon en per week vast dat uit hoofde van lid 1, onder c), mag worden toegekend . Dit bedrag wordt berekend naar rata van 30 % van de gemiddelde brutoverdiensten van industriearbeiders in elke Lid-Staat, zoals vastgesteld volgens de geharmoniseerde definitie van het Bureau voor de Statistiek van de Europese Gemeenschappen, en wordt tijdig in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen bekendgemaakt zodat het kan worden opgenomen in de overeenkomstig artikel 7, lid 1, en artikel 9, lid 3, ingediende aanvragen .

3 . De Commissie ziet erop toe dat de uitgaven van het Fonds voor acties van dezelfde soort zich niet op uiteenlopende wijze ontwikkelen . Daartoe stelt zij, na advies van het in artikel 29 van Verordening ( EEG ) nr . 4253/88 bedoelde comité, per Lid-Staat en samen met deze Lid-Staat op progressieve wijze naar gelang van de soort opleiding de gemiddelde indicatieve bedragen vast van deze door het Fonds te dragen uitgaven; zij maakt deze bekend in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen . Een en ander wordt van toepassing vanaf het volgende begrotingsjaar .

Artikel 4 Richtsnoeren 1 . Met toepassing van artikel 10, lid 1, van Verordening ( EEG ) nr . 2052/88 stelt de Commissie vóór 15 februari 1989 voor ten minste drie jaar de richtsnoeren met betrekking tot de onder de doelstellingen 3 en 4 vallende acties vast die zij bij de vaststelling van de communautaire bestekken zal volgen; zij maakt deze in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen bekend .

2 . Eventuele wijzigingen die nodig zijn geworden door belangrijke veranderingen op de arbeidsmarkt, worden aangebracht vóór 1 februari van het begrotingsjaar; zij gelden voor de nieuwe communautaire bestekken of voor de gewijzigde bestekken die de volgende begrotingsjaren betreffen .

3 . De richtsnoeren bevatten de zwaartepunten van het opleidings - en werkgelegenheidsbeleid waarbij de maatregelen aansluiten die voor bijstand van het Fonds in aanmerking kunnen komen; buiten de onder de doelstellingen 1, 2 en 5 b ) vallende regio's wordt bij voorrang communautaire financiële steun verleend voor maatregelen die inspelen op de behoeften van en de vooruitzichten op de arbeidsmarkt .

Artikel 5 Plannen De in de artikelen 8 tot en met 11 van Verordening ( EEG ) nr . 2052/88 bedoelde plannen omvatten met name voor het gedeelte dat op het Fonds betrekking heeft ramingen betreffende :

-het tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt bestaande gebrek aan evenwicht, met inbegrip, voor zover mogelijk, van de gegevens over de werkgelegenheid voor vrouwen;

-de aard en de kenmerken van vacatures waarin niet wordt voorzien;

-de mogelijkheden die zich op de arbeidsmarkten voor diverse beroepen voordoen;

-de uit te voeren of reeds lopende acties op het gebied van opleiding en werkgelegenheid;

-het aantal betrokken personen per soort actie .

Artikel 6 Vormen van bijstandsverlening 1 . Overeenkomstig artikel 5 van Verordening ( EEG ) nr . 2052/88 hebben de aanvragen om bijstand van het Fonds betrekking op operationele programma's en globale subsidies of acties in de zin van artikel 1, lid 2, onder b ), c ) en d ). De operationele programma's en de globale subsidies mogen de daarop betrekking hebbende voorbereidings -, begeleidings -, beheers - en evaluatiemaatregelen omvatten .

2 . De Lid-Staten delen de voor het onderzoek van de acties benodigde gegevens mede, met name die bedoeld in artikel 14, lid 2, van Verordening ( EEG ) nr . 4253/88 en die welke specifiek voor het Europees Sociaal Fonds zijn ( plaats, aantal personen, duur van de actie per persoon, beoogd beroepsniveau ), waarbij over het algemeen moet worden gepreciseerd:

-voor werklozen of personen zonder werk : hun niveau van beroepsbekwaamheid aan het begin van de acties;

-voor werkende personen : de aard en de draagwijdte van de beoogde beroepsomschakeling;

-voor omschakelings - of herstructureringsacties : de omvang en de aard van de geplande investeringen en de veranderingen van produkten of produktiesystemen .

Artikel 7 Indiening en goedkeuring van de aanvragen om bijstand 1 . De aanvragen om bijstand worden uiterlijk drie maanden vóór het begin van de acties ingediend . Zij dienen vergezeld te gaan van een in het kader van het partnerschap met behulp van informatica opgesteld formulier waarop de kenmerken van elke actie op zodanige wijze worden weergegeven dat die actie kan worden gevolgd vanaf het aangaan van de betalingsverplichtingen tot en met de laatste betaling .

2 . De Commissie beslist over deze aanvragen vóór het begin van de acties en stelt de betrokken Lid-Staat hiervan in kennis .

Artikel 8 Controle Overeenkomstig artikel 23, lid 2, van Verordening ( EEG ) nr . 4253/88 kan de Commissie verificaties ter plaatse verrichten . Deze verificaties kunnen geschieden door middel van representatieve steekproeven . In dat geval stelt de Commissie, na overleg met de betrokken Lid-Staat, de omvang van de steekproef vast op grond van de materiële en technische voorwaarden van de betrokken actie . Indien uit de steekproef blijkt dat de stand van de uitvoering onvoldoende is, kan de Commissie, na verificatie van de resultaten in het kader van het partnerschap overgaan tot een passende reductie die proportioneel kan worden toegepast op het totale bedrag waarvan betaling wordt gevraagd, nadat de Lid-Staat zijn opmerkingen kenbaar heeft kunnen maken .

Artikel 9 Overgangsbepalingen 1 . Overeenkomstig artikel 15, lid 4, van Verordening ( EEG ) nr . 2052/88 blijven de vóór 21 oktober 1988 ingediende aanvragen om bijstand voor het begrotingsjaar 1989 vallen onder Besluit 83/516/EEG(6 ), gewijzigd bij Besluit 85/568/EEG(7 ), en de uitvoeringsbepalingen daarvan .

2 . De eerste plannen hebben betrekking op een periode die op 1 januari 1990 aanvangt . De plannen betreffende de doelstellingen 1, 2 en 5 b ) worden ingediend uiterlijk op 31 maart 1989, de plannen betreffende de doelstellingen 3 en 4 binnen vier maanden, te rekenen vanaf de bekendmaking van de in artikel 4 bedoelde richtsnoeren in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen .

3 . De aanvragen om bijstand voor acties die in 1990 moeten worden uitgevoerd, worden uiterlijk op 31 augustus 1989 ingediend .

Artikel 10 Inwerkingtreding 1 . Deze verordening treedt in werking op 1 januari 1989 . Onder voorbehoud van de in artikel 9 vervatte overgangsbepalingen is zij op die datum van toepassing .

2 . Onder voorbehoud van artikel 15 van Verordening ( EEG ) nr . 2052/88 en artikel 33 van Verordening ( EEG ) nr . 4253/88 wordt Verordening ( EEG ) nr . 2950/83(8 ) ingetrokken .

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat .

Gedaan te Brussel, 19 december 1988 .

Voor de RaadDe VoorzitterTh . PANGALOS ( 1)PB nr . C 256 van 3 . 10 . 1988, blz . 16 .

( 2)PB nr . C 326 van 19 . 12 . 1988 .

( 3)PB nr . C 337 van 31 . 12 . 1988 .

( 4 )PB nr . L 185 van 15 . 7 . 1988, blz . 9 .

( 5)Zie bladzijde 1 van dit Publikatieblad .

( 6)PB nr . L 289 van 22 . 10 . 1983, blz . 38.

( 7)PB nr . L 370 van 31 . 12 . 1985, blz . 40 .

( 8)PB nr . L 289 van 22 . 10 . 1983, blz . 1 .

Top