Help Print this page 

Document 02005L0060-20110104

Title and reference
Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme (Voor de EER relevante tekst)

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2005/60/2011-01-04
Multilingual display
Text

2005L0060 — NL — 04.01.2011 — 004.001


Dit document vormt slechts een documentatiehulpmiddel en verschijnt buiten de verantwoordelijkheid van de instellingen

►B

RICHTLIJN 2005/60/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 26 oktober 2005

tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme

(Voor de EER relevante tekst)

(PB L 309, 25.11.2005, p.15)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  No

page

date

►M1

Richtlijn 2007/64/EG van het Europees Parlement en de Raad Voor de EER relevante tekst van 13 november 2007

  L 319

1

5.12.2007

►M2

Richtlijn 2008/20/EG van het Europees Parlement en de Raad Voor de EER relevante tekst van 11 maart 2008

  L 76

46

19.3.2008

►M3

Richtlijn 2009/110/EG van het Europees Parlement en de Raad Voor de EER relevante tekst van 16 september 2009

  L 267

7

10.10.2009

►M4

Richtlijn 2010/78/EU van het Europees Parlement en de Raad Voor de EER relevante tekst van 24 november 2010

  L 331

120

15.12.2010




▼B

RICHTLIJN 2005/60/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 26 oktober 2005

tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme

(Voor de EER relevante tekst)



HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 47, lid 2, eerste en derde zin, en op artikel 95,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité ( 1 ),

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank ( 2 ),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag ( 3 ),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Massale stromen crimineel geld kunnen de stabiliteit en de reputatie van de financiële sector schaden en de interne markt bedreigen; terrorisme tast onze samenleving aan in haar fundamenten zelf. Naast de strafrechtelijke benadering kan een preventieve aanpak via het financiële stelsel resultaten opleveren.

(2)

De soliditeit, integriteit en stabiliteit van kredietinstellingen en financiële instellingen en het vertrouwen in het financiële stelsel als geheel kunnen ernstig in gevaar worden gebracht door de pogingen van criminelen en hun medeplichtigen om hetzij de herkomst van de opbrengsten van misdrijven te verhullen, hetzij rechtmatig of onrechtmatig verkregen gelden aan te wenden voor terroristische doeleinden. Om te vermijden dat lidstaten ter bescherming van hun financiële stelsel maatregelen treffen die met de goede werking van de interne markt en met de rechtsstaat en de openbare orde van de Gemeenschap onverenigbaar kunnen zijn, is een Gemeenschapsoptreden op dat terrein noodzakelijk.

(3)

Ter vergemakkelijking van hun criminele activiteiten, zouden witwassers van geld en financiers van terrorisme kunnen profiteren van de liberalisering van het kapitaalverkeer en van het vrij verrichten van financiële diensten, inherent aan de geïntegreerde financiële ruimte, indien niet op communautair niveau bepaalde coördinerende maatregelen worden genomen.

(4)

Om aan deze bezorgdheden wat betreft het witwassen van geld tegemoet te komen, werd Richtlijn 91/308/EEG van de Raad van 10 juni 1991 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld ( 4 ) aangenomen. Deze richtlijn bepaalt dat de lidstaten het witwassen van geld moeten verbieden en de financiële sector, die de kredietinstellingen en een hele reeks andere financiële instellingen omvat, ertoe moeten verplichten hun cliënten te identificeren, de nodige bewijsstukken te bewaren, interne procedures in te stellen voor het opleiden van hun personeel en het onderkennen van het witwassen van geld, alsook elk feit dat wijst op het witwassen van geld aan de bevoegde autoriteiten te melden.

(5)

Het witwassen van geld en de financiering van terrorisme geschieden gewoonlijk in een internationale context. Maatregelen die uitsluitend op nationaal of zelfs communautair niveau worden getroffen, zonder met internationale coördinatie en samenwerking rekening te houden, zouden bijgevolg slechts een zeer beperkte uitwerking hebben. De door de Gemeenschap op dit gebied te treffen maatregelen dienen derhalve verenigbaar te zijn met in andere internationale fora ondernomen acties. Bij het optreden van de Gemeenschap dient met name verder rekening te worden gehouden met de 40 aanbevelingen van de financiële actiegroep witwassen van geld (Financial Action Task Force on Money Laundering, hierna „FATF” te noemen), het belangrijkste internationale orgaan voor de bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme. Aangezien de 40 aanbevelingen van de FATF in 2003 ingrijpend zijn herzien en uitgebreid, verdient het aanbeveling deze richtlijn met deze nieuwe internationale norm in overeenstemming te brengen.

(6)

De Algemene Overeenkomst inzake de handel in diensten (GATS) staat de leden toe maatregelen te nemen ter bescherming van de goede zeden en ter voorkoming van fraude, en om redenen van bedrijfseconomisch toezicht, zoals onder meer ter verzekering van de stabiliteit en integriteit van het financiële stelsel.

(7)

De definitie van witwassen van geld had aanvankelijk alleen betrekking op drugsmisdrijven, maar de afgelopen jaren tekent zich een tendens af in de richting van een veel ruimere definitie, die berust op een breder spectrum van basisdelicten. Een breder spectrum van basisdelicten is bevorderlijk voor de melding van verdachte transacties en voor de internationale samenwerking op dit terrein. Het is bijgevolg aangewezen de definitie van ernstige strafbare feiten in overeenstemming te brengen met de definitie van ernstige strafbare feiten in Kaderbesluit 2001/500/JBZ van de Raad van 26 juni 2001 inzake het witwassen van geld, de identificatie, opsporing, bevriezing, inbeslagneming en confiscatie van hulpmiddelen en van opbrengsten van misdrijven ( 5 ).

(8)

Voorts houdt het misbruik van het financiële stelsel voor het aanwenden van crimineel of zelfs rechtmatig verkregen geld voor terroristische doeleinden onmiskenbaar een risico in voor de integriteit, de goede werking, de reputatie en de stabiliteit van het financiële stelsel. De preventieve maatregelen van deze richtlijn dienen dan ook zodanig te worden uitgebreid dat zij niet alleen de behandeling van uit criminele activiteiten verkregen geld maar ook de verzameling van gelden of voorwerpen voor terroristische doeleinden omvatten.

(9)

Hoewel Richtlijn 91/308/EEG een verplichting tot cliëntidentificatie oplegt, bevat zij betrekkelijk weinig bijzonderheden over de desbetreffende procedures. Aangezien dit aspect van de voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme van cruciaal belang is, is het aangewezen om conform de nieuwe internationale normen specifiekere en meer gedetailleerde voorschriften voor de identificatie van de cliënt en van enigerlei uiteindelijke begunstigde en voor de verificatie van hun identiteit vast te stellen. Te dien einde is het van essentieel belang dat het begrip „uiteindelijke begunstigde” nauwkeurig wordt gedefinieerd. Indien de individuele begunstigden van een juridische entiteit of een constructie zoals een stichting of een trust nog moet worden aangeduid en het derhalve onmogelijk is een afzonderlijk persoon als uiteindelijke begunstigde te identificeren, zou het volstaan de „categorie personen” te identificeren voorbestemd om de begunstigden van een stichting of trust te zijn. Dit vereist niet dat de personen binnen deze categorie moeten worden geïdentificeerd.

(10)

De instellingen en personen die onder deze richtlijn vallen dienen, overeenkomstig het bepaalde in deze richtlijn, de identiteit van de uiteindelijke begunstigde te identificeren en te verifiëren. Het staat die instellingen en personen vrij gebruik te maken van openbare registers van uiteindelijke begunstigden, hun cliënten om relevante gegevens te vragen of deze informatie op andere wijze te verzamelen, rekening houdend met het feit dat de omvang van dergelijke klantenonderzoeksmaatregelen („customer due diligence measures”) gerelateerd is aan het risico van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, hetgeen afhankelijk is van het soort cliënt, de zakelijke relatie, het product of de transactie.

(11)

Kredietovereenkomsten waarbij de kredietrekening uitsluitend ter afwikkeling van het krediet dient en de terugbetaling van het krediet via een rekening geschiedt die namens de cliënt is geopend bij een onder deze richtlijn vallende kredietinstelling overeenkomstig het bepaalde in artikel 8, lid 1, onder a) t/m c), dienen in de regel te worden beschouwd als transacties met een verlaagd risico.

(12)

Voorzover de verschaffers van het vermogen van de juridische entiteit of constructie aanzienlijke zeggenschap hebben over het gebruik van het vermogen, moeten zij als uiteindelijke begunstigde worden geïdentificeerd.

(13)

Bij commerciële producten wordt op grote schaal gebruikgemaakt van een trustverhouding als internationaal erkend onderdeel van de over de gehele linie gecontroleerde financiële groothandelsmarkten. Een verplichting tot identificatie van de uiteindelijke begunstigde vloeit niet voort uit het enkele feit dat in dit bijzondere geval gebruik wordt gemaakt van een trustverhouding.

(14)

Het bepaalde in deze richtlijn dient ook te gelden wanneer de activiteiten van de onder deze richtlijn vallende instellingen en personen via het internet plaatsvinden.

(15)

Aangezien de verscherpte controle in de financiële sector de witwassers en financiers van terrorisme ertoe heeft aangezet uit te kijken naar alternatieve methoden om de herkomst van de opbrengsten van misdrijven te verhelen en die kanalen voor financiering van terrorisme kunnen worden gebruikt, verdient het aanbeveling de verplichtingen op het gebied van de bestrijding van witwassen en financiering van terrorisme uit te breiden tot levensverzekeringstussenpersonen en aanbieders van trust- en bedrijfsdiensten.

(16)

Entiteiten die reeds onder de wettelijke aansprakelijkheid van een verzekeringsonderneming vallen en daardoor reeds onder het toepassingsgebied vallen van deze richtlijn, behoren niet tot de categorie van verzekeringstussenpersonen.

(17)

Optreden als directeur of secretaris van een vennootschap is op zich niet voldoende om als aanbieder van trust- en bedrijfsdiensten te kunnen worden aangemerkt: onder de definitie vallen alleen personen die voor een derde, en als beroepsactiviteit, als directeur of secretaris van een vennootschap optreden.

(18)

Regelmatig is gebleken dat bij grote betalingen in contanten het risico van witwassen van geld en van financiering van terrorisme zeer hoog is. In de lidstaten die contante betalingen boven de vastgestelde drempel toestaan, moeten alle natuurlijke of rechtspersonen die handelen in goederen als beroepsactiviteit en die dergelijke betalingen accepteren derhalve onder de werking van deze richtlijn worden gebracht. Handelaren in goederen van grote waarde, zoals edelstenen en -metalen, of kunstwerken, en veilingmeesters, voorzover zij in contanten worden betaald voor een bedrag van 15 000 EUR of meer, vallen in ieder geval onder deze richtlijn. Om effectief te controleren of deze potentieel grote groep van personen en instellingen deze richtlijn naleeft, kunnen de lidstaten, volgens het beginsel van risicogebaseerd toezicht, hun controleactiviteiten vooral toespitsen op de natuurlijke en rechtspersonen die goederen verhandelen aan een relatief hoog witwasrisico of risico van financiering van terrorisme blootstaan. Gezien de uiteenlopende situaties in de verschillende lidstaten, kunnen de lidstaten volgens artikel 4 van de richtlijn besluiten strengere bepalingen aan te nemen om het bij grote betalingen in contanten verbonden risico terdege aan te pakken.

(19)

Richtlijn 91/308/EEG breidt de werkingssfeer van de communautaire antiwitwasregeling uit tot notarissen en andere onafhankelijke beoefenaren van juridische beroepen. Deze personen zouden ook onder de werkingssfeer van de nieuwe richtlijn moeten vallen. Deze onafhankelijke beoefenaren van juridische beroepen, zoals gedefinieerd door de lidstaten, vallen onder de bepalingen van de richtlijn wanneer zij deelnemen aan financiële of zakelijke transacties, met inbegrip van het verstrekken van belastingadvies, waarbij er groot gevaar bestaat dat de diensten van deze beroepsbeoefenaren worden misbruikt om de opbrengsten van criminele activiteiten wit te wassen of terrorisme te financieren.

(20)

Wanneer onafhankelijke leden van wettelijk erkende en gecontroleerde beroepsgroepen die juridisch advies verstrekken, zoals advocaten, de rechtspositie van een cliënt bepalen of een cliënt in rechte vertegenwoordigen, is het evenwel niet aangewezen om deze beroepsbeoefenaren voor deze activiteiten krachtens deze richtlijn een verplichting op te leggen vermoedens van witwassen of van financiering van terrorisme te melden. Zo moeten er vrijstellingen zijn van elke verplichting om informatie te melden die is verkregen vóór, tijdens of na een gerechtelijke procedure, of bij het bepalen van de rechtspositie van een cliënt. Juridisch advies dient bijgevolg aan de beroepsgeheimhoudingsplicht onderworpen te blijven, tenzij de juridisch adviseur deelneemt aan witwasactiviteiten of activiteiten voor financiering van terrorisme, het juridisch advies voor witwasdoeleinden of voor financiering van terrorisme wordt verstrekt, of de advocaat weet dat zijn cliënt juridisch advies wenst voor witwasdoeleinden of voor financiering van terrorisme.

(21)

Het verdient aanbeveling rechtstreeks vergelijkbare diensten op dezelfde wijze te behandelen, ongeacht welke onder deze richtlijn vallende beroepsbeoefenaren de diensten verstrekken. Met het oog op de waarborging van de eerbiediging van de rechten van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en het Verdrag betreffende de Europese Unie mag, in het geval van bedrijfsrevisoren, externe accountants en belastingadviseurs, die in sommige lidstaten een cliënt in rechte kunnen verdedigen of vertegenwoordigen, of zijn rechtspositie bepalen, de informatie die zij bij de uitoefening van deze taken ontvangen, niet onder de meldingsplicht van deze richtlijn vallen.

(22)

Er dient te worden erkend dat het witwasrisico en het risico van terrorismefinanciering niet altijd even groot is. In overeenstemming met een risicogeoriënteerde benadering dient in de Gemeenschapswetgeving derhalve het beginsel te worden ingevoerd dat in passende gevallen een vereenvoudiging van de klantenonderzoeksvereisten wordt toegestaan.

(23)

De afwijking betreffende de vaststelling van de uiteindelijke begunstigden van gezamenlijke rekeningen aangehouden door notarissen en andere onafhankelijke beoefenaren van juridische beroepen, dient de verplichtingen van de notarissen en andere onafhankelijke beoefenaren van juridische beroepen uit hoofde van deze richtlijn onverlet te laten. Daaronder valt ook de plicht van deze laatsten om de identiteit van de begunstigde eigenaars van de gezamenlijke rekeningen die zij aanhouden, vast te stellen.

(24)

Evenzo dient in de Gemeenschapswetgeving te worden erkend dat het witwasrisico of het risico van terrorismefinanciering in sommige situaties groter is. Hoewel de identiteit en het zakelijk profiel van alle cliënten dienen vastgesteld, bestaan er gevallen waarin er bijzonder strikte cliëntidentificatie- en cliëntverificatieprocedures vereist zijn.

(25)

Dit geldt in het bijzonder voor zakelijke relaties met natuurlijke personen die prominente publieke functies bekleden of bekleed hebben, en dan vooral degenen die afkomstig zijn uit landen waar corruptie veelvuldig voorkomt. Dergelijke relaties kunnen vooral een groot reputatierisico en/of juridisch risico met zich brengen voor de financiële sector. De internationale inspanning ter bestrijding van corruptie rechtvaardigt ook een grotere aandacht voor die gevallen en de toepassing van alle gebruikelijke klantenonderzoeksmaatregelen voor binnenlandse politiekprominente personen en van uitgebreide klantenonderzoeksmaatregelen voor politiek prominente personen die in een andere lidstaat of een derde land verblijven.

(26)

Toestemming hebben van de hoge bedrijfsleiding („senior management”) voor het aangaan van zakelijke relaties impliceert niet toestemming hebben van de raad van bestuur, maar van het eerste hiërarchische niveau boven dat van de persoon die de toestemming vraagt.

(27)

Om te vermijden dat cliëntidentificatie procedures nodeloos worden overgedaan, hetgeen tot vertragingen en inefficiënties in de zakelijke activiteiten zou leiden, verdient het aanbeveling om, mits passende waarborgen worden geboden, toe te staan dat cliënten worden geïntroduceerd die reeds elders zijn geïdentificeerd. In gevallen waar een persoon of instelling op een derde vertrouwt, ligt de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de klantenonderzoeksprocedure bij de instelling of persoon waarbij de cliënt is geïntroduceerd. De derde, of introducerende partij, blijft, voorzover zij met de cliënt een relatie heeft die onder deze richtlijn valt, ook verantwoordelijk voor alle voorschriften in deze richtlijn, waaronder het voorschrift om verdachte transacties te melden en bewijsstukken te bewaren.

(28)

In geval van een agentuur- of uitbestedingsverhouding op contractuele basis tussen onder deze richtlijn vallende instellingen of personen en niet onder de werkingssfeer van de richtlijn vallende externe natuurlijke of rechtspersonen kunnen verplichtingen inzake de bestrijding van het witwassen van geld en van financiering van terrorisme voor deze agenten of verrichters van uitbestede diensten als deel van de onder de richtlijn vallende instellingen of personen alleen voortvloeien uit het contract en niet uit deze richtlijn. De verantwoordelijkheid voor de naleving van deze richtlijn berust bij de instelling of persoon die onder de richtlijn valt.

(29)

Verdachte transacties dienen te worden gemeld aan de financiële inlichtingeneenheid (FIE), die optreedt als nationaal centrum voor het ontvangen, opvragen, analyseren en het verspreiden onder de bevoegde autoriteiten van meldingen van verdachte transacties en andere informatie over mogelijk witwassen of mogelijke financiering van terrorisme. De lidstaten hoeven daartoe hun bestaande meldingssystemen — waar de melding via het Openbaar Ministerie of via andere wetshandhavingautoriteiten geschiedt — niet te wijzigen, mits de informatie onverwijld en ongefilterd aan de financiële inlichtingeneenheden doorgegeven wordt zodat deze hun activiteiten, waaronder internationale samenwerking met andere financiële inlichtingeneenheden, naar behoren kunnen uitvoeren.

(30)

In afwijking van het algemene verbod om verdachte transacties uit te voeren, kunnen de onder deze richtlijn vallende instellingen en personen verdachte transacties uitvoeren voordat zij de bevoegde autoriteiten hiervan op de hoogte brengen wanneer de onthouding tot uitvoering onmogelijk is of hierdoor de vervolging van de begunstigden van een vermoedelijke witwas- of terrorismefinancieringstransactie zou kunnen worden belemmerd. Dit laat evenwel de door de lidstaten aanvaarde internationale verplichtingen onverlet om middelen of andere goederen van terroristen, terroristische organisaties of financiers van terrorisme, onverwijld te bevriezen, conform de desbetreffende resoluties van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties.

(31)

Indien een lidstaat besluit gebruik te maken van de afwijkingen voorzien in artikel 23, lid 2, kan hij de zelfregulerende instantie die de in dit artikel beoogde personen vertegenwoordigt, toestaan of voorschrijven om aan de FIE geen informatie door te geven die zij van de personen, onder de in artikel 23, lid 2, bepaalde voorwaarden, heeft verkregen.

(32)

In een aantal gevallen zijn werknemers die hun vermoedens van witwassen hebben gemeld, bedreigd of lastig gevallen. Hoewel deze richtlijn de gerechtelijke procedures van de lidstaten niet kan wijzigen, neemt zulks niet weg dat deze aangelegenheid van cruciaal belang is voor de doeltreffendheid van de regeling ter bestrijding van witwassen en van financiering van terrorisme. De lidstaten dienen zich rekenschap te geven van het probleem en alles te doen wat in hun vermogen ligt om werknemers te beschermen tegen dergelijke vormen van intimidatie.

(33)

Het verstrekken van inlichtingen als bedoeld in artikel 28 dient in overeenstemming te zijn met de voorschriften betreffende het doorgeven van persoonsgegevens aan derde landen neergelegd in Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens ( 6 ). Bovendien laat het bepaalde in artikel 28 de nationale wetgeving inzake gegevensbescherming en beroepsgeheim onverlet.

(34)

Personen die alleen maar papieren documenten in elektronische vorm omzetten en op contractbasis werkzaam zijn bij een kredietinstelling of een financiële instelling vallen niet onder de werkingssfeer van deze richtlijn, evenmin als natuurlijke of rechtspersonen die kredietinstellingen of financiële instellingen uitsluitend voorzien van een boodschap of andere supportsystemen voor overdracht van fondsen of van clearing- en settlementsystemen.

(35)

Witwassen van geld en financiering van terrorisme zijn internationale problemen en dienen dan ook op wereldschaal te worden bestreden. Wanneer kredietinstellingen en financiële instellingen uit de Gemeenschap bijkantoren en dochterondernemingen hebben in derde landen waar de wetgeving ter zake tekortkomingen vertoont, dienen zij, ter voorkoming van de toepassing van sterk uiteenlopende normen binnen eenzelfde instelling of groep instellingen, de communautaire norm toe te passen of, indien zulks onmogelijk is, de bevoegde autoriteiten van hun lidstaat van herkomst daarvan in kennis te stellen.

(36)

Het is van belang dat kredietinstellingen en financiële instellingen snel kunnen reageren op verzoeken om informatie te verstrekken over hun eventuele zakelijke relaties met met naam genoemde personen. Om die zakelijke relaties te kunnen identificeren en die informatie snel te kunnen verstrekken, moeten krediet- en financiële instellingen over effectieve systemen beschikken die in verhouding staan tot de omvang en aard van hun bedrijfsactiviteit. Met name kredietinstellingen en grote financiële instellingen zouden over elektronische systemen moeten kunnen beschikken. Deze bepaling is van bijzonder belang voor procedures die leiden tot maatregelen zoals bevriezing en inbeslagneming van tegoeden (ook tegoeden van terroristen), overeenkomstig toepasselijke nationale of Gemeenschapswetgeving met het oog op terrorismebestrijding.

(37)

In deze richtlijn worden gedetailleerde voorschriften vastgesteld voor klantenonderzoeksprocedures, waaronder uitgebreide klantenonderzoeksmaatregelen voor cliënten en zakelijke relaties met een hoog risico, zoals passende procedures om uit te maken of een cliënt een politiek prominente persoon is, alsmede aanvullende nadere voorschriften, zoals procedures en beleidsmaatregelen inzake nalevingsbeheer („compliance”). Alle onder deze richtlijn vallende instellingen en personen zullen aan al deze voorschriften moeten voldoen, terwijl van de lidstaten wordt verwacht dat zij de nadere uitvoering van deze bepalingen aanpassen aan de specifieke kenmerken van de diverse beroepen en aan de verschillen in schaal en omvang van de onder deze richtlijn vallende instellingen en personen.

(38)

Teneinde de instellingen en de andere onder de Gemeenschapswetgeving ter zake vallende partijen gemotiveerd te houden, dient hun, voorzover mogelijk, feedback te worden verstrekt over het nut en de follow-up van de door hen verrichte meldingen. Om dit mogelijk te maken en de doeltreffendheid van hun maatregelen ter bestrijding van witwassen en financiering van terrorisme te kunnen beoordelen, verdient het aanbeveling dat de lidstaten statistische gegevens ter zake bijhouden en verder perfectioneren.

(39)

Wanneer een wisselkantoor, een aanbieder van trust- en bedrijfsdiensten of een casino nationaal in een register wordt ingeschreven of een vergunning krijgt, moeten de bevoegde instanties erop toezien dat de personen die het bedrijf van deze entiteiten feitelijk leiden of zullen leiden, en de uiteindelijke begunstigden van deze entiteiten, betrouwbaar en deskundig zijn. De criteria om uit te maken of een persoon al dan niet betrouwbaar en deskundig („fit and proper”) is, moeten nationaal worden bepaald, overeenkomstig het nationale recht. Die criteria moeten in ieder geval recht doen aan de noodzaak om die entiteiten te beschermen tegen misbruik voor criminele doeleinden door hun bestuurders of uiteindelijke begunstigden.

(40)

Gezien het internationale karakter van witwassen van geld en financiering van terrorisme, moet de coördinatie en samenwerking tussen de FIE als bedoeld in Besluit 2000/642/JBZ van de Raad van 17 oktober 2000 inzake een regeling voor samenwerking tussen de financiële inlichtingeneenheden van de lidstaten bij de uitwisseling van gegevens ( 7 ), alsook de instelling van een EU-netwerk van FIE, zoveel mogelijk worden aangemoedigd. Daartoe moet de Commissie de nodige bijstand verlenen om die coördinatie te vergemakkelijken, waaronder financiële bijstand.

(41)

Het belang van het bestrijden van het witwassen van geld en financiering van terrorisme dient de lidstaten ertoe aan te zetten in hun nationale recht in doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties te voorzien ter bestraffing van de niet-naleving van de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen. Er moeten sancties voor natuurlijke en rechtspersonen worden ingesteld. Aangezien rechtspersonen vaak betrokken zijn bij complexe witwastransacties, dienen deze sancties aangepast te worden aan de door dergelijke personen verrichte activiteiten.

(42)

Natuurlijke personen die een van de in artikel 2, lid 1, punt 3, onder a) en b), genoemde activiteiten uitoefenen binnen een rechtspersoon, maar op onafhankelijke basis, zijn afzonderlijk aansprakelijk voor de naleving van de bepalingen van deze richtlijn, met uitzondering van de bepalingen van artikel 35.

(43)

Verduidelijking van de technische aspecten van de in deze richtlijn vastgestelde voorschriften kan nodig zijn om te zorgen voor een doeltreffende en voldoende consequente toepassing van de richtlijn, rekening houdend met de uiteenlopende financiële instrumenten, beroepen en risico's in de verschillende lidstaten en met de technische ontwikkelingen bij de bestrijding van witwassen van geld en financiering van terrorisme. De Commissie dient derhalve de bevoegdheid te krijgen om uitvoeringsmaatregelen aan te nemen, zoals bepaalde criteria om uit te maken of situaties een laag dan wel een hoog risico opleveren en derhalve vereenvoudigde klantenonderzoeksprocedures volstaan of juist uitgebreide kennis van de cliënt wenselijk is, mits deze de essentiële elementen van deze richtlijn niet wijzigen en mits de Commissie handelt overeenkomstig de daarin neergelegde beginselen, na raadpleging van het Comité voor de voorkoming van het witwassen van geld en van financiering van terrorisme.

(44)

De voor de uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen dienen te worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden ( 8 ). Met dat doel, moet er een nieuw Comité voor de voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, ter vervanging van het Contactcomité opgericht bij Richtlijn 91/308/EEG, worden opgericht.

(45)

Gezien de zeer ingrijpende wijzigingen die in Richtlijn 91/308/EEG zouden moeten worden aangebracht, is het omwille van de duidelijkheid aangewezen dat deze richtlijn wordt ingetrokken.

(46)

Daar de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en financiering van terrorisme, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve wegens de omvang en de gevolgen van het optreden, beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om dat doel te verwezenlijken.

(47)

Bij de uitoefening van haar uitvoeringsbevoegdheden overeenkomstig deze richtlijn dient de Commissie de volgende beginselen in acht te nemen: een hoge mate van transparantie en uitgebreid overleg met de onder deze richtlijn vallende instellingen en personen en met het Europees Parlement en de Raad zijn nodig; er moet op worden toegezien dat de bevoegde instanties in staat zijn te zorgen voor een consequente naleving van de voorschriften; bij uitvoeringsmaatregelen moet een afweging plaatsvinden van de kosten en baten op de lange termijn voor de onder deze richtlijnen vallende instellingen en personen; er moet worden gezorgd voor de nodige flexibiliteit bij de toepassing van de uitvoeringsmaatregelen, met een basisaanpak die uitgaat van de risicogevoeligheid; er moet worden gezorgd voor coherentie met andere Gemeenschapswetgeving op dit gebied; de Gemeenschap, haar lidstaten en haar burgers moeten worden beschermd tegen de gevolgen van witwassen van geld en financiering van terrorisme.

(48)

Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name zijn neergelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Geen enkele bepaling van deze richtlijn mag worden uitgelegd of uitgevoerd op een wijze die strijdig is met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:



HOOFDSTUK I

ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1

1.  De lidstaten zien erop toe dat witwassen van geld en financiering van terrorisme worden verboden.

2.  Voor de toepassing van deze richtlijn worden de hierna genoemde daden, indien opzettelijk begaan, als witwassen van geld beschouwd:

a) de omzetting of overdracht van voorwerpen, wetende dat deze zijn verworven uit een criminele activiteit of uit deelneming aan een dergelijke activiteit, met het oogmerk de illegale herkomst ervan te verhelen of te verhullen of een persoon die bij deze activiteit is betrokken, te helpen aan de juridische gevolgen van zijn daden te ontkomen;

b) het verhelen of verhullen van de werkelijke aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing, rechten op of de eigendom van voorwerpen, wetende dat deze verworven zijn uit een criminele activiteit of uit deelneming aan een dergelijke activiteit;

c) de verwerving, het bezit of het gebruik van voorwerpen, wetende, op het tijdstip van verkrijging dat deze voorwerpen zijn verworven uit een criminele activiteit of uit deelneming aan een dergelijke activiteit;

d) deelneming aan, medeplichtigheid aan, poging tot, hulp aan, aanzetten tot, vergemakkelijken van, of het geven van raad met het oog op het begaan van een van de in de voorgaande letters bedoelde daden.

3.  Er is ook sprake van witwassen van geld indien de activiteiten die ten grondslag liggen aan de wit te wassen voorwerpen gelokaliseerd zijn op het grondgebied van een andere lidstaat of op dat van een derde staat.

4.  Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder „financiering van terrorisme” verstaan: de verstrekking of verzameling van gelden en andere vermogensbestanddelen, op welke wijze ook, rechtstreeks of onrechtstreeks, met de bedoeling of wetende dat deze geheel of gedeeltelijk zullen worden gebruikt om strafbare feiten in de zin van de artikelen 1 tot en met 4 van Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding ( 9 ) te plegen.

5.  Medeweten, oogmerk of opzet, vereist als bestanddeel van de in de leden 2 en 4 bedoelde activiteiten, kunnen worden afgeleid uit objectieve feitelijke omstandigheden.

Artikel 2

1.  Deze richtlijn is van toepassing op:

1. kredietinstellingen;

2. financiële instellingen;

3. de volgende natuurlijke of rechtspersonen handelend in het kader van de uitoefening van hun beroepsactiviteiten:

a) bedrijfsrevisoren, externe accountants en belastingadviseurs;

b) notarissen en andere onafhankelijke beoefenaren van juridische beroepen wanneer zij deelnemen, hetzij door op te treden in naam en voor rekening van hun cliënt in enigerlei financiële of onroerendgoedtransactie, hetzij door het bijstaan bij het voorbereiden of uitvoeren van transacties voor hun cliënt in verband met:

i) de aan- en verkoop van onroerend goed of bedrijven;

ii) het beheren van diens geld, waardepapieren of andere activa;

iii) de opening of het beheer van bank-, spaar- of effectenrekeningen;

iv) het organiseren van inbreng die nodig is voor de oprichting, de exploitatie of het beheer van vennootschappen;

v) de oprichting, de exploitatie of het beheer van trusts, vennootschappen of soortgelijke structuren;

c) niet onder a) of b) vallende aanbieders van trust- of bedrijfsdiensten;

d) makelaars in onroerend goed;

e) andere natuurlijke of rechtspersonen die handelen in goederen doch slechts voorzover in contanten wordt betaald en wel voor een bedrag van 15 000 EUR of meer, ongeacht of de transactie plaatsvindt in één verrichting of via meer verrichtingen waartussen een verband lijkt te bestaan;

f) casino's.

2.  De lidstaten kunnen beslissen dat natuurlijke en rechtspersonen die slechts occasioneel of in zeer beperkte mate financiële activiteiten ontplooien en wanneer het risico van witwassen of financiering van terrorisme beperkt is, niet onder het toepassingsgebied van artikel 3, leden 1 of 2 vallen.

Artikel 3

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

1. „kredietinstelling”: een kredietinstelling als omschreven in artikel 1, punt 1, eerste alinea, van Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen ( 10 ), met inbegrip van in de Gemeenschap gevestigde bijkantoren, als omschreven in artikel 1, punt 3, van voornoemde richtlijn, van een kredietinstelling met hoofdkantoor binnen of buiten de Gemeenschap;

2. „financiële instelling”:

▼M3

a) een onderneming die geen kredietinstelling is en die een of meer van de werkzaamheden verricht die zijn opgenomen onder de punten 2 tot en met 12 en punten 14 en 15 van bijlage I bij Richtlijn 2006/48/EG, met inbegrip van de werkzaamheden van wisselkantoren;

▼B

b) een verzekeringsonderneming waaraan overeenkomstig Richtlijn 2002/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 betreffende de levensverzekering ( 11 ) vergunning is verleend, voorzover zij activiteiten verricht die onder genoemde richtlijn vallen;

c) een beleggingsonderneming als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 1, van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten ( 12 );

d) een instelling voor collectieve belegging die haar rechten van deelneming of aandelen aanbiedt;

e) een verzekeringstussenpersoon als omschreven in artikel 2, lid 5, van Richtlijn 2002/92/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 december 2002 betreffende verzekeringsbemiddeling ( 13 ), met uitzondering van verzekeringstussenpersonen als bedoeld in artikel 2, lid 7, van die richtlijn, wanneer zij handelen met betrekking tot levensverzekeringen en andere aan beleggingen gerelateerde verzekeringen;

f) in de Gemeenschap gevestigde bijkantoren van de onder a) tot en met e) bedoelde financiële instellingen met hoofdkantoor binnen of buiten de Gemeenschap;

3. „voorwerp”: goederen van elke soort, hetzij lichamelijk hetzij onlichamelijk, hetzij roerend hetzij onroerend, hetzij tastbaar hetzij ontastbaar, en rechtsbescheiden in gelijk welke vorm, ook elektronisch en digitaal, waaruit de eigendom of andere rechten ten aanzien van deze goederen blijken;

4. „criminele activiteit”: iedere vorm van criminele betrokkenheid bij het plegen van een ernstig strafbaar feit;

5. „ernstige strafbare feiten”: betekent ten minste

a) strafbare feiten als omschreven in de artikelen 1 tot en met 4 van Kaderbesluit 2002/475/JBZ;

b) alle in artikel 3, lid 1, onder a), van het Verdrag van de Verenigde Naties van 1988 tegen sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen omschreven strafbare feiten;

c) de activiteiten van criminele organisaties als omschreven in artikel 1 van Gemeenschappelijk Optreden 98/733/JBZ van de Raad van 21 december 1998 inzake de strafbaarstelling van deelneming aan een criminele organisatie in de lidstaten van de Europese Unie ( 14 );

d) fraude, althans ernstige fraude, als omschreven in artikel 1, lid 1, en artikel 2 van de overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen ( 15 );

e) corruptie;

f) alle feiten die strafbaar zijn gesteld met een maximale vrijheidsstraf of detentiemaatregel van meer dan een jaar of, voor staten die in hun rechtsstelsel een minimumstraf voor strafbare feiten kennen, alle feiten die strafbaar zijn gesteld met een minimale vrijheidsstraf of detentiemaatregel van meer dan zes maanden;

6. „uiteindelijke begunstigde”: de natuurlijke perso(o)n(en) die de uiteindelijke eigenaar is (zijn) van of het zeggenschap heeft (hebben) over de cliënt en/of de natuurlijke persoon voor wiens rekening een transactie of activiteit wordt verricht. De uiteindelijke begunstigde omvat ten minste:

a) bij vennootschappen:

i) de natuurlijke perso(o)n(en) die de uiteindelijke eigenaar is (zijn) van of zeggenschap heeft(hebben)over een juridische entiteit, via het rechtstreeks of onrechtstreeks houden van een toereikend percentage van de aandelen of stemrechten van deze juridische entiteit, met inbegrip van participatie in de vorm van toonderaandelen, waarbij het niet gaat om een op een gereglementeerde markt genoteerde vennootschap die is onderworpen aan openbaarmakingsvereisten die in overeenstemming zijn met de Gemeenschapswetgeving, of aan gelijkwaardige internationale normen; een percentage van 25 % plus een aandeel geldt als toereikend om aan dit criterium te voldoen;

ii) de natuurlijke perso(o)n(en) die op een andere wijze zeggenschap over het beheer van een juridische entiteit uitoefen(t)(en);

b) in het geval van juridische entiteiten, zoals stichtingen, en van juridische constructies, zoals trusts, die gelden beheren of uitkeren:

i) voorzover de toekomstige begunstigden reeds werden vastgelegd, de natuurlijke perso(o)n(en) die de begunstigde van 25 % of meer van het vermogen van een juridische constructie of rechtspersoon is (zijn);

ii) voorzover de afzonderlijke personen die de begunstigden van de juridische entiteit of de juridische constructie zijn, nog niet werden vastgelegd, de groep van personen in wier belang de juridische entiteit of de juridische constructie hoofdzakelijk werd opgericht of werkzaam is;

iii) de natuurlijke perso(o)n(en) die zeggenschap over 25 % of meer van het vermogen van een juridische constructie of juridische entiteit uitoefen(t)(en);

7. „aanbieder van trust- en bedrijfsdiensten”: een natuurlijke of rechtspersoon die als beroepsactiviteit enigerlei van de volgende diensten aan derden verstrekt:

a) oprichten van vennootschappen of andere rechtspersonen;

b) optreden als of regelen dat een andere persoon optreedt als directeur of secretaris van een vennootschap, deelgenoot in een deelgenootschap („partnership”) of in een soortgelijke hoedanigheid in andere rechtspersonen;

c) verschaffen van een statutaire zetel, bedrijfsadres, administratief of correspondentieadres en andere daarmee samenhangende diensten voor een vennootschap, een deelgenootschap of enigerlei andere rechtspersoon of juridische constructie;

d) optreden als of regelen dat een andere persoon optreedt als trustee van een express trust of van een soortgelijke juridische constructie;

e) optreden als of regelen dat een andere persoon optreedt als gevolmachtigde aandeelhouder voor een andere persoon waarbij het niet gaat om een op een gereglementeerde markt genoteerde vennootschap die is onderworpen aan openbaarmakingsvereisten die in overeenstemming zijn met de Gemeenschapswetgeving, of aan gelijkwaardige internationale normen;

8. „politiek prominente personen”: natuurlijke personen die een prominente publieke functie bekleden of hebben bekleed en directe familieleden of naaste geassocieerden van deze personen;

9. „zakelijke relatie”: een zakelijke, professionele of commerciële relatie die verband houdt met de professionele activiteiten van de instellingen en personen die onder deze richtlijn vallen en waarvan op het tijdstip dat het contact wordt gelegd wordt aangenomen dat zij enige tijd zal duren;

10. „Shell bank”: een kredietinstelling, of een instelling die zich met soortgelijke activiteiten bezig houdt, opgericht in een rechtsgebied waar zij geen fysieke aanwezigheid, d.w.z. een bestuur en beheer van betekenis heeft, en die niet verbonden is met een onder toezicht staande financiële groep.

Artikel 4

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de bepalingen van deze richtlijn geheel of ten dele worden uitgebreid tot andere beroepen en categorieën ondernemingen dan de in artikel 2, lid 1, genoemde instellingen en personen, die zich bezighouden met activiteiten die zich zeer in het bijzonder lenen voor het witwassen van geld of voor financiering van terrorisme.

2.  Wanneer een lidstaat besluit de bepalingen van deze richtlijn uit te breiden tot andere beroepen en categorieën ondernemingen dan die waarnaar in artikel 2, lid 1, wordt verwezen, stelt hij de Commissie daarvan in kennis.

Artikel 5

De lidstaten kunnen op het door deze richtlijn bestreken gebied strengere bepalingen aannemen of handhaven om het witwassen van geld en financiering van terrorisme te voorkomen.



HOOFDSTUK II

KLANTENONDERZOEK („CUSTOMER DUE DILIGENCE”)



AFDELING 1

Algemene bepalingen

Artikel 6

De lidstaten verbieden hun kredietinstellingen en financiële instellingen anonieme rekeningen of anonieme spaarboekjes bij te houden. In afwijking van artikel 9, lid 6, vereisen de lidstaten in alle gevallen dat de eigenaars en begunstigden van bestaande anonieme rekeningen of anonieme spaarboekjes, zo spoedig mogelijk en in ieder geval voordat dergelijke rekeningen of spaarboekjes op enigerlei wijze worden gebruikt, worden onderworpen aan de vereisten inzake klantenonderzoek.

Artikel 7

De onder deze richtlijn vallende instellingen en personen passen in de volgende gevallen de klantenonderzoeksvereisten toe:

a) wanneer zij een zakelijke relatie aangaan;

b) wanneer zij occasionele transacties ten bedrage van 15 000 EUR of meer verrichten, ongeacht of een dergelijke transactie plaatsvindt in één verrichting of via meer verrichtingen waartussen een verband lijkt te bestaan;

c) wanneer er een vermoeden van witwassen of financiering van terrorisme bestaat, ongeacht of er sprake is van enigerlei derogatie, vrijstelling of drempel;

d) wanneer wordt betwijfeld of de eerder verkregen cliëntidentificatiegegevens waarheidsgetrouw of adequaat zijn.

Artikel 8

1.  De klantenonderzoeksprocedures omvatten:

a) identificeren van de cliënt en verifiëren van zijn identiteit op basis van documenten, gegevens of inlichtingen uit betrouwbare en onafhankelijke bron;

b) in voorkomend geval, identificeren van de uiteindelijke begunstigde en nemen van op risico gebaseerde en adequate maatregelen om zijn identiteit te verifiëren, zodat de instelling of persoon die onder het toepassingsgebied van deze richtlijn valt overtuigd is dat zij of hij weet wie de uiteindelijke begunstigde is, en, wanneer het rechtspersonen, trusts en soortgelijke juridische constructies betreft, nemen van op risico gebaseerde en adequate maatregelen om inzicht te verwerven in de eigendoms- en zeggenschapsstructuur van de cliënt;

c) inwinnen van informatie over het doel en de beoogde aard van de zakelijke relatie;

d) verrichten van een voortdurende controle op de zakelijke relatie, met inbegrip van een nauwlettend toezicht op de tijdens de gehele duur van deze relatie verrichte transacties, teneinde te verzekeren dat deze stroken met de kennis die de instelling of persoon heeft van de cliënt en van zijn zakelijk en risicoprofiel, in voorkomend geval met inbegrip van de oorsprong van de fondsen en de in haar of zijn bezit zijnde documenten, gegevens of inlichtingen doorlopend te actualiseren.

2.  De onder deze richtlijn vallende instellingen en personen passen alle in lid 1 vervatte klantenonderzoeksvereisten toe, maar kunnen de draagwijdte van deze maatregelen bepalen naar gelang van de risicogevoeligheid van het type cliënt, zakelijke relatie, product of transactie. De onder deze richtlijn vallende instellingen en personen dienen aan de in artikel 37 genoemde autoriteiten, met inbegrip van zelfregulerende instanties, te kunnen aantonen dat de draagwijdte van de maatregelen afgestemd is op het risico van witwassen of financiering van terrorisme.

Artikel 9

1.  De lidstaten schrijven voor dat de verificatie van de identiteit van de cliënt en de uiteindelijke begunstigde plaatsvindt vóór het aangaan van een zakelijke relatie of het uitvoeren van een transactie.

2.  In afwijking van lid 1 kunnen de lidstaten toestaan dat de verificatie van de identiteit van de cliënt en de uiteindelijke begunstigde wordt voltooid tijdens het aangaan van een zakelijke relatie indien dit noodzakelijk is om de normale gang van zaken niet te verstoren en indien er weinig risico op witwassen of financiering van terrorisme bestaat. In dergelijke situaties worden deze procedures zo spoedig mogelijk na het eerste contact voltooid.

3.  In afwijking van de leden 1 en 2 kunnen de lidstaten met betrekking tot de levensverzekeringsbranche toestaan dat de verificatie van de identiteit van de begunstigde van de polis plaatsvindt nadat de zakelijke relatie is aangegaan. In alle dergelijke gevallen dient de verificatie plaats te vinden op of vóór het tijdstip van uitbetaling of op of vóór het tijdstip waarop de begunstigde zijn rechten krachtens de polis wil uitoefenen.

4.  Bij wijze van uitzondering op de leden 1 en 2 kunnen de lidstaten toestaan dat een bankrekening wordt geopend, mits er adequate waarborgen zijn getroffen die garanderen dat er door de cliënt of namens de cliënt geen transacties worden verricht voordat er sprake is van volledige naleving van de hierboven vermelde bepalingen.

5.  De lidstaten vereisen dat wanneer de betrokken instelling of persoon niet bij machte is aan artikel 8, lid 1, onder a), b) en c), te voldoen, deze geen transacties via een bankrekening mag verrichten, geen zakelijke relatie mag aangaan of de transactie niet mag uitvoeren, dan wel de zakelijke relatie moet beëindigen, en moet overwegen overeenkomstig artikel 22 een melding in verband met de cliënt bij de FIE in te dienen.

De lidstaten zijn niet verplicht om voorgaande alinea toe te passen op notarissen, onafhankelijke beoefenaren van juridische beroepen, bedrijfsrevisoren, externe accountants en belastingadviseurs wanneer zij de rechtspositie van hun cliënt bepalen dan wel hem in of in verband met een rechtsgeding verdedigen of vertegenwoordigen, met inbegrip van advies over het instellen of vermijden van een rechtsgeding.

6.  De lidstaten vereisen dat de onder deze richtlijn vallende instellingen en personen de klantenonderzoeksprocedures niet alleen op alle nieuwe cliënten moeten toepassen, maar te gepasten tijde ook op bestaande cliënten naar gelang van de risicogevoeligheid van deze cliënten.

Artikel 10

1.  De lidstaten vereisen dat de identiteit van alle bezoekers van casino's die speelpenningen ter waarde van 2 000 EUR of meer aan- of verkopen, moet worden vastgesteld en geverifieerd.

2.  Casino's die onder overheidstoezicht staan, worden in elk geval geacht klantenonderzoeksvereisten te hebben nageleefd wanneer zij de identiteit van hun bezoekers meteen bij of vóór het betreden van het casino registreren, vaststellen en verifiëren, ongeacht het bedrag van de gekochte speelpenningen.



AFDELING 2

Vereenvoudigd klantenonderzoek

Artikel 11

1.  In afwijking van artikel 7, onder a), b) en d), artikel 8 en artikel 9, lid 1, zijn de onder deze richtlijn vallende instellingen en personen niet aan de in die artikelen bedoelde voorschriften onderworpen indien de cliënt een onder deze richtlijn vallende kredietinstelling of financiële instelling is, dan wel een kredietinstelling of financiële instelling die gevestigd is in een derde land dat eisen stelt die gelijkwaardig zijn aan die vervat in deze richtlijn en er toezicht wordt uitgeoefend op de naleving van die voorschriften.

2.  In afwijking van artikel 7, onder a, b) en d), artikel 8 en artikel 9, lid 1, kunnen de lidstaten de onder deze richtlijn vallende instellingen en personen toestaan geen klantenonderzoek toe te passen ten aanzien van:

a) beursgenoteerde vennootschappen waarvan de effecten in een of meer lidstaten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt in de zin van Richtlijn 2004/39/EG en beursgenoteerde vennootschappen uit derde landen welke onderworpen zijn aan openbaarmakingsvereisten die in overeenstemming zijn met de Gemeenschapswetgeving;

b) uiteindelijke begunstigden van gezamenlijke rekeningen aangehouden door notarissen en andere onafhankelijke beoefenaren van juridische beroepen uit de lidstaten, of uit derde landen mits laatstgenoemde personen onderworpen zijn aan verplichtingen ter bestrijding van witwassen van geld en financiering van terrorisme die stroken met de internationale normen en er toezicht wordt uitgeoefend op de naleving van deze verplichtingen en mits de informatie over de identiteit van de uiteindelijke begunstigde op verzoek beschikbaar is voor de instellingen die optreden als depositaris van de gezamenlijke rekeningen;

c) binnenlandse overheidsinstanties;

2.  of voor iedere andere cliënt die volgens de overeenkomstig artikel 40, lid 1, onder b), vastgestelde technische criteria een laag risico op witwassen van geld of financiering van terrorisme vertegenwoordigt.

3.  In de gevallen beoogd in de leden 1 en 2 verzamelen de onder deze richtlijn vallende instellingen en personen in elk geval voldoende gegevens om vast te stellen of de cliënt voor de in die leden genoemde vrijstellingen in aanmerking komt.

▼M4

4.  De lidstaten stellen elkaar, de bij Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad ( 16 ) opgerichte Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit) (European Banking Authority — hierna de „EBA”), de bij Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad ( 17 ) opgerichte Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen) (European Insurance and Occupational Pensions Authority — hierna „de EIOPA”) en de bij Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad ( 18 ) opgerichte Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten) (European Securities and Markets Authority — hierna de „ESMA”) (gezamenlijk de European Supervisory Authorities — „de ESA”) voor zover dit relevant is voor de toepassing van deze richtlijn en overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van Verordening (EU) nr. 1093/2010, van Verordening (EU) nr. 1094/2010 en van Verordening (EU) nr. 1095/2010, alsmede de Commissie in kennis van de gevallen waarin zij van mening zijn dat een derde land voldoet aan de in leden 1 en 2 bepaalde voorwaarden of van andere situaties die voldoen aan de overeenkomstig artikel 40, lid 1, onder b), vastgestelde technische criteria.

▼B

5.  In afwijking van artikel 7, onder a), b en d), artikel 8 en artikel 9, lid 1, kunnen de lidstaten de onder deze richtlijn vallende instellingen en personen toestaan geen klantenonderzoeksprocedures toe te passen ten aanzien van:

a) levensverzekeringsovereenkomsten wanneer het bedrag van de te betalen jaarlijkse premie 1 000 EUR of minder bedraagt, of wanneer het bedrag van de eenmalige premie 2 500 EUR of minder beloopt;

b) pensioenverzekeringsovereenkomsten, mits deze overeenkomsten geen afkoopclausule omvatten en niet als waarborg voor een lening kunnen worden gebruikt;

c) een pensioenstelsel, een pensioenfonds of een soortgelijk stelsel dat pensioenen uitkeert aan werknemers, waarbij de bijdragen worden ingehouden op het loon en de regels van het stelsel de deelnemers niet toestaan hun rechten uit hoofde van het stelsel over te dragen;

▼M3

d) elektronisch geld als gedefinieerd in artikel 2, punt 2, van Richtlijn 2009/110/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld ( 19 ), waarbij, indien heroplading niet mogelijk is, het maximumbedrag dat elektronisch op de drager is opgeslagen niet meer dan 250 EUR bedraagt; of, indien heroplading mogelijk is, een limiet van 2 500 EUR geldt voor het totaalbedrag aan transacties die in een kalenderjaar worden verricht, behalve indien op verzoek van de houder van het elektronisch geld een bedrag van 1 000 EUR of meer in datzelfde kalenderjaar is terugbetaald, overeenkomstig artikel 11 van Richtlijn 2009/110/EG. Met betrekking tot nationale betalingstransacties kunnen de lidstaten of hun bevoegde autoriteiten het bedrag van 250 EUR waarnaar in dit punt wordt verwezen, verhogen tot maximaal 500 EUR.

▼B

5.  of voor ieder ander product of iedere andere transactie die volgens de overeenkomstig artikel 40, lid 1, onder b), vastgestelde technische criteria een laag risico op witwassen van geld of financiering van terrorisme vertegenwoordigt.

Artikel 12

Wanneer de Commissie een besluit neemt op grond van artikel 40, lid 4, verbieden de lidstaten de onder deze richtlijn vallende instellingen en personen vereenvoudigde klantenonderzoek toe te passen ten aanzien van de kredietinstellingen, financiële instellingen en beursgenoteerde vennootschappen uit het betrokken derde land of andere entiteiten naar aanleiding van situaties die voldoen aan de overeenkomstig artikel 40, lid 1, onder b), vastgestelde technische criteria.



AFDELING 3

Verscherpt klantenonderzoek

Artikel 13

1.  De lidstaten vereisen dat de onder deze richtlijn vallende instellingen en personen al naar gelang de risicogevoeligheid, bovenop de in artikel 7, artikel 8 en artikel 9, lid 6, omschreven maatregelen, verscherpte klantenonderzoeksmaatregelen treffen in situaties die omwille van hun aard een hoger risico op witwassen of financiering van terrorisme kunnen vertegenwoordigen en ten minste voor de situaties bepaald in de leden 2, 3, 4 en voor iedere andere situatie die volgens de overeenkomstig artikel 40, lid 1, onder c), vastgestelde technische criteria een hoog risico op witwassen van geld of financiering van terrorisme meebrengt.

2.  Wanneer de cliënt niet fysiek aanwezig was voor de identificatie, vereisen de lidstaten dat voornoemde instellingen en personen specifieke en adequate maatregelen nemen om het hogere risico te compenseren, door bijvoorbeeld een of meer van de volgende maatregelen toe te passen:

a) het waarborgen dat de identiteit van de cliënt aan de hand van aanvullende documenten, gegevens of informatie wordt vastgesteld;

b) aanvullende maatregelen om de overgelegde documenten te verifiëren of te certificeren, dan wel vereisen van een tot bevestiging strekkende certificatie van een onder deze richtlijn vallende kredietinstelling of financiële instelling;

c) waarborgen dat de eerste betaling van de verrichting geschiedt via een rekening die op naam van de cliënt bij een kredietinstelling is geopend.

3.  Wat grensoverschrijdende correspondentbankrelaties met respondente instellingen uit derde landen betreft, vereisen de lidstaten van hun kredietinstellingen dat zij:

a) voldoende informatie over de betrokken respondente instelling verzamelen om een volledig beeld te krijgen van de aard van de bedrijfsactiviteiten van deze respondenten, en op basis van openbaar beschikbare informatie de reputatie van de instelling en de kwaliteit van het toezicht bepalen;

b) de controles ter bestrijding van witwassen en financiering van terrorisme van de respondente instelling beoordelen;

c) toestemming verkrijgen van de hoge bedrijfsleiding (senior management) voordat zij nieuwe correspondentbankrelaties aangaan;

d) de respectieve verantwoordelijkheden van elke instelling schriftelijk vastleggen;

e) met betrekking tot transitrekeningen („payable-through accounts”) zich ervan vergewissen dat de respondente kredietinstelling de identiteit heeft geverifieerd van en doorlopende doorlichting toepast ten aanzien van de cliënten die rechtstreeks toegang hebben tot de correspondentrekeningen en dat zij in staat is om op verzoek de relevante cliëntgegevens te verstrekken aan de correspondente instelling.

4.  Wat de transacties of zakelijke relaties met politiek prominente personen betreft, die in een andere lidstaat of in een derde land wonen, vereisen de lidstaten van de onder deze richtlijn vallende instellingen en personen dat zij:

a) over passende op risico gebaseerde procedures beschikken om uit te maken of een cliënt een politiek prominente persoon is;

b) toestemming hebben van de hoge bedrijfsleiding om zakelijke relaties met dergelijke cliënten aan te gaan;

c) adequate maatregelen nemen om de bron van het vermogen en van de fondsen vast te stellen die bij de zakelijke relatie of transactie worden gebruikt;

d) de zakelijke relatie doorlopend verscherpt controleren.

5.  De lidstaten verbieden kredietinstellingen een correspondentbankrelatie aan te gaan of handhaven met een „shell bank” en vereisen dat kredietinstellingen passende maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat zij geen correspondentbankrelaties aangaan of handhaven met een bank waarvan bekend is dat deze een shell bank toestaat van haar rekeningen gebruik te maken.

6.  De lidstaten zien erop toe dat de onder deze richtlijn vallende instellingen en personen bijzonder waakzaam zijn voor elke dreiging van witwassen of financiering van terrorisme die kan voortvloeien van producten of transacties die anonimiteit in de hand kunnen werken, en indien nodig maatregelen nemen om te voorkomen dat van deze producten of transacties gebruik wordt gemaakt voor witwas- of terrorismefinancieringsdoeleinden.



AFDELING 4

Uitvoering van klantenonderzoek door derden

Artikel 14

De lidstaten kunnen onder deze richtlijn vallende instellingen en personen toestaan op derden een beroep te doen om de in artikel 8, lid 1, onder a), b) en c), neergelegde vereisten te vervullen. De uiteindelijke verantwoordelijkheid voor het nakomen van deze vereisten blijft evenwel berusten bij de onder deze richtlijn vallende instelling of persoon die op een derde een beroep doet.

Artikel 15

▼M1

1.  Wanneer een lidstaat toestaat dat op zijn op eigen grondgebied gevestigde krediet- en financiële instellingen, bedoeld in artikel 2, lid 1, punt 1 of punt 2, een beroep wordt gedaan als derden, staat die lidstaat deze instellingen en personen in elk geval toe de uitkomst van de in artikel 8, lid 1, onder a) tot en met c), vastgelegde klantenonderzoeksprocedures die door een in artikel 2, lid 1, punt 1 of punt 2, bedoelde instelling (met uitzondering van wisselkantoren en instellingen omschreven in artikel 4, punt 4, van Richtlijn 2007/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 betreffende betalingsdiensten in de interne markt ( 20 ) die hoofdzakelijk de betalingsdiensten verlenen als bedoeld in punt 6 van de bijlage bij die richtlijn, met inbegrip van de natuurlijke en rechtspersonen waarvoor een ontheffing overeenkomstig artikel 26 van die richtlijn is verleend), overeenkomstig deze richtlijn in een andere lidstaat zijn uitgevoerd en die aan de vereisten van de artikelen 16 en 18 voldoen, te erkennen en te aanvaarden, overeenkomstig het bepaalde in artikel 14, ook al zijn de documenten of gegevens voor het vervullen van deze vereisten verschillend van die welke vereist zijn in de lidstaat waarnaar de cliënt wordt doorverwezen.

2.  Wanneer een lidstaat toestaat dat op zijn op eigen grondgebied gevestigde wisselkantoren, bedoeld in artikel 3, punt 2, onder a), en betalingsinstellingen als omschreven in artikel 4, punt 4, van Richtlijn 2007/64/EG markt die hoofdzakelijk de betalingsdiensten verlenen als bedoeld in punt 6 van de bijlage bij die richtlijn, een beroep wordt gedaan als derden, staat die lidstaat deze wisselkantoren en geldovermakingskantoren in elk geval toe de uitkomst van de in artikel 8, lid 1, onder a) tot en met c), vastgelegde klantenonderzoeksprocedures die door dezelfde categorie instellingen van een andere lidstaat overeenkomstig deze richtlijn zijn uitgevoerd en die aan de vereisten van de artikelen 16 en 18 van deze richtlijn voldoen, te erkennen en te aanvaarden, overeenkomstig het bepaalde in artikel 14 van deze richtlijn, ook al zijn de documenten of gegevens voor het vervullen van deze vereisten verschillend van die welke vereist zijn in de lidstaat waarnaar de cliënt wordt doorverwezen.

▼B

3.  Wanneer een lidstaat toestaat dat op zijn op eigen grondgebied gevestigde personen, bedoeld in artikel 2, lid 1, punt 3), onder a) tot en met c), een beroep wordt gedaan als derden, staat die lidstaat deze personen in elk geval toe de uitkomst van de in artikel 8, lid 1, onder a) tot en met c), vastgelegde klantenonderzoeksprocedures die door een persoon als bedoeld in artikel 2, lid 1, punt 3, onder a) tot en met c), van een andere lidstaat overeenkomstig deze richtlijn zijn uitgevoerd en die aan de vereisten van de artikelen 16 en 18 voldoen, te erkennen en te aanvaarden, overeenkomstig het bepaalde in artikel 14, ook al zijn de documenten of gegevens voor het vervullen van deze vereisten verschillend van die welke vereist zijn in de lidstaat waarnaar de cliënt wordt doorverwezen.

Artikel 16

1.  Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder „derden” het volgende verstaan: in artikel 2 opgesomde instellingen en personen, of gelijkwaardige in een derde land gevestigde instellingen en personen, die aan de volgende vereisten voldoen:

a) zij zijn onderworpen aan een verplichte professionele registratie, erkend bij wet;

b) zij passen klantenonderzoeksvereisten en vereisten betreffende de bewaring van bewijsstukken toe welke overeenkomen met of gelijkwaardig zijn aan die voorgeschreven bij deze richtlijn en op de naleving van de voorschriften van deze richtlijn toezicht wordt uitgeoefend overeenkomstig afdeling 2 van hoofdstuk V, of zij bevinden zich in een derde land dat eisen stelt die gelijkwaardig zijn aan die vervat in deze richtlijn.

▼M4

2.  De lidstaten stellen elkaar, de ESA voor zover dit relevant is voor de toepassing van deze richtlijn en overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van Verordening (EU) nr. 1093/2010, van Verordening (EU) nr. 1094/2010, en van Verordening (EU) nr. 1095/2010, alsmede de Commissie in kennis van de gevallen waarin zij van mening zijn dat een derde land voldoet aan de voorwaarden in lid 1, onder b).

▼B

Artikel 17

Wanneer de Commissie een besluit neemt op grond van artikel 40, lid 4, verbieden de lidstaten de onder deze richtlijn vallende instellingen en personen een beroep te doen op derden uit het betrokken derde land om de in artikel 8, lid 1, onder a) tot en met c), neergelegde vereisten na te leven.

Artikel 18

1.  De overeenkomstig de vereisten van artikel 8, lid 1, onder a) tot en met c), gevraagde informatie wordt door de betrokken derde onmiddellijk beschikbaar gesteld aan de instelling of de persoon naar wie de cliënt wordt doorverwezen.

2.  Relevante kopieën van identificatie- en verificatiegegevens en andere relevante documentatie over de identiteit van de cliënt of de uiteindelijke begunstigde worden op verzoek door de betrokken derde onmiddellijk doorgestuurd naar de instelling of persoon naar wie de cliënt wordt doorverwezen.

Artikel 19

Deze afdeling is niet van toepassing op de uitbestedings- of agentuurverhouding waarbij de aanbieder van de uitbestede dienst of de agent op grond van een contractuele overeenkomst moet worden beschouwd als onderdeel van de onder deze richtlijn vallende instelling of persoon.



HOOFDSTUK III

MELDINGSPLICHT



AFDELING 1

Algemene bepalingen

Artikel 20

De lidstaten vereisen dat de onder deze richtlijn vallende instellingen en personen bijzondere aandacht besteden aan elke activiteit die zij van nature bijzonder geschikt achten om verband te houden met witwassen van geld of met financiering van terrorisme, en met name aan complexe of ongewoon grote transacties en alle ongebruikelijke transactiepatronen zonder een duidelijk economisch of merkbaar rechtmatig doel.

Artikel 21

1.  Elke lidstaat richt een FIE op om het witwassen van geld en financiering van terrorisme effectief te bestrijden.

2.  Deze FIE wordt opgezet als een centrale, nationale eenheid. Zij is verantwoordelijk voor de ontvangst (en, voorzover toegestaan, het opvragen) het analyseren en het verspreiden onder de bevoegde autoriteiten van informatie die betrekking heeft op vermoedelijke gevallen van witwassen van geld of van financiering van terrorisme, of die krachtens een nationale wetgeving of regeling is vereist. Zij beschikt over adequate middelen om haar taken naar behoren te vervullen.

3.  De lidstaten zien erop toe dat de FIE rechtstreeks of onrechtstreeks, en tijdig, toegang krijgt tot de financiële, administratieve en wetshandhavingsinformatie die zij nodig heeft om haar taken naar behoren te vervullen.

Artikel 22

1.  De lidstaten vereisen dat de onder deze richtlijn vallende instellingen en personen en, in voorkomend geval, de leiding en werknemers daarvan ten volle samenwerken:

a) door de FIE, rechtstreeks en onmiddellijk, uit eigen beweging, op de hoogte te brengen wanneer de onder deze richtlijn vallende instelling of persoon weet, vermoedt of goede redenen heeft om te vermoeden dat geld wordt of werd witgewassen of dat gepoogd wordt of gepoogd werd geld wit te wassen of terrorisme te financieren,

b) door de FIE op haar verzoek onmiddellijk alle vereiste inlichtingen te verstrekken, overeenkomstig de volgens het geldende recht vastgestelde procedures.

2.  De in lid 1 bedoelde inlichtingen worden verstrekt aan de FIE van de lidstaat op het grondgebied waarvan de instelling of persoon die de inlichtingen heeft verstrekt, zich bevindt. De inlichtingen worden normaliter verstrekt door de persoon of personen die volgens de procedures van artikel 34 is of zijn aangewezen.

Artikel 23

1.  In afwijking van artikel 22, lid 1, kunnen de lidstaten, in het geval van de in artikel 2, lid 1, punt 3), onder a) en b), bedoelde personen, een passende zelfregulerende instantie van het desbetreffende beroep aanwijzen als de autoriteit die in plaats van de FIE in eerste instantie op de hoogte moet worden gesteld. Onverminderd lid 2 geeft de aangewezen zelfregulerende instantie in die gevallen de informatie onverwijld en ongefilterd aan de FIE door.

2.  De lidstaten zijn er niet toe gehouden de in artikel 22, lid 1, vervatte verplichtingen toe te passen op notarissen, onafhankelijke beoefenaren van juridische beroepen, bedrijfsrevisoren, externe accountants en belastingadviseurs met betrekking tot de inlichtingen die zij van een van hun cliënten ontvangen of over een van hun cliënten verkrijgen wanneer zij de rechtspositie van hun cliënt bepalen dan wel in of in verband met een rechtsgeding verdedigen of vertegenwoordigen, met inbegrip van advies over het instellen of vermijden van een rechtsgeding, ongeacht of dergelijke informatie vóór, gedurende of na een dergelijk geding wordt ontvangen of verkregen.

Artikel 24

1.  De lidstaten vereisen dat de onder deze richtlijn vallende instellingen en personen zich onthouden van het uitvoeren van transacties waarvan zij weten of vermoeden dat deze met witwassen van geld of financiering van terrorisme verband houden, totdat zij conform artikel 22, lid 1, onder a), de nodige maatregelen hebben getroffen. In overeenstemming met de wetgeving van de lidstaten mogen instructies worden gegeven om de transactie niet uit te voeren.

2.  Indien wordt vermoed dat een dergelijke transactie leidt tot het witwassen van geld of tot financiering van terrorisme en wanneer het niet mogelijk is zich te onthouden of indien daardoor de vervolging van de begunstigden van een vermoedelijke witwas- of terrorismefinancieringstransactie belemmerd zou worden, verstrekken de betrokken instellingen en personen de vereiste informatie onmiddellijk daarna aan de FIE.

Artikel 25

1.  De lidstaten zien erop toe dat de bevoegde autoriteiten genoemd in artikel 37 de FIE onmiddellijk inlichten indien zij tijdens inspecties bij de onder deze richtlijn vallende instellingen of personen, dan wel op enigerlei andere wijze feiten ontdekken die verband zouden kunnen houden met het witwassen van geld of de financiering van terrorisme.

2.  De lidstaten zien erop toe dat de toezichthoudende instanties die krachtens wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen zijn gemachtigd toe te zien op de effectenmarkten, deviezen en afgeleide financiële producten, de FIE inlichten indien zij feiten ontdekken die verband zouden kunnen houden met het witwassen van geld of met financiering van terrorisme.

Artikel 26

Wanneer een onder deze richtlijn vallende instelling of persoon, dan wel een werknemer of een lid van de leiding daarvan, te goeder trouw, zoals bepaald in artikel 22, lid 1, en artikel 23, de in artikelen 22 en 23 bedoelde inlichtingen verstrekt, vormt zulks geen schending van een verbod op onthulling van informatie uit hoofde van een overeenkomst of een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling en brengt zulks voor de instelling of de persoon, de werknemers of de leiding daarvan generlei aansprakelijkheid met zich.

Artikel 27

De lidstaten nemen alle passende maatregelen om de werknemers van de onder deze richtlijn vallende instellingen of personen die hetzij intern, hetzij aan de FIE vermoedens van witwassen of financiering van terrorisme melden, te beschermen tegen bedreigingen of daden van agressie.



AFDELING 2

Mededelingsverbod

Artikel 28

1.  De onder deze richtlijn vallende instellingen en personen alsmede de leiding en de werknemers daarvan mogen aan de betrokken cliënt of aan derde personen niet mededelen dat overeenkomstig de artikelen 22 en 23 inlichtingen zijn verstrekt aan de FIE of dat een onderzoek naar witwassen van geld of financiering van terrorisme wordt of kan worden uitgevoerd.

2.  Het verbod voorzien in lid 1 geldt niet voor mededelingen aan de in artikel 37 genoemde bevoegde autoriteiten, met inbegrip van de zelfregulerende instanties, of mededelingen ten behoeve van wetshandhavingsdoeleinden.

3.  Het verbod voorzien in lid 1 vormt geen belemmering voor mededelingen tussen instellingen van de lidstaten, of van derde landen mits die aan de in artikel 11, lid 1, gestelde voorwaarden voldoen, die behoren tot eenzelfde groep, als omschreven in artikel 2, punt 12, van Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende het aanvullende toezicht op kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen en beleggingsondernemingen in een financieel conglomeraat ( 21 ).

4.  Het verbod voorzien in lid 1 vormt geen belemmering voor mededelingen tussen de in artikel 2, lid 1, punt 3, onder a) en b), bedoelde personen van de lidstaten, of van derde landen die eisen stellen die gelijkwaardig zijn aan die vervat in deze richtlijn, die hun beroepsactiviteiten, al dan niet als werknemer, uitoefenen binnen eenzelfde rechtspersoon of een netwerk. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een „netwerk” verstaan: de grotere structuur waartoe de persoon behoort die eigendom, beheer, en controle op de naleving van de verplichtingen gezamenlijk deelt.

5.  Voor instellingen of personen vermeld in artikel 2, lid 1, punt 1, punt 2, en punt 3, onder a) en b), in gevallen betreffende dezelfde cliënt en dezelfde transactie waarbij twee of meer instellingen of personen betrokken zijn, vormt het verbod voorzien in lid 1 geen belemmering voor mededelingen tussen de desbetreffende instellingen of personen, mits zij in een lidstaat gevestigd zijn, of in een derde land dat eisen stelt die gelijkwaardig zijn aan die vervat in deze richtlijn en onderworpen aan gelijkwaardige verplichtingen op het gebied van het beroepsgeheim en de bescherming van persoonsgegevens, en tot dezelfde beroepscategorie behoren. De uitgewisselde gegevens worden uitsluitend gebruikt voor de preventie van witwassen van geld en financiering van terrorisme.

6.  Wanneer de in artikel 2, lid 1, punt 3, onder a) en b), bedoelde personen trachten een cliënt te doen afzien van een onwettige activiteit, wordt zulks niet als een mededeling in de zin van de eerste alinea aangemerkt.

▼M4

7.  De lidstaten stellen elkaar, de ESA voor zover dit relevant is voor de toepassing van deze richtlijn en overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van Verordening (EU) nr. 1093/2010, van Verordening (EU) nr. 1094/2010, en van Verordening (EU) nr. 1095/2010, alsmede de Commissie in kennis van de gevallen waarin zij van mening zijn dat een derde land voldoet aan de voorwaarden in de leden 3, 4 of 5.

▼B

Artikel 29

Wanneer de Commissie een besluit neemt op grond van artikel 40, lid 4, verbieden de lidstaten mededelingen tussen de onder deze richtlijn vallende instellingen en personen, en instellingen en personen van het betrokken derde land.



HOOFDSTUK IV

BEWARING VAN BEWIJSSTUKKEN EN STATISTISCHE GEGEVENS

Artikel 30

De lidstaten vereisen van de onder deze richtlijn vallende instellingen en personen dat zij de volgende documenten en inlichtingen bewaren met het oog op het gebruik ervan bij een onderzoek naar, of een analyse van, mogelijk witwassen van geld of financiering van terrorisme, door de FIE of andere bevoegde autoriteiten overeenkomstig het nationaal recht:

a) wat de klantenonderzoeksprocedure betreft, afschriften van of verwijzingen naar de vereiste stukken, gedurende een periode van ten minste vijf jaar na beëindiging van de zakelijke relatie met hun cliënt;

b) wat de zakelijke relaties en transacties betreft, de bewijsstukken en registratie, zijnde de originele stukken of de afschriften die krachtens hun nationale wetgeving eenzelfde bewijskracht hebben, gedurende ten minste vijf jaar na uitvoering van de transacties of beëindiging van de zakelijke relatie.

Artikel 31

1.  De lidstaten vereisen dat de onder deze richtlijn vallende kredietinstellingen en financiële instellingen, in voorkomend geval, voor hun in derde landen gevestigde bijkantoren en dochterondernemingen waarin zij een meerderheidsbelang hebben, ten aanzien van de klantenonderzoeksmaatregelen en de maatregelen op het gebied van de bewaring van bewijsstukken maatregelen toepassen die ten minste gelijkwaardig zijn aan die waarin deze richtlijn voorziet.

Wanneer de wetgeving van het betrokken derde land de toepassing van dergelijke gelijkwaardige maatregelen niet toelaat, vereisen de lidstaten van de betrokken krediet- en financiële instellingen dat zij de bevoegde autoriteiten van de relevante lidstaat van herkomst daarvan in kennis stellen.

▼M4

2.  De lidstaten, de ESA voor zover dit relevant is voor de toepassing van deze Richtlijn en overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van Verordening (EU) nr. 1093/2010, van Verordening (EU) nr. 1094/2010, en van Verordening (EU) nr. 1095/2010, alsmede de Commissie stellen elkaar in kennis van gevallen waarin de wetgeving van het derde land de toepassing van de in eerste alinea van lid 1 bedoelde maatregelen in de weg staat en waarin gecoördineerde actie kan worden overwogen om een oplossing te vinden.

▼B

3.  De lidstaten vereisen dat, indien de wetgeving van een derde land niet toestaat dat de krachtens de eerste alinea van lid 1 vereiste maatregelen worden toegepast, de krediet- en financiële instellingen extra maatregelen nemen om het risico van witwassen van geld of van financiering van terrorisme doeltreffend te bestrijden.

▼M4

4.  Om een consequente harmonisatie van dit artikel te waarborgen en om rekening te houden met de technische ontwikkelingen bij de bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme kunnen de ESA, rekening houdend met het bestaande kader en, in voorkomend geval, in samenwerking met andere bevoegde EU-organen op het gebied van de bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, ontwerpen van technische reguleringsnormen opstellen overeenkomstig artikel 56 van respectievelijk Verordening (EU) nr. 1093/2010, van Verordening (EU) nr. 1094/2010 en van Verordening (EU) nr. 1095/2010, ter nadere bepaling van het in lid 3 van dit artikel bedoelde type extra maatregelen, alsook van de minimale actie die door krediet- en financiële instellingen moet worden ondernomen indien de wetgeving van het derde land de toepassing van de in het kader van de eerste alinea van lid 1 van dit artikel vereiste maatregelen niet toelaat.

4.  Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010, vast te stellen.

▼B

Artikel 32

De lidstaten vereisen dat hun kredietinstellingen en financiële instellingen beschikken over systemen die hen in staat stellen ten volle en snel te reageren op verzoeken van de FIE, of van andere autoriteiten, overeenkomstig hun nationaal recht, om te antwoorden op de vraag of zij een zakelijke relatie onderhouden of in de afgelopen vijf jaar een zakelijke relatie onderhouden hebben met een gespecificeerde natuurlijke of rechtspersoon en op vragen over de aard van deze relatie.

Artikel 33

1.  De lidstaten zien erop toe dat zij in staat zijn de doeltreffendheid van hun systemen ter bestrijding van het witwassen van geld of van financiering van terrorisme te beoordelen door uitgebreide statistische gegevens op te stellen over aangelegenheden die relevant zijn voor de doeltreffendheid van deze systemen.

2.  Deze statistische gegevens hebben ten minste betrekking op het aantal meldingen van verdachte transacties aan de FIE en het gevolg dat aan deze meldingen is gegeven, en verschaffen tevens een indicatie op jaarbasis over het aantal onderzochte gevallen, het aantal personen dat is vervolgd en veroordeeld voor strafbare feiten in verband met witwassen van geld of financiering van terrorisme en de hoeveelheid van de bevroren, in beslag genomen of verbeurdverklaarde voorwerpen.

3.  De lidstaten zorgen ervoor dat een geconsolideerd overzicht van hun statistische verslagen wordt gepubliceerd.



HOOFDSTUK V

HANDHAVINGSMAATREGELEN



AFDELING 1

Interne procedures, opleiding en feedback

Artikel 34

1.  De lidstaten vereisen dat de onder deze richtlijn vallende instellingen en personen adequate en passende beleidslijnen en procedures invoeren op het gebied van het klantenonderzoek, de melding van verdachte transacties, het bewaren van bewijsstukken, de interne controle, de risicobeoordeling, het nalevingsbeheer („compliance”) en de communicatie om verrichtingen die met het witwassen van geld of met financiering van terrorisme verband houden, te voorkomen en te verhinderen.

2.  De lidstaten vereisen dat de onder deze richtlijn vallende krediet- en financiële instellingen de desbetreffende beleidslijnen en procedures in voorkomend geval meedelen aan hun in derde landen gevestigde bijkantoren en dochterondernemingen waarin zij een meerderheidsbelang hebben.

▼M4

3.  Met het oog op een consequente harmonisatie van deze richtlijn en om rekening te houden met de technische ontwikkelingen bij de bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme kunnen de ESA, rekening houdend met het bestaande kader en, in voorkomend geval, in samenwerking met andere bevoegde Unieorganen op dat gebied, ontwerpen van technische reguleringsnormen opstellen overeenkomstig artikel 56 van Verordening (EU) nr. 1093/2010, van Verordening (EU) nr. 1094/2010 en van Verordening (EU) nr. 1095/2010 om de minimale inhoud van de in lid 2 bedoelde mededeling nader te bepalen.

3.  Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 vast te stellen..

▼B

Artikel 35

1.  De lidstaten vereisen dat de onder deze richtlijn vallende instellingen en personen de passende maatregelen treffen om hun betrokken werknemers met de op grond van deze richtlijn geldende bepalingen bekend te maken.

Deze maatregelen houden onder meer in dat de betrokken werknemers deelnemen aan speciale voortdurende opleidingsprogramma's om de verrichtingen te leren onderkennen die met het witwassen van geld of financiering van terrorisme verband kunnen houden en te leren hoe in die gevallen moet worden gehandeld.

Indien een natuurlijke persoon die onder een van de in artikel 2, lid 1, punt 3, opgesomde categorieën valt, zijn beroepsactiviteiten uitoefent als werknemer van een rechtspersoon, zijn de in deze afdeling genoemde verplichtingen van toepassing op die rechtspersoon in plaats van op de natuurlijke persoon.

2.  De lidstaten zien erop toe dat de onder deze richtlijn vallende instellingen en personen toegang krijgen tot actuele informatie over de praktijken van witwassers of financiers van terrorisme en over aanwijzingen om verdachte verrichtingen te kunnen herkennen.

3.  De lidstaten zien erop toe dat, voorzover mogelijk, tijdig feedback wordt verstrekt over de doeltreffendheid en de follow-up van meldingen van vermoedens van witwassen of financiering van terrorisme.



AFDELING 2

Toezicht

Artikel 36

1.  De lidstaten bepalen dat wisselkantoren en aanbieders van trust- en bedrijfsdiensten over een vergunning moeten beschikken of in een register ingeschreven moeten zijn en dat casino's over een vergunning moeten beschikken om hun bedrijfsactiviteiten op wettige wijze te kunnen uitoefenen. ►M1  ————— ◄

2.  De lidstaten vereisen van de bevoegde autoriteiten dat deze weigeren de in lid 1 bedoelde entiteiten vergunning te verlenen of in een register in te schrijven indien zij er niet van overtuigd zijn dat de personen die het bedrijf van deze entiteiten feitelijk leiden of zullen leiden, dan wel de uiteindelijke begunstigden van deze entiteiten, betrouwbare en deskundige („fit and proper”) personen zijn.

Artikel 37

1.  De lidstaten vereisen van de bevoegde autoriteiten dat zij ten minste effectief controleren of de in deze richtlijn gestelde eisen worden nageleefd door alle instellingen en personen die onder deze richtlijn vallen en de nodige maatregelen nemen om die naleving te waarborgen.

2.  De lidstaten zien erop toe dat de bevoegde autoriteiten over de adequate bevoegdheden beschikken, met inbegrip van de mogelijkheid tot het afdwingen van het verstrekken van elke informatie die van belang is voor het toezicht op de naleving en het uitvoeren van controles, en over adequate middelen beschikken om hun taken te vervullen.

3.  In het geval van kredietinstellingen, financiële instellingen en casino's hebben de bevoegde autoriteiten versterkte toezichthoudende bevoegdheden, met name de mogelijkheid om inspecties ter plaatse uit te voeren.

4.  In het geval van de in artikel 2, lid 1, punt 3, onder a) tot en met e), genoemde natuurlijke en rechtspersonen mogen de lidstaten toestaan dat de in lid 1 bedoelde taken worden verricht op basis van de risicogevoeligheid.

5.  In het geval van de in artikel 2, lid 1, punt 3, onder a) en b), bedoelde personen mogen de lidstaten toestaan dat de in lid 1 bedoelde taken worden verricht door zelfregulerende instanties, mits die voldoen aan lid 2.



AFDELING 3

Samenwerking

▼M4

Artikel 37 bis

1.  De bevoegde autoriteiten werken voor de toepassing van deze richtlijn samen met de ESA, overeenkomstig respectievelijk Verordening (EU) nr. 1093/2010, Verordening (EU) nr. 1094/2010 en Verordening (EU) nr. 1095/2010.

2.  De bevoegde autoriteiten verstrekken de ESA alle informatie die zij nodig hebben voor de uitoefening van hun taken overeenkomstig deze richtlijn en overeenkomstig respectievelijk Verordening (EU) nr. 1093/2010, Verordening (EU) nr. 1094/2010 en Verordening (EU) nr. 1095/2010..

▼B

Artikel 38

De Commissie verleent de bijstand die nodig is om de coördinatie te vergemakkelijken, met inbegrip van de uitwisseling van gegevens tussen FIE's in de Gemeenschap.



AFDELING 4

Sancties

Artikel 39

1.  De lidstaten zien erop toe dat onder deze richtlijn vallende natuurlijke en rechtspersonen aansprakelijk kunnen worden gesteld voor inbreuken op de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

2.  Onverminderd het recht van de lidstaten tot het opleggen van strafrechtelijke sancties, zien de lidstaten erop toe dat overeenkomstig hun nationale wetgeving passende administratieve maatregelen of administratieve sancties kunnen worden opgelegd aan kredietinstellingen en financiële instellingen voor inbreuken op de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde bepalingen. De lidstaten zien erop toe dat deze maatregelen of sancties doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

3.  In het geval van rechtspersonen zorgen de lidstaten er voor dat deze ten minste aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de in het lid 1 bedoelde inbreuken die in hun belang gepleegd zijn door iemand die hetzij als individu, hetzij als lid van een orgaan van de rechtspersoon handelt en die binnen de rechtspersoon een leidende positie bekleedt, op basis van:

a) de bevoegdheid om de rechtspersoon te vertegenwoordigen,

b) de bevoegdheid om namens de rechtspersoon beslissingen te nemen,

c) de bevoegdheid om binnen de rechtspersoon controle uit te oefenen.

4.  Bovenop de reeds in lid 3 genoemde gevallen, zien de lidstaten erop toe dat een rechtspersoon aansprakelijk kan worden gesteld wanneer, bij gebreke van toezicht of controle door een in lid 3 bedoelde persoon, de in lid 1 bedoelde inbreuken konden worden gepleegd ten voordele van deze rechtspersoon door een onder het gezag van deze rechtspersoon staande persoon.



HOOFDSTUK VI

▼M4

GEDELEGEERDE HANDELINGEN EN UITVOERINGSMAATREGELEN

▼B

Artikel 40

▼M4

1.  Teneinde rekening te houden met de technische ontwikkelingen bij de bestrijding van het witwassen van geld en van financiering van terrorisme en de in deze richtlijn bedoelde voorschriften nader te omschrijven, kan de Commissie de volgende maatregelen vaststellen:

▼B

a) verduidelijking van de technische aspecten van de definities vervat in artikel 3, lid 2, onder a) en d), punten 6, 7, 8, 9 en 10;

b) vaststelling van technische criteria om te beoordelen of situaties een laag risico voor witwassen van geld of financiering van terrorisme opleveren, zoals bedoeld in artikel 11, leden 2 en 5;

c) vaststelling van technische criteria om te beoordelen of situaties een hoog risico voor witwassen van geld of financiering van terrorisme opleveren, zoals bedoeld in artikel 13;

d) vaststelling van technische criteria om te beoordelen of het, conform artikel 2, lid 2, gerechtvaardigd is deze richtlijn niet toe te passen op bepaalde rechtspersonen of natuurlijke personen die slechts occasioneel of op zeer beperkte basis financiële activiteiten uitoefenen.

▼M4

De maatregelen worden vastgesteld middels gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 41, leden 2 bis, 2 ter en 2 quater, en onder de voorwaarden van de artikelen 41 bis en 41 ter.

▼B

2.  De Commissie neemt in elk geval de eerste uitvoeringsmaatregelen aan om uiterlijk op 15 juni 2006 gevolg te geven aan lid 1, onder b) en d).

3.  De Commissie past de bedragen in artikel 2, lid 1, punt 3, onder e), artikel 7, onder b), artikel 10, lid 1, en artikel 11, lid 5, onder a) en d), aan ►M2  ————— ◄ , rekening houdend met de communautaire wetgeving, de economische ontwikkelingen en de veranderingen in de internationale normen.

▼M4

De maatregelen worden vastgesteld middels gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 41, leden 2 bis, 2 ter en 2 quater, en onder de voorwaarden van de artikelen 41 bis en 41 ter.

▼B

4.  Indien de Commissie tot de bevinding komt dat een derde land niet voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 11, lid 1 of 2, artikel 28, lid 3, 4 of 5, of aan de maatregelen die overeenkomstig lid 1, onder b), van dit artikel of in artikel 16, lid 1, onder b), zijn vastgesteld, of dat de wetgeving van het derde land niet toestaat om de krachtens artikel 31, lid 1, eerste alinea, vereiste maatregelen toe te passen, zal het een dusdanig besluit nemen volgens de procedure van artikel 41, lid 2.

Artikel 41

1.  De Commissie wordt bijgestaan door een Comité voor de voorkoming van het witwassen van geld en financiering van terrorisme, hierna „het Comité” te noemen.

▼M4

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit, met dien verstande dat de volgens deze procedure vastgestelde maatregelen de essentiële bepalingen van deze richtlijn niet mogen wijzigen.

▼B

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt op drie maanden vastgesteld.

▼M4

2 bis.  De bevoegdheid tot vaststelling van de gedelegeerde handelingen bedoeld in artikel 40 wordt aan de Commissie verleend voor een periode van vier jaar vanaf 4 januari 2011. De Commissie stelt uiterlijk zes maanden voor het einde van de periode van vier jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt automatisch met perioden van eenzelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad de bevoegdheid intrekt overeenkomstig artikel 41 bis.

▼M4

2 ter.  Wanneer de Commissie een gedelegeerde handeling vaststelt, stelt zij het Europees Parlement en de Raad daarvan gelijktijdig in kennis.

2 quater.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie verleend onder de voorwaarden die worden gesteld in de artikelen 41 bis en 41 ter.

▼M4 —————

▼M4

Artikel 41 bis

Intrekking van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De in artikel 40 bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan te allen tijde door het Europees Parlement of de Raad worden ingetrokken.

2.  De instelling die een interne procedure is begonnen om te besluiten of zij een bevoegdheidsdelegatie wenst in te trekken, beijvert zich om de andere instelling en de Commissie hiervan binnen een redelijke termijn voordat een definitief besluit wordt genomen, op de hoogte te stellen en geeft daarbij aan welke gedelegeerde bevoegdheid mogelijk worden ingetrokken.

3.  Het besluit tot intrekking maakt een einde aan de bevoegdheidsdelegatie die in dat besluit wordt vermeld. Het besluit treedt onmiddellijk of op een latere datum die in het besluit wordt vermeld in werking. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet. Het besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 41 ter

Bezwaar tegen gedelegeerde handelingen

1.  Het Europees Parlement en de Raad kunnen tegen een gedelegeerde handeling bezwaar aantekenen binnen drie maanden na de datum van kennisgeving daarvan. Op initiatief van het Europees Parlement of de Raad wordt die termijn met drie maanden verlengd.

2.  Indien noch het Europees Parlement noch de Raad bij het verstrijken van de in lid 1 bedoelde termijn bezwaar heeft aangetekend tegen de gedelegeerde handeling, wordt deze bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en treedt zij in werking op de daarin vermelde datum.

2.  De gedelegeerde handeling kan worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en vóór het verstrijken van die termijn in werking treden indien het Europees Parlement en de Raad beide de Commissie hebben laten weten geen bezwaar te zullen aantekenen.

3.  Indien hetzij het Europees Parlement, hetzij de Raad binnen de in lid 1 bedoelde termijn bezwaar aantekent tegen de gedelegeerde handeling, treedt deze niet in werking. Overeenkomstig artikel 296 VWEU geeft de instelling die bezwaar aantekent aan om welke redenen zij dat doet.

▼B



HOOFDSTUK VII

SLOTBEPALINGEN

Artikel 42

De Commissie stelt uiterlijk op 15 december 2009 en vervolgens ten minste om de drie jaar een verslag over de toepassing van deze richtlijn op en legt dat verslag voor aan het Europees Parlement en de Raad. In het eerste verslag neemt de Commissie een specifiek onderzoek op naar de behandeling van advocaten en andere onafhankelijke beoefenaars van juridische beroepen.

Artikel 43

Uiterlijk op 15 december 2010 brengt de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de drempelpercentages in artikel 3, lid 6, waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met het mogelijke nut en de mogelijke gevolgen van een verlaging van het percentage in de punten a) i), b) i) en b) iii) van artikel 3, lid 6, van 25 % naar 20 %. Op grond van dat verslag kan de Commissie een voorstel indienen om deze richtlijn te wijzigen.

Artikel 44

Richtlijn 91/308/EEG wordt ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar deze richtlijn en worden gelezen volgens de in de bijlage opgenomen concordantietabel.

Artikel 45

1.  De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 15 december 2007 aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee, alsmede een transponeringstabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.  De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 46

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 47

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.




BIJLAGE

CONCORDANTIETABEL



Deze richtlijn

Richtlijn 91/308/EEG

Artikel 1, lid 1

Artikel 2

Artikel 1, lid 2

Artikel 1, onder C

Artikel 1, lid 2, onder a)

Artikel 1, onder C, eerste streepje

Artikel 1, lid 2, onder b)

Artikel 1, onder C, tweede streepje

Artikel 1, lid 2, onder c)

Artikel 1, onder C, derde streepje

Artikel 1, lid 2, onder d)

Artikel 1, onder C, vierde streepje

Artikel 1, lid 3

Artikel 1, onder C, derde alinea

Artikel 1, lid 4

 

Artikel 1, lid 5

Artikel 1, onder C, tweede alinea

Artikel 2, lid 1, punt 1

Artikel 2 bis, punt 1

Artikel 2, lid 1, punt 2

Artikel 2 bis, punt 2

Artikel 2, lid 1, punt 3, onder a), b) en d) tot en met f)

Artikel 2 bis, punten 3 tot en met 7

Artikel 2, lid 1, punt 3, onder c)

 

Artikel 2, lid 2

 

Artikel 3, punt 1

Artikel 1, onder A

Artikel 3, punt 2, onder a)

Artikel 1, onder B, punt 1

Artikel 3, punt 2, onder b)

Artikel 1, onder B, punt 2

Artikel 3, punt 2, onder c)

Artikel 1, onder B, punt 3

Artikel 3, punt 2, onder d)

Artikel 1, onder B, punt 4

Artikel 3, punt 2, onder e)

 

Artikel 3, punt 2, onder f)

Artikel 1, onder B, tweede alinea

Artikel 3, punt 3

Artikel 1, onder D

Artikel 3, punt 4

Artikel 1, onder E, eerste alinea

Artikel 3, punt 5

Artikel 1, onder E, tweede alinea

Artikel 3, punt 5, onder a)

 

Artikel 3, punt 5, onder b)

Artikel 1, onder E, eerste streepje

Artikel 3, punt 5, onder c)

Artikel 1, onder E, tweede streepje

Artikel 3, punt 5, onder d)

Artikel 1, onder E, derde streepje

Artikel 3, punt 5, onder e)

Artikel 1, onder E, vierde streepje

Artikel 3, punt 5, onder f)

Artikel 1, onder E, vijfde streepje en derde alinea

Artikel 3, punt 6

 

Artikel 3, punt 7

 

Artikel 3, punt 8

 

Artikel 3, punt 9

 

Artikel 3, punt 10

 

Artikel 4

Artikel 12

Artikel 5

Artikel 15

Artikel 6

 

Artikel 7, onder a)

Artikel 3, lid 1

Artikel 7, onder b)

Artikel 3, lid 2

Artikel 7, onder c)

Artikel 3, lid 8

Artikel 7, onder d)

Artikel 3, lid 7

Artikel 8, lid 1, onder a)

Artikel 3, lid 1

Artikel 8, lid 1, onder b) tot en met d)

 

Artikel 8, lid 2

 

Artikel 9, lid 1

Artikel 3, lid 1

Artikel 9, leden 2 tot en met 6

 

Artikel 10

Artikel 3, leden 5 en 6

Artikel 11, lid 1

Artikel 3, lid 9

Artikel 11, lid 2

 

Artikel 11, leden 3 en 4

 

Artikel 11, lid 5, onder a)

Artikel 3, lid 3

Artikel 11, lid 5, onder b)

Artikel 3, lid 4

Artikel 11, lid 5, onder c)

Artikel 3, lid 4

Artikel 11, lid 5, onder d)

 

Artikel 12

 

Artikel 13, leden 1 en 2

Artikel 3, leden 10 en 11

Artikel 13, leden 3 tot en met 5

 

Artikel 13, lid 6

Artikel 5

Artikel 14

 

Artikel 15

 

Artikel 16

 

Artikel 17

 

Artikel 18

 

Artikel 19

 

Artikel 20

Artikel 5

Artikel 21

 

Artikel 22

Artikel 6, leden 1 en 2

Artikel 23

Artikel 6, lid 3

Artikel 24

Artikel 7

Artikel 25

Artikel 10

Artikel 26

Artikel 9

Artikel 27

 

Artikel 28, lid 1

Artikel 8, lid 1

Artikel 28, leden 2 tot en met 7

 

Artikel 29

 

Artikel 30, onder a)

Artikel 4, eerste streepje

Artikel 30, onder b)

Artikel 4, tweede streepje

Artikel 31

 

Artikel 32

 

Artikel 33

 

Artikel 34, lid 1

Artikel 11, lid 1, onder a)

Artikel 34, lid 2

 

Artikel 35, lid 1, eerste alinea

Artikel 11, lid 1, onder b), eerste zin

Artikel 35, lid 1, tweede alinea

Artikel 11, lid 1, onder b), tweede zin

Artikel 35, lid 1, derde alinea

Artikel 11, lid 1, tweede alinea

Artikel 35, lid 2

 

Artikel 35, lid 3

 

Artikel 36

 

Artikel 37

 

Artikel 38

 

Artikel 39, lid 1

Artikel 14

Artikel 39, leden 2 tot en met 4

 

Artikel 40

 

Artikel 41

 

Artikel 42

Artikel 17

Artikel 43

 

Artikel 44

 

Artikel 45

Artikel 16

Artikel 46

Artikel 16



( 1 ) Advies van 11 mei 2005 (nog niet verschenen in het Publicatieblad).

( 2 ) PB C 40 van 17.2.2005, blz. 9.

( 3 ) Advies van het Europees Parlement van 26 mei 2005 (nog niet verschenen in het Publicatieblad) en besluit van het Europees Parlement van 19 september 2005.

( 4 ) PB L 166 van 28.6.1991, blz. 77. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 2001/97/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 344 van 28.12.2001, blz. 76).

( 5 ) PB L 182 van 5.7.2001, blz. 1.

( 6 ) PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31. Richtlijn gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).

( 7 ) PB L 271 van 24.10.2000, blz. 4.

( 8 ) PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

( 9 ) PB L 164 van 22.6.2002, blz. 3.

( 10 ) PB L 126 van 26.5.2000, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2005/1/EG (PB L 79 van 24.3.2005, blz. 9).

( 11 ) PB L 345 van 19.12.2002, blz. 1. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 2005/1/EG.

( 12 ) PB L 145 van 30.4.2004, blz. 1.

( 13 ) PB L 9 van 15.1. 2003, blz. 3.

( 14 ) PB L 351 van 29.12.1998, blz. 1.

( 15 ) PB C 316 van 27.11.1995, blz. 49.

( 16 ) PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12.

( 17 ) PB L 331 van 15.12.2010, blz. 48.

( 18 ) PB L 331 van 15.12.2010, blz. 84.

( 19 ) PB L 267 van 10.10.2009, blz. 7.

( 20 ) PB L 319 5.12.2007, blz 1;

( 21 ) PB L 35 van 11.2.2003, blz. 1.

Top