Help Print this page 

Document 22014A0830(01)

Title and reference
Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Moldavië, anderzijds
  • In force
OJ L 260, 30.8.2014, p. 4–738 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
Languages, formats and link to OJ
BG ES CS DA DE ET EL EN FR GA HR IT LV LT HU MT NL PL PT RO SK SL FI SV
HTML html BG html ES html CS html DA html DE html ET html EL html EN html FR html HR html IT html LV html LT html HU html MT html NL html PL html PT html RO html SK html SL html FI html SV
PDF pdf BG pdf ES pdf CS pdf DA pdf DE pdf ET pdf EL pdf EN pdf FR pdf HR pdf IT pdf LV pdf LT pdf HU pdf MT pdf NL pdf PL pdf PT pdf RO pdf SK pdf SL pdf FI pdf SV
Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal
 To see if this document has been published in an e-OJ with legal value, click on the icon above (For OJs published before 1st July 2013, only the paper version has legal value).
Multilingual display
Text

30.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 260/4


ASSOCIATIEOVEREENKOMST

tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Moldavië, anderzijds

HET KONINKRIJK BELGIË,

DE REPUBLIEK BULGARIJE,

DE TSJECHISCHE REPUBLIEK,

HET KONINKRIJK DENEMARKEN,

DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND,

DE REPUBLIEK ESTLAND,

IERLAND,

DE HELLEENSE REPUBLIEK,

HET KONINKRIJK SPANJE,

DE FRANSE REPUBLIEK,

DE REPUBLIEK KROATIË,

DE ITALIAANSE REPUBLIEK,

DE REPUBLIEK CYPRUS,

DE REPUBLIEK LETLAND,

DE REPUBLIEK LITOUWEN,

HET GROOTHERTOGDOM LUXEMBURG,

HONGARIJE,

DE REPUBLIEK MALTA,

HET KONINKRIJK DER NEDERLANDEN,

DE REPUBLIEK OOSTENRIJK,

DE REPUBLIEK POLEN,

DE PORTUGESE REPUBLIEK,

ROEMENIË,

DE REPUBLIEK SLOVENIË,

DE SLOWAAKSE REPUBLIEK,

DE REPUBLIEK FINLAND,

HET KONINKRIJK ZWEDEN,

HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIË EN NOORD-IERLAND,

verdragsluitende partijen bij het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, hierna „de lidstaten” genoemd,

DE EUROPESE UNIE, hierna „de Unie” of „de EU” genoemd, en

DE EUROPESE GEMEENSCHAP VOOR ATOOMENERGIE, hierna „Euratom” genoemd

enerzijds, en

DE REPUBLIEK MOLDAVIË

anderzijds,

hierna gezamenlijk „de partijen” genoemd,

GEZIEN de gemeenschappelijke waarden en sterke banden van de partijen, die in het verleden in het kader van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten enerzijds, en de Republiek Moldavië, anderzijds, zijn tot stand gekomen en worden ontwikkeld binnen het kader van het Europees Nabuurschapsbeleid en het Oostelijk Partnerschap, en erkennende de gemeenschappelijke wens van de partijen hun betrekkingen verder te ontwikkelen, te versterken en uit te breiden;

MET INACHTNEMING VAN de Europese ambities en Europese keuze van de Republiek Moldavië;

ERKENNEND dat de gemeenschappelijke waarden waarop de EU is gebouwd — democratie, eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden en de rechtsstaat — ook aan de basis van de in deze overeenkomst beoogde politieke associatie en economische integratie liggen;

IN AANMERKING NEMEND dat deze overeenkomst geen afbreuk doet aan de betrekkingen tussen de EU en de Republiek Moldavië en ruimte laat voor verdere ontwikkelingen;

ZICH ERVAN BEWUST dat de Republiek Moldavië als Europees land een gezamenlijke geschiedenis en gemeenschappelijke waarden deelt met de lidstaten van de Europese Unie en bereid is deze waarden ten uitvoer te leggen en te bevorderen, die de Republiek Moldavië ertoe hebben aangezet te kiezen voor Europa;

HET BELANG ERKENNEND van het in februari 2005 tussen de EU en de Republiek Moldavië overeengekomen actieplan in het kader van het Europees Nabuurschapsbeleid voor de versterking van de betrekkingen tussen de EU en de Republiek Moldavië en bevordering van de hervormingen en het aanpassingsproces van de Republiek Moldavië om zo bij te dragen tot de geleidelijke economische integratie en de verdieping van de politieke associatie;

STREVEND naar de verdere versterking van de eerbiediging van de fundamentele vrijheden, de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren, de democratische beginselen, de rechtsstaat en behoorlijk bestuur;

HERINNEREND AAN, in het bijzonder, hun bereidheid om de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat te bevorderen, onder meer door hiervoor samen te werken binnen het kader van de Raad van Europa;

BEREID ZIJNDE een bijdrage te leveren aan de politieke en sociaaleconomische ontwikkeling van de Republiek Moldavië door middel van grootschalige samenwerking op een grote verscheidenheid van gebieden van gemeenschappelijk belang, zoals behoorlijk bestuur, vrijheid, veiligheid en justitie, handelsintegratie en versterkte economische samenwerking, werkgelegenheid en sociaal beleid, financieel beheer, openbaar bestuur en hervorming van het ambtenarenapparaat, participatie van het maatschappelijk middenveld, institutionele opbouw, armoedebestrijding en duurzame ontwikkeling;

ZICH VERBINDEND TOT alle beginselen en bepalingen van het Handvest van de Verenigde Naties, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE), in het bijzonder de Slotakte van Helsinki van 1975 van de Conferentie over veiligheid en samenwerking in Europa, de slotdocumenten van de conferenties van Madrid en Wenen van 1991 en 1992, het Handvest van Parijs voor een Nieuw Europa van 1990, de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van de Verenigde Naties van 1948 en het Europees Verdrag betreffende de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 1950;

HERINNEREND aan de wil van de partijen om de internationale vrede en veiligheid te bevorderen en te streven naar efficiënt multilateralisme en de vreedzame oplossing van conflicten, in het bijzonder door nauw samen te werken binnen het kader van de Verenigde Naties (VN) en de OVSE;

ERKENNEND dat de actieve deelname van de Republiek Moldavië aan regionale samenwerkingsvormen van belang is;

ERNAAR STREVEND de regelmatige politieke dialoog over bilaterale en internationale vraagstukken van wederzijds belang verder te ontwikkelen, met inbegrip van regionale aspecten, rekening houdend met het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) van de EU, met inbegrip van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB);

REKENING HOUDEND met de bereidheid van de EU om de internationale inspanningen te ondersteunen die tot doel hebben de soevereiniteit en de territoriale integriteit van de Republiek Moldavië te versterken en bij te dragen tot reïntegratie van het land;

ERKENNEND hoe belangrijk de inzet van de Republiek Moldavië is om te komen tot een levensvatbare oplossing van het conflict in Transnistrië en de bereidheid van de EU om de rehabilitatie na het conflict te ondersteunen;

ZICH INZETTEND VOOR het voorkomen en bestrijden van alle vormen van georganiseerde misdaad, mensenhandel en corruptie en meer samenwerking bij terrorismebestrijding;

ZICH INZETTEND VOOR een verdieping van hun dialoog en samenwerking op het gebied van mobiliteit, migratie, asiel en grensbeheer, in de geest van het externe migratiebeleidskader van de EU, waarbij wordt gestreefd naar samenwerking inzake legale migratie, met inbegrip van circulaire migratie en bestrijding van illegale migratie en waarbij gezorgd wordt voor een efficiënte uitvoering van de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Moldavië betreffende de overname van personen die zonder vergunning op het grondgebied verblijven;

ERKENNEND dat er geleidelijke stappen worden gezet om te gelegener tijd een visumvrije regeling in te voeren voor de burgers van de Republiek Moldavië, mits aan alle voorwaarden voor een goed beheerde en veilige mobiliteit wordt voldaan;

BEVESTIGEND dat de bepalingen van deze overeenkomst die binnen het toepassingsgebied van het derde deel, titel V, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vallen, het Verenigd Koninkrijk en Ierland als afzonderlijke overeenkomstsluitende partijen binden, en niet als deel van de Europese Unie, totdat de Unie tezamen met het Verenigd Koninkrijk en/of Ierland de Republiek Moldavië ervan in kennis heeft gesteld dat het Verenigd Koninkrijk en/of Ierland gebonden zijn als deel van de EU, overeenkomstig Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is gehecht. Indien het Verenigd Koninkrijk en/of Ierland niet langer gebonden is als deel van de EU overeenkomstig artikel 4 bis van dit Protocol, moet de Unie tezamen met het Verenigd Koninkrijk en/of Ierland de Republiek Moldavië onmiddellijk in kennis stellen van iedere wijziging in hun positie; in dat geval blijven zij op persoonlijke titel gebonden door de bepalingen van de overeenkomst. Hetzelfde geldt voor Denemarken, overeenkomstig Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken dat aan die verdragen is gehecht;

BELANG HECHTEND AAN de beginselen van de vrijemarkteconomie en de bereidheid van de EU bevestigend om bij te dragen tot de economische hervormingen in de Republiek Moldavië;

ZICH INZETTEND VOOR de inachtneming van milieubehoeften met inbegrip van grensoverschrijdende samenwerking en tenuitvoerlegging van multilaterale internationale overeenkomsten en voor de eerbiediging van de beginselen van duurzame ontwikkeling;

STREVEND naar een geleidelijke economische integratie in de interne markt van de EU, zoals in deze overeenkomst is bepaald, onder meer met een diepe en brede vrijhandelsruimte (DCFTA) die integraal deel uitmaakt van deze overeenkomst;

BEREID om een diepe en brede vrijhandelsruimte op te zetten, waarbij wordt voorzien in een verregaande aanpassing van de regelgeving en liberalisering van de markttoegang, met inachtneming van de rechten en plichten die voortvloeien uit het lidmaatschap van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) van de partijen en de transparante toepassing van die rechten en verplichtingen;

VAN OORDEEL dat deze overeenkomst een nieuw klimaat zal scheppen voor de economische relaties tussen de partijen en vooral ook voor de ontwikkeling van handel, investeringen en de stimulering van concurrentie, factoren die essentieel zijn voor de economische herstructurering en modernisering;

ZICH INZETTEND VOOR de continuïteit van de energievoorziening, de bevordering van de ontwikkeling van geschikte infrastructuur, betere marktintegratie en aanpassing van de regelgeving aan de essentiële punten van het EU-acquis, de stimulering van energie-efficiëntie en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen;

ERKENNEND dat meer samenwerking op energiegebied nodig is, en de partijen het engagement zijn aangegaan om Verdrag tot oprichting van de Energiegemeenschap (hierna „het Energiegemeenschapsverdrag” genoemd) uit te voeren;

ERNAAR STREVEND het niveau van de volksgezondheid en de bescherming van de menselijke gezondheid te verhogen, als basisvoorwaarde voor duurzame ontwikkeling en economische groei;

ZICH INZETTEND VOOR de contacten tussen mensen, onder meer door samenwerking en uitwisselingen op het vlak van onderzoek, ontwikkeling, onderwijs en cultuur;

ZICH INZETTEND VOOR grensoverschrijdende en interregionale samenwerking, in een geest van goed nabuurschap;

BEVESTIGEND dat de Republiek Moldavië heeft toegezegd om haar wetgeving op de relevante terreinen geleidelijk aan te passen aan die van de EU en om deze aanpassingen daadwerkelijk ten uitvoer te leggen;

BEVESTIGEND dat de Republiek Moldavië heeft toegezegd om haar administratieve en institutionele structuur te ontwikkelen voor zover dit noodzakelijk is om deze overeenkomst te handhaven;

REKENING HOUDEND met de bereidheid van de EU om steun te verlenen voor de tenuitvoerlegging van hervormingen en daartoe gebruik te maken van alle beschikbare instrumenten voor samenwerking en technische, financiële en economische bijstand,

ZIJN HET VOLGENDE OVEREENGEKOMEN:

Artikel 1

Doelstellingen

1.   Er wordt een associatie tot stand gebracht tussen de Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Moldavië, anderzijds.

2.   Deze associatie heeft ten doel:

a)

een politieke associatie en economische integratie te bevorderen tussen de partijen op basis van gemeenschappelijke waarden en nauwe banden, onder meer door de deelname van de Republiek Moldavië aan het beleid, de programma's en de agentschappen van de EU te vergroten;

b)

het kader voor een versterkte politieke dialoog verder uit te bouwen op alle terreinen van wederzijds belang, zodat nauwe politieke betrekkingen tussen de partijen kunnen ontstaan;

c)

bij te dragen tot de versterking van de democratie en de politieke, economische en institutionele stabiliteit in de Republiek Moldavië;

d)

vrede en stabiliteit te bevorderen, te bewaren en te versterken, zowel op regionaal als op internationaal niveau, onder meer door de inspanningen te bundelen om bronnen van spanning weg te nemen, de grensbeveiliging te verhogen en grensoverschrijdende samenwerking en betrekkingen van goed nabuurschap te bevorderen;

e)

de samenwerking op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht te ondersteunen en uit te bouwen, ter versterking van de rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten en fundamentele vrijheden, alsook op het vlak van de mobiliteit en de contacten tussen mensen;

f)

steun te verlenen aan de inspanningen van de Republiek Moldavië voor de ontwikkeling van haar economisch potentieel via internationale samenwerking, ook door de aanpassing van de wetgeving aan die van de EU;

g)

de voorwaarden te scheppen voor sterkere economische banden en handelsrelaties met het oog op de geleidelijke integratie van de Republiek Moldavië in de interne markt van de EU, zoals in deze overeenkomst is bepaald, onder meer door het opzetten van een diepe en brede vrijhandelsruimte, waarbij wordt voorzien in een verregaande aanpassing van de regelgeving en liberalisering van de markttoegang, met inachtneming van de rechten en plichten die voortvloeien uit het lidmaatschap van de WTO van de partijen en de transparante toepassing van die rechten en verplichtingen; en

h)

de voorwaarden te scheppen voor steeds nauwere samenwerking op andere gebieden van wederzijds belang.

TITEL I

ALGEMENE BEGINSELEN

Artikel 2

1.   Eerbiediging van de democratische beginselen, de mensenrechten en de fundamentele vrijheden zoals deze zijn vastgesteld in de Universele Verklaring van de rechten van de mens en gedefinieerd in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, de Slotakte van Helsinki van 1975 van de Conferentie over veiligheid en samenwerking in Europa en het Handvest van Parijs voor een nieuw Europa van 1990 vormt de grondslag van het binnen- en buitenlandse beleid van de partijen en is een essentieel element van deze overeenkomst. De bestrijding van de verspreiding van massavernietigingswapens, verwante materialen en de overbrengingsmiddelen daarvoor is eveneens een essentieel element van deze overeenkomst.

2.   De partijen bevestigen hun gehechtheid aan de beginselen van een vrijemarkteconomie, duurzame ontwikkeling en effectief multilateralisme.

3.   De partijen bevestigen dat zij de beginselen van de rechtsstaat en behoorlijk bestuur, alsook hun internationale verplichtingen, met name in het kader van de VN, de Raad van Europa en de OVSE, zullen in acht nemen.

4.   De partijen verbinden zich ertoe samenwerking en betrekkingen van goed nabuurschap te bevorderen, met inbegrip van samenwerking bij de ontwikkeling van projecten van gemeenschappelijk belang, met name die welke betrekking hebben op het voorkomen en bestrijden van corruptie, al dan niet georganiseerde criminele activiteiten, met inbegrip van die met een transnationaal karakter, en terrorisme. Die verbintenis is van fundamenteel belang voor de ontwikkeling van de betrekkingen en de samenwerking tussen de partijen en draagt bij tot vrede en stabiliteit in de regio.

TITEL II

POLITIEKE DIALOOG EN HERVORMINGEN, SAMENWERKING OP HET GEBIED VAN HET BUITENLANDS EN VEILIGHEIDSBELEID

Artikel 3

Doelstellingen van de politieke dialoog

1.   De politieke dialoog tussen de partijen over alle gebieden van wederzijds belang — zowel kwesties van buitenlands en veiligheidsbeleid als binnenlandse hervormingen — zal verder worden ontwikkeld en versterkt. Hierdoor zal de doeltreffendheid van de politieke samenwerking toenemen en zal de convergentie op het vlak van buitenlands en veiligheidsbeleid worden bevorderd.

2.   De doelstellingen van de politieke dialoog zijn:

a)

een diepere politieke associatie en meer convergentie en doeltreffendheid op het vlak van politiek en veiligheidsbeleid;

b)

meer internationale stabiliteit en veiligheid, op basis van efficiënt multilateralisme;

c)

meer samenwerking en dialoog tussen de partijen over internationale veiligheid en crisisbeheersing, in het bijzonder om wereldwijde en regionale problemen en de belangrijkste dreigingen aan te pakken;

d)

meer resultaatgerichte en praktische samenwerking tussen de partijen om te komen tot vrede, veiligheid en stabiliteit op het Europese continent;

e)

meer respect voor de democratische beginselen, de rechtsstaat en goed bestuur, de mensenrechten en fundamentele vrijheden, met inbegrip van de rechten van personen die behoren tot minderheden, en bijdragen tot consolidering van binnenlandse politieke hervormingen;

f)

verdere dialoog en meer samenwerking tussen de partijen op het vlak van veiligheid en defensie; en

g)

eerbiediging en bevordering van de beginselen van soevereiniteit en territoriale integriteit, onschendbaarheid en onafhankelijkheid.

Artikel 4

Binnenlandse hervormingen

De partijen werken samen op de volgende terreinen:

a)

ontwikkeling, consolidatie en verhoging van de stabiliteit en doeltreffendheid van de democratische instellingen en de rechtsstaat;

b)

eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden;

c)

verdere vooruitgang op het vlak van gerechtelijke en wettelijke hervormingen, om de onafhankelijkheid van de rechtspraak te waarborgen, de bestuurlijke capaciteit van de rechterlijke macht te versterken en de onpartijdigheid en doeltreffendheid van de rechtshandhavingsinstanties te garanderen;

d)

voortzetting van de hervormingen van de overheidsdiensten en opbouw van een verantwoordelijk, efficiënt, transparant en professioneel overheidsapparaat; en

e)

een doeltreffende corruptiebestrijding, in het bijzonder met het oog op de versterking van de internationale samenwerking inzake corruptiebestrijding en een doeltreffende tenuitvoerlegging van de desbetreffende internationale rechtsinstrumenten, zoals het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie van 2003.

Artikel 5

Buitenlands en veiligheidsbeleid

1.   De partijen intensiveren hun dialoog en samenwerking en ondersteunen de geleidelijke convergentie op het vlak van buitenlands en veiligheidsbeleid, met inbegrip van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB), en besteden bijzondere aandacht aan conflictpreventie en crisisbeheersing, regionale stabiliteit, ontwapening, non-proliferatie, wapenbeheersing en uitvoercontrole. Samenwerking wordt gebaseerd op gemeenschappelijke waarden en gezamenlijke belangen, is gericht op meer convergentie en doeltreffendheid van het beleid, waarbij gebruik wordt gemaakt van bilaterale, internationale en regionale fora.

2.   De partijen bevestigen hun gehechtheid aan de beginselen van respect voor soevereiniteit en territoriale integriteit, onschendbaarheid van de grenzen en onafhankelijkheid als bepaald in het Handvest van de Verenigde Naties en in de Slotakte van Helsinki van 1975 van de Conferentie over veiligheid en samenwerking in Europa, en dat zij deze beginselen ondersteunen in hun bilaterale en multilaterale betrekkingen.

Artikel 6

Internationaal Strafhof

1.   De partijen bevestigen opnieuw dat de ernstigste misdrijven die de gehele internationale gemeenschap aangaan, niet ongestraft mogen blijven en dat de effectieve vervolging ervan moet worden gewaarborgd door maatregelen op nationaal en internationaal niveau, onder meer in het Internationaal Strafhof (ICC).

2.   De partijen zijn van oordeel dat de oprichting en doeltreffende werking van het ICC een belangrijke ontwikkeling is voor de internationale vrede en gerechtigheid. De partijen komen overeen het ICC te ondersteunen door het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof en de bijhorende instrumenten ten uitvoer te leggen, met passende aandacht voor de integriteit van het Statuut.

Artikel 7

Conflictpreventie en crisisbeheersing

De partijen intensiveren de praktische samenwerking op het vlak van conflictpreventie en crisisbeheersing, in het bijzonder met het oog op de mogelijke deelname van de Republiek Moldavië aan civiele en militaire operaties inzake crisisbeheersing onder leiding van de EU en aan oefeningen en opleidingen, die van geval tot geval en na een eventueel verzoek van de EU tot stand komt.

Artikel 8

Regionale stabiliteit

1.   De partijen voeren hun gezamenlijke inspanningen op voor meer stabiliteit, veiligheid en democratische ontwikkeling in de regio, en in het bijzonder om samen te werken aan een vreedzame oplossing voor de regionale conflicten.

2.   De partijen bevestigen dat zij blijven streven naar een blijvende oplossing van het conflict in Transnistrië, met volledige inachtneming van de soevereiniteit en territoriale integriteit van de Republiek Moldavië, en met het oog op een gezamenlijke wederopbouw na het conflict. In afwachting van een oplossing voor het conflict in Transnistrië en zonder afbreuk te doen aan de vastgestelde onderhandelingsformule, blijft dit vraagstuk een van de essentiële punten op de agenda van de politieke dialoog en samenwerking tussen de partijen, alsook in het kader van de dialoog en de samenwerking met andere belanghebbende actoren.

3.   Die inspanningen verlopen volgens de gezamenlijke beginselen voor handhaving van internationale vrede en veiligheid als bepaald in het Handvest van de Verenigde Naties, de Slotakte van Helsinki van 1975 van de Conferentie over veiligheid en samenwerking in Europa en andere relevante multilaterale documenten.

Artikel 9

Massavernietigingswapens

1.   De partijen zijn van oordeel dat de verspreiding van massavernietigingswapens en overbrengingsmiddelen daarvoor, onder zowel staten als niet-statelijke actoren, een van de ernstigste bedreigingen voor de internationale vrede en stabiliteit vormt. De partijen komen daarom overeen samen te werken en bij te dragen tot de bestrijding van de verspreiding van massavernietigingswapens en de overbrengingsmiddelen daarvoor, door volledige naleving en nationale tenuitvoerlegging van hun bestaande verplichtingen op grond van de internationale ontwapenings- en non-proliferatieverdragen en -overeenkomsten en andere internationale verplichtingen op dit gebied. De partijen komen overeen dat deze bepaling een essentieel element van deze overeenkomst vormt.

2.   De partijen komen bovendien overeen samen te werken en bij te dragen aan de strijd tegen massavernietigingswapens en de overbrengingsmiddelen daarvoor, door:

a)

maatregelen te nemen, gericht op de ratificatie van alle andere internationale instrumenten ter zake, of, in voorkomend geval, op aansluiting daarbij, en op de volledige tenuitvoerlegging daarvan; en

b)

een effectief stelsel van nationale exportcontroles op te zetten met het oog op de beheersing van uitvoer en doorvoer van goederen die betrekking hebben op massavernietigingswapens, met inbegrip van een controle op eindgebruik als massavernietigingswapen van technologieën voor tweeërlei gebruik, alsmede effectieve sancties op overtreding van de exportcontroles.

3.   De partijen stellen een regelmatige politieke dialoog in ter begeleiding en consolidatie van deze elementen.

Artikel 10

Controle op de uitvoer van handvuurwapens, lichte wapens en conventionele wapens

1.   De partijen erkennen dat de illegale productie en overdracht van en de illegale handel in handvuurwapens en lichte wapens en munitie daarvoor, alsmede de buitensporige accumulatie, slecht beheer, inadequaat beveiligde voorraden en ongecontroleerde verspreiding ervan een ernstige bedreiging voor de vrede en de internationale veiligheid blijven vormen.

2.   De partijen komen overeen hun verplichtingen met betrekking tot de aanpak van de illegale handel in handvuurwapens en lichte wapens en munitie daarvoor na te komen en volledig ten uitvoer te leggen, overeenkomstig de bestaande internationale verdragen en de resoluties van de VN-Veiligheidsraad, evenals hun verbintenissen in het kader van andere internationale instrumenten op dit gebied, zoals het VN-actieprogramma ter voorkoming, bestrijding en uitbanning van de illegale handel in handvuurwapens en lichte wapens in al zijn aspecten.

3.   De partijen verbinden zich ertoe samen te werken en toe te zien op de coördinatie, complementariteit en synergie bij de aanpak van de illegale handel in handvuurwapens en lichte wapens en munitie daarvoor en de vernietiging van overtollige voorraden, op mondiaal, regionaal, subregionaal en nationaal niveau.

4.   Daarnaast stemmen de partijen ermee in te blijven samenwerken op het vlak van de controle op de uitvoer van conventionele wapens in het licht van het Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie.

5.   De partijen stellen een regelmatige politieke dialoog in ter begeleiding en consolidatie van deze maatregelen.

Artikel 11

Internationale samenwerking bij terrorismebestrijding

1.   De partijen komen overeen samen te werken op bilateraal, regionaal en internationaal niveau om terrorisme te voorkomen en te bestrijden, overeenkomstig het internationale recht, de desbetreffende VN-resoluties, de internationale mensenrechten, het vluchtelingenrecht en het humanitaire recht.

2.   Daartoe werken zij in het bijzonder samen ter verdieping van de internationale consensus over de bestrijding van terrorisme, met inbegrip van de juridische definitie van terroristische daden, en door te streven naar overeenstemming over het Alomvattend Verdrag betreffende internationaal terrorisme.

3.   In het kader van de volledige tenuitvoerlegging van Resolutie 1373 (2001) van de VN-Veiligheidsraad en andere relevante VN-instrumenten, toepasselijke internationale verdragen en instrumenten wisselen de partijen informatie uit over terroristische organisaties en groeperingen en hun activiteiten en de netwerken die hen ondersteunen, overeenkomstig het internationale recht en de wetgeving van de partijen.

TITEL III

VRIJHEID, VEILIGHEID EN RECHT

Artikel 12

Rechtsstaat

1.   Bij hun samenwerking op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht hechten de partijen bijzonder belang aan de bevordering van de rechtsstaat, met inbegrip van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, de toegang tot het gerecht en het recht op een eerlijk proces.

2.   De partijen werken nauw samen voor een doeltreffend functioneren van de instellingen op het gebied van rechtshandhaving en rechtsbedeling.

3.   Respect voor de mensenrechten en de fundamentele vrijheden is de leidraad voor alle samenwerking inzake vrijheid, veiligheid en recht.

Artikel 13

Bescherming van persoonsgegevens

1.   De partijen komen overeen samen te werken om een hoog niveau van bescherming van persoonsgegevens te waarborgen overeenkomstig de rechtsinstrumenten en -normen van de EU, de Raad van Europa en op internationaal vlak.

2.   Op elke verwerking van persoonsgegevens zijn de in bijlage I bij deze overeenkomst bedoelde wettelijke bepalingen van toepassing. De overdracht van persoonsgegevens tussen de partijen vindt alleen plaats wanneer een dergelijke overdracht nodig is voor de uitvoering door de bevoegde autoriteiten van de partijen van deze of andere overeenkomsten die tussen de partijen zijn gesloten.

Artikel 14

Migratie, asiel en grensbeheer

1.   De partijen herbevestigen het belang van het gezamenlijk beheer van migratiestromen tussen hun grondgebieden en verdiepen de bestaande brede dialoog over alle migratiegerelateerde kwesties, waaronder legale migratie, internationale bescherming, illegale migratie, mensensmokkel en mensenhandel.

2.   De samenwerking wordt gebaseerd op een analyse van de specifieke behoeften, die in onderling overleg door de partijen wordt verricht, en wordt overeenkomstig de desbetreffende wetgeving uitgevoerd. De samenwerking richt zich in het bijzonder op:

a)

de achterliggende oorzaken en gevolgen van migratie;

b)

de ontwikkeling en uitvoering van nationale wetgeving en praktijken met betrekking tot internationale bescherming, teneinde te voldoen aan de bepalingen van het Verdrag van Genève van 1951 inzake de status van vluchtelingen en het bijbehorende protocol van 1967 en andere relevante internationale instrumenten, en teneinde ervoor te zorgen dat het beginsel van non-refoulement gerespecteerd wordt;

c)

de toelatingscriteria, alsmede de rechten en de status van toegelaten personen, de eerlijke behandeling en integratie van legale buitenlandse ingezetenen, onderwijs en opleiding en maatregelen tegen racisme en vreemdelingenhaat;

d)

de opzet van een doelmatige en preventieve aanpak van illegale immigratie, smokkel van migranten en mensenhandel, onder meer door netwerken en criminele organisaties van handelaars en smokkelaars te bestrijden en de slachtoffers van deze praktijken te beschermen;

e)

het bevorderen en vergemakkelijken van de terugkeer van illegale migranten; en

f)

wat betreft het beheer van de grenzen en de beveiliging van documenten, op organisatie, opleiding, beste praktijken en andere operationele vraagstukken alsook op de versterking van de samenwerking tussen het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie (FRONTEX) en de grensbewakingsdiensten van de Republiek Moldavië.

3.   Samenwerking kan ook de circulaire migratie bevorderen en aldus bijdragen tot de ontwikkeling.

Artikel 15

Verkeer van personen

1.   De partijen zorgen voor de volledige tenuitvoerlegging van

a)

de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Moldavië betreffende de overname van personen die zonder vergunning op het grondgebied verblijven, die op 1 januari 2008 in werking is getreden, en

b)

de op 1 januari 2008 in werking getreden overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Moldavië inzake de versoepeling van de afgifte van visa, als gewijzigd op 27 juni 2012.

2.   De partijen streven naar meer mobiliteit van burgers en blijven geleidelijk evolueren in de richting van de gemeenschappelijke doelstelling van een op termijn visumvrije regeling, mits aan alle voorwaarden voor een goed beheerde en veilige mobiliteit wordt voldaan, als bepaald in het actieplan voor visumliberalisering.

Artikel 16

Voorkoming en bestrijding van georganiseerde misdaad, corruptie en andere illegale activiteiten

1.   De partijen werken samen aan de voorkoming en bestrijding van al dan niet georganiseerde criminele en illegale activiteiten, met inbegrip van die met een transnationaal karakter, zoals:

a)

mensensmokkel en mensenhandel;

b)

goederensmokkel en illegale handel in goederen, met inbegrip van handvuurwapens en drugs;

c)

illegale economische en financiële activiteiten, zoals namaak, fiscale fraude en fraude bij openbare aanbestedingen;

d)

fraude, zoals omschreven in titel VI (Financiële bijstand, fraudebestrijding en controle) van deze overeenkomst, bij door internationale donoren gefinancierde projecten;

e)

actieve en passieve corruptie, zowel in de particuliere als openbare sector, met inbegrip van het misbruik van functies en ongeoorloofde beïnvloeding;

f)

het vervalsen van documenten en het afleggen van onjuiste verklaringen; en

g)

computercriminaliteit.

2.   De partijen verbeteren de bilaterale, regionale en internationale samenwerking tussen rechtshandhavingsinstanties, waarbij zij onder meer de samenwerking versterken tussen de Europese Politiedienst (Europol) en de desbetreffende autoriteiten van de Republiek Moldavië. De partijen verbinden zich tot de effectieve tenuitvoerlegging van de desbetreffende internationale normen, in het bijzonder die welke zijn vastgelegd in het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad (UNTOC) van 2000 en de drie protocollen daarbij, het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie van 2003 en de desbetreffende instrumenten van de Raad van Europa tot het voorkomen en bestrijden van corruptie.

Artikel 17

Bestrijding van drugs

1.   Binnen het kader van hun respectieve bevoegdheden werken de partijen samen met het oog op een evenwichtige en geïntegreerde aanpak van drugsvraagstukken. Het beleid en de maatregelen met betrekking tot drugs zijn gericht op het versterken van de structuren om drugs te bestrijden, het beperken van het aanbod aan, de handel in en de vraag naar drugs, waarbij de gevolgen voor de gezondheid en de maatschappelijke consequenties van drugsgebruik worden aangepakt, en op het doeltreffender voorkomen dat chemische stoffen onrechtmatig worden gebruikt voor de illegale productie van drugs en psychotrope stoffen.

2.   De partijen komen overeen welke samenwerkingsmethoden nodig zijn om deze doelstellingen te bereiken. De activiteiten worden gebaseerd op onderling overeengekomen beginselen, overeenkomstig de desbetreffende internationale verdragen, EU-drugsstrategie (2013-2020), de Politieke Verklaring inzake richtsnoeren om de vraag naar drugs te verminderen, goedgekeurd door de twintigste speciale zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties inzake drugs van juni 1998.

Artikel 18

Witwassen van geld en financiering van terrorisme

1.   De partijen werken samen om te voorkomen dat hun financiële systemen en relevante niet-financiële sectoren worden gebruikt voor het witwassen van de opbrengsten uit criminele activiteiten, alsmede voor de financiering van terrorisme. Deze samenwerking strekt zich uit tot inbeslagneming van vermogensbestanddelen of gelden die uit de opbrengsten van criminele activiteiten zijn verkregen.

2.   Door de samenwerking op dit vlak moet het mogelijk worden relevante informatie uit te wisselen in het kader van de respectieve wetgevingen en passende normen vast te stellen voor de bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, die vergelijkbaar zijn met die van de internationale instanties op dit gebied, zoals de Financial Action Task Force (FATF).

Artikel 19

Bestrijding van terrorisme

De partijen komen overeen samen te werken aan preventie en bestrijding van terroristische daden met volledige inachtneming van de rechtsstaat, het internationale recht inzake de mensenrechten, het vluchtelingenrecht en het humanitaire recht, en overeenkomstig de mondiale strategie voor terrorismebestrijding van de VN van 2006 en hun respectievelijke wet- en regelgeving. Zij doen dit in het bijzonder in het kader van de volledige tenuitvoerlegging van de resoluties 1267 (1999), 1373 (2001), 1540 (2004) en 1904 (2009) van de VN-Veiligheidsraad en andere relevante VN-instrumenten en toepasselijke internationale overeenkomsten en instrumenten:

a)

door informatie uit te wisselen over terroristische groeperingen en ondersteunende netwerken, overeenkomstig het nationale en internationale recht;

b)

door van gedachten te wisselen over terroristische tendensen en manieren en methoden om terrorisme te bestrijden, op technisch gebied en op het gebied van opleiding, en door ervaringen uit te wisselen over het voorkomen van terrorisme; en

c)

door goede praktijken uit te wisselen betreffende de bescherming van de mensenrechten in het kader van de strijd tegen het terrorisme.

Artikel 20

Juridische samenwerking

1.   De partijen komen overeen justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken uit te bouwen, in het bijzonder wat betreft de onderhandeling, ratificatie en tenuitvoerlegging van multilaterale verdragen inzake justitiële samenwerking in burgerlijke zaken, waaronder de verdragen van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht op het gebied van internationale juridische samenwerking en procesvoering alsmede de bescherming van kinderen.

2.   Wat de juridische samenwerking in strafzaken betreft, streven de partijen naar verbetering van de samenwerking inzake wederzijdse juridische bijstand. Waar nodig impliceert dit de toetreding tot en uitvoering van de relevante internationale instrumenten van de Verenigde Naties en de Raad van Europa, en nauwere samenwerking met Eurojust.

TITEL IV

ECONOMISCHE EN ANDERE SECTORALE SAMENWERKING

HOOFDSTUK 1

Hervorming van het openbare bestuur

Artikel 21

De samenwerking is gericht op de ontwikkeling van een doeltreffend en verantwoordelijk openbaar bestuur in de Republiek Moldavië, met het oog op steun voor de tenuitvoerlegging van de rechtsstaat, zodat de openbare instellingen ten dienste staan van de hele bevolking van de Republiek Moldavië en een vlotte ontwikkeling van de betrekkingen tussen de Republiek Moldavië en haar partners kan worden bevorderd. Er zal bijzondere aandacht gaan naar de modernisering en de ontwikkeling van uitvoerende functies, om de burgers van de Republiek Moldavië kwaliteitsvolle dienstverlening te bieden.

Artikel 22

De samenwerking omvat de volgende gebieden:

a)

de institutionele en functionele ontwikkeling van de overheid, met het oog op een doeltreffender werking en een doeltreffend, participatief en transparant besluitvormings- en strategische-planningsproces;

b)

de modernisering van de overheidsdiensten, met inbegrip van de invoering en uitvoering van e-bestuur, voor een doeltreffender dienstverlening aan de burgers en goedkoper zakendoen;

c)

het opzetten van een professionele openbare dienst op basis van het beginsel van de verantwoordingsplicht van beheerders en de doeltreffende overdracht van bevoegdheid, alsook eerlijke en transparante indienstneming, opleiding, evaluatie en bezoldiging;

d)

doeltreffend en professioneel beheer van menselijke hulpbronnen en carrièreverloop; en

e)

de bevordering van ethische waarden in de overheidsdienst.

Artikel 23

De samenwerking heeft betrekking op alle overheidsniveaus, met inbegrip van lokaal bestuur.

HOOFDSTUK 2

Economische dialoog

Artikel 24

1.   De Europese Unie en de Republiek Moldavië vergemakkelijken het proces van economische hervormingen door beter inzicht in de basiselementen van hun respectieve economieën. De samenwerking tussen de partijen streeft naar een economisch beleid dat pertinent is voor een goed functionerende markteconomie, alsook naar de formulering en tenuitvoerlegging van een dergelijk beleid.

2.   De Republiek Moldavië streeft ernaar een goed functionerende markteconomie tot stand te brengen en haar beleid geleidelijk aan te passen aan het beleid van de EU, overeenkomstig de leidende beginselen van een gezond macro-economisch en budgettair beleid, met inbegrip van de onafhankelijkheid van de centrale bank en prijsstabiliteit, gezonde overheidsfinanciën en een houdbare betalingsbalans.

Artikel 25

1.   Tot dit doel komen de partijen overeen om samen te werken op de volgende gebieden:

a)

uitwisseling van informatie over macro-economisch beleid en structurele hervormingen, alsook over macro-economische prestaties en vooruitzichten, en strategieën voor economische ontwikkeling;

b)

gezamenlijke analyse van economische kwesties van wederzijds belang, met inbegrip van economische beleidsmaatregelen en instrumenten voor de tenuitvoerlegging daarvan, zoals methoden voor het opstellen van economische prognosen en strategische beleidsdocumenten, teneinde de beleidsvorming in de Republiek Moldavië te versterken overeenkomstig de beginselen en de werkwijzen van de EU; en

c)

uitwisseling van expertise op macro-economisch en macrofinancieel gebied, met inbegrip van de overheidsfinanciën, ontwikkelingen en regelgeving in de financiële sector, monetair en wisselkoersbeleid en kaders, externe financiële bijstand, economische statistieken.

2.   De samenwerking omvat tevens de uitwisseling van informatie over de beginselen en de werking van de Europese Economische en Monetaire Unie.

Artikel 26

Over de vraagstukken die door die hoofdstuk worden bestreken, wordt een regelmatige dialoog gevoerd.

HOOFDSTUK 3

Vennootschapsrecht, boekhouding en boekhoudkundige controle en corporate governance

Artikel 27

1.   De partijen erkennen dat voor het tot stand brengen van een volwaardig functionerende markteconomie en voor het stimuleren van het handelsverkeer doeltreffende voorschriften en werkwijzen op het gebied van vennootschapsrecht en corporate governance noodzakelijk zijn, alsook op het gebied van boekhouding en boekhoudkundige controle, en komen daartoe overeen samen te werken:

a)

inzake de bescherming van aandeelhouders, crediteuren en andere belanghebbenden, overeenkomstig de EU-voorschriften op dit gebied;

b)

inzake de invoering van relevante internationale normen op nationaal niveau en de geleidelijke aanpassing van de regelgeving van de Republiek Moldavië aan die van de EU op het gebied van boekhouding en boekhoudkundige controle; en

c)

inzake de verdere ontwikkeling van het beleid voor corporate governance overeenkomstig de internationale normen, alsmede de geleidelijke aanpassing van de regelgeving van de Republiek Moldavië aan de EU-voorschriften en -aanbevelingen op dit gebied.

2.   De relevante EU-voorschriften en aanbevelingen zijn opgesomd in bijlage II bij deze overeenkomst.

Artikel 28

De partijen streven ernaar informatie en expertise uit te wisselen over zowel de bestaande systemen als relevante nieuwe ontwikkelingen op dit gebied. Voorts streven de partijen naar een verbetering van de uitwisseling van informatie tussen de bedrijfsregisters van de lidstaten en het nationale register van de bedrijven in de Republiek Moldavië.

Artikel 29

Over de vraagstukken die door die hoofdstuk worden bestreken, wordt een regelmatige dialoog gevoerd.

Artikel 30

De Republiek Moldavië past haar wetgeving aan die van de EU en aan de internationale instrumenten aan als bedoeld in bijlage II bij deze overeenkomst en volgens de bepalingen van die bijlage.

HOOFDSTUK 4

Werkgelegenheid, sociaal beleid en gelijke kansen

Artikel 31

De partijen versterken hun dialoog en samenwerking ter bevordering van de agenda voor waardig werk van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO), het werkgelegenheidsbeleid, gezondheid en veiligheid op het werk, de sociale dialoog, de sociale bescherming, sociale integratie, gelijke kansen en antidiscriminatie, en sociale rechten, en dragen aldus bij tot de bevordering van meer en betere banen, armoedebestrijding, betere sociale samenhang, duurzame ontwikkeling en betere levenskwaliteit.

Artikel 32

De samenwerking die is gebaseerd op de uitwisseling van informatie en optimale werkwijzen, kan een aantal kwesties bestrijken op een van de volgende gebieden:

a)

de armoedebestrijding en grotere sociale samenhang;

b)

het werkgelegenheidsbeleid, met het oog op meer en betere banen met correcte arbeidsvoorwaarden, teneinde de informele economie en informele werkgelegenheid terug te brengen;

c)

de bevordering van actieve arbeidsmarktmaatregelen en van doeltreffende arbeidsbemiddelingsdiensten ter modernisering van de arbeidsmarkt en tot aanpassing aan de behoeften van de arbeidsmarkt;

d)

de bevordering van een meer inclusieve arbeidsmarkt en meer inclusieve sociale-opvangsystemen ter integratie van benadeelde bevolkingsgroepen, zoals gehandicapten en personen uit minderheidsgroepen;

e)

een doeltreffend beheer van arbeidsmigratie, teneinde het positieve effect ervan op de ontwikkeling te versterken;

f)

gelijke kansen, ter bevordering van de gelijkheid tussen de geslachten en gelijke kansen voor mannen en vrouwen, alsook ter bestrijding van alle vormen van discriminatie;

g)

sociaal beleid voor een betere sociale-beschermingsniveau, met inbegrip van sociale bijstand en sociale zekerheid, de modernisering van de sociale-zekerheidssystemen, wat betreft kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid;

h)

de bevordering van de deelname van de sociale partners en van de sociale dialoog, onder meer door een versterking van de capaciteit van alle relevante belanghebbenden; en

i)

de bevordering van gezondheid en veiligheid op het werk.

Artikel 33

De partijen moedigen de participatie aan van alle relevante belanghebbenden, in het bijzonder maatschappelijke organisaties en de sociale partners, in de beleidsontwikkeling en de beleidshervormingen in de Republiek Moldavië en in de samenwerking tussen de partijen in het kader van deze overeenkomst.

Artikel 34

De partijen streven naar meer samenwerking op het gebied van werkgelegenheid en sociaal beleid binnen alle relevante regionale, multilaterale en internationale fora en organisaties.

Artikel 35

De partijen bevorderen maatschappelijk verantwoord ondernemen en verantwoordingsplicht en moedigen verantwoorde zakelijke praktijken aan, zoals bepleit in het Global Compact van de Verenigde Naties en de tripartiete beginselverklaring betreffende multinationale ondernemingen en sociaal beleid van de ILO.

Artikel 36

Over de vraagstukken die door die hoofdstuk worden bestreken, wordt een regelmatige dialoog gevoerd.

Artikel 37

De Republiek Moldavië past haar wetgeving aan die van de EU en aan de internationale instrumenten aan als bedoeld in bijlage III bij deze overeenkomst en volgens de bepalingen van die bijlage.

HOOFDSTUK 5

Consumentenbescherming

Artikel 38

De partijen streven samen naar een hoog niveau van consumentenbescherming en verenigbaarheid van hun systemen voor consumentenbescherming.

Artikel 39

Om deze doelstellingen te verwezenlijken omvat de samenwerking indien nodig:

a)

het streven naar aanpassing van de consumentenwetgeving, gebaseerd op de prioriteiten van bijlage IV bij deze overeenkomst, met vermijding van handelsbelemmeringen tot garandering van een reële keuze voor de consument;

b)

de bevordering van de uitwisseling van informatie over systemen voor consumentenscherming, met inbegrip van consumentenwetgeving en de handhaving daarvan, de veiligheid van consumentenproducten, met inbegrip van markttoezicht, systemen en hulpmiddelen voor de informatie van consumenten, consumentenopvoeding, eigen verantwoordelijkheid en schadeloosstelling van consumenten, en verkoop- en dienstenovereenkomsten tussen handelaren en consumenten;

c)

de bevordering van opleidingsactiviteiten voor overheidsambtenaren en andere vertegenwoordigers van consumentenbelangen; en

d)

de bevordering van de ontwikkeling van onafhankelijke consumentenverenigingen, met inbegrip van niet-gouvernementele organisaties, en van contacten tussen consumentenvertegenwoordigers, alsook samenwerking tussen de autoriteiten en ngo's op het gebied van consumentenbescherming.

Artikel 40

De Republiek Moldavië past haar wetgeving aan die van de EU en aan de internationale instrumenten aan als bedoeld in bijlage IV bij deze overeenkomst en volgens de bepalingen van die bijlage.

HOOFDSTUK 6

Statistiek

Artikel 41

De partijen ontwikkelen en versterken hun samenwerking inzake statistieken en dragen zo bij tot hun langetermijndoelstelling tijdig internationaal vergelijkbare en betrouwbare statistische gegevens te verstrekken. De verwachting is dat een duurzaam, efficiënt en professioneel onafhankelijk nationaal statistisch stelsel informatie oplevert die relevant is voor burgers, bedrijven en besluitvormers in de EU en in de Republiek Moldavië en hen in staat stelt op basis hiervan gefundeerde besluiten te nemen. Het nationale statistische stelsel dient de grondbeginselen van de officiële statistiek van de Verenigde Naties te respecteren en rekening te houden met het acquis van de EU op statistisch gebied, waaronder de Praktijkcode Europese statistieken, teneinde het nationale statistische stelsel af te stemmen op de Europese normen.

Artikel 42

De samenwerking is gericht op:

a)

verdere versterking van de capaciteit van het nationale stelsel voor statistiek, met nadruk op een gezonde wettelijke grondslag, de productie van adequate gegevens en metagegevens, verspreiding en gebruiksvriendelijkheid, rekening houdend met diverse gebruikersgroepen, met inbegrip van openbare en particuliere, academici en andere gebruikers;

b)

verdere aanpassing van het statistische stelsel van de Republiek Moldavië aan het Europees statistisch systeem;

c)

verfijning van de gegevensverstrekking aan de EU, rekening houdend met de toepassing van de relevante internationale en Europese methoden, waaronder statistische indelingen;

d)

verbetering van de professionele capaciteit en de beheerscapaciteit van de medewerkers van het nationale bureau voor de statistiek, om de toepassing van de statistieknormen van de EU te vergemakkelijken en bij te dragen tot de ontwikkeling van het statistische stelsel van de Republiek Moldavië;

e)

uitwisseling tussen de partijen van ervaringen betreffende de ontwikkeling van statistische kennis; en

f)

bevordering van integrale kwaliteitszorg voor alle statistische productieprocessen en de verspreiding van statistische gegevens.

Artikel 43

De partijen werken samen in het kader van het Europees statistisch systeem, waarbinnen Eurostat de Europese autoriteit voor de statistiek is. De samenwerking wordt onder meer op de volgende terreinen gericht:

a)

demografische statistieken, met inbegrip van tellingen en sociale statistieken;

b)

landbouwstatistieken, met inbegrip van landbouwtellingen en milieustatistieken;

c)

bedrijfsstatistieken, met inbegrip van handelsregisters en het gebruik van administratieve bronnen voor statistische doeleinden;

d)

macro-economische statistieken, met inbegrip van nationale rekeningen, statistieken in verband met buitenlandse handel, en statistieken in verband met buitenlandse rechtstreekse investeringen;

e)

energiestatistieken, met inbegrip van energiebalansen;

f)

regionale statistieken; en

g)

horizontale activiteiten, met inbegrip van statistische indelingen, kwaliteitsbeheer, opleiding, verspreiding en gebruik van moderne informatietechnologieën.

Artikel 44

De partijen wisselen onder meer informatie en deskundigheid uit en zien toe op de verdere ontwikkeling van hun samenwerking, waarbij zij rekening houden met de in het kader van de diverse bijstandsprogramma's reeds opgebouwde ervaring met de hervorming van het statistische stelsel. Zij richten hun inspanningen op de afstemming op het acquis van de EU op statistisch gebied, op basis van de nationale strategie voor de ontwikkeling van het statistische stelsel van de Republiek Moldavië, waarbij zij rekening houden met de ontwikkeling van het Europees statistisch systeem. Bij de productie van statistische gegevens ligt de nadruk op de verdere ontwikkeling van steekproefenquêtes en het gebruik van administratieve gegevens, rekening houdende met de noodzaak om de belasting voor de respondenten te verminderen. De gegevens moeten relevant zijn voor de opzet en de monitoring van het beleid op sleutelgebieden van het sociale en economische leven.

Artikel 45

Over de vraagstukken die door die hoofdstuk worden bestreken, wordt een regelmatige dialoog gevoerd. Voor zover mogelijk moeten de activiteiten binnen het Europees statistisch systeem, met inbegrip van de opleiding, openstaan voor deelname van de Republiek Moldavië.

Artikel 46

1.   De partijen verbinden zich ertoe een programma op te zetten en geregeld te herzien van geleidelijke aanpassing van de wetgeving van de Republiek Moldavië aan de EU-wetgeving op het gebied van statistiek.

2.   Het acquis op statistisch gebied is opgenomen in het jaarlijks bijgewerkte compendium voor de statistiek, dat door de partijen als bijlage bij deze overeenkomst wordt beschouwd (bijlage V).

HOOFDSTUK 7

Beheer van de overheidsfinanciën: begrotingsbeleid, interne controle, financiële inspectie en externe audit

Artikel 47

De samenwerking op het gebied van dit hoofdstuk zal zich richten op de uitvoering van internationale normen en optimale werkwijzen van de EU op dit gebied, hetgeen zal bijdragen tot de ontwikkeling van een modern beheer van de overheidsfinanciën in de Republiek Moldavië, overeenkomstig de fundamentele beginselen van de EU en de internationale gemeenschap voor transparantie, verantwoordingsplicht, economie, doeltreffendheid en doelmatigheid.

Artikel 48

Begroting en boekhoudsystemen

De partijen werken samen met betrekking tot:

a)

de verbetering en systematisering van de regelgevingsdocumenten voor de budgettaire, financiële, boekhoudkundige en rapportagesystemen en de harmonisatie daarvan op basis van internationale normen, tevens rekening houdend met de optimale werkwijzen in de openbare sector van de EU;

b)

de voortdurende ontwikkeling van meerjarige begrotingsplanning en de aanpassing aan de optimale werkwijzen van de EU;

c)

de bestudering van de praktijken van de Europese landen voor interbudgettaire betrekkingen, met het oog op verbeteringen op dit punt in de Republiek Moldavië;

d)

de bevordering van de aanpassing van aanbestedingsprocedures aan de bestaande praktijken in de EU; en

e)

de uitwisseling van informatie, ervaringen en goede praktijken, ook door de uitwisseling van personeel en gezamenlijke opleiding ter zake.

Artikel 49

Interne controle, financiële inspectie en externe audit

De partijen werken ook samen met betrekking tot:

a)

de verdere verbetering van het interne-controlesysteem (met inbegrip van een functioneel onafhankelijke interneauditfunctie) in nationale en lokale autoriteiten door middel van harmonisering met algemeen aanvaarde internationale normen en methoden en optimale EU-werkwijzen;

b)

de ontwikkeling van een adequaat financieel-inspectiesysteem ter aanvulling van de interneauditfunctie (zonder deze te overlappen) en ter verzekering van een adequaat controlebereik voor de overheidsinkomsten en -uitgaven tijdens een overgangsperiode en daarna;

c)

doeltreffende samenwerking tussen de actoren die betrokken zijn bij financieel beheer en controle, audit en insepctie en de actoren voor begroting, financiën en boekhouding voor een beter bestuur;

d)

de versterking van de bevoegdheden van de centrale harmonisatie-eenheid van de interne controle op overheidsfinanciën (PIFC);

e)

de tenuitvoerlegging van internationaal aanvaarde externeauditnormen van de Internationale Organisatie van Hoge Controle-instanties (INTOSAI); en

f)

de uitwisseling van informatie, ervaringen en goede praktijken, ook door de uitwisseling van personeel en gezamenlijke opleiding ter zake.

Artikel 50

Bestrijding van fraude en corruptie

De partijen werken ook samen met betrekking tot:

a)

de uitwisseling van informatie, ervaring en goede praktijken;

b)

betere methoden ter bestrijding en voorkoming van fraude en corruptie op de gebieden die door dit hoofdstuk worden bestreken, met inbegrip van samenwerking tussen de relevante overheidsorganen; en

c)

het garanderen van doeltreffende samenwerking met de relevante EU-instellingen en organen, in het geval van controles ter plaatse, inspecties en audits die verband houden met het beheer en de controle van EU-middelen, volgens de relevante regels en procedures.

Artikel 51

Over de vraagstukken die door die hoofdstuk worden bestreken, wordt een regelmatige dialoog gevoerd.

HOOFDSTUK 8

Belastingen

Artikel 52

De partijen werken samen ter versterking van goed bestuur op fiscaal gebied, teneinde de economische betrekkingen, handel, investeringen en eerlijke concurrentie verder te verbeteren.

Artikel 53

Ten aanzien van artikel 52 van deze overeenkomst erkennen de partijen de beginselen van goed bestuur op fiscaal gebied, dat wil zeggen de beginselen van transparantie, uitwisseling van informatie en eerlijke belastingconcurrentie, zoals de lidstaten die op EU-niveau onderschrijven, en verbinden de partijen zich tot tenuitvoerlegging van deze beginselen. De partijen streven daartoe naar betere internationale samenwerking op fiscaal gebied, vergemakkelijking van het innen van legitieme belastingen en het treffen van maatregelen voor de doelmatige uitvoering van deze beginselen, zonder afbreuk te doen aan de bevoegdheden van de Europese Unie en de lidstaten.

Artikel 54

De partijen intensiveren en versterken tevens hun samenwerking tot verbetering en ontwikkeling van het belastingstelsel en de belastingdienst van de Republiek Moldavië, met inbegrip van verbetering van de capaciteit voor belastinginning en -controle, waarbij zij specifieke aandacht schenken aan de procedures voor de terugbetaling van belasting over de toegevoegde waarde (btw), teneinde de opeenhoping van achterstallen te vermijden, doeltreffende belastinginning te verzekeren en de strijd tegen belastingfraude en belastingontwijking te versterken. De partijen streven ernaar beter samen te werken en ervaringen uit te wisselen ter bestrijding van belastingfraude, in het bijzonder carrouselfraude.

Artikel 55

De partijen ontwikkelen hun samenwerking en harmoniseren hun beleid om fraude met en smokkel van accijnsproducten te voorkomen en te bestrijden. Deze samenwerking omvat onder meer de geleidelijke onderlinge aanpassing van de accijnstarieven voor tabaksproducten, waarbij zo veel mogelijk rekening wordt gehouden met de beperkingen die de regionale context met zich meebrengt, onder meer door middel van een dialoog op regionaal niveau en overeenkomstig het kaderverdrag van de Wereldgezondheidsorganisatie inzake tabaksontmoediging van 2003. De partijen zullen hiertoe streven naar versterking van hun samenwerking in regionaal verband.

Artikel 56

Over de vraagstukken die door die hoofdstuk worden bestreken, wordt een regelmatige dialoog gevoerd.

Artikel 57

De Republiek Moldavië past haar wetgeving aan die van de EU en aan de internationale instrumenten aan als bedoeld in bijlage VI bij deze overeenkomst en volgens de bepalingen van die bijlage.

HOOFDSTUK 9

Financiële diensten

Artikel 58

De partijen erkennen dat voor het tot stand brengen van een volwaardig functionerende markteconomie en voor het stimuleren van hun onderlinge handelsverkeer doeltreffende voorschriften en werkwijzen op het gebied van financiële diensten noodzakelijk zijn, en komen daartoe overeen samen te werken op het gebied van financiële diensten teneinde:

a)

de aanpassing van de regelgeving voor financiële diensten aan de behoeften van een open markteconomie te steunen;

b)

toe te zien op passende en doeltreffende bescherming van investeerders en andere consumenten van financiële diensten;

c)

de stabiliteit en integriteit van het financiële stelsel van de Republiek Moldavië in zijn geheel te verzekeren;

d)

de samenwerking tussen de verschillende actoren van het financiële stelsel, waaronder regelgevende en toezichthoudende instanties, te bevorderen; en

e)

onafhankelijk en doeltreffend toezicht te waarborgen.

Artikel 59

1.   De partijen moedigen de samenwerking tussen bevoegde regelgevende en toezichthoudende autoriteiten aan, met inbegrip van de uitwisseling van informatie en expertise inzake de financiële markten en dergelijke maatregelen.

2.   Bijzondere aandacht gaat daarbij uit naar de ontwikkeling van de administratieve capaciteit van dergelijke autoriteiten, onder meer door middel van de uitwisseling van personeel en gezamenlijke opleiding.

Artikel 60

Over de vraagstukken die door die hoofdstuk worden bestreken, wordt een regelmatige dialoog gevoerd.

Artikel 61

De Republiek Moldavië past haar wetgeving aan die van de EU en aan de internationale instrumenten aan als bedoeld in bijlage XXVIII-A bij deze overeenkomst en volgens de bepalingen van die bijlage.

HOOFDSTUK 10

Industrie- en ondernemingsbeleid

Artikel 62

De partijen ontwikkelen en versterken hun samenwerking inzake het industrie- en ondernemingsbeleid en verbeteren zo het ondernemingsklimaat voor alle marktdeelnemers, maar met bijzondere nadruk op het midden- en kleinbedrijf. De versterkte samenwerking moet leiden tot een beter administratief en regelgevingsnetwerk voor bedrijven uit de EU en de Republiek Moldavië die in de EU en in de Republiek Moldavië actief zijn en moet gebaseerd zijn op het industriebeleid en het mkb-beleid van de EU, rekening houdende met internationaal erkende beginselen en praktijken op dit gebied.

Artikel 63

De partijen werken daartoe samen op de volgende terreinen:

a)

uitvoering van strategieën voor de ontwikkeling van het midden- en kleinbedrijf op basis van het Europees handvest voor kleine ondernemingen en toezicht op het uitvoeringsproces door regelmatige rapportage en dialoog. Deze samenwerking zal tevens aandacht hebben voor micro-ondernemingen die van zeer groot belang zijn zowel voor de economie van de EU als die van de Republiek Moldavië;

b)

totstandbrenging van betere randvoorwaarden voor vergroting van het concurrentievermogen door uitwisseling van informatie en goede praktijken. Deze samenwerking omvat het beheer van structuurwijzigingen (herstructureringen), de ontwikkeling van publiek-particuliere partnerschappen en milieu- en energievraagstukken, zoals energie-efficiëntie en schonere productie;

c)

vereenvoudiging en rationalisering van de regelgeving en de praktijk op dat gebied, met specifieke aandacht voor de uitwisseling van goede praktijken inzake regelgevingstechniek, ook wat de beginselen van de EU betreft;

d)

aanmoediging van de ontwikkeling van een innovatiebeleid door middel van uitwisseling van informatie en goede praktijken over de commercialisering van onderzoek en ontwikkeling (waaronder instrumenten ter ondersteuning van startende technologiebedrijven), ontwikkeling van clusters en toegang tot financiering;

e)

aanmoediging van meer contacten tussen bedrijven uit de EU en bedrijven uit de Republiek Moldavië en tussen deze bedrijven en de autoriteiten van de EU en de Republiek Moldavië;

f)

ondersteuning van activiteiten op het gebied van exportpromotie in de Republiek Moldavië; en

g)

ondersteuning voor de modernisering en herstructurering van de industrie van de Republiek Moldavië in bepaalde sectoren.

Artikel 64

Over de vraagstukken die door die hoofdstuk worden bestreken, wordt een regelmatige dialoog gevoerd. Hierbij zullen ook vertegenwoordigers worden betrokken van EU-bedrijven en bedrijven uit de Republiek Moldavië.

HOOFDSTUK 11

Mijnbouw en grondstoffen

Artikel 65

De partijen ontwikkelen en versterken hun samenwerking inzake de mijnbouw en de handel in grondstoffen om het wederzijds begrip te bevorderen, het ondernemingsklimaat te verbeteren en informatie-uitwisseling en samenwerking inzake vraagstukken op ander dan energiegebied te bevorderen, in het bijzonder wat betreft de winning van metaalertsen en industriële mineralen.

Artikel 66

De partijen werken daartoe samen op de volgende terreinen:

a)

onderlinge uitwisseling van informatie over ontwikkelingen in de sector mijnbouw en grondstoffen;

b)

uitwisseling van informatie over kwesries in verband met grondstoffen met het oog op de bevordering van bilaterale uitwisselingen;

c)

uitwisseling van informatie en optimale werkwijzen in verband met duurzame ontwikkeling in de mijnbouw; en

d)

uitwisseling van informatie en optimale werkwijzen in verband met opleiding, vaardigheden en veiligheid in de mijnbouw.

HOOFDSTUK 12

Landbouw en plattelandsontwikkeling

Artikel 67

De partijen werken samen ter bevordering van de ontwikkeling van de landbouw en het platteland, in het bijzonder door hun beleid en wetgeving geleidelijk op elkaar af te stemmen.

Artikel 68

De samenwerking tussen de partijen op het gebied van landbouw en plattelandsontwikkeling omvat onder andere de volgende gebieden:

a)

vergroten van wederzijds begrip van het beleid met betrekking tot landbouw en plattelandsontwikkeling;

b)

verbeteren van de bestuurlijke capaciteit op centraal en lokaal niveau voor het plannen, evalueren en tenuitvoerleggen van beleid overeenkomstig de EU-regelgeving en optimale werkwijzen;

c)

bevorderen van de modernisering en duurzaamheid van de landbouwproductie;

d)

delen van kennis en optimale werkwijzen op het gebied van plattelandsontwikkeling ter bevordering van het economische welzijn van plattelandsgemeenschappen;

e)

verbeteren van de concurrentiepositie van de landbouwsector, de efficiëntie en transparantie van de markten;

f)

bevorderen van een kwalitatief beleid en controlemechanismen daarvoor, meer bepaald geografische aanduidingen en biologische landbouw;

g)

verspreiden van kennis en bevorderen van voorlichtingsdiensten aan landbouwproducenten; en

h)

verbeteren van de harmonisering van kwesties binnen het kader van internationale organisaties waarvan de partijen lid zijn.

Artikel 69

Over de vraagstukken die door die hoofdstuk worden bestreken, wordt een regelmatige dialoog gevoerd.

Artikel 70

De Republiek Moldavië past haar wetgeving aan die van de EU en aan de internationale instrumenten aan als bedoeld in bijlage VII bij deze overeenkomst en volgens de bepalingen van die bijlage.

HOOFDSTUK 13

Visserij en maritiem beleid

Afdeling 1

Visserijbeleid

Artikel 71

De partijen ontwikkelen en versterken hun samenwerking over kwesties in verband met visserij en goed maritiem bestuur, waarbij zij nauwere bilaterale en multilaterale samenwerking ontwikkelen in de visserijsector. De partijen moedigen ook een geïntegreerde aanpak aan van visserijkwesties en ondersteunen duurzame ontwikkeling in de visserij.

Artikel 72

De partijen ondernemen gezamenlijke acties, wisselen informatie uit en helpen elkaar ter bevordering van:

a)

goed bestuur en optimale werkwijzen met betrekking tot visserijbeheer, met het oog op de instandhouding en het beheer van de visbestanden, op duurzame wijze en op basis van de ecosysteemaanpak;

b)

verantwoorde visvangst en verantwoord visserijbeheer overeenkomstig de beginselen van duurzame ontwikkeling, om de visbestanden en ecosystemen gezond te houden; en

c)

samenwerking via passende regionale organisaties die verantwoordelijk zijn voor beheer en behoud van levende aquatische hulpbronnen.

Artikel 73

De partijen ondersteunen initiatieven zoals de uitwisseling van ervaringen en het verlenen van steun om te zorgen voor de uitvoering van een duurzaam visserijbeleid, onder meer:

a)

beheer van visserij en aquacultuurhulpbronnen;

b)

inspectie en controle van visserijactiviteiten, en de ontwikkeling van de bijbehorende administratieve en gerechtelijke structuren die passende maatregelen kunnen toepassen;

c)

inzameling van gegevens over de vangst en de aanvoer, en biologische en economische gegevens;

d)

efficiëntere markten, in het bijzonder door organisaties van producenten aan te moedigen, informatie aan consumenten te verstrekken, en door handelsnormen en traceerbaarheid; en

e)

ontwikkeling van een structureel beleid voor de vijsserijsector, met speciale aandacht voor de duurzame ontwikkeling van de visserijgebieden die zijn gedefinieerd als gebieden aan een meeroever of met vijvers of een riviermonding, en met een significante werkgelegenheid in de visserijsector.

Afdeling 2

Maritiem beleid

Artikel 74

Rekening houdend met hun samenwerking op het gebied van visserij, transport, milieu en andere maritieme beleidsgebieden, ontwikkelen de partijen tevens samenwerking en onderlinge bijstand, waar nodig, inzake maritieme kwesties, meer bepaald door actief steun te verlenen aan een geïntegreerde aanpak van maritieme zaken en goed bestuur in de Zwarte Zee in de relevante internationale fora.

Artikel 75

Over de vraagstukken die door die hoofdstuk worden bestreken, wordt een regelmatige dialoog gevoerd.

HOOFDSTUK 14

Samenwerking inzake energie

Artikel 76

De partijen komen overeen hun huidige samenwerking op energiegebied voort te zetten op basis van de beginselen van partnerschap, wederzijds respect, transparantie en voorspelbaarheid. Deze samenwerking moet streven naar energie-efficiëntie, marktintegratie en convergentie van de regelgeving in de energiesector, rekening houdend met de noodzaak van concurrentievermogen en de toegang tot veilige, milieubewuste en betaalbare energie, met inbegrip van de bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Energiegemeenschap.

Artikel 77

De onderlinge samenwerking bestrijkt onder meer de volgende gebieden en doelstellingen:

a)

energiestrategieën en -beleid;

b)

de ontwikkeling van concurrentiële, transparante, niet-discriminerende energiemarkten overeenkomstig EU-normen, met inbegrip van de verplichtingen volgens het Verdrag tot oprichting van de Energiegemeenschap, via hervormingen van de regelgeving en de deelname aan regionale energiesamenwerking;

c)

de ontwikkeling van een aantrekkelijk en stabiel investeringsklimaat door het aanpakken van de institutionele, wettelijke, fiscale en andere voorwaarden;

d)

energie-infrastructuur, met inbegrip van projecten van gezamenlijk belang, ter diversifiëring van de energiebronnen, de leveranciers en de vervoersroutes op een economisch doeltreffende en milieubewuste wijze, onder meer door facilitering van op leningen en subsidies gebaseerde investeringen;

e)

de verbetering en versterking van stabiliteit op de lange termijn en van veiligheid van de energietoevoer en -handel, -doorvoer en -transport op een wederzijds voordelige en niet-discriminerende wijze overeenkomstig de EU-voorschriften en internationale voorschriften;

f)

de bevordering van energie-efficiëntie en energiebesparing, onder meer inzake de energieprestatie van gebouwen, en de ontwikkeling van en steun aan duurzame energie op een economisch verantwoorde en milieubewuste wijze;

g)

het terugbrengen van broeikas-emissies, onder mee door energie-efficiëntie en duurzame-energieprojecten;

h)

wetenschappelijke en technische samenwerking en uitwisseling van informatie voor de ontwikkeling en verbetering van technologieën voor de productie, het vervoer, de levering en het eindgebruik van energie, met bijzondere aandacht voor energie-efficiënte en milieuvriendelijke technologieën; en

i)

mogelijke voortzetting van de samenwerking op het gebied van nucleaire veiligheid en stralingsbescherming, overeenkomstig de beginselen en normen van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie (IAEA) en de relevante internationale verdragen en overeenkomsten die binnen het kader van de IAEA zijn gesloten, alsook overeenkomstig, waar van toepassing, het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.

Artikel 78

Over de vraagstukken die door die hoofdstuk worden bestreken, wordt een regelmatige dialoog gevoerd.

Artikel 79

De Republiek Moldavië past haar wetgeving aan die van de EU en aan de internationale instrumenten aan als bedoeld in bijlage VIII bij deze overeenkomst en volgens de bepalingen van die bijlage.

HOOFDSTUK 15

Vervoer

Artikel 80

De partijen:

a)

vergroten en versterken hun samenwerking op vervoersgebied, teneinde bij te dragen tot de ontwikkeling van duurzame vervoerssystemen;

b)

bevorderen efficiënt, veilig en betrouwbaar vervoer, alsmede de intermodaliteit en de interoperabiliteit van de vervoerssystemen; en

c)

streven naar verbetering van de belangrijkste vervoersverbindingen tussen hun grondgebieden.

Artikel 81

Deze samenwerking bestrijkt onder meer de volgende gebieden:

a)

ontwikkeling van een duurzaam nationaal vervoersbeleid dat alle vervoerswijzen bestrijkt, in het bijzonder om de efficiëntie, veiligheid en betrouwbaarheid van de vervoerssystemen te waarborgen en de integratie van deze overwegingen met betrekking tot vervoer in andere beleidsgebieden te bevorderen;

b)

ontwikkeling van sectorale strategieën in verband met het nationale beleid voor het vervoer over de weg, per spoor, over de binnenwateren, door de lucht en over zee en het intermodale vervoer (onder meer de wettelijke vereisten voor de modernisering van technische uitrusting en vervoersvloten om aan de strengste internationale normen te voldoen); dit omvat tevens tijdschema's en mijlpalen voor de tenuitvoerlegging, administratieve taken en financieringsplannen;

c)

verbetering van het infrastructuurbeleid, zodat infrastructuurprojecten voor de diverse vervoerswijzen beter kunnen worden geïdentificeerd en geëvalueerd;

d)

uitwerking van financieringsstrategieën voor onderhoud, capaciteitsknelpunten en ontbrekende infrastructuurverbindingen, en aansporing en bevordering van de deelname van de particuliere sector aan vervoersprojecten;

e)

toetreding tot relevante internationale vervoersorganisaties en -overeenkomsten, met inbegrip van de procedures om de strikte tenuitvoerlegging en doeltreffende handhaving van internationale vervoersovereenkomsten en -verdragen te waarborgen;

f)

wetenschappelijke en technische samenwerking en uitwisseling van informatie met het oog op de ontwikkeling en verbetering van vervoerstechnologieën zoals intelligente vervoerssystemen; en

g)

bevordering van het gebruik van intelligente vervoerssystemen en informatietechnologie bij het beheer en het gebruik van alle vervoerswijzen, alsmede ondersteuning van intermodaliteit en samenwerking bij het gebruik van ruimtesystemen en commerciële toepassingen ter vergemakkelijking van het vervoer.

Artikel 82

1.   Met de samenwerking wordt tevens gestreefd naar verbetering van het verkeer van personen en goederen en de doorstroming van het vervoer tussen de Republiek Moldavië, de EU en derde landen in de regio door administratieve en technische en andere belemmeringen weg te nemen, de vervoersnetwerken te verbeteren en de infrastructuur te moderniseren, in het bijzonder van de belangrijkste verkeersnetwerken tussen de partijen. Deze samenwerking omvat maatregelen ter vergemakkelijking van grensoverschrijdend verkeer.

2.   De samenwerking omvat informatie-uitwisseling en gezamenlijke activiteiten:

a)

op regionaal niveau, in het bijzonder met inachtneming en met integratie van de vooruitgang die bereikt is in het kader van diverse regionale regelingen voor vervoerssamenwerking, zoals de Transportcorridor Europa-Kaukasus-Azië (Traceca), de transportsamenwerking binnen het kader van het Oosters Partnerschap en andere vervoersinitiatieven; en

b)

op internationaal niveau, onder meer ten aanzien van internationale vervoersorganisaties en internationale overeenkomsten en verdragen die door de partijen zijn geratificeerd, en in het kader van de verschillende vervoersagentschappen van de EU.

Artikel 83

Over de vraagstukken die door die hoofdstuk worden bestreken, wordt een regelmatige dialoog gevoerd.

Artikel 84

De partijen werken samen voor een verbetering van de transportverbindingen volgens de bepalingen van bijlage IX bij deze overeenkomst.

Artikel 85

De Republiek Moldavië past haar wetgeving aan die van de EU en aan de internationale instrumenten aan als bedoeld in bijlage X en in bijlage XXVIII-D bij deze overeenkomst en volgens de bepalingen van die bijlagen.

HOOFDSTUK 16

Milieu

Artikel 86

De partijen ontwikkelen en versterken hun samenwerking inzake milieuaangelegenheden en dragen zo bij tot de langetermijndoelstelling van duurzame ontwikkeling en een groenere economie. Verwacht wordt dat betere bescherming van het milieu voordelen zal bieden voor burgers en bedrijven in de EU en in de Republiek Moldavië, onder meer door verbetering van de volksgezondheid, behoud van natuurlijke hulpbronnen, grotere economische en milieuefficiëntie, integratie van het milieu in andere beleidsterreinen, het gebruik van modernere en schonere technologieën die bijdragen aan duurzamere productiepatronen. De partijen werken samen in hun beider belang op basis van gelijkheid en wederzijds voordeel, waarbij zij rekening houden met hun onderlinge afhankelijkheid op het gebied van milieubescherming en de multilaterale overeenkomsten op dat gebied.

Artikel 87

De samenwerking is gericht op behoud, bescherming, verbetering en herstel van de kwaliteit van het milieu, bescherming van de menselijke gezondheid, duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen en bevordering van maatregelen op internationaal niveau voor het aanpakken van regionale of mondiale milieuproblemen, onder andere op het gebied van:

a)

goed bestuur op milieugebied en horizontale kwesties, onder meer milieueffectbeoordeling en strategische effectbeoordeling, onderwijs en opleiding, milieu-aansprakelijkheid, bestrijding van milieumisdrijven, grensoverschrijdende samenwerking, toegang tot milieu-informatie, besluitvormingsprocedures en doeltreffende administratieve en gerechtelijke herzieningsprocedures;

b)

luchtkwaliteit;

c)

waterkwaliteit en bronnenbeheer, met inbegrip van de beheersing van overstromingsrisico's, waterschaarste en droogten;

d)

afvalbeheer, beheer van middelen en vervoer van afval;

e)

natuurbescherming, met inbegrip van behoud en bescherming van biodiversiteit en landschapsdiversiteit;

f)

industriële verontreiniging en industriële risico's;

g)

chemische stoffen;

h)

geluidshinder;

i)

bodembescherming;

j)

stads- en plattelandsontwikkeling;

k)

milieuheffingen en taksen;

l)

systemen voor toezicht en milieu-informatie;

m)

inspectie en handhaving; en

n)

milieu-innovatie met inbegrip van de beste beschikbare technologieën.

Artikel 88

De partijen zorgen voor onder meer het volgende:

a)

uitwisseling van informatie en deskundigheid;

b)

uitvoering van gezamenlijke onderzoeksactiviteiten en uitwisseling van informatie over schonere technologieën;

c)

planning voor de aanpak van industriële risico's en ongevallen;

d)

uitvoering van gezamenlijke activiteiten op regionaal en internationaal niveau, onder meer met betrekking tot multilaterale milieuovereenkomsten die door de partijen zijn geratificeerd en, in voorkomend geval, gezamenlijke activiteiten in het kader van de betrokken instanties.

De partijen schenken bijzondere aandacht aan grensoverschrijdende vraagstukken en regionale samenwerking.

Artikel 89

De samenwerking bestrijkt onder meer de volgende doelstellingen:

a)

ontwikkeling van een algemene milieustrategie met geplande institutionele hervormingen (voorzien van een tijdschema) om de tenuitvoerlegging en handhaving van de milieuwetgeving te waarborgen; verdeling van de bevoegdheden voor het milieubeheer over de nationale, regionale en gemeentelijke overheden; procedures voor de besluitvorming en voor de uitvoering van besluiten; procedures voor het bevorderen van de integratie van milieuzaken in andere beleidsterreinen; bevordering van maatregelen voor een groene economie en eco-innovatie, vaststelling van de nodige personele en financiële middelen en een mechanisme voor controle; en

b)

ontwikkeling van sectorale strategieën inzake luchtkwaliteit, waterkwaliteit en de watervoorraden; afvalbeheer en beheer van hulpbronnen; biodiversiteit en natuurbeschermingsgebieden; industriële verontreiniging en industriële risico's en chemicaliën, geluidsoverlast, bodembescherming, stads- en plattelandsontwikkeling, eco-innovatie, met vaststelling van duidelijke tijdschema's en mijlpalen voor de tenuitvoerlegging, administratieve taken en financieringsstrategieën voor investeringen in infrastructuur en technologie.

Artikel 90

Over de vraagstukken die door die hoofdstuk worden bestreken, wordt een regelmatige dialoog gevoerd.

Artikel 91

De Republiek Moldavië past haar wetgeving aan die van de EU en aan de internationale instrumenten aan als bedoeld in bijlage XI bij deze overeenkomst en volgens de bepalingen van die bijlage.

HOOFDSTUK 17

Klimaatactie

Artikel 92

De partijen ontwikkelen en versterken hun samenwerking voor de bestrijding van de klimaatverandering. De partijen werken samen in hun beider belang op basis van gelijkheid en wederzijds voordeel, waarbij zij rekening houden met hun onderlinge afhankelijkheid en de bilaterale en multilaterale overeenkomsten op dit gebied.

Artikel 93

Met de samenwerking worden maatregelen bevorderd op nationaal, regionaal en internationaal niveau, onder meer inzake:

a)

matiging van de klimaatverandering;

b)

aanpassing aan de klimaatverandering;

c)

emissierechtenhandel;

d)

onderzoek, ontwikkeling, demonstratie, exploitatie en verspreiding van veilige en duurzame koolstofarme en aanpassingstechnologieën;

e)

geleidelijke opname van klimaataspecten in het sectorale beleid; en

f)

bewustmaking, onderwijs en opleiding.

Artikel 94

De partijen zorgen voor onder meer het volgende:

a)

uitwisseling van informatie en deskundigheid;

b)

uitvoering van gezamenlijke onderzoeksactiviteiten en uitwisseling van informatie over schone technologieën;

c)

uitvoering van gezamenlijke activiteiten op regionaal en internationaal niveau, onder meer met betrekking tot multilaterale milieuovereenkomsten die door de partijen zijn geratificeerd en, in voorkomend geval, gezamenlijke activiteiten in het kader van de betrokken instanties.

De partijen schenken bijzondere aandacht aan grensoverschrijdende vraagstukken en regionale samenwerking.

Artikel 95

De onderlinge samenwerking bestrijkt onder meer de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van:

a)

een algemene klimaatstrategie en een actieplan op de lange termijn voor verzachting van en aanpassing aan de klimaatverandering;

b)

evaluaties van de kwetsbaarheid en de aanpassing;

c)

een nationale strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering;

d)

een strategie voor koolstofarme ontwikkeling;

e)

maatregelen op de lange termijn voor het terugbrengen van broeikas-emissies;

f)

maatregelen ter voorbereiding van emissierechtenhandel;

g)

maatregelen ter bevordering van technologie-overdracht op basis van een evaluatie van de technologiebehoeften;

h)

maatregelen voor de geleidelijke opname van klimaataspecten in het sectorale beleid; en

i)

maatregelen inzake de ozonlaag afbrekende stoffen.

Artikel 96

Over de vraagstukken die door die hoofdstuk worden bestreken, wordt een regelmatige dialoog gevoerd.

Artikel 97

De Republiek Moldavië past haar wetgeving aan die van de EU en aan de internationale instrumenten aan als bedoeld in bijlage XII bij deze overeenkomst en volgens de bepalingen van die bijlage.

HOOFDSTUK 18

Informatiemaatschappij

Artikel 98

De partijen stimuleren de samenwerking inzake de ontwikkeling van de informatiemaatschappij om burgers en bedrijven voordelen te brengen door de brede beschikbaarheid van informatie- en communicatietechnologie (ICT) en hoogwaardiger diensten tegen betaalbare prijzen. Deze samenwerking moet streven naar betere toegang tot elektronische-communicatiemarkten, aanmoediging van de concurrentie en investeringen in de sector, de bevordering van de ontwikkeling van openbare diensten online.

Artikel 99

De samenwerking kan de volgende onderwerpen omvatten:

a)

uitwisseling van informatie en optimale werkwijzen over de uitvoering van nationale informatie-maatschappijstrategieën, onder meer met initiatieven ter bevordering van breedbandtoegang, ter verbetering van de netwerkbeveiliging en tot invoering van openbare onlinediensten;

b)

uitwisseling van informatie, optimale werkwijzen en ervaringen ter bevordering van een omvattend regelgevingskader voor elektronische communicatie, en meer bepaald ter versterking van de bestuurlijke capaciteit van de nationale administratie voor informatie- en communicatietechnologie, alsook van de onafhankelijke regelgevende instantie, voor een beter gebruik van spectrumbronnen en ter bevordering van de interoperabiliteit van netwerken in de Republiek Moldavië en met de EU;

c)

aanmoediging en bevordering van de installatie van ICT-apparatuur voor beter bestuur, e-leren en onderzoek, openbare gezondheidszorg, de digitalisering van het culturele erfgoed, de ontwikkeling van digitale inhoud en elektronische handel; en

d)

verbetering van het veiligheidsniveau van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in elektronische communicatie.

Artikel 100

De partijen bevorderen de samenwerking tussen de regelgevende instantie van de EU en de nationale regelgevende autoriteiten van de Republiek Moldavië op het gebied van elektronische communicatie. De partijen overwegen tevens of samenwerking mogelijk is op andere relevante gebieden, onder meer door regionale initiatieven.

Artikel 101

Over de vraagstukken die door die hoofdstuk worden bestreken, wordt een regelmatige dialoog gevoerd.

Artikel 102

De Republiek Moldavië past haar wetgeving aan die van de EU en aan de internationale instrumenten aan als bedoeld in bijlage XXVIII-B bij deze overeenkomst en volgens de bepalingen van die bijlage.

HOOFDSTUK 19

Toerisme

Artikel 103

De partijen werken samen op het gebied van het toerisme, met het oog op de ontwikkeling van een beter concurrerende en duurzame toerismebedrijfstak die economische groei en emancipatie bevordert en werkgelegenheid en buitenlandse deviezen genereert.

Artikel 104

De samenwerking op bilateraal, regionaal en Europees niveau wordt gebaseerd op de volgende beginselen:

a)

respect voor de integriteit en de belangen van plaatselijke gemeenschappen, in het bijzonder in plattelandsgebieden;

b)

het belang van het culturele erfgoed; en

c)

een positieve interactie tussen toerisme en milieubehoud.

Artikel 105

De samenwerking wordt gericht op de volgende aspecten:

a)

uitwisseling van informatie, optimale werkwijzen en ervaringen en overdracht van expertise, onder andere inzake innovatieve technologieën;

b)

totstandbrenging van een strategisch partnerschap tussen openbare, particuliere en gemeenschapsbelangen, teneinde de duurzame ontwikkeling van het toerisme te waarborgen;

c)

bevordering en ontwikkeling van toerismeproducten en -markten, infrastructuur, personele middelen en institutionele structuren, alsook identificatie en eliminatie van belemmeringen van reis-dienstverleningen;

d)

ontwikkeling en tenuitvoerlegging van efficiënt beleid en efficiënte strategieën, met inbegrip van de juridische, administratieve en financiële aspecten;

e)

opleiding en capaciteitsopbouw op toeristisch gebied met als doel het niveau van dienstverlening te verbeteren; en

f)

ontwikkeling en promotie van in de gemeenschappen wortelend toerisme.

Artikel 106

Over de vraagstukken die door die hoofdstuk worden bestreken, wordt een regelmatige dialoog gevoerd.

HOOFDSTUK 20

Regionale ontwikkeling, grensoverschrijdende en regionale samenwerking

Artikel 107

1.   De partijen bevorderen wederzijds begrip en bilaterale samenwerking op het gebied van het regionaal beleid, de methoden voor formulering en uitvoering van regionaal beleid, waaronder goed bestuur en partnerschap op meerdere niveaus, met bijzondere aandacht voor de ontwikkeling van kansarme gebieden en territoriale samenwerking, teneinde communicatiekanalen tot stand te brengen en de uitwisseling van informatie en ervaringen te bevorderen tussen nationale, regionale en lokale overheden, sociaaleconomische actoren en de maatschappelijke organisaties.

2.   Meer bepaald werken de partijen samen met het oog op een aanpassing van de werkwijzen van de Republiek Moldavië aan de volgende beginselen:

a)

decentralisatie van het besluitvormingsproces van het centrale niveau naar het niveau van de regionale gemeenschappen;

b)

consolidering van het partnerschap tussen alle betrokken partijen van de regionale ontwikkeling; en

c)

medefinanciering via de financiële bijdrage van de partijen die betrokken zijn bij de tenuitvoerlegging van programma's en projecten voor regionale ontwikkeling.

Artikel 108

1.   De partijen ondersteunen en versterken de betrokkenheid van lokale en regionale overheden bij grensoverschrijdende en regionale samenwerking en de daarmee verband houdende beheersstructuren, bevorderen de samenwerking door een passend wetgevend kader tot stand te brengen, ondersteunen en ontwikkelen maatregelen voor capaciteitsopbouw en bevorderen de versterking van grensoverschrijdende en regionale economische en zakelijke netwerken.

2.   De partijen werken samen voor de versterking van de institutionele en operationele capaciteit van nationale en regionale instellingen op het gebied van regionale ontwikkeling en ruimtelijke ordening, onder meer door:

a)

verbetering van het mechanisme van verticale en horizontale interactie van centrale en lokale overheden met het oog op de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van regionaal beleid;

b)

ontwikkeling van de capaciteit van lokale overheden voor grensoverschrijdende samenwerking volgens de regelgeving en de praktijk van de EU; en

c)

uitwisseling van kennis, infomatie en optimale werkwijzen inzake regionale ontwikkeling met het oog op grotere economische welstand voor lokale gemeenschappen en de eenvormige ontwikkeling van regio's.

Artikel 109

1.   De partijen versterken en stimuleren de ontwikkeling van de grensoverschrijdende en regionale dimensie van onder meer vervoer, energie, communicatienetwerken, cultuur, onderwijs, toerisme, gezondheid en andere terreinen die onder deze overeenkomst vallen en die van invloed zijn op de grensoverschrijdende en regionale samenwerking.

2.   De partijen versterken de samenwerking tussen hun regio's in de vorm van transnationale en grensoverschrijdende programma's, ter ondersteuning van de deelname van de regio's van de Republiek Moldavië an Europese regionale structuren en organisaties en ter bevordering van hun economische en institutionele ontwikkeling door het uitvoeren van projecten van gezamenlijk belang.

Deze activiteiten vinden plaats in de context van:

a)

voortdurende territoriale samenwerking met Europese regio's, met inbegrip van transnationale en grensoverschrijdende samenwerkingsprogramma's;

b)

samenwerking in het kader van het Oosters Partnerschap, met EU-organen, waaronder het Comité van de Regio's, en deelname aan diverse Europese regionale projecten en initiatieven; en

c)

samenwerking met onder meer het Europees Economisch en Sociaal Comité, de European Association of Development Agencies (EURADA) en de Waarnemingspost voor de ruimtelijke ordening van het Europees grondgebied (ESPON).

Artikel 110

1.   De partijen versterken en garanderen een betere coördinatie en samenwerking tussen de landen en de regio's binnen de EU-strategie voor het Donaugebied, met onder meer aandacht voor betere vervoers- en energieverbindingen, milieu, de economische en sociale ontwikkeling en veiligheid, hetgeen bijdraagt tot sneller vervoer over de weg en het spoor, meer goedkope en veilige energie, een beter milieu met schoner water, beschermde biodiversiteit, doeltreffender grensoverschrijdende preventie van overstromingen.

2.   De partijen versterken de grensoverschrijdende samenwerking met het oog op het herstel van de scheepvaart op de Proet, hetgeen zal leiden tot het vermijden van overstromingen in het rivierbassin, een betere waterkwaliteit en landbouwirrigatie, intensere economische activiteit, de bevordering van het toerisme en culturele activiteiten, alsook bijdragen tot capaciteitsopbouw.

Artikel 111

De partijen faciliteren het verkeer van burgers van de EU en de Republiek Moldavië, om de grens op frequente basis en over korte afstanden over te steken.

Artikel 112

Over de vraagstukken die door die hoofdstuk worden bestreken, wordt een regelmatige dialoog gevoerd.

HOOFDSTUK 21

Volksgezondheid

Artikel 113

De partijen ontwikkelen samenwerking op het gebied van de volksgezondheid om het niveau van de bescherming van de volksgezondheid en de gezondheid van de mens te verhogen, als basisvoorwaarde voor duurzame ontwikkeling en economische groei.

Artikel 114

De samenwerking omvat in het bijzonder de volgende gebieden:

a)

versterking van het openbare gezondheidssysteem van de Republiek Moldavië, meer bepaald door een hervorming van het gezondheidsstelsel, voor een primaire gezondheidszorg van hoog niveau, beter bestuur op gezondheidsgebied en betere financiering van de gezondheidszorg;

b)

epidemiologisch toezicht en controle van besmettelijke ziekten, zoals hiv/aids, virale hepatitis en tuberculose, alsook betere paraatheid bij bedreigingen en noodsituaties inzake de volksgezondheid;

c)

preventie en controle van niet-overdraagbare ziekten door uitwisseling van informatie en optimale werkwijzen, bevordering van een gezonde levensstijl, aanpak van gezondheidsbepalende factoren zoals voeding en verslaving aan drugs, alcohol en tabak;

d)

kwaliteit en veiligheid van stoffen van menselijke oorsprong;

e)

gezondheidsinformatie en -kennis; en

f)

volledige en tijdige uitvoering van internationale gezondheidsovereenkomsten, meer bepaald de internationale gezondheidswetgeving en het kaderverdrag van de Wereldgezondheidsorganisatie inzake tabaksontmoediging van 2003.

Artikel 115

De samenwerking maakt het volgende mogelijk:

a)

de geleidelijke integratie van de Republiek Moldavië in de gezondheidsnetwerken van de EU; en

b)

de geleidelijke verbetering van de interactie tussen de Republiek Moldavië en het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding.

Artikel 116

De Republiek Moldavië past haar wetgeving aan die van de EU en aan de internationale instrumenten aan als bedoeld in bijlage XIII bij deze overeenkomst en volgens de bepalingen van die bijlage.

HOOFDSTUK 22

Civiele bescherming

Artikel 117

De partijen ontwikkelen en versterken hun samenwerking inzake natuurrampen en door de mens veroorzaakte rampen. De partijen werken samen in hun beider belang op basis van gelijkheid en wederzijds voordeel, waarbij zij rekening houden met hun onderlinge afhankelijkheid en multilaterale activiteiten op het gebied van civiele bescherming.

Artikel 118

De samenwerking streeft naar een betere preventie van, paraatheid voor en respons op natuurrampen en door de mens veroorzaakte rampen.

Artikel 119

De partijen wisselen onder meer informatie en expertise uit en brengen gezamenlijke activiteiten op nationaal, regionaal en internationaal niveau ter uitvoering. Met inachtneming van de respectieve bevoegdheden van de Europese Unie en haar lidstaten vindt de samenwerking op dit gebied plaats via de tenuitvoerlegging van specifieke tussen de partijen gesloten overeenkomsten en administratieve regelingen, overeenkomstig de wettelijke procedures van elke partij.

Artikel 120

De samenwerking bestrijkt onder meer de volgende doelstellingen:

a)

de vergemakkelijking van wederzijdse bijstand in noodsituaties;

b)

de uitwisseling op 24-uurbasis van vroegtijdige waarschuwingen en geactualiseerde informatie over noodsituaties op grote schaal die de EU of de Republiek Moldavië treffen, alsmede verzoeken om en aanbiedingen van bijstand;

c)

de beoordeling van het milieueffect van rampen;

d)

de uitnodiging van deskundigen voor specifieke technische workshops en symposia over civielebeschermingsvraagstukken;

e)

de uitnodiging, per geval, van waarnemers voor specifieke oefeningen en opleidingen die door de EU en/of de Republiek Moldavië worden georganiseerd; en

f)

de versterking van de samenwerking inzake de doeltreffendste wijze om de beschikbare civiele beschermingscapaciteit in te zetten.

Artikel 121

Over de vraagstukken die door die hoofdstuk worden bestreken, wordt een regelmatige dialoog gevoerd.

HOOFDSTUK 23

Samenwerking inzake onderwijs, opleiding, meertaligheid, jeugd en sport

Artikel 122

De partijen werken samen ter bevordering van een leven lang leren en moedigen samenwerking en transparantie aan op alle niveaus van onderwijs en opleiding, met speciale aandacht voor hoger onderwijs.

Artikel 123

Deze samenwerking wordt onder meer op de volgende terreinen gericht:

a)

bevordering van een leven lang leren, dat essentieel is voor groei en werkgelegenheid en participatie ten volle van de burger in de maatschappij mogelijk maakt;

b)

modernisering van het onderwijs en de onderwijssystemen, verbetering van de kwaliteit, de relevantie en de toegang;

c)

bevordering van de convergentie in het hoger onderwijs, op grond van het Bologna-proces en de EU-agenda voor de modernisering van het hoger onderwijs;

d)

versterking van de internationale academische samenwerking en deelname aan de samenwerkingsprogramma's van de EU, toename van de mobiliteit van studenten en docenten;

e)

opzetten van een nationaal kwalificatiekader ter verbetering van de transparantie en erkenning van kwalificaties en bevoegdheden; en

f)

bevordering van de doelstellingen van het proces van Kopenhagen over intensievere Europese samenwerking inzake beroepsonderwijs en -opleiding.

Artikel 124

De partijen bevorderen samenwerking en uitwisselingen op gebieden van wederzijds belang, zoals taaldiversiteit en een leven lang leren van talen, via de uitwisseling van informatie en optimale werkwijzen.

Artikel 125

De partijen komen overeen samen te werken op jeugdgebied met het oog op:

a)

versterkte samenwerking en uitwisselingen op het gebied van jeugdbeleid en niet-formeel onderwijs voor jongeren en jeugdwerkers;

b)

de actieve deelname van alle jongeren aan het maatschappelijke leven vergemakkelijken;

c)

steun voor de mobiliteit van jongeren en jeugdwerkers ter bevordering van de culturele dialoog en de verwerving van kennis, vaardigheden en bevoegdheden buiten de formele onderwijssystemen, ook door vrijwilligerswerk; en

d)

bevordering van de samenwerking tussen jeugdorganisaties ter ondersteuning van maatschappelijke organisaties.

Artikel 126

De partijen bevorderen de samenwerking op het gebied van sport en fysieke activiteiten door de uitwisseling van informatie en goede werkwijzen ten behoeve van een gezonde levensstijl, de sociale en educatieve waarden van sport en goed bestuur in sport binnen de EU en de Republiek Moldavië.

HOOFDSTUK 24

Samenwerking op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie

Artikel 127

De partijen bevorderen samenwerking op alle gebieden van civiel wetenschappelijk onderzoek en technologische ontwikkeling en demonstratie (OTO) op basis van wederzijds voordeel en afhankelijk van geschikte en doeltreffende bescherming van intellectuele-eigendomsrechten.

Artikel 128

De samenwerking op het gebied van OTO omvat onder andere:

a)

beleidsdialoog en de uitwisseling van wetenschappelijke en technologische informatie;

b)

makkelijker toegang tot de respectieve programma's van de partijen;

c)

meer onderzoekscapaciteit en de deelname van onderzoeksinstellingen van de Republiek Moldavië aan het kaderprogramma van de EU voor onderzoek;

d)

stimuleren van gezamenlijke onderzoeksprojecten op alle gebieden van OTO;

e)

opleiding en mobiliteit voor wetenschappers, onderzoekers en ander onderzoekspersoneel betrokken bij OTO-activiteiten van de partijen;

f)

vergemakkelijking, in het kader van de geldende wetgeving, van het vrije verkeer van onderzoekspersoneel dat deelneemt aan de activiteiten krachtens deze overeenkomst en het vrij verkeer van goederen die voor deze activiteiten worden gebruikt; en

g)

andere vormen van samenwerking voor OTO (met inbegrip van regionale aanpak en initiatieven), op basis van wederzijdse overeenstemming van de partijen.

Artikel 129

Bij het uitvoeren van samenwerkingsactiviteiten voor OTO moet worden gestreefd naar synergieën met activiteiten die worden gefinancierd door het Centrum voor Wetenschap en Technologie (OCWT) en andere activiteiten binnen het kader van de financiële samenwerking tussen de EU en de Republiek Moldavië.

HOOFDSTUK 25

Samenwerking inzake cultuur, audiovisueel beleid en media

Artikel 130

De partijen bevorderen de samenwerking op cultureel gebied en houden terdege rekening met de beginselen die zijn opgenomen in het verdrag van de organisatie van de Verenigde Naties voor onderwijs, wetenschap en cultuur (Unesco) betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen van 2005. De partijen streven naar een regelmatige beleidsdialoog over gebieden van wederzijds belang, zoals de ontwikkeling van de cultuurindustrie in de EU en de Republiek Moldavië. De samenwerking tussen de partijen stimuleert de interculturele dialoog, ook via deelname van de cultuursector en maatschappelijke organisaties van de EU en de Republiek Moldavië.

Artikel 131

1.   De partijen voeren een regelmatige dialoog en werken samen ter bevordering van de audiovisuele bedrijfstak in Europa en ter aanmoediging van coproducties voor film en televisie.

2.   De samenwerking kan onder meer omvatten: opleiding van journalisten en andere mediaspecialisten, steun aan de media voor een grotere onafhankelijkheid, meer professionalisme en banden met de EU-media, overeenkomstig de EU-normen, met inbegrip van de normen van de Raad van Europa en het Unesco-verdrag van 2005 betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen.

Artikel 132

De partijen spitsen hun samenwerking toe op een aantal gebieden:

a)

culturele samenwerking en culturele uitwisselingen, alsook mobiliteit van kunst en kunstenaars;

b)

interculturele dialoog;

c)

beleidsdialoog over cultureel beleid en audiovisueel beleid;

d)

samenwerking in internationale fora zoals de Unesco en de Raad van Europa, onder meer om de culturele diversiteit te ontwikkelen en te behouden en het culturele en historische erfgoed beter te benutten; en

e)

samenwerking inzake media.

Artikel 133

De Republiek Moldavië past haar wetgeving aan die van de EU en aan de internationale instrumenten aan als bedoeld in bijlage XIV bij deze overeenkomst en volgens de bepalingen van die bijlage.

HOOFDSTUK 26

Maatschappelijke samenwerking

Artikel 134

De partijen voeren een dialoog over maatschappelijke samenwerking, met de volgende doelstellingen:

a)

intensivering van de contacten en de uitwisseling van informatie en ervaringen tussen alle maatschappelijke sectoren in de EU en de Republiek Moldavië;

b)

verzekeren van een betere kennis en begrip van de Republiek Moldavië, ook van haar geschiedenis en cultuur, in de EU en meer bepaald bij maatschappelijke organisaties die in de lidstaten zijn gevestigd, waardoor mogelijkheden en problemen van toekomstige betrekkingen beter worden begrepen; en

c)

omgekeerd meer kennis van en inzicht in de Republiek Moldavië over de EU, en in het bijzonder bij de maatschappelijke organisaties in de Republiek Moldavië, met onder meer aandacht voor de waarden waarop de EU is gebaseerd, haar beleid en haar werking.

Artikel 135

De partijen bevorderen dialoog en samenwerking tussen belanghebbenden van maatschappelijke organisaties van beide partijen als integraal onderdeel van de betrekkingen tussen de EU en de Republiek Moldavië. Deze dialoog en samenwerking beogen:

a)

de betrokkenheid te verzekeren van de maatschappelijke organisaties bij de betrekkingen tussen de EU en de Republiek Moldavië, meer bepaald voor de tenuitvoerlegging van deze overeenkomst;

b)

de deelname van maatschappelijke organisaties aan het openbare besluitvormingsproces bevorderen, meer bepaald door een open, transparante, en regelmatige dialoog in te stellen tussen openbare instellingen en representatieve maatschappelijke organisaties;

c)

de facilitering van een proces van institutionele opbouw en consolidatie van de maatschappelijke organisaties op diverse manieren, met inbegrip van lobbying, informele en formele netwerken, wederzijdse bezoeken en workshops, met het oog in het bijzonder op een beter wettelijk kader voor de maatschappelijke organisaties; en

d)

de vertegenwoordigers van de maatschappelijke organisaties van beide partijen vertrouwd te maken met het proces van overleg en dialoog tussen het maatschappelijk middenveld, met inbegrip van de sociale partners, en de overheden, in het bijzonder met het oog op de versterking van het maatschappelijk middenveld in de beleidsvorming van de Republiek Moldavië.

Artikel 136

Over de vraagstukken die door die hoofdstuk worden bestreken, wordt door de partijen een regelmatige dialoog gevoerd.

HOOFDSTUK 27

Samenwerking voor de bescherming en bevordering van de rechten van het kind

Artikel 137

De partijen komen overeen samen te werken ter bevordering van de rechten van het kind volgens internationale wetten en normen, meer bepaald het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind van 1989, rekening houdend met de prioriteiten die speciaal in de context van de Republiek Moldavië zijn vastgesteld, in het bijzonder voor kwetsbare groepen.

Artikel 138

Die samenwerking omvat in het bijzonder het volgende:

a)

het voorkomen en bestrijden van alle vormen van exploitatie (waaronder kinderarbeid), misbruik en verwaarlozing van en geweld tegen kinderen, onder meer door de ontwikkeling en versterking van een wet- en regelgevingskader alsook door bewustmakingscampagnes op dit gebied;

b)

de verbetering van het systeem voor identificatie en bijstand van kinderen in kwetsbare sitauties, met inbegrip van grotere participatie van kinderen aan het besluitvormingsproces en de uitvoering van doeltreffende mechanismen voor de afhandeling van individuele klachten van kinderen;

c)

de uitwisseling van informatie en optimale werkwijzen voor de terugdringing van de armoede bij kinderen, met maatregelen van sociaal beleid met het oog op het welzijn van kinderen, en de bevordering van de toegang van kinderen tot onderwijs;

d)

de uitvoering van maatregelen ter bevordering van de rechten van kinderen binnen het gezin en de instellingen, en versterking van de capaciteit van ouders en verzorgers om de ontwikkeling van het kind te vrijwaren; en

e)

de toegang tot, de ratificatie en de tenuitvoerlegging van de relevante internationale documenten, ook die van de Verenigde Naties, de Raad van Europa en de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht, met het oog op de bevordering en beschemring van de rechten van het kind overeenkomstig de hoogste normen op dit vlak.

Artikel 139

Over de vraagstukken die door die hoofdstuk worden bestreken, wordt een regelmatige dialoog gevoerd.

HOOFDSTUK 28

Deelname aan agentschappen en programma's van de unie

Artikel 140

De Republiek Moldavië mag deelnemen aan alle agentschappen van de Unie die overeenkomstig de relevante bepalingen tot vaststelling van die agentschappen voor deelname van de Republiek Moldavië openstaan. De Republiek Moldavië sluit voor elk agentschap een aparte overeenkomst met de EU inzake de deelname en de financiële bijdrage.

Artikel 141

De Republiek Moldavië mag deelnemen aan alle huidige en toekomstige programma's van de Unie die overeenkomstig de relevante bepalingen tot vaststelling van die programma's voor deelname van de Republiek Moldavië openstaan. Deelname van de Republiek Moldavië aan de programma's van de Unie vindt plaats volgens de bepalingen van protocol I bij deze overeenkomst inzake een kaderovereenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Moldavië inzake de algemene beginselen voor deelname van de Republiek Moldavië aan EU-programma's.

Artikel 142

De partijen houden een regelmatige dialoog over de deelname van de Republiek Moldavië aan EU-programma's en agentschappen. Meer bepaald informeert de EU de Republiek Moldavië in het geval van de oprichting van nieuwe agentschappen en programma's van de Unie, alsook in verband met wijzigingen van de voorwaarden voor deelname aan programma's en agentschappen van de Unie, als bedoeld in de artikelen 140 en 141 van deze overeenkomst.

TITEL V

HANDEL EN DAARMEE VERBAND HOUDENDE AANGELEGENHEDEN

HOOFDSTUK 1

Nationale behandeling en markttoegang voor goederen

Afdeling 1

Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 143

Doelstelling

Gedurende een overgangsperiode van maximaal tien jaar die aanvangt bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst, brengen de partijen geleidelijk een vrijhandelsruimte tot stand, overeenkomstig het bepaalde in deze overeenkomst en overeenkomstig artikel XXIV van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel 1994, hierna „GATT 1994” genoemd.

Artikel 144

Toepassingsgebied en dekking

1.   De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de handel in goederen (1) tussen de partijen.

2.   Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden als „van oorsprong” beschouwd de goederen die aan de oorsprongsregels in protocol II bij deze overeenkomst voldoen.

Afdeling 2

Afschaffing van douanerechten, vergoedingen en andere heffingen

Artikel 145

Definitie van douanerechten

Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden onder „douanerechten” alle soorten rechten en heffingen verstaan die worden opgelegd ter zake van of in verband met de invoer of de uitvoer van goederen, met inbegrip van alle aanvullende heffingen of belastingen met betrekking tot deze invoer of uitvoer. Onder „douanerechten” worden niet verstaan:

a)

heffingen gelijkwaardig aan interne belastingen die overeenkomstig artikel 152 van deze overeenkomst worden opgelegd;

b)

rechten die overeenkomstig hoofdstuk 2 (Handelsmaatregelen) van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst worden opgelegd; of

c)

vergoedingen en andere heffingen die overeenkomstig artikel 151 van deze overeenkomst worden opgelegd.

Artikel 146

Indeling van goederen

De indeling van goederen in het handelsverkeer tussen de partijen geschiedt overeenkomstig het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen van 1983, hierna „GS” genoemd, in de op de GS 2007 gebaseerde tariefnomenclatuur van de Republiek Moldavië en de op de GS 2012 gebaseerde tariefnomenclatuur van de Unie, en in latere wijzigingen van die nomenclaturen.

Artikel 147

Afschaffing van invoerrechten

1.   Elke partij verlaagt haar douanerechten op goederen van oorsprong uit de andere partij of schaft die af, overeenkomstig bijlage XV bij deze overeenkomst.

2.   Voor elk goed wordt het basisdouanerecht waarop ingevolge lid 1 van dit artikel de achtereenvolgende verlagingen en afschaffingen moeten worden toegepast, in bijlage XV bij deze overeenkomst vermeld.

3.   Indien een partij na de inwerkingtreding van deze overeenkomst op enig tijdstip het door haar toegepaste meestbegunstigingsrecht verlaagt, dan geldt dat recht als basisrecht indien en zolang het lager is dan het overeenkomstig bijlage XV bij deze overeenkomst berekende douanerecht.

4.   Na de inwerkingtreding van deze overeenkomst kunnen de partijen afspreken te bezien of douanerechten in het handelsverkeer tussen hen versneld en in ruimere mate kunnen worden afgeschaft. Wanneer het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, zoals bedoeld in artikel 438, lid 4, van deze overeenkomst, besluit de douanerechten op een goed versneld te verlagen of af te schaffen, komt dat besluit in de plaats van de douanerechten of afbouwcategorieën die overeenkomstig bijlage XV bij deze overeenkomst zijn vastgesteld.

5.   In het derde jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst beoordelen de partijen de situatie, waarbij zij rekening houden met het verloop van het handelsverkeer in landbouwproducten tussen de partijen, de bijzondere gevoeligheid van dergelijke producten en de ontwikkeling van het landbouwbeleid van beide partijen.

6.   De partijen zullen in het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken de mogelijkheden onderzoeken om elkaar op basis van passende wederkerigheid verdere concessies te verlenen met het oog op een verdergaande liberalisering van de handel in landbouwproducten, in het bijzonder die waarvoor tariefcontingenten gelden.

Artikel 148

Antiontwijkingsmechanisme met betrekking tot landbouwproducten en verwerkte landbouwproducten

1.   Het antiontwijkingsmechanisme is van toepassing op de in bijlage XV-C bij deze overeenkomst vermelde producten. Voor elke categorie van deze producten wordt het gemiddelde jaarlijkse invoervolume uit de Republiek Moldavië in de Unie vermeld in bijlage XV-C bij deze overeenkomst.

2.   Zodra in een bepaald kalenderjaar het invoervolume voor een of meer categorieën van de in lid 1 van dit artikel bedoelde producten 70 % bedraagt van het in bijlage XV-C aangegeven volume, stelt de Unie de Republiek Moldavië in kennis van het invoervolume van het betrokken product of de betrokken producten. Na deze kennisgeving en binnen 14 kalenderdagen te rekenen vanaf de dag waarop het invoervolume voor een of meer categorieën van de in lid 1 van dit artikel bedoelde producten 80 % bedraagt van het in bijlage XV-C bij deze overeenkomst aangegeven volume, bezorgt de Republiek Moldavië de Unie een deugdelijke motivering voor de toename van de invoer. Indien de Republiek Moldavië geen deugdelijke motivering verschaft, kan de Unie de preferentiële behandeling ten aanzien van de betrokken producten tijdelijk schorsen zodra deze invoer 100 % bedraagt van het in bijlage XV-C bij deze overeenkomst aangegeven volume.

Deze schorsing geldt voor een periode van zes maanden en gaat in op de dag waarop het besluit tot schorsing van de preferentiële behandeling in het Publicatieblad van de Europese Unie wordt bekendgemaakt.

3.   De Unie stelt de Republiek Moldavië onverwijld in kennis van elke tijdelijke schorsing uit hoofde van lid 2.

4.   Een tijdelijke schorsing kan vóór het einde van de periode van zes maanden na de inwerkingtreding ervan door de Unie worden opgeheven indien de Republiek Moldavië aan het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, zoals bedoeld in artikel 438, lid 4, van deze overeenkomst, bewijsmateriaal bezorgt, waaruit blijkt dat het invoervolume van de desbetreffende categorie producten dat het in bijlage XV-C bij deze overeenkomst aangegeven volume te boven gaat, voortvloeit uit een wijziging van de productie- en uitvoercapaciteit van de Republiek Moldavië voor het betrokken product of de betrokken producten.

5.   Bijlage XV-C bij deze overeenkomst en het volume kunnen met wederzijdse instemming van de Unie en de Republiek Moldavië in het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken worden gewijzigd op verzoek van de Republiek Moldavië, om wijzigingen in de productie- en uitvoercapaciteit van de Republiek Moldavië voor het betrokken product of de betrokken producten tot uitdrukking te brengen.

Artikel 149

Status quo

Geen van de partijen mag bestaande douanerechten verhogen of nieuwe douanerechten vaststellen op een goed van oorsprong uit de andere partij. Dit sluit niet uit dat elke partij:

a)

een douanerecht na een eenzijdige verlaging kan verhogen tot het in bijlage XV vastgelegde niveau; of

b)

een douanerecht kan handhaven of verhogen als toegestaan door het Orgaan voor Geschillenbeslechting (DSB) van de WTO.

Artikel 150

Uitvoerrechten

Geen van de partijen mag rechten of belastingen vaststellen of handhaven ter zake van of in verband met de uitvoer van goederen naar het grondgebied van de andere partij, andere dan interne heffingen die worden opgelegd overeenkomstig artikel 152 van deze overeenkomst.

Artikel 151

Vergoedingen en andere heffingen

Elke partij draagt er overeenkomstig artikel VIII van de GATT 1994 en de aantekeningen erop zorg voor dat alle vergoedingen en heffingen van welke aard ook — niet zijnde douanerechten of andere maatregelen als bedoeld in artikel 147 van deze overeenkomst — ter zake van of in verband met de invoer of de uitvoer van goederen worden beperkt tot, bij benadering, de kosten van de verleende diensten, en geen indirecte bescherming van interne goederen of een belasting op de invoer of de uitvoer voor fiscale doeleinden vormen.

Afdeling 3

Niet-tarifaire maatregelen

Artikel 152

Nationale behandeling

Elke partij behandelt goederen van de andere partij als nationale goederen, overeenkomstig artikel III van de GATT 1994, met inbegrip van de aantekeningen erop. Daartoe worden artikel III van de GATT 1994 en de aantekeningen erop in deze overeenkomst opgenomen en maken zij hier integraal deel van uit.

Artikel 153

Invoer- en uitvoerbeperkingen

Geen van de partijen mag verboden of beperkingen invoeren of handhaven ter zake van de invoer van een goed uit de andere partij of de uitvoer of verkoop ten uitvoer van een goed dat voor het grondgebied van de andere partij is bestemd, tenzij in deze overeenkomst anders is bepaald of zulks in overeenstemming is met artikel XI van de GATT 1994 en de aantekeningen erop. Daartoe worden artikel XI van de GATT 1994 en de aantekeningen erop in deze overeenkomst opgenomen en maken zij hier integraal deel van uit.

Afdeling 4

Specifieke bepalingen met betrekking tot goederen

Artikel 154

Algemene uitzonderingen

1.   Geen enkele bepaling in dit hoofdstuk wordt uitgelegd als beletsel voor de goedkeuring of handhaving door een partij van maatregelen overeenkomstig de artikelen XX en XXI van de GATT 1994 en alle toepasselijke aantekeningen erop, die hierbij in deze overeenkomst worden opgenomen en hier integraal deel van uitmaken.

2.   De partijen komen overeen dat alvorens een maatregel te nemen waarvoor rechtvaardiging kan worden gezocht in artikel XX, onder i) en j), van de GATT 1994, de partij die voornemens is maatregelen te nemen, de andere partij alle relevante informatie verstrekt en een oplossing zoekt die voor beide partijen aanvaardbaar is. Indien binnen dertig dagen na het verstrekken van die informatie geen overeenstemming is bereikt, kan de partij krachtens dit lid maatregelen toepassen ten aanzien van het betrokken goed. Wanneer uitzonderlijke, kritieke omstandigheden onmiddellijk handelen vereisen en voorafgaande informatieverstrekking of voorafgaand onderzoek niet mogelijk is, kan de partij die voornemens is maatregelen te nemen, onmiddellijk de voorzorgsmaatregelen nemen die nodig zijn om de situatie aan te pakken, en stelt zij de andere partij hiervan onmiddellijk in kennis.

Afdeling 5

Administratieve samenwerking en coördinatie met andere landen

Artikel 155

Bijzondere bepalingen inzake administratieve samenwerking

1.   De partijen zijn het erover eens dat administratieve samenwerking en bijstand van essentieel belang zijn voor de tenuitvoerlegging van en de controle op de preferentiële behandeling die op grond van dit hoofdstuk wordt verleend, en benadrukken hun vastberadenheid om onregelmatigheden en fraude op het gebied van douane- en aanverwante aangelegenheden te bestrijden.

2.   Wanneer een partij op basis van objectieve informatie heeft vastgesteld dat de andere partij geen administratieve medewerking of bijstand heeft verleend en/of dat zich onregelmatigheden of fraude binnen het kader van dit hoofdstuk hebben voorgedaan, kan de betrokken partij de desbetreffende preferentiële behandeling ten aanzien van het betrokken product of de betrokken producten overeenkomstig dit artikel, en in het bijzonder de in lid 5 bedoelde procedure, tijdelijk schorsen.

3.   Voor de toepassing van dit artikel wordt onder het niet verlenen van administratieve medewerking of bijstand onder meer verstaan:

a)

het herhaaldelijk niet nakomen van de verplichting om de oorsprongsstatus van het betrokken goed of de betrokken goederen te controleren;

b)

het herhaaldelijk weigeren een controle achteraf van het bewijs van oorsprong uit te voeren en/of de resultaten daarvan mede te delen, of onredelijke vertraging daarbij;

c)

het herhaaldelijk weigeren van toestemming voor het uitvoeren van onderzoeksmissies om de echtheid van documenten of de juistheid van gegevens vast te stellen die van belang zijn voor het verlenen van de desbetreffende preferentiële behandeling, of onredelijke vertraging bij het verlenen van toestemming.

4.   Voor de toepassing van dit artikel kunnen onregelmatigheden of fraude onder meer worden vastgesteld wanneer het invoervolume van goederen snel stijgt, zonder dat daarvoor een bevredigende verklaring is, dat invoervolume de gebruikelijke productie- en uitvoercapaciteit van de andere partij te boven gaat, en de stijging in verband kan worden gebracht met objectieve informatie betreffende onregelmatigheden of fraude.

5.   Voor een tijdelijke schorsing moet aan de volgende voorwaarden zijn voldaan:

a)

de partij die op basis van objectieve informatie heeft vastgesteld dat geen administratieve medewerking of bijstand werd verleend en/of dat zich onregelmatigheden of fraude hebben voorgedaan, stelt het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, zoals bedoeld in artikel 438, lid 4, van deze overeenkomst, onverwijld in kennis van haar bevindingen en van de objectieve informatie, en treedt op basis van alle desbetreffende informatie en objectief vastgestelde bevindingen binnen dat comité in overleg om een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te vinden;

b)

wanneer de partijen binnen bovenvermeld comité in overleg zijn getreden en niet binnen drie maanden na de kennisgeving overeenstemming over een aanvaardbare oplossing hebben bereikt, kan de betrokken partij de preferentiële behandeling voor het betrokken goed of de betrokken goederen tijdelijk schorsen. Het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken wordt van een tijdelijke schorsing onverwijld in kennis gesteld;

c)

tijdelijke schorsingen op grond van dit artikel blijven beperkt tot wat nodig is om de financiële belangen van de betrokken partij te beschermen. De schorsingstermijn bedraagt maximaal zes maanden en kan worden verlengd indien de omstandigheden die aanleiding gaven tot de aanvankelijke schorsing, op de vervaldatum van de termijn niet zijn gewijzigd. Binnen het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, zoals bedoeld in artikel 438, lid 4, van deze overeenkomst, vindt hierover periodiek overleg plaats, in het bijzonder met het oog op beëindiging van de schorsingen zodra de omstandigheden die aanleiding gaven tot toepassing ervan, niet meer gelden.

6.   Elke partij publiceert overeenkomstig haar interne procedures alle berichten aan de importeurs met betrekking tot de in lid 5, onder a), bedoelde kennisgevingen, de in lid 5, onder b), bedoelde besluiten, en alle in lid 5, onder c), bedoelde verlengingen of beëindigingen.

Artikel 156

Handelwijze bij administratieve fouten

Indien de bevoegde autoriteiten bij het beheer van de preferentiële uitvoerregelingen een fout hebben gemaakt, in het bijzonder bij de toepassing van de bepalingen van protocol II bij deze overeenkomst betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en de methoden van administratieve samenwerking, en die fout gevolgen heeft voor de invoerrechten, kan de partij die met deze gevolgen wordt geconfronteerd, het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, zoals bedoeld in artikel 438, lid 4, van deze overeenkomst, verzoeken na te gaan of alle passende maatregelen kunnen worden genomen om de situatie te herstellen.

Artikel 157

Overeenkomsten met andere landen

1.   Deze overeenkomst belet niet de handhaving of oprichting van douane-unies, andere vrijhandelsruimtes of regelingen betreffende grensverkeer, tenzij hierdoor de in deze overeenkomst neergelegde handelsregelingen worden ondermijnd.

2.   De partijen voeren overleg in het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, zoals bedoeld in artikel 438, lid 4, van deze overeenkomst, over overeenkomsten waarbij douane-unies of andere vrijhandelsruimtes worden opgericht dan wel regelingen betreffende grensverkeer worden ingevoerd, alsmede desgevraagd over andere belangrijke aangelegenheden met betrekking tot hun respectieve handelsbeleid jegens derde landen. Dergelijk overleg zal in het bijzonder plaatsvinden ingeval een derde land tot de EU toetreedt, opdat wordt gewaarborgd dat rekening wordt gehouden met de wederzijdse belangen van de Unie en de Republiek Moldavië zoals weergegeven in deze overeenkomst.

HOOFDSTUK 2

Handelsmaatregelen

Afdeling 1

Algemene vrijwaringsmaatregelen

Artikel 158

Algemene bepalingen

1.   De partijen bevestigen hun rechten en verplichtingen ingevolge artikel XIX van de GATT 1994 en de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen als opgenomen in bijlage 1A bij de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie, hierna „WTO-overeenkomst” genoemd, (hierna „Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen” genoemd) en artikel 5 van de Overeenkomst inzake de landbouw als opgenomen in bijlage 1A bij de WTO-overeenkomst (hierna „Landbouwovereenkomst” genoemd).

2.   De preferentiële oorsprongsregels van hoofdstuk 1 (Nationale behandeling en markttoegang voor goederen) van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst zijn niet van toepassing op deze afdeling.

3.   Hoofdstuk 14 (Beslechting van geschillen) van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst is niet van toepassing op de bepalingen van deze afdeling.

Artikel 159

Transparantie

1.   De partij die een vrijwaringsonderzoek opent, stelt de andere partij, indien deze laatste daarbij een aanmerkelijk economisch belang heeft, van die opening in kennis.

2.   Onverminderd artikel 158 van deze overeenkomst geeft de partij die een vrijwaringsonderzoek opent en voornemens is vrijwaringsmaatregelen te treffen, op verzoek van de andere partij onmiddellijk ad hoc schriftelijk kennis van alle relevante informatie die tot de opening van het vrijwaringsonderzoek en de instelling van vrijwaringsmaatregelen heeft geleid, alsmede voor zover relevant informatie over de opening van het vrijwaringsonderzoek en over de voorlopige en de definitieve bevindingen van dat onderzoek, en biedt zij de andere partij de mogelijkheid tot het voeren van overleg.

3.   Voor de toepassing van dit artikel wordt een partij geacht aanmerkelijk economisch belang te hebben wanneer zij, uitgedrukt in absoluut volume of waarde, in de drie voorgaande jaren tot de vijf grootste leveranciers van het ingevoerde product behoorde.

Artikel 160

Toepassing van maatregelen

1.   Wanneer de partijen vrijwaringsmaatregelen instellen, streven zij ernaar om dat te doen op een wijze die hun bilaterale handel zo weinig mogelijk beïnvloedt.

2.   Wanneer een partij in het kader van de toepassing van lid 1 van mening is dat aan de juridische vereisten voor de instelling van definitieve vrijwaringsmaatregelen is voldaan en deze partij voornemens is dergelijke maatregelen in te stellen, stelt zij de andere partij daarvan in kennis en biedt zij deze de mogelijkheid tot het voeren van bilateraal overleg. Indien binnen dertig dagen na de kennisgeving geen aanvaardbare oplossing wordt gevonden, kan de partij van invoer passende maatregelen nemen om het probleem op te lossen.

Afdeling 2

Antidumping- en compenserende maatregelen

Artikel 161

Algemene bepalingen

1.   De partijen bevestigen hun rechten en verplichtingen ingevolge artikel VI van de GATT 1994, de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de GATT 1994 als opgenomen in bijlage 1A bij de WTO-overeenkomst (hierna „Antidumpingovereenkomst” genoemd) en de Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen als opgenomen in bijlage 1A bij de WTO-overeenkomst (hierna „SCM-Overeenkomst” genoemd).

2.   De preferentiële oorsprongsregels van hoofdstuk 1 (Nationale behandeling en markttoegang voor goederen) van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst zijn niet van toepassing op deze afdeling.

3.   Hoofdstuk 14 (Beslechting van geschillen) van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst is niet van toepassing op de bepalingen van deze afdeling.

Artikel 162

Transparantie

1.   De partijen komen overeen dat bij gebruikmaking van antidumping- en compenserende maatregelen de vereisten van de Antidumpingovereenkomst en de SCM-Overeenkomst volledig worden gerespecteerd, en dat die maatregelen op een eerlijk en transparant systeem worden gebaseerd.

2.   De partijen waarborgen dat onmiddellijk na de instelling van voorlopige maatregelen en vóór de definitieve vaststelling, de belangrijkste feiten en overwegingen die aan de beslissing tot toepassing van maatregelen ten grondslag liggen, volledig en duidelijk worden meegedeeld, onverminderd artikel 6, lid 5, van de Antidumpingovereenkomst en artikel 12, lid 4, van de SCM-Overeenkomst. De feiten en overwegingen moeten schriftelijk worden meegedeeld, en er moet belanghebbenden voldoende tijd worden gelaten om hun opmerkingen in te dienen.

3.   Elke belanghebbende krijgt, mits zulks het onderzoek niet onnodig vertraagt, de gelegenheid te worden gehoord opdat hij gedurende antidumping- of antisubsidieonderzoeken zijn standpunt kenbaar kan maken.

Artikel 163

Algemeen belang

Antidumping- of compenserende maatregelen kunnen niet door een partij worden toegepast indien, op basis van de tijdens het onderzoek kenbaar gemaakte informatie, duidelijk kan worden geconcludeerd dat het niet in het algemeen belang is dergelijke maatregelen toe te passen. Bij de vaststelling met betrekking tot het algemeen belang wordt uitgegaan van een waardering van alle verschillende belangen, in hun geheel beschouwd, met inbegrip van de belangen van de interne bedrijfstak, gebruikers, consumenten en importeurs, voor zover zij relevante informatie aan de onderzoeksautoriteiten hebben verstrekt.

Artikel 164

Regel van het laagste recht

Indien een partij besluit om een voorlopig of definitief antidumping- of compenserend recht in te stellen, overschrijdt het bedrag van dit recht niet de dumpingmarge of het totale bedrag van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies, maar is het lager dan de dumpingmarge of het totale bedrag van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies wanneer de schade voor de interne bedrijfstak kan worden opgeheven door een lager recht.

Afdeling 3

Bilaterale vrijwaringsmaatregelen

Artikel 165

Toepassing van bilaterale vrijwaringsmaatregel

1.   Indien, wegens de verlaging of afschaffing van een douanerecht ingevolge deze overeenkomst, goederen van oorsprong uit een partij naar het grondgebied van de andere partij in dermate toegenomen hoeveelheden, in absolute zin of in verhouding tot de interne productie, en onder zodanige voorwaarden worden ingevoerd dat de interne bedrijfstak die soortgelijke of rechtstreeks concurrerende producten vervaardigt, ernstige schade lijdt of dreigt te lijden, kan de partij van invoer, overeenkomstig de in deze afdeling vervatte voorwaarden en procedures maatregelen vaststellen als bedoeld in lid 2.

2.   De partij van invoer kan een bilaterale vrijwaringsmaatregel treffen tot:

a)

opschorting van de in deze overeenkomst voorziene verdere verlaging van het douanerecht op het betrokken goed, of

b)

verhoging van het douanerecht op het goed tot een niveau dat niet hoger ligt dan het laagste van de volgende rechten:

i)

het op het goed toegepaste meestbegunstigingsrecht dat van kracht is op het tijdstip waarop de maatregel wordt getroffen, of

ii)

het basisdouanerecht dat overeenkomstig artikel 147 van deze overeenkomst is vastgelegd in de lijsten in bijlage XV.

Artikel 166

Voorwaarden en beperkingen

1.   Een partij stelt de andere partij schriftelijk in kennis van de opening van een onderzoek als bedoeld in lid 2, en overlegt met haar zo vroeg mogelijk vóór de toepassing van een bilaterale vrijwaringsmaatregel, teneinde de informatie die uit het onderzoek naar voren komt, te toetsen en van gedachten te wisselen over de maatregel.

2.   Een partij treft een bilaterale vrijwaringsmaatregel slechts nadat haar bevoegde autoriteiten een onderzoek hebben verricht overeenkomstig artikel 3 en artikel 4, lid 2, onder c), van de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen. Daartoe worden artikel 3 en artikel 4, lid 2, onder c), van de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen mutatis mutandis in de onderhavige overeenkomst opgenomen en maken zij hier integraal deel van uit.

3.   Bij het in lid 2 van dit artikel bedoelde onderzoek voldoet de partij aan de voorschriften van artikel 4, lid 2, onder a), van de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen. Daartoe wordt artikel 4, lid 2, onder a), van de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen mutatis mutandis in de onderhavige overeenkomst opgenomen en maakt dat hier integraal deel van uit.

4.   Elke partij waarborgt dat haar bevoegde autoriteiten alle in lid 2 beschreven onderzoeken afsluiten binnen een jaar na de datum waarop het is geopend.

5.   De partijen mogen een bilaterale vrijwaringsmaatregel slechts toepassen met inachtneming van de volgende beperkingen:

a)

de maatregel mag enkel worden toegepast voor zover en zolang hij noodzakelijk is om ernstige schade te voorkomen of te herstellen en de aanpassing van de interne bedrijfstak te vergemakkelijken;

b)

de maatregel mag niet langer dan twee jaar worden toegepast. Deze periode kan echter met maximaal twee jaar worden verlengd indien de bevoegde autoriteiten van de partij van invoer overeenkomstig de in dit artikel gespecificeerde procedures vaststellen dat de maatregel noodzakelijk blijft om ernstige schade te voorkomen of te herstellen en de aanpassing van de interne bedrijfstak te vergemakkelijken, en er bewijs is dat de bedrijfstak zich aanpast, waarbij de totale toepassingsperiode van een vrijwaringsmaatregel, met inbegrip van de initiële toepassingsperiode en elke verlenging daarvan, niet langer mag zijn dan vier jaar;

c)

de maatregel mag niet worden toegepast na afloop van de overgangsperiode;

d)

de maatregel mag met betrekking tot hetzelfde product niet tegelijkertijd met een maatregel als bedoeld in artikel XIX van de GATT 1994 en de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen worden toegepast.

6.   Wanneer een partij een bilaterale vrijwaringsmaatregel niet langer toepast, is het douanerecht het recht dat overeenkomstig de lijst van die partij in bijlage XV bij deze overeenkomst bij ontbreken van de maatregel van kracht zou zijn geweest.

Artikel 167

Voorlopige maatregelen

In kritieke omstandigheden waarin uitstel moeilijk te herstellen schade zou veroorzaken, mag een partij een voorlopige bilaterale vrijwaringsmaatregel toepassen nadat voorlopig is vastgesteld dat er duidelijke bewijzen zijn voor een toename van de invoer van een goed van oorsprong uit de andere partij als gevolg van de verlaging of afschaffing van een douanerecht ingevolge deze overeenkomst, en dat dergelijke invoer ernstige schade veroorzaakt of dreigt te veroorzaken voor de interne bedrijfstak. De duur van een voorlopige maatregel mag niet meer bedragen dan tweehonderd dagen, gedurende welke periode de partij die de maatregel toepast, moet voldoen aan de voorschriften van artikel 166, leden 2 en 3, van deze overeenkomst. De partij betaalt onverwijld alle betaalde bedragen aan rechten terug die het douanerecht overschrijden dat in bijlage XV bij deze overeenkomst is vastgelegd, indien het in artikel 166, lid 2, van deze overeenkomst bedoelde onderzoek niet uitwijst dat de voorwaarden van artikel 165 van deze overeenkomst zijn vervuld. De duur van een voorlopige maatregel wordt gerekend als een deel van de in artikel 166, lid 5, onder b), van deze overeenkomst vastgelegde periode.

Artikel 168

Compensatie

1.   Een partij die een bilaterale vrijwaringsmaatregel toepast, treedt in overleg met de andere partij, teneinde overeenstemming te bereiken over een passende compensatie in het kader van de liberalisering van de handel die de vorm heeft van concessies met in wezen gelijkwaardige gevolgen voor de handel of die gelijkwaardig is aan de bijkomende rechten die de vrijwaringsmaatregel naar verwachting met zich zal brengen. De partij biedt uiterlijk dertig dagen na de toepassing van de bilaterale vrijwaringsmaatregel gelegenheid voor dergelijk overleg.

2.   Indien het in lid 1 bedoelde overleg niet binnen dertig dagen na aanvang ervan leidt tot overeenstemming over een passende compensatie in het kader van de liberalisering van de handel, mag de partij wier goederen voorwerp van de vrijwaringsmaatregel zijn, de toepassing opschorten van in wezen gelijkwaardige concessies aan de partij die de vrijwaringsmaatregel toepast.

3.   Het in lid 2 bedoelde opschortingsrecht wordt niet uitgeoefend in de eerste 24 maanden waarin een bilaterale vrijwaringsmaatregel van kracht is, mits de vrijwaringsmaatregel in overeenstemming is met deze overeenkomst.

Artikel 169

Definities

Voor de toepassing van deze afdeling:

a)

hebben „ernstige schade” en „dreiging van ernstige schade” dezelfde betekenis als in artikel 4, lid 1, onder a) en b), van de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen. Daartoe wordt artikel 4, lid 1, onder a) en b), van de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen mutatis mutandis in de onderhavige overeenkomst opgenomen en maakt dat hier deel van uit; en

b)

wordt onder „overgangsperiode” een periode van tien jaar verstaan vanaf de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst.

HOOFDSTUK 3

Technische handelsbelemmeringen, normalisatie, metrologie, accreditatie en conformiteitsbeoordeling

Artikel 170

Toepassingsgebied en definities

1.   Dit hoofdstuk is van toepassing op de opstelling, aanneming en toepassing van normen, technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures zoals omschreven in de Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen, hierna „TBT-Overeenkomst” genoemd, die in bijlage 1A bij de WTO-overeenkomst is opgenomen, welke de handel in goederen tussen de partijen kunnen beïnvloeden.

2.   Onverminderd lid 1 van dit artikel is dit hoofdstuk noch op sanitaire en fytosanitaire maatregelen zoals omschreven in bijlage A bij de Overeenkomst inzake sanitaire en fytosanitaire maatregelen (hierna „SPS-Overeenkomst” genoemd), die in bijlage 1A bij de WTO-overeenkomst is opgenomen, noch op de aankoopspecificaties die door overheidsinstanties zijn opgesteld om in hun eigen productie- of verbruiksbehoeften te voorzien, van toepassing.

3.   Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de definities van bijlage 1 bij de TBT-Overeenkomst.

Artikel 171

Bevestiging van TBT-Overeenkomst

De partijen bevestigen hun bestaande wederzijdse rechten en verplichtingen ingevolge de TBT-Overeenkomst, die hierbij in de onderhavige overeenkomst wordt opgenomen en hier deel van uitmaakt.

Artikel 172

Technische samenwerking

1.   De partijen versterken hun samenwerking op het gebied van normen, technische voorschriften, metrologie, markttoezicht, accreditatie en conformiteitsbeoordelingssystemen, teneinde het wederzijdse begrip van hun respectieve systemen te verbeteren en de toegang tot hun respectieve markten te vergemakkelijken. Daartoe kunnen zij zowel op horizontaal als op sectorniveau dialogen over regelgeving tot stand brengen.

2.   Bij hun samenwerking streven de partijen ernaar om handelsbevorderende initiatieven in kaart te brengen, te ontwikkelen en te bevorderen die met name, doch niet uitsluitend, het volgende kunnen inhouden:

a)

versterken van de samenwerking op regelgevingsgebied door de uitwisseling van gegevens en ervaringen alsmede door wetenschappelijke en technische samenwerking, teneinde de kwaliteit van hun technische voorschriften, normen, markttoezicht, conformiteitsbeoordeling en accreditatie te verbeteren en beter gebruik te maken van de beschikbare middelen op regelgevingsgebied;

b)

bevorderen en aanmoedigen van samenwerking tussen hun respectieve openbare of particuliere organisaties voor metrologie, normalisatie, markttoezicht, conformiteitsbeoordeling en accreditatie;

c)

bevorderen van de ontwikkeling van de kwaliteitsinfrastructuur voor normalisatie, metrologie, accreditatie, conformiteitsbeoordeling en van het systeem voor markttoezicht in de Republiek Moldavië;

d)

bevorderen van de deelname van de Republiek Moldavië aan het werk van verwante Europese organisaties;

e)

zoeken naar oplossingen voor technische handelsbelemmeringen die zich kunnen voordoen; en

f)

hun standpunten afstemmen in internationale organisaties voor handel en regelgeving zoals de WTO en de Economische Commissie van de Verenigde Naties voor Europa, hierna „VN-ECE” genoemd.

Artikel 173

Aanpassing van technische voorschriften, normen en conformiteitsbeoordeling

1.   De Republiek Moldavië neemt de maatregelen die nodig zijn om geleidelijk te komen tot conformiteit met de technische voorschriften, normen, metrologie, accreditatie, conformiteitsbeoordeling, bijbehorende systemen en het systeem voor markttoezicht van de Unie, en verbindt zich tot naleving van de beginselen en de praktijken die in het toepasselijke acquis van de Unie zijn neergelegd.

2.   Met het oog op het bereiken van de doelstellingen van lid 1:

a)

neemt de Republiek Moldavië geleidelijk het toepasselijke acquis van de Unie op in haar wetgeving overeenkomstig de bepalingen van bijlage XVI bij deze overeenkomst; en

b)

voert de Republiek Moldavië de benodigde administratieve en institutionele hervormingen door met het oog op het doeltreffende en transparante stelsel dat voor de uitvoering van dit hoofdstuk vereist is.

3.   De Republiek Moldavië onthoudt zich van wijziging van haar horizontale en sectorspecifieke wetgeving, tenzij wijziging plaatsvindt om die wetgeving geleidelijk aan het dienovereenkomstige acquis van de Unie aan te passen en die aanpassing te handhaven, en stelt de Unie van wijzigingen van haar nationale wetgeving in kennis.

4.   De Republiek Moldavië waarborgt dat haar desbetreffende nationale organen deelnemen aan Europese en internationale organisaties voor normalisatie, wettelijke en fundamentele metrologie en conformiteitsbeoordeling met inbegrip van accreditatie, overeenkomstig de respectieve werkzaamheden van die organen en de mogelijke deelnamestatus ervan.

5.   Met het oog op de integratie van haar normalisatiestelsel:

a)

zet de Republiek Moldavië geleidelijk het geheel aan Europese normen (EN) om in nationale normen, met inbegrip van de geharmoniseerde Europese normen, waarvan het vrijwillige gebruik wordt vermoed in overeenstemming te zijn met de wetgeving van de Unie bij omzetting in de wetgeving van de Republiek Moldavië;

b)

trekt de Republiek Moldavië gelijktijdig met deze omzetting daarmee strijdige nationale normen in; en

c)

vervult de Republiek Moldavië geleidelijk de voorwaarden voor volwaardig lidmaatschap van de Europese organisaties voor normalisatie.

6.   Na de inwerkingtreding van deze overeenkomst verstrekt de Republiek Moldavië de Unie jaarlijks verslagen over de maatregelen die zij overeenkomstig bijlage XVI bij deze overeenkomst heeft genomen. Indien in bijlage XVI bij deze overeenkomst vermelde handelingen niet binnen het daarin vastgestelde tijdschema zijn uitgevoerd, geeft de Republiek Moldavië een nieuw tijdschema voor de voltooiing van die handelingen aan. Bijlage XVI bij deze overeenkomst kan door de partijen worden aangepast.

Artikel 174

Overeenkomst inzake overeenstemmingsbeoordeling en aanvaarding van industrieproducten („OOA”)

1.   De partijen komen overeen dat zij uiteindelijk aan deze overeenkomst een overeenkomst inzake overeenstemmingsbeoordeling en aanvaarding van industrieproducten, hierna „OOA” genoemd, hechten in de vorm van een protocol, inzake de overeengekomen sectoren van de lijst in bijlage XVI bij deze overeenkomst waarvan toereikende aanpassing wordt aangenomen, na controle door de Unie dat de desbetreffende sectorspecifieke en horizontale wetgeving, instellingen en normen van de Republiek Moldavië volledig aan die van de Unie zijn aangepast. Het is de bedoeling dat de OOA uiteindelijk tot alle in bijlage XVI bij deze overeenkomst vermelde sectoren wordt uitgebreid.

2.   De OOA zal bepalen dat de handel tussen de partijen in producten in de door haar bestreken sectoren plaatsvindt onder dezelfde voorwaarden als die welke op de handel in dergelijke producten tussen de lidstaten van toepassing zijn.

Artikel 175

Merktekens en etikettering

1.   Onverminderd de artikelen 173 en 174 van deze overeenkomst bevestigen de partijen met betrekking tot de technische voorschriften voor de etikettering of merktekens opnieuw de beginselen van hoofdstuk 2.2 van de TBT-Overeenkomst dat die voorschriften niet moeten worden opgesteld, vastgesteld of toegepast met het oogmerk of gevolg dat er onnodige belemmeringen voor de internationale handel ontstaan. Daartoe mogen dergelijke voorschriften voor de etikettering of merktekens de handel niet meer beperken dan voor het bereiken van een legitieme doelstelling noodzakelijk is, waarbij acht moet worden geslagen op de risico's die zouden ontstaan wanneer niet aan die voorschriften wordt voldaan.

2.   Met betrekking tot verplichte etikettering of merktekens komen de partijen in het bijzonder overeen dat:

a)

zij ernaar streven hun eisen inzake merktekens of etikettering tot een minimum te beperken, tenzij het om de overname van het acquis van de Unie op dit gebied en om de bescherming van de gezondheid, de veiligheid of het milieu, of om andere redelijke doelstellingen van overheidsbeleid gaat; en

b)

zij gerechtigd blijven te verlangen dat de informatie op het etiket of merkteken in een bepaalde taal wordt gesteld.

HOOFDSTUK 4

Sanitaire en fytosanitaire maatregelen

Artikel 176

Doel

1.   Het doel van dit hoofdstuk is het bevorderen van de handel in handelsartikelen waarop tussen de partijen sanitaire en fytosanitaire maatregelen (SPS-maatregelen) van toepassing zijn, en tegelijkertijd het leven of de gezondheid van mens, dier of plant te beschermen door:

a)

te zorgen voor volledige transparantie inzake de in bijlage XVII bij deze overeenkomst vermelde maatregelen die op de handel van toepassing zijn;

b)

het regelgevingsstelsel van de Republiek Moldavië aan te passen aan dat van de Unie;

c)

de dier- en plantgezondheidsstatus van de partijen te erkennen en het regionalisatiebeginsel toe te passen;

d)

een mechanisme voor de erkenning van de gelijkwaardigheid van de in bijlage XVII bij deze overeenkomst vermelde, door een partij toegepaste maatregelen in te voeren;

e)

verder uitvoering te blijven geven aan de SPS-Overeenkomst;

f)

mechanismen en procedures voor handelsbevordering in te voeren; en

g)

de communicatie en samenwerking tussen de partijen inzake de in bijlage XVII bij deze overeenkomst vermelde maatregelen te verbeteren.

2.   Dit hoofdstuk heeft tot doel tussen de partijen een consensus over de normen voor dierenwelzijn te bereiken.

Artikel 177

Multilaterale verplichtingen

De partijen herbevestigen hun rechten en verplichtingen uit hoofde van de WTO-Overeenkomsten, en in het bijzonder de SPS-Overeenkomst.

Artikel 178

Toepassingsgebied

Dit hoofdstuk is van toepassing op alle sanitaire en fytosanitaire maatregelen van een partij die de handel tussen de partijen al dan niet rechtstreeks kunnen beïnvloeden, met inbegrip van alle in bijlage XVII bij deze overeenkomst vermelde maatregelen.

Artikel 179

Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

1.   „sanitaire en fytosanitaire maatregelen” (SPS-maatregelen): maatregelen als omschreven in bijlage A, punt 1, bij de SPS-Overeenkomst;

2.   „dieren”: dieren zoals omschreven in de Terrestrial Animal Health Code (Gezondheidscode voor landdieren) of de Aquatic Animal Health Code (Gezondheidscode voor waterdieren) van de Wereldorganisatie voor diergezondheid (OIE);

3.   „dierlijke producten”: producten van dierlijke oorsprong, met inbegrip van producten van waterdieren zoals omschreven in de Gezondheidscode voor waterdieren van het OIE;

4.   „niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten”: dierlijke producten als vermeld in bijlage XVII-A, deel 2 (II), bij deze overeenkomst;

5.   „planten”: levende planten en gespecificeerde levende delen daarvan, met inbegrip van zaden:

a)

fruit, in botanische zin, ander dan diepgevroren;

b)

groente, andere dan diepgevroren;

c)

bollen, knollen en wortelstokken;

d)

snijbloemen;

e)

takken met loof;

f)

gekapte bomen met loof;

g)

plantenweefselculturen;

h)

bladeren, loof;

i)

levende pollen; en

j)

enten, stekken, knoppen;

6.   „plantaardige producten”: producten van plantaardige oorsprong die niet zijn verwerkt of die een eenvoudige behandeling hebben ondergaan, voor zover het geen planten betreft die in bijlage XVII-A, deel 3, bij deze overeenkomst zijn vermeld;

7.   „zaden”: zaden in botanische zin, bestemd voor opplant;

8.   „plaagorganismen” of „schadelijke organismen”: alle soorten, stammen of biotypes van planten, dieren of ziekteverwekkers die schadelijk zijn voor planten of plantaardige producten;

9.   „beschermd gebied” voor een bepaald gereguleerd schadelijk organisme: een officieel afgebakend geografisch gebied in de Unie waarin dat organisme niet is gevestigd ondanks de gunstige omstandigheden en het feit dat het in andere delen van de Unie voorkomt;

10.   „dierziekte”: een klinisch of pathologisch besmettingsverschijnsel bij dieren;

11.   „ziekte bij aquacultuur”: klinische of niet-klinische besmetting met een of meer ziekteverwekkers van de ziekten die waterdieren treffen en die in de Gezondheidscode voor waterdieren van het OIE worden genoemd;

12.   „besmetting bij dieren”: de situatie waarbij dieren drager zijn van een besmettelijk agens, ongeacht of zij klinische of pathologische besmettingsverschijnselen vertonen;

13.   „normen op het gebied van dierenwelzijn”: normen voor de bescherming van dieren zoals deze door de partijen zijn opgesteld en worden toegepast en in voorkomend geval overeenstemmen met de normen van het OIE;

14.   „adequaat niveau” van sanitaire en fytosanitaire bescherming: het adequate niveau van sanitaire en fytosanitaire bescherming zoals omschreven in bijlage A, punt 5, bij de SPS-Overeenkomst;

15.   „regio”: voor wat diergezondheid betreft, gebieden of regio's als omschreven in de Gezondheidscode voor landdieren van het OIE, en voor aquacultuur de gebieden als omschreven in de Gezondheidscode voor waterdieren van het OIE. Voor de Unie wordt onder de term „grondgebied” of „land” het grondgebied van de Unie verstaan;

16.   „plaagorganismevrij gebied” (PVG): gebied waarin een specifiek plaagorganisme blijkens wetenschappelijk bewijs niet voorkomt en waarin, voor zover passend, deze hoedanigheid officieel in stand wordt gehouden;

17.   „regionalisatie”: het begrip regionalisatie als omschreven in artikel 6 van de SPS-Overeenkomst;

18.   „zending”: een aantal levende dieren of een hoeveelheid dierlijke producten van hetzelfde type, waarvoor één certificaat of document is afgegeven, die met hetzelfde transportmiddel wordt vervoerd, die is verzonden door één afzender en die van oorsprong is uit dezelfde partij van uitvoer of gebied(en) van de partij. Een zending van dieren kan uit een of meer partijen bestaan. Een zending van dierlijke producten kan uit een of meer handelsartikelen of partijen bestaan;

19.   „zending van planten of plantaardige producten”: een hoeveelheid planten, plantaardige producten en/of andere materialen die van een partij naar de andere worden verplaatst, en waarvoor, indien nodig, één fytosanitair certificaat is afgegeven. Een zending kan uit een of meer handelsartikelen of partijen bestaan;

20.   „partij”: een aantal eenheden van een handelsartikel, dat herkenbaar is door de homogeniteit van de samenstelling en oorsprong ervan, en dat deel uitmaakt van een zending;

21.   „gelijkwaardigheid in het kader van het handelsverkeer” (gelijkwaardigheid): de situatie waarin de partij van invoer de in bijlage XVII bij deze overeenkomst vermelde maatregelen van de partij van uitvoer als gelijkwaardig aanvaardt, ongeacht of zij verschillen van de eigen maatregelen van de partij van invoer, indien de partij van uitvoer jegens de partij van invoer objectief gezien aantoont dat haar maatregelen het adequate sanitaire en fytosanitaire beschermingsniveau of het aanvaardbare risiconiveau van de partij van invoer bereiken;

22.   „sector”: de productie- en handelsstructuur voor een product of productcategorie in een van de partijen;

23.   „subsector”: een welomschreven en gecontroleerd deel van een sector;

24.   „handelsartikel”: de producten of materialen die worden verplaatst voor handelsdoeleinden, met inbegrip van die bedoeld in de punten 2 tot en met 7;

25.   „specifieke invoervergunning”: een door de bevoegde autoriteiten van de partij van invoer aan een individuele importeur van tevoren verstrekte officiële vergunning voor de invoer van één enkele zending of verschillende zendingen van een handelsartikel uit de partij van uitvoer, dat binnen het toepassingsgebied van dit hoofdstuk valt;

26.   „werkdagen”: weekdagen behalve zondag, zaterdag en feestdagen in een van de partijen;

27.   „inspectie”: het onderzoeken van elk aspect van diervoeders, levensmiddelen, diergezondheid en dierenwelzijn, teneinde na te gaan of deze aspecten voldoen aan de voorschriften van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn;

28.   „fytosanitaire controle”: officieel onderzoek met het blote oog van planten, plantaardige producten of andere materialen waarvoor voorschriften bestaan, om te bepalen of er sprake is van plaagorganismen en/of te bepalen of er al dan niet aan de fytosanitaire voorschriften is voldaan;

29.   „verificatie”: toetsen, via onderzoek en inaanmerkingneming van objectief bewijsmateriaal, of aan specifieke vereisten is voldaan.

Artikel 180

Bevoegde autoriteiten

De partijen brengen elkaar op de hoogte van de structuur, organisatie en verdeling van bevoegdheden van hun bevoegde autoriteiten tijdens de eerste bijeenkomst van het in artikel 191 van deze overeenkomst bedoelde subcomité voor sanitaire en fytosanitaire maatregelen, hierna „SPS-subcomité” genoemd. De partijen stellen elkaar op de hoogte van elke verandering van de structuur, organisatie en verdeling van bevoegdheden, met inbegrip van de contactpunten, aangaande die bevoegde autoriteiten.

Artikel 181

Geleidelijke aanpassing

1.   De Republiek Moldavië past haar sanitaire en fytosanitaire wetgeving alsmede die op het gebied van dierenwelzijn geleidelijk aan aan die van de Unie zoals vastgelegd in bijlage XXIV bij deze overeenkomst.

2.   De partijen werken samen inzake geleidelijke aanpassing en capaciteitsopbouw.

3.   Het SPS-subcomité bewaakt op regelmatige basis de uitvoering van het aanpassingsproces zoals vastgelegd in bijlage XXIV bij deze overeenkomst, om de nodige aanbevelingen inzake aanpassing te kunnen geven.

4.   Uiterlijk drie maanden na de inwerkingtreding van deze overeenkomst legt de Republiek Moldavië een lijst van de door de EU aangenomen sanitaire en fytosanitaire wetgeving alsmede die op het gebied van dierenwelzijn en andere wetgevende maatregelen voor waaraan zij haar wetgeving zal aanpassen. De lijst wordt onderverdeeld naar prioriteitsgebieden voor de maatregelen als omschreven in bijlage XVII bij deze overeenkomst, waarbij het handelsartikel of de groep handelsartikelen waarop de aangepaste maatregelen betrekking hebben wordt aangegeven. Deze aanpassingslijst dient als referentiedocument voor de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk.

5.   De aanpassingslijst en de beginselen voor de beoordeling van de voortgang met de aanpassing zullen worden toegevoegd aan bijlage XXIV bij deze overeenkomst en zullen worden gebaseerd op de technische en financiële middelen van de Republiek Moldavië.

Artikel 182

Erkenning van diergezondheidsstatus en status inzake plaagorganismen alsmede van regionale omstandigheden in kader van handelsverkeer

1.   Wat dierziekten en besmettingen bij dieren (met inbegrip van zoönose) betreft, gelden onderstaande bepalingen:

a)

de partij van invoer erkent, in het kader van het handelsverkeer, de diergezondheidsstatus van de partij van uitvoer of haar regio's, zoals deze overeenkomstig de procedure van bijlage XIX, deel A, bij deze overeenkomst zijn vastgesteld, voor de in bijlage XVIII-A bij deze overeenkomst opgenomen dierziekten;

b)

wanneer een partij meent dat zij voor haar grondgebied of een regio binnen haar grondgebied een bijzondere status heeft voor een bepaalde dierziekte die niet in bijlage XVIII-A bij deze overeenkomst is opgenomen, kan zij om erkenning van deze status verzoeken overeenkomstig de procedure van bijlage XIX, deel C, bij deze overeenkomst. De partij van invoer kan bij de invoer van levende dieren en dierlijke producten garanties eisen die in overeenstemming zijn met de overeengekomen status van de partijen;

c)

de partijen erkennen als basis voor hun onderlinge handel de status van de grondgebieden of de regio's, of de status in een sector of een subsector van de partijen met betrekking tot de prevalentie of incidentie van een niet in bijlage XVIII-A bij deze overeenkomst opgenomen dierziekte of, in voorkomend geval, van besmettingen bij dieren en/of het daaraan verbonden risico, zoals gedefinieerd door het OIE. De partij van invoer kan bij de invoer van levende dieren en dierlijke producten garanties eisen die in overeenstemming zijn met de overeenkomstig de aanbevelingen van het OIE vastgestelde status; en

d)

onverminderd de artikelen 184, 186 en 190 van deze overeenkomst, en tenzij de partij van invoer uitdrukkelijk bezwaar maakt en om ondersteunende of bijkomende gegevens, overleg en/of verificatie verzoekt, neemt elke partij onverwijld de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen om handel mogelijk te maken op basis van de bepalingen van dit lid, onder a), b) en c).

2.   Wat plaagorganismen betreft, gelden onderstaande bepalingen:

a)

de partijen erkennen in het kader van het handelsverkeer de status inzake plaagorganismen met betrekking tot de in bijlage XVIII-B bij deze overeenkomst opgenomen plaagorganismen als omschreven in bijlage XIX-B bij deze overeenkomst; en

b)

onverminderd de artikelen 184, 186 en 190 van deze overeenkomst, en tenzij de partij van invoer uitdrukkelijk bezwaar maakt en om ondersteunende of bijkomende gegevens, overleg en/of verificatie verzoekt, neemt elke partij onverwijld de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen om de handel mogelijk te maken op basis van de bepalingen van dit lid, onder a).

3.   De partijen erkennen de begrippen regionalisatie en PVG's zoals omschreven in het Internationaal Verdrag voor de bescherming van planten (IPPC) van 1997 en de internationale normen voor fytosanitaire maatregelen (ISPM's) van de Voedsel- en landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO), en beschermde gebieden, zoals gedefineerd in Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen, en komen overeen dat deze begrippen op de handel tussen hen van toepassing zijn.

4.   De partijen komen overeen dat regionalisatiebesluiten voor de in bijlage XVIII-A bij deze overeenkomst opgenomen dier- en visziekten en voor de in bijlage XVIII-B bij deze overeenkomst opgenomen plaagorganismen moeten worden genomen overeenkomstig de bepalingen van bijlage XIX, delen A en B, bij deze overeenkomst.

5.   Wat dierziekten betreft, deelt de partij van uitvoer die erkenning van haar regionalisatiebesluit door de partij van invoer wenst, overeenkomstig artikel 184 van deze overeenkomst de door haar ingestelde maatregelen mee met een omstandige toelichting op en ondersteunende gegevens voor haar bepalingen en besluiten. Onverminderd artikel 185 van deze overeenkomst en tenzij de partij van invoer uitdrukkelijk bezwaar maakt en om bijkomende gegevens, overleg en/of verificatie verzoekt binnen 15 werkdagen na ontvangst van de kennisgeving, wordt het aldus meegedeelde regionalisatiebesluit geacht te zijn aanvaard;

Het in de eerste alinea van dit lid bedoelde overleg vindt plaats overeenkomstig artikel 185, lid 3, van deze overeenkomst. De partij van invoer beoordeelt de bijkomende gegevens binnen 15 werkdagen na ontvangst ervan. De in de eerste alinea van dit lid bedoelde verificatie geschiedt overeenkomstig artikel 188 van deze overeenkomst, binnen 25 werkdagen na ontvangst van het verzoek daartoe.

6.   Wat plaagorganismen betreft, draagt elke partij er zorg voor dat bij de handel in planten, plantaardige producten en andere materialen in voorkomend geval rekening wordt gehouden met de status inzake plaagorganismen in een gebied dat door de andere partij is erkend als beschermd gebied of plaagorganismevrij gebied. Een partij die erkenning van haar PVG door de andere partij wenst, deelt de door haar ingestelde maatregelen mee, desgevraagd met een omstandige toelichting op en ondersteunende gegevens voor de vaststelling en handhaving, waarbij de richtsnoeren van de FAO of het IPPC, met inbegrip van ISPM's, worden aangehouden. Onverminderd artikel 190 van deze overeenkomst en tenzij een partij uitdrukkelijk bezwaar maakt en om bijkomende gegevens, overleg en/of verificatie verzoekt binnen drie maanden na de kennisgeving, wordt het aldus meegedeelde regionalisatiebesluit ter zake van het PVG geacht te zijn aanvaard.

Het in de eerste alinea van dit lid bedoelde overleg vindt plaats overeenkomstig artikel 185, lid 3, van deze overeenkomst. De partij van invoer beoordeelt de bijkomende gegevens binnen drie maanden na ontvangst ervan. De in de eerste alinea van dit lid bedoelde verificatie geschiedt overeenkomstig artikel 188 van deze overeenkomst binnen twaalf maanden na ontvangst van het verzoek daartoe, rekening houdende met de biologische kenmerken van het plaagorganisme en het gewas in kwestie.

7.   Na voltooiing van de procedures van de leden 4 tot en met 6 van dit artikel, en onverminderd artikel 190 van deze overeenkomst, neemt elke partij onverwijld de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen om de handel mogelijk te maken op basis van de in die leden vervatte bepalingen.

8.   De partijen verbinden zich tot verdere besprekingen met het oog op de tenuitvoerlegging van het compartimenteringsbeginsel.

Artikel 183

Erkenning van gelijkwaardigheid

1.   Erkenning van gelijkwaardigheid kan geschieden met betrekking tot:

a)

afzonderlijke maatregelen;

b)

een groep maatregelen; of

c)

een op een sector, subsector, handelsartikel of groep handelsartikelen toepasselijk systeem.

2.   Met betrekking tot de erkenning van de gelijkwaardigheid wordt door de partijen de procedure van lid 3 gevolgd. Deze procedure omvat dat door de partij van uitvoer objectief bewijs van gelijkwaardigheid wordt aangedragen en dat het verzoek door de partij van invoer objectief wordt beoordeeld. Deze beoordeling kan inspecties of verificaties omvatten.

3.   Indien de partij van uitvoer een verzoek indient met betrekking tot een erkenning van gelijkwaardigheid als bedoeld in lid 1 van dit artikel, leiden de partijen zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden na ontvangst van dit verzoek door de partij van invoer de overlegprocedure in die de in bijlage XXI bij deze overeenkomst genoemde stappen omvat. Indien de partij van uitvoer meerdere verzoeken indient, komen de partijen, op verzoek van de partij van invoer, in het in artikel 191 van deze overeenkomst bedoelde SPS-subcomité een tijdschema overeen waarbinnen zij de in dit lid bedoelde procedure inleiden en uitvoeren.

4.   De Republiek Moldavië stelt de Unie in kennis zodra de aanpassing is voltooid ten gevolge van het toezicht waarin artikel 181, lid 3, van deze overeenkomst voorziet. Deze kennisgeving wordt beschouwd als een verzoek van de Republiek Moldavië om de procedure voor de erkenning van de gelijkwaardigheid van de desbetreffende maatregelen overeenkomstig lid 3 van dit artikel in te leiden.

5.   Tenzij anders overeengekomen, rondt de partij van invoer de procedure voor de erkenning van de gelijkwaardigheid als bedoeld in lid 3 van dit artikel af binnen twaalf maanden na ontvangst van het verzoek van de partij van uitvoer, met inbegrip van een dossier met het bewijs van gelijkwaardigheid. Deze termijn kan worden verlengd voor seizoensgewassen waarvoor het gerechtvaardigd is de evaluatie uit te stellen teneinde de fytosanitaire maatregelen over een voldoende lange groeiperiode te kunnen verifiëren.

6.   De partij van invoer stelt de gelijkwaardigheid wat betreft planten, plantaardige producten en andere materialen vast overeenkomstig de desbetreffende ISPM's.

7.   De partij van invoer kan de erkenning van de gelijkwaardigheid intrekken of opschorten bij elke wijziging van een maatregel door een van de partijen die van invloed is op de gelijkwaardigheid, op voorwaarde dat de volgende procedure wordt gevolgd:

a)

overeenkomstig artikel 184, lid 2, van deze overeenkomst stelt de partij van uitvoer de partij van invoer in kennis van elk voorstel tot wijziging van door haar ingestelde maatregelen waarvan de gelijkwaardigheid werd erkend, en van de waarschijnlijke gevolgen van de voorgestelde maatregelen voor deze gelijkwaardigheid. Binnen één maand na de ontvangst van deze gegevens stelt de partij van invoer de partij van uitvoer ervan in kennis of de erkenning van de gelijkwaardigheid op basis van de voorgestelde maatregelen al dan niet gehandhaafd blijft;

b)

overeenkomstig artikel 184, lid 2, van deze overeenkomst stelt de partij van invoer de partij van uitvoer in kennis van elk voorstel tot wijziging van door haar ingestelde maatregelen op basis waarvan de gelijkwaardigheid werd erkend, en van de waarschijnlijke gevolgen van de voorgestelde maatregelen voor deze gelijkwaardigheid. Indien de partij van invoer de erkenning van de gelijkwaardigheid niet handhaaft, kunnen de partijen de voorwaarden overeenkomen waaronder de in lid 3 van dit artikel bedoelde procedure opnieuw kan worden ingeleid op basis van de voorgestelde maatregelen.

8.   Het besluit over de erkenning van de gelijkwaardigheid dan wel de opschorting of intrekking ervan kan uitsluitend worden genomen door de partij van invoer, overeenkomstig haar wettelijke en bestuursrechtelijke regelgeving. De partij van invoer verstrekt de partij van uitvoer schriftelijk een omstandige toelichting bij en de ondersteunende gegevens voor de bepalingen en besluiten op grond van dit artikel. Indien de erkenning van de gelijkwaardigheid wordt geweigerd, dan wel wordt opgeschort of ingetrokken, stelt de partij van invoer de partij van uitvoer in kennis van de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om de in lid 3 bedoelde procedure opnieuw te kunnen inleiden.

9.   Onverminderd artikel 190 van deze overeenkomst kan de partij van invoer de erkenning van de gelijkwaardigheid niet intrekken of opschorten vóór de inwerkingtreding van de nieuwe maatregelen die door een van de partijen zijn voorgesteld.

10.   Indien de gelijkwaardigheid op basis van de in bijlage XXI bij deze overeenkomst uiteengezette overlegprocedure formeel wordt erkend door de partij van invoer, zal het SPS-subcomité overeenkomstig de procedure van artikel 191, lid 5, van deze overeenkomst de erkenning van de gelijkwaardigheid in de handel tussen de partijen bevestigen. Dit besluit kan tevens voorzien in de vermindering van fysieke controles aan de grenzen, vereenvoudiging van de certificaten en in voorkomend geval in procedures voor de voorlopige opneming van inrichtingen op die lijsten.

De status van gelijkwaardigheid wordt vermeld in bijlage XXV bij deze overeenkomst.

Artikel 184

Transparantie en uitwisseling van informatie

1.   Onverminderd artikel 185 van deze overeenkomst werken de partijen samen ter versterking van het wederzijdse begrip van de in de andere partij opgezette officiële controlestructuur en -mechanismen voor de uitvoering van de in bijlage XVII bij deze overeenkomst vermelde maatregelen en de doeltreffendheid van een dergelijke structuur en een dergelijk mechanisme. Dit kan onder meer worden bereikt door verslagen van internationale audits wanneer deze openbaar worden gemaakt door de partijen. De partijen kunnen in voorkomend geval informatie over de resultaten van dergelijke audits of andere informatie uitwisselen.

2.   In het kader van de in artikel 181 van deze overeenkomst bedoelde aanpassing van wetgeving of de in artikel 183 van deze overeenkomst bedoelde erkenning van de gelijkwaardigheid houden de partijen elkaar op de hoogte van wetswijzigingen en procedurele wijzigingen die voor de betrokken gebieden worden aangenomen of vastgesteld.

3.   In dit verband informeert de Unie de Republiek Moldavië ruim tevoren over wijzigingen in de wetgeving van de Unie, opdat de Republiek Moldavië kan overwegen haar wetgeving dienovereenkomstig te wijzigen.

De noodzakelijke mate van samenwerking moet worden bereikt om de toezending van wetgevingsdocumenten op verzoek van een van de partijen te bevorderen.

Hiertoe stelt elke partij de andere partij onverwijld in kennis van haar contactpunten, ook van wijzigingen met betrekking tot deze contactpunten.

Artikel 185

Kennisgeving, overleg en bevordering van communicatie

1.   Elke partij stelt de andere partij binnen twee werkdagen schriftelijk in kennis van ieder ernstig of aanzienlijk gezondheidsrisico voor mens, dier of plant, met inbegrip van alle noodsituaties in verband met de voedselcontrole of situaties waarin een duidelijk ernstig gezondheidsrisico werd geconstateerd in verband met de consumptie van dierlijke of plantaardige producten, in het bijzonder:

a)

alle maatregelen die relevant zijn voor de in artikel 182 van deze overeenkomst bedoelde regionalisatiebesluiten;

b)

de aanwezigheid of ontwikkeling van een in bijlage XVIII-A bij deze overeenkomst opgenomen dierziekte of van een in bijlage XVIII-B bij deze overeenkomst opgenomen gereglementeerd plaagorganisme;

c)

bevindingen van epidemiologisch belang of belangrijke daaraan verbonden risico's met betrekking tot niet in de bijlagen XVIII-A en XVIII-B bij deze overeenkomst opgenomen dierziekten en plaagorganismen of nieuwe dierziekten en plaagorganismen; en

d)

eventuele aanvullende maatregelen die verder gaan dan de basisvereisten voor de respectieve maatregelen van de partijen ter bestrijding of uitroeiing van dierziekten of plaagorganismen of ter bescherming van de gezondheid van mens of plant, en eventuele wijzigingen in het preventiebeleid, waaronder het vaccinatiebeleid.

2.   Kennisgevingen worden schriftelijk gedaan aan de in artikel 184, lid 3, van deze overeenkomst bedoelde contactpunten.

Schriftelijke kennisgeving gebeurt per post, per fax of per e-mail. Kennisgevingen worden enkel gedaan tussen de in artikel 184, lid 3, van deze overeenkomst bedoelde contactpunten.

3.   Wanneer een partij zich ernstig zorgen maakt over een risico voor de gezondheid van mens, dier of plant, vindt op verzoek van die partij zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen 15 werkdagen na dat verzoek overleg over de situatie plaats. Daarbij tracht elke partij alle informatie te verstrekken die nodig is om verstoringen van het handelsverkeer te voorkomen en tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te komen die verenigbaar is met de bescherming van de gezondheid van mens, dier en plant.

4.   Op verzoek van een partij vindt zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen 20 werkdagen na de kennisgeving overleg over dierenwelzijn plaats. Elke partij tracht daarbij alle vereiste informatie te verstrekken.

5.   Op verzoek van een partij vindt het in de leden 3 en 4 van dit artikel genoemde overleg plaats in de vorm van een video- of audiovergadering. De partij die om het overleg verzoekt, stelt de notulen van de vergadering op, die officieel door de partijen worden goedgekeurd. Voor deze goedkeuring geldt artikel 184, lid 3, van deze overeenkomst.

6.   De Republiek Moldavië zal een nationaal systeem voor snelle waarschuwingen voor levensmiddelen en diervoeders (NRASFF) en een nationaal mechanisme voor vroegtijdige waarschuwing (NEWM) die met die van de EU verenigbaar zijn, uitwerken en ten uitvoer leggen. Wanneer de Republiek Moldavië de nodige wetgeving op dit gebied heeft uitgevoerd en de voorwaarden voor de juiste werking van het NRASFF en het NEWM ter plaatse heeft geschapen, zullen het NRASFF en het NEWM binnen een passende, door de partijen overeen te komen termijn worden verbonden met de desbetreffende EU-systemen.

Artikel 186

Handelsvoorwaarden

1.   Algemene invoervoorwaarden:

a)

De partijen komen overeen dat de invoer van handelsartikelen waarop de bijlagen XVII-A en XVII-C, punten 2 en 3, bij deze overeenkomst betrekking hebben, aan algemene invoervoorwaarden worden onderworpen. Onverminderd de overeenkomstig artikel 182 van deze overeenkomst genomen besluiten gelden de door de partij van invoer gestelde invoervoorwaarden voor het gehele grondgebied van de partij van uitvoer. Bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst en overeenkomstig artikel 184 van deze overeenkomst stelt de partij van invoer de partij van uitvoer in kennis van haar sanitaire en/of fytosanitaire invoervereisten voor de in de bijlagen XVII-A en XVII-C bij deze overeenkomst bedoelde handelsartikelen. Deze informatie omvat in voorkomend geval de modellen voor de officiële certificaten, verklaringen of handelsdocumenten als voorgeschreven door de partij van invoer.

b)

i)

Voor wijzigingen of voorgestelde wijzigingen van de in lid 1, onder a), van dit artikel bedoelde voorwaarden gelden de desbetreffende kennisgevingsprocedures van de SPS-Overeenkomst, ongeacht of zij betrekking hebben op maatregelen waarop de SPS-Overeenkomst betrekking heeft.

ii)

Onverminderd artikel 190 van deze overeenkomst houdt de partij van invoer rekening met de reistijd tussen de partijen bij de vaststelling van de datum waarop de in lid 1, onder a), van dit artikel bedoelde gewijzigde voorwaarden van kracht worden; en

iii)

Indien de partij van invoer deze kennisgevingsvereisten niet in acht neemt, blijft zij een certificaat of attest waarmee de naleving van de voorheen geldende voorwaarden wordt gegarandeerd, accepteren tot 30 dagen nadat de gewijzigde invoervoorwaarden van kracht zijn geworden.

2.   Invoervoorwaarden na de erkenning van de gelijkwaardigheid

a)

Binnen 90 dagen na de datum van vaststelling van het besluit waarbij de gelijkwaardigheid wordt erkend, nemen de partijen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen voor de tenuitvoerlegging van die erkenning, teneinde op die basis de onderlinge handel in de in de bijlagen XVII-A en XVII-C, punten 2 en 3, bij deze overeenkomst bedoelde handelsartikelen mogelijk te maken. Voor deze handelsartikelen kan in dat geval het model voor het door de partij van invoer geëiste officiële certificaat of officiële document worden vervangen door een overeenkomstig bijlage XXIII-B bij deze overeenkomst opgesteld certificaat.

b)

Voor handelsartikelen in sectoren of subsectoren waarvoor niet alle maatregelen als gelijkwaardig zijn erkend, blijft de handel verlopen op basis van de in lid 1, onder a), van dit artikel bedoelde voorwaarden. Indien de partij van uitvoer daarom verzoekt, is lid 5 van dit artikel van toepassing.

3.   Vanaf de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst is voor de in de bijlagen XVII-A en XVII-C, punt 2, bij deze overeenkomst bedoelde handelsartikelen geen specifieke invoervergunning vereist.

4.   Ten aanzien van de voorwaarden die relevant zijn voor de handel in de in lid 1, onder a), van dit artikel bedoelde handelsartikelen voeren de partijen, op verzoek van de partij van uitvoer, in het SPS-subcomité overleg overeenkomstig artikel 191 van deze overeenkomst, teneinde overeenstemming te bereiken over alternatieve of bijkomende invoervoorwaarden van de partij van invoer. Zulke alternatieve of bijkomende invoervoorwaarden mogen, in voorkomend geval, worden gebaseerd op maatregelen van de partij van uitvoer die door de partij van invoer als gelijkwaardig zijn erkend. Bij overeenstemming neemt de partij van invoer binnen 90 dagen de nodige wettelijke en/of bestuursrechtelijke maatregelen om de invoer op basis van de overeengekomen invoervoorwaarden mogelijk te maken.

5.   Lijst van inrichtingen, voorwaardelijke goedkeuring

a)

Voor de invoer van de in bijlage XVII-A, deel 2, bij deze overeenkomst bedoelde dierlijke producten verleent de partij van invoer, op verzoek van de partij van uitvoer die daarbij de passende garanties geeft, een voorlopige goedkeuring voor de in bijlage XX, punt 2, bij deze overeenkomst bedoelde verwerkingsinrichtingen die zich op het grondgebied van de partij van uitvoer bevinden, zonder voorafgaande inspectie van afzonderlijke inrichtingen. Deze goedkeuring moet in overeenstemming zijn met de in bijlage XX bij deze overeenkomst vastgestelde voorwaarden en bepalingen. Tenzij om bijkomende gegevens wordt verzocht, neemt de partij van invoer binnen één maand na ontvangst van het verzoek en de desbetreffende garanties de nodige wettelijke en/of bestuursrechtelijke maatregelen om de invoer op basis daarvan mogelijk te maken.

De eerste lijst van inrichtingen wordt goedgekeurd overeenkomstig de bepalingen van bijlage XX bij deze overeenkomst.

b)

Voor de invoer van de in lid 2, onder a), van dit artikel bedoelde dierlijke producten doet de partij van uitvoer haar lijst van inrichtingen die aan de eisen van de partij van invoer voldoen, aan de partij van invoer toekomen.

6.   Op verzoek van een partij verstrekt de andere partij de toelichting bij en ondersteunende gegevens voor de bepalingen en besluiten op grond van dit artikel.

Artikel 187

Certificeringsprocedure

1.   Voor certificeringsprocedures en de afgifte van certificaten en officiële documenten zijn de partijen het eens over de beginselen die in bijlage XXIII bij deze overeenkomst zijn uiteengezet.

2.   Het in artikel 191 van deze overeenkomst bedoelde SPS-subcomité kan de regels vaststellen die moeten worden gevolgd in het geval van elektronische certificering, en de intrekking of vervanging van certificaten langs elektronische weg.

3.   In het kader van de in artikel 181 van deze overeenkomst bedoelde aanpassing van wetgeving komen de partijen indien van toepassing gezamenlijke modellen van certificaten overeen.

Artikel 188

Verificatie

1.   Om het vertrouwen in de doeltreffende tenuitvoerlegging van de bepalingen van dit hoofdstuk te bewaren, heeft elke partij het recht:

a)

alle of een deel van de inspectie- en certificatiesystemen van de autoriteiten van de andere partij, en/of in voorkomend geval andere maatregelen, te controleren, overeenkomstig de desbetreffende internationale normen, richtsnoeren en aanbevelingen van de Codex Alimentarius, het OIE en het IPPC; en

b)

informatie van de andere partij over haar controlesysteem te ontvangen en te worden geïnformeerd over de resultaten van de in het kader van dat systeem verrichte controles.

2.   Elke partij mag de resultaten van de in lid 1, onder a), bedoelde verificatie delen met derden en de resultaten openbaar maken voor zover dit op grond van de ten aanzien van een partij toepasselijke bepalingen vereist is. Bepalingen over de vertrouwelijkheid die op een van de partijen van toepassing zijn, worden in voorkomend geval bij dit delen en/of deze bekendmaking van de resultaten geëerbiedigd.

3.   Indien de partij van invoer besluit om een verificatiebezoek te brengen aan de partij van uitvoer, stelt zij de partij van uitvoer daar ten minste drie maanden van tevoren in kennis, uitgezonderd in noodgevallen of indien de partijen anders overeenkomen. Enigerlei wijziging ten aanzien van dat bezoek wordt door de partijen overeengekomen.

4.   De kosten van de verificatie van alle of een deel van de inspectie- en certificatiesystemen van de bevoegde autoriteiten van de andere partij, of in voorkomend geval andere maatregelen, worden gedragen door de partij die de verificatie of de inspectie verricht.

5.   Het ontwerp van de schriftelijke mededeling over de verificaties wordt de partij van uitvoer binnen drie maanden na het einde van de verificatie toegezonden. De partij van uitvoer heeft 45 werkdagen de tijd om opmerkingen over het ontwerp van schriftelijke mededeling in te dienen. De opmerkingen van de partij van uitvoer worden bij het eindrapport gevoegd en in voorkomend geval daarin opgenomen. Wanneer er evenwel in de loop van de verificatie een aanmerkelijk gezondheidsrisico voor mens, dier of plant wordt vastgesteld, wordt de partij van uitvoer hiervan zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen 10 werkdagen na het einde van de verificatie in kennis gesteld.

6.   Voor de duidelijkheid: de verificatieresultaten kunnen worden gebruikt ten behoeve van de in de artikelen 181, 183 en 189 van deze overeenkomst bedoelde procedures die door de partijen of een van de partijen worden gevoerd.

Artikel 189

Invoercontroles en inspectievergoedingen

1.   De partijen komen overeen dat de partij van invoer bij haar invoercontroles op zendingen uit de partij van uitvoer de in bijlage XXII, deel A, bij deze overeenkomst vastgelegde beginselen in acht dient te nemen. De resultaten van deze controles kunnen worden gebruikt ten behoeve van de in artikel 188 van deze overeenkomst bedoelde verificaties.

2.   De frequentie waarmee elke partij materiële invoercontroles verricht, zijn vastgesteld in bijlage XXII, deel B, bij deze overeenkomst. Een partij kan deze frequentie binnen de grenzen van haar bevoegdheid en overeenkomstig haar interne wetgeving wijzigen naar aanleiding van voortgang die werd geboekt overeenkomstig de artikelen 181, 183 en 186 van deze overeenkomst, of naar aanleiding van de verificaties, het overleg of andere maatregelen waarin deze overeenkomst voorziet. Bijlage XXII, deel B, bij deze overeenkomst wordt door het in artikel 191 van deze overeenkomst bedoelde SPS-subcomité bij besluit dienovereenkomstig gewijzigd.

3.   De inspectievergoedingen mogen uitsluitend de kosten van de bevoegde autoriteit voor het verrichten van de invoercontroles dekken. De vergoeding wordt op dezelfde basis als retributies voor de inspectie van soortgelijke interne producten berekend.

4.   De partij van invoer informeert de partij van uitvoer op haar verzoek over elke wijziging in de maatregelen die relevant zijn voor de invoercontroles en inspectievergoedingen, met inbegrip van de redenen daarvoor, en van elke belangrijke wijziging in de wijze waarop haar diensten deze controles verrichten.

5.   De partijen kunnen overeenkomen onder welke voorwaarden zij, vanaf een door het in artikel 191 van deze overeenkomst bedoelde SPS-subcomité vast te stellen datum, elkaars in artikel 188, lid 1, onder b), van deze overeenkomst bedoelde controles goedkeuren, teneinde de frequentie van de materiële invoercontroles voor de in artikel 186, lid 2, onder a), van deze overeenkomst bedoelde handelsartikelen in voorkomend geval aan te passen en wederzijds te verlagen.

Vanaf die datum kunnen de partijen wederzijds goedkeuring verlenen voor elkaars controles voor bepaalde handelsartikelen en de invoercontroles voor deze handelsartikelen derhalve verminderen of vervangen.

Artikel 190

Vrijwaringsmaatregelen

1.   Indien de partij van uitvoer op haar grondgebied maatregelen neemt tegen een mogelijk ernstig gevaar of risico voor de gezondheid van mens, dier of plant, neemt de partij van uitvoer, onverminderd lid 2, gelijkwaardige maatregelen om insleep van dit gevaar of risico op het grondgebied van de partij van invoer te voorkomen.

2.   De partij van invoer kan, als daartoe ernstige redenen bestaan met betrekking tot de gezondheid van mens, dier of plant, voorlopige maatregelen vaststellen om de gezondheid van mens, dier of plant te beschermen. Voor zendingen die onderweg zijn tussen de partijen, zoekt de partij van invoer de meest geschikte, aan het risico evenredige oplossing om onnodige verstoringen van het handelsverkeer te voorkomen.

3.   De partij die maatregelen in het kader van lid 2 van dit artikel vaststelt, stelt de andere partij hiervan uiterlijk één werkdag na de datum waarop de maatregelen zijn vastgesteld, in kennis. Op verzoek van een van de partijen en overeenkomstig artikel 185, lid 3, van deze overeenkomst plegen de partijen binnen 15 werkdagen na de kennisgeving overleg over de situatie. De partijen houden op passende wijze rekening met de informatie die in het kader van dat overleg wordt verkregen, en streven ernaar onnodige verstoringen van het handelsverkeer te voorkomen, in voorkomend geval rekening houdende met het resultaat van het in artikel 185, lid 3, van deze overeenkomst bedoelde overleg.

Artikel 191

Subcomité voor sanitaire en fytosanitaire maatregelen

1.   Hierbij wordt het subcomité voor sanitaire en fytosanitaire maatregelen, hierna „het SPS-subcomité” genoemd, opgericht. Het komt binnen drie maanden na de inwerkingtreding van deze overeenkomst bijeen, op verzoek van een van de partijen, of ten minste eens per jaar. Indien de partijen aldus overeenkomen, kan een bijeenkomst van het SPS-subcomité worden gehouden in de vorm van een video- of audiovergadering. Tussen twee vergaderingen door kan het SPS-subcomité bepaalde aangelegenheden ook schriftelijk behandelen.

2.   Het SPS-subcomité heeft de volgende taken:

a)

alle kwesties die op dit hoofdstuk betrekking hebben, in overweging nemen;

b)

op de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk toezien en alle vragen die naar aanleiding van de tenuitvoerlegging ervan rijzen, bestuderen;

c)

de bijlagen XVII tot en met XXV bij deze overeenkomst herzien, met name in het licht van de geboekte voortgang in het kader van het overleg en de procedures waarin dit hoofdstuk voorziet;

d)

de bijlagen XVII tot en met XXV bij deze overeenkomst bij besluit wijzigen, in het licht van de in dit lid, onder c), bedoelde herziening of zoals anderszins bepaald in dit hoofdstuk; en

e)

aan andere organen als omschreven in titel VII (Institutionele, algemene en slotbepalingen) van deze overeenkomst, standpunten aanreiken en aanbevelingen doen in het licht van de in dit lid, onder c), bedoelde herziening.

3.   De partijen stemmen in met de oprichting van technische werkgroepen, waar van toepassing, bestaande uit deskundigen die als vertegenwoordiger van de partijen optreden; deze werkgroepen worden belast met de identificatie en behandeling van technische en wetenschappelijke vragen naar aanleiding van de toepassing van dit hoofdstuk. Als aanvullende expertise vereist is, kunnen de partijen ad-hocgroepen, met inbegrip van wetenschappelijke en deskundigengroepen, oprichten. Van deze ad-hocgroepen kunnen ook andere personen dan vertegenwoordigers van de partijen deel uitmaken.

4.   Het SPS-subcomité brengt regelmatig verslag uit aan het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, zoals bedoeld in artikel 438, lid 4, van deze overeenkomst, over zijn activiteiten en de in het kader van zijn bevoegdheid genomen besluiten.

5.   Het SPS-subcomité stelt op zijn eerste bijeenkomst zijn werkwijze vast.

6.   Besluiten, aanbevelingen, verslagen of andere handelingen van het SPS-subcomité of enige door dit comité opgerichte groep worden bij consensus tussen de partijen goedgekeurd.

HOOFDSTUK 5

Douane en handelsbevordering

Artikel 192

Doelstellingen

1.   De partijen erkennen het belang van douaneaangelegenheden en handelsbevordering bij de ontwikkeling van het bilaterale handelsstelsel. Zij komen in beginsel overeen op dit gebied nauwer samen te werken om ervoor te zorgen dat de wetgeving en procedures ter zake, alsook de bestuurlijke capaciteit van de desbetreffende diensten, aan de doelstellingen van effectieve controle voldoen en de bevordering van de legitieme handel steunen.

2.   De partijen erkennen dat het grootst mogelijke belang moet worden gehecht aan de legitieme doelstellingen van het overheidsbeleid, met inbegrip van handelsbevordering, veiligheid en fraudebestrijding, en aan een evenwichtige benadering hiervan.

Artikel 193

Wetgeving en procedures

1.   De partijen komen overeen dat hun respectieve wetgeving op handels- en douanegebied in beginsel stabiel en allesomvattend moet zijn, alsmede dat de bepalingen en procedures evenredig, transparant, voorspelbaar, niet-discriminerend en onpartijdig moeten zijn en op eenvormige wijze doeltreffend moeten worden toegepast en dat zij onder meer:

a)

de legitieme handel beschermen en vergemakkelijken door een doeltreffende handhaving en naleving van wettelijke vereisten;

b)

onnodige of discriminerende lasten voor het bedrijfsleven tegengaan, fraude voorkomen en marktdeelnemers die de wetgeving goed naleven extra faciliteiten verlenen;

c)

het enig document (ED) voor douaneaangiften toepassen;

d)

maatregelen nemen die leiden tot meer efficiëntie, transparantie en vereenvoudiging van douaneprocedures en -praktijken aan de grens;

e)

moderne douanetechnieken toepassen, zoals risicobeoordeling, controles na de vrijgave van goederen en bedrijfsauditmethoden, ter vereenvoudiging en bevordering van de binnenkomst en de vrijgave van goederen;

f)

ernaar streven de kosten te verlagen en de voorspelbaarheid voor marktdeelnemers, met inbegrip van het midden- en kleinbedrijf, te vergroten;

g)

onverminderd de toepassing van objectieve criteria voor risicobeoordeling de niet-discriminerende toepassing waarborgen van de vereisten en procedures die op de invoer, uitvoer en doorvoer van goederen van toepassing zijn;

h)

de internationale instrumenten toepassen die van toepassing zijn op douane- en handelsgebied, met inbegrip van die welke zijn ontwikkeld door de Werelddouaneorganisatie (WDO) (het „Framework of Standards to Secure and Facilitate Global Trade”), de WTO (de Overeenkomst inzake de douanewaarde), de Overeenkomst van Istanbul inzake tijdelijke invoer van 1990, het Internationaal Verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen van 1983, de TIR-Overeenkomst van de VN van 1975, de Internationale Overeenkomst inzake de harmonisatie van de goederencontroles aan de grenzen van 1982, alsmede richtsnoeren van de Europese Commissie zoals de blauwdrukken voor de douane;

i)

de noodzakelijke maatregelen nemen om de bepalingen van de herziene Overeenkomst van Kyoto inzake de vereenvoudiging en harmonisatie van douaneprocedures van 1973 weer te geven en te implementeren;

j)

voorzien in bindende uitspraken vooraf over tariefindeling en oorsprongsregels. De partijen zorgen ervoor dat een uitspraak alleen kan worden ingetrokken of nietig verklaard na kennisgeving aan de betrokken onderneming en zonder terugwerkende kracht, tenzij de uitspraak is gedaan op basis van onjuiste of onvolledige gegevens;

k)

vereenvoudigde procedures invoeren en toepassen voor toegelaten handelaren, op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria;

l)

regels toepassen die waarborgen dat straffen voor inbreuken op douanevoorschriften of procedurele eisen evenredig en niet-discriminerend zijn en dat hun toepassing niet tot nodeloze en ongerechtvaardigde vertragingen leidt; en

m)

transparante, niet-discriminerende en evenredige voorschriften met betrekking tot het verlenen van vergunningen aan douane-expediteurs toepassen.

2.   Om hun werkmethoden te verbeteren en ervoor te zorgen dat hun optreden niet-discriminerend, transparant, efficiënt, integer en verantwoordbaar is, komen de partijen overeen:

a)

nadere maatregelen te nemen om de door de douaneautoriteiten en andere instanties verlangde gegevens en documentatie te verminderen, te vereenvoudigen en te standaardiseren;

b)

waar mogelijk de eisen en formaliteiten te vereenvoudigen met betrekking tot de snelle vrijgave en inklaring van goederen;

c)

te zorgen voor doeltreffende, snelle en niet-discriminerende procedures die het recht tot het instellen van beroep tegen administratieve maatregelen, uitspraken en besluiten van de douaneautoriteiten en van andere instanties betreffende de invoer, uitvoer en doorvoer van goederen waarborgen. Die beroepsprocedures zijn gemakkelijk toegankelijk, ook voor het midden- en kleinbedrijf, en de kosten ervan zijn redelijk en evenredig met de kosten van de autoriteiten om het recht op beroep te garanderen;

d)

maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat wanneer tegen een litigieuze administratieve maatregel, uitspraak of beslissing beroep wordt ingesteld, goederen normaal worden vrijgegeven en de betaling van rechten kan worden opgeschort, onder voorbehoud van de nodig geachte vrijwaringsmaatregelen Voor zover nodig moet bij de vrijgave van de goederen zekerheid worden gesteld, bijvoorbeeld in de vorm van een onderpand of depot; en

e)

erop toe te zien dat de strengste normen op het gebied van integriteit worden nageleefd, in het bijzonder aan de grens, door de toepassing van maatregelen die in overeenstemming zijn met de beginselen van de desbetreffende internationale overeenkomsten en instrumenten, in het bijzonder de herziene verklaring van Arusha van 2003 in WDO-verband en de door de Europese Commissie opgestelde blauwdruk van 2007.

3.   De partijen zullen geen toepassing maken van:

a)

vereisten met betrekking tot de verplichte inschakeling van douane-expediteurs; en

b)

vereisten ten aanzien van verplichte inspecties vóór verzending of op de plaats van bestemming.

4.   Voor de toepassing van deze overeenkomst gelden de voorschriften en definities van de WTO met betrekking tot doorvoer, in het bijzonder artikel V van de GATT 1994, en verwante bepalingen, met inbegrip van de toelichtingen en wijzigingen naar aanleiding van de onderhandelingen inzake handelsbevordering in het kader van de DOHA-ronde. Deze bepalingen zijn ook dan van toepassing wanneer de doorvoer van goederen op het grondgebied van een partij begint of eindigt (intern douanevervoer).

De partijen streven geleidelijke koppeling van hun respectieve douanestelsels voor doorvoer na, met het oog op de toekomstige toetreding van de Republiek Moldavië tot de Overeenkomst betreffende een gemeenschappelijke regeling inzake douanevervoer van 1987.

De partijen zien erop toe dat alle betrokken instanties op hun grondgebied samenwerken en hun optreden op elkaar afstemmen om de doorvoer te vergemakkelijken. De partijen bevorderen tevens de samenwerking tussen de autoriteiten en de particuliere sector met betrekking tot doorvoer.

Artikel 194

Relaties met bedrijfsleven

De partijen komen overeen:

a)

erop toe te zien dat hun respectieve wetgeving en procedures transparant en samen met de motivering ervan algemeen beschikbaar zijn, voor zover mogelijk langs elektronische weg. Er moet een redelijke tijdspanne liggen tussen de bekendmaking en de inwerkingtreding van nieuwe of gewijzigde bepalingen;

b)

dat tijdig en regelmatig met vertegenwoordigers van de handel wordt overlegd over wetsvoorstellen en procedures met betrekking tot douane- en handelsaangelegenheden. Hiertoe worden door elke partij passende mechanismen voor regelmatig overleg tussen de diensten en het bedrijfsleven opgericht;

c)

algemene bekendheid te geven, voor zover mogelijk langs elektronische weg, aan administratieve berichten ter zake, met name over de door de autoriteiten vastgestelde voorschriften en procedures bij binnenkomst of uitgang van de goederen, openingstijden en werkwijzen van douanekantoren in havens en bij grensposten en adressen voor het inwinnen van informatie;

d)

de samenwerking tussen de marktdeelnemers en de betrokken diensten te stimuleren door toepassing van niet-arbitraire, openbaar toegankelijke procedures, zoals intentieverklaringen, in het bijzonder op basis van die welke door de WDO zijn uitgevaardigd; en

e)

erop toe te zien dat hun respectieve eisen en procedures op douanegebied en aanverwante gebieden blijven aansluiten op de legitieme behoeften van de handel, dat hierbij goede praktijken worden gevolgd en dat de handel hierdoor zo min mogelijk wordt beperkt.

Artikel 195

Vergoedingen en heffingen

1.   Per 1 januari van het jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst verbieden de partijen administratieve heffingen van gelijke werking als invoer- en uitvoerrechten en -heffingen.

2.   Met betrekking tot alle door de douaneautoriteiten van elke partij opgelegde vergoedingen en heffingen van welke aard ook, met inbegrip van vergoedingen en heffingen voor taken die namens die autoriteiten zijn verricht, op of in verband met de invoer of uitvoer en onverminderd de desbetreffende artikelen van hoofdstuk 1 (Nationale behandeling en markttoegang voor goederen) van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst, komen de partijen overeen dat:

a)

vergoedingen en heffingen enkel kunnen worden opgelegd ter zake van diensten die op verzoek van de aangever buiten de normale arbeidsomstandigheden en openingstijden en op andere plaatsen dan de in de douaneregelingen bedoelde worden verleend, of ter zake van een met die diensten verband houdende formaliteit waaraan voor die invoer of uitvoer moet worden voldaan;

b)

het bedrag van de vergoedingen en heffingen niet de kosten van de verleende dienst te boven gaat;

c)

vergoedingen en heffingen niet op een ad-valoremgrondslag worden berekend;

d)

de informatie over de vergoedingen en heffingen via een officieel aangewezen medium, en waar haalbaar en mogelijk via een officiële website, wordt bekendgemaakt. Deze informatie omvat de reden voor de vergoeding of de heffing ter zake van de verleende dienst, de verantwoordelijke autoriteit, de vergoedingen en heffingen die zullen worden toegepast, en het tijdstip en de wijze waarop de betaling moet worden verricht; en

e)

nieuwe of gewijzigde vergoedingen en heffingen niet worden opgelegd totdat informatie daarover bekend is gemaakt en gemakkelijk beschikbaar is.

Artikel 196

Vaststelling van douanewaarde

1.   De bepalingen van de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de GATT 1994, die in bijlage 1A bij de WTO-overeenkomst is opgenomen, met inbegrip van de daaropvolgende wijzigingen, zijn van toepassing op de vaststelling van de douanewaarde van de goederen in de handel tussen de partijen. Deze bepalingen worden hierbij in deze overeenkomst opgenomen en maken daarvan deel uit. Er worden geen minimumdouanewaarden gehanteerd.

2.   De partijen werken samen aan een gemeenschappelijke aanpak van problemen met betrekking tot de vaststelling van de douanewaarde.

Artikel 197

Samenwerking op douanegebied

De partijen versterken de samenwerking op douanegebied om te zorgen voor implementatie van de doelstellingen van dit hoofdstuk teneinde de handel verder te bevorderen en te zorgen voor doeltreffende controle, veiligheid en fraudebestrijding. Hiertoe gebruiken de partijen in voorkomend geval de blauwdrukken die de Europese Commissie in 2007 voor de douane heeft opgesteld, als benchmarking-instrument.

Om ervoor te zorgen dat dit hoofdstuk wordt nageleefd, zullen de partijen onder meer:

a)

informatie uitwisselen over douanewetgeving en -procedures;

b)

gezamenlijke initiatieven ontwikkelen op het gebied van de procedures bij invoer, uitvoer en doorvoer, alsmede ernaar streven dat het bedrijfsleven een doeltreffende dienstverlening wordt aangeboden;

c)

samenwerken op het gebied van de automatisering van douane- en andere handelsprocedures;

d)

in voorkomend geval informatie en gegevens uitwisselen, met inachtneming van de vertrouwelijkheid van gegevens en normen en regels inzake de bescherming van persoonsgegevens;

e)

samenwerken bij het voorkomen en bestrijden van illegaal grensoverschrijdend verkeer van goederen, met inbegrip van tabaksproducten;

f)

informatie uitwisselen of in overleg treden om, voor zover mogelijk, gemeenschappelijke standpunten vast te stellen in internationale organisaties op douanegebied als de WTO, de WDO, de VN, de Conferentie van de Verenigde Naties inzake handel en ontwikkeling (Unctad) en de VN-ECE;

g)

samenwerken bij de planning en verlening van technische bijstand, met name ter vergemakkelijking van hervormingen op het gebied van douane en handelsbevordering overeenkomstig deze overeenkomst;

h)

goede praktijken op douanegebied uitwisselen, in het bijzonder inzake de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten, in het bijzonder waar het gaat om nagemaakte goederen;

i)

de coördinatie tussen alle grensautoriteiten van de partijen bevorderen om het proces van grensoverschrijding te vergemakkelijken en de controles te versterken, waarbij gezamenlijke grenscontroles, waar dit haalbaar en passend is, tot de mogelijkheden behoren; en

j)

waar nodig en passend overgaan tot wederzijdse erkenning van partnerschapsprogramma's op handelsgebied en douanecontroles, met inbegrip van gelijkwaardige maatregelen voor handelsbevordering.

Artikel 198

Wederzijdse administratieve bijstand in douaneaangelegenheden

Onverminderd de andere vormen van samenwerking waarin deze overeenkomst voorziet, in het bijzonder in artikel 197 van deze overeenkomst, verlenen de partijen elkaar wederzijdse administratieve bijstand in douaneaangelegenheden, overeenkomstig protocol III inzake wederzijdse administratieve bijstand in douaneaangelegenheden bij deze overeenkomst.

Artikel 199

Technische bijstand en capaciteitsopbouw

De partijen werken samen met het oog op het verlenen van technische bijstand en op capaciteitsopbouw voor de implementatie van de handelsbevordering en de hervormingen op douanegebied.

Artikel 200

Subcomité douane

1.   Hierbij wordt het subcomité douane opgericht. Het brengt verslag uit aan het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, zoals bedoeld in artikel 438, lid 4, van deze overeenkomst.

2.   De taken van het subcomité omvatten regelmatig overleg en toezicht op de tenuitvoerlegging en het beheer van dit hoofdstuk, waaronder aangelegenheden op het gebied van de douanesamenwerking, grensoverschrijdende douanesamenwerking en grensoverschrijdend beheer inzake douaneaangelegenheden, technische bijstand, oorsprongsregels, handelsbevordering alsmede wederzijdse administratieve bijstand in douaneaangelegenheden.

3.   Het subcomité douane zal onder meer:

a)

toezien op de goede werking van dit hoofdstuk en de protocollen II en III bij deze overeenkomst;

b)

praktische regelingen, maatregelen en besluiten aannemen voor de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk en de protocollen II en III bij deze overeenkomst, met inbegrip van de uitwisseling van informatie en gegevens, wederzijdse erkenning van douanecontroles en partnerschapsprogramma's op handelsgebied, en wederzijds overeengekomen voordelen;

c)

van gedachten wisselen over punten van gezamenlijk belang, met inbegrip van toekomstige maatregelen en de voor de uitvoering en toepassing daarvan benodigde middelen;

d)

passende aanbevelingen doen; en

e)

zijn interne reglement van orde vaststellen.

Artikel 201

Aanpassing van douanewetgeving

De geleidelijke aanpassing aan de douanewetgeving van de Unie en bepaalde internationale regels zal plaatsvinden zoals uiteengezet in bijlage XXVI bij deze overeenkomst.

HOOFDSTUK 6

Vestiging, handel in diensten en elektronische handel

Afdeling 1

Algemene bepalingen

Artikel 202

Doelstelling en toepassingsgebied

1.   De partijen herbevestigen hun respectieve verbintenissen ingevolge de WTO-overeenkomst, en leggen hierbij de noodzakelijke regels vast voor de geleidelijke wederzijdse liberalisering van het recht van vestiging en van de handel in diensten, alsmede voor samenwerking op het gebied van elektronische handel.

2.   Overheidsopdrachten worden behandeld in hoofdstuk 8 (Overheidsopdrachten) van Titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst. Geen enkele bepaling van dit hoofdstuk kan zodanig worden uitgelegd dat zij een verplichting inhoudt met betrekking tot overheidsopdrachten.

3.   Subsidies worden behandeld in hoofdstuk 10 (Mededinging) van Titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op door de partijen verleende subsidies.

4.   Overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk behoudt elke partij het recht nieuwe regelingen op te stellen en in te voeren om legitieme beleidsdoelstellingen te bereiken.

5.   Dit hoofdstuk is noch van toepassing op maatregelen betreffende natuurlijke personen die toegang tot de arbeidsmarkt van een partij zoeken, noch op maatregelen inzake staatsburgerschap, verblijf of werk op permanente basis.

6.   Geen enkele bepaling van dit hoofdstuk belet een partij maatregelen toe te passen tot regeling van de toelating tot of het tijdelijke verblijf van natuurlijke personen op haar grondgebied, daarbij inbegrepen de maatregelen die nodig zijn voor het beschermen van de integriteit van haar grenzen of voor het verzekeren van het ordelijke verkeer van natuurlijke personen over haar grenzen, mits die maatregelen niet zodanig worden toegepast dat de voordelen die een partij op grond van een specifieke verbintenis uit dit hoofdstuk en de bijlagen XXVII en XXVIII bij deze overeenkomst toekomen, daardoor worden tenietgedaan of uitgehold (2).

Artikel 203

Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk:

1.

wordt onder „maatregel” verstaan: elke maatregel van een partij, in de vorm van een wet, regeling, voorschrift, procedure, besluit, administratieve handeling of in enige andere vorm;

2.

wordt onder „door een partij vastgestelde of gehandhaafde maatregelen” verstaan: maatregelen genomen door:

a)

centrale, regionale of lokale overheden en autoriteiten, en

b)

niet-gouvernementele organisaties bij de uitoefening van door centrale, regionale of lokale overheden of autoriteiten gedelegeerde bevoegdheden;

3.

wordt onder „natuurlijke persoon uit een partij” verstaan: een onderdaan van een EU-lidstaat of van de Republiek Moldavië volgens hun respectieve wetgeving;

4.

wordt onder „rechtspersoon” verstaan: elke juridische entiteit, naar toepasselijk recht opgericht of anderszins georganiseerd, met winst- of andere oogmerken, en in eigendom van particulieren of van de overheid, met inbegrip van kapitaalvennootschappen, trusts, personenvennootschappen, joint ventures, eenmanszaken of verenigingen;

5.

wordt onder „rechtspersoon uit de Unie” of „rechtspersoon uit de Republiek Moldavië” verstaan: een rechtspersoon als omschreven onder punt 4) die overeenkomstig de wetgeving van een lidstaat respectievelijk van de Republiek Moldavië is opgericht, en die op het grondgebied (3) waarop het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing is respectievelijk op dat van de Republiek Moldavië zijn statutaire zetel, hoofdbestuur of hoofdvestiging heeft.

Wanneer deze rechtspersoon op het grondgebied waarop het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing is of op dat van de Republiek Moldavië alleen zijn statutaire zetel of hoofdbestuur heeft, wordt hij niet als rechtspersoon uit de Unie respectievelijk de Republiek Moldavië beschouwd, tenzij zijn handelingen een daadwerkelijke en duurzame band met de economie van de Unie respectievelijk de Republiek Moldavië hebben.

Niettegenstaande de vorige alinea, geldt dat deze overeenkomst tevens van toepassing is op buiten de Unie of de Republiek Moldavië gevestigde scheepvaartondernemingen waarover onderdanen van een lidstaat respectievelijk de Republiek Moldavië zeggenschap hebben, indien hun schepen overeenkomstig hun respectieve wetgeving in die lidstaat of de Republiek Moldavië zijn geregistreerd en zij de vlag van een lidstaat of van de Republiek Moldavië voeren;

6.

wordt onder „dochteronderneming” van een rechtspersoon uit een partij verstaan: een rechtspersoon waarover een andere rechtspersoon uit die partij daadwerkelijk zeggenschap heeft (4);

7.

wordt onder „filiaal van een rechtspersoon” verstaan: een handelszaak zonder rechtspersoonlijkheid die kennelijk een permanent karakter bezit, zoals een agentschap van een moedermaatschappij, een eigen managementstructuur heeft en over de nodige materiële voorzieningen beschikt om zaken te doen met derden, zodanig dat laatstgenoemden, hoewel zij ervan op de hoogte zijn dat er indien nodig een rechtsverhouding is met de moedermaatschappij waarvan het hoofdkantoor zich in het buitenland bevindt, geen rechtstreeks contact met deze moedermaatschappij behoeven te hebben, maar hun transacties kunnen afhandelen met de handelszaak die het agentschap vormt;

8.

wordt onder „vestiging” verstaan:

a)

wat rechtspersonen uit de Unie of uit de Republiek Moldavië betreft, het recht op toegang tot en op uitoefening van economische activiteiten door oprichting, met inbegrip van verwerving, van een rechtspersoon en/of van een filiaal of een vertegenwoordigingskantoor in de Unie respectievelijk de Republiek Moldavië;

b)

wat natuurlijke personen betreft, het recht van natuurlijke personen uit de Unie of uit de Republiek Moldavië op toegang tot en op uitoefening van economische activiteiten als zelfstandige, alsmede het recht op de oprichting van ondernemingen, in het bijzonder vennootschappen, waarover zij daadwerkelijk zeggenschap hebben.

9.

omvatten „economische activiteiten” activiteiten met een industrieel of commercieel karakter of activiteiten van personen die een vrij beroep uitoefenen, alsmede activiteiten van ambachtslieden, behoudens activiteiten die worden uitgevoerd bij de uitoefening van overheidsgezag;

10.

wordt onder „handelingen” verstaan: het verrichten van economische activiteiten;

11.

wordt onder „diensten” verstaan: alle diensten in elke sector behalve diensten die bij de uitoefening van overheidsgezag worden verleend;

12.

wordt onder „bij de uitoefening van overheidsgezag verleende diensten en andere activiteiten” verstaan: elke dienst of activiteit die noch op commerciële basis, noch in concurrentie met een of meer marktdeelnemers wordt verleend;

13.

wordt onder „grensoverschrijdende dienstverlening” verstaan: het verlenen van een dienst:

a)

vanaf het grondgebied van een partij naar het grondgebied van de andere partij (vorm van dienstverlening 1), of

b)

op het grondgebied van een partij ten behoeve van de gebruiker van de dienst uit de andere partij (vorm van dienstverlening 2);

14.

wordt onder „dienstverlener” uit een partij verstaan: een natuurlijke of rechtspersoon uit een partij die een dienst verleent of wenst te verlenen;

15.

wordt onder „ondernemer” verstaan: een natuurlijke of rechtspersoon uit een partij die door middel van het opzetten van een vestiging een economische activiteit uitoefent of wenst uit te oefenen.

Afdeling 2

Vestiging

Artikel 204

Toepassingsgebied

Deze afdeling is van toepassing op maatregelen die door de partijen zijn vastgesteld of worden gehandhaafd en die van invloed zijn op vestiging met betrekking tot alle economische activiteiten, met uitzondering van:

a)

de winning, vervaardiging en verwerking (5) van nucleair materiaal;

b)

de productie van of handel in wapens, munitie en oorlogsmaterieel;

c)

audiovisuele diensten;

d)

nationale maritieme cabotage (6), en

e)

interne en internationale luchtvervoerdiensten (7), ongeacht of het gaat om lijndiensten, en diensten die rechtstreeks verband houden met de uitoefening van verkeersrechten, andere dan:

i)

reparatie en onderhoud van luchtvaartuigen waarbij het luchtvaartuig buiten dienst wordt gesteld;

ii)

verkoop en marketing van luchtvervoerdiensten;

iii)

geautomatiseerde boekingssystemen (CRS);

iv)

grondafhandeling;

v)

exploitatie van luchthavens.

Artikel 205

Nationale behandeling en behandeling als meestbegunstigde natie

1.   Behoudens de in bijlage XXVII-E bij deze overeenkomst vermelde voorbehouden zal de Republiek Moldavië vanaf de inwerkingtreding van deze overeenkomst:

a)

voor de vestiging van dochterondernemingen, filialen en vertegenwoordigingskantoren van rechtspersonen uit de Unie een niet minder gunstige behandeling toekennen dan die welke door de Republiek Moldavië aan haar eigen rechtspersonen, filialen en vertegenwoordigingskantoren of aan dochterondernemingen, filialen en vertegenwoordigingskantoren van rechtspersonen uit derde landen wordt toegekend, indien deze behandeling gunstiger is;

b)

voor het exploiteren van dochterondernemingen, filialen en vertegenwoordigingskantoren van rechtspersonen uit de Unie in de Republiek Moldavië na vestiging ervan een niet minder gunstige behandeling toekennen dan die welke door de Republiek Moldavië aan haar eigen rechtspersonen, filialen en vertegenwoordigingskantoren of aan dochterondernemingen, filialen en vertegenwoordigingskantoren van rechtspersonen uit derde landen wordt toegekend, indien deze behandeling gunstiger is. (8)

2.   Behoudens de in bijlage XXVII-A bij deze overeenkomst vermelde voorbehouden zal de Unie vanaf de inwerkingtreding van deze overeenkomst:

a)

voor de vestiging van dochterondernemingen, filialen en vertegenwoordigingskantoren van rechtspersonen uit de Republiek Moldavië een niet minder gunstige behandeling toekennen dan die welke door de Unie aan haar eigen rechtspersonen, filialen en vertegenwoordigingskantoren of aan dochterondernemingen, filialen en vertegenwoordigingskantoren van rechtspersonen uit derde landen wordt toegekend, indien deze behandeling gunstiger is;

b)

voor het exploiteren van dochterondernemingen, filialen en vertegenwoordigingskantoren van rechtspersonen uit de Republiek Moldavië in de Unie na vestiging ervan en niet minder gunstige behandeling toekennen dan die welke door de Unie aan haar eigen rechtspersonen, filialen en vertegenwoordigingskantoren of aan dochterondernemingen, filialen en vertegenwoordigingskantoren van rechtspersonen uit derde landen wordt toegekend, indien deze behandeling gunstiger is. (9)

3.   Behoudens de in de bijlagen XXVII-A en XXVII-E bij deze overeenkomst vermelde voorbehouden stellen de partijen geen nieuwe regelgeving of maatregelen vast die met betrekking tot de vestiging van rechtspersonen uit de Unie of de Republiek Moldavië op hun grondgebied dan wel de handelingen van die rechtspersonen na vestiging, discrimineren ten opzichte van wat voor de eigen rechtspersonen geldt.

Artikel 206

Evaluatie

1.   Met het oog op de geleidelijke liberalisering van de voorwaarden voor vestiging evalueren de partijen regelmatig het juridische kader voor vestiging (10) en het vestigingsklimaat, overeenkomstig hun uit internationale overeenkomsten voortvloeiende verbintenissen.

2.   In het kader van de in lid 1 bedoelde evaluatie beoordelen de partijen alle belemmeringen voor vestiging die zich hebben voorgedaan. Met het oog op het verdiepen van de bepalingen van dit hoofdstuk zoeken de partijen naar geëigende wegen om dergelijke belemmeringen aan te pakken, hetgeen nadere onderhandelingen zou kunnen omvatten, mede met betrekking tot de bescherming van investeringen en procedures voor de beslechting van geschillen tussen investeerders en staat.

Artikel 207

Andere overeenkomsten

Geen enkele bepaling van deze overeenkomst kan zodanig worden uitgelegd dat de rechten van ondernemers uit de partijen op een gunstigere behandeling waarin is voorzien in een bestaande of toekomstige internationale overeenkomst inzake investeringen waarbij een lidstaat en de Republiek Moldavië partij zijn, worden beperkt.

Artikel 208

Norm voor behandeling van filialen en vertegenwoordigingskantoren

1.   Het bepaalde in artikel 205 van deze overeenkomst vormt geen beletsel voor de toepassing door een partij van bijzondere regels met betrekking tot de vestiging en exploitatie op haar grondgebied van filialen en vertegenwoordigingskantoren van rechtspersonen uit een andere partij die op het grondgebied van eerstgenoemde partij niet als rechtspersoon zijn erkend, wanneer deze bijzondere regels op grond van juridische of technische verschillen tussen bedoelde filialen en vertegenwoordigingskantoren en filialen en vertegenwoordigingskantoren van op het grondgebied van eerstgenoemde partij erkende rechtspersonen of, voor wat financiële diensten betreft, om prudentiële redenen gerechtvaardigd zijn.

2.   Het verschil in behandeling mag niet verder gaan dan hetgeen vanwege die juridische of technische verschillen of, voor wat financiële diensten betreft, om prudentiële redenen strikt noodzakelijk is.

Afdeling 3

Grensoverschrijdende dienstverlening

Artikel 209

Toepassingsgebied

Deze afdeling is van toepassing op maatregelen van de partijen die van invloed zijn op alle grensoverschrijdende dienstverlening, met uitzondering van:

a)

audiovisuele diensten;

b)

nationale maritieme cabotage (11), en

c)

interne en internationale luchtvervoerdiensten (12), ongeacht of het gaat om lijndiensten, en diensten die rechtstreeks verband houden met de uitoefening van verkeersrechten, andere dan:

i)

reparatie en onderhoud van luchtvaartuigen waarbij het luchtvaartuig buiten dienst wordt gesteld;

ii)

verkoop en marketing van luchtvervoerdiensten;

iii)

geautomatiseerde boekingssystemen (CRS);

iv)

grondafhandeling;

v)

exploitatie van luchthavens.

Artikel 210

Markttoegang

1.   Ten aanzien van de markttoegang via grensoverschrijdende dienstverlening behandelt elke partij diensten en dienstverleners uit de andere partij niet minder gunstig dan is voorzien in de specifieke verbintenissen die zijn neergelegd in de bijlagen XXVII-B en XXVII-F bij deze overeenkomst.

2.   Voor sectoren waarvoor verbintenissen betreffende markttoegang worden aangegaan, worden de maatregelen die een partij niet mag handhaven of vaststellen voor een bepaalde regio of voor haar gehele grondgebied, tenzij in de bijlagen XXVII-B en XXVII-F bij deze overeenkomst anders is bepaald, omschreven als:

a)

beperkingen van het aantal dienstverleners in de vorm van numerieke quota, monopolies, exclusieve dienstverleners of de eis van een onderzoek naar de economische behoefte;

b)

beperkingen van de totale waarde van transacties of activa in verband met diensten in de vorm van numerieke quota of de eis van een onderzoek naar de economische behoefte,

c)

beperkingen van het totale aantal dienstentransacties of het totale volume van de dienstenoutput, in bepaalde numerieke eenheden uitgedrukt in de vorm van quota of de eis van een onderzoek naar de economische behoefte.

Artikel 211

Nationale behandeling

1.   Elke partij behandelt, in de sectoren waarvoor verbintenissen inzake de markttoegang in de bijlagen XXVII-B en XXVII-F bij deze overeenkomst zijn opgenomen, met inachtneming van de daarin vermelde voorwaarden en kwalificaties, diensten en dienstverleners uit de andere partij in het kader van alle maatregelen die op de grensoverschrijdende dienstverlening van invloed zijn, niet minder gunstig dan haar eigen soortgelijke diensten en dienstverleners.

2.   Een partij kan aan het bepaalde in lid 1 voldoen door aan diensten en dienstverleners uit de andere partij een behandeling toe te kennen die naar de vorm identiek is dan wel naar de vorm afwijkt van de behandeling die zij aan haar eigen soortgelijke diensten en dienstverleners toekent.

3.   Een naar de vorm identieke of naar de vorm afwijkende behandeling wordt geacht minder gunstig te zijn indien zij de mededingingsvoorwaarden wijzigt ten gunste van diensten of dienstverleners uit de betrokken partij, in vergelijking met soortgelijke diensten of dienstverleners uit de andere partij.

4.   De op grond van dit artikel aangegane specifieke verbintenissen worden niet zodanig uitgelegd dat een partij verplicht is tot compensatie van concurrentienadelen die inherent zijn aan het buitenlandse karakter van de desbetreffende diensten of dienstverleners.

Artikel 212

Lijsten van verbintenissen

1.   De door elke partij ingevolge deze afdeling geliberaliseerde sectoren en de beperkingen, door middel van voorbehouden, van de markttoegang en van de nationale behandeling voor diensten en dienstverleners uit de andere partij in die sectoren, worden vermeld in de lijsten van verbintenissen in de bijlagen XXVII-B en XXVII-F bij deze overeenkomst.

2.   Onverminderd de bestaande of toekomstige rechten en verplichtingen van de partijen uit hoofde van de Europese Overeenkomst inzake grensoverschrijdende televisie en het Verdrag inzake cinematografische coproductie, omvatten de lijsten van verbintenissen in de bijlagen XXVII-B en XXVII-F bij deze overeenkomst geen verbintenissen inzake audiovisuele diensten.

Artikel 213

Evaluatie

Met het oog op de geleidelijke liberalisering van de grensoverschrijdende dienstverlening tussen de partijen evalueert het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, zoals bedoeld in artikel 438, lid 4, van deze overeenkomst, regelmatig de in artikel 212 van deze overeenkomst bedoelde lijsten van verbintenissen. Bij deze evaluatie wordt onder meer rekening gehouden met het proces van geleidelijke aanpassing, als bedoeld in de artikelen 230, 240, 249 en 253 van deze overeenkomst, en de impact daarvan op de afschaffing van resterende belemmeringen voor de grensoverschrijdende dienstverlening tussen de partijen.

Afdeling 4

Tijdelijke aanwezigheid van natuurlijke personen voor zaken

Artikel 214

Toepassingsgebied en definities

1.   Deze afdeling is van toepassing op maatregelen van de partijen betreffende de toelating tot en het tijdelijke verblijf op hun grondgebied van stafpersoneel, afgestudeerde stagiairs, handelsvertegenwoordigers, dienstverleners op contractbasis en beoefenaars van een vrij beroep, onverminderd het bepaalde in artikel 202, lid 5, van deze overeenkomst.

2.   Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:

a)   „stafpersoneel”: natuurlijke personen die bij een rechtspersoon uit een partij, niet zijnde een organisatie zonder winstoogmerk (13), in dienst zijn en verantwoordelijk zijn voor het opzetten van dan wel voor een goed toezicht op en een goede administratie en exploitatie van een vestiging. Tot het stafpersoneel behoren tevens „zakelijke bezoekers” voor vestigingsdoeleinden en „binnen de onderneming overgeplaatste personen”:

i)   „zakelijke bezoekers” voor vestigingsdoeleinden: natuurlijke personen met een staffunctie die verantwoordelijk zijn voor het opzetten van een vestiging. Zij bieden geen diensten aan noch verlenen zij deze en evenmin verrichten zij enige andere economische activiteit dan vereist is voor het opzetten van een vestiging. Zij ontvangen geen beloning uit een in de gastpartij gevestigde bron;

ii)   „binnen de onderneming overgeplaatste personen”: natuurlijke personen die ten minste een jaar in dienst of partner van een rechtspersoon zijn en die tijdelijk naar een vestiging op het grondgebied van de andere partij worden overgeplaatst, welke vestiging een dochteronderneming, filiaal of moedervennootschap van de onderneming/rechtspersoon kan zijn. De betrokken natuurlijke persoon moet tot een van de volgende categorieën behoren:

1.   managers: personen die deel uitmaken van het hoger leidinggevend personeel van een rechtspersoon, die in de eerste plaats verantwoordelijk zijn voor het management van de vestiging, onder het algemene toezicht of de leiding van de raad van bestuur of de aandeelhouders of daarmee gelijkgestelde personen, waaronder ten minste personen die:

leiding geven aan een vestiging of een afdeling of onderafdeling daarvan;

toezicht houden op de werkzaamheden van andere toezichthoudende, gespecialiseerde of leidinggevende werknemers en deze werkzaamheden controleren, en

persoonlijk bevoegd zijn werknemers in dienst te nemen en te ontslaan, of indienstneming of ontslag van werknemers of andere maatregelen in het kader van het personeelsbeleid aan te bevelen;

2.   specialisten: binnen een rechtspersoon werkzame personen die beschikken over uitzonderlijke kennis die van wezenlijk belang is voor de productie, de onderzoeksuitrusting, de technische werkzaamheden, de processen, de procedures of het management van de vestiging. Voor de beoordeling van die kennis wordt niet alleen specifiek met de vestiging verband houdende kennis in aanmerking genomen, maar ook of de persoon in hoge mate gekwalificeerd is voor een type werk of handel waarvoor specifieke technische kennis vereist is, evenals het lidmaatschap van een erkende beroepsgroep;

b)   „afgestudeerde stagiairs”: natuurlijke personen die ten minste een jaar in dienst zijn van een rechtspersoon uit een partij of een filiaal van die rechtspersoon, die universitair afgestudeerd zijn en die voor hun loopbaanontwikkeling of een opleiding in bedrijfskundige technieken of -methoden tijdelijk naar een vestiging van die rechtspersoon op het grondgebied van de andere partij worden overgeplaatst (14);

c)   „handelsvertegenwoordigers” (15) : natuurlijke personen die vertegenwoordiger zijn van een dienstverlener of een leverancier van goederen uit een partij en die toegang tot en tijdelijk verblijf op het grondgebied van de andere partij beogen om over de verkoop van diensten of goederen te onderhandelen of voor die dienstverlener of leverancier overeenkomsten voor de verkoop van diensten of goederen te sluiten. Zij verrichten geen directe transacties met het publiek en ontvangen geen beloning uit een in de gastpartij gevestigde bron; evenmin zijn zij commissionairs;

d)   „dienstverleners op contractbasis”: natuurlijke personen in dienst bij een rechtspersoon uit een partij, welke rechtspersoon zelf geen agentschap voor arbeidsbemiddeling en personeelsvoorziening is en welke evenmin via een dergelijk agentschap optreedt, die geen vestiging op het grondgebied van de andere partij heeft en die een bonafide contract voor de verlening van diensten aan een eindverbruiker in die andere partij heeft gesloten, zodat de tijdelijke aanwezigheid van zijn werknemers in die partij vereist is voor de uitvoering van het dienstverleningscontract (16);

e)   „beoefenaars van een vrij beroep”: natuurlijke personen die als zelfstandige dienstverlener op het grondgebied van een partij zijn gevestigd, geen vestiging op het grondgebied van de andere partij hebben en een bonafide contract (anders dan via een agentschap voor arbeidsbemiddeling en personeelsvoorziening) voor de verlening van diensten aan een eindverbruiker in die andere partij hebben gesloten, zodat hun tijdelijke aanwezigheid op het grondgebied van die partij vereist is voor de uitvoering van het dienstverleningscontract (17);

f)   „kwalificaties”: diploma's, certificaten en andere bewijsstukken (van een officiële kwalificatie), afgegeven door een in de wet- of regelgeving of in administratieve bepalingen aangewezen autoriteit, waarbij de succesvolle afsluiting van een beroepsopleiding wordt geattesteerd.

Artikel 215

Stafpersoneel en afgestudeerde stagiairs

1.   Voor elke sector waarvoor overeenkomstig afdeling 2 (Vestiging) van dit hoofdstuk verbintenissen worden aangegaan, en behoudens eventuele in de bijlagen XXVII-A en XXVII-E of in de bijlagen XXVII-C en XXVII-G bij deze overeenkomst opgenomen voorbehouden, staat elke partij ondernemers uit de andere partij toe in hun vestiging natuurlijke personen uit die andere partij tewerk te stellen, mits die werknemers behoren tot het stafpersoneel dan wel afgestudeerd stagiair zijn, zoals gedefinieerd in artikel 214 van deze overeenkomst. De tijdelijke toegang en het tijdelijke verblijf van stafpersoneel en afgestudeerde stagiairs vinden plaats voor een periode van ten hoogste drie jaar voor binnen de onderneming overgeplaatste personen, van ten hoogste negentig dagen binnen een periode van twaalf maanden voor zakelijke bezoekers voor vestigingsdoeleinden, en van ten hoogste één jaar voor afgestudeerde stagiairs.

2.   Voor elke sector waarvoor overeenkomstig afdeling 2 (Vestiging) van dit hoofdstuk verbintenissen worden aangegaan, worden de maatregelen die een partij niet mag handhaven of vaststellen op basis van een regionale onderverdeling of voor het gehele grondgebied, tenzij in de bijlagen XXVII-C en XXVII-G bij deze overeenkomst anders is bepaald, omschreven als beperkingen van het totale aantal natuurlijke personen dat een ondernemer als stafpersoneel of afgestudeerde stagiair in een bepaalde sector in dienst mag hebben, in de vorm van numerieke quota of van een eis van een onderzoek naar de economische behoefte, en discriminerende beperkingen.

Artikel 216

Handelsvertegenwoordigers

Voor elke sector waarvoor overeenkomstig afdeling 2 (Vestiging) of afdeling 3 (Grensoverschrijdende dienstverlening) van dit hoofdstuk verbintenissen worden aangegaan, en behoudens eventuele in de bijlagen XXVII-A en XXVII-E alsmede de bijlagen XXVII-B en XXVII-F bij deze overeenkomst vermelde voorbehouden, staat elke partij de toegang tot en het tijdelijke verblijf van handelsvertegenwoordigers op haar grondgebied toe voor maximaal negentig dagen binnen een periode van twaalf maanden.

Artikel 217

Dienstverleners op contractbasis

1.   De partijen herbevestigen hun respectieve verplichtingen ingevolge de door hen in het kader van de Algemene Overeenkomst inzake de handel in diensten, hierna de „GATS” genoemd, aangegane verbintenissen ten aanzien van de toegang en het tijdelijke verblijf van dienstverleners op contractbasis.

Overeenkomstig de bijlagen XXVII-D en XXVII-H bij deze overeenkomst staat elke partij toe dat dienstverleners op contractbasis uit de andere partij op hun grondgebied diensten verlenen, met inachtneming van de voorwaarden van lid 3 van dit artikel.

2.   Op de door de partijen aangegane verbintenissen zijn de volgende voorwaarden van toepassing:

a)

de natuurlijke personen moeten voor het verlenen van een dienst tijdelijk zijn aangetrokken als werknemer van een rechtspersoon die een dienstencontract heeft gesloten voor een periode van maximaal twaalf maanden;

b)

de natuurlijke personen die het grondgebied van de andere partij binnenkomen, moeten die diensten aanbieden in de hoedanigheid van werknemer van de rechtspersoon die de diensten ten minste gedurende het jaar dat onmiddellijk aan de datum van indiening van de aanvraag voor toelating tot de andere partij voorafging, heeft verleend. Voorts moeten de natuurlijke personen op de datum van indiening van een aanvraag voor toelating tot de andere partij beschikken over ten minste drie jaar beroepservaring (18) in de sector van activiteiten waarop het contract betrekking heeft;

c)

de natuurlijke personen die het grondgebied van de andere partij binnenkomen, moeten in het bezit zijn van:

i)

een universitaire graad of een kwalificatie waaruit kennis op een gelijkwaardig niveau blijkt (19), en

ii)

beroepskwalificaties voor zover dit voor de uitoefening van een activiteit vereist is op grond van de wet- en regelgeving of andere wettelijke voorschriften van de partij waar de dienst wordt verleend;

d)

de natuurlijke persoon ontvangt op het grondgebied van de andere partij voor de dienstverlening geen andere beloning dan die welke wordt betaald door de rechtspersoon waarbij de natuurlijke persoon in dienst is;

e)

de toelating tot en het tijdelijke verblijf van natuurlijke personen op het grondgebied van de betrokken partij vinden plaats voor een periode van bij elkaar opgeteld maximaal zes maanden, dan wel, wat Luxemburg aangaat, vijfentwintig weken, gedurende een periode van twaalf maanden dan wel voor de duur van het contract indien dit een kortere looptijd heeft;

f)

de toelating waarvoor ingevolge dit artikel toestemming wordt verleend, heeft enkel betrekking op de dienstenactiviteit waarop het contract betrekking heeft, en verleent niet het recht tot het voeren van de beroepstitel van de partij waar de dienst wordt verleend, en

g)

het aantal personen dat onder het dienstencontract valt, mag niet hoger zijn dan voor de uitvoering van het contract noodzakelijk is, zoals vereist kan zijn op grond van de wet- en regelgeving of andere wettelijke voorschriften van de partij waarin de dienst wordt verleend.

Artikel 218

Beoefenaars van vrij beroep

1.   Overeenkomstig de bijlagen XXVII-D en XXVII-H bij deze overeenkomst staan de partijen toe dat beoefenaars van een vrij beroep uit de andere partij op hun respectieve grondgebied diensten verlenen, met inachtneming van de voorwaarden van lid 2 van dit artikel.

2.   Op de door de partijen aangegane verbintenissen zijn de volgende voorwaarden van toepassing:

a)

de natuurlijke personen moeten voor het verlenen van een dienst tijdelijk zijn aangetrokken als op het grondgebied van de andere partij gevestigde zelfstandige, en een dienstencontract hebben gesloten voor een periode van maximaal twaalf maanden;

b)

de natuurlijke personen die het grondgebied van de andere partij binnenkomen, moeten op de datum van indiening van het verzoek om toegang tot dat grondgebied ten minste zes jaar beroepservaring hebben in de economische sector waarop het contract betrekking heeft;

c)

de natuurlijke personen die het grondgebied van de andere partij binnenkomen, moeten in het bezit zijn van:

i)

een universitaire graad of een kwalificatie waaruit kennis op een gelijkwaardig niveau blijkt (20), en

ii)

beroepskwalificaties die nodig zijn voor de uitoefening van een activiteit op grond van de wet- en regelgeving of andere wettelijke voorschriften van de partij waar de dienst wordt verleend;

d)

de toelating tot en het tijdelijke verblijf van natuurlijke personen op het grondgebied van de betrokken partij vinden plaats voor een periode van bij elkaar opgeteld maximaal zes maanden, dan wel, wat Luxemburg aangaat, vijfentwintig weken, gedurende een periode van twaalf maanden dan wel voor de duur van het contract indien dit een kortere looptijd heeft, en

e)

de toelating waarvoor ingevolge dit artikel toestemming wordt verleend, heeft enkel betrekking op de dienstenactiviteit waarop het contract betrekking heeft, en verleent niet het recht tot het voeren van de beroepstitel van de partij waar de dienst wordt verleend.

Afdeling 5

Regelgevingskader

Onderafdeling 1

Interne regelgeving

Artikel 219

Toepassingsgebied en definities

1.   De volgende voorschriften gelden voor maatregelen van de partijen die betrekking hebben op vergunningsvereisten en -procedures alsmede kwalificatievereisten en -procedures die van invloed zijn op:

a)

de grensoverschrijdende dienstverlening;

b)

de vestiging op hun grondgebied van natuurlijke of rechtspersonen als omschreven in artikel 203, punt 8), van deze overeenkomst;

c)

het tijdelijke verblijf op hun grondgebied van natuurlijke personen als omschreven in artikel 214, lid 2, onder a) tot en met e), van deze overeenkomst.

2.   Wat grensoverschrijdende dienstverlening aangaat, zijn die voorschriften alleen van toepassing op sectoren waarvoor de partij specifieke verbintenissen is aangegaan, en voor zover die specifieke verbintenissen van toepassing zijn. Wat vestiging aangaat, zijn deze voorschriften niet van toepassing op sectoren voor zover een voorbehoud is gemaakt overeenkomstig de bijlagen XXVII-A en XXVII-E bij deze overeenkomst. Wat het tijdelijke verblijf van natuurlijke personen aangaat, zijn deze voorschriften niet van toepassing op sectoren voor zover een voorbehoud is gemaakt overeenkomstig de bijlagen XXVII-C en XXVII-D alsmede de bijlagen XXVII-G en XXVII-H bij deze overeenkomst.

3.   Deze voorschriften zijn niet van toepassing op maatregelen voor zover zij beperkingen vormen waarvoor lijsten worden opgesteld.

4.   Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:

a)   „vergunningsvereisten”: andere materiële eisen dan kwalificatievereisten, waaraan een natuurlijke of rechtspersoon moet voldoen om een vergunning voor het verrichten van de in lid 1, onder a) tot en met c), omschreven activiteiten te verkrijgen, te wijzigen of te verlengen;

b)   „vergunningsprocedures”: administratieve of procedureregels waaraan een natuurlijke of rechtspersoon, die verzoekt om een vergunning voor het verrichten van de in lid 1, onder a) tot en met c), omschreven activiteiten, met inbegrip van de wijziging of verlenging van een vergunning, moet voldoen om aan te tonen dat is voldaan aan de vergunningsvereisten;

c)   „kwalificatievereisten”: materiële eisen met betrekking tot de bevoegdheid van een natuurlijke persoon om een dienst te verlenen, die moeten worden aangetoond om een vergunning voor het verlenen van een dienst te kunnen krijgen;

d)   „kwalificatieprocedures”: administratieve of procedureregels waaraan een natuurlijke persoon moet voldoen om aan te tonen dat is voldaan aan de kwalificatievereisten om een vergunning voor het verlenen van een dienst te kunnen krijgen, en

e)   „bevoegde autoriteit”: alle centrale, regionale of lokale overheden of autoriteiten of niet-gouvernementele organisaties die door centrale, regionale of lokale overheden of autoriteiten gedelegeerde bevoegdheden uitoefenen, die een besluit nemen betreffende de afgifte van een vergunning voor het verlenen van een dienst, ook als dat vestiging inhoudt, of betreffende afgifte van een vergunning om zich te vestigen teneinde een andere economische activiteit dan dienstverlening uit te oefenen.

Artikel 220

Voorwaarden voor verlenen van vergunningen en kwalificaties

1.   Elke partij draagt er zorg voor dat maatregelen inzake vergunningsvereisten en -procedures en kwalificatievereisten en -procedures gebaseerd zijn op criteria die de bevoegde autoriteiten beletten hun beoordelingsbevoegdheid op een willekeurige wijze uit te oefenen.

2.   De in lid 1 bedoelde criteria zijn:

a)

evenredig met een doelstelling van het overheidsbeleid;

b)

duidelijk en ondubbelzinnig;

c)

objectief;

d)

vooraf vastgesteld;

e)

vooraf openbaar gemaakt, en

f)

transparant en toegankelijk.

3.   Een vergunning wordt verleend zodra bij een passend onderzoek is vastgesteld dat aan de voorwaarden voor het verlenen van een vergunning is voldaan.

4.   Elke partij houdt gerechtelijke, scheidsrechterlijke of administratieve instanties of procedures in stand, of stelt deze in, waar of waarmee op verzoek van een betrokken ondernemer of dienstverlener administratieve besluiten met betrekking tot vestiging, grensoverschrijdende dienstverlening of de tijdelijke aanwezigheid van natuurlijke personen voor zaken onverwijld kunnen worden onderzocht en, indien gerechtvaardigd, door passende maatregelen kunnen worden herzien. Wanneer deze procedures niet onafhankelijk zijn van het orgaan dat bevoegd is het betrokken administratieve besluit te nemen, ziet elke partij erop toe dat de procedures feitelijk in een objectief en onpartijdig onderzoek voorzien.

5.   Indien het aantal voor een bepaalde activiteit beschikbare vergunningen beperkt is vanwege de schaarste aan beschikbare natuurlijke hulpbronnen of de gebrekkige technische capaciteit, zorgt elke partij ten aanzien van potentiële kandidaten voor een selectieprocedure die alle waarborgen voor onpartijdigheid en transparantie biedt, met inbegrip van in het bijzonder een passende bekendmaking wat de aanvang, het verloop en de afronding van de procedure betreft.

6.   Onverminderd dit artikel kan elke partij bij het opstellen van de voorschriften voor de selectieprocedure rekening houden met doelstellingen van overheidsbeleid, met inbegrip van overwegingen inzake gezondheid, veiligheid, milieubescherming en de instandhouding van cultureel erfgoed.

Artikel 221

Vergunnings- en kwalificatieprocedures

1.   Vergunnings- en kwalificatieprocedures en -formaliteiten zijn duidelijk, worden vooraf bekendgemaakt en waarborgen voor aanvragers dat hun aanvraag op objectieve en onpartijdige wijze wordt behandeld.

2.   Vergunnings- en kwalificatieprocedures en -formaliteiten zijn zo eenvoudig mogelijk en bemoeilijken of vertragen het verlenen van de dienst niet onnodig. Voor de vergunning verschuldigde vergoedingen (21) die de aanvragers eventueel in het kader van hun aanvraag moeten betalen, moeten redelijk en evenredig met de kosten van de desbetreffende vergunningsprocedures zijn.

3.   Elke partij zorgt ervoor dat de door de bevoegde autoriteit bij het verlenen van vergunningen en het nemen van besluiten gevolgde procedures onpartijdig zijn ten aanzien van alle aanvragers. De bevoegde autoriteit moet bij haar besluitvorming onafhankelijk zijn en geen verantwoording verschuldigd zijn aan verleners van de diensten waarvoor de vergunning vereist is.

4.   Wanneer voor aanvragen specifieke termijnen bestaan, moet een aanvrager voor het indienen van een aanvraag over een redelijke termijn beschikken. De bevoegde autoriteit behandelt een aanvraag zonder onnodige vertraging. Waar mogelijk worden aanvragen in elektronische vorm geaccepteerd onder dezelfde voorwaarden inzake echtheid als papieren aanvragen.

5.   Elke partij ziet erop toe dat de behandeling van een aanvraag, met inbegrip van het definitieve besluit, wordt voltooid binnen een redelijke termijn na de indiening van een volledige aanvraag. Elke partij streeft ernaar voor het behandelen van een aanvraag het normale tijdsbestek vast te stellen.

6.   De bevoegde autoriteit stelt binnen een redelijke termijn na ontvangst van een aanvraag die haars inziens onvolledig is, de aanvrager daarvan in kennis, vermeldt, voor zover dit haalbaar is, welke aanvullende informatie nodig is om de aanvraag te vervolledigen en biedt de mogelijkheid om tekortkomingen te corrigeren.

7.   Waar mogelijk moeten in de plaats van de originele documenten gewaarmerkte kopieën worden aanvaard.

8.   Indien de bevoegde autoriteit een aanvraag afwijst, wordt dat de aanvrager schriftelijk en zonder onnodige vertraging meegedeeld. In beginsel moet de aanvrager desgevraagd ook in kennis worden gesteld van de redenen voor de afwijzing van de aanvraag en van de termijn waarbinnen tegen het besluit beroep kan worden ingesteld.

9.   Elke partij zorgt ervoor dat zodra een vergunning is verleend, zij overeenkomstig de daarin gestelde voorwaarden zo spoedig mogelijk in werking treedt.

Onderafdeling 2

Algemene bepalingen

Artikel 222

Wederzijdse erkenning

1.   Geen enkele bepaling van dit hoofdstuk belet een partij te eisen dat natuurlijke personen de kwalificaties en/of de beroepservaring hebben die op het grondgebied waar de dienst wordt verleend, voor de betrokken sector van activiteit zijn voorgeschreven.

2.   Elke partij moedigt de desbetreffende beroepsorganisaties aan aanbevelingen over wederzijdse erkenning aan het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, zoals bedoeld in artikel 438, lid 4, van deze overeenkomst, voor te leggen, opdat ondernemers en dienstverleners volledig of gedeeltelijk voldoen aan de door elke partij toegepaste criteria voor het verlenen van vergunningen aan en voor de werkzaamheden en de certificering van ondernemers en dienstverleners, in het bijzonder beoefenaars van een vrij beroep.

3.   Wanneer het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken een aanbeveling als bedoeld in lid 2 ontvangt, onderzoekt het deze binnen een redelijke termijn om vast te stellen of zij met deze overeenkomst in overeenstemming is, en op basis van de in de aanbeveling vervatte informatie beoordeelt het in het bijzonder:

a)

de mate waarin de normen en de criteria die elke partij hanteert voor het verlenen van vergunningen aan en voor de werkzaamheden en de certificering van ondernemers en dienstverleners, met elkaar verenigbaar zijn, en

b)

de potentiële economische waarde van een overeenkomst inzake wederzijdse erkenning.

4.   Indien aan deze vereisten is voldaan, neemt het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken de nodige maatregelen om tot onderhandelingen te komen. Vervolgens onderhandelen de door hun bevoegde autoriteiten vertegenwoordigde partijen over een overeenkomst inzake wederzijdse erkenning.

5.   Een overeenkomst inzake wederzijdse erkenning als bedoeld in lid 4 van dit artikel dient in overeenstemming te zijn met de desbetreffende bepalingen van de WTO-overeenkomst, in het bijzonder met artikel VII van de GATS.

Artikel 223

Transparantie en bekendmaking van vertrouwelijke informatie

1.   Elke partij beantwoordt zo spoedig mogelijk verzoeken van de andere partij om specifieke algemene informatie over algemene maatregelen of internationale overeenkomsten die op deze overeenkomst betrekking hebben of daarvoor gevolgen hebben. Elke partij richt ook één of meer informatiepunten op, die over al deze aangelegenheden op verzoek specifieke informatie verstrekken aan ondernemers en dienstverleners uit de andere partij. De partijen stellen elkaar binnen drie maanden na de inwerkingtreding van deze overeenkomst in kennis van hun informatiepunten. Het is niet nodig dat de informatiepunten depositaris zijn van wet- en regelgeving.

2.   Geen enkele bepaling van deze overeenkomst verplicht een partij tot verstrekking van vertrouwelijke informatie waarvan bekendmaking de rechtshandhaving zou belemmeren of anderszins in strijd zou zijn met het openbaar belang of schadelijk zou zijn voor de rechtmatige handelsbelangen van bepaalde openbare of particuliere ondernemingen.

Onderafdeling 3

Diensten in verband met computers

Artikel 224

Afspraak over diensten in verband met computers

1.   Voor zover de handel in diensten in verband met computers overeenkomstig afdeling 2 (Vestiging), afdeling 3 (Grensoverschrijdende dienstverlening) en afdeling 4 (Tijdelijke aanwezigheid van natuurlijke personen voor zaken) van dit hoofdstuk is geliberaliseerd, voldoen de partijen aan de bepalingen van dit artikel.

2.   CPC (22) 84, de VN-code die wordt gebruikt voor het beschrijven van diensten in verband met computers, heeft betrekking op de basisfuncties voor alle diensten in verband met computers:

a)

computerprogramma's omschreven als serie instructies waardoor computers kunnen werken of met elkaar kunnen communiceren (met inbegrip van de ontwikkeling en implementatie ervan);

b)

gegevensverwerking en -opslag, en

c)

aanverwante diensten, zoals het geven van adviezen en opleidingen aan het personeel van klanten.

De technologische ontwikkeling heeft geleid tot een toename van het aanbod van deze diensten als een pakket aanverwante diensten die alle of een deel van die basisfuncties kunnen omvatten. Zo bestaan diensten als web- of domeinhosting, datamining en gridcomputing allemaal uit een combinatie van basisfuncties van diensten in verband met computers.

3.   Ongeacht of zij via een netwerk, zoals internet, worden geleverd, omvatten de diensten in verband met computers alle diensten op het gebied van:

a)

advies, strategie, analyse, planning, specificatie, ontwerp, ontwikkeling, installatie, implementatie, integratie, testen, debuggen, updaten, ondersteuning, technische hulp of beheer van of voor computers of computersystemen;

b)

computerprogramma's omschreven als serie instructies waardoor computers zelfstandig kunnen werken en met elkaar kunnen communiceren, alsmede advies, strategie, analyse, planning, specificatie, ontwerp, ontwikkeling, installatie, implementatie, integratie, testen, debuggen, updaten, aanpassen, onderhoud, ondersteuning, technische hulp, beheer of gebruik van of voor computerprogramma's;

c)

de verwerking, opslag en hosting van gegevens of diensten in verband met databanken;

d)

onderhoud en reparatie van kantoormachines en toebehoren, met inbegrip van computers, of

e)

opleidingen voor het personeel van klanten in verband met computerprogramma's, computers of computersystemen die niet elders zijn ingedeeld.

4.   Diensten in verband met computers maken andere diensten (zoals bankieren), elektronisch of anderszins, mogelijk. Er is echter een groot verschil tussen de ondersteunende dienst (bv. webhosting of applicatiehosting) en de inhouds- of hoofddienst die elektronisch wordt geleverd (bv. bankieren). In dergelijke gevallen valt de inhouds- of hoofddienst niet onder CPC 84.

Onderafdeling 4

Post- en koeriersdiensten

Artikel 225

Toepassingsgebied en definities

1.   Deze onderafdeling bevat de beginselen van het regelgevingskader voor alle post- en koeriersdiensten die overeenkomstig afdeling 2 (Vestiging), afdeling 3 (Grensoverschrijdende dienstverlening) en afdeling 4 (Tijdelijke aanwezigheid van natuurlijke personen voor zaken) van dit hoofdstuk zijn geliberaliseerd.

2.   Voor de toepassing van deze onderafdeling en van afdeling 2 (Vestiging), afdeling 3 (Grensoverschrijdende dienstverlening) en afdeling 4 (Tijdelijke aanwezigheid van natuurlijke personen voor zaken) van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a)   „vergunning”: een vergunning die door een regelgevende autoriteit aan een individuele dienstverlener moet worden verleend alvorens deze een bepaalde dienst mag verlenen;

b)   „universele dienst”: het op permanente basis verlenen van een postdienst met een specifieke hoedanigheid, op het hele grondgebied van een partij en tegen voor alle gebruikers redelijke prijzen.

Artikel 226

Voorkoming van concurrentiebeperkende praktijken in post- en koeriersector

Er worden passende maatregelen gehandhaafd of genomen om te voorkomen dat dienstverleners die, alleen of samen met anderen, de voorwaarden voor deelneming (wat prijs en aanbod betreft) aan de relevante markt voor post- en koeriersdiensten door het gebruik van hun eigen marktpositie in belangrijke mate kunnen beïnvloeden, overgaan tot concurrentiebeperkende praktijken of deze voortzetten.

Artikel 227

Universele dienst

Elke partij heeft het recht vast te stellen welke universeledienstverplichtingen zij in stand wenst te houden. Dergelijke verplichtingen worden niet per se concurrentiebeperkend geacht, mits zij op een transparante, niet-discriminerende en uit mededingingsoogpunt neutrale wijze worden uitgevoerd en voor de door de partij vastgestelde soort universele dienst geen grotere last vertegenwoordigen dan nodig is.

Artikel 228

Vergunningen

1.   Een vergunning kan alleen worden verlangd voor diensten die binnen het toepassingsgebied van de universele dienst vallen.

2.   Indien een vergunning vereist is, worden de volgende gegevens algemeen bekendgemaakt:

a)

alle vergunningscriteria en de periode die normaliter nodig is om een beslissing over de aanvraag van een vergunning te nemen, en

b)

de voorwaarden voor de betrokken vergunningen.

3.   De redenen voor weigering van een vergunning worden de aanvrager desgevraagd meegedeeld. Elke partij legt een procedure vast voor het instellen van beroep bij een onafhankelijke instantie. Een dergelijke procedure zal transparant en niet-discriminerend zijn, waarbij objectieve criteria worden gehanteerd.

Artikel 229

Onafhankelijkheid van regelgevende instantie

De regelgevende instantie is juridisch gescheiden van en niet aansprakelijk jegens verleners van post- en koeriersdiensten. De besluiten die de regelgevende instantie neemt en de procedures die zij volgt, zijn ten aanzien van alle marktdeelnemers onpartijdig.

Artikel 230

Geleidelijke aanpassing

Elke partij erkent het belang van een geleidelijke aanpassing van de bestaande en toekomstige wetgeving van de Republiek Moldavië aan de lijst van het acquis van de Unie die is opgenomen in bijlage XXVIII-C bij deze overeenkomst.

Onderafdeling 5

Netwerken en diensten voor elektronische communicatie

Artikel 231

Toepassingsgebied en definities

1.   Deze onderafdeling bevat de beginselen van het regelgevingskader voor alle elektronische-communicatiediensten die overeenkomstig afdeling 2 (Vestiging), afdeling 3 (Grensoverschrijdende dienstverlening) en afdeling 4 (Tijdelijke aanwezigheid van natuurlijke personen voor zaken) van dit hoofdstuk zijn geliberaliseerd.

2.   Voor de toepassing van deze onderafdeling en van afdeling 2 (Vestiging), afdeling 3 (Grensoverschrijdende dienstverlening) en afdeling 4 (Tijdelijke aanwezigheid van natuurlijke personen voor zaken) van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a)   „elektronische-communicatiediensten”: alle diensten die volledig of voornamelijk bestaan uit de verzending van signalen via elektronische-communicatienetwerken, met inbegrip van telecommunicatiediensten en transmissiediensten met behulp van netwerken die voor omroep worden gebruikt. Deze diensten hebben geen betrekking op diensten die met behulp van elektronische-communicatienetwerken en elektronische-communicatiediensten doorgezonden inhoud aanbieden of hierover redactionele controle hebben;

b)   „openbaar communicatienetwerk”: elektronische-communicatienetwerk dat volledig of voornamelijk voor het verlenen van openbare elektronische-communicatiediensten wordt gebruikt;

c)   „elektronische-communicatienetwerk”: de transmissiesystemen en in voorkomend geval de schakel- of routeringsapparatuur en andere middelen die het mogelijk maken signalen over te brengen via draad, radiogolven, optische of andere elektromagnetische middelen waaronder satellietnetwerken, vaste (circuit- en pakketgeschakelde, met inbegrip van internet) en mobiele terrestrische netwerken, elektriciteitsnetten, voor zover deze voor overdracht van signalen worden gebruikt, netwerken voor radio- en televisieomroep en kabeltelevisienetwerken, ongeacht de aard van de overgebrachte informatie;

d)   „regelgevende autoriteit” in de elektronische-communicatiesector: de instantie of instanties die belast is/zijn met de regelgeving inzake de in dit hoofdstuk bedoelde elektronische communicatie;

e)   „aanzienlijke marktmacht”: een dienstverlener wordt geacht een aanzienlijke marktmacht te hebben wanneer hij, alleen of samen met anderen, een met een machtspositie overeenkomende positie heeft, dit wil zeggen een economische kracht bezit die hem in staat stelt zich in belangrijke mate onafhankelijk van zijn concurrenten, klanten en uiteindelijk consumenten te gedragen;

f)   „interconnectie”: de fysieke en logische koppeling van openbare communicatienetwerken die door dezelfde of een andere dienstverlener worden benut om gebruikers van een dienstverlener in staat te stellen te communiceren met gebruikers van dezelfde of van een andere dienstverlener, of toegang te hebben tot diensten van een andere dienstverlener. Diensten kunnen worden verleend door de betrokken partijen of door andere partijen die toegang tot het netwerk hebben. Interconnectie is een specifieke vorm van toegang die tussen exploitanten van openbare netwerken tot stand wordt gebracht;

g)   „universele dienst”: het pakket van diensten van een bepaalde kwaliteit dat op het grondgebied van een partij tegen een betaalbare prijs beschikbaar is voor alle gebruikers, ongeacht hun geografische locatie. Elke partij beslist over het toepassingsgebied en de uitvoering van de universele dienst;

h)   „toegang”: het beschikbaar stellen van faciliteiten en/of diensten aan een andere dienstverlener, onder vastgestelde voorwaarden, al dan niet op exclusieve basis, met het doel elektronische-communicatiediensten te verlenen. Dit omvat onder andere toegang tot netwerkonderdelen en bijbehorende faciliteiten, wat mee kan brengen dat apparatuur wordt gekoppeld door middel van vaste of mobiele middelen (dit omvat in het bijzonder de toegang tot het aansluitnet en tot alle faciliteiten en diensten die noodzakelijk zijn om via het aansluitnet diensten te verlenen); toegang tot materiële infrastructuur waaronder gebouwen, goten en masten; toegang tot relevante programmatuursystemen waaronder operationele ondersteuningssystemen; toegang tot nummervertaling of systemen met vergelijkbare functionaliteit; toegang tot vaste en mobiele netwerken, in het bijzonder voor roaming; toegang tot voorwaardelijke toegangssystemen voor digitale-televisiediensten; toegang tot virtuele netwerkdiensten;

i)   „eindgebruiker”: een gebruiker die geen diensten in verband met openbare communicatienetwerken of met openbare elektronische communicatie verleent;

j)   „aansluitnet”: fysiek circuit dat het netwerkaansluitpunt in het gebouw van de abonnee verbindt met de hoofdverdeler of een soortgelijke voorziening in het vaste openbare communicatienetwerk.

Artikel 232

Regelgevende autoriteit

1.   Elke partij draagt er zorg voor dat de regelgevende autoriteiten voor elektronische-communicatiediensten juridisch gescheiden en functioneel onafhankelijk zijn van verleners van elektronische-communicatiediensten. Indien een partij eigenaar is van of zeggenschap heeft over een dienstverlener die elektronische-communicatienetwerken exploiteert of elektronische-communicatiediensten verleent, zorgt deze partij voor een werkelijke structurele scheiding tussen de regelgevende taken en de met de eigendom of de zeggenschap verband houdende activiteiten.

2.   Elke partij waarborgt dat de regelgevende autoriteit voldoende bevoegdheden heeft om de sector te reguleren. De taken van een regelgevende autoriteit worden op duidelijke wijze en in een gemakkelijk toegankelijke vorm bekendgemaakt, in het bijzonder wanneer meer dan een instantie met die taken belast is.

3.   Elke partij zorgt ervoor dat de besluiten die de regelgevende autoriteiten nemen en de procedures die zij volgen, ten aanzien van alle marktdeelnemers onpartijdig en transparant zijn.

4.   De regelgevende autoriteit is bevoegd de relevante producten- en dienstenmarkten die in aanmerking komen voor regulering ex ante, te analyseren. Voor zover de regelgevende autoriteit ingevolge artikel 234 van deze overeenkomst moet bepalen of verplichtingen moeten worden opgelegd, gehandhaafd, gewijzigd dan wel ingetrokken, bepaalt zij op basis van een marktanalyse of de relevante markt daadwerkelijk concurrerend is.

5.   Voor zover de regelgevende autoriteit bepaalt dat een relevante markt niet daadwerkelijk concurrerend is, stelt zij vast en wijst zij aan welke dienstverleners aanzienlijke marktmacht op die markt hebben en legt zij naar gelang van het geval specifieke wettelijke verplichtingen als bedoeld in artikel 234 van deze overeenkomst op, dan wel handhaaft of wijzigt zij deze. Voor zover de regelgevende autoriteit concludeert dat de markt daadwerkelijk concurrerend is, legt zij geen van de in artikel 234 van deze overeenkomst bedoelde wettelijke verplichtingen op en handhaaft zij deze evenmin.

6.   Elke partij waarborgt dat een door het besluit van een regelgevende autoriteit getroffen dienstverlener het recht heeft om tegen dat besluit beroep in te stellen bij een beroepsinstantie die onafhankelijk is van de bij dat besluit betrokken partijen. Elke partij waarborgt dat naar behoren rekening wordt gehouden met de omstandigheden van het geval. Zolang er geen uitspraak inzake het ingestelde beroep is gedaan, blijft het besluit van de regelgevende autoriteit van kracht, tenzij de beroepsinstantie anders beslist. Wanneer de beroepsinstantie geen rechterlijke instantie is, motiveert zij haar beslissing altijd schriftelijk en kunnen haar beslissingen tevens door een onpartijdige en onafhankelijke rechterlijke autoriteit worden getoetst. Beslissingen van beroepsinstanties worden daadwerkelijk ten uitvoer gelegd.

7.   Elke partij waarborgt dat indien de regelgevende autoriteiten voornemens zijn maatregelen te treffen die verband houden met een of meer bepalingen van deze onderafdeling en die een merkbare impact hebben op de relevante markt, zij de belanghebbenden gelegenheid geven binnen een redelijke termijn opmerkingen over de ontwerpmaatregel in te dienen. De regelgevende autoriteiten maken hun overlegprocedures bekend. De uitkomsten van de overlegprocedure worden openbaar gemaakt, tenzij het vertrouwelijke informatie betreft.

8.   Elke partij zorgt ervoor dat dienstverleners die elektronische-communicatienetwerken aanbieden en elektronische-communicatiediensten verlenen, alle informatie, met inbegrip van financiële informatie, verstrekken die de regelgevende autoriteiten nodig hebben om na te gaan of de bepalingen van deze onderafdeling of overeenkomstig deze onderafdeling genomen besluiten worden nageleefd. Deze dienstverleners verstrekken deze informatie desgevraagd onverwijld, binnen de door de regelgevende autoriteit gestelde termijnen en zo uitgebreid als door haar is verzocht. De informatie waarom de regelgevende autoriteit verzoekt, zal evenredig zijn met de uitvoering van die taak. De regelgevende autoriteit geeft de redenen die haar verzoek om informatie rechtvaardigen.

Artikel 233

Vergunning voor verlenen van elektronische-communicatiediensten

1.   Elke partij waarborgt dat een vergunning voor het verlenen van diensten zoveel mogelijk wordt verleend na enkele kennisgeving.

2.   Elke partij waarborgt dat een vergunning kan worden verlangd voor nummer- en frequentietoekenning. De desbetreffende vergunningsvoorwaarden worden algemeen bekendgemaakt.

3.   Elke partij waarborgt dat indien een vergunning vereist is:

a)

alle vergunningscriteria en de redelijke termijn die normaliter nodig is om een beslissing over de aanvraag van een vergunning te nemen, algemeen bekend worden gemaakt;

b)

de redenen voor afwijzing van een vergunning de aanvrager op diens verzoek schriftelijk bekend worden gemaakt;

c)

de aanvrager van een vergunning ingeval een vergunning ten onrechte geweigerd is, zich tot een beroepsinstantie kan wenden, en

d)

de door een partij verlangde vergoedingen (23) voor het verlenen van een vergunning niet hoger zijn dan de administratieve kosten die normaliter met het beheer van, het toezicht op en de handhaving van de desbetreffende vergunningen gemoeid zijn. Dit lid is niet van toepassing op vergoedingen voor het verlenen van een vergunning voor het gebruik van het radiospectrum en de nummervoorraad.

Artikel 234

Toegang en interconnectie

1.   Elke partij zorgt ervoor dat elke dienstverlener die een vergunning heeft voor het aanbieden van elektronische-communicatiediensten, gerechtigd en verplicht is tot het bedingen van toegang tot en interconnectie met aanbieders van openbare elektronische-communicatienetwerken en -diensten. In beginsel worden afspraken over toegang en interconnectie gemaakt op basis van commerciële onderhandelingen tussen de betrokken dienstverleners.

2.   Elke partij ziet erop toe dat dienstverleners die bij onderhandelingen over interconnectieregelingen informatie van een andere dienstverlener ontvangen, die informatie uitsluitend gebruiken voor het doel waarvoor die werd verstrekt en dat zij de vertrouwelijkheid van de verstrekte of opgeslagen informatie te allen tijde respecteren.

3.   Elke partij waarborgt dat een regelgevende autoriteit die overeenkomstig artikel 232 van deze overeenkomst heeft vastgesteld dat een relevante markt niet daadwerkelijk concurrerend is, de bevoegdheid heeft aan de dienstverlener die wordt geacht een aanzienlijke marktmacht te hebben, een of meer van de volgende verplichtingen in verband met interconnectie en/of toegang op te leggen:

a)

een verplichting inzake non-discriminatie om ervoor te zorgen dat de exploitant ten aanzien van andere leveranciers die gelijkwaardige diensten aanbieden onder gelijkwaardige omstandigheden gelijkwaardige voorwaarden toepast, en aan anderen diensten en informatie aanbiedt onder dezelfde voorwaarden en van dezelfde kwaliteit als die welke hij voor zijn eigen diensten of diensten van zijn dochterondernemingen of partners biedt;

b)

een verplichting voor verticaal geïntegreerde ondernemingen om opening van zaken te geven over hun groothandelsprijzen en verrekenprijzen, wanneer er sprake is van een non-discriminatievoorschrift of het er om gaat oneerlijke kruissubsidiëring te voorkomen. De regelgevende autoriteit kan nader bepalen welk model en welke boekhoudkundige methode moeten worden gehanteerd;

c)

verplichtingen om in te gaan op redelijke verzoeken om toegang tot en gebruik van bepaalde netwerkonderdelen en bijbehorende faciliteiten, met inbegrip van ontbundelde toegang tot het aansluitnet, onder andere wanneer de regelgevende autoriteit van mening is dat het weigeren van toegang of het opleggen van onredelijke voorwaarden met een vergelijkbaar effect de ontwikkeling van een door duurzame concurrentie gekenmerkte detailhandelsmarkt zou belemmeren, of niet in het belang van de eindgebruiker zou zijn.

De regelgevende autoriteiten kunnen ten aanzien van de in dit punt bedoelde verplichtingen nadere voorwaarden stellen, verband houdende met billijkheid, redelijkheid en tijdigheid;

d)

de verplichting om op groothandelsbasis bepaalde diensten aan te bieden voor wederverkoop door derden; om open toegang te verlenen tot technische interfaces, protocollen of andere kerntechnologieën die onmisbaar zijn voor de interoperabiliteit van diensten of virtuele netwerkdiensten; om co-locatie of andere vormen van gedeeld gebruik van faciliteiten aan te bieden, met inbegrip van gedeeld gebruik van goten, gebouwen of masten; om bepaalde diensten aan te bieden die nodig zijn voor de interoperabiliteit van de aan gebruikers geleverde eind-tot-eind-diensten, met inbegrip van faciliteiten voor intelligente-netwerkdiensten; om toegang te verlenen tot operationele ondersteuningssystemen of vergelijkbare softwaresystemen die nodig zijn om eerlijke concurrentie bij het aanbieden van diensten te waarborgen, en om te zorgen voor interconnectie van netwerken of netwerkfaciliteiten.

De regelgevende autoriteiten kunnen ten aanzien van de in dit punt bedoelde verplichtingen nadere voorwaarden stellen, verband houdende met billijkheid, redelijkheid en tijdigheid;

e)

verplichtingen inzake het terugverdienen van kosten en prijscontrole, met inbegrip van verplichtingen inzake kostenoriëntering van prijzen en kostentoerekeningssystemen, voor het verlenen van specifieke vormen van interconnectie en/of toegang, wanneer uit een marktanalyse blijkt dat de betrokken exploitant de prijzen door het ontbreken van werkelijke concurrentie op een buitensporig hoog peil kan handhaven of de marges kan uithollen, ten nadele van de eindgebruikers.

De regelgevende autoriteiten houden rekening met de door de exploitant gedane investeringen en laten toe dat hij een redelijke opbrengst verkrijgt uit zijn kapitaalinbreng, de aangegane risico's in aanmerking genomen;

f)

de verplichting tot bekendmaking van de specifieke verplichtingen die door de regelgevende autoriteit aan dienstverleners zijn opgelegd, waarbij de specifieke producten-/diensten- en de geografische markten worden vermeld. Actuele informatie, mits deze niet vertrouwelijk is en geen zakengeheimen omvat, wordt openbaar gemaakt op een wijze die waarborgt dat alle belanghebbenden gemakkelijk toegang tot die informatie hebben;

g)

verplichtingen inzake transparantie, waarbij van een exploitant wordt verlangd dat hij bepaalde informatie openbaar maakt; in het bijzonder wanneer hij niet-discriminatieverplichtingen heeft, kan de regelgevende autoriteit verlangen dat de exploitant een referentieaanbieding bekendmaakt, die zodanig wordt ontbundeld dat dienstverleners niet hoeven te betalen voor faciliteiten die niet nodig zijn voor de gevraagde dienst, en daarbij de relevante aanbiedingen beschrijft, met een uitsplitsing in componenten naar gelang de behoeften van de markt, samen met de bijbehorende voorwaarden en prijzen.

4.   Elke partij waarborgt dat een dienstverlener die verzoekt om interconnectie met een dienstverlener waarvan is vastgesteld dat hij een aanzienlijke marktmacht heeft, hetzij te allen tijde hetzij na een redelijke termijn die openbaar is gemaakt, een beroep kan doen op een onafhankelijk intern orgaan, dat een regelgevende instantie kan zijn als bedoeld in artikel 231, lid 2, onder d), van deze overeenkomst, voor de beslechting van geschillen over de voorwaarden voor interconnectie en/of toegang.

Artikel 235

Schaarse middelen

1.   Elke partij waarborgt dat alle procedures voor de toewijzing en het gebruik van schaarse middelen, zoals frequenties, nummers en doorgangsrechten, worden toegepast op objectieve, evenredige, tijdige, transparante en niet-discriminerende wijze. De stand van zaken met betrekking tot toegewezen frequentiebanden wordt algemeen bekendgemaakt, maar een gedetailleerde vermelding van de frequenties die voor specifiek gebruik door de overheid zijn toegewezen, is niet vereist.

2.   Elke partij zorgt voor het doeltreffende beheer van radiofrequenties voor elektronische-communicatiediensten op haar grondgebied, teneinde een doeltreffend en efficiënt gebruik van het spectrum te waarborgen. Indien de vraag naar bepaalde frequenties groter is dan de beschikbaarheid ervan, worden voor de toewijzing van deze frequenties passende en transparante procedures gevolgd teneinde het gebruik ervan te optimaliseren en de ontwikkeling van de mededinging te bevorderen.

3.   Elke partij waarborgt dat de toewijzing van de nationale nummervoorraden en het beheer van de nationale nummerplannen aan de regelgevende autoriteit worden toevertrouwd.

4.   Voor zover lokale of andere overheden de eigendom van of de zeggenschap over dienstverleners die openbare communicatienetwerken en/of -diensten exploiteren, behouden, moet worden gezorgd voor een daadwerkelijke structurele scheiding tussen de taak inzake toekenning van rechten en de taak die verband houdt met de eigendom of de zeggenschap.

Artikel 236

Universele dienst

1.   Elke partij heeft het recht vast te stellen welke universeledienstverplichtingen zij in stand wenst te houden.

2.   Deze verplichtingen worden niet per se concurrentiebeperkend geacht, mits zij op een transparante, objectieve en niet-discriminerende wijze worden uitgevoerd. De uitvoering van dergelijke verplichtingen is ook neutraal met betrekking tot de mededinging en niet belastender dan nodig is voor de soort universele dienst die door de partij wordt vastgesteld.

3.   Elke partij draagt er zorg voor dat alle dienstverleners in aanmerking komen voor het verlenen van universele diensten en dat geen enkele dienstverlener a priori wordt uitgesloten. De aanwijzing geschiedt door middel van een efficiënt, transparant, objectief en niet-discriminerend mechanisme. Indien nodig beoordeelt elke partij of het verlenen van universele diensten een onbillijke last vormt voor de organisatie(s) die is/zijn aangewezen om de universele diensten te verlenen. Wanneer dit op grond van een dergelijke berekening gerechtvaardigd is, bepalen de regelgevende autoriteiten, rekening houdend met het eventuele marktvoordeel voor een organisatie die de universele dienst verleent, of er een mechanisme nodig is om de betrokken dienstverlener(s) te compenseren of de nettokosten van de universeledienstverplichtingen te delen.

4.   Elke partij ziet erop toe dat:

a)

er voor de gebruikers gidsen van alle abonnees beschikbaar zijn, in gedrukte en/of in elektronische vorm, die regelmatig, doch ten minste eens per jaar, worden bijgewerkt, en

b)

organisaties die de onder a) bedoelde diensten verlenen, het non-discriminatiebeginsel in acht nemen bij de behandeling van informatie die zij van andere organisaties hebben gekregen.

Artikel 237

Grensoverschrijdende verlening van elektronische-communicatiediensten

Geen van de partijen mag ten aanzien van grensoverschrijdende dienstverlening aan een dienstverlener uit de andere partij de voorwaarde stellen dat hij op haar grondgebied gevestigd, in enigerlei vorm aanwezig of daar ingezetene is.

Artikel 238

Vertrouwelijke informatie

Elke partij waarborgt het vertrouwelijke karakter van elektronische communicatie die via een openbaar communicatienetwerk en via openbare elektronische-communicatiediensten plaatsvindt, alsmede van de gegevens over dat verkeer, zonder daardoor de handel in diensten te beperken.

Artikel 239

Geschillen tussen dienstverleners

1.   Elke partij draagt er zorg voor dat wanneer er in verband met de in dit hoofdstuk bedoelde rechten en verplichtingen een geschil rijst tussen aanbieders van elektronische-communicatienetwerken of verleners van elektronische-communicatiediensten, de regelgevende autoriteit op verzoek van een der partijen een bindende beslissing neemt om het geschil op zo kort mogelijke termijn, doch uiterlijk binnen vier maanden, tot een oplossing te brengen.

2.   De beslissing van de regelgevende autoriteit wordt openbaar gemaakt, met inachtneming van de vereisten inzake vertrouwelijke bedrijfsgegevens. De door de betrokken dienstverleners te ontvangen beslissing wordt met redenen omkleed.

3.   Indien een dergelijk geschil betrekking heeft op grensoverschrijdende dienstverlening, coördineren de regelgevende autoriteiten hun inspanningen om het geschil tot een oplossing te brengen.

Artikel 240

Geleidelijke aanpassing

Elke partij erkent het belang van de geleidelijke aanpassing van de bestaande en toekomstige wetgeving van de Republiek Moldavië aan de lijst van het acquis van de Unie die is opgenomen in bijlage XXVIII-B bij deze overeenkomst.

Onderafdeling 6

Financiële diensten

Artikel 241

Toepassingsgebied en definities

1.   Deze afdeling bevat de beginselen van het regelgevingskader voor alle financiële diensten die overeenkomstig afdeling 2 (Vestiging), afdeling 3 (Grensoverschrijdende dienstverlening) en afdeling 4 (Tijdelijke aanwezigheid van natuurlijke personen voor zaken) van dit hoofdstuk zijn geliberaliseerd.

2.   Voor de toepassing van deze onderafdeling en van afdeling 2 (Vestiging), afdeling 3 (Grensoverschrijdende dienstverlening) en afdeling 4 (Tijdelijke aanwezigheid van natuurlijke personen voor zaken) van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a)   „financiële dienst”: elke dienst van financiële aard, aangeboden door een verlener van financiële diensten uit een partij. Financiële diensten omvatten de volgende activiteiten:

i)

verzekeringen en daarmee verband houdende diensten:

1.

directe verzekering (met inbegrip van medeverzekering):

a)

levensverzekering;

b)

schadeverzekering;

2.

herverzekering en retrocessie;

3.

verzekeringsbemiddeling, zoals makelaardij en agentschap, en

4.

ondersteunende diensten voor verzekeringen, zoals diensten van adviseurs en actuarissen en diensten in verband met risicobeoordeling en de afwikkeling van claims;

ii)

bankdiensten en andere financiële diensten (behalve verzekeringen):

1.

aanvaarding van deposito's en andere terugbetaalbare fondsen van het publiek;

2.

alle soorten leningen, waaronder consumentenkrediet en hypotheken, factoring en financiering van commerciële transacties;

3.

financiële leasing;

4.

alle diensten in verband met het betalingsverkeer en de overmaking van geld, waaronder creditcards, betaalkaarten, debetkaarten, reischeques en bankwissels;

5.

garanties en verbintenissen;

6.

transacties voor eigen rekening of voor rekening van cliënten, op de beurs of op de onderhandse markt of anderszins, ten aanzien van:

a)

geldmarktinstrumenten (met inbegrip van cheques, effecten en depositocertificaten);

b)

deviezen;

c)

derivaten, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, termijninstrumenten en opties;

d)

wisselkoers- en rentetariefinstrumenten, waaronder producten als swaps en rentetermijncontracten;

e)

verhandelbare effecten;

f)

andere verhandelbare instrumenten en financiële activa, met inbegrip van edelmetaal;

7.

deelneming in de uitgifte van alle soorten effecten, met inbegrip van garantieverlening en plaatsing in de hoedanigheid van agent (openbaar dan wel particulier) en verlening van diensten in verband met deze uitgiften;

8.

financiële bemiddeling;

9.

beheer van activa, zoals beheer van contanten of portefeuillebeheer, alle vormen van beheer van collectieve investeringen, beheer van pensioenfondsen, diensten aangaande bewaarneming, depositodiensten en fiduciaire diensten;

10.

betalings- en compensatiediensten in verband met financiële activa, met inbegrip van waardepapieren, derivaten en andere verhandelbare instrumenten;

11.

verstrekking en doorgifte van financiële informatie en verwerking van financiële gegevens en daarop betrekking hebbende software;

12.

advies- en bemiddelingsdiensten en andere ondersteunende financiële diensten voor alle onder de punten 1) tot en met 11) vermelde activiteiten, met inbegrip van kredietonderzoek en -analyse, onderzoek en advies aangaande investeringen en beleggingen, advies over overnames, bedrijfsreorganisaties en strategieën;

b)   „verlener van financiële diensten”: een natuurlijke persoon of een rechtspersoon uit een partij die financiële diensten verleent of wenst te verlenen. Openbare instanties vallen niet onder dit begrip „verlener van financiële diensten”;

c)   „openbare instantie”:

i)

een overheid, centrale bank of monetaire en financiële autoriteit van een partij, of een instantie die eigendom is van een partij of onder zeggenschap staat van een partij en die zich in hoofdzaak bezighoudt met de uitvoering van overheidstaken of activiteiten voor overheidsdoeleinden, met uitzondering van instanties die zich in hoofdzaak bezighouden met het verlenen van financiële diensten op commerciële basis, of

ii)

een particuliere instantie, wanneer deze taken vervult die normalerwijze door een centrale bank of monetaire en financiële autoriteit worden vervuld;

d)   „nieuwe financiële dienst”: een dienst van financiële aard, zoals diensten in verband met bestaande of nieuwe producten of de wijze waarop een product wordt geleverd, die niet wordt verleend door verleners van financiële diensten op het grondgebied van een partij, doch die op het grondgebied van de andere partij wel wordt verleend.

Artikel 242

Prudentiële uitzonderingsbepaling

1.   Elke partij kan maatregelen vaststellen of handhaven om prudentiële redenen, waaronder:

a)

de bescherming van investeerders, spaarders, polishouders of personen aan wie een verlener van financiële diensten een fiduciair recht verschuldigd is, en

b)

het verzekeren van de integriteit en de stabiliteit van het financiële systeem van een partij.

2.   Deze maatregelen zijn niet belastender dan nodig is voor het bereiken van het doel ervan en houden niet in dat verleners van financiële diensten uit de andere partij worden gediscrimineerd in vergelijking met de eigen soortgelijke verleners van financiële diensten.

3.   Geen enkele bepaling van deze overeenkomst kan zodanig worden uitgelegd dat zij een partij verplicht tot het verstrekken van informatie betreffende de zaken en de rekeningen van individuele consumenten, dan wel vertrouwelijke of geheime informatie die in het bezit is van openbare instanties.

Artikel 243

Doeltreffende en transparante regelgeving

1.   Elke partij stelt alles in het werk om alle belanghebbenden vooraf kennis te geven van elke door haar beoogde algemene maatregel, zodat die belanghebbenden opmerkingen over die maatregel kunnen maken. Dergelijke maatregelen worden bekendgemaakt:

a)

door officiële publicatie, of

b)

in enige andere vorm, schriftelijk of elektronisch.

2.   Elke partij stelt belanghebbenden in kennis van haar voorschriften voor het indienen van aanvragen met betrekking tot de verlening van financiële diensten.

Op verzoek van een aanvrager stelt de desbetreffende partij deze in kennis van de status van zijn aanvraag. Indien de desbetreffende partij aanvullende informatie van de aanvrager verlangt, stelt zij deze daarvan onverwijld in kennis.

3.   Elke partij stelt alles in het werk opdat internationaal overeengekomen normen voor de regelgeving en het toezicht in de financiëledienstensector en voor de strijd tegen belastingfraude en -ontwijking op haar grondgebied ten uitvoer worden gelegd en worden toegepast. Dergelijke internationaal overeengekomen normen zijn onder meer de „Core Principles for Effective Banking Supervision” van het Bazels Comité voor het bankentoezicht, de „Insurance Core Principles” van de International Association of Insurance Supervisors, de „Objectives and Principles of Securities Regulation” van de International Organisation of Securities Commissions, de „Agreement on Exchange of Information on Tax Matters” van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), de „Statement on Transparency and Exchange of Information for Tax Purposes” van de G20, en de Veertig aanbevelingen inzake het witwassen van geld en de Negen bijzondere aanbevelingen inzake terrorismefinanciering van de Financial Action Task Force.

De partijen nemen bovendien nota van de „Ten Key Principles for Information Exchange” die door de ministers van Financiën van de G-7-landen zijn aangenomen en zullen alles doen wat nodig is opdat deze beginselen in hun bilaterale contacten kunnen worden toegepast.

Artikel 244

Nieuwe financiële diensten

Elke partij staat verleners van financiële diensten uit de andere partij toe nieuwe financiële diensten te verlenen die soortgelijk zijn aan diensten voor het verlenen waarvan zij krachtens haar interne wetgeving onder vergelijkbare omstandigheden aan haar eigen verleners van financiële diensten toestemming zou verlenen. De betrokken partij kan de rechtsvorm vaststellen waarin de dienst kan worden verleend en kan de verlening van de betrokken dienst aan een vergunningsplicht onderwerpen. Wanneer een vergunning vereist is, wordt hieromtrent binnen een redelijke termijn een besluit genomen en de vergunning kan uitsluitend worden geweigerd om prudentiële redenen.

Artikel 245

Gegevensverwerking

1.   Elke partij staat verleners van financiële diensten uit de andere partij toe gegevens in elektronische of in andere vorm met het oog op gegevensverwerking van en naar haar grondgebied te verzenden, wanneer de verwerking van deze gegevens noodzakelijk is in het kader van de normale transacties van de betrokken verleners van financiële diensten.

2.   Elke partij neemt passende maatregelen ter bescherming van de privacy en de fundamentele rechten en vrijheden van natuurlijke personen, in het bijzonder met betrekking tot de overdracht van persoonsgegevens.

Artikel 246

Specifieke uitzonderingen

1.   Geen enkele bepaling van dit hoofdstuk kan zodanig worden uitgelegd dat zij voor een partij, met inbegrip van haar openbare instanties, een beletsel vormt om op haar grondgebied exclusief activiteiten of diensten aan te bieden in het kader van een pensioenregeling van de overheid of een wettelijk stelsel van sociale zekerheid, tenzij verleners van financiële diensten deze activiteiten krachtens de interne regelgeving van die partij in concurrentie met openbare instanties of particuliere instellingen kunnen aanbieden.

2.   Geen enkele bepaling van deze overeenkomst is van toepassing op de activiteiten van een centrale bank of een monetaire autoriteit of van enige andere openbare instantie die bevoegd is voor het monetaire beleid of het wisselkoersbeleid.

3.   Geen enkele bepaling van dit hoofdstuk kan zodanig worden uitgelegd dat zij voor een partij, met inbegrip van haar openbare instanties, een beletsel vormt om op haar grondgebied exclusief activiteiten of diensten aan te bieden voor rekening van of met garantiestelling door of gebruikmaking van de financiële middelen van de partij of haar openbare instanties.

Artikel 247

Zelfregulerende organisaties

Wanneer een partij het lidmaatschap van of deelneming aan, dan wel toegang tot een zelfregulerend lichaam, effecten- of termijnbeurs of effecten- of termijnmarkt, verrekenkantoor of een andere organisatie of vereniging als voorwaarde stelt voor verleners van financiële diensten uit de andere partij om op voet van gelijkheid met haar eigen verleners van financiële diensten financiële diensten te kunnen verlenen, of wanneer zij dergelijke entiteiten direct of indirect voorrechten of voordelen voor de verlening van financiële diensten toekent, waarborgt zij dat de verplichtingen van artikel 205, lid 1, en artikel 211 van deze overeenkomst worden nageleefd.

Artikel 248

Clearing- en betalingssystemen

Onder de voorwaarden voor toekenning van nationale behandeling verschaft elke partij aan op haar grondgebied gevestigde verleners van financiële diensten uit de andere partij toegang tot betalings- en clearingsystemen van openbare instanties, alsmede tot voor de normale bedrijfsvoering beschikbare officiële financierings- en herfinancieringsfaciliteiten. Dit artikel verleent geen toegang tot de kredietfaciliteiten in laatste instantie van de partij.

Artikel 249

Geleidelijke aanpassing

Elke partij erkent het belang van de geleidelijke aanpassing van de bestaande en toekomstige wetgeving van de Republiek Moldavië aan de in artikel 243, lid 3, van deze overeenkomst vermelde internationale normen voor beste praktijken, alsmede aan de lijst van het acquis van de Unie die is opgenomen in bijlage XXVIII-A bij deze overeenkomst.

Onderafdeling 7

Vervoer

Artikel 250

Toepassingsgebied

Deze afdeling bevat de beginselen met betrekking tot de liberalisering van diensten die verband houden met internationaal vervoer overeenkomstig afdeling 2 (Vestiging), afdeling 3 (Grensoverschrijdende dienstverlening) en afdeling 4 (Tijdelijke aanwezigheid van natuurlijke personen voor zaken) van dit hoofdstuk.

Artikel 251

Internationaal zeevervoer

1.   Voor de toepassing van deze onderafdeling en van afdeling 2 (Vestiging), afdeling 3 (Grensoverschrijdende dienstverlening) en afdeling 4 (Tijdelijke aanwezigheid van natuurlijke personen voor zaken) van dit hoofdstuk:

a)

omvat „internationaal zeevervoer” ook vervoer van deur tot deur en multimodaal vervoer, zijnde het vervoer van goederen met behulp van meer dan een wijze van vervoer, waaronder ook vervoer over zee, met een enkel vervoersdocument, en in verband daarmee ook het recht rechtstreeks met dienstverleners voor andere wijzen van vervoer contracten te sluiten;

b)

wordt onder „behandeling van zeevracht” verstaan: activiteiten van stuwadoorsbedrijven en terminalexploitanten, maar zonder de rechtstreekse activiteiten van dokwerkers, wanneer deze niet door de stuwadoorsbedrijven of terminalexploitanten zijn tewerkgesteld. De hier bedoelde activiteiten omvatten de organisatie van en het toezicht op:

i)

het laden en lossen van schepen;

ii)

het sjorren en losmaken van vracht, en

iii)

het in ontvangst nemen/afleveren en bewaken van vracht vóór verscheping of na lossing;

c)

wordt onder „in- en uitklaring” verstaan: de afhandeling van douaneformaliteiten namens een derde met betrekking tot de in-, uit- of doorvoer van vracht, ongeacht of deze dienst de hoofdactiviteit van die dienstverlener is of een gebruikelijke aanvulling op diens hoofdactiviteit;

d)

wordt onder „diensten in verband met de opslag van containers” verstaan: de opslag van containers, op het haventerrein of verder landinwaarts, om ze te laden of te lossen, te repareren en gereed te maken voor verscheping;

e)

wordt onder „diensten van scheepsagenten” verstaan: activiteiten waarbij de zakelijke belangen van een of meer scheepvaartlijnen of scheepvaartmaatschappijen binnen een bepaald geografisch gebied door een agent worden behartigd voor de volgende doeleinden:

i)

marketing en verkoop van diensten van zeevervoer en aanverwante diensten, van de prijsopgave tot de facturering, alsmede het afgeven van vrachtbrieven namens de maatschappijen, het kopen en weer verkopen van de nodige aanverwante diensten, het opstellen van documenten en het verschaffen van bedrijfsinformatie;

ii)

het optreden namens maatschappijen, het organiseren van de afroep van aanvragen om scheepsruimte of, indien nodig, het overnemen van vracht;

f)

wordt onder „expediteursdiensten” verstaan: de activiteit waarbij namens een verzender de verscheping wordt georganiseerd en gevolgd, door vervoersdiensten en aanverwante diensten te contracteren, documenten op te stellen en bedrijfsinformatie te verschaffen;

g)

wordt onder „feederdiensten” verstaan: het vervoer voorafgaand aan en na het internationale vrachtvervoer over zee, met name in containers, tussen havens in een partij.

2.   Aangaande het internationale zeevervoer stemt elke partij ermee in dat zij zal zorgen voor de effectieve toepassing van het beginsel van onbeperkte toegang tot lading op commerciële basis, van het vrij verrichten van diensten op het gebied van het internationale zeevervoer, en van nationale behandeling bij de levering van deze diensten.

Gezien het huidige niveau van de liberalisering tussen de partijen op het gebied van het internationale zeevervoer:

a)

past elke partij het beginsel van onbeperkte toegang tot de internationale markten voor zeevervoer op commerciële en niet-discriminerende grondslag daadwerkelijk toe;

b)

kent elke partij aan vaartuigen die de vlag voeren van de andere partij of worden geëxploiteerd door dienstverleners uit de andere partij, een niet minder gunstige behandeling toe dan die welke zij aan haar eigen vaartuigen of aan die van een derde land toekent, indien deze behandeling gunstiger is, voor, onder meer, de toegang tot havens, het gebruik van infrastructuur en havendiensten, het gebruik van hulpdiensten voor zeevervoer, evenals de daarmee verband houdende vergoedingen en heffingen, douanediensten en de toewijzing van aanlegplaatsen en laad- en losinstallaties.

3.   Bij de toepassing van die beginselen:

a)

neemt elke partij in toekomstige overeenkomsten met derde landen geen vrachtverdelingsregelingen op met betrekking tot zeevervoerdiensten, met inbegrip van het vervoer van droge en vloeibare bulkladingen en het lijnverkeer, en beëindigt zij binnen een redelijke termijn dergelijke vrachtverdelingsregelingen wanneer deze in eerdere overeenkomsten voorkomen, en

b)

heft elke partij bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst alle unilaterale maatregelen en administratieve, technische en andere belemmeringen op die een verkapte beperking kunnen zijn van of een discriminatoir effect kunnen hebben op het vrij verrichten van diensten in het internationale zeevervoer, en ziet zij af van de invoering ervan.

4.   Elke partij staat toe dat verleners van diensten voor internationaal zeevervoer uit de andere partij een vestiging op haar grondgebied hebben, onder voorwaarden van vestiging en exploitatie die niet minder gunstig zijn dan die welke zij aan haar eigen dienstverleners of aan dienstverleners van derde landen toekent, indien deze laatste betere voorwaarden genieten.

5.   Elke partij staat verleners van diensten voor internationaal zeevervoer uit de andere partij op redelijke en niet-discriminerende voorwaarden toe gebruik te maken van de volgende havendiensten: loodsen, hulp van duw- en sleepboten, bevoorrading, brandstof- en waterlevering, ophalen en verwerking van afval, kapiteinsdiensten, navigatiehulp, diensten vanaf de wal die essentieel zijn voor het functioneren van een schip, waaronder communicatie, water- en elektriciteitsvoorzieningen, faciliteiten voor noodreparaties, verankering en aan- en afmeren.

6.   Elke partij staat het verplaatsen van materiaal zoals lege containers die niet worden vervoerd als vracht tegen betaling, toe tussen havens van een lidstaat of tussen havens van de Republiek Moldavië.

7.   Elke partij staat, mits de bevoegde autoriteit daarvoor toestemming heeft verleend, verleners van diensten voor internationaal zeevervoer uit de andere partij toe om „feederdiensten” tussen haar interne havens te verlenen.

Artikel 252

Luchtvervoer

Een geleidelijke liberalisering van het luchtvervoer tussen de partijen, aangepast aan hun wederzijdse commerciële behoeften, en de voorwaarden voor wederzijdse markttoegang worden geregeld door de Overeenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Moldavië, anderzijds, betreffende de totstandbrenging van een Gemeenschappelijke Luchtvaartruimte.

Artikel 253

Geleidelijke aanpassing

Elke partij erkent het belang van de geleidelijke aanpassing van de bestaande en toekomstige wetgeving van de Republiek Moldavië aan de lijst van het acquis van de Unie die is opgenomen in bijlage XXVIII-D bij deze overeenkomst.

Afdeling 6

Elektronische handel

Onderafdeling 1

Algemene bepalingen

Artikel 254

Doelstelling en beginselen

1.   De partijen erkennen dat de elektronische handel de handelsmogelijkheden in vele sectoren verruimt en komen overeen de ontwikkeling van hun onderlinge elektronische handelsverkeer te bevorderen, in het bijzonder door samenwerking op het gebied van de vraagstukken die elektronische handel in het kader van dit hoofdstuk meebrengt.

2.   De partijen zijn het erover eens dat de ontwikkeling van de elektronische handel volledig in overeenstemming moet zijn met de strengste internationale normen inzake gegevensbescherming, teneinde ervoor te zorgen dat de gebruikers vertrouwen in de elektronische handel hebben.

3.   De partijen komen overeen dat elektronische transmissies worden beschouwd als dienstverlening in de zin van afdeling 3 (Grensoverschrijdende dienstverlening) van dit hoofdstuk, die niet aan douanerechten kan worden onderworpen.

Artikel 255

Samenwerking op gebied van elektronische handel

1.   De partijen onderhouden een dialoog over regelgevingskwesties in verband met de elektronische handel, onder meer over:

a)

de erkenning van aan het publiek afgegeven certificaten voor elektronische handtekeningen en de bevordering van grensoverschrijdende certificeringsdiensten;

b)

de aansprakelijkheid van aanbieders van intermediaire diensten bij de doorgifte of opslag van informatie;

c)

de behandeling van ongevraagde elektronische commerciële communicatie;

d)

consumentenbescherming op het gebied van de elektronische handel, en

e)

andere kwesties die voor de ontwikkeling van de elektronische handel van belang zijn.

2.   Deze samenwerking kan geschieden in de vorm van een uitwisseling van informatie over de respectieve wetgeving van de partijen met betrekking tot deze kwesties en over de tenuitvoerlegging van die wetgeving.

Onderafdeling 2

Aansprakelijkheid van aanbieders van intermediaire diensten

Artikel 256

Gebruik van diensten van intermediairs

1.   De partijen erkennen dat de diensten van intermediairs door derden kunnen worden gebruikt voor illegale activiteiten en zij voorzien in de in deze onderafdeling vastgestelde maatregelen voor aanbieders van intermediaire diensten.

2.   Voor de toepassing van artikel 257 van deze overeenkomst wordt onder „aanbieder van diensten” verstaan een aanbieder van de doorgifte of routering van of van verbindingen voor digitale onlinecommunicatie, tussen door de gebruiker gespecificeerde punten, van door de gebruiker gekozen materiaal, zonder wijziging van de inhoud daarvan. Voor de toepassing van de artikelen 258 en 259 van deze overeenkomst wordt onder „aanbieder van diensten” verstaan een aanbieder of exploitant van faciliteiten voor onlinediensten of netwerktoegang.

Artikel 257

Aansprakelijkheid van aanbieders van intermediaire diensten: „mere conduit” (doorgeefluik)

1.   Elke partij zorgt ervoor dat, wanneer een dienst van de informatiemaatschappij bestaat in het doorgeven in een communicatienetwerk van door een afnemer van de dienst verstrekte informatie, of in het verschaffen van toegang tot een communicatienetwerk, de aanbieder van de dienst niet aansprakelijk is voor de doorgegeven informatie, op voorwaarde dat deze aanbieder:

a)

niet het initiatief tot doorgifte neemt;

b)

de ontvanger van de doorgegeven informatie niet selecteert, en

c)

de doorgegeven informatie niet selecteert of wijzigt.

2.   Het doorgeven van informatie en het verschaffen van toegang in de zin van lid 1 omvatten de automatische, tussentijdse en tijdelijke opslag van de doorgegeven informatie, voor zover deze uitsluitend dient om de doorgifte in het communicatienetwerk te bewerkstelligen en niet langer duurt dan redelijkerwijs voor de doorgifte nodig is.

3.   Dit artikel belet niet dat een rechtbank of administratieve instantie overeenkomstig het rechtsstelsel van elke partij kan verlangen dat de aanbieder van de dienst een inbreuk beëindigt of verhindert.

Artikel 258

Aansprakelijkheid van aanbieders van intermediaire diensten: „caching” (wijze van opslag)

1.   Elke partij zorgt ervoor dat, wanneer een dienst van de informatiemaatschappij bestaat in het doorgeven in een communicatienetwerk van door een afnemer van de dienst verstrekte informatie, de aanbieder van de dienst niet aansprakelijk is voor de automatische, tussentijdse en tijdelijke opslag van die informatie, wanneer deze opslag enkel geschiedt om latere doorgifte van die informatie aan andere afnemers van de dienst op hun verzoek doeltreffender te maken, op voorwaarde dat de aanbieder van de dienst:

a)

de informatie niet wijzigt;

b)

de toegangsvoorwaarden voor de informatie in acht neemt;

c)

de alom erkende en in de bedrijfstak gangbare regels betreffende de bijwerking van de informatie naleeft;

d)

niets wijzigt aan het alom erkende en in de bedrijfstak gangbare rechtmatige gebruik van technologie voor het verkrijgen van gegevens over het gebruik van de informatie, en

e)

prompt handelt om de door hem opgeslagen informatie te verwijderen of de toegang ertoe onmogelijk te maken, zodra hij er daadwerkelijk kennis van heeft dat de informatie verwijderd werd van de plaats waar zij zich oorspronkelijk in het net bevond of de toegang ertoe onmogelijk werd gemaakt, of dat een rechtbank of administratieve instantie heeft gelast de informatie te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken.

2.   Dit artikel belet niet dat een rechtbank of administratieve instantie overeenkomstig het rechtsstelsel van elke partij kan verlangen dat de aanbieder van de dienst een inbreuk beëindigt of verhindert.

Artikel 259

Aansprakelijkheid van aanbieders van intermediaire diensten: „hosting”

1.   Elke partij zorgt ervoor dat, wanneer een dienst van de informatiemaatschappij bestaat in de opslag van de door een afnemer van de dienst verstrekte informatie, de aanbieder van de dienst niet aansprakelijk is voor de op verzoek van een afnemer van de dienst opgeslagen informatie, op voorwaarde dat de aanbieder van de dienst:

a)

niet daadwerkelijk kennis heeft van de onwettige activiteit of informatie en, wanneer het een schadevergoedingsvordering betreft, geen kennis heeft van feiten of omstandigheden waaruit het onwettige karakter van de activiteit of informatie duidelijk blijkt, of

b)

zodra hij hiervan kennis heeft of besef krijgt, prompt handelt om de informatie te verwijderen of de toegang ertoe onmogelijk te maken.

2.   Lid 1 is niet van toepassing wanneer de afnemer van de dienst op gezag of onder toezicht van de aanbieder van de dienst handelt.

3.   Dit artikel belet niet dat een rechtbank of administratieve instantie overeenkomstig het rechtsstelsel van elke partij kan verlangen dat de aanbieder van de dienst een inbreuk beëindigt of voorkomt, en evenmin dat de partijen procedures kunnen vaststellen om informatie te verwijderen of de toegang ertoe onmogelijk te maken.

Artikel 260

Geen algemene toezichtverplichting

1.   De partijen leggen aanbieders van diensten geen algemene verplichting op om bij het aanbieden van de in de artikelen 257 tot en met 259 van deze overeenkomst bedoelde diensten toezicht te houden op de informatie die zij doorgeven of opslaan, noch om actief te gaan zoeken naar feiten of omstandigheden die op onwettige activiteiten duiden.

2.   Een partij kan aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij verplichten om de bevoegde overheidsautoriteiten onverwijld in kennis te stellen van vermeende onwettige activiteiten of informatie van de afnemers van hun dienst, of verplichten om de bevoegde autoriteiten op hun verzoek informatie te verstrekken die kan dienen tot het achterhalen van afnemers van hun dienst waarmee zij een opslagovereenkomst hebben.

Afdeling 7

Uitzonderingen

Artikel 261

Algemene uitzonderingen

1.   Onverminderd de algemene uitzonderingen van artikel 446 van deze overeenkomst zijn de bepalingen van dit hoofdstuk en van de bijlagen XXVII-A en XXVII-E, XXVII-B en XXVII-F, XXVII-C en XXVII-G alsmede XXVII-D en XXVIII-H bij deze overeenkomst onderworpen aan de uitzonderingen van dit artikel.

2.   Mits de hieronder bedoelde maatregelen niet zodanig worden toegepast dat zij een middel tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie tussen landen bij soortgelijke omstandigheden, of een verkapte beperking van het recht van vestiging of van grensoverschrijdende dienstverlening vormen, kan geen enkele bepaling van dit hoofdstuk zodanig worden uitgelegd dat zij een beletsel vormt voor het vaststellen of toepassen door een partij van maatregelen die:

a)

noodzakelijk zijn voor de bescherming van de openbare veiligheid of de openbare zeden of de handhaving van de openbare orde;

b)

noodzakelijk zijn voor de bescherming van het leven en de gezondheid van mens, dier of plant;

c)

betrekking hebben op de instandhouding van niet-duurzame natuurlijke hulpbronnen, mits die maatregelen met beperkingen voor interne ondernemers of met beperkingen van het interne aanbod of verbruik van diensten gepaard gaan;

d)

noodzakelijk zijn voor de bescherming van nationaal artistiek, historisch of archeologisch erfgoed;

e)

noodzakelijk zijn voor de handhaving van wet- en regelgeving die niet strijdig is met de bepalingen van dit hoofdstuk, met inbegrip van die welke betrekking heeft op:

i)

het voorkómen van misleidende of frauduleuze praktijken of op middelen om de gevolgen van de niet-nakoming van contracten te compenseren;

ii)

de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met de verwerking en verspreiding van persoonsgegevens en op de bescherming van de vertrouwelijke aard van persoonlijke dossiers en rekeningen;

iii)

de veiligheid;

f)

strijdig zijn met artikel 205, lid 1, en artikel 211 van deze overeenkomst, mits het verschil in behandeling bedoeld is om directe belastingen op doeltreffende of billijke wijze te kunnen opleggen of innen ten aanzien van economische activiteiten, ondernemers of dienstverleners uit de andere partij (24).

3.   De bepalingen van dit hoofdstuk en van de bijlagen XXVII-A en XXVII-E, XXVII-B en XXVII-F, XXVII-C en XXVII-G alsmede XXVII-D en XXVII-H bij deze overeenkomst zijn niet van toepassing op de respectieve socialezekerheidsstelsels van de partijen of op activiteiten op het grondgebied van elk van de partijen die, al dan niet incidenteel, verband houden met de uitoefening van het overheidsgezag.

Artikel 262

Belastingmaatregelen

De meestbegunstigingsbehandeling die ingevolge dit hoofdstuk wordt toegekend, is niet van toepassing op de belastingbehandeling die de partijen geven of in de toekomst zullen geven op basis van overeenkomsten tussen hen ter voorkoming van dubbele belasting.

Artikel 263

Uitzonderingen met betrekking tot veiligheid

Geen enkele bepaling van deze overeenkomst kan zodanig worden uitgelegd dat:

a)

een partij verplicht wordt gegevens te verstrekken, wanneer zij meent dat openbaarmaking van die gegevens in strijd is met haar wezenlijke veiligheidsbelangen;

b)

een partij belet wordt maatregelen te nemen die zij ter bescherming van haar wezenlijke veiligheidsbelangen nodig acht en die:

i)

verband houden met de productie van of de handel in wapens, munitie of oorlogstuig;

ii)

betrekking hebben op economische activiteiten die direct of indirect de bevoorrading van een militaire inrichting als doel hebben;

iii)

betrekking hebben op splijt- of fusiestoffen of op grondstoffen waaruit deze kunnen worden vervaardigd, of

iv)

in tijden van oorlog of ernstige internationale spanningen worden genomen, of

c)

een partij belet wordt maatregelen te nemen tot uitvoering van de verplichtingen die zij op zich heeft genomen met het oog op de handhaving van de internationale vrede en veiligheid.

HOOFDSTUK 7

Betalings- en kapitaalverkeer

Artikel 264

Betalingsverkeer

De partijen verbinden zich ertoe overeenkomstig artikel VIII van de Overeenkomst betreffende het Internationale Monetaire Fonds toe te staan dat alle betalingen en overboekingen op de lopende rekening van de betalingsbalans tussen de partijen worden verricht in vrij converteerbare valuta.

Artikel 265

Kapitaalverkeer

1.   Met betrekking tot de verrichtingen op de kapitaalrekening en de financiële rekening van de betalingsbalans waarborgen de partijen vanaf de inwerkingtreding van deze overeenkomst het vrije verkeer van kapitaal met betrekking tot directe investeringen overeenkomstig de wetten van het gastland, met inbegrip van de verwerving van onroerend goed, en investeringen overeenkomstig hoofdstuk 6 (Vestiging, handel in diensten en elektronische handel) van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst, alsook de liquidatie of de repatriëring van die investeringen en van alle opbrengsten daarvan.

2.   Met betrekking tot andere verrichtingen op de kapitaalrekening en de financiële rekening van de betalingsbalans dan de in lid 1 vermelde, waarborgt elke partij vanaf de inwerkingtreding van deze overeenkomst en onverminderd de overige bepalingen van deze overeenkomst:

a)

het vrije verkeer van kapitaal inzake kredieten in verband met commerciële transacties of met het verlenen van diensten waaraan een ingezetene van een van de partijen deelneemt, en

b)

het vrije verkeer van kapitaal in verband met beleggingen, leningen en kredieten van de investeerders uit de andere partij.

Artikel 266

Vrijwaringsmaatregelen

Wanneer in uitzonderlijke omstandigheden betalingen of kapitaalbewegingen ernstige moeilijkheden veroorzaken of dreigen te veroorzaken voor de werking van het wisselkoersbeleid of het monetair beleid, met inbegrip van ernstige betalingsbalansmoeilijkheden, in een of meer lidstaten of in de Republiek Moldavië, kunnen de betrokken partijen voor een periode van ten hoogste zes maanden vrijwaringsmaatregelen treffen indien die maatregelen strikt noodzakelijk zijn. De partij die de vrijwaringsmaatregelen neemt, stelt de andere partij daarvan onmiddellijk in kennis en legt zo spoedig mogelijk een tijdschema voor de intrekking van deze maatregelen voor.

Artikel 267

Bepalingen inzake bevordering en verdere ontwikkeling van kapitaalverkeer

1.   De partijen plegen overleg teneinde hun onderlinge kapitaalverkeer te vergemakkelijken met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van deze overeenkomst.

2.   Gedurende de eerste vier jaar volgend op de inwerkingtreding van deze overeenkomst nemen de partijen maatregelen met het oog op de totstandbrenging van de voorwaarden die nodig zijn voor de verdere geleidelijke toepassing van de voorschriften van de Unie inzake het vrije verkeer van kapitaal.

3.   Uiterlijk aan het eind van het vijfde jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst beoordeelt het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, zoals bedoeld in artikel 438, lid 4, van deze overeenkomst, de genomen maatregelen opnieuw en stelt het de modaliteiten voor verdere liberalisering vast.

HOOFDSTUK 8

Overheidsopdrachten

Artikel 268

Doelstellingen

1.   De partijen erkennen de bijdrage van transparante, niet-discriminerende, op concurrentie gebaseerde en openbare aanbestedingen aan een duurzame economische ontwikkeling en stellen zich een effectieve, wederzijdse en geleidelijke openstelling van hun respectieve markten voor overheidsopdrachten ten doel.

2.   Dit hoofdstuk voorziet in wederzijdse toegang tot markten voor overheidsopdrachten op basis van het beginsel van nationale behandeling op nationaal, regionaal en lokaal niveau voor overheidsopdrachten en concessies in zowel de publieke als de nutssector. Het voorziet in de geleidelijke aanpassing van de wetgeving inzake overheidsopdrachten in de Republiek Moldavië aan het acquis van de Unie inzake overheidsopdrachten, en in een institutionele hervorming alsmede de inrichting van een doeltreffend systeem voor overheidsopdrachten op basis van de voor overheidsopdrachten in de Unie geldende beginselen, en de voorwaarden en definities van Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten, en van Richtlijn 2004/17/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten.

Artikel 269

Toepassingsgebied

1.   Dit hoofdstuk is van toepassing op overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten alsmede op opdrachten voor werken, leveringen en diensten in de nutssector en op concessies voor werken en diensten.

2.   Dit hoofdstuk is van toepassing op aanbestedende diensten en aanbestedende entiteiten die voldoen aan de definities van het acquis van de Unie op het gebied van overheidsopdrachten, hierna „de aanbestedende diensten” genoemd. Het heeft tevens betrekking op publiekrechtelijke instellingen en openbare nutsbedrijven, zoals overheidsondernemingen die de desbetreffende activiteiten verrichten en particuliere ondernemingen die op basis van bijzondere en exclusieve rechten actief zijn in de nutssector.

3.   Dit hoofdstuk is van toepassing op contracten boven de drempelwaarden die zijn vastgesteld in bijlage XXIX-A bij deze overeenkomst.

4.   De berekening van de geraamde waarde van een overheidsopdracht wordt gebaseerd op het in totaal te betalen bedrag, exclusief belasting over de toegevoegde waarde. Bij het hanteren van deze drempelwaarden berekent de Republiek Moldavië de contractwaarde en rekent zij deze om naar haar nationale munteenheid, waarbij zij gebruik maakt van de wisselkoers van haar nationale bank.

5.   De drempelwaarden worden om de twee jaar herzien, te beginnen in het jaar van inwerkingtreding van deze overeenkomst, op basis van de gemiddelde dagwaarde van de euro, uitgedrukt in bijzondere trekkingsrechten, over de periode van 24 maanden die eindigt op de laatste dag van augustus voorafgaand aan de herziening, die per 1 januari in werking treedt. De aldus herziene drempelwaarden worden, indien nodig, naar beneden afgerond op het naaste veelvoud van 1000 EUR. De herziening van de drempels wordt goedgekeurd door het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, zoals bedoeld in artikel 438, lid 4, van deze overeenkomst.

Artikel 270

Institutionele achtergrond

1.   Elke partij zorgt voor de invoering of het behoud van een passend institutioneel kader en van de mechanismen die nodig zijn voor de juiste werking van het systeem voor overheidsopdrachten en de tenuitvoerlegigng van dit hoofdstuk.

2.   In het kader van de institutionele hervorming wijst de Republiek Moldavië in het bijzonder de volgende organen aan:

a)

een uitvoerend orgaan dat verantwoordelijk is voor het economisch beleid op het niveau van de centrale overheid en belast is met het waarborgen van een coherent beleid op alle gebieden die met overheidsopdrachten verband houden. Een dergelijk orgaan bevordert en coördineert de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk en geeft richting aan het proces van geleidelijke aanpassing aan het acquis van de Unie; en

b)

een onpartijdig en onafhankelijk orgaan dat belast is met de beoordeling van besluiten van de aanbestedende diensten bij de plaatsing van opdrachten. In deze context wordt onder „onafhankelijk” verstaan dat dit orgaan een overheidsinstantie moet zijn die los staat van alle aanbestedende diensten en marktdeelnemers. Tegen de besluiten van dit orgaan moet beroep in rechte kunnen worden ingesteld.

3.   Elke partij waarborgt dat de besluiten van de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de beoordeling van klachten van marktdeelnemers over schendingen van het interne recht, daadwerkelijk ten uitvoer worden gelegd.

Artikel 271

Basisnormen voor gunning van opdrachten

1.   Uiterlijk negen maanden na de inwerkingtreding van deze overeenkomst voldoen de partijen aan een serie basisnormen voor de gunning van alle opdrachten, zoals voorgeschreven door de leden 2 tot en met 15. Deze basisnormen vloeien rechtstreeks voort uit de voorschriften en beginselen voor overheidsopdrachten als vervat in het acquis van de Unie voor overheidsopdrachten, met inbegrip van de beginselen van non-discriminatie, gelijke behandeling, transparantie en evenredigheid.

2.   Elke partij waarborgt dat alle voorgenomen overheidsopdrachten op toereikende wijze in een daartoe geëigend medium worden bekendgemaakt:

a)

opdat de markt wordt geopend voor mededinging; en

b)

opdat belanghebbende marktdeelnemers passende toegang hebben tot informatie over de voorgenomen overheidsopdracht, voorafgaand aan de gunning ervan, en opdat zij hun belangstelling voor de opdracht kenbaar kunnen maken.

3.   De bekendmaking is passend ten opzichte van het economisch belang van de opdracht voor marktdeelnemers.

4.   De bekendmaking omvat ten minste de wezenlijke details van de te plaatsen opdracht, de criteria voor selectie op kwaliteit, de gunningsmethode, de criteria voor gunning en elke andere aanvullende informatie die een marktdeelnemer redelijkerwijs nodig heeft om te besluiten of hij zijn belangstelling voor de opdracht kenbaar maakt.

5.   Alle opdrachten worden gegund aan de hand van transparante en onpartijdige gunningsprocedures die corruptiepraktijken voorkomen. De onpartijdigheid wordt in het bijzonder gewaarborgd door de niet-discriminerende omschrijving van de inhoud van de opdracht, gelijke toegang voor alle marktdeelnemers, passende termijnen en een transparante en objectieve benadering.

6.   Bij de omschrijving van de kenmerken van de gevraagde werken, leveringen of diensten gebruiken de aanbestedende diensten algemene omschrijvingen wat de prestaties en functies aangaat, alsmede internationale, Europese en nationale normen.

7.   De omschrijving van de kenmerken die zijn vereist voor een werk, levering of dienst verwijzen niet naar een bepaald fabricaat of een bepaalde herkomst, of een bepaald procedé, of naar een handelsmerk, octrooi, een type of bepaalde oorsprong of een bepaalde productie, tenzij een dergelijke verwijzing wordt gerechtvaardigd door de inhoud van de opdracht en vergezeld gaat van de woorden „of daaraan gelijkwaardig”. Bij voorkeur worden algemene omschrijvingen van de prestaties of functies gebruikt.

8.   Aanbestedende diensten leggen geen voorwaarden op die leiden tot directe of indirecte discriminatie van marktdeelnemers uit de andere partij, zoals het vereiste dat marktdeelnemers die belangstelling hebben voor de opdracht, in hetzelfde land, dezelfde regio of op hetzelfde grondgebied als de aanbestedende dienst gevestigd zijn.

Niettegenstaande de eerste alinea kan van de aanvrager aan wie een opdracht wordt gegund, in gevallen waarin de specifieke omstandigheden van het geval dit rechtvaardigen worden verlangd dat hij een bepaalde zakelijke infrastructuur vestigt op de plaats waar de prestaties plaatsvinden.

9.   De termijnen voor de indiening van blijken van belangstelling en van een inschrijving zijn lang genoeg om marktdeelnemers uit de andere partij in staat te stellen een zinvolle beoordeling te maken en hun inschrijving voor te bereiden.

10.   Alle deelnemers moeten vooraf de toepasselijke voorschriften, selectiecriteria en gunningscriteria kennen. Deze voorschriften moeten voor alle deelnemers op dezelfde wijze worden toegepast.

11.   Aanbestedende diensten mogen een beperkt aantal inschrijvers verzoeken een inschrijving in te dienen, mits:

a)

dit geschiedt op transparante en niet-discriminerende wijze; en

b)

de selectie enkel op basis van objectieve criteria plaatsvindt, zoals ervaring van de inschrijvers in de desbetreffende sector, omvang en infrastructuur van hun onderneming en technische en professionele vaardigheden.

Wanneer een beperkt aantal inschrijvers wordt verzocht een inschrijving in te dienen, wordt rekening gehouden met de noodzaak voldoende mededinging te waarborgen.

12.   Aanbestedende diensten kunnen de procedure van gunning via onderhandelingen alleen in bepaalde uitzonderlijke gevallen toepassen, wanneer de toepassing van die procedure de mededinging daadwerkelijk niet vervalst.

13.   Aanbestedende diensten mogen alleen gebruikmaken van kwalificatiesystemen wanneer de lijst van gekwalificeerde ondernemingen wordt opgesteld aan de hand van een transparante en open procedure die in voldoende mate is bekendgemaakt. Opdrachten die binnen het toepassingsgebied van een dergelijk systeem vallen, worden eveneens op niet-discriminerende grondslag gegund.

14.   Elke partij waarborgt dat opdrachten op transparante wijze worden gegund aan de inschrijver die de economisch meest voordelige inschrijving of de inschrijving met de laagste prijs heeft ingediend, op basis van de vooraf vastgestelde en meegedeelde aanbestedingscriteria en procedurele voorschriften. De eindbeslissingen worden onverwijld aan alle inschrijvers meegedeeld. Indien een inschrijver aan wie de opdracht niet is gegund daarom verzoekt, moeten de redenen voldoende gedetailleerd worden verstrekt om tegen een dergelijk besluit te kunnen opkomen.

15.   Elke partij draagt er zorg voor dat eenieder die belang heeft of heeft gehad bij de gunning van een bepaalde opdracht en die door een beweerde schending schade heeft geleden of dreigt te lijden, recht heeft op daadwerkelijke onpartijdige rechtsbescherming tegen besluiten van de aanbestedende dienst in verband met de gunning van die opdracht. De besluiten tijdens en aan het einde van zo'n beroeps- of bezwaarprocedure worden openbaar gemaakt op een wijze die toereikend is om alle belanghebbende marktdeelnemers te informeren.

Artikel 272

Planning van geleidelijke aanpassing

1.   Vóór de aanvang van de geleidelijke aanpassing dient de Republiek Moldavië bij het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, zoals bedoeld in artikel 438, lid 4, van deze overeenkomst, een uitgebreid stappenplan voor de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk in, met tijdschema's en termijnen voor alle hervormingen in termen van aanpassing aan het acquis van de Unie en institutionele capaciteitsopbouw. Dit stappenplan moet in overeenstemming zijn met de in bijlage XXIX-B bij deze overeenkomst vermelde fasen en tijdschema's.

2.   Het stappenplan omvat alle aspecten van de hervorming en het algemene rechtskader voor de tenuitvoerlegging van activiteiten op het gebied van overheidsopdrachten, in het bijzonder aanpassing op het gebied van overheidsopdrachten, opdrachten in de nutssector, concessies voor werken en beoordelingsprocedures, en versterking van de administratieve capaciteit op alle niveaus, met inbegrip van beroepsinstanties en handhavingsmechanismen.

3.   Na een positief advies van het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken wordt het stappenplan als referentiedocument voor de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk beschouwd. De Unie doet al het mogelijke om de Republiek Moldavië bij de tenuitvoerlegging van het stappenplan bij te staan.

Artikel 273

Geleidelijke aanpassing

1.   De Republiek Moldavië draagt er zorg voor dat haar bestaande en toekomstige wetgeving inzake overheidsopdrachten geleidelijk overeenkomstig het acquis van de Unie op het gebied van overheidsopdrachten wordt gebracht.

2.   Aanpassing aan hetacquis van de Unie geschiedt in opeenvolgende fasen als vermeld in bijlage XXIX-B bij deze overeenkomst en nader omschreven in de bijlagen XXIX-C tot en met XXIX-F, XXIX-H, XXIX-I en XXIX-K bij deze overeenkomst. In de bijlagen XXIX-G en XXIX-J bij deze overeenkomst worden niet-bindende elementen vermeld die niet hoeven te worden aangepast; de bijlagen XXIX-L tot en met XXIX-O bij deze overeenkomst bevatten elementen van het acquis van de Unie die buiten het bereik van de aanpassing vallen. Bij dit proces wordt naar behoren rekening gehouden met de desbetreffende jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie en met de door de Europese Commissie vastgestelde uitvoeringsmaatregelen, alsmede met, indien nodig, wijzigingen van het acquis van de Unie die zich tussentijds voordoen. De tenuitvoerlegging van elke fase wordt geëvalueerd door het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, zoals bedoeld in artikel 438, lid 4, van deze overeenkomst, en wordt na een positieve evaluatie door dit comité gekoppeld aan wederzijdse verlening van markttoegang als uiteengezet in bijlage XXIX-B bij deze overeenkomst. De Europese Commissie stelt de Republiek Moldavië onverwijld in kennis van wijzigingen van het acquis van de Unie. Zij verstrekt passend advies en passende technische bijstand met het oog op de implementatie van die wijzigingen.

3.   Het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken gaat alleen tot de evaluatie van een volgende fase over als de maatregelen ter implementatie van de voorgaande fase overeenkomstig de bepalingen van lid 2 zijn uitgevoerd en goedgekeurd.

4.   Elke partij waarborgt dat de aspecten en gebieden van overheidsopdrachten die niet onder dit artikel vallen, in overeenstemming zijn met de beginselen van transparantie, niet-discriminatie en gelijke behandeling, als uiteengezet in artikel 271 van deze overeenkomst.

Artikel 274

Markttoegang

1.   De partijen komen overeen dat zij hun respectieve markten geleidelijk en gelijktijdig daadwerkelijk en wederzijds zullen openstellen. Tijdens het aanpassingsproces wordt de omvang van de wederzijds verleende markttoegang gekoppeld aan de in dit proces geboekte voortgang, zoals voorgeschreven in bijlage XXIX-B bij deze overeenkomst.

2.   Het besluit om over te gaan tot een volgende fase van marktopenstelling wordt genomen op basis van een beoordeling van de kwaliteit van de aangenomen wetgeving alsmede van de praktische tenuitvoerlegging ervan. Dergelijke beoordelingen worden op regelmatige wijze gedaan door het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, zoals bedoeld in artikel 438, lid 4, van deze overeenkomst.

3.   Voor zover een partij ingevolge bijlage XXIX-B bij deze overeenkomst haar markt voor overheidsopdrachten voor de andere partij heeft opengesteld:

a)

verleent de Unie aan ondernemingen uit de Republiek Moldavië, ongeacht of deze in de Unie zijn gevestigd, toegang tot procedures voor de gunning van overheidsopdrachten overeenkomstig de voorschriften van de Unie voor overheidsopdrachten, en behandelt zij die ondernemingen niet minder gunstig dan ondernemingen uit de Unie;

b)

verleent de Republiek Moldavië aan ondernemingen uit de Unie, ongeacht of deze in de Republiek Moldavië zijn gevestigd, toegang tot procedures voor de gunning van overheidsopdrachten overeenkomstig de nationale voorschriften voor overheidsopdrachten, en behandelt het die ondernemingen niet minder gunstig dan ondernemingen uit de Republiek Moldavië.

4.   Na de tenuitvoerlegging van de laatste fase van het aanpassingsproces onderzoeken de partijen of ook beneden de in bijlage XXIX-A bij deze overeenkomst bedoelde drempelwaarden, wederzijdse toegang tot de markt voor overheidsopdrachten kan worden verleend.

5.   Finland maakt een voorbehoud ten aanzien van Åland.

Artikel 275

Informatie

1.   Elke partij waarborgt dat de aanbestedende diensten en de marktdeelnemers passend zijn geïnformeerd over procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten, onder meer door bekendmaking van alle wetgeving en administratieve uitspraken ter zake.

2.   Elke partij waarborgt dat de informatie over mogelijkheden wat overheidsopdrachten betreft, daadwerkelijk wordt verspreid.

Artikel 276

Samenwerking

1.   De partijen versterken hun samenwerking door de uitwisseling van ervaring en informatie over hun beste praktijken en regelgevingskaders.

2.   De Unie bevordert de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk, onder meer door technische bijstand in voorkomend geval. Overeenkomstig de bepalingen in titel VI (Financiële bijstand, fraudebestrijding en controle) van deze overeenkomst, worden specifieke besluiten inzake financiële bijstand genomen door middel van de desbetreffende financieringsmechanismen en -instrumenten van de Unie.

3.   Een indicatieve lijst van aangelegenheden ten aanzien waarvan kan worden samengewerkt, is opgenomen in bijlage XXIX-P bij deze overeenkomst.

HOOFDSTUK 9

Intellectuele-eigendomsrechten

Afdeling 1

Algemene bepalingen en beginselen

Artikel 277

Doelstellingen

De doelstellingen van dit hoofdstuk zijn:

a)

het bevorderen van de productie en het in de handel brengen van innovatieve en creatieve producten tussen de partijen; en

b)

het bereiken van een adequaat en doeltreffend beschermings- en handhavingsniveau voor intellectuele-eigendomsrechten.

Artikel 278

Aard en toepassingsgebied van verplichtingen

1.   De partijen waarborgen een adequate en doeltreffende tenuitvoerlegging van de internationale overeenkomsten inzake intellectuele eigendom waarbij zij partij zijn, met inbegrip van de WTO-overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom, hierna „de TRIPs-Overeenkomst” genoemd. De bepalingen van dit hoofdstuk vormen een aanvulling op en specificatie van de tussen de partijen geldende rechten en verplichtingen uit hoofde van de TRIPs-Overeenkomst en andere internationale overeenkomsten op het gebied van intellectuele eigendom.

2.   Voor de toepassing van deze overeenkomst heeft de uitdrukking „intellectuele eigendom” op zijn minst betrekking op alle categorieën intellectuele eigendom die vallen onder de artikelen 280 tot en met 317 van deze overeenkomst.

3.   De bescherming van intellectuele eigendom omvat ook de bescherming tegen oneerlijke mededinging zoals bedoeld in artikel 10 bis van het Verdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom van 1967, hierna „het Verdrag van Parijs” genoemd.

Artikel 279

Uitputting

Elke partij voorziet in een regeling voor de interne of regionale uitputting van intellectuele-eigendomsrechten.

Afdeling 2

Normen betreffende intellectuele-eigendomsrechten

Onderafdeling 1

Auteursrecht en naburige rechten

Artikel 280

Geboden bescherming

De partijen nemen de rechten en verplichtingen in acht die zijn neergelegd in de volgende internationale overeenkomsten:

a)

de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst, hierna „de Berner Conventie” genoemd;

b)

het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties van 1961;

c)

de TRIPs-Overeenkomst;

d)

het WIPO-Verdrag inzake auteursrecht; en

e)

het WIPO-Verdrag inzake uitvoeringen en fonogrammen.

Artikel 281

Auteurs

Elke partij voorziet voor auteurs in het uitsluitende recht het volgende toe te staan of te verbieden:

a)

de directe of indirecte, tijdelijke of permanente reproductie, geheel of gedeeltelijk, met welk middel en in welke vorm dan ook, van hun werken;

b)

elke vorm van distributie onder het publiek van het origineel van hun werken of van kopieën daarvan, door verkoop of anderszins; en

c)

de mededeling van hun werken aan het publiek, per draad of draadloos, met inbegrip van de beschikbaarstelling van hun werken aan het publiek op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn.

Artikel 282

Uitvoerende kunstenaars

Elke partij voorziet voor uitvoerende kunstenaars in het uitsluitende recht:

a)

de vastlegging (25) van hun uitvoeringen toe te staan of te verbieden;

b)

de directe of indirecte, tijdelijke of permanente reproductie, geheel of gedeeltelijk, met welk middel en in welke vorm dan ook, van vastleggingen van hun uitvoeringen toe te staan of te verbieden;

c)

vastleggingen van hun uitvoeringen ter beschikking te stellen van het publiek, door verkoop of anderszins;

d)

de beschikbaarstelling van vastleggingen van hun uitvoeringen aan het publiek, per draad of draadloos, op zodanige wijze dat de leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegang ertoe hebben, toe te staan of te verbieden;

e)

draadloze uitzending en mededeling aan het publiek van hun uitvoeringen toe te staan of te verbieden, behalve wanneer de uitvoering zelf al een uitgezonden uitvoering is of gemaakt is op basis van een vastlegging.

Artikel 283

Producenten van fonogrammen

Elke partij voorziet voor producenten van fonogrammen in het uitsluitende recht:

a)

de directe of indirecte, tijdelijke of permanente reproductie, geheel of gedeeltelijk, met welk middel en in welke vorm dan ook, van hun fonogrammen toe te staan of te verbieden;

b)

hun fonogrammen, met inbegrip van kopieën daarvan, ter beschikking te stellen van het publiek, door verkoop of anderszins; en

c)

de beschikbaarstelling van hun fonogrammen aan het publiek, per draad of draadloos, op zodanige wijze dat de leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegang ertoe hebben, toe te staan of te verbieden.

Artikel 284

Omroeporganisaties

Elke partij voorziet voor omroeporganisaties in het uitsluitende recht het volgende toe te staan of te verbieden:

a)

de vastlegging van hun uitzendingen;

b)

de reproductie van vastleggingen van hun uitzendingen;

c)

de beschikbaarstelling van vastleggingen van hun uitzendingen aan het publiek, per draad of draadloos; en

d)

de draadloze heruitzending van hun uitzendingen, alsmede de mededeling aan het publiek van hun uitzendingen indien die mededeling geschiedt op plaatsen die tegen betaling van een entreeprijs voor het publiek toegankelijk zijn.

Artikel 285

Uitzending en mededeling aan het publiek

1.   Elke partij voorziet in een recht op grond waarvan een enkele billijke vergoeding wordt uitgekeerd door de gebruiker, wanneer een voor handelsdoeleinden uitgegeven fonogram of reproductie daarvan wordt gebruikt voor draadloze uitzending of voor enigerlei mededeling aan het publiek, en dat deze vergoeding wordt verdeeld tussen de desbetreffende uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen.

2.   Elke partij kan bij gebreke van overeenstemming tussen uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen bepalen volgens welke voorwaarden deze vergoeding tussen hen wordt verdeeld.

Artikel 286

Duur van bescherming

1.   Het auteursrecht op werken van letterkunde en kunst in de zin van artikel 2 van de Berner Conventie geldt gedurende het leven van de auteur en tot 70 jaar na zijn/haar overlijden, ongeacht op welk tijdstip het werk op geoorloofde wijze ter beschikking van het publiek is gesteld.

2.   De beschermingsduur voor een muziekwerk met tekst bedraagt 70 jaar na het overlijden van de langstlevende van de volgende personen, ongeacht of zij al dan niet als coauteur zijn aangewezen: de tekstschrijver en de componist van het muziekwerk, indien tekst en muziek specifiek voor het muziekwerk met tekst zijn geschreven.

3.   De rechten van uitvoerende kunstenaars vervallen niet eerder dan 50 jaar na de datum van de uitvoering. Echter:

a)

indien binnen deze termijn een vastlegging van de uitvoering anders dan op een fonogram op geoorloofde wijze gepubliceerd of op geoorloofde wijze aan het publiek meegedeeld is, vervallen de rechten 50 jaar na de datum van die eerste publicatie of, ingeval deze eerder valt, die eerste mededeling aan het publiek;

b)

indien binnen deze termijn een vastlegging van de uitvoering op een fonogram op geoorloofde wijze gepubliceerd of op geoorloofde wijze aan het publiek meegedeeld is, vervallen de rechten 70 jaar na de datum van die eerste publicatie of, ingeval deze eerder valt, die eerste mededeling aan het publiek.

4.   De rechten van producenten van fonogrammen vervallen niet eerder dan 50 jaar na de vastlegging. Echter:

a)

indien het fonogram binnen deze termijn op geoorloofde wijze gepubliceerd is, vervallen de rechten niet eerder dan 70 jaar na de datum van die eerste geoorloofde publicatie. Indien binnen de in de eerste volzin bedoelde termijn geen geoorloofde publicatie heeft plaatsgevonden en het fonogram binnen deze termijn op geoorloofde wijze aan het publiek is meegedeeld, vervallen de rechten niet eerder dan 70 jaar na de datum van de eerste geoorloofde mededeling aan het publiek;

b)

indien 50 jaar nadat een fonogram op geoorloofde wijze gepubliceerd of op geoorloofde wijze aan het publiek meegedeeld is, de producent van het fonogram verzuimt voldoende kopieën van het fonogram voor verkoop aan te bieden of het beschikbaar te stellen voor het publiek, kan de uitvoerende kunstenaar het contract houdende overdracht of toekenning van zijn/haar rechten op de vastlegging van zijn/haar uitvoering aan een producent van fonogrammen beëindigen.

5.   De rechten van omroeporganisaties vervallen niet eerder dan 50 jaar na de eerste uitzending van een programma, ongeacht of deze uitzending al dan niet draadloos plaatsvindt, uitzendingen per kabel of satelliet daaronder begrepen.

6.   De in dit artikel gestelde termijnen worden berekend vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op het feit dat de termijn doet ingaan.

Artikel 287

Bescherming van technische voorzieningen

1.   Elke partij voorziet in een passende rechtsbescherming tegen het omzeilen van doeltreffende technische voorzieningen door een persoon die weet of redelijkerwijs behoort te weten dat hij aldus handelt.

2.   Elke partij voorziet in een passende rechtsbescherming tegen de vervaardiging, invoer, distributie, verkoop, verhuur, reclame voor verkoop of verhuur, of het bezit voor commerciële doeleinden van inrichtingen, producten of onderdelen, of het verrichten van diensten die:

a)

gestimuleerd, aangeprezen of in de handel gebracht worden om doeltreffende technische voorzieningen te omzeilen;

b)

buiten de omzeiling van doeltreffende technische voorzieningen een commercieel doel van slechts beperkt belang dienen; of

c)

hoofdzakelijk ontworpen, geproduceerd of aangepast zijn dan wel verricht worden met het doel de omzeiling van doeltreffende technische voorzieningen mogelijk of gemakkelijker te maken.

3.   Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt onder „technische voorzieningen” verstaan technologie, inrichtingen of onderdelen die in het kader van hun normale werking dienen voor het voorkomen of beperken van handelingen ten aanzien van werken of ander beschermd materiaal, die niet zijn toegestaan door de houders van een auteursrecht of naburig recht overeenkomstig de interne wetgeving. Technische voorzieningen worden geacht „doeltreffend” te zijn indien het gebruik van een werk of ander beschermd materiaal wordt gecontroleerd door de houders van het recht door de toepassing van een controle op de toegang of een beschermingsprocedé zoals encryptie, versluiering of een andere transformatie van het werk of ander materiaal of een kopieerbeveiliging die de beoogde bescherming biedt.

Artikel 288

Bescherming van informatie over beheer van rechten

1.   Elke partij voorziet in een passende rechtsbescherming tegen eenieder die op ongeoorloofde wijze een van de volgende handelingen verricht:

a)

de verwijdering of wijziging van elektronische informatie betreffende het beheer van rechten,

b)

de verspreiding, de invoer ter verspreiding, de uitzending, de mededeling aan het publiek of de beschikbaarstelling aan het publiek van werken of ander materiaal beschermd krachtens deze overeenkomst, waaruit op ongeoorloofde wijze elektronische informatie betreffende het beheer van rechten is verwijderd of gewijzigd,

en die weet of redelijkerwijs behoort te weten dat hij/zij zodoende aanzet tot een inbreuk op een auteursrecht of naburig recht overeenkomstig de interne wetgeving, dan wel een dergelijke inbreuk mogelijk maakt, vergemakkelijkt of verbergt.

2.   Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder „informatie over het beheer van rechten” verstaan alle door een houder van een recht verstrekte informatie die dient ter identificatie van het werk of ander materiaal dat uit hoofde van dit hoofdstuk wordt beschermd, dan wel van de auteur of een andere houder van een recht, of informatie betreffende de voorwaarden voor het gebruik van het werk of ander materiaal, alsook de cijfers of codes waarin die informatie vervat ligt. Lid 1 is van toepassing wanneer bestanddelen van deze informatie zijn verbonden met een kopie, of kenbaar worden bij de mededeling aan het publiek, van een werk of ander materiaal dat uit hoofde van dit hoofdstuk wordt beschermd.

Artikel 289

Uitzonderingen en beperkingen

1.   Overeenkomstig de internationale verdragen en overeenkomsten waarbij zij partij zijn, kan elke partij alleen in beperkingen of uitzonderingen op de in de artikelen 281 tot en met 286 van deze overeenkomst bedoelde rechten voorzien in bepaalde bijzondere gevallen die niet in strijd zijn met een normale exploitatie van het beschermde materiaal en de legitieme belangen van de houders van rechten niet op onredelijke wijze schaden.

2.   Elke partij voorziet erin dat tijdelijke reproductiehandelingen als bedoeld in de artikelen 282 tot en met 285 van deze overeenkomst, die van voorbijgaande of incidentele aard zijn, die een integraal en essentieel onderdeel vormen van een technisch procedé en die worden toegepast met als enig doel:

a)

een doorgifte in een netwerk tussen derden door een tussenpersoon; of

b)

een geoorloofd gebruik van een werk of ander beschermd materiaal mogelijk te maken, en die geen zelfstandige economische waarde bezitten, van het in de artikelen 282 tot en met 285 van deze overeenkomst bedoelde reproductierecht zijn vrijgesteld.

Artikel 290

Volgrecht van kunstenaars

1.   Elke partij stelt ten behoeve van de auteur van een oorspronkelijk kunstwerk een volgrecht in, dat wordt omschreven als een onvervreemdbaar recht waarvan geen afstand kan worden gedaan, zelfs niet op voorhand, om telkens wanneer het kunstwerk na de eerste overdracht door de auteur wordt doorverkocht, een op de verkoopprijs berekend recht te ontvangen.

2.   Het in lid 1 bedoelde recht is van toepassing op elke doorverkoop waarbij actoren uit de professionele kunsthandel, zoals veilinghuizen, kunstgalerijen of andere kunsthandelaren, betrokken zijn als verkoper, koper, of tussenpersoon.

3.   Elke partij kan bepalen dat het in lid 1 bedoelde recht niet van toepassing is op een doorverkoop waarbij de verkoper het recht minder dan drie jaar vóór de doorverkoop heeft verkregen van de kunstenaar zelf en de doorverkoopprijs niet meer dan een bepaald minimumbedrag bedraagt.

4.   Het recht komt ten laste van de verkoper. Elke partij kan bepalen dat een van de in lid 2 bedoelde natuurlijke of rechtspersonen, maar niet de verkoper, alleen dan wel samen met de verkoper aansprakelijk is voor de betaling van het recht.

5.   De verleende bescherming mag worden geëist voor zover dit is toegestaan door de partij waar deze bescherming wordt geëist. De procedure voor inning en de bedragen worden in de interne wetgeving vastgelegd.

Artikel 291

Samenwerking bij collectieve beheer van rechten

De partijen streven ernaar de dialoog en de samenwerking tussen hun maatschappijen voor collectief beheer te bevorderen teneinde de beschikbaarheid van werken en ander beschermd materiaal en de overdracht van royalty's voor het gebruik van dergelijke werken of ander beschermd materiaal te bevorderen.

Onderafdeling 2

Handelsmerken

Artikel 292

Internationale overeenkomsten

De partijen:

a)

nemen het Protocol bij de Schikking van Madrid betreffende de internationale inschrijving van merken, het WIPO-Verdrag inzake het merkenrecht en de Overeenkomst van Nice betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken in acht; en

b)

stellen alles in het werk wat redelijkwijs in hun vermogen ligt om toe te treden tot het Verdrag van Singapore inzake het merkenrecht.

Artikel 293

Registratieprocedure

1.   Elke partij zorgt voor een systeem voor de registratie van handelsmerken waarbij de definitieve negatieve beslissingen van de desbetreffende handelsmerkinstantie schriftelijk aan de aanvrager moeten worden meegedeeld en naar behoren gemotiveerd moeten zijn.

2.   Elke partij voorziet in de mogelijkheid om zich tegen de registratie van een handelsmerk te verzetten. Een dergelijke verzetprocedure is contradictoir.

3.   De partijen voorzien in een openbaar toegankelijke elektronische databank voor aanvragen voor en de registratie van handelsmerken.

Artikel 294

Bekende handelsmerken

Om uitvoering te geven aan artikel 6 bis van het Verdrag van Parijs en aan artikel 16, leden 2 en 3, van de TRIPs-Overeenkomst inzake de bescherming van bekende handelsmerken, passen de partijen de gezamenlijke aanbeveling betreffende bepalingen inzake de bescherming van bekende handelsmerken van de vergadering van de Unie van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom en de algemene vergadering van de Wereldorganisatie voor de Intellectuele Eigendom (WIPO) tijdens de 34e reeks bijeenkomsten van de vergaderingen van de WIPO-lidstaten (september 1999) toe.

Artikel 295

Uitzonderingen op rechten verbonden aan handelsmerk

Elke partij voorziet in beperkte uitzonderingen op de aan een handelsmerk verbonden rechten, zoals het eerlijk gebruik van beschrijvende termen, de bescherming van geografische aanduidingen als bedoeld in artikel 303 van deze overeenkomst, of andere beperkte uitzonderingen waarbij rekening wordt gehouden met de legitieme belangen van de houder van het handelsmerk en van derden.

Onderafdeling 3

Geografische aanduidingen

Artikel 296

Toepassingsgebied

1.   Deze onderafdeling is van toepassing op de erkenning en bescherming van geografische aanduidingen die van oorsprong zijn uit de grondgebieden van de partijen.

2.   Een geografische aanduiding van een partij wordt pas beschermd door de andere partij indien zij betrekking heeft op producten die vallen onder de wetgeving van die partij als bedoeld in artikel 297 van deze overeenkomst.

3.   Onder „geografische aanduiding” wordt verstaan een aanduiding zoals bedoeld in artikel 22, lid 1, van de TRIPs-Overeenkomst, met inbegrip van „oorsprongsbenamingen”.

Artikel 297

Gevestigde geografische aanduidingen

1.   Na een onderzoek van de wetgeving van de Republiek Moldavië inzake de bescherming van de in deel A van bijlage XXX-A bij deze overeenkomst opgenomen geografische aanduidingen, concludeert de Unie dat deze wetgeving in overeenstemming is met de in deel C van bijlage XXX-A bij deze overeenkomst neergelegde elementen.

2.   Na een onderzoek van de wetgeving van de Unie inzake de bescherming van de in deel B van bijlage XXX-A bij deze overeenkomst opgenomen geografische aanduidingen, concludeert de Republiek Moldavië dat deze wetgeving in overeenstemming is met de in deel C van bijlage XXX-A bij deze overeenkomst neergelegde elementen.

3.   Na afronding van een bezwaarprocedure overeenkomstig de in bijlage XXX-B bij deze overeenkomst opgenomen criteria en na onderzoek van de in bijlage XXX-C bij deze overeenkomst opgenomen geografische aanduidingen voor landbouwproducten en levensmiddelen uit de Unie en van de in bijlage XXX-D bij deze overeenkomst opgenomen geografische aanduidingen voor wijnen, gearomatiseerde wijnen en gedistilleerde dranken uit de Unie, die door de Unie zijn geregistreerd in het kader van de in lid 2 van dit artikel bedoelde wetgeving, beschermt de regering van de Republiek Moldavië deze geografische aanduidingen overeenkomstig het in deze onderafdeling neergelegde beschermingsniveau.

4.   Na afronding van een bezwaarprocedure overeenkomstig de in bijlage XXX-B bij deze overeenkomst opgenomen criteria en na onderzoek van de in bijlage XXX-C bij deze overeenkomst opgenomen geografische aanduidingen voor landbouwproducten en levensmiddelen uit de Republiek Moldavië en van de in bijlage XXX-D bij deze overeenkomst opgenomen geografische aanduidingen voor wijnen, gearomatiseerde wijnen en gedistilleerde dranken uit de Republiek Moldavië, die door de Republiek Moldavië zijn geregistreerd in het kader van de in lid 1 van dit artikel bedoelde wetgeving, beschermt de Unie deze geografische aanduidingen overeenkomstig het in deze onderafdeling neergelegde beschermingsniveau.

5.   De besluiten van het gemengd comité dat is opgericht bij artikel 11 van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Moldavië inzake de bescherming van geografische aanduidingen voor landbouwproducten en levensmiddelen betreffende de wijziging van de bijlagen III en IV bij die overeenkomst, genomen vóór de inwerkingtreding van deze overeenkomst, worden geacht besluiten van het subcomité geografische aanduidingen te zijn en de aan de bijlagen III en IV bij die overeenkomst toegevoegde geografische aanduidingen worden geacht deel uit te maken van de bijlagen XXX-C en XXX-D bij deze overeenkomst. Bijgevolg beschermen de partijen deze geografische aanduidingen als gevestigde geografische aanduidingen in het kader van deze overeenkomst.

Artikel 298

Toevoeging van nieuwe geografische aanduidingen

1.   De partijen komen overeen dat in de bijlagen XXX-C en XXX-D bij deze overeenkomst overeenkomstig de procedure van artikel 306, lid 3, van deze overeenkomst, na afronding van de bezwaarprocedure en na onderzoek van de in artikel 297, leden 3 en 4, van deze overeenkomst bedoelde geografische aanduidingen ten genoegen van beide partijen, nieuwe te beschermen geografische aanduidingen kunnen worden opgenomen.

2.   Van een partij wordt niet verlangd dat zij een benaming als geografische aanduiding beschermt, indien deze strijdig is met de naam van een plantenras, met inbegrip van een wijndruivenras, of een dierenras en de consument daardoor kan worden misleid met betrekking tot de werkelijke oorsprong van het product.

Artikel 299

Toepassingsgebied van bescherming van geografische aanduidingen

1.   De in de bijlagen XXX-C en XXX-D bij deze overeenkomst opgenomen geografische aanduidingen, alsmede die welke worden toegevoegd ingevolge artikel 298 van deze overeenkomst, worden beschermd tegen:

a)

direct of indirect commercieel gebruik van een beschermde benaming:

i)

voor vergelijkbare producten die niet voldoen aan de productspecificatie van de beschermde benaming; of

ii)

wanneer hierbij van de reputatie van een geografische aanduiding wordt geprofiteerd;

b)

elk misbruik, elke nabootsing of voorstelling (26), zelfs indien de werkelijke oorsprong van het product is aangegeven of indien de beschermde benaming in vertaling, in een andere spelling of in een ander schrift wordt gebruikt of vergezeld gaat van een uitdrukking als „soort”, „type”, „methode”„zoals geproduceerd in”, „imitatie”, „smaak”, „-achtig” en dergelijke;

c)

elke andere valse of misleidende aanduiding met betrekking tot de herkomst, de oorsprong, de aard of de wezenlijke hoedanigheden van het product op de binnen- of buitenverpakking, reclamemateriaal of documenten voor het betrokken product, alsmede het verpakken in een recipiënt die aanleiding kan geven tot misverstanden over de oorsprong van het product; en

d)

elke andere praktijk die de consument ten aanzien van de werkelijke oorsprong van het product kan misleiden.

2.   Indien geografische aanduidingen geheel of gedeeltelijk gelijkluidend zijn, wordt elke aanduiding beschermd mits deze te goeder trouw wordt gebruikt, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met lokale en traditionele gebruiken en het daadwerkelijke gevaar voor verwarring. Onverminderd artikel 23 van de TRIPs-Overeenkomst bepalen de partijen onderling de praktische gebruiksvoorwaarden om gelijkluidende geografische aanduidingen van elkaar te onderscheiden, er rekening mee houdend dat de betrokken producenten een billijke behandeling moeten krijgen en de consument niet mag worden misleid. Een gelijkluidende benaming die bij de consument ten onrechte de indruk wekt dat de producten van oorsprong zijn uit een ander grondgebied, wordt niet geregistreerd, ook al is de benaming juist wat het grondgebied, de regio of de plaats betreft waaruit het betrokken product feitelijk van oorsprong is.

3.   Wanneer een partij in het kader van onderhandelingen met een derde land voorstelt om een geografische aanduiding van dat derde land te beschermen, en die benaming gelijkluidend is met een geografische aanduiding van de andere partij, raadpleegt zij deze partij over dit voornemen en biedt zij haar de gelegenheid opmerkingen te maken voordat de bescherming van de benaming van kracht wordt.

4.   Geen enkele bepaling in deze onderafdeling verplicht een partij ertoe een geografische aanduiding van de andere partij te beschermen, indien deze aanduiding in het land van oorsprong niet of niet langer is beschermd. De partijen stellen elkaar ervan in kennis wanneer een geografische aanduiding in het land van oorsprong niet langer wordt beschermd.

5.   De bepalingen van deze onderafdeling doen op generlei wijze afbreuk aan het recht van een persoon om in het handelsverkeer zijn naam of de naam van zijn voorganger in zaken te gebruiken, behalve wanneer deze naam op zodanige wijze wordt gebruikt dat de consument daardoor wordt misleid.

Artikel 300

Gebruiksrecht van geografische aanduidingen

1.   Een in het kader van deze onderafdeling beschermde benaming mag worden gebruikt door iedere marktdeelnemer die landbouwproducten, levensmiddelen, wijnen, gearomatiseerde wijnen of gedistilleerde dranken die aan de desbetreffende productspecificatie voldoen in de handel brengt, produceert, verwerkt of bereidt.

2.   Zodra een geografische aanduiding in het kader van deze onderafdeling is beschermd, mag het gebruik van de beschermde benaming niet afhankelijk worden gesteld van registratie van de gebruikers of andere verplichtingen.

Artikel 301

Handhaving van bescherming

Om ongeoorloofd gebruik van de beschermde geografische aanduidingen te voorkomen en te beëindigen, handhaven de partijen de in de artikelen 297 tot en met 300 van deze overeenkomst bedoelde bescherming door, naar gelang van het geval, passende bestuursrechtelijke maatregelen te nemen of gerechtelijke procedures in te leiden, onder meer aan de douanegrens (bij invoer en uitvoer). Ook handhaven zij die bescherming op verzoek van een belanghebbende.

Artikel 302

Tenuitvoerlegging van aanvullende maatregelen

Onverminderd de verbintenissen ter bescherming van geografische aanduidingen uit de Unie die de Republiek Moldavië eerder is aangegaan ten gevolge van internationale overeenkomsten inzake de bescherming van geografische aanduidingen en de handhaving daarvan, met inbegrip van de verbintenissen in het kader van de Overeenkomst van Lissabon betreffende de bescherming en internationale registratie van oorsprongsbenamingen, en overeenkomstig artikel 301 van deze overeenkomst, krijgt de Republiek Moldavië vanaf 1 april 2013 een overgangsperiode van vijf jaar om, in het bijzonder aan de douanegrens, alle aanvullende maatregelen te nemen die nodig zijn om ongeoorloofd gebruik van de beschermde geografische aanduidingen te beëindigen.

Artikel 303

Verband met handelsmerken

1.   Wanneer de registratie van een handelsmerk leidt tot één van de in artikel 299, lid 1, van deze overeenkomst bedoelde situaties met betrekking tot een beschermde geografische aanduiding voor soortgelijke producten, wordt deze registratie door de partijen geweigerd of nietig verklaard, ambtshalve of op verzoek van een belanghebbende overeenkomstig de wetgeving van elke partij, mits de registratie van het handelsmerk is aangevraagd na de datum waarop de bescherming van de geografische aanduiding op het betrokken grondgebied is aangevraagd.

2.   Voor de in artikel 297 van deze overeenkomst bedoelde geografische aanduidingen geldt als datum van indiening van een aanvraag voor bescherming 1 april 2013.

3.   Voor de in artikel 298 van deze overeenkomst bedoelde geografische aanduidingen geldt als datum van indiening van een aanvraag voor bescherming de datum waarop een verzoek om bescherming van een geografische aanduiding aan de andere partij wordt doorgegeven.

4.   Voor de in artikel 298 van deze overeenkomst bedoelde geografische aanduidingen zijn de partijen niet verplicht een geografische aanduiding te beschermen wanneer de bescherming de consument gezien de reputatie of bekendheid van een handelsmerk kan misleiden ten aanzien van de werkelijke identiteit van het product.

5.   Onverminderd lid 4 van dit artikel beschermen de partijen geografische aanduidingen ook wanneer er een ouder handelsmerk bestaat. Een ouder handelsmerk is een handelsmerk dat in een van de situaties als bedoeld in artikel 299, lid 1, van deze overeenkomst is gebruikt, en dat vóór de datum waarop de aanvraag voor bescherming van de geografische aanduiding door de andere partij in het kader van deze onderafdeling wordt ingediend, is aangevraagd of geregistreerd of waarvoor, mits de betrokken wetgeving in deze mogelijkheid voorziet, rechten zijn verworven door gebruik op het grondgebied van een van de partijen. Een dergelijk handelsmerk mag verder worden gebruikt en vernieuwd, niettegenstaande de bescherming van de geografische aanduiding, mits er geen redenen zijn voor nietig- of vervallenverklaring op grond van de wetgeving van de partijen inzake handelsmerken.

Artikel 304

Algemene bepalingen

1.   Deze onderafdeling is van toepassing onverminderd de rechten en verplichtingen van de partijen op grond van de WTO-overeenkomst.

2.   Onverminderd artikel 302 van deze overeenkomst geschieden de invoer, de uitvoer en het in de handel brengen van de in de artikelen 297 en 298 van deze overeenkomst bedoelde producten overeenkomstig de wet- en regelgeving die van toepassing zijn op het grondgebied van de partij van invoer.

3.   Aangelegenheden die zich naar aanleiding van technische specificaties van geregistreerde benamingen voordoen, worden door het krachtens artikel 306 van deze overeenkomst opgerichte subcomité geografische aanduidingen behandeld.

4.   In het kader van deze onderafdeling beschermde geografische aanduidingen kunnen alleen worden ingetrokken door de partij waaruit het product van oorsprong is.

5.   Voor zover in deze onderafdeling wordt verwezen naar een productspecificatie, wordt hieronder verstaan een specificatie die door de autoriteiten van de partij waaruit het product van oorsprong is, is goedgekeurd, met inbegrip van eveneens goedgekeurde wijzigingen.

Artikel 305

Samenwerking en transparantie

1.   De partijen onderhouden hetzij rechtstreeks, hetzij via het krachtens artikel 306 van deze overeenkomst ingestelde subcomité geografische aanduidingen, contact over alle zaken betreffende de uitvoering en het functioneren van deze onderafdeling. In het bijzonder kan een partij de andere partij verzoeken om informatie betreffende productspecificaties en de wijziging daarvan, alsook betreffende contactpunten voor controlebepalingen.

2.   Elke partij kan de productspecificaties of een samenvatting daarvan alsmede de contactpunten voor controlebepalingen die betrekking hebben op krachtens dit artikel beschermde geografische aanduidingen uit de andere partij, openbaar maken.

Artikel 306

Subcomité geografische aanduidingen

1.   Hierbij wordt het subcomité geografische aanduidingen opgericht.

2.   Het subcomité geografische aanduidingen bestaat uit vertegenwoordigers van de partijen, en heeft tot taak toezicht te houden op de ontwikkeling van deze onderafdeling en de samenwerking tussen de partijen en de dialoog over geografische aanduidingen te intensiveren. Het brengt verslag uit aan het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, zoals bedoeld in artikel 438, lid 4, van deze overeenkomst.

3.   Het subcomité geografische aanduidingen besluit bij consensus. Het stelt zijn reglement van orde vast. Het komt ten minste eenmaal per jaar bijeen op verzoek van een van de partijen, afwisselend in de EU en in de Republiek Moldavië, op een tijdstip, plaats en wijze, waaronder eventueel per videovergadering, die onderling door de partijen worden bepaald, doch uiterlijk binnen 90 dagen nadat het verzoek is gedaan.

4.   Het subcomité geografische aanduidingen ziet er ook op toe dat deze onderafdeling goed functioneert, en kan aandacht besteden aan elke aangelegenheid met betrekking tot de uitvoering en het functioneren ervan. In het bijzonder is het verantwoordelijk voor:

a)

wijziging van deel A en deel B van bijlage XXX-A bij deze overeenkomst, wat de verwijzingen naar de in de partijen toepasselijke wetgeving betreft;

b)

wijziging van de bijlagen XXX-C en XXX-D bij deze overeenkomst, wat geografische aanduidingen betreft;

c)

de uitwisseling van informatie over ontwikkelingen op wetgevings- en beleidsgebied inzake geografische aanduidingen alsmede over alle andere aangelegenheden van wederzijds belang op het gebied van geografische aanduidingen;

d)

de uitwisseling van informatie over geografische aanduidingen met het oog op de bescherming ervan overeenkomstig deze onderafdeling; en

e)

toezicht op de laatste ontwikkelingen op het gebied van handhaving van de bescherming van de in de bijlagen XXX-C en XXX-D bij deze overeenkomst opgenomen geografische aanduidingen.

Onderafdeling 4

Modellen

Artikel 307

Internationale overeenkomsten

De partijen nemen de Akte van Genève bij de Overeenkomst van s-Gravenhage betreffende de internationale inschrijving van tekeningen of modellen van nijverheid van 1999 in acht.

Artikel 308

Bescherming van geregistreerde modellen

1.   Elke partij voorziet in de bescherming van onafhankelijk gecreëerde modellen die nieuw en oorspronkelijk (27) zijn. Deze bescherming wordt verleend door registratie, die de houders van een geregistreerd model een uitsluitend recht verleent overeenkomstig de bepalingen van dit artikel.

2.   Een model dat is toegepast op of verwerkt in een voortbrengsel dat een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel vormt, wordt slechts geacht nieuw en oorspronkelijk te zijn:

a)

voor zover het onderdeel, wanneer het in het samengestelde voortbrengsel is verwerkt, bij normaal gebruik van het product zichtbaar blijft; en

b)

voor zover deze zichtbare kenmerken van het onderdeel als zodanig aan de voorwaarden inzake nieuwheid en oorspronkelijkheid voldoen.

3.   Onder „normaal gebruik” in de zin van lid 2, onder a), wordt verstaan het gebruik door de eindgebruiker, met uitzondering van handelingen in verband met onderhoud, service of reparatie.

4.   De eigenaar van een geregistreerd model heeft het recht derden die daartoe niet zijn toestemming hebben te beletten om ten minste producten te vervaardigen, te koop aan te bieden, te verkopen, in te voeren, uit te voeren, op te slaan of te gebruiken die het beschermde model vertonen of incorporeren, wanneer dit om commerciële redenen gebeurt, daarbij zonder noodzaak afbreuk wordt gedaan aan de normale exploitatie van het model of dit niet in overeenstemming is met eerlijke handelspraktijken.

5.   De beschermingsduur bedraagt 25 jaar vanaf de datum van indiening van de aanvraag voor registratie.

Artikel 309

Bescherming van niet-geregistreerde modellen

1.   Elke partij voorziet in de wettelijke middelen om het gebruik van niet-geregistreerde modellen te voorkomen, maar alleen indien het aangevochten gebruik voortvloeit uit het kopiëren van de niet-geregistreerde verschijningsvorm van het product. Voor de toepassing van dit artikel omvat het begrip „gebruik” ook het te koop aanbieden, in de handel brengen, invoeren of uitvoeren van het product.

2.   De beschermingsduur voor niet-geregistreerde modellen bedraagt ten minste drie jaar vanaf de datum waarop het model in een van de partijen ter beschikking van het publiek werd gesteld.

Artikel 310

Uitzonderingen en uitsluitingen

1.   Elke partij kan beperkte uitzonderingen op de bescherming van modellen vaststellen, mits deze uitzonderingen niet op onredelijke wijze strijdig zijn met de normale exploitatie van beschermde modellen en niet op onredelijke wijze de legitieme belangen van de eigenaar van het beschermde model schaden, rekening houdend met de legitieme belangen van derden.

2.   De bescherming van modellen strekt zich niet uit tot modellen waarvoor hoofdzakelijk technische of functionele overwegingen bepalend zijn. In het bijzonder geldt een modelrecht niet voor de uiterlijke kenmerken van een voortbrengsel die in precies dezelfde vorm en afmetingen gereproduceerd moeten worden om het voortbrengsel waarin het model verwerkt is of waarop het toegepast is, mechanisch met een ander voortbrengsel te kunnen verbinden of om het in, rond of tegen een ander voortbrengsel te kunnen plaatsen, zodat elk van beide voortbrengselen zijn functie kan vervullen.

Artikel 311

Verband met auteursrecht

Een model kan vanaf de datum waarop het is gecreëerd of in een vorm is vastgelegd, tevens beschermd worden krachtens het auteursrecht van een partij. De mate waarin en de voorwaarden waaronder een dergelijke bescherming wordt verleend, met inbegrip van het vereiste oorspronkelijkheidsgehalte, wordt door elke partij vastgesteld.

Onderafdeling 5

Octrooien

Artikel 312

Internationale overeenkomsten

De partijen nemen het WIPO-Verdrag inzake samenwerking bij octrooien in acht en stellen alles in het werk wat redelijkerwijs in hun vermogen ligt om het WIPO-Verdrag inzake octrooirecht na te leven.

Artikel 313

Octrooien en volksgezondheid

1.   De partijen erkennen het belang van de Verklaring van de ministeriële conferentie van de WTO inzake de TRIPs-Overeenkomst en de volksgezondheid, die op 14 november 2001 werd aangenomen. Voor de interpretatie en uitvoering van de rechten en verplichtingen uit hoofde van dit hoofdstuk waarborgen de partijen de consistentie met deze verklaring.

2.   De partijen nemen het Besluit van de Algemene Raad van de WTO van 30 augustus 2003 over punt 6 van de in lid 1 van dit artikel bedoelde verklaring in acht en dragen bij tot de uitvoering ervan.

Artikel 314

Aanvullend beschermingscertificaat

1.   De partijen erkennen dat geneesmiddelen en gewasbeschermingsmiddelen die door een octrooi worden beschermd, aan een administratieve vergunningsprocedure kunnen worden onderworpen voordat zij er in de handel mogen worden gebracht. Zij erkennen dat de termijn tussen de indiening van de octrooiaanvraag en de eerste vergunning om het product op hun respectieve grondgebied in de handel te brengen, zoals voor dat doel door de interne wetgeving omschreven, de termijn van daadwerkelijke bescherming uit hoofde van het octrooi kan bekorten.

2.   Elke partij zorgt voor een verdere periode van bescherming voor geneesmiddelen of gewasbeschermingsmiddelen die door een octrooi worden beschermd en die aan een administratieve vergunningsprocedure waren onderworpen, waarbij die periode gelijk moet zijn aan de in lid 1, tweede volzin, bedoelde periode, verminderd met vijf jaar.

3.   Onverminderd lid 2 mag de duur van de verdere periode van bescherming niet meer dan vijf jaar bedragen.

4.   Met betrekking tot geneesmiddelen waarvoor kindergeneeskundige studies zijn verricht, en mits de resultaten van deze studies in de productinformatie worden weerspiegeld, voorzien de partijen in een verdere verlenging met zes maanden van de in lid 2 bedoelde beschermingsperiode.

Artikel 315

Bescherming van gegevens die zijn ingediend ter verkrijging van vergunning voor in de handel brengen van geneesmiddel

1.   Elke partij voert een alomvattend systeem in om te garanderen dat gegevens die zijn ingediend ter verkrijging van een vergunning voor het in de handel brengen van een geneesmiddel, geheim worden gehouden, niet openbaar worden gemaakt en dat de exclusiviteit ervan wordt gewaarborgd. (28)

2.   Elke partij zorgt ervoor dat verlangde informatie die is ingediend ter verkrijging van een vergunning voor het in de handel brengen van een geneesmiddel niet aan derden wordt meegedeeld en bescherming geniet tegen oneerlijk commercieel gebruik.

Hiertoe

a)

wordt gedurende een periode van ten minste vijf jaar, te rekenen vanaf de datum waarop de vergunning voor het in de handel brengen in de betrokken partij is verleend, geen andere (publieke of particuliere) persoon of entiteit dan de persoon of entiteit die deze vertrouwelijke informatie heeft ingediend, toegestaan zich, ter onderbouwing van een aanvraag voor een vergunning voor het in de handel brengen van een geneesmiddel, rechtstreeks of indirect op deze gegevens te beroepen zonder dat de persoon of entiteit die de gegevens heeft ingediend, hiermee uitdrukkelijk heeft ingestemd;

b)

wordt gedurende een periode van ten minste zeven jaar, te rekenen vanaf de datum waarop de vergunning voor het in de handel brengen in de betrokken partij is verleend, geen vergunning voor het in de handel brengen verleend voor latere aanvragen, tenzij de later aanvrager zijn/haar eigen gegevens indient dan wel gegevens die worden gebruikt met instemming van de houder van de eerste vergunning, die voldoen aan dezelfde vereisten als bij de eerste vergunning. Producten die zijn geregistreerd zonder dat deze gegevens zijn ingediend, worden uit de handel genomen totdat aan de vereisten is voldaan.

3.   De in lid 2, onder b), bedoelde periode van zeven jaar wordt verlengd tot maximaal acht jaar indien de houder van de aanvankelijke vergunning gedurende de eerste vijf jaar na het verkrijgen van deze vergunning een vergunning verkrijgt voor een of meer nieuwe therapeutische indicaties die worden beschouwd als een belangrijk klinisch voordeel ten opzichte van de bestaande behandelingen.

4.   Dit artikel heeft geen terugwerkende kracht. Het heeft geen invloed op de verhandeling van geneesmiddelen waarvoor vóór de inwerkingtreding van deze overeenkomst een vergunning is verleend.

5.   De Republiek Moldavië streeft naar aanpassing van haar wetgeving betreffende de gegevensbescherming met betrekking tot geneesmiddelen aan die van de Unie op een datum die wordt bepaald door het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, zoals bedoeld in artikel 438, lid 4, van deze overeenkomst.

Artikel 316

Gegevensbescherming met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen

1.   Elke partij stelt veiligheids- en werkzaamheidsvereisten vast voordat zij een vergunning verleent voor het in de handel brengen van gewasbeschermingsmiddelen.

2.   Elke partij kent een tijdelijk gegevensbeschermingsrecht toe aan de eigenaar van een test- of studieverslag dat voor het eerst is ingediend ter verkrijging van een vergunning voor het in de handel brengen van een gewasbeschermingsmiddel.

Gedurende de periode waarin het gegevensbeschermingsrecht geldig is, wordt het test- of studieverslag niet gebruikt ten behoeve van een andere persoon die een vergunning voor het in de handel brengen van een gewasbeschermingsmiddel tracht te verkrijgen, tenzij de eigenaar hiermee uitdrukkelijk instemt.

3.   Het test-of studieverslag moet voldoen aan de volgende voorwaarden:

a)

het is noodzakelijk voor de vergunning, of voor een wijziging van een vergunning om het gebruik in andere gewassen toe te staan; en

b)

het is in overeenstemming verklaard met de beginselen van goede laboratoriumpraktijken of goede experimentele praktijken.

4.   De gegevensbescherming geldt voor een termijn van ten minste tien jaar vanaf de eerste vergunning in de desbetreffende partij. Voor gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico mag de termijn worden verlengd tot 13 jaar.

5.   De in lid 4 bedoelde termijnen worden met drie maanden verlengd bij elke verlenging van de vergunning voor beperkte toepassingen (29) indien deze vergunningen door de houder van de vergunning worden aangevraagd uiterlijk vijf jaar na de datum van de eerste vergunning. De totale termijn voor gegevensbescherming mag in geen geval meer dan 13 jaar bedragen. Voor gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico mag de totale termijn voor gegevensbescherming in geen geval meer dan 15 jaar bedragen.

6.   Een test- of studieverslag wordt eveneens beschermd wanneer het voor de verlenging of de herziening van een vergunning noodzakelijk was. In die gevallen bedraagt de periode voor gegevensbescherming 30 maanden.

Artikel 317

Kwekersrechten

De partijen beschermen kwekersrechten overeenkomstig het Internationaal Verdrag tot bescherming van kweekproducten, met inbegrip van de facultatieve uitzondering op het kwekersrecht als bedoeld in artikel 15, lid 2, van dat verdrag, en werken samen om deze rechten te bevorderen en te handhaven.

Afdeling 3

Handhaving van intellectuele-eigendomsrechten

Artikel 318

Algemene verplichtingen

1.   De partijen herbevestigen dat zij vastbesloten zijn de TRIPs-Overeenkomst, in het bijzonder deel III daarvan, in acht te nemen en voorzien in de in deze afdeling uiteengezette aanvullende maatregelen, procedures en rechtsmiddelen, die nodig zijn om te zorgen voor de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten. (30)

2.   Deze aanvullende maatregelen, procedures en rechtsmiddelen dienen eerlijk en billijk te zijn, mogen niet onnodig ingewikkeld of duur zijn en mogen geen onredelijke termijnen of nodeloze vertragingen inhouden.

3.   Deze aanvullende maatregelen en rechtsmiddelen moeten ook doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn en worden zodanig toegepast dat het scheppen van belemmeringen voor de legitieme handel wordt vermeden en dat wordt voorzien in waarborgen tegen misbruik ervan.

Artikel 319

Rechthebbenden

Elke partij erkent dat de volgende personen gerechtigd zijn te verzoeken om toepassing van de in deze afdeling en in deel III van de TRIPs-Overeenkomst bedoelde maatregelen, procedures en rechtsmiddelen:

a)

houders van intellectuele-eigendomsrechten, overeenkomstig de bepalingen van het toepasselijke recht;

b)

alle andere personen die gemachtigd zijn deze rechten te gebruiken, in het bijzonder licentiehouders, voor zover toegestaan door en overeenkomstig de bepalingen van het toepasselijke recht;

c)

instanties voor het collectieve beheer van intellectuele-eigendomsrechten die officieel erkend zijn als gerechtigd tot het vertegenwoordigen van houders van intellectuele-eigendomsrechten, voor zover toegestaan door en overeenkomstig de bepalingen van het toepasselijke recht; en

d)

organisaties voor de verdediging van beroepsbelangen die officieel erkend zijn als gerechtigd tot het vertegenwoordigen van houders van intellectuele-eigendomsrechten, voor zover toegestaan door en overeenkomstig de bepalingen van het toepasselijke recht.

Onderafdeling 1

Civielrechtelijke handhaving

Artikel 320

Maatregelen ter bescherming van bewijsmateriaal

1.   Elke partij zorgt ervoor dat de bevoegde rechterlijke instanties, al voordat een bodemprocedure is begonnen, op verzoek van een partij die redelijkerwijs beschikbaar bewijsmateriaal heeft overgelegd tot staving van de stelling dat er inbreuk op zijn/haar intellectuele-eigendomsrecht is gemaakt of zal worden gemaakt, onmiddellijk afdoende voorlopige maatregelen kunnen gelasten om het relevante bewijsmateriaal in verband met de vermeende inbreuk te beschermen, mits de bescherming van vertrouwelijke informatie wordt gewaarborgd.

2.   Tot deze maatregelen kunnen behoren de gedetailleerde beschrijving, met of zonder monsterneming, dan wel de fysieke inbeslagneming van de litigieuze goederen en, in voorkomend geval, de bij de productie en/of distributie daarvan gebruikte materialen en werktuigen en de desbetreffende documenten. Die maatregelen worden in het bijzonder genomen, zo nodig zonder dat de wederpartij wordt gehoord, wanneer het aannemelijk is dat uitstel de houder van het recht onherstelbare schade zal berokkenen, of indien er een aantoonbaar gevaar bestaat dat bewijsmateriaal wordt vernietigd.

Artikel 321

Recht op informatie

1.   Elke partij draagt er zorg voor dat de bevoegde rechterlijke instanties in het kader van procedures inzake inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht naar aanleiding van een met redenen omkleed en evenredig verzoek van de eiser kunnen gelasten dat informatie over de oorsprong en het distributienetwerk van de goederen of diensten die inbreuk op het intellectuele-eigendomsrecht maken, wordt verstrekt door de inbreukmaker en/of iedere andere persoon die:

a)

de inbreuk makende goederen op commerciële schaal in zijn bezit bleek te hebben;

b)

de inbreuk makende diensten op commerciële schaal bleek te gebruiken;

c)

op commerciële schaal diensten bleek te verlenen die bij inbreuk makende activiteiten worden gebruikt;

d)

door een onder a), b) of c), bedoelde persoon is aangewezen als zijnde betrokken bij de productie, de vervaardiging of de distributie van deze goederen of bij het verlenen van deze diensten.

2.   De in lid 1 bedoelde informatie omvat, naar gelang van het geval:

a)

de naam en het adres van de producenten, fabrikanten, distributeurs, leveranciers en andere eerdere bezitters van de goederen of diensten, alsmede van de beoogde groot- en detailhandelaren;

b)

informatie over de geproduceerde, vervaardigde, geleverde, ontvangen of bestelde hoeveelheden, alsmede over de voor de desbetreffende goederen of diensten verkregen prijs.

3.   De leden 1 en 2 gelden onverminderd andere wettelijke bepalingen waarbij:

a)

de houder van het recht ruimere rechten op informatie worden toegekend;

b)

het gebruik van de krachtens dit artikel meegedeelde informatie in civiele of strafzaken wordt geregeld;

c)

de aansprakelijkheid wegens misbruik van het recht op informatie wordt geregeld;

d)

de mogelijkheid wordt geboden te weigeren informatie te verstrekken die de in lid 1 bedoelde persoon zou dwingen deelname door hemzelf/haarzelf of door zijn/haar naaste verwanten aan een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht toe te geven; of

e)

de bescherming van de vertrouwelijkheid van informatiebronnen of de verwerking van persoonsgegevens wordt geregeld.

Artikel 322

Voorlopige en conservatoire maatregelen

1.   Elke partij ziet erop toe dat de rechterlijke instanties, op verzoek van de eiser, een voorlopig bevel kunnen uitvaardigen tegen de vermeende inbreukmaker dat bedoeld is om een dreigende inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht te voorkomen of om, indien wenselijk en indien de interne wetgeving hierin voorziet op straffe van een dwangsom, tijdelijk voortzetting van de vermeende inbreuk op dat recht te verbieden, dan wel om aan deze voortzetting de voorwaarde te verbinden dat voor schadeloosstelling van de houder van het recht zekerheid wordt gesteld. Onder dezelfde voorwaarden kan een voorlopig bevel worden uitgevaardigd tegen een tussenpersoon wiens diensten door een derde worden gebruikt om inbreuk te maken op een intellectuele-eigendomsrecht.

2.   Een voorlopig bevel kan ook worden uitgevaardigd om de inbeslagneming of afgifte te kunnen gelasten van goederen waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op een intellectuele-eigendomsrecht, teneinde te voorkomen dat zij in het handelsverkeer worden gebracht of zich daarin bevinden.

3.   De partijen zorgen ervoor dat, in geval van vermeende inbreuk op commerciële schaal en indien de indiener van het verzoek omstandigheden aantoont die de schadevergoeding in gevaar dreigen te brengen, de rechterlijke instanties conservatoir beslag kunnen laten leggen op de roerende en onroerende goederen van de vermeende inbreukmaker, met inbegrip van het blokkeren van zijn/haar bankrekeningen en andere tegoeden. Met het oog daarop kunnen de bevoegde instanties overlegging van bancaire, financiële of commerciële documenten of passende inzage van de desbetreffende informatie gelasten.

Artikel 323

Corrigerende maatregelen

1.   Elke partij ziet erop toe dat de bevoegde rechterlijke instanties op verzoek van de eiser, onverminderd de aan de houder van het betrokken recht wegens de inbreuk verschuldigde schadevergoeding en zonder schadeloosstelling van welke aard ook, op zijn minst de definitieve onttrekking aan het handelsverkeer of de vernietiging kunnen gelasten van de goederen waarvan zij hebben vastgesteld dat zij inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht maken. In voorkomend geval kunnen de bevoegde rechterlijke instanties ook de vernietiging gelasten van materialen en werktuigen die hoofdzakelijk worden gebruikt voor het ontwerpen of vervaardigen van die goederen.

2.   De rechterlijke instanties van de partijen kunnen gelasten dat deze maatregelen op kosten van de inbreukmaker worden uitgevoerd, tenzij bijzondere redenen dit beletten.

Artikel 324

Rechterlijke bevelen

Elke partij zorgt ervoor dat de rechterlijke instanties, wanneer een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht is vastgesteld, een bevel tot staking van de inbreuk tegen de inbreukmaker en tegen een tussenpersoon van wie de diensten door een derde worden gebruikt om inbreuk te maken op een intellectuele-eigendomsrecht kunnen uitvaardigen.

Artikel 325

Alternatieve maatregelen

De partijen kunnen bepalen dat de bevoegde rechterlijke instanties, in voorkomend geval en op verzoek van de persoon aan wie de in de artikelen 323 en/of 324 van deze overeenkomst vastgelegde maatregelen kunnen worden opgelegd, kunnen gelasten dat de maatregelen van deze twee artikelen niet worden toegepast, maar in plaats daarvan aan de benadeelde partij een geldelijke schadeloosstelling wordt betaald wanneer de betrokkene zonder opzet en zonder nalatigheid heeft gehandeld, uitvoering van de maatregelen hem/haar onevenredige schade zou berokkenen en geldelijke schadeloosstelling van de benadeelde partij redelijkerwijs toereikend lijkt.

Artikel 326

Schadevergoeding

1.   Elke partij zorgt ervoor dat de rechterlijke instanties, op verzoek van de benadeelde partij, de inbreukmaker die wist of redelijkerwijs had moeten weten dat hij inbreuk pleegde, gelasten aan de houder van het recht een schadevergoeding te betalen die passend is voor de werkelijke schade die deze wegens de inbreuk heeft geleden. De rechterlijke instanties die de hoogte van de schadevergoeding vaststellen:

a)

houden rekening met alle passende aspecten, zoals de negatieve economische gevolgen, waaronder winstderving, die de benadeelde partij heeft ondervonden, de onrechtmatige winst die de inbreukmaker heeft genoten en, in voorkomend geval, andere elementen dan economische factoren, onder meer de morele schade die de houder van het recht door de inbreuk heeft geleden; of

b)

kunnen als alternatief voor het bepaalde onder a) in voorkomend geval de hoogte van de schadevergoeding vaststellen als een eenmalige vergoeding, op basis van elementen zoals ten minste het bedrag aan royalty's of vergoedingen dat verschuldigd was geweest indien de inbreukmaker toestemming had gevraagd om het intellectuele-eigendomsrecht in kwestie te gebruiken.

2.   De partijen kunnen ten behoeve van de benadeelde partij bepalen dat de rechterlijke instanties invordering van winsten of betaling van een, eventueel vooraf vastgestelde, schadevergoeding kunnen gelasten, indien de inbreukmaker niet wist of niet redelijkerwijs had moeten weten dat hij inbreuk pleegde.

Artikel 327

Gerechtskosten

Elke partij draagt er zorg voor dat, als algemene regel, redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten die de in het gelijk gestelde partij heeft gemaakt, door de in het ongelijk gestelde partij zullen worden gedragen, tenzij de billijkheid zich daartegen verzet.

Artikel 328

Openbaarmaking van rechterlijke uitspraken

Elke partij draagt er zorg voor dat de rechterlijke instanties in rechtszaken wegens inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht op verzoek van de eiser kunnen gelasten dat op kosten van de inbreukmaker passende maatregelen tot verspreiding van de informatie over de uitspraak worden getroffen, met inbegrip van het ophangen en volledig of gedeeltelijk publiceren van de uitspraak.

Artikel 329

Vermoeden van auteurschap of houderschap van rechten

Voor de toepassing van de in deze afdeling bedoelde maatregelen, procedures en rechtsmiddelen:

a)

volstaat het voor de auteur van een werk van letterkunde of kunst, om als zodanig te worden beschouwd en derhalve het recht te hebben om een rechtsvordering wegens inbreuk in te stellen, dat zijn/haar naam op de gebruikelijke wijze op het werk is vermeld, totdat bewijs van het tegendeel is geleverd;

b)

is het bepaalde onder a) van overeenkomstige toepassing op de houders van naburige rechten ten aanzien van hun beschermde materiaal.

Onderafdeling 2

Overige bepalingen

Artikel 330

Maatregelen aan grens

1.   Tenzij in deze onderafdeling anders wordt bepaald, stelt elke partij procedures vast om een houder van een recht die geldige gronden heeft om te vermoeden dat goederen waarmee inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht wordt gemaakt (31), worden ingevoerd, uitgevoerd of wederuitgevoerd, het douanegebied worden binnen- of uitgebracht, onder een schorsingsregeling worden gebracht, in een vrije zone worden gebracht of in een vrij entrepot worden geplaatst, in staat te stellen bij de bevoegde — administratieve of gerechtelijke — instanties een schriftelijk verzoek in te dienen tot opschorting van het in het vrije verkeer brengen van deze goederen dan wel tot het vasthouden ervan door de douaneautoriteiten.

2.   Elke partij ziet erop toe dat wanneer de douaneautoriteiten in de loop van hun optreden en voordat door een houder van een recht een aanvraag is ingediend of deze is gehonoreerd, voldoende gronden hebben om te vermoeden dat goederen een inbreuk maken op een intellectuele-eigendomsrecht, zij het in het vrije verkeer brengen van de goederen kunnen opschorten of de goederen kunnen vasthouden teneinde de houder van het recht in staat te stellen een aanvraag voor een optreden uit hoofde van lid 1 in te dienen.

3.   Rechten of verplichtingen die in de interne wetgeving voor de uitvoering van dit artikel en van afdeling 4 van deel III van de TRIPs-Overeenkomst zijn vastgesteld voor de importeur, zijn ook van toepassing op de exporteur of de houder van de goederen.

4.   Elke partij bepaalt dat haar bevoegde autoriteiten van een houder van een recht die om de in lid 1 beschreven procedures verzoekt, verlangen dat hij voldoende bewijs levert om ten genoegen van de bevoegde autoriteiten aan te tonen dat er, ingevolge de wetgeving van de partij die de procedures heeft vastgelegd, prima facie sprake is van een inbreuk op zijn intellectuele-eigendomsrecht en dat hij voldoende van de informatie waarover hij redelijkerwijs mag worden geacht te beschikken, verstrekt om de verdachte goederen gemakkelijk herkenbaar te doen zijn voor de bevoegde autoriteiten. Het vereiste dat voldoende informatie wordt verstrekt, mag niet op onredelijke wijze weerhouden van gebruikmaking van de in lid 1 bedoelde procedures.

5.   Teneinde vast te stellen of inbreuk is gemaakt op een intellectuele-eigendomsrecht, stelt het douanekantoor de houder van het recht op zijn/haar verzoek en voor zover deze informatie beschikbaar is, in kennis van de namen en adressen van zowel de geadresseerde en de afzender, als de aangever of houder van de goederen, alsmede van de oorsprong en de herkomst van de goederen die vermoedelijk inbreuk maken op intellectuele-eigendomsrechten.

Het douanekantoor geeft de verzoeker ook de mogelijkheid de goederen waarvan de vrijgave is geschorst of die worden vastgehouden, te inspecteren. Het douanekantoor kan bij het onderzoek van de goederen, uitsluitend met het oog op analyse en louter teneinde het verdere verloop van de procedure te vergemakkelijken, monsters nemen en deze op verzoek van de houder van het recht aan hem/haar overhandigen of toezenden.

6.   De douaneautoriteiten richten zich actief op, en identificeren, zendingen die goederen bevatten waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op een intellectuele-eigendomsrecht, waarbij zij risicoanalysetechnieken gebruiken. Zij zetten systemen voor nauwe samenwerking met houders van rechten op, met inbegrip van doeltreffende mechanismen om informatie te verzamelen voor de risicoanalyse.

7.   De partijen komen overeen samen te werken om de internationale handel in goederen die inbreuk maken op intellectuele-eigendomsrechten uit te roeien. In het bijzonder wisselen zij daartoe in voorkomend geval informatie uit en voorzien zij in samenwerking tussen hun bevoegde autoriteiten met betrekking tot de handel in goederen die inbreuk maken op intellectuele-eigendomsrechten.

8.   Voor goederen in doorvoer door het grondgebied van een partij die bestemd zijn voor de andere partij, verstrekt de eerstgenoemde partij informatie aan de laatstgenoemde partij om effectieve handhaving mogelijk te maken ten aanzien van zendingen van goederen waarvoor een vermoeden bestaat dat zij inbreuk maken op intellectuele-eigendomsrechten.

9.   Onverminderd andere vormen van samenwerking, zal Protocol III inzake wederzijdse administratieve bijstand in douaneaangelegenheden van toepassing zijn met betrekking tot de leden 7 en 8 van dit artikel inzake schendingen van de douanewetgeving inzake intellectuele-eigendomsrechten.

10.   Het in artikel 200 van deze overeenkomst bedoelde subcomité douane zorgt voor de goede werking en uitvoering van dit artikel.

Artikel 331

Gedragscodes

De partijen stimuleren:

a)

de ontwikkeling door handels- of beroepsverenigingen of -organisaties van gedragscodes die ten doel hebben bij te dragen tot de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten; en

b)

de indiening bij de bevoegde autoriteiten van de partijen van ontwerpgedragscodes en van evaluaties van de toepassing van deze gedragscodes.

Artikel 332

Samenwerking

1.   De partijen komen overeen samen te werken ter ondersteuning van de tenuitvoerlegging van de verbintenissen en verplichtingen uit hoofde van dit hoofdstuk.

2.   Onverminderd het bepaalde in titel VI (Financiële bijstand, fraudebestrijding en controle) van deze overeenkomst, strekt de samenwerking zich uit, maar is niet beperkt tot de volgende activiteiten:

a)

uitwisseling van informatie over het rechtskader met betrekking tot intellectuele-eigendomsrechten en de regels om deze te beschermen en te handhaven; uitwisseling van ervaringen met betrekking tot de voortgang op wetgevingsgebied op die terreinen;

b)

uitwisseling van ervaringen en informatie over de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten;

c)

uitwisseling van ervaringen met betrekking tot de handhaving op centraal en subcentraal niveau door de douane, de politie en administratieve en gerechtelijke instanties; coördinatie ter voorkoming van de uitvoer van nagemaakte goederen, ook met andere landen;

d)

capaciteitsopbouw; uitwisseling en opleiding van personeel;

e)

bevordering en verspreiding van informatie over intellectuele-eigendomsrechten, onder meer in zakenkringen en het maatschappelijk middenveld; voorlichting van consumenten en houders van een recht;

f)

uitbreiding van institutionele samenwerking, bijvoorbeeld tussen bureaus voor intellectuele eigendom;

g)

actieve voorlichting aan en scholing van het grote publiek over het beleid inzake intellectuele-eigendomsrechten; formulering van doeltreffende strategieën om te bepalen wat de belangrijkste doelgroepen zijn en vormgeving van communicatieprogramma's ter vergroting van het bewustzijn van de consument en de media over de impact van inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten, met inbegrip van het gevaar voor gezondheid en veiligheid en het verband met de georganiseerde misdaad.

HOOFDSTUK 10

Mededinging

Afdeling 1

Kartelbestrijding en fusies

Artikel 333

Definities

Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:

1.   „mededingingsautoriteit”: voor de Unie de Europese Commissie, en voor de Republiek Moldavië de Mededingingsraad;

2.   „mededingingswetgeving”:

a)

voor de Unie de artikelen 101, 102 en 106 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (de EG-concentratieverordening) en de uitvoeringsbepalingen of wijzigingen daarvan;

b)

voor de Republiek Moldavië mededingingswet nr. 183 van 11 juli 2012 en de uitvoeringsbepalingen of wijzigingen daarvan, en

c)

alle wijzigingen van de onder a) en b) bedoelde instrumenten na de inwerkingtreding van deze overeenkomst.

Artikel 334

Beginselen

De partijen erkennen het belang van een vrije en onvervalste mededinging voor hun handelsbetrekkingen. Zij erkennen dat concurrentieverstorende praktijken de goede werking van de markten kunnen verstoren en de voordelen van de liberalisering van het handelsverkeer kunnen ondergraven.

Artikel 335

Tenuitvoerlegging

1.   Elke partij handhaaft op haar respectieve grondgebied uitgebreide mededingingswetgeving waarbij doeltreffend wordt opgetreden tegen concurrentieverstorende overeenkomsten, onderling afgestemde feitelijke gedragingen en eenzijdig concurrentieverstorend gedrag van ondernemingen met een aanzienlijke macht op de markt, en waarin wordt voorzien in een doeltreffend toezicht op concentraties.

2.   Elke partij houdt een autoriteit in stand die onafhankelijk kan optreden en die beschikt over voldoende personele en financiële middelen om de in artikel 333, lid 2, bedoelde mededingingswetgeving doeltreffend te kunnen handhaven.

3.   De partijen erkennen het belang van de toepassing van hun respectieve mededingingswetgeving op transparante en niet-discriminerende wijze, met inachtneming van de beginselen van een billijke rechtsgang en van het recht van verweer van de betrokken ondernemingen.

Artikel 336

Staatsmonopolies, openbare ondernemingen en ondernemingen waaraan bijzondere of uitsluitende rechten zijn toegekend

1.   Geen enkele bepaling in dit hoofdstuk belet een partij overeenkomstig haar wetgeving staatsmonopolies of openbare ondernemingen aan te wijzen of in stand te houden, of aan ondernemingen bijzondere of uitsluitende rechten toe te kennen.

2.   Elke partij ziet erop toe dat de in artikel 333, lid 2, bedoelde mededingingswetgeving van toepassing is op commerciële staatsmonopolies, openbare ondernemingen en ondernemingen waaraan bijzondere of uitsluitende rechten zijn toegekend, voor zover de toepassing van die wetgeving de betrokken ondernemingen niet belemmert in de wettelijke of feitelijke uitvoering van de hun toegewezen bijzondere taken van algemeen belang.

Artikel 337

Samenwerking en uitwisseling van informatie

1.   De partijen erkennen het belang van samenwerking en coördinatie tussen hun respectieve mededingingsautoriteiten met het oog op het verbeteren van een doeltreffende handhaving van de mededingingswetgeving en het bereiken van de doelstellingen van deze overeenkomst door middel van de bevordering van de mededinging en de inperking van concurrentieverstorend gedrag van ondernemingen of concurrentieverstorende transacties.

2.   Daartoe kan elke mededingingsautoriteit de andere mededingingsautoriteit in kennis stellen van haar bereidheid tot samenwerking bij het handhavend optreden door een van de partijen. Geen enkele partij mag het recht worden ontzegd om zelfstandig besluiten te nemen over de kwesties die het voorwerp van de samenwerking vormen.

3.   Om de doeltreffende handhaving van hun respectieve mededingingswetgeving te vergemakkelijken, kunnen de mededingingsautoriteiten informatie uitwisselen, voor zover deze niet vertrouwelijk van aard is. Alle uitwisseling van informatie is onderworpen aan de in elke partij toepasselijke vertrouwelijkheidsnormen. Wanneer de partijen krachtens dit artikel informatie uitwisselen, nemen zij de beperkingen in acht die in hun respectieve jurisdicties voortvloeien uit het beroeps- of zakengeheim.

Artikel 338

Geschillenbeslechting

De bepalingen over het geschillenbeslechtingsmechanisme in hoofdstuk 14 (Beslechting van geschillen) van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst zijn niet van toepassing op deze afdeling.

Afdeling 2

Staatssteun

Artikel 339

Algemene beginselen en toepassingsgebied

1.   Staatssteun door de Unie of door de Republiek Moldavië of in welke vorm ook met middelen van een van de partijen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of van de productie van bepaalde goederen en diensten vervalst of dreigt te vervalsen, en die het handelsverkeer tussen de partijen ongunstig beïnvloedt, is onverenigbaar met deze overeenkomst.

2.   Dit hoofdstuk is niet van toepassing op staatssteun voor de visserij, staatssteun voor producten die vallen onder bijlage 1 bij de Overeenkomst inzake de landbouw of andere vormen van steun die vallen onder de Overeenkomst inzake de landbouw.

Artikel 340

Beoordeling van staatssteun

1.   De staatssteun wordt beoordeeld aan de hand van de criteria die voortvloeien uit de toepassing van de mededingingsregels die van toepassing zijn in de EU, in het bijzonder artikel 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en de besluiten die ter interpretatie hiervan door de instellingen van de EU zijn vastgesteld, met inbegrip van de relevante jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie.

2.   De verplichtingen uit hoofde van dit artikel vinden toepassing binnen vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst.

Artikel 341

Staatssteunwetgeving en staatssteunautoriteit

1.   De partijen stellen wetgeving inzake het toezicht op staatssteun vast of handhaven deze, naar gelang het geval. Zij stellen tevens een autoriteit in die onafhankelijk kan optreden en waaraan de bevoegdheden worden verleend die nodig zijn voor het toezicht op staatssteun, of houden deze in stand, naar gelang het geval. Die autoriteit zal onder meer bevoegd zijn om toestemming te verlenen voor staatssteunregelingen en individuele staatssteunmaatregelen, en om terugvordering van onrechtmatig verleende staatssteun te gelasten.

2.   Aan de verplichtingen uit hoofde van dit artikel moet worden voldaan binnen twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst.

3.   Alle vóór de instelling van de staatssteunautoriteit ingevoerde staatssteunregelingen worden aangepast binnen acht jaar na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst. Onverminderd de andere hoofdstukken van deze overeenkomst wordt de aanpassingsperiode met betrekking tot de staatssteunregelingen die zijn ingevoerd uit hoofde van wet nr. 440-XV van de Republiek Moldavië van 27 juli 2001 inzake vrije economische zones, verlengd met ten hoogste tien jaar te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst.

Artikel 342

Transparantie

1.   Elke partij zorgt voor transparantie op het gebied van staatssteun. Daartoe brengt elke partij met ingang van 1 januari 2016 om het andere jaar aan de andere partij verslag uit, op basis van de methodologie en de presentatie van het jaarlijkse EU-overzicht van staatssteun. Dat verslag wordt geacht te zijn uitgebracht wanneer de relevante informatie door of namens de partijen beschikbaar is gesteld op een openbaar toegankelijke website.

2.   Wanneer een partij van oordeel is dat haar handelsbetrekkingen ongunstig worden beïnvloed door een concreet geval van door de andere partij verleende staatssteun, kan zij de andere partij verzoeken om informatie over het concrete geval van staatssteun.

Artikel 343

Vertrouwelijkheid

Bij het uitwisselen van informatie krachtens dit hoofdstuk nemen de partijen de beperkingen in acht die voortvloeien uit het beroeps- of zakengeheim.

Artikel 344

Evaluatie

De partijen onderwerpen de aangelegenheden waarnaar in dit hoofdstuk wordt verwezen, aan een voortdurende evaluatie. Elke partij kan dergelijke aangelegenheden voorleggen aan het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, als beschreven in artikel 438, lid 4, van deze overeenkomst. De partijen komen overeen om, voor zover zij gezamenlijk niet anders besluiten, na de inwerkingtreding van deze overeenkomst om het andere jaar na te gaan welke vorderingen bij de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk zijn gemaakt.

HOOFDSTUK 11

Handelsgerelateerde energie

Artikel 345

Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

1.   „energiegoederen”: ruwe olie (GS-code 27.09), aardgas (GS-code 27.11) en elektrische energie (GS-code 27.16);

2.   „vaste infrastructuur”: transmissie- of distributienetwerk, installaties voor vloeibaar aardgas of opslaginstallaties, als omschreven in Richtlijn 2003/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en in Richtlijn 2003/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit;

3.   „vervoer”: de transmissie en distributie, als omschreven in de Richtlijnen 2003/54 en 2003/55, alsmede het vervoer van olie via pijpleidingen;

4.   „ongeoorloofde toe-eigening”: welke activiteit dan ook bestaande in de wederrechtelijke toe-eigening van energiegoederen uit een vaste infrastructuur.

Artikel 346

Interne gereguleerde prijzen

1.   Overeenkomstig het Protocol betreffende de toetreding van de Republiek Moldavië tot de Energiegemeenschap wordt de prijs voor de levering van gas en elektriciteit voor niet-huishoudelijke afnemers enkel door vraag en aanbod bepaald.

2.   In afwijking van lid 1 kan een partij in het algemeen economisch belang (32) aan ondernemingen een verplichting opleggen met betrekking tot de prijs waartegen aardgas en elektriciteit worden geleverd (hierna „gereguleerde prijs” genoemd). Wanneer niet-huishoudelijke afnemers er niet in slagen met een leverancier overeenstemming te bereiken over een prijs voor aardgas of elektriciteit die lager is dan of gelijk is aan de gereguleerde prijs voor aardgas of elektriciteit, zijn zij gerechtigd om met een leverancier een contract voor de levering van aardgas of elektriciteit af te sluiten tegen de gereguleerde prijzen die van toepassing zijn. Het staat niet-huishoudelijke afnemers hoe dan ook vrij om met ongeacht welke alternatieve leverancier over een contract te onderhandelen en dit af te sluiten.

3.   De partij die overeenkomstig lid 2 een verplichting oplegt, draagt er zorg voor dat de verplichting duidelijk wordt omschreven en transparant, evenredig, niet-discriminerend, controleerbaar alsmede tijdelijk van aard is. Wanneer een partij een dergelijke verplichting oplegt, waarborgt zij eveneens dat andere ondernemingen gelijkelijk toegang tot de consumenten hebben.

4.   Indien aardgas en elektriciteit op de interne markt worden verkocht tegen een door een partij gereguleerde prijs, waarborgt die partij dat de methode voor de berekening van de gereguleerde prijs wordt bekendgemaakt vóór de inwerkingtreding van de gereguleerde prijs.

Artikel 347

Verbod van dubbele prijsstelling

1.   Onverminderd de mogelijkheid om overeenkomstig artikel 346, leden 2 en 3, van deze overeenkomst gereguleerde prijzen op te leggen, treft of handhaaft een partij of een regelgevende autoriteit van een partij geen maatregelen die tot een hogere prijs voor de uitvoer van energiegoederen naar de andere partij leiden dan de prijs die voor die goederen in rekening wordt gebracht wanneer zij bestemd zijn voor intern verbruik.

2.   De partij van uitvoer moet op verzoek van de andere partij aantonen dat een verschil in prijs tussen energiegoederen die op de interne markt worden verkocht en dezelfde goederen die voor de uitvoer zijn bestemd, niet het gevolg is van een ingevolge lid 1 verboden maatregel.

Artikel 348

Doorvoer

De partijen nemen alle maatregelen die nodig zijn om de doorvoer te vergemakkelijken, overeenkomstig het beginsel van de vrijheid van doorvoer en met de artikelen V.1, V.2, V.4 en V.5 van de GATT 1994 alsmede de artikelen 7.1 en 7.3 van het Energiehandvestverdrag, die in deze overeenkomst worden opgenomen en deel daarvan uitmaken.

Artikel 349

Vervoer

Wat het vervoer van elektriciteit en gas, en in het bijzonder de toegang van derde partijen tot vaste infrastructuur, betreft, passen de partijen hun wetgeving als bedoeld in bijlage VIII bij deze overeenkomst en in het Verdrag tot oprichting van de Energiegemeenschap aan, om te waarborgen dat de tarieven, die vóór de inwerkingtreding ervan bekend worden gemaakt, de procedures voor capaciteitstoewijzing en alle overige voorwaarden objectief, redelijk en transparant zijn en niet discriminerend zijn op grond van herkomst, eigendom of bestemming van de elektriciteit of het gas.

Artikel 350

Ongeoorloofde toe-eigening van goederen in doorvoer

Elke partij neemt alle maatregelen die nodig zijn om de ongeoorloofde toe-eigening, door een aan haar zeggenschap of jurisdictie onderworpen entiteit, van energiegoederen die over haar grondgebied worden doorgevoerd, te verbieden en aan te pakken.

Artikel 351

Ononderbroken doorvoer

1.   Een partij grijpt niet in de doorvoer van energiegoederen over haar grondgebied in, tenzij het contract of een andere contractuele regeling waarin die doorvoer is geregeld, hiertoe specifieke bepalingen bevat.

2.   Bij een geschil over een aangelegenheid waarbij de partijen dan wel een of meer aan de zeggenschap of jurisdictie van een van de partijen onderworpen entiteiten betrokken zijn, mag een partij over het grondgebied waarvan energiegoederen worden doorgevoerd, voordat een geschillenbeslechtingsprocedure in het kader van het desbetreffende contract of de desbetreffende contractuele regeling dan wel een spoedprocedure in het kader van bijlage XXXI bij deze overeenkomst of hoofdstuk 14 (Beslechting van geschillen) van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst is afgerond, die doorvoer niet onderbreken of beperken en evenmin toestaan dat aan haar zeggenschap of jurisdictie onderworpen entiteiten, staatshandelsondernemingen daaronder begrepen, die doorvoer onderbreken of beperken, behalve in de in lid 1 van dit artikel bedoelde omstandigheden.

3.   Een partij kan op grond van dit artikel niet aansprakelijk worden gesteld voor een onderbreking of beperking van de doorvoer, wanneer zij ten gevolge van handelingen die aan een derde land of aan een onder de zeggenschap of jurisdictie van een derde land vallende entiteit kunnen worden toegerekend, niet in staat is energiegoederen te leveren of door te voeren.

Artikel 352

Doorvoerverplichting voor exploitanten

Elke partij waarborgt dat de exploitanten van vaste infrastructuur alle maatregelen treffen die nodig zijn om:

a)

het risico van onopzettelijke onderbreking of beperking van de doorvoer te minimaliseren, en

b)

de normale doorvoer die onopzettelijk werd onderbroken of beperkt, zo spoedig mogelijk weer doorgang te laten vinden.

Artikel 353

Regelgevende autoriteit voor aardgas en elektriciteit

1.   Overeenkomstig Richtlijn 2003/55/EG en Richtlijn 2003/54/EG moet een regelgevende autoriteit op het gebied van aardgas en elektriciteit juridisch gescheiden en functioneel onafhankelijk zijn van alle andere openbare of particuliere entiteiten, en voldoende bevoegdheden hebben om een daadwerkelijke mededinging en een efficiënte werking van de markt te kunnen waarborgen.

2.   De besluiten die een regelgevende autoriteit neemt en de procedures die zij toepast, zijn onpartijdig ten aanzien van alle marktdeelnemers.

3.   Een door een besluit van een regelgevende autoriteit getroffen marktdeelnemer kan tegen dat besluit beroep aantekenen bij een van de betrokken partijen onafhankelijke beroepsinstantie. Wanneer de beroepsinstantie geen rechterlijke instantie is, moeten haar beslissingen altijd schriftelijk met redenen worden omkleed en tevens door een onpartijdige en onafhankelijke rechterlijke instantie kunnen worden getoetst. Beslissingen van beroepsinstanties worden op doeltreffende wijze ten uitvoer gelegd.

Artikel 354

Verhouding tot Verdrag tot oprichting van Energiegemeenschap

1.   In geval van strijdigheid tussen de bepalingen van dit hoofdstuk en de bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Energiegemeenschap of de krachtens dat verdrag toepasselijke bepalingen van Unierecht hebben de bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Energiegemeenschap of de krachtens dat verdrag toepasselijke bepalingen van Unierecht voorrang, voor zover er sprake is van een dergelijke strijdigheid.

2.   Bij de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk wordt de voorkeur gegeven aan de vaststelling van wetgeving of andere handelingen die in overeenstemming zijn met het Verdrag tot oprichting van de Energiegemeenschap of die gebaseerd zijn op de binnen de Unie toepasselijke wetgeving. In geval van een geschil met betrekking tot dit hoofdstuk worden de wetgeving of andere handelingen die aan die criteria voldoen, geacht met dit hoofdstuk overeen te stemmen. Bij de beoordeling of de wetgeving of andere handelingen aan die criteria voldoen, wordt acht geslagen op alle relevante besluiten die in het kader van artikel 91 van het Verdrag tot oprichting van de Energiegemeenschap zijn genomen.

3.   Geen van de partijen zal de geschillenbeslechtingsbepalingen van deze overeenkomst gebruiken om zich op schending van de bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Energiegemeenschap te beroepen.

HOOFDSTUK 12

Transparantie

Artikel 355

Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

1.   „algemene maatregelen”: wetten, voorschriften, gerechtelijke uitspraken, procedures en administratieve beschikkingen van algemene aard, alsmede alle andere algemene of abstracte handelingen, interpretaties of andere vereisten die gevolgen kunnen hebben voor enige onder titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst vallende aangelegenheid. Hieronder valt niet een besluit dat op een bepaalde persoon van toepassing is;

2.   „belanghebbende”: iedere natuurlijke of rechtspersoon op wie rechten en verplichtingen uit hoofde van een algemene maatregel in de zin van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst van toepassing kunnen zijn.

Artikel 356

Doelstelling en toepassingsgebied

De partijen erkennen dat de regelgeving gevolgen voor hun onderlinge handel en investeringen kan hebben en zorgen daarom voor voorspelbare regelgeving voor marktdeelnemers en voor efficiënte procedures, waarbij zij naar behoren rekening houden met de eisen van rechtszekerheid en evenredigheid.

Artikel 357

Bekendmaking

1.   Elke partij zorgt ervoor dat algemene maatregelen:

a)

snel en gemakkelijk toegankelijk zijn via een officieel aangewezen medium en, wanneer dit haalbaar is, langs elektronische weg, zodat ieder zich ermee vertrouwd kan maken;

b)

een toelichting op het doel en de motivering ervan verstrekken, en

c)

voldoende tijd tussen de bekendmaking en de inwerkingtreding ervan bieden, behalve in naar behoren gemotiveerde gevallen.

2.   Elke partij:

a)

streeft ernaar voorstellen tot vaststelling of wijziging van algemene maatregelen, met inbegrip van een toelichting op het doel en de motivering van het voorstel, in een voldoende vroeg stadium bekend te maken;

b)

biedt belanghebbenden redelijke mogelijkheden en in het bijzonder voldoende tijd om opmerkingen te maken over het voorstel, en

c)

streeft ernaar rekening te houden met de opmerkingen over het voorstel die zij van de belanghebbenden ontvangt.

Artikel 358

Vragen en contactpunten

1.   Om de communicatie tussen de partijen over alle onder titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst vallende aangelegenheden te vergemakkelijken, wijst elke partij een contactpunt aan dat zich bezighoudt met de coördinatie.

2.   Elke partij voert passende mechanismen in, of handhaaft deze, om vragen van enig persoon over voorgestelde of van kracht zijnde algemene maatregelen en over de toepassing daarvan te beantwoorden. De vragen kunnen worden ingediend via het krachtens lid 1 opgerichte contactpunt of via een ander geschikt mechanisme.

3.   De partijen erkennen dat de in lid 2 bedoelde antwoorden niet altijd definitief en juridisch bindend zijn, maar alleen ter informatie worden gegeven, tenzij in hun wet- en regelgeving anders wordt bepaald.

4.   Op verzoek van de ene partij verstrekt de andere partij onverwijld informatie en beantwoordt zij terstond vragen met betrekking tot een algemene maatregel die of een voorstel tot vaststelling of wijziging van een algemene maatregel dat volgens de verzoekende partij van invloed kan zijn op de werking van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst, ongeacht of de verzoekende partij voordien van die maatregel in kennis was gesteld.

Artikel 359

Uitvoering van algemene maatregelen

Elke partij voert alle algemene maatregelen objectief, onpartijdig en op redelijke wijze uit. Wanneer een partij daartoe in specifieke gevallen dergelijke maatregelen op bepaalde personen, goederen of diensten van de andere partij toepast,

a)

streeft zij ernaar belanghebbenden voor wie een procedure rechtstreeks gevolgen heeft, tijdig en overeenkomstig haar procedures in kennis te stellen van de inleiding van een procedure, met daarbij een beschrijving van de aard van de procedure, een verklaring over de rechtsgrondslag voor de inleiding van de procedure en een algemene beschrijving van de aangelegenheden waarover het geschil gaat;

b)

biedt zij belanghebbenden een redelijke mogelijkheid om feiten en argumenten ter ondersteuning van hun standpunten naar voren te brengen voordat een definitieve administratieve maatregel wordt genomen, indien de tijd, de aard van de procedure en het openbaar belang dit toelaten, en

c)

ziet zij erop toe dat haar procedures gebaseerd zijn op de wet en in overeenstemming hiermee worden toegepast.

Artikel 360

Herziening en beroep

1.   Elke partij stelt rechterlijke, scheidsrechterlijke of administratieve instanties of procedures in, of handhaaft deze, met het oog op een onverwijlde herziening en, indien gerechtvaardigd, correctie van de administratieve maatregel met betrekking tot onder titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst vallende aangelegenheden. De instanties of procedures zijn onpartijdig en onafhankelijk van de dienst of de autoriteit die belast is met de administratieve handhaving, en de verantwoordelijken ervoor hebben geen materieel belang bij de uitkomst van de aangelegenheid.

2.   Elke partij zorgt ervoor dat de procespartijen bij dergelijke instanties of in dergelijke procedures:

a)

over een redelijke mogelijkheid beschikken om hun respectieve standpunten te onderbouwen of te verdedigen, en

b)

een beslissing krijgen die is gebaseerd op het bewijsmateriaal en de ingediende stukken, of, indien de wet van een partij dat vereist, op het door de administratieve autoriteit samengestelde dossier.

3.   Elke partij zorgt ervoor dat, behoudens beroep of latere herziening overeenkomstig de wet, de beslissing ten uitvoer wordt gelegd door de dienst of de autoriteit die voor de administratieve maatregel ter zake bevoegd is en dat die beslissing ook ten grondslag komt te liggen aan de praktijk van de dienst of autoriteit ter zake.

Artikel 361

Regelgevingskwaliteit en -efficiency en behoorlijk bestuurlijk gedrag

1.   De partijen komen overeen samen te werken bij de bevordering van de kwaliteit en efficiency van de regelgeving, onder meer door de uitwisseling van informatie en beste praktijken over hun respectieve regelgevingsbeleid en regelgevingseffectbeoordelingen.

2.   De partijen onderschrijven de beginselen van behoorlijk bestuurlijk gedrag (33) en komen overeen samen te werken bij de bevordering daarvan, onder meer door de uitwisseling van informatie en beste praktijken.

Artikel 362

Specifieke voorschriften

De bepalingen van dit hoofdstuk gelden onverminderd de specifieke voorschriften inzake transparantie die in andere hoofdstukken van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst zijn vastgesteld.

HOOFDSTUK 13

Handel en duurzame ontwikkeling

Artikel 363

Context en doelstellingen

1.   De partijen herinneren aan de Agenda 21 van de Conferentie van de Verenigde Naties inzake milieu en ontwikkeling van 1992, de Verklaring van de ILO over de fundamentele principes en rechten met betrekking tot werk van 1998, het Uitvoeringsplan van Johannesburg over duurzame ontwikkeling van 2002, de Ministeriële Verklaring van de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties van 2006 inzake het genereren van volledige en productieve werkgelegenheid en fatsoenlijk werk voor allen, en de Verklaring van de ILO over sociale gerechtigheid voor een eerlijke mondialisering van 2008. De partijen herbevestigen hun verbintenis om de ontwikkeling van de internationale handel op zodanige wijze te bevorderen dat deze bijdraagt aan de doelstelling van duurzame ontwikkeling, voor het welzijn van huidige en toekomstige generaties, en om erop toe te zien dat die doelstelling wordt geïntegreerd in en tot uitdrukking komt op elk niveau van hun handelsbetrekkingen.

2.   De partijen herbevestigen hun verbintenis om te streven naar duurzame ontwikkeling en erkennen dat economische en sociale ontwikkeling en milieubescherming de nauw met elkaar samenhangende en elkaar wederzijds versterkende pijlers daarvan zijn. Zij benadrukken de voordelen die het inhoudt wanneer handelsgerelateerde vraagstukken op het gebied van arbeid (34) en milieu als onderdeel van een wereldwijde aanpak van handel en duurzame ontwikkeling worden beschouwd.

Artikel 364

Regelgevingsrecht en beschermingsniveaus

1.   De partijen erkennen het recht van elke partij haar eigen beleid en prioriteiten voor duurzame ontwikkeling en haar eigen niveaus van interne milieu- en arbeidsbescherming vast te stellen, en dienovereenkomstig haar wetgeving en beleid ter zake vast te stellen of te wijzigen, overeenkomstig hun verbintenissen op grond van internationaal erkende normen en overeenkomsten als bedoeld in de artikelen 365 en 366 van deze overeenkomst.

2.   In die context streeft elke partij ernaar te waarborgen dat haar wetgeving en beleid voorzien in hoge beschermingsniveaus voor milieu en werknemers, en deze bevorderen, en streeft zij ook naar een voortdurende verbetering van die wetgeving en dat beleid en de onderliggende beschermingsniveaus.

Artikel 365

Multilaterale arbeidsnormen en -overeenkomsten

1.   De partijen erkennen dat volledige en productieve werkgelegenheid en fatsoenlijk werk voor allen de hoofdelementen zijn voor het zoeken naar oplossingen voor aangelegenheden in verband met de mondialisering, en herbevestigen hun verbintenis om de ontwikkeling van de internationale handel op zodanige wijze te bevorderen dat deze tot volledige en productieve werkgelegenheid en fatsoenlijk werk voor allen leidt. In die context verbinden de partijen zich ertoe waar nodig elkaar te raadplegen en samen te werken bij handelsgerelateerde arbeidsvraagstukken van wederzijds belang.

2.   Overeenkomstig hun verplichtingen als ILO-lid en de Verklaring van de ILO over de fundamentele principes en rechten met betrekking tot werk en de follow-up daarvan van 1998 verbinden de partijen zich ertoe in hun wetgeving en praktijk en op hun gehele grondgebied de internationaal erkende fundamentele arbeidsnormen, zoals die zijn vervat in de fundamentele ILO-verdragen, te eerbiedigen, te bevorderen en te verwezenlijken, en in het bijzonder:

a)

de vrijheid van vereniging en de daadwerkelijke erkenning van het recht op collectieve onderhandelingen;

b)

de uitbanning van alle vormen van dwangarbeid of verplichte arbeid;

c)

de daadwerkelijke afschaffing van kinderarbeid, en

d)

de uitbanning van discriminatie met betrekking tot werk en beroep.

3.   De partijen herbevestigen hun verbintenis de door de lidstaten respectievelijk de Republiek Moldavië geratificeerde fundamentele, prioritaire en andere ILO-verdragen op doeltreffende wijze in hun wetgeving en praktijk ten uitvoer te leggen.

4.   De partijen overwegen eveneens de resterende prioritaire en andere verdragen die door de ILO als bijgewerkt zijn geclassificeerd, te ratificeren. In die context wisselen de partijen regelmatig informatie uit over hun respectieve situatie en voortgang in het ratificatieproces.

5.   De partijen erkennen dat de schending van de fundamentele principes en rechten met betrekking tot werk niet als legitiem relatief voordeel mag worden ingeroepen of op andere wijze als zodanig mag worden gebruikt, en dat de arbeidsnormen niet voor protectionistische handelsdoeleinden mogen worden gebruikt.

Artikel 366

Multilaterale governance en overeenkomsten op milieugebied

1.   De partijen erkennen de waarde van internationale governance en overeenkomsten op milieugebied als antwoord van de internationale gemeenschap op mondiale of regionale milieuproblemen, en zij benadrukken de noodzaak de wederzijdse ondersteuning van handels- en milieubeleid te versterken. In die context verbinden de partijen zich ertoe waar nodig elkaar te raadplegen en samen te werken met betrekking tot onderhandelingen over handelsgerelateerde milieuvraagstukken en met betrekking tot andere handelsgerelateerde milieuaangelegenheden van wederzijds belang.

2.   De partijen herbevestigen hun verbintenis om de multilaterale milieuovereenkomsten (MMO's) waarbij zij partij zijn, op doeltreffende wijze in hun wetgeving en praktijk ten uitvoer te leggen.

3.   De partijen wisselen regelmatig informatie uit over hun respectieve situatie en voortgang met betrekking tot de ratificatie van de MMO's of de wijzigingen daarvan.

4.   De partijen herbevestigen hun verbintenis ten aanzien van het bereiken van de uiteindelijke doelstelling van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) en het bijbehorende Protocol van Kyoto. Zij verbinden zich ertoe samen te werken bij de ontwikkeling van het toekomstige internationale kader inzake klimaatverandering uit hoofde van het UNFCCC en de daarmee verband houdende overeenkomsten en besluiten.

5.   Geen enkele bepaling in deze overeenkomst staat eraan in de weg dat de partijen maatregelen vaststellen of handhaven ter tenuitvoerlegging van de MMO's waarbij zij partij zijn, op voorwaarde dat dergelijke maatregelen niet worden toegepast op een manier die een willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie tussen de partijen of een verkapte beperking van het handelsverkeer zou betekenen.

Artikel 367

Handel en investeringen ter bevordering van duurzame ontwikkeling

De partijen herbevestigen hun verbintenis om de bijdrage van de handel aan de doelstelling van duurzame ontwikkeling in economisch, sociaal en ecologisch opzicht te versterken. Dienovereenkomstig:

a)

erkennen zij het positieve effect dat fundamentele arbeidsnormen en fatsoenlijk werk op economische efficiëntie, innovatie en productiviteit kunnen hebben, en zetten zij zich in voor een grotere politieke coherentie tussen het handelsbeleid enerzijds en het arbeidsbeleid anderzijds;

b)

streven zij ernaar de handel en de investeringen in milieugoederen en -diensten te vergemakkelijken en te bevorderen, onder meer door de aanpak van niet-tarifaire belemmeringen ter zake;

c)

streven zij ernaar het wegnemen van handels- en investeringsbelemmeringen met betrekking tot goederen en diensten die van bijzonder belang zijn voor de vermindering van de gevolgen van klimaatverandering, zoals duurzame hernieuwbare energie en energiezuinige producten en diensten, te vergemakkelijken, onder meer door de vaststelling van beleidskaders die bevorderlijk zijn voor de toepassing van de beste beschikbare technologieën en door de bevordering van normen die aan de ecologische en economische behoeften beantwoorden en die de technische handelsbelemmeringen tot een minimum terugdringen;

d)

komen zij overeen de handel in goederen die bijdragen tot betere sociale voorwaarden en milieuvriendelijker praktijken, waaronder producten die onder vrijwillige duurzaamheidsregelingen vallen, zoals programma's voor eerlijke en ethische handel, milieukeurmerken en certificeringsregelingen voor op natuurlijke hulpbronnen gebaseerde producten, te bevorderen;

e)

komen zij overeen maatschappelijk verantwoord ondernemen te bevorderen, onder meer door de uitwisseling van informatie en van beste praktijken. In dat verband beroepen zij zich op de internationaal erkende beginselen en richtsnoeren ter zake, zoals de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen, het „Global Compact”-initiatief van de Verenigde Naties en de Tripartiete beginselverklaring van de ILO betreffende multinationale ondernemingen en sociaal beleid.

Artikel 368

Biologische diversiteit

1.   De partijen erkennen dat het van belang is zorg te dragen voor de instandhouding en het duurzame gebruik van biologische diversiteit als hoofdelement voor het bereiken van duurzame ontwikkeling, en herbevestigen hun verbintenis tot instandhouding en duurzaam gebruik van biologische diversiteit uit hoofde van het Verdrag inzake biologische diversiteit en andere relevante internationale instrumenten waarbij zij partij zijn.

2.   Daartoe verbinden de partijen zich ertoe:

a)

de handel in op natuurlijke hulpbronnen gebaseerde producten die zijn verkregen door een duurzaam gebruik van biologische hulpbronnen te bevorderen en bij te dragen tot de instandhouding van de biodiversiteit;

b)

informatie uit te wisselen over activiteiten inzake de handel in op natuurlijke hulpbronnen gebaseerde producten die erop gericht zijn het biodiversiteitsverlies een halt toe te roepen en de druk op de biodiversiteit te verminderen, en, in voorkomend geval, samen te werken om het effect van hun respectieve beleidsmaatregelen te optimaliseren en de wederzijdse ondersteuning daarvan te waarborgen;

c)

te bevorderen dat soorten waarvan de staat van instandhouding bedreigd wordt geacht, worden opgenomen in de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (Cites), en

d)

op regionaal en mondiaal niveau samen te werken met het oog op de bevordering van de instandhouding en het duurzame gebruik van biologische diversiteit in natuurlijke of agrarische ecosystemen, met inbegrip van bedreigde soorten en hun habitat, speciaal beschermde natuurgebieden en genetische diversiteit, het herstel van de ecosystemen en de eliminatie of de vermindering van de negatieve milieueffecten als gevolg van het gebruik van levende en niet-levende natuurlijke hulpbronnen of van ecosystemen.

Artikel 369

Duurzaam bosbeheer en handel in bosbouwproducten

1.   De partijen erkennen dat het van belang is zorg te dragen voor het behoud en het duurzame beheer van de bossen en erkennen het belang van de bijdrage van de bossen aan de economische, ecologische en sociale doelstellingen van de partijen.

2.   Daartoe verbinden de partijen zich ertoe:

a)

de handel in hout afkomstig uit op duurzame wijze beheerde bossen, dat is gekapt overeenkomstig de nationale wetgeving van het land van houtkap, te bevorderen. Een mogelijke maatregel in dat verband is de sluiting van een vrijwillige partnerschapsovereenkomst inzake wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw;

b)

informatie uit te wisselen over maatregelen ter bevordering van het verbruik van hout en houtproducten afkomstig uit op duurzame wijze beheerde bossen, en, in voorkomend geval, samen te werken bij de opstelling van dergelijke maatregelen;

c)

in voorkomend geval maatregelen ter bevordering van de instandhouding van de bosbedekking en ter bestrijding van illegale houtkap en de daaraan gerelateerde handel, onder meer ten aanzien van derde landen, vast te stellen;

d)

informatie uit te wisselen over activiteiten ter verbetering van de governance op bosbouwgebied en, in voorkomend geval, samen te werken om het effect van hun respectieve beleidsmaatregelen die erop gericht zijn illegaal gekapt hout en producten daarvan van de handelsstromen uit te sluiten, te optimaliseren en de wederzijdse ondersteuning daarvan te waarborgen;

e)

te bevorderen dat houtsoorten waarvan de staat van instandhouding bedreigd wordt geacht, worden opgenomen in de Cites, en

f)

op regionaal en mondiaal niveau samen te werken met het oog op de bevordering van de instandhouding van de bosbedekking en het duurzame beheer van alle soorten bossen, met toepassing van certificering ter bevordering van het verantwoord beheer van de bossen.

Artikel 370

Handel in visproducten

Gelet op het belang van het waarborgen van een verantwoord en duurzaam beheer van de visbestanden, alsmede van het bevorderen van goede governance in de handel, verbinden de partijen zich ertoe:

a)

beste praktijken met betrekking tot visserijbeheer, met het oog op de instandhouding en het duurzame beheer van de visbestanden, op basis van de ecosysteemaanpak, te bevorderen;

b)

doeltreffende maatregelen voor de monitoring van en de controle op visserijactiviteiten te treffen;

c)

zorg te dragen voor de volledige naleving van de toepasselijke door regionale organisaties voor visserijbeheer vastgestelde instandhoudings- en controlemaatregelen, en zoveel mogelijk met en binnen die organisaties samen te werken, en

d)

samen te werken bij de bestrijding van illegale, ongemelde en ongereglementeerde (IOO-) visserij en visserijgerelateerde activiteiten door middel van uitgebreide, doeltreffende en transparante maatregelen. De partijen voeren tevens beleid en maatregelen uit om IOO-producten van de handelsstromen uit te sluiten en van hun markten te weren.

Artikel 371

Handhaving van beschermingsniveaus

1.   De partijen erkennen dat het niet gepast is handel of investeringen aan te moedigen door de beschermingsniveaus waarin hun respectieve milieu- en arbeidswetgeving voorziet, te verlagen.

2.   De partijen zien niet af van toepassing van of wijken niet af van, of bieden niet aan af te zien van toepassing van of af te wijken van, hun milieu- en arbeidswetgeving op zodanige wijze dat dit als aanmoediging werkt voor de handel of de plaatsing, de overname, de uitbreiding of de handhaving van een investering van een investeerder op hun respectieve grondgebied.

3.   De partijen doen niet zodanig afbreuk aan de daadwerkelijke handhaving van hun respectieve milieu- en arbeidswetgeving door een onafgebroken of herhaald handelen of nalaten, dat dit als aanmoediging werkt voor de handel of investeringen.

Artikel 372

Wetenschappelijke informatie

Bij de opstelling en tenuitvoerlegging van op de bescherming van het milieu of de arbeidsomstandigheden gerichte maatregelen die de handel of de investeringen negatief kunnen beïnvloeden, houden de partijen rekening met de beschikbare wetenschappelijke en technische informatie alsmede de relevante internationale normen, richtsnoeren of aanbevelingen, indien voorhanden, waaronder het voorzorgsbeginsel.

Artikel 373

Transparantie

Elke partij ziet er, overeenkomstig haar interne wetgeving en hoofdstuk 12 (Transparantie) van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst, op toe dat alle op de bescherming van het milieu of de arbeidsomstandigheden gerichte maatregelen die de handel of de investeringen negatief kunnen beïnvloeden, op transparante wijze worden opgesteld, ingevoerd en ten uitvoer gelegd, dat zij tijdig worden aangekondigd, dat hierover een openbare raadpleging wordt gehouden en dat niet-overheidsactoren op passende wijze tijdig worden geïnformeerd en geconsulteerd.

Artikel 374

Evaluatie van effecten op duurzaamheid

De partijen verbinden zich ertoe de effecten van de tenuitvoerlegging van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst op de duurzame ontwikkeling te evalueren, te beoordelen en te monitoren via hun bestaande participatieprocessen en participatieve instellingen en die welke in het kader van deze overeenkomst in het leven zijn geroepen, bijvoorbeeld door handelsgerelateerde beoordelingen van de effecten op de duurzaamheid.

Artikel 375

Samenwerking bij handel en duurzame ontwikkeling

De partijen erkennen het belang van samenwerking op het gebied van handelsgerelateerde aspecten van het milieu- en arbeidsbeleid teneinde de doelstellingen van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst te verwezenlijken. Zij kunnen samenwerken op onder meer de volgende gebieden:

a)

arbeids- of milieuaspecten van handel en duurzame ontwikkeling in internationale fora, waaronder in het bijzonder de WTO, de ILO, het VN-milieuprogramma en MMO's;

b)

methoden en indicatoren voor handelsgerelateerde duurzaamheidseffectbeoordelingen;

c)

effecten van arbeids- en milieuvoorschriften, -normen en -standaarden op handel en investeringen, evenals effecten van handels- en investeringsvoorschriften op de arbeids- en milieuwetgeving, met inbegrip van de opstelling van arbeids- en milieuvoorschriften en arbeids- en milieubeleid;

d)

positieve en negatieve effecten van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst op duurzame ontwikkeling en manieren om deze effecten te versterken, te voorkomen of te verzachten, waarbij tevens rekening wordt gehouden met door een van de partijen of beide partijen verrichte duurzaamheidseffectbeoordelingen;

e)

bevordering van de ratificatie en de doeltreffende tenuitvoerlegging van de fundamentele, prioritaire en andere bijgewerkte ILO-verdragen en de MMO's die in een handelscontext van belang zijn;

f)

bevordering van particuliere en openbare certificerings-, traceerbaarheids- en keurmerksystemen, waaronder milieukeuren;

g)

bevordering van maatschappelijk verantwoord ondernemen, bijvoorbeeld door middel van bewustmakingsacties en onderschrijving, tenuitvoerlegging en follow-up van internationaal erkende richtsnoeren en beginselen;

h)

handelsgerelateerde aspecten van het ILO-Programma voor fatsoenlijk werk, daaronder begrepen het verband tussen handel en volledige en productieve werkgelegenheid, het aanpassingsvermogen van de arbeidsmarkt, de fundamentele arbeidsnormen, de arbeidsstatistieken, de ontwikkeling van menselijk potentieel en een leven lang leren, sociale bescherming en sociale integratie, sociale dialoog en gelijke kansen voor mannen en vrouwen;

i)

handelsgerelateerde aspecten van MMO's, met inbegrip van douanesamenwerking;

j)

handelsgerelateerde aspecten van de huidige en toekomstige internationale regeling in verband met klimaatverandering, met inbegrip van middelen om koolstofarme technologieën en energie-efficiëntie te bevorderen;

k)

handelsgerelateerde maatregelen ter bevordering van de instandhouding en het duurzame gebruik van biologische diversiteit;

l)

handelsgerelateerde maatregelen ter bestrijding van ontbossing, met inbegrip van de aanpak van problemen in verband met illegale houtkap, en

m)

handelsgerelateerde maatregelen ter bevordering van duurzamevisserijmethoden en de handel in producten afkomstig uit duurzaam beheerde visbestanden.

Artikel 376

Institutionele en toezichtmechanismen

1.   Elke partij wijst binnen haar diensten een instantie aan voor de contacten met de andere partij over de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk.

2.   Er wordt een subcomité Handel en duurzame ontwikkeling opgericht. Het subcomité brengt verslag over zijn activiteiten uit aan het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, als beschreven in artikel 438, lid 4, van deze overeenkomst. Het comité bestaat uit hoge ambtenaren van elke partij.

3.   Het subcomité Handel en duurzame ontwikkeling komt binnen het eerste jaar na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst bijeen, en vervolgens wanneer het nodig is, om toezicht te houden op de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk, met inbegrip van de op grond van artikel 375 van deze overeenkomst verrichte samenwerkingsactiviteiten. Het subcomité stelt zijn eigen reglement van orde vast.

4.   Elke partij roept een of meer nieuwe interne adviesgroepen voor duurzame ontwikkeling bijeen of raadpleegt een of meer bestaande interne adviesgroepen voor duurzame ontwikkeling, die tot taak hebben advies over kwesties in verband met dit hoofdstuk te verlenen. Deze groep (groepen) kan (kunnen), ook op eigen initiatief, standpunten kenbaar maken of aanbevelingen doen over de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk.

5.   De interne adviesgroep(en) bestaat (bestaan) uit onafhankelijke representatieve organisaties uit het maatschappelijk middenveld, met een evenwichtige vertegenwoordiging van belanghebbenden op economisch, sociaal en milieugebied, met inbegrip van onder meer werkgevers- en werknemersorganisaties, niet-gouvernementele organisaties, ondernemingsgroepen alsmede andere belanghebbenden ter zake.

Artikel 377

Gezamenlijk forum voor dialoog met maatschappelijk middenveld

1.   De partijen bevorderen de oprichting van een gezamenlijk forum met op hun grondgebied gevestigde maatschappelijke organisaties, waaronder leden van hun interne adviesgroep(en) en het grote publiek, om een dialoog te voeren over de duurzameontwikkelingsaspecten van deze overeenkomst. De partijen bevorderen een evenwichtige vertegenwoordiging van de belangen ter zake, waaronder die van onafhankelijke representatieve organisaties van werkgevers en werknemers, milieuorganisaties en ondernemingsgroepen, en in voorkomend geval van andere belanghebbenden ter zake.

2.   Het gezamenlijke forum voor de dialoog met het maatschappelijk middenveld wordt eenmaal per jaar bijeengeroepen, tenzij de partijen anders overeenkomen. De partijen bereiken uiterlijk een jaar na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst overeenstemming over de werkwijze van het gezamenlijke forum voor de dialoog met het maatschappelijk middenveld.

3.   De partijen leggen de meest recente gegevens over de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk voor aan het gezamenlijke forum voor de dialoog met het maatschappelijk middenveld. De standpunten en meningen van het gezamenlijke forum voor de dialoog met het maatschappelijk middenveld worden aan de partijen voorgelegd en worden openbaar gemaakt.

Artikel 378

Overleg op regeringsniveau

1.   Voor alle aangelegenheden die zich in verband met dit hoofdstuk voordoen, maken de partijen enkel gebruik van de in dit artikel en artikel 379 van deze overeenkomst vastgestelde procedures.

2.   Een partij kan om overleg met de andere partij verzoeken over elke aangelegenheid die zich in verband met dit hoofdstuk voordoet, door bij het contactpunt van de andere partij een schriftelijk verzoek hiertoe in te dienen. In het verzoek moet de aangelegenheid helder worden uiteengezet, door het desbetreffende probleem te omschrijven en een korte samenvatting te geven van de op grond van dit hoofdstuk geldend gemaakte rechten. Het overleg begint onverwijld na de indiening van het verzoek om overleg.

3.   De partijen doen alles wat in hun vermogen ligt om de aangelegenheid op een voor beide partijen bevredigende wijze op te lossen. Zij houden rekening met de werkzaamheden van de ILO of van multilaterale milieuorganisaties of -instanties ter zake, teneinde een grotere samenwerking en meer samenhang tussen het werk van de partijen en die organisaties te bevorderen. In voorkomend geval kunnen de partijen advies inwinnen van die organisaties of instanties, of van elke persoon die of elk orgaan dat zij geschikt achten om de aangelegenheid volledig te onderzoeken.

4.   Indien een partij van oordeel is dat de aangelegenheid verder moet worden besproken, kan zij verzoeken het subcomité Handel en duurzame ontwikkeling voor behandeling van de aangelegenheid bijeen te roepen door hiertoe een schriftelijk verzoek in te dienen bij het contactpunt van de andere partij. Dat subcomité komt onverwijld bijeen en probeert overeenstemming te bereiken over een oplossing van de aangelegenheid.

5.   Dat subcomité kan in voorkomend geval advies inwinnen van de interne adviesgroep(en) van een van de of van beide partijen of zich door andere deskundigen laten bijstaan.

6.   Alle oplossingen die door de overleggende partijen ter zake worden bereikt, worden openbaar gemaakt.

Artikel 379

Deskundigenpanel

1.   Elke partij kan vanaf negentig dagen na de indiening van een verzoek om overleg ingevolge artikel 378, lid 2, van deze overeenkomst verzoeken een deskundigenpanel bijeen te roepen om een aangelegenheid die tijdens het overleg op regeringsniveau niet op bevredigende wijze werd opgelost, te onderzoeken.

2.   De bepalingen van de onderafdelingen 1 en 3 van afdeling 3 en artikel 406 van hoofdstuk 14 (Beslechting van geschillen) van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst, alsmede de procedureregels in bijlage XXXIII bij deze overeenkomst en de gedragscode voor arbiters en bemiddelaars („gedragscode”), die is vastgelegd in bijlage XXXIV bij deze overeenkomst, zijn van toepassing, tenzij in dit artikel anders wordt bepaald.

3.   Het subcomité Handel en duurzame ontwikkeling stelt op zijn eerste bijeenkomst na de inwerkingtreding van deze overeenkomst een lijst van ten minste vijftien personen op die bereid en in staat zijn om op te treden als deskundigen in het kader van panelprocedures. Elke partij draagt ten minste vijf personen voor die als deskundigen kunnen optreden. De partijen kiezen bovendien ten minste vijf personen die geen onderdaan van een van de partijen zijn en als voorzitter van het deskundigenpanel kunnen fungeren. Het subcomité Handel en duurzame ontwikkeling ziet erop toe dat de lijst steeds die omvang heeft.

4.   De in lid 3 bedoelde lijst bevat personen die beschikken over gespecialiseerde kennis of deskundigheid op het gebied van het recht, de arbeids- of milieukwesties waarop dit hoofdstuk betrekking heeft, of de beslechting van geschillen in het kader van internationale overeenkomsten. Zij zijn onafhankelijk, treden op persoonlijke titel op, nemen geen instructies van enige organisatie of regering aan met betrekking tot de aangelegenheid in kwestie, zijn niet verbonden aan de regering van een van de partijen, en nemen de in bijlage XXXIV bij deze overeenkomst vastgelegde gedragscode in acht.

5.   Voor aangelegenheden die zich in verband met dit hoofdstuk voordoen, bestaat het deskundigenpanel uit deskundigen van de in lid 3 van dit artikel bedoelde lijst, overeenkomstig artikel 385 van deze overeenkomst en punt 8 van de procedureregels in bijlage XXXIII bij deze overeenkomst.

6.   Het deskundigenpanel kan inlichtingen en advies inwinnen bij de partijen, de interne adviesgroep(en) of alle bronnen die het nuttig acht. Voor aangelegenheden die verband houden met de naleving van multilaterale overeenkomsten als bedoeld in de artikelen 365 en 366 van deze overeenkomst verzoekt het deskundigenpanel de ILO of de bij MMO's ingestelde organen om inlichtingen en advies.

7.   Het deskundigenpanel legt zijn verslag aan de partijen voor, overeenkomstig de desbetreffende procedures van hoofdstuk 14 (Beslechting van geschillen) van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst. Dat verslag vermeldt de resultaten van het feitenonderzoek, de toepasselijkheid van de desbetreffende bepalingen alsmede de beweegredenen die aan de bevindingen en aanbevelingen van het panel ten grondslag liggen. De partijen maken het verslag binnen vijftien dagen nadat het is uitgebracht openbaar.

8.   De partijen bespreken, rekening houdend met het verslag en de aanbevelingen van het deskundigenpanel, welke passende maatregelen moeten worden getroffen. De betrokken partij brengt haar adviesgroep(en) en de andere partij uiterlijk drie maanden nadat het verslag openbaar is gemaakt, op de hoogte van haar besluiten over de acties of maatregelen die moeten worden uitgevoerd. Het subcomité Handel en duurzame ontwikkeling houdt toezicht op het vervolg dat wordt gegeven aan het verslag en de aanbevelingen van het deskundigenpanel. De adviesorganen en het gezamenlijke forum voor de dialoog met het maatschappelijk middenveld kunnen in dat verband opmerkingen indienen bij het subcomité Handel en duurzame ontwikkeling.

HOOFDSTUK 14

Beslechting van geschillen

Afdeling 1

Doelstelling en toepassingsgebied

Artikel 380

Doelstelling

Het doel van dit hoofdstuk is een doeltreffend en doelmatig mechanisme ter vermijding en beslechting van geschillen tussen de partijen over de interpretatie en toepassing van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst op te zetten, teneinde waar mogelijk tot een onderling overeengekomen oplossing te komen.

Artikel 381

Toepassingsgebied

Dit hoofdstuk is van toepassing op alle geschillen over de interpretatie en toepassing van de bepalingen van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst, tenzij anders is bepaald.

Afdeling 2

Overleg en bemiddeling

Artikel 382

Overleg

1.   De partijen streven ernaar alle geschillen als bedoeld in artikel 381 van deze overeenkomst op te lossen door te goeder trouw overleg te voeren, teneinde tot een onderling overeengekomen oplossing te komen.

2.   De partij die overleg wenst te voeren dient daartoe bij de andere partij een schriftelijk verzoek in, van welk verzoek een afschrift wordt gezonden aan het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, als beschreven in artikel 438, lid 4, van deze overeenkomst, en vermeldt daarbij de redenen voor het verzoek alsmede de maatregel waarom het gaat en de in artikel 381 van deze overeenkomst bedoelde bepalingen die zij van toepassing acht.

3.   Het overleg wordt binnen dertig dagen na de datum van ontvangst van het verzoek gehouden en vindt, tenzij de partijen anders overeenkomen, plaats op het grondgebied van de partij waaraan het verzoek gericht is. Het overleg wordt dertig dagen na de datum van ontvangst van het verzoek geacht te zijn afgesloten, tenzij beide partijen overeenkomen het overleg voort te zetten. Het overleg, en in het bijzonder alle tijdens het overleg door de partijen verstrekte informatie en ingenomen standpunten, is vertrouwelijk en laat de rechten van de partijen in latere procedures onverlet.

4.   Overleg over dringende aangelegenheden, zoals wanneer het bederfelijke waren of seizoensgebonden goederen of diensten betreft, wordt binnen vijftien dagen na de datum van ontvangst van het verzoek door de partij waaraan het gericht is, gehouden en wordt binnen hetzelfde tijdsbestek geacht te zijn afgesloten, tenzij beide partijen overeenkomen het overleg voort te zetten.

5.   Indien de partij waaraan het verzoek om overleg gericht is, niet binnen tien dagen na de datum van ontvangst van het verzoek hierop reageert, of indien het overleg niet binnen de in lid 3 respectievelijk lid 4 van dit artikel genoemde termijn wordt gehouden, of indien de partijen overeenkomen geen overleg te voeren of indien het overleg is afgesloten zonder dat een onderling overeengekomen oplossing is bereikt, kan de partij die om overleg heeft verzocht, een beroep doen op artikel 384 van deze overeenkomst.

6.   Tijdens het overleg verstrekt elke partij voldoende feitelijke informatie, zodat een volledig onderzoek mogelijk is naar de wijze waarop de betrokken maatregel van invloed kan zijn op de werking en toepassing van deze overeenkomst.

7.   Wanneer het overleg betrekking heeft op het vervoer van energiegoederen via netwerken en een partij de oplossing van het geschil dringend acht wegens een volledige of gedeeltelijke onderbreking van het vervoer van aardgas, olie of elektriciteit tussen de partijen, wordt het binnen drie dagen na de datum van indiening van het verzoek gehouden en wordt het drie dagen na de datum van indiening van het verzoek geacht te zijn afgesloten, tenzij beide partijen overeenkomen het overleg voort te zetten.

Artikel 383

Bemiddeling

Overeenkomstig bijlage XXXII bij deze overeenkomst kan elke partij de andere partij verzoeken om aan een bemiddelingsprocedure deel te nemen met betrekking tot een maatregel die de handel of de investeringen tussen de partijen ongunstig beïnvloedt.

Afdeling 3

Procedures voor beslechting van geschillen

Onderafdeling 1

Arbitrageprocedure

Artikel 384

Inleiding van arbitrageprocedure

1.   Wanneer de partijen er niet in zijn geslaagd het geschil door middel van het in artikel 382 van deze overeenkomst bedoelde overleg op te lossen, kan de partij die om overleg heeft verzocht, overeenkomstig dit artikel om de instelling van een arbitragepanel verzoeken.

2.   Het verzoek om instelling van een arbitragepanel wordt schriftelijk gedaan bij de andere partij en bij het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, als beschreven in artikel 438, lid 4, van deze overeenkomst. De klagende partij vermeldt in haar verzoek welke maatregel in het geding is en legt uit, op zodanige wijze dat de rechtsgrond van de klacht duidelijk is, waarom die maatregel onverenigbaar is met de in artikel 381 van deze overeenkomst bedoelde bepalingen.

Artikel 385

Instelling van arbitragepanel

1.   Een arbitragepanel bestaat uit drie arbiters.

2.   De partijen treden binnen tien dagen na de datum waarop de partij waartegen de klacht gericht is, het verzoek om instelling van een arbitragepanel heeft ontvangen, met elkaar in overleg om overeenstemming te bereiken over de samenstelling van het arbitragepanel.

3.   Wanneer de partijen binnen de in lid 2 van dit artikel genoemde termijn geen overeenstemming over de samenstelling van het arbitragepanel bereiken, kan elke partij binnen vijf dagen na het verstrijken van de in lid 2 van dit artikel vastgestelde termijn een arbiter benoemen uit haar krachtens artikel 404 van deze overeenkomst opgestelde sublijst. Wanneer een van de partijen verzuimt een arbiter te benoemen, wordt deze op verzoek van de andere partij door de voorzitter van het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, als beschreven in artikel 438, lid 4, van deze overeenkomst, of door diens vertegenwoordiger, door middel van loting aangewezen uit de sublijst van die partij die is opgenomen in de krachtens artikel 404 van deze overeenkomst opgestelde lijst.

4.   Tenzij de partijen binnen de in lid 2 van dit artikel vastgestelde termijn overeenstemming bereiken over de voorzitter van het arbitragepanel, wordt deze op verzoek van een van de partijen door de voorzitter van het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken of diens vertegenwoordiger door middel van loting aangewezen uit de sublijst van voorzitters die is opgenomen in de krachtens artikel 404 van deze overeenkomst opgestelde lijst.

5.   De voorzitter van het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken of diens vertegenwoordiger wijst binnen vijf dagen na de indiening van het in lid 3 respectievelijk lid 4 bedoelde verzoek van een van de partijen de arbiters aan.

6.   De datum van instelling van het arbitragepanel is die waarop de laatste van de drie aangewezen arbiters de benoeming aanvaardt overeenkomstig de procedureregels in bijlage XXXIII bij deze overeenkomst.

7.   Indien een of meer van de in artikel 404 van deze overeenkomst bedoelde lijsten niet zijn opgesteld of niet voldoende namen bevatten op het tijdstip van indiening van een verzoek als bedoeld in lid 3 respectievelijk lid 4 van dit artikel, worden de arbiters door middel van loting aangewezen uit de personen die door een van de partijen of door beide partijen formeel zijn voorgedragen.

8.   Tenzij de partijen anders overeenkomen, is met betrekking tot een geschil in het kader van hoofdstuk 11 (Handelsgerelateerde energie) van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst dat door een partij dringend wordt geacht wegens een volledige of gedeeltelijke onderbreking of dreigende onderbreking van het vervoer van aardgas, olie of elektriciteit tussen de partijen, lid 3, tweede volzin, respectievelijk lid 4 van toepassing zonder dat een beroep op lid 2 kan worden gedaan, en bedraagt de in lid 5 bedoelde periode twee dagen.

Artikel 386

Voorlopige uitspraak inzake dringende aard

Indien een partij daarom verzoekt, doet het arbitragepanel binnen tien dagen na zijn instelling een voorlopige uitspraak over de vraag of het een zaak dringend acht.

Artikel 387

Verslag van arbitragepanel

1.   Het arbitragepanel legt uiterlijk negentig dagen na de datum van zijn instelling een tussentijds verslag aan de partijen voor, dat de resultaten van het feitenonderzoek, de toepasselijkheid van de desbetreffende bepalingen, alsmede de aan zijn bevindingen en aanbevelingen ten grondslag liggende beweegredenen vermeldt. Wanneer het van oordeel is dat die termijn niet kan worden gehaald, stelt de voorzitter van het arbitragepanel de partijen en het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, als beschreven in artikel 438, lid 4, van deze overeenkomst, hiervan schriftelijk in kennis, met opgave van de redenen voor de vertraging en de datum waarop het panel zijn tussentijdse verslag denkt te kunnen voorleggen. In geen geval mag het tussentijdse verslag later dan honderdtwintig dagen na de datum van instelling van het arbitragepanel worden voorgelegd.

2.   Een partij kan binnen veertien dagen nadat zij van het verslag in kennis is gesteld het arbitragepanel schriftelijk verzoeken bepaalde aspecten van het tussentijdse verslag te heroverwegen.

3.   In dringende gevallen, zoals wanneer het bederfelijke waren of seizoensgebonden goederen of diensten betreft, stelt het arbitragepanel alles in het werk om zijn tussentijdse verslag binnen vijfenveertig, maar in geen geval later dan zestig dagen na de datum van zijn instelling voor te leggen. Een partij kan binnen zeven dagen nadat zij van het verslag in kennis is gesteld het arbitragepanel schriftelijk verzoeken bepaalde aspecten van het tussentijdse verslag te heroverwegen.

4.   Het arbitragepanel kan het tussentijdse verslag naar aanleiding van schriftelijk commentaar van de partijen wijzigen, en wanneer het dat zinvol acht, de zaak nader onderzoeken. In de definitieve uitspraak van het panel worden de in de tussentijdse fase naar voren gebrachte argumenten afdoende besproken en wordt duidelijk ingegaan op de vragen en opmerkingen van de partijen.

5.   Met betrekking tot een geschil in het kader van hoofdstuk 11 (Handelsgerelateerde energie) van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst dat door een partij dringend wordt geacht wegens een volledige of gedeeltelijke onderbreking of dreigende onderbreking van het vervoer van aardgas, olie of elektriciteit tussen de partijen, wordt het tussentijdse verslag twintig dagen na de datum van instelling van het arbitragepanel voorgelegd, en worden verzoeken ingevolge lid 2 van dit artikel gedaan binnen vijf dagen nadat het schriftelijke verslag is voorgelegd. Het arbitragepanel kan ook besluiten af te zien van het tussentijdse verslag.

Artikel 388

Conciliatie in geval van dringende energiegeschillen

1.   Met betrekking tot een geschil in het kader van hoofdstuk 11 (Handelsgerelateerde energie) van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst dat door een partij dringend wordt geacht wegens een volledige of gedeeltelijke onderbreking of dreigende onderbreking van het vervoer van aardgas, olie of elektriciteit tussen de partijen, kan elke partij de voorzitter van het arbitragepanel verzoeken als conciliator op te treden met betrekking tot aangelegenheden in verband met het geschil, door een verzoek tot het arbitragepanel te richten.

2.   De conciliator tracht overeenstemming te bereiken over een oplossing van het geschil of over een procedure om een dergelijke oplossing tot stand te brengen. Indien hij/zij niet binnen vijftien dagen na zijn/haar benoeming een dergelijke overeenstemming heeft bereikt, beveelt hij/zij een oplossing van het geschil of een procedure om een dergelijke oplossing tot stand te brengen aan en bepaalt hij/zij welke voorwaarden in acht moeten worden genomen vanaf een door hem/haar nader te bepalen datum totdat het geschil tot een oplossing is gebracht.

3.   De partijen en de onder hun zeggenschap of jurisdictie vallende entiteiten eerbiedigen de ingevolge lid 2 met betrekking tot de voorwaarden gedane aanbevelingen gedurende drie maanden na het besluit van de conciliator of, indien dat eerder is, totdat het geschil tot een oplossing is gebracht.

4.   De conciliator eerbiedigt de gedragscode bedoeld in bijlage XXXIV bij deze overeenkomst.

Artikel 389

Kennisgeving van uitspraak van arbitragepanel

1.   Het arbitragepanel stelt de partijen en het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, als beschreven in artikel 438, lid 4, van deze overeenkomst, binnen honderdtwintig dagen na de datum van zijn instelling in kennis van zijn definitieve uitspraak. Wanneer het van oordeel is dat die termijn niet kan worden gehaald, stelt de voorzitter van het arbitragepanel de partijen en het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken hiervan schriftelijk in kennis, met opgave van de redenen voor de vertraging en de datum waarop het panel denkt kennis te kunnen geven van zijn uitspraak. In geen geval mag van de uitspraak later dan honderdvijftig dagen na de datum van instelling van het arbitragepanel worden kennisgegeven.

2.   In dringende gevallen, zoals wanneer het bederfelijke waren of seizoensgebonden goederen of diensten betreft, stelt het arbitragepanel alles in het werk om binnen zestig dagen na de datum van zijn instelling kennis te geven van zijn uitspraak. In geen geval mag van de uitspraak later dan vijfenzeventig dagen na de datum van zijn instelling worden kennisgegeven.

3.   Met betrekking tot een geschil in het kader van hoofdstuk 11 (Handelsgerelateerde energie) van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst dat door een partij dringend wordt geacht wegens een volledige of gedeeltelijke onderbreking of dreigende onderbreking van het vervoer van aardgas, olie of elektriciteit tussen de partijen, geeft het arbitragepanel binnen veertig dagen na de datum van zijn instelling kennis van zijn uitspraak.

Onderafdeling 2

Naleving

Artikel 390

Naleving van uitspraak van arbitragepanel

De partij waartegen de klacht gericht is, neemt de nodige maatregelen om de uitspraak van het arbitragepanel onverwijld en te goeder trouw na te leven.

Artikel 391

Redelijke termijn voor naleving

1.   Indien onmiddellijke naleving niet mogelijk is, trachten de partijen overeenstemming te bereiken over de termijn waarbinnen de uitspraak moet worden nageleefd. In dat geval stelt de partij waartegen de klacht gericht is uiterlijk dertig dagen na ontvangst van de kennisgeving van de uitspraak van het arbitragepanel aan de partijen, de klagende partij en het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, als beschreven in artikel 438, lid 4, van deze overeenkomst, in kennis van de tijd die zij nodig heeft om de uitspraak na te kunnen leven („redelijke termijn”) en vermeldt zij de redenen waarom zij de door haar voorgestelde termijn redelijk acht.

2.   Indien de partijen het niet eens zijn over een redelijke termijn voor naleving van de uitspraak van het arbitragepanel, verzoekt de klagende partij binnen twintig dagen na ontvangst van de kennisgeving overeenkomstig lid 1 door de partij waartegen de klacht gericht is, het oorspronkelijke arbitragepanel schriftelijk om een redelijke termijn vast te stellen. Dit verzoek wordt tegelijkertijd medegedeeld aan de andere partij en aan het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken. Binnen twintig dagen na de indiening van het verzoek stelt het oorspronkelijke arbitragepanel de partijen en het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken van zijn uitspraak in kennis.

3.   De partij waartegen de klacht gericht is, stelt de klagende partij ten minste dertig dagen voor afloop van de redelijke termijn schriftelijk in kennis van de vorderingen die zij maakt bij de naleving van de uitspraak van het arbitragepanel.

4.   De partijen kunnen de redelijke termijn in onderling overleg verlengen.

Artikel 392

Onderzoek van maatregelen tot naleving van uitspraak van arbitragepanel

1.   De partij waartegen de klacht gericht is, stelt de klagende partij en het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, als beschreven in artikel 438, lid 4, van deze overeenkomst, voor afloop van de redelijke termijn in kennis van de maatregelen die zij heeft getroffen om de uitspraak van het arbitragepanel na te leven.

2.   Wanneer er tussen de partijen onenigheid bestaat over het bestaan van een nalevingsmaatregel waarvan overeenkomstig lid 1 is kennisgegeven of over de verenigbaarheid van die maatregel met de in artikel 381 van deze overeenkomst bedoelde bepalingen, kan de klagende partij het oorspronkelijke arbitragepanel schriftelijk verzoeken hierover uitspraak te doen. In dat verzoek geeft de klagende partij aan om welke specifieke maatregel het gaat en legt zij uit waarom deze maatregel onverenigbaar is met de in artikel 381 van deze overeenkomst bedoelde bepalingen, op zodanige wijze dat de rechtsgrond van de klacht duidelijk is. Binnen vijfenveertig dagen na de indiening van het verzoek stelt het oorspronkelijke arbitragepanel de partijen en het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken van zijn uitspraak in kennis.

Artikel 393

Tijdelijke maatregelen bij niet-naleving

1.   Indien de partij waartegen de klacht gericht is niet voor afloop van de redelijke termijn kennisgeeft van een maatregel die zij heeft getroffen om de uitspraak van het arbitragepanel na te leven, of indien het arbitragepanel oordeelt dat er geen maatregel is getroffen om aan de uitspraak te voldoen of dat de maatregel waarvan overeenkomstig artikel 392, lid 1, van deze overeenkomst is kennisgegeven, niet verenigbaar is met de verplichtingen van de partij krachtens de in artikel 381 van deze overeenkomst bedoelde bepalingen, biedt de partij waartegen de klacht gericht is de klagende partij, op verzoek van en na overleg met deze laatste, een tijdelijke compensatie aan.

2.   Indien de klagende partij besluit niet om een aanbod voor tijdelijke compensatie als bedoeld in lid 1 van dit artikel te verzoeken of, wanneer zij wel daarom verzoekt maar de partijen geen akkoord over compensatie bereiken binnen dertig dagen na afloop van de redelijke termijn of de kennisgeving van de uitspraak van het arbitragepanel op grond van artikel 392 van deze overeenkomst dat er geen maatregel is getroffen om aan de uitspraak te voldoen of dat een maatregel tot naleving daarvan niet verenigbaar is met de in artikel 381 van deze overeenkomst bedoelde bepalingen, is de klagende partij gerechtigd om, na de andere partij en het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, als beschreven in artikel 438, lid 4, van deze overeenkomst, hiervan in kennis te hebben gesteld, de verplichtingen uit hoofde van de in artikel 381 van deze overeenkomst bedoelde bepalingen op te schorten in een mate die overeenstemt met de mate waarin de schending de voordelen voor de klagende partij tenietdoet of beperkt. In de kennisgeving wordt gespecificeerd in welke mate de verplichtingen worden opgeschort. De klagende partij kan de opschorting vanaf tien dagen na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de partij waartegen de klacht gericht is op elk gewenst tijdstip laten ingaan, tenzij de partij waartegen de klacht gericht is overeenkomstig lid 3 van dit artikel om arbitrage heeft verzocht.

3.   Indien de partij waartegen de klacht gericht is van oordeel is dat de mate van opschorting van de verplichtingen niet overeenstemt met de mate waarin de schending de voordelen voor de andere partij tenietdoet of beperkt, kan zij het oorspronkelijke arbitragepanel schriftelijk verzoeken hierover uitspraak te doen. Dit verzoek wordt voor het verstrijken van de in lid 2 bedoelde periode van tien dagen medegedeeld aan de klagende partij en aan het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken. Het oorspronkelijke arbitragepanel deelt zijn uitspraak over de mate van opschorting van de verplichtingen binnen dertig dagen na de datum van indiening van het verzoek aan de partijen en aan het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken mede. De verplichtingen worden niet opgeschort voordat het oorspronkelijke arbitragepanel zijn uitspraak heeft medegedeeld, en de eventuele opschorting dient in overeenstemming te zijn met de uitspraak van het arbitragepanel.

4.   De opschorting van de verplichtingen en de in dit artikel voorziene compensatie zijn van tijdelijke aard en mogen niet meer worden toegepast nadat:

a)

de partijen ingevolge artikel 398 van deze overeenkomst tot een onderling overeengekomen oplossing zijn gekomen;

b)

de partijen zijn overeengekomen dat de maatregel waarvan overeenkomstig artikel 392, lid 1, van deze overeenkomst is kennisgegeven, ertoe leidt dat de partij waartegen de klacht gericht is overeenkomstig de in artikel 381 van deze overeenkomst bedoelde bepalingen handelt, of

c)

de maatregel waarvan is vastgesteld dat deze niet verenigbaar is met de in artikel 381 van deze overeenkomst bedoelde bepalingen, is ingetrokken of gewijzigd en overeenkomstig artikel 392, lid 1, van deze overeenkomst met die bepalingen in overeenstemming is gebracht.

Artikel 394

Corrigerende maatregelen in geval van dringende energiegeschillen

1.   Met betrekking tot een geschil in het kader van hoofdstuk 11 (Handelsgerelateerde energie) van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst dat door een partij dringend wordt geacht wegens een volledige of gedeeltelijke onderbreking of dreigende onderbreking van het vervoer van aardgas, olie of elektriciteit tussen de partijen, zijn de bepalingen van dit artikel inzake corrigerende maatregelen van toepassing.

2.   In afwijking van de artikelen 391, 392 en 393 van deze overeenkomst kan de klagende partij haar uit titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen opschorten in een mate die overeenstemt met de mate waarin haar voordelen worden tenietgedaan of beperkt door de partij die verzuimt de uitspraak van het arbitragepanel binnen vijftien dagen na de kennisgeving ervan na te leven. De opschorting kan direct ingaan. Deze opschorting mag zo lang duren als de partij waartegen de klacht gericht is niet aan de uitspraak van het arbitragepanel heeft voldaan.

3.   Indien de partij waartegen de klacht gericht is, betwist dat zij de uitspraak niet heeft nageleefd dan wel bezwaar maakt tegen de mate van opschorting als gevolg van de niet-naleving, kan zij een procedure uit hoofde van artikel 393, lid 3, en artikel 395 van deze overeenkomst aanhangig maken, waarbij de behandeling van de aangelegenheid op zo kort mogelijke termijn plaatsvindt. De klagende partij is enkel verplicht de opschorting in te trekken of aan te passen nadat het arbitragepanel uitspraak over de aangelegenheid heeft gedaan, en kan de opschorting hangende de procedure handhaven.

Artikel 395

Onderzoek van nalevingsmaatregelen getroffen na vaststelling van tijdelijke maatregelen in geval van niet-naleving

1.   De partij waartegen de klacht gericht is, stelt de klagende partij en het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, als beschreven in artikel 438, lid 4, van deze overeenkomst, in kennis van de maatregelen die zij heeft getroffen om na de schorsing van concessies of nadat tijdelijke compensatie is geboden, naar gelang het geval, de uitspraak van het arbitragepanel na te leven. Behalve in de in lid 2 van dit artikel bedoelde gevallen beëindigt de klagende partij de schorsing van concessies binnen dertig dagen na ontvangst van de kennisgeving. In de gevallen waarin compensatie is geboden, met uitzondering van de in lid 2 bedoelde gevallen, kan de partij waartegen de klacht gericht is binnen dertig dagen na haar kennisgeving dat zij heeft voldaan aan de uitspraak van het arbitragepanel, die compensatie beëindigen.

2.   Indien de partijen binnen dertig dagen na de datum van ontvangst van de kennisgeving geen overeenstemming bereiken over de vraag of de maatregel waarvan is kennisgegeven, ertoe leidt dat de partij waartegen de klacht gericht is overeenkomstig de in artikel 381 van deze overeenkomst bedoelde bepalingen handelt, verzoekt de klagende partij het oorspronkelijke arbitragepanel schriftelijk hierover uitspraak te doen. Dit verzoek wordt tegelijkertijd medegedeeld aan de andere partij en aan het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken. Het arbitragepanel stelt de partijen en het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken binnen vijfenveertig dagen na de indiening van het verzoek in kennis van zijn uitspraak. Indien het arbitragepanel oordeelt dat de maatregel die is getroffen om de uitspraak na te leven in overeenstemming is met de in artikel 381 van deze overeenkomst bedoelde bepalingen, wordt de opschorting van de verplichtingen of de compensatie, naar gelang het geval, beëindigd. Voor zover van toepassing, past de klagende partij de mate van schorsing van de concessies aan de door het arbitragepanel bepaalde mate aan.

Onderafdeling 3

Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 396

Vervanging van arbiters

Indien in een in het kader van dit hoofdstuk gevoerde arbitrageprocedure een of meer leden van het oorspronkelijke arbitragepanel niet in staat zijn om aan de werkzaamheden van het panel deel te nemen, zich terugtrekken of moeten worden vervangen wegens schending van de gedragscode bedoeld in bijlage XXXIV bij deze overeenkomst, is de procedure van artikel 385 van deze overeenkomst van toepassing. De termijn voor kennisgeving van de uitspraak van het arbitragepanel wordt verlengd met de tijd die nodig is om een nieuwe arbiter te benoemen, maar in geen geval met meer dan twintig dagen.

Artikel 397

Opschorting en beëindiging van arbitrage- en nalevingsprocedures

Op schriftelijk verzoek van de partijen schort het arbitragepanel te allen tijde zijn werkzaamheden op gedurende een door de partijen overeengekomen periode, die echter niet meer dan twaalf opeenvolgende maanden mag bedragen. Op schriftelijk verzoek van alle partijen respectievelijk een van de partijen hervat het arbitragepanel zijn werkzaamheden voor respectievelijk aan het einde van deze periode. De verzoekende partij brengt de voorzitter van het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, als beschreven in artikel 438, lid 4, van deze overeenkomst, en de andere partij hiervan op de hoogte. Indien een partij niet bij het verstrijken van de overeengekomen opschortingsperiode het arbitragepanel verzoekt zijn werkzaamheden te hervatten, wordt de procedure beëindigd. De opschorting en beëindiging van de werkzaamheden van het arbitragepanel laten de rechten van de partijen in andere procedures waarop artikel 405 van deze overeenkomst van toepassing is onverlet.

Artikel 398

Onderling overeengekomen oplossing

De partijen kunnen te allen tijde onderling een oplossing voor een onder dit hoofdstuk vallend geschil overeenkomen. Zij stellen in voorkomend geval gezamenlijk het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, als beschreven in artikel 438, lid 4, van deze overeenkomst, en de voorzitter van het arbitragepanel van die oplossing in kennis. Indien ingevolge de desbetreffende interne procedures van een van de partijen voor de oplossing goedkeuring vereist is, wordt in de kennisgeving naar dit vereiste verwezen en wordt de geschillenbeslechtingsprocedure opgeschort. Indien dergelijke goedkeuring niet vereist is, of nadat is kennisgegeven van de voltooiing van die interne procedures, wordt de geschillenbeslechtingsprocedure beëindigd.

Artikel 399

Procedureregels

1.   Op de procedures voor de beslechting van geschillen in het kader van dit hoofdstuk zijn de procedureregels in bijlage XXXIII bij deze overeenkomst en de gedragscode in bijlage XXXIV bij deze overeenkomst van toepassing.

2.   Alle hoorzittingen van het arbitragepanel zijn voor het publiek toegankelijk, tenzij in de proceduregels anders wordt bepaald

Artikel 400

Inlichtingen en technisch advies

Het arbitragepanel kan op verzoek van een partij of op eigen initiatief bij alle bronnen, met inbegrip van de bij het geschil betrokken partijen, alle inlichtingen inwinnen die het voor de arbitrageprocedure nuttig acht. Het arbitragepanel heeft tevens het recht deskundigen om advies te vragen wanneer het dat nuttig acht. Voordat het deskundigen kiest, raadpleegt het arbitragepanel de partijen. Op het grondgebied van een partij gevestigde natuurlijke of rechtspersonen kunnen overeenkomstig de procedureregels als amicus curiae opmerkingen bij het arbitragepanel indienen. Alle in het kader van dit artikel verkregen informatie moet voor commentaar aan elk van de partijen worden voorgelegd.

Artikel 401

Interpretatieregels

Het arbitragepanel legt de in artikel 381 van deze overeenkomst bedoelde bepalingen uit volgens de gebruikelijke regels voor de interpretatie van het internationaal publiekrecht, met inbegrip van die welke in het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 1969 zijn neergelegd. Het arbitragepanel neemt tevens de relevante interpretaties in aanmerking die zijn vastgesteld in de panelverslagen en de verslagen van de Beroepsinstantie die zijn goedgekeurd door het Orgaan voor geschillenbeslechting van de WTO (Dispute Settlement Body — DSB). De uitspraken van het arbitragepanel kunnen de rechten en verplichtingen van de partijen uit hoofde van deze overeenkomst niet verruimen of beperken.

Artikel 402

Besluiten en uitspraken van arbitragepanel

1.   Het arbitragepanel stelt alles in het werk om elk besluit bij consensus te nemen. Wanneer het evenwel niet mogelijk is bij consensus tot een besluit te komen, wordt een besluit bij meerderheid van stemmen genomen. In geen geval worden echter afwijkende meningen van arbiters openbaar gemaakt.

2.   De uitspraken van het arbitragepanel worden door de partijen onvoorwaardelijk aanvaard. Zij scheppen geen rechten of verplichtingen voor natuurlijke of rechtspersonen. De uitspraken vermelden de resultaten van het feitenonderzoek, de toepasselijkheid van de desbetreffende bepalingen bedoeld in artikel 381 van deze overeenkomst, alsmede de aan de bevindingen en conclusies van het panel ten grondslag liggende beweegredenen. Het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, als beschreven in artikel 438, lid 4, van deze overeenkomst, maakt de volledige uitspraken van het arbitragepanel binnen tien dagen na de kennisgeving ervan openbaar, maar kan besluiten dat niet te doen met het oog op waarborging van de geheimhouding van vertrouwelijke bedrijfsgegevens.

Artikel 403

Verwijzingen naar Hof van Justitie van Europese Unie

1.   De in dit artikel beschreven procedures zijn van toepassing op geschillen over de interpretatie en de toepassing van een bepaling van deze overeenkomst inzake geleidelijke aanpassing die is vervat in hoofdstuk 3 (Technische handelsbelemmeringen), hoofdstuk 4 (Sanitaire en fytosanitaire maatregelen), hoofdstuk 5 (Douane en handelsbevordering), hoofdstuk 6 (Vestiging, handel in diensten en elektronische handel), hoofdstuk 8 (Overheidsopdrachten) en hoofdstuk 10 (Mededinging) van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst, of waarbij een partij anderszins een door verwijzing naar een bepaling van Unierecht nader omschreven verplichting wordt opgelegd.

2.   Voor zover een geschil een vraag opwerpt over de interpretatie van een bepaling van Unierecht als bedoeld in lid 1, zal het arbitragepanel niet over deze vraag beslissen, maar het Hof van Justitie van de Europese Unie verzoeken daarover uitspraak te doen. In die gevallen worden de termijnen voor het doen van een uitspraak door het arbitragepanel opgeschort totdat het Hof van Justitie van de Europese Unie uitspraak heeft gedaan. De uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie is bindend voor het arbitragepanel.

Afdeling 4

Algemene bepalingen

Artikel 404

Lijsten van arbiters

1.   Het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, als beschreven in artikel 438, lid 4, van deze overeenkomst, stelt uiterlijk zes maanden na de inwerkingtreding van deze overeenkomst een lijst op van ten minste vijftien personen die bereid en in staat zijn om als arbiter op te treden. De lijst bestaat uit drie sublijsten: een sublijst voor elke partij en een sublijst van personen die geen onderdaan van een van de partijen zijn en als voorzitter van het arbitragepanel kunnen optreden. Elke sublijst bevat ten minste vijf personen. Het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken ziet erop toe dat de lijst steeds die omvang heeft.

2.   De arbiters beschikken over gespecialiseerde kennis en ervaring op het gebied van het recht en de internationale handel. Zij zijn onafhankelijk, treden op persoonlijke titel op, nemen geen instructies van enige organisatie of regering aan, zijn niet verbonden aan de regering van een van de partijen en nemen de gedragscode in bijlage XXXIV bij deze overeenkomst in acht.

3.   Het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken kan aanvullende lijsten van twaalf personen met kennis van en ervaring in specifieke onder deze overeenkomst vallende sectoren opstellen. Behoudens instemming van de partijen worden die aanvullende lijsten gebruikt voor de samenstelling van het arbitragepanel overeenkomstig de procedure van artikel 385 van deze overeenkomst.

Artikel 405

Verhouding tot WTO-verplichtingen

1.   Een beroep op de bepalingen van dit hoofdstuk over de beslechting van geschillen doet geen afbreuk aan enige maatregel in het kader van de WTO, waaronder geschillenbeslechtingsprocedures.

2.   Een partij kan met betrekking tot een specifieke maatregel evenwel niet in beide fora een procedure in verband met een in wezen gelijkwaardige verplichting uit hoofde van zowel deze overeenkomst als de WTO-overeenkomst inleiden. In dat geval mag de partij, zodra een procedure voor geschillenbeslechting is ingeleid, enkel een procedure in verband met de schending van de in wezen gelijkwaardige verplichting uit hoofde van de andere overeenkomst in het andere forum inleiden wanneer het eerst gekozen forum om procedurele of bevoegdheidsredenen geen uitspraak kan doen in de procedure ten aanzien van de schending van die verplichting.

3.   Voor de toepassing van lid 2 van dit artikel worden:

a)

procedures voor geschillenbeslechting krachtens de WTO-overeenkomst geacht te zijn ingeleid wanneer een partij overeenkomstig artikel 6 van het WTO-memorandum van overeenstemming inzake de regels en procedures betreffende de beslechting van geschillen een verzoek om instelling van een panel indient, en

b)

procedures voor geschillenbeslechting krachtens dit hoofdstuk geacht te zijn ingeleid wanneer een partij overeenkomstig artikel 384 van deze overeenkomst een verzoek om instelling van een arbitragepanel indient.

4.   Geen enkele bepaling in deze overeenkomst belet dat een partij de opschorting van de verplichtingen die is toegestaan door het DSB, ten uitvoer legt. Er kan geen beroep op de WTO-overeenkomst worden gedaan om te beletten dat een partij de verplichtingen uit hoofde van dit hoofdstuk opschort.

Artikel 406

Termijnen

1.   Alle in dit hoofdstuk vastgestelde termijnen, met inbegrip van die waarbinnen arbitragepanels hun uitspraken moeten mededelen, worden gerekend in kalenderdagen vanaf de dag die volgt op de dag waarop het desbetreffende besluit werd genomen of het desbetreffende feit plaatsvond, tenzij anders wordt bepaald.

2.   Alle in dit hoofdstuk vermelde termijnen kunnen met wederzijdse instemming van de partijen bij het geschil worden gewijzigd. Het arbitragepanel kan de partijen te allen tijde voorstellen alle in dit hoofdstuk vermelde termijnen te wijzigen, met opgave van de redenen daarvoor.

HOOFDSTUK 15

Algemene bepalingen inzake aanpassing uit hoofde van titel v

Artikel 407

Voortgang bij aanpassing op handelsgerelateerde gebieden

1.   Teneinde de beoordeling van de in de artikelen 451 en 452 van deze overeenkomst bedoelde aanpassing van de wetgeving van de Republiek Moldavië aan de wetgeving van de Unie op de handelsgerelateerde gebieden van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) te vergemakkelijken, bespreken de partijen regelmatig, en ten minste eenmaal per jaar, volgens de overeengekomen tijdschema's als bedoeld in de hoofdstukken 3, 4, 5, 6, 8 en 10 van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst in het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, zoals bedoeld in artikel 438, lid 4, van deze overeenkomst, of in een van de op grond van deze overeenkomst ingestelde subcomités daarvan de bij de aanpassing geboekte voortgang.

2.   Op verzoek van de Unie, en ten behoeve van die bespreking, verstrekt de Republiek Moldavië het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken of, naar gelang het geval, een van de subcomités daarvan, met betrekking tot de desbetreffende hoofdstukken van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst schriftelijke informatie over de voortgang bij de aanpassing en over de doeltreffende tenuitvoerlegging en handhaving van de aangepaste nationale wetgeving.

3.   De Republiek Moldavië brengt de Unie op de hoogte wanneer zij van oordeel is dat zij de aanpassing voor elk van de in lid 1 bedoelde hoofdstukken heeft voltooid.

Artikel 408

Intrekking van strijdig nationaal recht

In het kader van de aanpassing trekt de Republiek Moldavië de bepalingen van nationaal recht in of beëindigt zij de nationale praktijken die op de handelsgerelateerde gebieden van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst in strijd zijn met het Unierecht of met haar aan het Unierecht aangepaste nationale wetgeving.

Artikel 409

Beoordeling van aanpassing op handelsgerelateerde gebieden

1.   De Unie vangt de beoordeling van de aanpassing uit hoofde van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst aan nadat de Republiek Moldavië haar overeenkomstig artikel 407, lid 3, van deze overeenkomst op de hoogte heeft gebracht, tenzij in de hoofdstukken 4 en 8 van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst anders is bepaald.

2.   De Unie beoordeelt of de wetgeving van de Republiek Moldavië is aangepast aan de wetgeving van de Unie en of die wetgeving doeltreffend ten uitvoer wordt gelegd en gehandhaafd. De Republiek Moldavië verstrekt de Unie alle nodige gegevens om die beoordeling mogelijk te maken, in een in onderling overleg overeen te komen taal.

3.   De Unie houdt bij de beoordeling op grond van lid 2 rekening met het bestaan en de werking van de infrastructuur, organen en procedures ter zake in de Republiek Moldavië die nodig zijn voor de doeltreffende tenuitvoerlegging en handhaving van de wetgeving van de Republiek Moldavië.

4.   De Unie houdt bij de beoordeling op grond van lid 2 rekening met het bestaan van eventuele nationale bepalingen of praktijken die op de handelsgerelateerde gebieden van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst in strijd zijn met het recht van de Unie of met de aan het recht van de Unie aangepaste nationale wetgeving.

5.   De Unie brengt de Republiek Moldavië binnen twaalf maanden na de aanvang van de in lid 1 bedoelde beoordeling op de hoogte van de resultaten van haar beoordeling, tenzij anders is bepaald. De partijen bespreken de beoordeling in het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, zoals bedoeld in artikel 438, lid 4, van deze overeenkomst, of in de desbetreffende subcomités daarvan, overeenkomstig artikel 452 van deze overeenkomst, tenzij anders is bepaald.

Artikel 410

Ontwikkelingen die van belang zijn voor aanpassing

1.   De Republiek Moldavië ziet toe op de doeltreffende tenuitvoerlegging van de aangepaste nationale wetgeving en neemt alle maatregelen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat de ontwikkeling van het recht van de Unie op de handelsgerelateerde gebieden van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst in haar nationale recht wordt weerspiegeld.

2.   De Republiek Moldavië onthoudt zich van alle maatregelen die de doelstelling of het resultaat van de aanpassing uit hoofde van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst zouden kunnen ondergraven.

3.   De Unie brengt de Republiek Moldavië op de hoogte van alle definitieve voorstellen van de Europese Commissie tot vaststelling of wijziging van de wetgeving van de Unie die van belang zijn voor de uit hoofde van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst op de Republiek Moldavië rustende verplichtingen tot aanpassing van de wetgeving.

4.   De Republiek Moldavië brengt de Unie op de hoogte van wetgevingsvoorstellen en maatregelen, met inbegrip van nationale praktijken, die van invloed kunnen zijn op de uitvoering van haar verplichtingen uit hoofde van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst.

5.   Op verzoek bespreken de partijen de gevolgen van alle in de leden 3 en 4 van dit artikel bedoelde voorstellen of maatregelen voor de wetgeving van de Republiek Moldavië of voor de nakoming van de verplichtingen uit hoofde van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst.

6.   Indien de Republiek Moldavië, nadat een beoordeling op grond van artikel 409 van deze overeenkomst is verricht, haar nationale wetgeving wijzigt teneinde rekening te houden met wijzigingen in de hoofdstukken 3, 4, 5, 6, 8 en 10 van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst, verricht de Unie op grond van artikel 409 van deze overeenkomst een nieuwe beoordeling. Indien de Republiek Moldavië enige andere maatregel neemt die van invloed zou kunnen zijn op de tenuitvoerlegging en handhaving van de aangepaste nationale wetgeving, kan de Unie op grond van artikel 409 van deze overeenkomst een nieuwe beoordeling verrichten.

7.   Wanneer de omstandigheden dit vereisen, kunnen de bijzondere voordelen die door de Unie zijn toegekend op basis van een beoordeling dat de wetgeving van de Republiek Moldavië is aangepast aan de wetgeving van de Unie en doeltreffend ten uitvoer is gelegd en gehandhaafd, tijdelijk worden opgeschort overeenkomstig lid 8, indien de Republiek Moldavië haar nationale wetgeving niet aanpast teneinde rekening te houden met wijzigingen van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst, indien uit de in lid 6 bedoelde beoordeling blijkt dat de wetgeving van de Republiek Moldavië niet langer is aangepast aan de wetgeving van de Unie of indien de bij artikel 434 van deze overeenkomst ingestelde Associatieraad nalaat een besluit te nemen tot bijwerking van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst overeenkomstig de ontwikkelingen van de wetgeving van de Unie.

8.   Indien de Unie voornemens is die voordelen op te schorten, stelt zij de Republiek Moldavië hiervan onverwijld in kennis. De Republiek Moldavië kan de aangelegenheid binnen een maand na de kennisgeving, met schriftelijke opgave van de redenen daarvoor, voorleggen aan het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, zoals bedoeld in artikel 438, lid 4, van deze overeenkomst. Het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken bespreekt de aangelegenheid binnen drie maanden nadat deze aan hem is voorgelegd. Indien de aangelegenheid niet aan het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken wordt voorgelegd of indien de aangelegenheid niet door dat comité kan worden opgelost binnen drie maanden nadat deze aan hem is voorgelegd, kan de Unie overgaan tot opschorting van de voordelen. De opschorting wordt onverwijld ingetrokken, wanneer het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken de aangelegenheid vervolgens oplost.

Artikel 411

Uitwisseling van informatie

De uitwisseling van informatie met betrekking tot de aanpassing uit hoofde van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) vindt plaats via de op grond van artikel 358, lid 1, van deze overeenkomst opgerichte contactpunten.

Artikel 412

Algemene bepaling

1.   Het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, zoals bedoeld in artikel 438, lid 4, van deze overeenkomst, stelt procedures vast ter vergemakkelijking van de beoordeling van de aanpassing van de wetgeving en ter waarborging van de doeltreffende uitwisseling van informatie betreffende de aanpassing, met inbegrip van de vorm, de inhoud en de taal van de uitgewisselde informatie.

2.   Elke verwijzing naar een specifieke handeling van de Unie in titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst bestrijkt de wijzigingen, supplementen en vervangende maatregelen die vóór 29 november 2013 zijn bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

3.   De bepalingen van de hoofdstukken 3, 4, 5, 6, 8 en 10 van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst hebben in geval van strijdigheid voorrang boven de bepalingen van dit hoofdstuk.

4.   Er mag geen schending van de bepalingen van dit hoofdstuk worden aangevoerd in het kader van hoofdstuk 14 (Beslechting van geschillen) van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst.

TITEL VI

FINANCIËLE BIJSTAND, FRAUDEBESTRIJDING EN CONTROLE

HOOFDSTUK 1

Financiële bijstand

Artikel 413

De Republiek Moldavië komt in aanmerking voor financiële bijstand via de relevante EU-mechanismen en -instrumenten voor financiering. De Republiek Moldavië kan ook een beroep doen op leningen van de Europese Investeringsbank (EIB), de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBWO) en andere internationale financiële instellingen. De financiële bijstand moet bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van deze overeenkomst en wordt verstrekt overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.

Artikel 414

De belangrijkste beginselen inzake de financiële bijstand worden vastgelegd in de relevante verordeningen over de financiële instrumenten van de EU.

Artikel 415

De prioritaire gebieden voor de financiële bijstand van de EU worden door de partijen bepaald en vastgelegd in jaarlijkse actieprogramma's die gebaseerd zijn op meerjarige kaderregelingen waarin de overeengekomen beleidsprioriteiten tot uiting komen. Bij de vaststelling van de bedragen van de bijstand wordt rekening gehouden met de behoeften van de Republiek Moldavië, de sectorale capaciteit en de vorderingen met betrekking tot de hervormingen, in het bijzonder op de werkterreinen die vallen onder deze overeenkomst.

Artikel 416

Om de beschikbare middelen optimaal te benutten streven de partijen ernaar de bijstand uit te voeren in nauwe samenwerking en coördinatie met andere donorlanden, donororganisaties en internationale financiële instellingen en overeenkomstig de internationale beginselen inzake doeltreffendheid van hulp.

Artikel 417

De fundamentele juridische, administratieve en technische grondslag van de financiële bijstand wordt vastgelegd in specifieke overeenkomsten tussen de partijen.

Artikel 418

De Associatieraad wordt op de hoogte gehouden van de voortgang en de uitvoering van de financiële bijstand en de impact op de verwezenlijking van de doelstellingen van de overeenkomst. Daartoe zorgen de relevante organen van de partijen op passende wijze en op wederzijdse en permanente basis voor toezicht en evaluatie van informatie.

Artikel 419

De partijen voeren de financiële steun uit volgens de beginselen van goed financieel beheer en werken samen om de financiële belangen van de Europese Unie en de Republiek Moldavië te beschermen, overeenkomstig hoofdstuk 2 (Fraudebestrijding en controle) van deze titel.

HOOFDSTUK 2

Fraudebestrijding en controle

Artikel 420

Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de definities van protocol IV van deze overeenkomst.

Artikel 421

Toepassingsgebied

Dit hoofdstuk is van toepassing op alle verdere overeenkomsten en financieringsinstrumenten die worden gesloten tussen de partijen en op alle EU-financieringsinstrumenten waarmee de Republiek Moldavië zich eventueel associeert, zonder afbreuk te doen aan andere aanvullende bepalingen inzake audits, verificaties ter plaatse, inspecties, controles en fraudebestrijdingsmaatregelen, onder andere die van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en de Europese Rekenkamer.

Artikel 422

Maatregelen om fraude, corruptie en andere illegale activiteiten te voorkomen en te bestrijden

De partijen nemen doeltreffende maatregelen om fraude, corruptie en andere illegale activiteiten te voorkomen en te bestrijden, onder andere door middel van wederzijdse administratieve en juridische bijstand op de terreinen waarop de overeenkomst van toepassing is.

Artikel 423

Gegevensuitwisseling en verdere samenwerking op operationeel niveau

1.   Met het oog op een goede uitvoering van dit hoofdstuk wisselen de bevoegde instanties van de EU en de Republiek Moldavië regelmatig informatie uit en plegen zij op verzoek van een van de partijen overleg.

2.   Het Europees Bureau voor Fraudebestrijding kan met de instanties van de Republiek Moldavië voor fraudebestrijding afspraken maken over verdere samenwerking op het vlak van fraudebestrijding met inbegrip van operationele regelingen met de autoriteiten van de Republiek Moldavië.

3.   Voor de overdracht en verwerking van persoonsgegevens is artikel 13 van titel III (Vrijheid, veiligheid en recht) van deze overeenkomst van toepassing.

Artikel 424

Voorkoming van onregelmatigheden, fraude en corruptie

1.   De autoriteiten van de Republiek Moldavië vergewissen zich er regelmatig van dat de met EU-middelen gefinancierde acties correct zijn uitgevoerd. Zij nemen passende maatregelen om onregelmatigheden en fraude te voorkomen en ongedaan te maken.

2.   De autoriteiten van de Republiek Moldavië nemen passende maatregelen om praktijken van actieve of passieve corruptie te voorkomen en ongedaan te maken en elk belangenconflict te voorkomen in elke fase van de procedure die betrekking heeft op de besteding van EU-middelen.

3.   De autoriteiten van de Republiek Moldavië stellen de Europese Commissie in kennis van elke preventief genomen maatregel.

4.   De Europese Commissie kan zich van bepaalde feiten vergewissen overeenkomstig artikel 56 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen.

5.   Voorts kan de Europese Commissie zich ervan vergewissen dat de procedures inzake overheidsopdrachten en subsidies voldoen aan de beginselen van transparantie, gelijke behandeling en niet-discriminatie, belangenconflicten voorkomen, dezelfde garanties bieden als de internationaal erkende normen en de naleving van de bepalingen betreffende goed financieel beheer garanderen.

6.   Hiertoe verstrekken de bevoegde autoriteiten van de Republiek Moldavië aan de Europese Commissie alle informatie met betrekking tot de besteding van EU-middelen en stellen zij de Europese Commissie onverwijld van elke wezenlijke wijziging van hun procedures of systemen in kennis.

Artikel 425

Onderzoek en vervolging

De autoriteiten van de Republiek Moldavië zien erop toe dat naar aanleiding van nationale of EU-controles alle vermoedelijke en effectieve gevallen van fraude of corruptie of elke andere onregelmatigheid met inbegrip van belangenconflicten worden onderzocht en vervolgd. In voorkomend geval kan het Europees Bureau voor Fraudebestrijding de bevoegde autoriteiten van de Republiek Moldavië bijstaan bij het vervullen van deze opdracht.

Artikel 426

Melding van fraude, corruptie en onregelmatigheden

1.   De autoriteiten van de Republiek Moldavië stellen de Europese Commissie onverwijld in kennis van ieder onder hun aandacht gebracht feit inzake vermoede en bewezen gevallen van fraude, corruptie of elke andere onregelmatigheid, met inbegrip van belangenconflicten, die verband houden met de besteding van EU-middelen. Bij vermoeden van fraude of corruptie wordt het Europees Bureau voor Fraudebestrijding hiervan ook in kennis gesteld.

2.   De autoriteiten van de Republiek Moldavië brengen ook verslag uit over alle maatregelen die zijn genomen met betrekking tot de in het kader van dit artikel medegedeelde feiten. Indien geen melding moet worden gemaakt van vermoede of bewezen gevallen van fraude, corruptie of elke andere onregelmatigheid, dan stellen de autoriteiten van de Republiek Moldavië na afloop van elk kalenderjaar de Europese Commissie hiervan in kennis.

Artikel 427

Audits

1.   De Europese Commissie en de Europese Rekenkamer zijn gemachtigd de wettigheid en de regelmatigheid te onderzoeken van alle uitgaven met betrekking tot de besteding van EU-middelen en na te gaan of een goed financieel beheer werd gevoerd.

2.   De audits geschieden aan de hand van betalingsverplichtingen en van betalingen. De audits geschieden aan de hand van stukken en, zo nodig, ter plaatse in de gebouwen van elke entiteit die EU-middelen beheert of betrokken is bij de besteding van deze middelen. De audits kunnen worden uitgevoerd voor de indiening van de rekeningen van het desbetreffende begrotingsjaar en gedurende een termijn van vijf jaar na de datum van betaling van het saldo.

3.   Inspecteurs van de Europese Commissie of andere door de Europese Commissie of de Europese Rekenkamer gemachtigde personen kunnen overgaan tot controles van documenten of tot controles ter plaatse en audits in de lokalen van elke entiteit die de besteding van EU-middelen beheert of hierbij betrokken is en van hun onderaannemers in de Republiek Moldavië.

4.   De Europese Commissie alsook de andere door de Europese Commissie of de Europese Rekenkamer hiertoe gemachtigde personen krijgen passende toegang tot locaties, werkzaamheden en documenten, alsmede tot alle nodige informatie, met inbegrip van informatie in elektronische vorm, om deze audits naar behoren te kunnen uitvoeren. Dit recht van toegang wordt medegedeeld aan alle openbare instellingen van de Republiek Moldavië en wordt uitdrukkelijk vermeld in de contracten die worden gesloten in uitvoering van de instrumenten waarnaar in deze overeenkomst wordt verwezen.

5.   De in dit artikel bedoelde controles en audits gelden voor alle contractanten en onderaannemers die al dan niet rechtstreeks EU-middelen hebben ontvangen. Bij de uitvoering van hun taken werken de Europese Rekenkamer en de auditinstanties van de Republiek Moldavië samen in onderling vertrouwen en met behoud van hun onafhankelijkheid.

Artikel 428

Controles ter plaatse

1.   In het kader van deze overeenkomst is het Europees Bureau voor Fraudebestrijding gemachtigd om controles en verificaties ter plaatse uit te voeren om de financiële belangen van de EU tegen fraude en andere onregelmatigheden te beschermen overeenkomstig de bepalingen van Verordening (EG, Euratom) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraude en andere onregelmatigheden.

2.   Controles en verificaties ter plaatse worden voorbereid en uitgevoerd door het Europees Bureau voor Fraudebestrijding in nauwe samenwerking met de bevoegde instanties van de Republiek Moldavië voor fraudebestrijding.

3.   De autoriteiten van de Republiek Moldavië worden tijdig in kennis gesteld van voorwerp, doel en rechtsgrondslag van de controles en verificaties teneinde alle nodige hulp te kunnen verstrekken. Te dien einde kunnen ambtenaren van de bevoegde autoriteiten van de Republiek Moldavië aan de controles en verificaties ter plaatse deelnemen.

4.   Wanneer de betrokken instanties van de Republiek Moldavië dat verlangen, worden de controles en verificaties ter plaatse gezamenlijk door het Europees Bureau voor Fraudebestrijding en henzelf uitgevoerd.

5.   Wanneer een marktdeelnemer zich verzet tegen een controle of verificatie ter plaatse, verlenen de autoriteiten van de Republiek Moldavië het Europees Bureau voor Fraudebestrijding de nodige assistentie om de aan het Bureau opgedragen controles en verificaties ter plaats tot een goed einde te kunnen brengen.

Artikel 429

Administratieve maatregelen en sancties

De Europese Commissie kan administratieve maatregelen en sancties opleggen overeenkomstig de Verordeningen (EG, Euratom) nr. 1605/2002 en (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van 23 december 2002 en Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 430

Terugvordering

1.   De autoriteiten van de Republiek Moldavië nemen passende maatregelen om ten onrechte betaalde EU-middelen terug te vorderen.

2.   Daar waar de besteding van EU-middelen aan de autoriteiten van de Republiek Moldavië wordt toevertrouwd, is de Europese Commissie gemachtigd ten onrechte betaalde EU-middelen terug te vorderen, in het bijzonder door middel van financiële correcties. De Europese Commissie houdt hierbij rekening met de door de autoriteiten van de Republiek Moldavië genomen maatregelen om het verlies van de desbetreffende EU-middelen te voorkomen.

3.   De Europese Commissie raadpleegt de Republiek Moldavië over de aangelegenheid alvorens een terugvorderingsbesluit te nemen. Betwistingen over terugvordering komen in de Associatieraad aan de orde.

4.   Wanneer de Europese Commissie EU-middelen al dan niet rechtstreeks besteedt door taken tot uitvoering van de begroting toe te vertrouwen aan derden, vormen besluiten van de Europese Commissie die zijn genomen binnen het toepassingsgebied van deze titel van deze overeenkomst en die voor natuurlijke of rechtspersonen, met uitzondering van de staten, een geldelijke verplichting inhouden, een executoriale titel in de Republiek Moldavië, overeenkomstig de volgende beginselen:

a)

de tenuitvoerlegging geschiedt volgens de bepalingen van burgerlijke rechtsvordering die van kracht is in de Republiek Moldavië. De formule van tenuitvoerlegging wordt, zonder andere controle dan de verificatie van de authenticiteit van de titel, aangebracht door de nationale autoriteit die door de regering van de Republiek Moldavië daartoe wordt aangewezen. Van de aanwijzing geeft zij kennis aan de Europese Commissie en aan het Hof van Justitie van de Europese Unie;

b)

nadat de in punt a) bedoelde formaliteiten op verzoek van de belanghebbende partij zijn vervuld, kan deze de tenuitvoerlegging volgens de nationale wetgeving van de Republiek Moldavië voortzetten door zich rechtstreeks te wenden tot de bevoegde instantie;

c)

de tenuitvoerlegging kan niet worden geschorst dan krachtens een beslissing van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het toezicht op de regelmatigheid van de tenuitvoerlegging behoort evenwel tot de bevoegdheid van de rechterlijke instanties van de Republiek Moldavië.

5.   De formule van tenuitvoerlegging wordt, zonder andere controle dan de verificatie van de authenticiteit van de titel, aangebracht door de autoriteit die daartoe door de regering van de Republiek Moldavië wordt aangewezen. De tenuitvoerlegging vindt plaats volgens de regels van de Republiek Moldavië. Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd voor de controle van de rechtsgeldigheid van de uitvoerbare titel.

6.   Arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie die worden gewezen ingevolge een arbitrageclausule binnen het toepassingsgebied van dit hoofdstuk vormen onder dezelfde voorwaarden executoriale titel.

Artikel 431

Vertrouwelijkheid

Ingevolge dit hoofdstuk meegedeelde of verkregen informatie, in eender welke vorm, valt onder het beroepsgeheim en wordt beschermd op dezelfde wijze als soortgelijke informatie wordt beschermd krachtens het recht van de Republiek Moldavië en de overeenkomstige bepalingen die gelden voor de EU-instellingen. Deze informatie mag niet worden meegedeeld aan andere personen dan die welke binnen de EU-instellingen, in de lidstaten of in de Republiek Moldavië op grond van hun functie van deze informatie op de hoogte moeten zijn, en mag niet worden gebruikt voor andere doeleinden dan het waarborgen van een doeltreffende bescherming van de financiële belangen van de partijen.

Artikel 432

Aanpassing van de wetgeving

De Republiek Moldavië past haar wetgeving aan die van de EU en aan de internationale instrumenten aan als bedoeld in bijlage XXXV bij deze overeenkomst en volgens de bepalingen van die bijlage.

TITEL VII

INSTITUTIONELE, ALGEMENE EN SLOTBEPALINGEN

HOOFDSTUK 1

Institutioneel kader

Artikel 433

Een politieke en beleidsdialoog, inclusief met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met de sectorale samenwerking tussen de partijen, kan op elk niveau plaatsvinden. Op gezette tijden vindt een beleidsdialoog op hoog niveau plaats binnen de bij artikel 434 van deze overeenkomst opgerichte Associatieraad en in het kader van in overleg vast te stellen regelmatige vergaderingen op ministerieel niveau tussen vertegenwoordigers van beide partijen.

Artikel 434

1.   Er wordt een Associatieraad opgericht. De Associatieraad houdt toezicht op en volgt de toepassing en tenuitvoerlegging van deze overeenkomst en toetst regelmatig de werking van de overeenkomst in het licht van de doelstellingen van de overeenkomst.

2.   De Associatieraad komt regelmatig bijeen op ministerieel niveau, ten minste eenmaal per jaar en verder wanneer de omstandigheden zulks vereisen. De Associatieraad kan in om het even welke samenstelling bijeenkomen, die in onderling overleg wordt bepaald.

3.   Naast het toezicht op de toepassing en tenuitvoerlegging van deze overeenkomst onderzoekt de Associatieraad alle belangrijke vraagstukken in het kader van de overeenkomst en alle andere bilaterale of internationale vraagstukken van wederzijds belang.

Artikel 435

1.   De Associatieraad bestaat uit leden van de Raad van de Europese Unie en leden van de Europese Commissie, enerzijds, en leden van de regering van de Republiek Moldavië, anderzijds.

2.   De Associatieraad stelt zijn eigen reglement van orde vast.

3.   Het voorzitterschap van het Associatieraad wordt bij toerbeurt bekleed door een vertegenwoordiger van de Unie en een vertegenwoordiger van de Republiek Moldavië.

4.   Indien nodig en in overleg kunnen vertegenwoordigers van andere organen als waarnemer deelnemen aan de werkzaamheden van de Associatieraad.

Artikel 436

1.   Om de doelstellingen van deze overeenkomst te bereiken, heeft de Associatieraad de bevoegdheid besluiten te nemen binnen de toepassingssfeer van deze overeenkomst. Deze besluiten zijn bindend voor de partijen, die de nodige maatregelen treffen voor de uitvoering ervan, waaronder indien noodzakelijk optreden door in het kader van deze overeenkomst ingestelde organen. De Associatieraad kan tevens aanbevelingen doen. De Associatieraad stelt zijn besluiten en aanbevelingen vast in overleg tussen de partijen, na voltooiing van hun interne procedures.

2.   Overeenkomstig de in deze overeenkomst vastgelegde doelstelling van geleidelijke aanpassing van de wetgeving van de Republiek Moldavië aan die van de Unie vormt de Associatieraad een forum voor de uitwisseling van informatie over de wetgeving van de Europese Unie en de Republiek Moldavië, zowel wetgeving die wordt voorbereid als wetgeving die van kracht is, en over de maatregelen met betrekking tot tenuitvoerlegging, handhaving en naleving.

3.   Overeenkomstig lid 1 van dit artikel is de Associatieraad bevoegd de bijlagen bij deze overeenkomst te actualiseren of te wijzigen, zonder afbreuk te doen aan specifieke bepalingen van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst.

Artikel 437

1.   Er wordt een Associatiecomité opgericht. Het Associatiecomité staat de Associatieraad bij in de uitvoering van zijn taken.

2.   Het Associatiecomité bestaat uit vertegenwoordigers van de partijen, gewoonlijk op het niveau van hoge ambtenaren.

3.   Het voorzitterschap van het Associatiecomité wordt bij toerbeurt bekleed door een vertegenwoordiger van de Unie en een vertegenwoordiger van de Republiek Moldavië.

Artikel 438

1.   De Associatieraad stelt in zijn reglement van orde de taken en de werking van het Associatiecomité vast; in ieder geval behoort de voorbereiding van de vergaderingen van de Associatieraad tot de taken van het Associatiecomité. Het Associatiecomité komt ten minste eenmaal per jaar bijeen.

2.   De Associatieraad kan bevoegdheden overdragen aan het Associatiecomité, waaronder de bevoegdheid om bindende besluiten te nemen.

3.   Het Associatiecomité is bevoegd om besluiten vast te stellen in de in deze overeenkomst genoemde gevallen en op de terreinen waarvoor de Associatieraad bevoegdheden heeft overgedragen aan het Associatiecomité. Deze besluiten zijn bindend voor de partijen, die de nodige maatregelen treffen voor de uitvoering ervan. Het Associatiecomité stelt besluiten vast in onderlinge overeenstemming tussen de partijen.

4.   Het Associatiecomité komt in een specifieke samenstelling bijeen voor de bespreking van alle onderwerpen met betrekking tot titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst. Het Associatiecomité komt in deze samenstelling ten minste eenmaal per jaar bijeen.

Artikel 439

1.   Het Associatiecomité wordt bijgestaan door de in het kader van deze overeenkomst opgerichte subcomités.

2.   De Associatieraad kan besluiten op specifieke terreinen andere speciale comités of organen in te stellen wanneer dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de overeenkomst; de Associatieraad bepaalt de samenstelling, taken en werking van die speciale comités of organen. Daarnaast kunnen dergelijke bijzondere comités of organen alle aangelegenheden bespreken die zij relevant achten, zonder afbreuk te doen aan de specifieke bepalingen van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst.

3.   Het Associatiecomité kan eveneens subcomités instellen, onder meer om de vooruitgang te inventariseren die is geboekt in de regelmatige dialoog waarnaar in deze overeenkomst wordt verwezen.

4.   De subcomités zijn bevoegd om besluiten vast te stellen in de in de overeenkomst genoemde gevallen. De subcomités brengen regelmatig verslag over hun activiteiten uit aan het Associatiecomité, overeenkomstig de vereisten.

5.   De op grond van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst ingestelde subcomités stellen het Associatiecomité in zijn specifieke samenstelling voor handel, zoals bedoeld in artikel 438, lid 4, van deze overeenkomst, tijdig in kennis van de datum en de agenda van hun vergaderingen. Zij brengen tijdens elke periodieke vergadering van het Associatiecomité in deze specifieke samenstelling verslag uit over hun activiteiten, zoals bepaald in artikel 438, lid 4, van deze overeenkomst.

6.   Het bestaan van subcomités belet partijen niet een aangelegenheid rechtstreeks aan het bij artikel 438, lid 4, van deze overeenkomst opgerichte Associatiecomité voor te leggen, ook in zijn specifieke samenstelling voor handel.

Artikel 440

1.   Er wordt een Parlementair Associatiecomité ingesteld. Dit comité bestaat uit en dient als forum voor leden van het Europees Parlement enerzijds en leden van het parlement van de Republiek Moldavië anderzijds om elkaar te ontmoeten en van gedachten te wisselen. Het Comité komt met zelf te bepalen tussenpozen bijeen.

2.   Het Parlementair Associatiecomité stelt zijn eigen reglement van orde vast.

3.   Het voorzitterschap van het Parlementair Associatiecomité wordt bij toerbeurt bekleed door een vertegenwoordiger van het Europees Parlement en een vertegenwoordiger van het parlement van de Republiek Moldavië, overeenkomstig de in het reglement van orde vast te stellen bepalingen.

Artikel 441

1.   Het Parlementair Associatiecomité kan bij de Associatieraad inlichtingen inwinnen over de tenuitvoerlegging van deze overeenkomst; de Associatieraad verstrekt het Parlementair Associatiecomité de verlangde informatie.

2.   Het Parlementair Associatiecomité wordt ingelicht over de besluiten en aanbevelingen van de Associatieraad.

3.   Het Parlementair Associatiecomité kan aanbevelingen doen aan de Associatieraad.

4.   Het Parlementair Associatiecomité kan subcomités instellen.

Artikel 442

1.   De partijen moedigen regelmatige bijeenkomsten tussen vertegenwoordigers van hun maatschappelijk middenveld aan om hen te informeren over of hun input te verzamelen voor de uitvoering van deze overeenkomst.

2.   Er wordt een platform voor het maatschappelijk middenveld opgericht. Dit platform bestaat uit en dient als forum voor vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld van de EU, met inbegrip van leden van het Europees Economisch en Sociaal Comité, enerzijds, en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld van de Republiek Moldavië anderzijds om elkaar te ontmoeten en van gedachten te wisselen. Het platform voor het maatschappelijk middenveld komt met zelf te bepalen tussenpozen bijeen.

3.   Het platform voor het maatschappelijk middenveld stelt zijn eigen reglement van orde vast.

4.   Het voorzitterschap van het platform voor het maatschappelijk middenveld wordt bij toerbeurt bekleed door een vertegenwoordiger van het Europees Economisch en Sociaal Comité en een vertegenwoordiger van het maatschappelijk middenveld van de Republiek Moldavië, overeenkomstig de in het reglement van orde vast te stellen bepalingen.

Artikel 443

1.   Het platform voor het maatschappelijk middenveld wordt ingelicht over de besluiten en aanbevelingen van de Associatieraad.

2.   Het platform voor het maatschappelijk middenveld kan aanbevelingen doen aan de Associatieraad.

3.   Het Associatiecomité en het Parlementair Associatiecomité organiseren regelmatige contacten met de vertegenwoordigers van het platform voor het maatschappelijk middenveld om hun standpunten inzake de verwezenlijking van de doelstellingen van deze overeenkomst te vernemen.

HOOFDSTUK 2

Algemene en slotbepalingen

Artikel 444

Toegang tot gerechtelijke en administratieve instanties

Binnen het toepassingsgebied van deze overeenkomst zorgt elke partij ervoor dat natuurlijke personen en rechtspersonen van de andere partij, zonder discriminatie ten opzichte van haar eigen onderdanen, toegang hebben tot de bevoegde gerechtelijke en administratieve instanties, ter verdediging van hun individuele rechten en eigendomsrechten.

Artikel 445

Toegang tot officiële documenten

De bepalingen van deze overeenkomst doen geen afbreuk aan de toepassing van de desbetreffende interne wet- en regelgeving van de partijen met betrekking tot de openbare toegang tot officiële documenten.

Artikel 446

Uitzonderingen met betrekking tot de veiligheid

Niets in deze overeenkomst belet een partij maatregelen te nemen:

a)

die zij nodig acht om onthulling te beletten van informatie die tegen haar vitale veiligheidsbelangen indruist;

b)

die verband houden met de productie van of de handel in wapens, munitie of oorlogsmateriaal of met onderzoek, ontwikkeling of productie die absoluut vereist is voor defensiedoeleinden, mits deze maatregelen geen afbreuk doen aan de concurrentievoorwaarden voor producten die niet voor specifiek militaire doeleinden bestemd zijn; en

c)

die zij van vitaal belang acht voor haar eigen veiligheid, in geval van ernstige binnenlandse onlusten die de openbare orde bedreigen, in tijden van oorlog of ernstige internationale spanningen die een oorlogsdreiging inhouden, of om verplichtingen na te komen die zij voor de bewaring van de vrede en de internationale veiligheid is aangegaan.

Artikel 447

Non-discriminatie

1.   Op de door deze overeenkomst bestreken terreinen en onverminderd eventueel daarin neergelegde bijzondere bepalingen mogen:

a)

de regelingen die de Republiek Moldavië ten opzichte van de Unie of de lidstaten toepast, geen aanleiding geven tot onderlinge discriminatie van de lidstaten, hun onderdanen, ondernemingen of bedrijven; en

b)

de regelingen die de Unie of de lidstaten ten opzichte van de Republiek Moldavië toepassen, geen aanleiding geven tot discriminatie tussen onderdanen, ondernemingen of bedrijven van de Republiek Moldavië.

2.   Lid 1 doet geen afbreuk aan het recht van de partijen om de desbetreffende bepalingen van hun belastingwetgeving toe te passen op belastingplichtigen die niet in een identieke situatie verkeren ten aanzien van hun woonplaats.

Artikel 448

Geleidelijke aanpassing

De Republiek Moldavië brengt haar wetgeving geleidelijk overeenkomstig die van de EU en de internationale instrumenten als bedoeld in de bijlagen bij deze overeenkomst, op basis van de verbintenissen die in deze overeenkomst zijn beschreven en volgens de bepalingen van deze bijlagen. Deze bepaling doet geen afbreuk aan eventuele specifieke beginselen en verplichtingen inzake aanpassing van de wetgeving uit hoofde van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst.

Artikel 449

Dynamische aanpassing

Overeenkomstig de doelstelling van een geleidelijke aanpassing van de wetgeving van de Republiek Moldavië aan de EU-wetgeving, en in het bijzonder met betrekking tot de in de titels III, IV, V en VI van deze overeenkomst beschreven verbintenissen, en overeenkomstig de bepalingen van de bijlagen bij deze overeenkomst, herziet en actualiseert de Associatieraad deze bijlagen regelmatig, onder meer om rekening te houden met de ontwikkeling van EU-wetgeving, zoals in deze overeenkomst bepaald. Deze bepaling doet geen afbreuk aan eventuele specifieke bepalingen uit hoofde van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst.

Artikel 450

Toezicht

Toezicht houdt in dat de vorderingen met betrekking tot de uitvoering en handhaving van alle maatregelen in het kader van de overeenkomst voortdurend worden geëvalueerd. De partijen werken samen om het toezicht te bevorderen in het kader van de bij deze overeenkomst opgerichte institutionele organen.

Artikel 451

Toetsing van de aanpassing

1.   De EU toetst de mate waarin van de wetgeving van de Republiek Moldavië is aangepast aan die van de EU, zoals bepaald in deze overeenkomst. Deze toetsing heeft ook betrekking op uitvoering en handhaving. Deze toetsingen kunnen door de EU afzonderlijk worden uitgevoerd, door de EU in overleg met de Republiek Moldavië of door de partijen gezamenlijk. Om de toetsing te vergemakkelijken, brengt de Republiek Moldavië aan de EU verslag uit over de geboekte vooruitgang bij de aanpassing, waar nodig vóór het einde van de overgangsperioden die met betrekking tot EU-wetgevingshandelingen in deze overeenkomst zijn vastgesteld. Bij de verslaglegging en toetsing, onder andere wat betreft de wijze van uitvoering en de frequentie van de toetsingen, wordt rekening gehouden met de bepalingen ter zake van deze overeenkomst en met besluiten van institutionele organen die op grond van deze overeenkomst worden opgericht.

2.   De toetsing van de aanpassing kan missies ter plaatse omvatten, waaraan de instellingen, organen en agentschappen van de EU deelnemen, evenals indien nodig niet-gouvernementele organisaties, toezichthoudende autoriteiten, onafhankelijke deskundigen en anderen.

Artikel 452

Resultaten van het toezicht, met inbegrip van toetsingen van de aanpassing

1.   De resultaten van de toezichtactiviteiten, waaronder de toetsingen van de aanpassing als bedoeld in artikel 451 van deze overeenkomst, worden besproken in alle relevante krachtens deze overeenkomst opgerichte organen. Deze organen kunnen met eenparigheid van stemmen gezamenlijke aanbevelingen goedkeuren die worden voorgelegd aan de Associatieraad.

2.   Als de partijen menen dat de maatregelen die noodzakelijk zijn op grond van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) zijn uitgevoerd en worden nageleefd, kan de Associatieraad volgens de hem bij artikel 436 van deze overeenkomst verleende bevoegdheden besluiten tot verdere marktopenstelling zoals bepaald in titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst.

3.   Een gezamenlijke aanbeveling als bedoeld in lid 1 van dit artikel die is voorgelegd aan de Associatieraad, of het feit dat er geen overeenstemming is bereikt over een dergelijke aanbeveling, valt niet onder de geschillenbeslechtingsprocedures zoals vastgesteld in titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst. Een besluit van het relevante, krachtens deze overeenkomst opgerichte orgaan of het feit dat een dergelijk besluit niet is genomen, valt niet onder de geschillenbeslechtingsprocedures zoals vastgesteld in titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst.

Artikel 453

Voldoen aan verplichtingen

1.   De partijen treffen alle algemene en bijzondere maatregelen die nodig zijn om aan hun verplichtingen krachtens deze overeenkomst te voldoen. Zij zorgen ervoor dat de in de overeenkomst vastgelegde doelstellingen worden bereikt.

2.   De partijen komen overeen op verzoek van elk van de partijen onmiddellijk overleg te plegen via passende kanalen om kwesties met betrekking tot de interpretatie, de tenuitvoerlegging of de toepassing te goeder trouw van deze overeenkomst en andere relevante aspecten van de betrekkingen tussen de partijen te bespreken.

3.   De partijen leggen geschillen over de interpretatie, de tenuitvoerlegging of de toepassing te goeder trouw van deze overeenkomst voor aan de Associatieraad, overeenkomstig artikel 454 van deze overeenkomst. De Associatieraad kan een bindend besluit vaststellen om het geschil te beslechten.

Artikel 454

Geschillenbeslechting

1.   Wanneer tussen de partijen een meningsverschil ontstaat over de interpretatie, de tenuitvoerlegging of de toepassing te goeder trouwe van de overeenkomst, dient de ene partij bij de andere partij en bij de Associatieraad een formeel verzoek tot geschillenbeslechting in. Op geschillen over de interpretatie, de tenuitvoerlegging of de toepassing te goeder trouw van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) is bij wijze van uitzondering alleen hoofdstuk 14 (Beslechting van geschillen) van deze titel van toepassing.

2.   De partijen streven ernaar geschillen op te lossen via overleg te goeder trouw binnen de Associatieraad en de andere in de artikelen 437 en 439 van deze overeenkomst bedoelde organen, teneinde zo snel mogelijk tot een wederzijds aanvaardbare oplossing te komen.

3.   De partijen verstrekken de Associatieraad en de andere organen alle relevante informatie die nodig is voor een grondig onderzoek van de situatie.

4.   Zolang een geschil niet beslecht is, wordt het tijdens elke bijeenkomst van de Associatieraad besproken. Een geschil wordt geacht beslecht te zijn wanneer de Associatieraad een bindend besluit heeft genomen zoals bedoeld in artikel 453, lid 3, van deze overeenkomst of wanneer hij heeft verklaard dat het geschil niet langer bestaat. In overleg tussen de partijen of op verzoek van een van de partijen kan een geschil ook worden besproken tijdens een vergadering van het Associatiecomité of een ander relevant orgaan als bedoeld in artikel 439 van deze overeenkomst. Overleg kan ook schriftelijk plaatsvinden.

5.   Alle tijdens het overleg verstrekte informatie wordt vertrouwelijk behandeld.

Artikel 455

Passende maatregelen bij niet-nakoming van verplichtingen

1.   Een partij kan passende maatregelen treffen als een kwestie niet is opgelost binnen drie maanden na indiening van een formeel verzoek tot geschillenbeslechting overeenkomstig artikel 454 van deze overeenkomst en als de klagende partij van mening is dat de andere partij een verplichting uit hoofde van de overeenkomst niet nakomt. De overlegperiode van drie maanden is niet verplicht in uitzonderlijke gevallen als beschreven in lid 3 van dit artikel.

2.   Bij voorrang moeten passende maatregelen worden gekozen die de werking van de overeenkomst het minst verstoren. Behalve de in lid 3 van dit artikel beschreven gevallen mogen dergelijke maatregelen niet de opschorting behelzen van rechten of plichten in het kader van deze overeenkomst die worden genoemd in titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst. De uit hoofde van lid 1 van dit artikel genomen maatregelen moeten onverwijld aan de Associatieraad worden gemeld en vallen onder de overlegprocedure van artikel 453, lid 2 en de geschillenbeslechtingsprocedure van artikel 453, lid 3 en artikel 454 van deze overeenkomst.

3.   De in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde uitzonderingen betreffen:

a)

opzegging van deze overeenkomst in strijd met de algemene regels van het internationaal recht; of

b)

schending door de andere partij van de essentiële elementen van de overeenkomst als bedoeld in artikel 2 van titel I (Algemene beginselen) van deze overeenkomst.

Artikel 456

Verband met andere overeenkomsten

1.   De partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Moldavië, anderzijds, die op 28 november 1994 in Luxemburg is ondertekend en op 1 juli 1998 in werking is getreden, wordt ingetrokken.

2.   Deze overeenkomst vervangt de in lid 1 vermelde overeenkomst. Verwijzingen naar de in lid 1 vermelde overeenkomst in alle andere overeenkomsten tussen de partijen worden gelezen als verwijzingen naar deze overeenkomst.

3.   Deze overeenkomst vervangt de op 26 juni 2012 te Brussel ondertekende Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Moldavië inzake de bescherming van geografische aanduidingen van landbouwproducten en levensmiddelen die op 1 april 2013 in werking is treden.

Artikel 457

1.   Zolang onder deze overeenkomst geen gelijkwaardige rechten zijn verworven voor personen en ondernemers, doet de overeenkomst geen afbreuk aan de rechten die hun worden verleend bij bestaande overeenkomsten tussen een of meer lidstaten, enerzijds, en de Republiek Moldavië, anderzijds.

2.   Bestaande overeenkomsten die betrekking hebben op specifieke samenwerkingsgebieden die binnen het toepassingsgebied van deze overeenkomst vallen, worden geacht onderdeel te zijn van de algemene bilaterale betrekkingen zoals die worden geregeld bij deze overeenkomst, en worden geacht deel uit te maken van een gemeenschappelijk institutioneel kader.

Artikel 458

1.   De partijen kunnen deze overeenkomst aanvullen door sluiting van specifieke overeenkomsten op alle samenwerkingsgebieden die binnen het toepassingsgebied van deze overeenkomst vallen. Dergelijke overeenkomsten vormen een integrerend onderdeel van de algemene bilaterale betrekkingen zoals die worden geregeld bij deze overeenkomst en maken deel uit van een gemeenschappelijk institutioneel kader.

2.   Onverminderd de desbetreffende bepalingen van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie doet deze overeenkomst of in het kader daarvan ondernomen actie op generlei wijze afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten om bilaterale samenwerkingsactiviteiten met de Republiek Moldavië te ondernemen of desgewenst nieuwe samenwerkingsovereenkomsten met de Republiek Moldavië te sluiten.

Artikel 459

Bijlagen en protocollen

De bijlagen en protocollen bij deze overeenkomst vormen een integrerend onderdeel van deze overeenkomst.

Artikel 460

Looptijd

1.   Deze overeenkomst wordt voor onbeperkte duur gesloten.

2.   Elk van beide partijen kan deze overeenkomst opzeggen door de andere partij van deze opzegging in kennis te stellen. De overeenkomst verstrijkt zes maanden na de datum van ontvangst van die kennisgeving.

Artikel 461

Definitie van de partijen

Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt onder „partijen” verstaan de Europese Unie, of haar lidstaten, of de Europese Unie en haar lidstaten, overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden krachtens het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en in voorkomend geval, ook Euratom, overeenkomstig zijn bevoegdheden krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds en de Republiek Moldavië, anderzijds.

Artikel 462

Territoriaal toepassingsgebied

1.   Deze overeenkomst is van toepassing, enerzijds, op elk grondgebied waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie van toepassing zijn, onder de in die verdragen neergelegde voorwaarden, en, anderzijds, zonder afbreuk te doen aan lid 2 van dit artikel, op het grondgebied van de Republiek Moldavië.

2.   De toepassing van deze overeenkomst, of van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst in die gebieden van de Republiek Moldavië waarover de regering van de Republiek Moldavië niet feitelijk het gezag uitoefent, begint zodra deze overeenkomst, of titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) door de Republiek Moldavië op haar volledige grondgebied kan worden toegepast en gehandhaafd.

3.   De Associatieraad stelt bij besluit vast wanneer de volledige uitvoering en handhaving van deze overeenkomst, of van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst, op het volledige grondgebied van de Republiek Moldavië is gegarandeerd.

4.   Een partij die van oordeel is dat de volledige uitvoering en handhaving van deze overeenkomst, of van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst niet langer is gegarandeerd in de in lid 2 van dit artikel bedoelde gebieden van de Republiek Moldavië, kan de Associatieraad verzoeken de verdere toepassing van deze overeenkomst, of van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) te herzien met betrekking tot de desbetreffende gebieden. Binnen een termijn van drie maanden na de indiening van het verzoek onderzoekt de Associatieraad de toestand en neemt hij een besluit met betrekking tot de verdere toepassing van deze overeenkomst of van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden). Indien de Associatieraad geen besluit vaststelt binnen een termijn van drie maanden na de indiening van het verzoek, wordt de toepassing van deze overeenkomst, of van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) opgeschort met betrekking tot desbetreffende gebieden totdat de Associatieraad een besluit heeft genomen.

5.   Op grond van dit artikel vastgestelde besluiten van de Associatieraad inzake de toepassing van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) hebben betrekking op de volledige titel en kunnen geen betrekking hebben op slechts delen van deze titel.

Artikel 463

Depositaris van deze overeenkomst

De secretaris-generaal van de Raad van de Europese Unie is de depositaris van deze overeenkomst.

Artikel 464

Inwerkingtreding en voorlopige toepassing

1.   Deze overeenkomst wordt door de partijen volgens hun interne procedures geratificeerd of goedgekeurd. De akten van ratificatie of goedkeuring worden neergelegd bij het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie.

2.   Deze overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgende op de datum waarop de laatste akte van ratificatie of van goedkeuring is neergelegd.

3.   Onverminderd lid 2 van dit artikel passen de Unie en de Republiek Moldavië deze overeenkomst op voorlopige basis ten dele toe, zoals door de Unie gespecificeerd, overeenkomstig het bepaalde in lid 4 van dit artikel en overeenkomstig hun interne procedures en wetgeving, naargelang van het geval.

4.   De voorlopige toepassing is van kracht vanaf de eerste dag van de tweede maand volgende op de datum waarop de depositaris van deze overeenkomst het volgende heeft ontvangen:

a)

de kennisgeving van de Unie dat de voor de voorlopige toepassing vereiste procedures zijn voltooid, waarin wordt vermeld welke delen van de overeenkomst op voorlopige basis worden toegepast; en

b)

de kennisgeving van de Republiek Moldavië dat de voor de voorlopige toepassing van deze overeenkomst vereiste procedures zijn voltooid.

5.   Voor de bepalingen van deze overeenkomst, en voor de bijlagen en protocollen daarbij, zoals bepaald in artikel 459, worden verwijzingen naar „de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst” gelezen als „de datum met ingang waarvan de overeenkomst voorlopig wordt toegepast”, overeenkomstig lid 3 van dit artikel.

6.   Gedurende de periode waarin de overeenkomst voorlopig wordt toegepast, blijven de bepalingen van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Moldavië, anderzijds, die op 28 november 1994 in Luxemburg werd ondertekend en die op 1 juli 1998 in werking is getreden, van toepassing, voor zover zij niet vallen onder de voorlopige toepassing van deze overeenkomst.

7.   Elke partij kan door middel van een schriftelijke kennisgeving de depositaris van deze overeenkomst in kennis stellen van het voornemen om de voorlopige toepassing van de overeenkomst te beëindigen. De beëindiging van de voorlopige toepassing wordt zes maanden na de datum van ontvangst van die kennisgeving door de depositaris van deze overeenkomst van kracht.

Artikel 465

Authentieke teksten

Deze overeenkomst is in tweevoud opgesteld in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Italiaanse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische en de Zweedse taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, deze overeenkomst hebben ondertekend.

Voor het Koninkrijk België

Pour le Royaume de Belgique

Für das Königreich Belgien

Image

Deze handtekening verbindt eveneens de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Cette signature engage également la Communauté française, la Communauté flamande, la Communauté germanophone, la Région wallonne, la Région flamande et la Région de Bruxelles-Capitale.

Diese Unterschrift bindet zugleich die Deutschsprachige Gemeinschaft, die Flämische Gemeinschaft, die Französische Gemeinschaft, die Wallonische Region, die Flämische Region und die Region Brüssel-Hauptstadt.

За Република България

Image

Za Českou republiku

Image

For Kongeriget Danmark

Image

Für die Bundesrepublik Deutschland

Image

Eesti Vabariigi nimel

Image

Thar cheann Na hÉireann

For Ireland

Image

Για την Ελληνική Δημοκρατία

Image

Por el Reino de España

Image

Pour la République française

Image

Za Republiku Hrvatsku

Image

Per la Repubblica italiana

Image

Για την Κυπριακή Δημοκρατία

Image

Latvijas Republikas vārdā –

Image

Lietuvos Respublikos vardu

Image

Pour le Grand-Duché de Luxembourg

Image

Magyarország részéről

Image

Għar-Repubblika ta' Malta

Image

Voor het Koninkrijk der Nederlanden

Image

Für die Republik Österreich

Image

W imieniu Rzeczypospolitej Polskiej

Image

Pela República Portuguesa

Image

Pentru România

Image

Za Republiko Slovenijo

Image

Za Slovenskú republiku

Image

Suomen tasavallan puolesta

För Republiken Finland

Image

För Konungariket Sverige

Image

For the United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland

Image

За Европейския съюз

Por la Unión Europea

Za Evropskou unii

For Den Europæiske Union

Für die Europäische Union

Euroopa Liidu nimel

Για την Ευρωπαϊκή Ένωση

For the European Union

Pour l'Union européenne

Za Europsku uniju

Per l'Unione europea

Eiropas Savienības vārdā –

Europos Sąjungos vardu

Az Európai Unió részéről

Għall-Unjoni Ewropea

Voor de Europese Unie

W imieniu Unii Europejskiej

Pela União Europeia

Pentru Uniunea Europeană

Za Európsku úniu

Za Evropsko unijo

Euroopan unionin puolesta

För Europeiska unionen

Image

За Европейската общност за атомна енергия

Por la Comunidad Europea de la Energía Atómica

Za Evropské společenství pro atomovou energii

For Det Europæiske Atomenergifællesskab

Für die Europäische Atomgemeinschaft

Euroopa Aatomienergiaühenduse nimel

Για την Ευρωπαϊκή Κοινότητα Ατομικής Ενέργειας

For the European Atomic Energy Community

Pour la Communauté européenne de l'énergie atomique

Za Europsku zajednicu za atomsku energiju

Per la Comunità europea dell'energia atomica

Eiropas Atomenerģijas Kopienas vārdā –

Europos atominés energijos bendrijos vardu

Az Európai Atomenergia-közösség részéről

F'isem il-Komunità Ewropea tal-Enerġija Atomika

Voor de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie

W imieniu Europejskiej Wspólnoty Energii Atomowej

Pela Comunidade Europeia da Energia Atómica

Pentru Comunitatea Europeană a Energiei Atomice

Za Európske spoločenstvo pre atómovú energiu

Za Evropsko skupnost za atomsko energtjo

Euroopan atomienergiajärjestön puolcsta

För Europeiska atomenergigemenskapen

Image

Pentru Republica Moldova

Image


(1)  In deze overeenkomst wordt onder „goederen” verstaan producten als bedoeld in de GATT 1994, tenzij in deze overeenkomst anders is bepaald.

(2)  Het feit alleen dat voor natuurlijke personen afkomstig uit bepaalde landen wel en voor die uit andere landen niet een visum vereist is, wordt niet geacht voordelen op grond van een specifieke verbintenis teniet te doen of uit te hollen.

(3)  Voor alle duidelijkheid: dat grondgebied omvat de exclusieve economische zone en het continentale plat, zoals voorzien in het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee („United Nations Convention on the Law of the Sea” of „UNCLOS”).

(4)  Een rechtspersoon heeft zeggenschap over een andere rechtspersoon wanneer eerstgenoemde rechtspersoon bevoegd is een meerderheid van de bestuurders van die andere rechtspersoon te benoemen of de handelingen van die andere rechtspersoon anderszins te sturen.

(5)  Voor alle duidelijkheid: de verwerking van nucleair materiaal omvat alle activiteiten van code 2330 van de herziene versie 3.1 van de VN ISIC classificatie.

(6)  Behoudens de activiteiten die onder de betreffende interne wetgeving als cabotage kunnen worden beschouwd, heeft nationale maritieme cabotage in de zin van dit hoofdstuk betrekking op het vervoer van passagiers of goederen tussen een haven of een locatie in een lidstaat of in de Republiek Moldavië, en een andere haven of locatie in een lidstaat of in de Republiek Moldavië, met inbegrip van het continentale plat ervan, zoals voorzien in het VN-Verdrag inzake het recht van de zee, en verkeer dat begint en eindigt in dezelfde haven of op dezelfde locatie in een lidstaat of de Republiek Moldavië.

(7)  De voorwaarden voor wederzijdse toegang tot de markt op het gebied van luchtvervoer worden geregeld door de Overeenkomst tussen de EU en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Moldavië, anderzijds, betreffende de totstandbrenging van een Gemeenschappelijke Luchtvaartruimte.

(8)  Deze verplichting geldt niet voor niet onder dit hoofdstuk vallende bepalingen inzake de bescherming van investeringen, bepalingen inzake procedures voor de beslechting van geschillen tussen investeerders en de staat daaronder begrepen, uit andere overeenkomsten.

(9)  Deze verplichting geldt niet voor niet voor niet onder dit hoofdstuk vallende bepalingen inzake de bescherming van investeringen, bepalingen inzake procedures voor de beslechting van geschillen tussen investeerders en de staat daaronder begrepen, uit andere overeenkomsten.

(10)  Dit omvat tevens dit hoofdstuk en de bijlagen XXVII-A en XXVII-E bij deze overeenkomst.

(11)  Behoudens de activiteiten die onder de betreffende interne wetgeving als cabotage kunnen worden beschouwd, heeft nationale maritieme cabotage in de zin van dit hoofdstuk betrekking op het vervoer van passagiers of goederen tussen een haven of een locatie in een lidstaat of in de Republiek Moldavië, en een andere haven of locatie in een lidstaat of in de Republiek Moldavië, met inbegrip van het continentale plat ervan, zoals voorzien in het VN-Verdrag inzake het recht van de zee, en verkeer dat begint en eindigt in dezelfde haven of op dezelfde locatie in een lidstaat of de Republiek Moldavië.

(12)  De voorwaarden voor wederzijdse toegang tot de markt op het gebied van luchtvervoer worden geregeld door de Overeenkomst tussen de EU en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Moldavië, anderzijds, betreffende de totstandbrenging van een Gemeenschappelijke Luchtvaartruimte.

(13)  De verwijzing naar „niet zijnde een organisatie zonder winstoogmerk” is alleen van toepassing voor België, Tsjechië, Denemarken, Duitsland, Estland, Ierland, Griekenland, Spanje, Frankrijk, Italië, Cyprus, Letland, Litouwen, Luxemburg, Malta, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Slovenië, Finland en het Verenigd Koninkrijk.

(14)  Van de ontvangende vestiging kan worden verlangd dat zij vooraf ter goedkeuring een opleidingsprogramma voor de volledige duur van het verblijf voorlegt, om aan te tonen dat het verblijf bedoeld is voor opleiding. Voor Tsjechië, Duitsland, Spanje, Frankrijk, Hongarije en Oostenrijk moet de opleiding aansluiten bij de behaalde universitaire graad.

(15)  Het Verenigd Koninkrijk: de categorie handelsvertegenwoordigers is enkel erkend voor verkopers van diensten.

(16)  Het onder d) en e) bedoelde dienstencontract moet in overeenstemming zijn met de wet- en regelgeving en de eisen van de partij waar het contract wordt uitgevoerd.

(17)  Het onder d) en e) bedoelde dienstencontract moet in overeenstemming zijn met de wet- en regelgeving en de eisen van de partij waar het contract wordt uitgevoerd.

(18)  Verkregen na het bereiken van de meerderjarigheid.

(19)  Wanneer de graad of kwalificatie niet is verkregen in de partij waar de dienst wordt verleend, kan die partij beoordelen of deze gelijkwaardig is aan een op haar grondgebied vereiste universitaire graad.

(20)  Wanneer de graad of kwalificatie niet is verkregen in de partij waar de dienst wordt verleend, kan die partij beoordelen of deze gelijkwaardig is aan een op haar grondgebied vereiste universitaire graad.

(21)  Voor de vergunning verschuldigde vergoedingen omvatten geen veiling- of aanbestedingskosten of kosten van andere niet-discriminerende middelen om concessies te verlenen, noch verplichte bijdragen voor het verlenen van een universele dienst.

(22)  Onder CPC wordt de „Central Products Classification” verstaan, zoals vastgesteld in „Statistical Office of the United Nations, Statistical Papers, Series M, No 77, CPC prov, 1991”.

(23)  Voor de vergunning verschuldigde vergoedingen omvatten geen veiling- of aanbestedingskosten of kosten van andere niet-discriminerende middelen om concessies te verlenen, noch verplichte bijdragen voor het verlenen van een universele dienst.

(24)  Maatregelen die bedoeld zijn om directe belastingen op billijke of doeltreffende wijze te kunnen opleggen en innen omvatten maatregelen die een partij op grond van haar belastingstelsel neemt en die:

a)

van toepassing zijn op ondernemers en dienstverleners die geen ingezetenen zijn, gezien het feit dat de fiscale verplichtingen van niet-ingezetenen worden vastgesteld op grond van belastbare feiten die hun oorsprong vinden of geschieden op het grondgebied van de partij;

b)

van toepassing zijn op niet-ingezetenen om ervoor te zorgen dat belastingen op het grondgebied van de partij kunnen worden opgelegd of geïnd;

c)

van toepassing zijn op niet-ingezetenen of ingezetenen ter voorkoming van belastingontwijking of -ontduiking, handhavingsbepalingen daaronder begrepen;

d)

van toepassing zijn op gebruikers van diensten die op of vanaf het grondgebied van de andere partij worden verleend, om ervoor te zorgen dat door die gebruikers verschuldigde belastingen die hun bron op het grondgebied van de partij hebben, kunnen worden opgelegd of geïnd;

e)

een onderscheid maken tussen enerzijds ondernemers en dienstverleners die belastingplichtig zijn ter zake van wereldwijd belastbare feiten, en anderzijds andere ondernemers en dienstverleners, gezien het verschil in de aard van de heffingsgrondslag tussen hen, of

f)

inkomen, winst, voordeel, verlies, aftrek of krediet van ingezeten personen of filialen, dan wel tussen gelieerde personen of filialen van dezelfde persoon vaststellen, toewijzen of omslaan, om de belastinggrondslag van de partij te behouden.

De belastingvoorwaarden of -concepten als bedoeld onder f) van dit lid en in deze voetnoot worden vastgesteld volgens de belastingdefinities en -concepten, dan wel gelijkwaardige of soortgelijke definities en concepten van het interne recht van de partij die de maatregel neemt.

(25)  Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder „vastlegging” verstaan de opname van geluiden of beelden, of van de weergave daarvan, door middel waarvan deze kunnen worden waargenomen, gereproduceerd of meegedeeld door middel van een toestel.

(26)  Als „voorstelling” wordt in het bijzonder beschouwd elk gebruik voor producten die vallen onder code 20.09 van het geharmoniseerd systeem, weliswaar uitsluitend wanneer die producten worden aangeduid als wijnen van code 22.04, gearomatiseerde wijnen van code 22.05 en gedistilleerde dranken van code 22.08 van dat systeem.

(27)  Voor de toepassing van dit artikel kan een partij een model dat een eigen karakter heeft, als een oorspronkelijk model beschouwen.

(28)  Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder „geneesmiddelen”:

i)

elke enkelvoudige of samengestelde substantie aangediend als hebbende therapeutische of profylactische eigenschappen met betrekking tot ziekten bij de mens; of

ii)

elke enkelvoudige of samengestelde substantie die aan de mens toegediend kan worden teneinde een medische diagnose te stellen of om fysiologische functies bij de mens te herstellen, te verbeteren of te wijzigen.

Geneesmiddelen omvatten bijvoorbeeld chemische geneesmiddelen, biologische geneesmiddelen (bijvoorbeeld vaccins, (anti)toxinen) met inbegrip van uit menselijk bloed of menselijk plasma bereide geneesmiddelen, geneesmiddelen voor geavanceerde therapie (bijvoorbeeld geneesmiddelen voor gentherapie en geneesmiddelen voor celtherapie), kruidengeneesmiddelen, en radiofarmaceutica.

(29)  Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „beperkte toepassing” verstaan de toepassing van een gewasbeschermingsmiddel in een partij voor planten of plantaardige producten die niet op ruime schaal worden geteeld in die partij of op ruime schaal worden geteeld om aan een uitzonderlijke behoefte op het gebied van gewasbescherming te voldoen.

(30)  Voor de toepassing van deze onderafdeling worden onder het begrip „intellectuele-eigendomsrechten” ten minste de volgende rechten verstaan: auteursrecht; naburige rechten; sui generis rechten van de samensteller van een databank; rechten van de ontwerper van topografieën van halfgeleiderproducten; rechten op handelsmerken; rechten inzake modellen; octrooirechten, met inbegrip van rechten die van aanvullende beschermingscertificaten zijn afgeleid; geografische aanduidingen; rechten op gebruiksmodellen; kwekersrechten; en handelsnamen voor zover deze beschermd worden als exclusieve rechten in de interne wetgeving.

(31)  Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „goederen waarmee inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht wordt gemaakt” verstaan:

a)

„namaakgoederen”, namelijk:

i)

goederen, met inbegrip van hun verpakking, waarop zonder toestemming een handelsmerk is aangebracht dat identiek is aan het naar behoren geregistreerde handelsmerk voor soortgelijke goederen of daarvan niet wezenlijk kan worden onderscheiden, en die zodoende inbreuk maken op de rechten van de houder van het betrokken merk;

ii)

beeldmerken zoals logo, etiket, sticker, prospectus, gebruiksaanwijzing of garantiebewijs, zelfs indien deze afzonderlijk worden aangeboden, waarvoor hetzelfde geldt als voor de onder i) bedoelde goederen;

iii)

afzonderlijk aangeboden verpakkingen waarop merken van nagemaakte goederen zijn aangebracht en waarvoor hetzelfde geldt als voor de onder i) bedoelde goederen;

b)

„door piraterij verkregen goederen”, namelijk goederen die kopieën zijn of bevatten die zijn gemaakt zonder instemming van de houder van een recht of een naar behoren door de houder gemachtigd persoon in het land van productie, die rechtstreeks of indirect van een artikel zijn gemaakt, wanneer het maken van die kopie een inbreuk op een al dan niet overeenkomstig de interne wetgeving geregistreerd auteursrecht of naburig recht dan wel recht inzake modellen zou hebben gevormd;

c)

goederen die volgens de wetgeving van de partij waar het verzoek om optreden van de douane wordt ingediend, inbreuk maken op een octrooi, een kwekersrecht of een geografische aanduiding.

(32)  De uitdrukking „algemeen economisch belang” dient te worden opgevat in dezelfde betekenis als in artikel 106 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en in het bijzonder in overeenstemming met de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie.

(33)  Zoals tot uitdrukking gebracht in de Aanbeveling van het Comité van ministers van de Raad van Europa aan de lidstaten inzake behoorlijk bestuur, CM/Rec(2007)7 van 20 juni 2007.

(34)  Wanneer in dit hoofdstuk wordt verwezen naar „arbeid” en „werknemers”, gaat het om kwesties die betrekking hebben op de in het kader van de Verklaring van de ILO over sociale gerechtigheid voor een eerlijke mondialisering van 2008 overeengekomen strategische doelstellingen van de ILO, door middel waarvan het Programma voor fatsoenlijk werk tot uitdrukking wordt gebracht.


BIJLAGE I

BIJ TITEL III (VRIJHEID, VEILIGHEID EN RECHT)

Richtlijn 2006/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 betreffende de bewaring van gegevens die zijn gegenereerd of verwerkt in verband met het aanbieden van openbaar beschikbare elektronische communicatiediensten of van openbare communicatienetwerken

Toezeggingen en beginselen inzake de bescherming van persoonsgegevens

1.

In het kader van de uitvoering van deze overeenkomst of andere overeenkomsten zorgen de partijen voor een wettelijk niveau van gegevensbescherming dat ten minste in overeenstemming is met het niveau van gegevensbescherming dat is vastgesteld in Richtlijn 95/46/EG van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad van 27 november 2008 over de bescherming van persoonsgegevens die worden verwerkt in het kader van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken, alsook in het Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens van 28 januari 1981 (ETS nr. 108) en het aanvullend protocol daarbij aangaande toezichthoudende autoriteiten en grensoverschrijdende datastromen, dat op 8 november 2001 is ondertekend (ETS nr. 181). In voorkomend geval zullen de partijen rekening houden met Aanbeveling R(87) 15 van het Comité van ministers van de Raad van Europa van 17 september 1987 tot regeling van het gebruik van persoonsgegevens op politieel gebied.

2.

Daarnaast gelden de volgende beginselen:

a)

de overdragende en de ontvangende autoriteit treffen alle redelijke maatregelen die nodig zijn om te zorgen voor een passende correctie, uitwissing of afscherming van persoonsgegevens wanneer de verwerking ervan niet in overeenstemming is met de bepalingen van artikel 13 van deze overeenkomst, met name omdat deze persoonsgegevens niet toereikend, ter zake dienend of nauwkeurig zijn, of omdat zij bovenmatig zijn in verhouding tot het doel van de verwerking. Dit behelst tevens de kennisgeving van elke correctie, uitwissing of afscherming aan de andere partij;

b)

op verzoek stelt de ontvangende autoriteit de overdragende autoriteit in kennis van het gebruik dat van de overgedragen gegevens is gemaakt en van de daardoor verkregen resultaten;

c)

de persoonsgegevens mogen uitsluitend aan de bevoegde autoriteiten worden verstrekt. Voor de overdracht aan andere instanties is de voorafgaande goedkeuring van de overdragende autoriteit vereist;

d)

de overdragende en de ontvangende autoriteit zijn verplicht de mededeling en ontvangst van persoonsgegevens schriftelijk te registreren.


BIJLAGE II

BIJ HOOFDSTUK 3 (VENNOOTSCHAPSRECHT, BOEKHOUDING, BOEKHOUDKUNDIGE CONTROLE EN CORPORATE GOVERNANCE) VAN TITEL IV

De Republiek Moldavië verbindt zich ertoe haar wetgeving geleidelijk af te stemmen op de volgende EU-wetgeving en internationale instrumenten binnen het aangegeven tijdschema.

Vennootschapsrecht

Richtlijn 2009/101/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 strekkende tot het coördineren van de waarborgen, welke in de lidstaten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 48 van het Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden, zulks teneinde die waarborgen gelijkwaardig te maken

Tijdschema: de bepalingen van deze richtlijn worden binnen een termijn van 2 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Tweede Richtlijn 77/91/EEG van de Raad van 13 december 1976 strekkende tot het coördineren van de waarborgen welke in de lidstaten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van artikel 58, tweede alinea, van het Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden met betrekking tot de oprichting van de naamloze vennootschap, alsook de instandhouding en wijziging van haar kapitaal, zulks teneinde die waarborgen gelijkwaardig te maken, zoals gewijzigd bij de Richtlijnen 92/101/EEG, 2006/68/EG en 2009/109/EG

Tijdschema: de bepalingen van Richtlijn 77/91/EEG worden binnen een termijn van 2 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Derde Richtlijn 78/855/EEG van de Raad van 9 oktober 1978 op de grondslag van artikel 54, lid 3, onder g), van het Verdrag betreffende fusies van naamloze vennootschappen, zoals gewijzigd bij de Richtlijnen 2007/63/EG en 2009/109/EG

Tijdschema: de bepalingen van Richtlijn 78/855/EEG worden binnen een termijn van 3 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Zesde Richtlijn 82/891/EEG van de Raad van 17 december 1982 op de grondslag van artikel 54, lid 3, onder g), van het Verdrag betreffende splitsingen van naamloze vennootschappen, zoals gewijzigd bij de Richtlijnen 2007/63/EG en 2009/109/EG

Tijdschema: de bepalingen van Richtlijn 82/891/EEG worden binnen een termijn van 3 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Elfde Richtlijn 89/666/EEG van de Raad van 21 december 1989 betreffende de openbaarmakingsplicht voor in een lidstaat opgerichte bijkantoren van vennootschappen die onder het recht van een andere staat vallen

Tijdschema: de bepalingen van deze richtlijn worden binnen een termijn van 2 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Richtlijn 2009/102/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 inzake het vennootschapsrecht betreffende eenpersoonsvennootschappen met beperkte aansprakelijkheid

Tijdschema: de bepalingen van deze richtlijn worden binnen een termijn van 3 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Richtlijn 2004/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende het openbaar overnamebod

Tijdschema: de bepalingen van deze richtlijn worden binnen een termijn van 4 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Richtlijn 2007/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende de uitoefening van bepaalde rechten van aandeelhouders in beursgenoteerde vennootschappen

Tijdschema: de bepalingen van deze richtlijn worden binnen een termijn van 3 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Boekhouding en boekhoudkundige controle

Vierde Richtlijn 78/660/EEG van de Raad van 25 juli 1978 op de grondslag van artikel 54, lid 3, onder g), van het Verdrag betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen

Tijdschema: de bepalingen van deze richtlijn worden binnen een termijn van 3 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Zevende Richtlijn 83/349/EEG van de Raad van 13 juni 1983 op de grondslag van artikel 54, lid 3, onder g), van het Verdrag betreffende de geconsolideerde jaarrekening

Tijdschema: de bepalingen van deze richtlijn worden binnen een termijn van 3 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen

Tijdschema: de bepalingen van deze verordening worden binnen een termijn van 2 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen

Tijdschema: de bepalingen van deze richtlijn worden binnen een termijn van 3 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Aanbeveling van de Commissie van 6 mei 2008 inzake de externe kwaliteitsborging voor wettelijke auditors en auditkantoren die jaarrekeningen van organisaties van openbaar belang controleren (2008/362/EG)

Tijdschema: niet van toepassing

Aanbeveling van de Commissie van 5 juni 2008 inzake de beperking van de wettelijke aansprakelijkheid van wettelijke auditors en auditkantoren (2008/473/EG)

Tijdschema: niet van toepassing

Corporate governance

OESO-beginselen inzake corporate governance.

Tijdschema: niet van toepassing

Aanbeveling van de Commissie van 14 december 2004 ter bevordering van de toepassing van een passende regeling voor de beloning van bestuurders van beursgenoteerde ondernemingen (2004/913/EG)

Tijdschema: niet van toepassing

Aanbeveling van de Commissie van 15 februari 2005 betreffende de taak van niet bij het dagelijks bestuur betrokken bestuurders of commissarissen van beursgenoteerde ondernemingen en betreffende de comités van de raad van bestuur of van de raad van commissarissen (2005/162/EG)

Tijdschema: niet van toepassing

Aanbeveling van de Commissie van 30 april 2009 over het beloningsbeleid in de financiële sector (2009/384/EG)

Tijdschema: niet van toepassing

Aanbeveling van de Commissie van 30 april 2009 ter aanvulling van Aanbeveling 2004/913/EG en Aanbeveling 2005/162/EG wat betreft de regeling voor de beloning van bestuurders van beursgenoteerde ondernemingen (2009/385/EG)

Tijdschema: niet van toepassing

BIJLAGE III

BIJ HOOFDSTUK 4 (WERKGELEGENHEID, SOCIAAL BELEID EN GELIJKE KANSEN) VAN TITEL IV

De Republiek Moldavië verbindt zich ertoe haar wetgeving geleidelijk af te stemmen op de volgende EU-wetgeving en internationale instrumenten binnen het aangegeven tijdschema.

Arbeidsrecht

Richtlijn 91/533/EEG van de Raad van 14 oktober 1991 betreffende de verplichting van de werkgever de werknemer te informeren over de voorwaarden die op zijn arbeidsovereenkomst of -verhouding van toepassing zijn

Tijdschema: de bepalingen van deze richtlijn worden binnen een termijn van 4 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd

Tijdschema: de bepalingen van deze richtlijn worden binnen een termijn van 4 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Richtlijn 97/81/EG van de Raad van 15 december 1997 betreffende de door de Unice, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid — Bijlage: Kaderovereenkomst inzake deeltijdarbeid

Tijdschema: de bepalingen van deze richtlijn worden binnen een termijn van 3 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Richtlijn 91/383/EEG van de Raad van 25 juni 1991 ter aanvulling van de maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van de werknemers met arbeidsbetrekkingen voor bepaalde tijd of uitzendarbeid-betrekkingen

Tijdschema: de bepalingen van deze richtlijn worden binnen een termijn van 3 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Richtlijn 98/59/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake collectief ontslag

Tijdschema: de bepalingen van deze richtlijn worden binnen een termijn van 4 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Richtlijn 2001/23/EG van de Raad van 12 maart 2001 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen

Tijdschema: de bepalingen van deze richtlijn worden binnen een termijn van 3 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Richtlijn 2002/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 tot vaststelling van een algemeen kader betreffende de informatie en de raadpleging van de werknemers in de Europese Gemeenschap — Gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de vertegenwoordiging van de werknemers

Tijdschema: de bepalingen van deze richtlijn worden binnen een termijn van 3 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd

Tijdschema: de bepalingen van deze richtlijn worden binnen een termijn van 4 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Bestrijding van discriminatie en gelijkheid van mannen en vrouwen

Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming

Tijdschema: de bepalingen van deze richtlijn worden binnen een termijn van 4 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep

Tijdschema: de bepalingen van deze richtlijn worden binnen een termijn van 4 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep

Tijdschema: de bepalingen van deze richtlijn worden binnen een termijn van 3 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Richtlijn 2004/113/EG van de Raad van 13 december 2004 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten

Tijdschema: de bepalingen van deze richtlijn worden binnen een termijn van 3 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Richtlijn 92/85/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie (tiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG)

Tijdschema: de bepalingen van Richtlijn 92/85/EEG worden binnen een termijn van 3 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid

Tijdschema: de bepalingen van deze richtlijn worden binnen een termijn van 4 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Gezondheid en veiligheid op het werk

Richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk

Tijdschema: de bepalingen van deze richtlijn worden binnen een termijn van 3 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Richtlijn 89/654/EEG van de Raad van 30 november 1989 betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid voor arbeidsplaatsen (eerste bijzondere Richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG)

Tijdschema: Voor nieuwe arbeidsplaatsen worden de bepalingen van Richtlijn 89/654/EEG binnen een termijn van 3 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd, met inbegrip van de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid van bijlage II bij die richtlijn.

Voor reeds in gebruik zijnde arbeidsplaatsen op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze overeenkomst, worden de bepalingen van die richtlijn binnen een termijn van 6 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd, met inbegrip van de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid van bijlage II bij die richtlijn.

Richtlijn 2009/104/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid bij het gebruik door werknemers van arbeidsmiddelen op de arbeidsplaats (tweede bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG)

Tijdschema: Voor nieuwe arbeidsmiddelen worden de bepalingen van Richtlijn 2009/104/EG binnen een termijn van 3 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd, met inbegrip van de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid van bijlage I bij die richtlijn.

Voor reeds in gebruik zijnde arbeidsmiddelen op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze overeenkomst, worden de bepalingen van die richtlijn binnen een termijn van 7 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd, met inbegrip van de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid van bijlage I bij die richtlijn.

Richtlijn 89/656/EEG van de Raad van 30 november 1989 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid voor het gebruik op het werk van persoonlijke beschermingsmiddelen door de werknemers (derde bijzondere Richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG)

Tijdschema: de bepalingen van Richtlijn 89/656/EEG worden binnen een termijn van 7 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Richtlijn 92/57/EEG van de Raad van 24 juni 1992 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid voor tijdelijke en mobiele bouwplaatsen (achtste bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG)

Tijdschema: de bepalingen van Richtlijn 92/57/EEG worden binnen een termijn van 7 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Richtlijn 2009/148/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico's van blootstelling aan asbest op het werk

Tijdschema: de bepalingen van deze richtlijn worden binnen een termijn van 7 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Richtlijn 2004/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan carcinogene of mutagene agentia op het werk (zesde bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid l, van Richtlijn 89/391/EEG)

Tijdschema: de bepalingen van Richtlijn 2004/37/EG worden binnen een termijn van 7 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Richtlijn 2000/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan biologische agentia op het werk (zevende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid l, van Richtlijn 89/391/EEG)

Tijdschema: de bepalingen van Richtlijn 2000/54/EG worden binnen een termijn van 7 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Richtlijn 90/270/EEG van de Raad van 29 mei 1990 betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid met betrekking tot het werken met beeldschermapparatuur (vijfde bijzondere Richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG)

Tijdschema: de bepalingen van Richtlijn 90/270/EEG worden binnen een termijn van 7 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Richtlijn 92/58/EEG van de Raad van 24 juni 1992 betreffende de minimumvoorschriften voor de veiligheids- en/of gezondheidssignalering op het werk (negende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG)

Tijdschema: de bepalingen van Richtlijn 92/58/EEG worden binnen een termijn van 7 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Richtlijn 92/91/EEG van de Raad van 3 november 1992 betreffende minimumvoorschriften ter verbetering van de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van werknemers in de winningsindustrieën die delfstoffen winnen met behulp van boringen (elfde bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG)

Tijdschema: Voor nieuwe arbeidsplaatsen worden de bepalingen van Richtlijn 92/91/EEG binnen een termijn van 7 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Voor reeds in gebruik zijnde arbeidsplaatsen op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze overeenkomst, worden de bepalingen van die richtlijn binnen een termijn van 12 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd, met inbegrip van de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid van de bijlage bij die richtlijn.

Richtlijn 92/104/EEG van de Raad van 3 december 1992 betreffende de minimumvoorschriften ter verbetering van de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van werknemers in de winningsindustrieën in dagbouw of ondergronds (twaalfde bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG)

Tijdschema: Voor nieuwe arbeidsplaatsen worden de bepalingen van Richtlijn 92/104/EEG binnen een termijn van 7 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Voor reeds in gebruik zijnde arbeidsplaatsen op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze overeenkomst, worden de bepalingen van die richtlijn binnen een termijn van 16 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd, met inbegrip van de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid van de bijlage bij die richtlijn.

Richtlijn 98/24/EG van de Raad van 7 april 1998 betreffende de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van werknemers tegen risico's van chemische agentia op het werk (14e bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG)

Tijdschema: de bepalingen van Richtlijn 98/24/EG worden binnen een termijn van 10 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Richtlijn 1999/92/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1999 betreffende minimumvoorschriften voor de verbetering van de gezondheidsbescherming en van de veiligheid van werknemers die door explosieve atmosferen gevaar kunnen lopen (vijftiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG)

Tijdschema: de bepalingen van Richtlijn 1999/92/EG worden binnen een termijn van 10 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Richtlijn 2002/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2002 betreffende de minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan de risico's van fysische agentia (trillingen) (zestiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG)

Tijdschema: de bepalingen van Richtlijn 2002/44/EG worden binnen een termijn van 10 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Richtlijn 2003/10/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 februari 2003 betreffende de minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan de risico's van fysische agentia (lawaai) (zeventiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG)

Tijdschema: de bepalingen van Richtlijn 2003/10/EG worden binnen een termijn van 10 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Richtlijn 2004/40/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan de risico's van fysische agentia (elektromagnetische velden) (18de bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid l, van Richtlijn 89/391/EEG)

Tijdschema: de bepalingen van Richtlijn 2004/40/EG worden binnen een termijn van 10 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Richtlijn 2006/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende de minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan risico's van fysische agentia (kunstmatige optische straling) (19e bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG)

Tijdschema: de bepalingen van Richtlijn 2006/25/EG worden binnen een termijn van 10 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Richtlijn 93/103/EG van de Raad van 23 november 1993 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid bij het werk aan boord van vissersvaartuigen (Dertiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG)

Tijdschema: de bepalingen van Richtlijn 93/103/EG worden binnen een termijn van 10 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Richtlijn 92/29/EEG van de Raad van 31 maart 1992 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid ter bevordering van een betere medische hulpverlening aan boord van schepen

Tijdschema: de bepalingen van deze richtlijn worden binnen een termijn van 10 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Richtlijn 90/269/EEG van de Raad van 29 mei 1990 betreffende de minimum veiligheids- en gezondheidsvoorschriften voor het manueel hanteren van lasten met gevaar voor met name rugletsel voor de werknemers (vierde bijzondere Richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG)

Tijdschema: de bepalingen van Richtlijn 90/269/EEG worden binnen een termijn van 10 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Richtlijn 91/322/EEG van de Commissie van 29 mei 1991 tot vaststelling van indicatieve grenswaarden ter uitvoering van Richtlijn 80/1107/EEG van de Raad betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico's van blootstelling aan chemische, fysische en biologische agentia op het werk

Tijdschema: de bepalingen van Richtlijn 91/322/EEG worden binnen een termijn van 10 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Richtlijn 2000/39/EG van de Commissie van 8 juni 2000 tot vaststelling van een eerste lijst van indicatieve grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling ter uitvoering van Richtlijn 98/24/EG van de Raad betreffende de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van werknemers tegen risico's van chemische agentia op het werk

Tijdschema: de bepalingen van Richtlijn 2000/39/EG worden binnen een termijn van 10 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Richtlijn 2006/15/EG van de Commissie van 7 februari 2006 tot vaststelling van een tweede lijst van indicatieve grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling ter uitvoering van Richtlijn 98/24/EG van de Raad

Tijdschema: de bepalingen van Richtlijn 2006/15/EG worden binnen een termijn van 10 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Richtlijn 2009/161/EU van de Commissie van 17 december 2009 tot vaststelling van een derde lijst van indicatieve grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling ter uitvoering van Richtlijn 98/24/EG van de Raad

Tijdschema: de bepalingen van Richtlijn 2009/161/EU worden binnen een termijn van 10 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

BIJLAGE IV

BIJ HOOFDSTUK 5 (CONSUMENTENBESCHERMING) VAN TITEL IV

De Republiek Moldavië verbindt zich ertoe haar wetgeving geleidelijk af te stemmen op de volgende EU-wetgeving en internationale instrumenten binnen het aangegeven tijdschema.

Productveiligheid

Richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 december 2001 inzake algemene productveiligheid

Tijdschema: de bepalingen van deze richtlijn worden binnen een termijn van 2 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Richtlijn 87/357/EEG van de Raad van 25 juni 1987 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende artikelen die door een misleidend uiterlijk een gevaar vormen voor de gezondheid of de veiligheid van de consument

Tijdschema: de bepalingen van deze richtlijn worden binnen een termijn van 3 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Beschikking 2009/251/EG van de Commissie van 17 maart 2009 houdende de verplichting voor de lidstaten ervoor te zorgen dat producten die het biocide dimethylfumaraat bevatten niet in de handel worden gebracht of op de markt worden aangeboden

Tijdschema: de bepalingen van deze beschikking worden binnen een termijn van 4 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Beschikking 2006/502/EG van de Commissie van 11 mei 2006 waarbij de lidstaten worden verplicht maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat uitsluitend kinderveilige aanstekers op de markt worden gebracht en dat het op de markt brengen van „novelty lighters” wordt verboden

Tijdschema: de bepalingen van deze beschikking worden binnen een termijn van 4 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Op de markt brengen

Richtlijn 98/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende de bescherming van de consument inzake de prijsaanduiding van aan de consument aangeboden producten

Tijdschema: de bepalingen van deze richtlijn worden binnen een termijn van één jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt („Richtlijn oneerlijke handelspraktijken”)

Tijdschema: de bepalingen van deze richtlijn worden binnen een termijn van 4 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Overeenkomstenrecht

Richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen

Tijdschema: de bepalingen van deze richtlijn worden binnen een termijn van 4 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten

Tijdschema: de bepalingen van deze richtlijn worden binnen een termijn van 4 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 1997 betreffende de bescherming van de consument bij op afstand gesloten overeenkomsten

Tijdschema: de bepalingen van deze richtlijn worden binnen een termijn van 4 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Richtlijn 85/577/EEG van de Raad van 20 december 1985 betreffende de bescherming van de consument bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten

Tijdschema: de bepalingen van deze richtlijn worden binnen een termijn van 4 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Richtlijn 90/314/EEG van de Raad van 13 juni 1990 betreffende pakketreizen, met inbegrip van vakantiepakketten en rondreispakketten

Tijdschema: de bepalingen van deze richtlijn worden binnen een termijn van 3 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Richtlijn 2008/122/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 januari 2009 betreffende de bescherming van de consumenten met betrekking tot bepaalde aspecten van overeenkomsten betreffende gebruik in deeltijd, vakantieproducten van lange duur, doorverkoop en uitwisseling

Tijdschema: de bepalingen van deze richtlijn worden binnen een termijn van 3 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Financiële diensten

Richtlijn 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 betreffende de verkoop op afstand van financiële diensten aan consumenten

Tijdschema: de bepalingen van deze richtlijn worden binnen een termijn van 4 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Consumentenkrediet

Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten

Tijdschema: de bepalingen van deze richtlijn worden binnen een termijn van 2 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Verhaal

Aanbeveling van de Commissie van 30 maart 1998 betreffende de principes die van toepassing zijn op de organen die verantwoordelijk zijn voor de buitengerechtelijke beslechting van consumentengeschillen (98/257/EG)

Tijdschema: niet van toepassing

Aanbeveling van de Commissie van 4 april 2001 met betrekking tot de beginselen voor de buitengerechtelijke organen die bij de consensuele beslechting van consumentengeschillen betrokken zijn (2001/310/EG)

Tijdschema: niet van toepassing

Handhaving

Richtlijn 98/27/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 1998 betreffende het doen staken van inbreuken in het raam van de bescherming van de consumentenbelangen

Tijdschema: de bepalingen van deze richtlijn worden binnen een termijn van 4 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Samenwerking met betrekking tot consumentenbescherming (verordening)

Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 2004 betreffende samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming („verordening betreffende samenwerking met betrekking tot consumentenbescherming”)

Tijdschema: de bepalingen van deze verordening worden binnen een termijn van 4 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

BIJLAGE V

BIJ HOOFDSTUK 6 (STATISTIEK) VAN TITEL IV

Het EU-acquis op het gebied van statistiek als bedoeld in artikel 46 van hoofdstuk 6 (statistiek) van titel IV (economische en andere sectorale samenwerking) van deze overeenkomst wordt beschreven in het compendium statistische vereisten, dat jaarlijks wordt bijgewerkt en dat door de partijen als bijlage bij deze overeenkomst wordt beschouwd.

De meest recente versie van het compendium statistische vereisten is in elektronische vorm beschikbaar op de website van het Bureau voor de Statistiek van de Europese Unie (Eurostat) http://epp.eurostat.ec.europa.eu.


BIJLAGE VI

BIJ HOOFDSTUK 8 (BELASTINGHEFFING) VAN TITEL IV

De Republiek Moldavië verbindt zich ertoe haar wetgeving geleidelijk af te stemmen op de volgende EU-wetgeving en internationale instrumenten binnen het aangegeven tijdschema.

Indirecte belastingen

Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde

De volgende bepalingen van deze richtlijn zijn van toepassing:

Onderwerp en toepassingsgebied (Titel I, artikel 1, artikel 2, lid 1, onder a), artikel 2, lid 1, onder c), artikel 2, lid 1, onder d))

Belastingplichtigen (Titel III, artikel 9, lid 1, en de artikelen 10 tot en met 13)

Belastbare handelingen (Titel IV, de artikelen 14 tot en met 16, artikel 18, artikel 19, de artikelen 24 tot en met 30)

Tijdschema: deze bepalingen van die richtlijn worden binnen een termijn van 5 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Plaats van belastbare handelingen (Titel V, de artikelen 31 en 32)

Tijdschema: deze bepalingen van die richtlijn worden met de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Plaats van belastbare handelingen (Titel V, artikel 36, lid 1, artikel 38, artikel 39, de artikelen 43 tot en met 49, 53 tot en met 56, 58 tot en met 61)

Tijdschema: deze bepalingen van die richtlijn worden binnen een termijn van 3 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Belastbaar feit en verschuldigdheid van de btw (Titel VI, de artikelen 62 tot en met 66, artikel 70, artikel 71)

Tijdschema: deze bepalingen van die richtlijn worden met de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Maatstaf van heffing (Titel VII, de artikelen 72 tot en met 82, 85 tot en met 92)

Tijdschema: deze bepalingen van die richtlijn worden met de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Tarieven (Titel VIII, de artikelen 93 tot en met 99, artikel 102, artikel 103)

Tijdschema: deze bepalingen van die richtlijn worden binnen een termijn van 5 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Vrijstellingen (Titel IX, de artikelen 131 tot en met 137, artikel 143, artikel 144, artikel 146, lid 1, onder a), c), d), e), artikel 146, lid 2, artikel 147, artikel 148, artikel 150, lid 2, de artikelen 151 tot en met 161, artikel 163)

Tijdschema: Onverminderd andere hoofdstukken van deze overeenkomst worden voor alle vrijstellingen die binnen de werkingssfeer van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad vallen, met betrekking tot goederen en diensten in vrije zones, de bepalingen van die richtlijn binnen een termijn van 10 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Voor alle andere vrijstellingen worden de bepalingen van die richtlijn binnen een termijn van 5 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Aftrek (Titel X, de artikelen 167 tot en met 169, 173 tot en met 192)

Tijdschema: Voor alle aftrek voor belastingplichtigen met betrekking tot juridische entiteiten worden de bepalingen van die richtlijn binnen een termijn van 3 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.

Voor alle andere aftrek worden de bepalingen van die richtlijn binnen een termijn van 5 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst uitgevoerd.