Help Print this page 

Document 02003L0006-20110104

Title and reference
Richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie (marktmisbruik)

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2003/6/2011-01-04
Multilingual display
Text

2003L0006 — NL — 04.01.2011 — 002.001


Dit document vormt slechts een documentatiehulpmiddel en verschijnt buiten de verantwoordelijkheid van de instellingen

►B

RICHTLIJN 2003/6/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 28 januari 2003

betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie (marktmisbruik)

(PB L 096, 12.4.2003, p.16)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  No

page

date

►M1

RICHTLIJN 2008/26/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 11 maart 2008

  L 81

42

20.3.2008

►M2

RICHTLIJN 2010/78/EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD Voor de EER relevante tekst van 24 november 2010

  L 331

120

15.12.2010




▼B

RICHTLIJN 2003/6/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 28 januari 2003

betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie (marktmisbruik)



HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met name op artikel 95,

Gezien het voorstel van de Commissie ( 1 ),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité ( 2 ),

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank ( 3 ),

Volgens de procedure van artikel 251 ( 4 ),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Een echte interne markt voor financiële diensten is van cruciaal belang voor economische groei en het scheppen van werkgelegenheid in de Gemeenschap.

(2)

Voor een geïntegreerde en efficiënte financiële markt is marktintegriteit nodig. Een goede werking van de effectenmarkten en vertrouwen van het publiek in de markten zijn noodzakelijke voorwaarden voor economische groei en welvaart. Marktmisbruik schaadt de integriteit van de financiële markten en schendt het vertrouwen van het publiek in effecten en derivaten.

(3)

In de mededeling van de Commissie „Tenuitvoerlegging van het kader voor financiële markten: een actieplan” van 11 mei 1999 wordt een reeks maatregelen genoemd die noodzakelijk zijn om de interne markt voor financiële diensten te voltooien. Tijdens de Europese Raad van Lissabon in april 2000 is aangedrongen op uitvoering van dit actieplan tegen 2005. In het actieplan wordt de noodzaak benadrukt om een richtlijn betreffende marktmanipulatie op te stellen.

(4)

Tijdens zijn zitting van 17 juli 2000 heeft de Raad het Comité van wijzen inzake de regulering van de Europese effectenmarkten opgericht. In zijn eindverslag stelde dit Comité van wijzen voor om nieuwe wetgevingstechnieken in te voeren op basis van een aanpak op vier niveaus, te weten kaderbeginselen, uitvoeringsmaatregelen, samenwerking en toezicht op de naleving. Niveau 1, de richtlijn, dient zich te beperken tot globale, algemene kaderbeginselen, terwijl niveau 2 technische uitvoeringsmaatregelen dient te omvatten die door de Commissie moeten worden vastgesteld, hierin bijgestaan door een comité.

(5)

De Europese Raad van Stockholm in maart 2001 heeft in zijn resolutie het eindverslag van het Comité van wijzen goedgekeurd alsmede de voorgestelde aanpak op vier niveaus om het regelgevingsproces met betrekking tot de communautaire wetgeving inzake effecten efficiënter en transparanter te maken.

(6)

In de resolutie van het Europees Parlement over de tenuitvoerlegging van de financiëledienstenwetgeving van 5 februari 2002 werd ook het verslag van het Comité van wijzen onderschreven, en wel op basis van de plechtige verklaring die op diezelfde dag door de Commissie voor het Parlement werd afgelegd en de brief van het voor de interne markt bevoegde Commissielid van 2 oktober 2001 aan de voorzitter van de Commissie economische en monetaire zaken van het Parlement met betrekking tot de garanties die het Europees Parlement bij deze procedure zullen worden geboden.

(7)

De voor de uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden ( 5 ).

(8)

Volgens de Europese Raad van Stockholm moeten de uitvoeringsmaatregelen van niveau 2 vaker worden gebruikt om ervoor te zorgen dat de technische bepalingen gelijke tred kunnen houden met de marktontwikkelingen en met de ontwikkelingen inzake toezicht, en moeten voor alle stadia van de werkzaamheden van niveau 2 termijnen worden gesteld.

(9)

Na de eerste indiening van ontwerp-uitvoeringsmaatregelen beschikt het Europees Parlement over een termijn van drie maanden om deze te behandelen en zich erover uit te spreken. In met redenen omklede, dringende gevallen kan deze termijn evenwel worden ingekort. Als het Parlement binnen deze termijn een resolutie aanneemt, behandelt de Commissie de ontwerp-uitvoeringsmaatregelen opnieuw.

(10)

Nieuwe financiële en technische ontwikkelingen — nieuwe producten, nieuwe technologieën, toenemende grensoverschrijdende activiteiten en internet — brengen meer prikkels, middelen en gelegenheden voor marktmisbruik met zich mee.

(11)

Het bestaande rechtskader van de Gemeenschap om de marktintegriteit te beschermen is onvolledig. De voorschriften lopen per lidstaat uiteen, waardoor er bij de marktdeelnemers dikwijls onzekerheid heerst over begrippen, definities en wetshandhaving. In sommige lidstaten bestaat geen wetgeving op het gebied van prijsmanipulatie en de verspreiding van misleidende informatie.

(12)

Marktmisbruik omvat handel met voorwetenschap en marktmanipulatie. De wetgeving tegen handel met voorwetenschap dient hetzelfde doel als wetgeving tegen marktmanipulatie: het waarborgen van de integriteit van de Europese financiële markten en het vergroten van het vertrouwen van de beleggers in deze markten. Het verdient derhalve de voorkeur gecombineerde regelgeving aan te nemen om zowel handel met voorwetenschap als marktmanipulatie te bestrijden. Eén enkele richtlijn voorziet de gehele Gemeenschap van één rechtskader voor de verdeling van taken, wetshandhaving en samenwerking.

(13)

Gezien de veranderingen op de financiële markten en de wijzigingen in de Gemeenschapswetgeving die zich hebben voorgedaan sinds de aanneming van Richtlijn 89/592/EEG van de Raad van 13 november 1989 tot coördinatie van de voorschriften inzake transacties van ingewijden ( 6 ), is vervanging van deze richtlijn noodzakelijk om ervoor te zorgen dat zij in overeenstemming is met de wetgeving op het gebied van marktmanipulatie. Een nieuwe richtlijn is tevens noodzakelijk om lacunes in de Gemeenschapswetgeving te voorkomen die zouden kunnen worden gebruikt voor onrechtmatig gedrag en die het vertrouwen van het publiek zouden ondermijnen en derhalve afbreuk zouden doen aan de goede werking van de markten.

(14)

Deze richtlijn komt tegemoet aan de bezorgdheid die de lidstaten naar aanleiding van de terreuraanslagen van 11 september 2001 hebben uitgesproken met betrekking tot de bestrijding van de financiering van terroristische activiteiten.

(15)

Handel met voorwetenschap en marktmanipulatie zijn een belemmering voor volledige en reële markttransparantie, die voor alle marktdeelnemers in geïntegreerde financiële markten een eerste vereiste is om handelstransacties te kunnen verrichten.

(16)

Voorwetenschap is kennis van niet openbaar gemaakte informatie die concreet is en die rechtstreeks of middellijk betrekking heeft op een of meer emittenten van financiële instrumenten of op een of meer financiële instrumenten. Informatie die een aanzienlijke invloed zou kunnen hebben op de koersvorming en de koersontwikkeling op een gereglementeerde markt als zodanig, kan beschouwd worden als informatie die indirect betrekking heeft op een of meer emittenten van financiële instrumenten of een of meer daarvan afgeleide financiële instrumenten.

(17)

Wat handel met voorwetenschap betreft, moet rekening worden gehouden met de gevallen waarin de bron van de voorkennis niet een beroep of een functie is, maar de verrichte criminele activiteiten, waarvan de voorbereiding of de uitvoering een aanzienlijke invloed zou kunnen hebben op de koersen van een of meer financiële instrumenten of op de koersvorming op de gereglementeerde markt als zodanig.

(18)

Gebruik van voorwetenschap kan bestaan in de verwerving of vervreemding van financiële instrumenten, terwijl de betrokken partij weet of zou moeten weten dat de informatie waarover men beschikt, voorwetenschap betreft. Te dien aanzien moeten de bevoegde autoriteiten bepalen wat een normaal en redelijk persoon in de gegeven omstandigheden weet of zou moeten weten. Bovendien kan het loutere feit dat marketmakers, instanties die als tegenpartij mogen optreden, of personen die bevoegd zijn om opdrachten van derden uit te voeren, en die over voorwetenschap beschikken, zich in de eerste twee gevallen beperken tot hun legitieme bedrijf van koop en verkoop van financiële instrumenten of, in het laatstgenoemde geval, het naar behoren uitvoeren van een order, op zichzelf niet beschouwd worden als gebruik van voorwetenschap.

(19)

De lidstaten moeten de als „front-running” bekend staande praktijk aanpakken, met inbegrip van „front-running” in van grondstoffen afgeleide instrumenten, wanneer zulks marktmisbruik vormt volgens de definities in deze richtlijn.

(20)

Een persoon die transacties of handelsorders verricht die zien op marktmanipulatie, zou kunnen aantonen dat zijn beweegredenen om zich te begeven in dergelijke transacties of handelsorders rechtmatig waren, en dat die transacties en handelsorders in overeenstemming zijn met de gebruikelijke praktijken van de betrokken gereglementeerde markt. Er kan dan toch een sanctie worden opgelegd als de bevoegde autoriteit een andere, onrechtmatige beweegreden achter de transacties of handelsorders constateert.

(21)

De bevoegde autoriteit kan richtsnoeren verstrekken met betrekking tot aangelegenheden die onder de richtlijn vallen, zoals de definitie van voorwetenschap in verband met van grondstoffen afgeleide instrumenten en toepassing van de definitie van gebruikelijke marktpraktijken in verband met de definitie van marktmanipulatie. Deze richtsnoeren dienen in overeenstemming te zijn met de bepalingen van de richtlijn en met de uitvoeringsbepalingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de comitéprocedure.

(22)

De lidstaten mogen de meest geschikte wijze kiezen om personen te reguleren die in verband met financiële instrumenten of emittenten van financiële instrumenten onderzoek verrichten of resultaten van onderzoek verspreiden, of die andere voor distributiekanalen of voor het publiek bestemde informatie voortbrengen of verspreiden waarin beleggingsstrategieën worden aanbevolen of voorgesteld, waaronder geschikte mechanismen voor zelfregulering; de Commissie wordt daarvan in kennis gesteld.

(23)

Het op internetsites plaatsen van voorwetenschap, als bedoeld in artikel 6, lid 1, geschiedt in overeenstemming met de voorschriften inzake doorgifte van persoonsgegevens naar derde landen die vervat zijn in Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens ( 7 ).

(24)

Een snelle en eerlijke bekendmaking van informatie verhoogt de marktintegriteit, terwijl de selectieve bekendmaking van informatie door emittenten het vertrouwen van beleggers in de integriteit van de financiële markten kan schaden. Professionele marktpartijen moeten op verschillende wijzen een bijdrage leveren aan marktintegriteit. Dergelijke maatregelen kunnen bijvoorbeeld bestaan uit het opstellen van „grijze lijsten”, de toepassing van „window trading” op kwetsbare personeelscategorieën, de toepassing van interne gedragscodes en de oprichting van „Chinese muren”. Dergelijke preventieve maatregelen kunnen marktmisbruik uiteraard alleen helpen bestrijden indien ze op doortastende wijze worden uitgevoerd en terdege worden gecontroleerd. Adequaat toezicht op de naleving houdt bijvoorbeeld de aanwijzing in van „compliance officers” binnen de desbetreffende lichamen en periodieke controles door onafhankelijke auditors.

(25)

Dankzij de moderne communicatiemiddelen kan wat betreft de toegang tot financiële informatie gezorgd worden voor een billijker evenwicht tussen de specialisten op de financiële markten en de particuliere belegger, maar neemt tegelijkertijd het risico van verspreiding van onjuiste of misleidende informatie toe.

(26)

Meer openheid over transacties die worden verricht door personen met leidinggevende verantwoordelijkheden bij de emittenten en, in voorkomend geval, door personen die nauw aan hen gelieerd zijn, is een preventieve maatregel tegen marktmisbruik. Bekendmaking van deze transacties, op zijn minst in afzonderlijke vorm, kan tevens een zeer waardevolle bron van informatie voor de beleggers vormen.

(27)

Marktdeelnemers moeten bijdragen aan de voorkoming van marktmisbruik en structurele maatregelen nemen ter voorkoming en aan het licht brengen van marktmanipulatie. Deze voorzieningen kunnen eisen ten aanzien van transparantie van de verrichte transacties betreffen, evenals volledige openbaarmaking van prijsafspraken, een systeem dat op een eerlijke wijze orders bij elkaar brengt, invoering van een doeltreffend systeem voor de opsporing van atypische orders, voldoende robuuste systemen voor de vaststelling van referentieprijzen van financiële instrumenten en heldere regels voor de opschorting van transacties.

(28)

Deze richtlijn dient door de lidstaten te worden geïnterpreteerd en uitgevoerd op een wijze die aansluit bij de eisen van doeltreffende regelgeving, teneinde de belangen van aandeelhouders die stemrecht in een onderneming bezitten (of die door uitoefening of conversie over dergelijke rechten kunnen beschikken) te beschermen als de onderneming voorwerp is van een openbaar overnamebod of een andere voorgestelde zeggenschapswijziging. Met name belet deze richtlijn een lidstaat niet de maatregelen in te voeren of te handhaven die hij voor dit doel nodig acht.

(29)

Het hebben van toegang tot voorwetenschap over een andere onderneming en het aanwenden ervan in het kader van een openbaar overnamebod met het oog op het verwerven van de zeggenschap over deze onderneming of om een fusie met deze onderneming voor te stellen, mag op zich niet als handel met voorwetenschap worden aangemerkt.

(30)

Aangezien de verwerving of vervreemding van financiële instrumenten noodzakelijkerwijs wordt voorafgegaan door een daartoe strekkend besluit van de persoon die de transactie verricht, mag het feit dat deze verwerving of vervreemding plaatsvindt op zichzelf niet als misbruik van voorwetenschap worden aangemerkt.

(31)

Op basis van openbare gegevens verricht onderzoek en aan de hand van die gegevens opgestelde ramingen kunnen niet als voorwetenschap worden beschouwd en transacties op basis van dergelijk onderzoek of ramingen mogen bijgevolg op zichzelf niet als handel met voorwetenschap in de zin van deze richtlijn worden aangemerkt.

(32)

De lidstaten en het Europese Stelsel van centrale banken, de nationale centrale banken of andere officieel aangewezen instanties, of personen die namens hen handelen, mogen niet aan beperkingen worden onderworpen bij de uitvoering van het monetaire beleid, het wisselkoersbeleid en het beheer van de overheidsschuld.

(33)

Stabilisatie van financiële instrumenten of handel in eigen aandelen in het kader van terugkoopactiviteiten kan onder bepaalde omstandigheden rechtmatig zijn om economische redenen en mag derhalve op zichzelf niet als marktmisbruik worden aangemerkt. Er moeten gemeenschappelijke regels worden ontwikkeld die een praktische leidraad bieden.

(34)

De steeds grotere reikwijdte van de financiële markten, de snelle veranderingen en de talrijke nieuwe producten en ontwikkelingen maken een ruime toepassing van deze richtlijn op de desbetreffende financiële instrumenten en technieken noodzakelijk teneinde de integriteit van de financiële markten van de Gemeenschap te waarborgen.

(35)

Om gelijke spelregels op de financiële markten van de Gemeenschap tot stand te brengen is een ruim geografisch toepassingsgebied van de bepalingen uit hoofde van deze richtlijn noodzakelijk. Met betrekking tot afgeleide instrumenten die niet tot de handel zijn toegelaten maar wel onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, moet elke lidstaat bevoegd zijn sancties op te leggen voor op zijn grondgebied of in het buitenland verrichte handelingen die betrekking hebben op onderliggende financiële instrumenten die toegelaten zijn tot de handel op een gereglementeerde markt die op zijn grondgebied gelegen is of werkzaam is of waarvoor toelating tot de handel op een dergelijke gereglementeerde markt is aangevraagd. Elke lidstaat moet ook bevoegd zijn sancties op te leggen voor op zijn grondgebied verrichte handelingen die betrekking hebben op onderliggende financiële instrumenten die toegelaten zijn tot de handel op een gereglementeerde markt in een lidstaat of waarvoor een verzoek om toelating tot de handel op die markt is gedaan.

(36)

De grote verscheidenheid aan bevoegde autoriteiten in de lidstaten en de uiteenlopende verantwoordelijkheden waarmee zij zijn belast, kunnen verwarring teweegbrengen onder de deelnemers aan het economisch verkeer. Er moet in elke lidstaat één bevoegde autoriteit worden aangewezen die ten minste de eindverantwoordelijkheid draagt voor het toezicht op de naleving van de krachtens deze richtlijn vastgestelde bepalingen en voor de internationale samenwerking. Die autoriteit moet van administratieve aard zijn om haar onafhankelijkheid van deelnemers aan het economisch verkeer te waarborgen en belangenconflicten te vermijden. In overeenstemming met de nationale wetgeving dienen de lidstaten te zorgen voor een adequate financiering van die bevoegde autoriteit. Zij dient te beschikken over passende regelingen voor raadpleging inzake eventuele wijzigingen in de nationale wetgeving, zoals een raadgevend comité bestaande uit vertegenwoordigers van emittenten, verleners van financiële diensten en consumenten, zodat zij volledig op de hoogte is van hun opvattingen en wensen.

(37)

Een gemeenschappelijke minimumuitrusting van krachtige instrumenten en bevoegdheden voor de bevoegde autoriteit van elke lidstaat zal de doeltreffendheid van het toezicht waarborgen. Op de markt actieve ondernemingen en alle deelnemers aan het economisch verkeer moeten op hun niveau ook bijdragen tot de integriteit van de markt. In die zin vormt de aanwijzing van één bevoegde autoriteit voor marktmisbruik geen beletsel voor samenwerking of het delegeren van taken, onder de verantwoordelijkheid van de bevoegde autoriteit, tussen die autoriteit en de op de markt actieve ondernemingen om een doeltreffend toezicht op de naleving van de krachtens deze richtlijn vastgestelde bepalingen te waarborgen.

(38)

Om ervoor te zorgen dat een communautair rechtskader tegen marktmisbruik naar behoren functioneert, dient iedere inbreuk op de krachtens deze richtlijn vastgestelde verbodsbepalingen of vereisten onverwijld aan het licht gebracht en bestraft te worden. Daartoe moeten de sancties voldoende afschrikkend zijn en in verhouding tot de ernst van de inbreuk en de gerealiseerde winst staan en consequent worden toegepast.

(39)

Wanneer de lidstaten administratieve maatregelen en sancties als bedoeld in artikel 14 vaststellen, mogen zij niet uit het oog verliezen dat een hoge mate van overeenstemming van de voorschriften tussen de landen onderling noodzakelijk is.

(40)

Toenemende grensoverschrijdende activiteiten vereisen een betere samenwerking en een alomvattend geheel aan bepalingen inzake de uitwisseling van informatie tussen de nationale bevoegde autoriteiten. De organisatie van het toezicht en van de onderzoeksbevoegdheden in de afzonderlijke lidstaten mogen geen belemmering vormen voor de samenwerking tussen de bevoegde nationale autoriteiten.

(41)

Aangezien de doelstellingen van het overwogen optreden, namelijk marktmisbruik in de vorm van handel met voorwetenschap en marktmanipulatie te voorkomen, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve, vanwege de omvang en de gevolgen van de maatregelen, beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap maatregelen vaststellen, overeenkomstig het beginsel van subsidiariteit als bedoeld in artikel 5 van het Verdrag. Overeenkomstig het beginsel van evenredigheid als bedoeld in genoemd artikel gaat deze richtlijn niet verder dan hetgeen noodzakelijk is om deze doelstellingen te bereiken.

(42)

Om rekening te houden met nieuwe ontwikkelingen op de financiële markten kan het van tijd tot tijd nodig zijn om aan de in deze richtlijn vastgelegde voorschriften praktische richtsnoeren of uitvoeringsmaatregelen toe te voegen. De Commissie dient derhalve de bevoegdheid te krijgen om, na raadpleging van het bij Besluit 2001/528/EG van de Commissie ( 8 ) ingestelde Europees Comité voor het effectenbedrijf, uitvoeringsmaatregelen te nemen, mits deze geen wijzigingen met zich meebrengen van de essentiële onderdelen van deze richtlijn of van de besluiten die de Commissie overeenkomstig de beginselen van deze richtlijn neemt.

(43)

Bij de uitoefening van haar uitvoeringsbevoegdheden overeenkomstig deze richtlijn dient de Commissie de volgende beginselen in acht te nemen:

 bij beleggers moet voor vertrouwen in de financiële markten worden gezorgd door strenge normen ten aanzien van de transparantie op de financiële markten te bevorderen;

 aan beleggers moeten een ruime keuze aan concurrerende beleggingen en een op hun situatie toegesneden niveau van openbaarmaking en bescherming worden geboden;

 er moet voor worden gezorgd dat onafhankelijke regelgevende instanties de regels consequent handhaven, met name in de strijd tegen economische criminaliteit;

 een hoge mate van transparantie alsmede uitgebreid overleg met alle marktdeelnemers en met het Europees Parlement en de Raad zijn noodzakelijk;

 innovaties op de financiële markten moeten, ter wille van de dynamiek en doelmatigheid van die markten, worden gestimuleerd;

 de marktintegriteit moet door middel van nauw, reactief toezicht op financiële innovaties worden gewaarborgd;

 verlaging van de kosten van kapitaal en verbetering van de toegang tot kapitaal zijn van belang;

 bij uitvoeringsmaatregelen moet het saldo van de kosten en baten op lange termijn voor de marktdeelnemers (met inbegrip van kleine en middelgrote ondernemingen en kleine beleggers) in aanmerking worden genomen;

 het internationale concurrentievermogen van de financiële markten in de EU moet worden versterkt zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de hoognodige uitbreiding van de internationale samenwerking;

 voor alle marktdeelnemers moeten gelijke concurrentievoorwaarden worden gecreëerd door telkens wanneer dit dienstig is regelgeving voor de hele EU vast te stellen;

 verschillen tussen de nationale markten moeten worden geëerbiedigd wanneer deze de samenhang van de interne markt niet bovenmatig aantasten;

 de samenhang met andere Gemeenschapswetgeving op dit gebied moet worden gewaarborgd, daar een onevenwichtige informatieverstrekking en een gebrek aan transparantie de werking van de markten in gevaar kunnen brengen en vooral de consumenten en kleine beleggers kunnen schaden.

(44)

Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en in het bijzonder in artikel 11 hiervan, alsmede in artikel 10 van het Europees Verdrag inzake de rechten van de mens. In dit verband belet niets in deze richtlijn de lidstaten om hun constitutionele regels inzake de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting in de media toe te passen,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:



Artikel 1

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

1. „voorwetenschap”: niet openbaar gemaakte informatie die concreet is en die rechtstreeks of middellijk betrekking heeft op een of meer emittenten van financiële instrumenten of op een of meer financiële instrumenten en die, indien zij openbaar zou worden gemaakt, een aanzienlijke invloed zou kunnen hebben op de koers van deze financiële instrumenten of van daarvan afgeleide financiële instrumenten.

Met betrekking tot van grondstoffen afgeleide instrumenten betekent voorwetenschap niet openbaar gemaakte informatie die concreet is en rechtstreeks of middellijk betrekking heeft op een of meer van die afgeleide instrumenten, en die gebruikers op markten waarop die instrumenten worden verhandeld overeenkomstig de gebruikelijke marktpraktijken op die markten verwachten te ontvangen.

Voor personen die zijn belast met de uitvoering van orders met betrekking tot financiële instrumenten behelst voorwetenschap tevens informatie die door de klant wordt verstrekt en verband houdt met de lopende orders van de klant, die concreet is, die direct of indirect betrekking heeft op een of meer emittenten van financiële instrumenten of op een of meer financiële instrumenten en die, indien zij openbaar zou worden gemaakt, een aanzienlijke invloed zou kunnen hebben op de koers van deze financiële instrumenten of op de koers van daarvan afgeleide financiële instrumenten.

2. „Marktmanipulatie”:

a) transacties of handelsorders

 die onjuiste of misleidende signalen geven of waarschijnlijk zullen geven met betrekking tot het aanbod van, de vraag naar of de koers van financiële instrumenten, of

 waarbij een of meer personen samenwerken om de koers van een financieel instrument op een abnormaal of een kunstmatig niveau te houden,

tenzij de persoon die de transacties aangegaan is of de handelsorders geplaatst heeft, aantoont dat zijn beweegredenen om de transacties aan te gaan of de orders te plaatsen, gerechtvaardigd zijn en dat de transacties en handelsorders in overeenstemming zijn met de gebruikelijke marktpraktijken op de desbetreffende gereglementeerde markt;

b) transacties of handelsorders waarbij gebruik wordt gemaakt van oneigenlijke constructies of enigerlei andere vorm van bedrog of misleiding;

c) de verspreiding van informatie, via de media, met inbegrip van internet, of via andere kanalen, die onjuiste of misleidende signalen geeft of waarschijnlijk zal geven met betrekking tot financiële instrumenten, met inbegrip van de verspreiding van geruchten en valse of misleidende berichten, waarvan de persoon die de informatie verspreid heeft, wist of had moeten weten dat de informatie onjuist of misleidend was. Ten aanzien van journalisten die in hun beroepshoedanigheid handelen, moet deze verspreiding van informatie, onverminderd artikel 11, worden beoordeeld met inachtneming van de gedragsregels die voor hun beroepsgroep gelden, tenzij deze personen rechtstreeks of middellijk voordeel of winst behalen uit de verspreiding van deze informatie.

De onderstaande gevallen zijn in het bijzonder af te leiden van de hierboven gegeven definitie in a), b) en c):

 het door een of meer personen samenwerken om verwerven van een machtspositie ten aanzien van het aanbod van of de vraag naar een financieel instrument met als gevolg dat rechtstreeks of middellijk aan- of verkoopprijzen of andere onbillijke transactievoorwaarden worden opgelegd;

 de aankoop of verkoop van een financieel instrument bij het sluiten van de handel om beleggers die op basis van slotkoersen handelen te misleiden;

 het profiteren van incidentele of regelmatige toegang tot de traditionele of elektronische media door een oordeel over een financieel instrument (of indirect over de emittent ervan) te verspreiden, terwijl van te voren posities in dit financieel instrument zijn ingenomen om nadien profijt te trekken van het effect dat dit oordeel heeft gehad op de koers van dit financieel instrument, zonder tegelijkertijd deze belangenverstrengeling naar behoren en daadwerkelijk openbaar te maken.

 De definities van marktmanipulatie zullen zodanig worden toegepast dat zij ook nieuwe handelwijzen kunnen behelzen die als marktmanipulatie kunnen worden aangemerkt.

3. Financieel instrument:

 effecten zoals omschreven in de definitie van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten ( 9 );

 rechten van deelneming in instellingen voor collectieve belegging;

 geldmarktinstrumenten;

 financiële futures, met inbegrip van gelijkwaardige instrumenten die aanleiding geven tot afwikkeling in contanten,

 rentetermijncontracten;

 rente- en valutaswaps en swaps betreffende aan aandelen of een aandelenindex gekoppelde cashflows („equity swaps”);

 opties ter verkrijging of vervreemding van onder deze categorieën vallende instrumenten, met inbegrip van gelijkwaardige instrumenten die aanleiding geven tot afwikkeling in contanten. Deze categorie omvat met name valuta- en renteopties;

 grondstoffenderivaten;

 elk ander instrument dat op een gereglementeerde markt in een lidstaat tot de handel is toegelaten of waarvoor toelating tot de handel op dergelijke gereglementeerde markt is aangevraagd.

4. „Gereglementeerde markt”: een markt zoals gedefinieerd in artikel 1, punt 13, van Richtlijn 93/22/EEG.

▼M1

5. „Gebruikelijke marktpraktijken”: praktijken die op een of meer financiële markten redelijkerwijs verwacht worden en aanvaard worden door de bevoegde autoriteit in overeenstemming met de richtsnoeren die door de Commissie volgens de regelgevingsprocedure met toetsing bedoeld in artikel 17, lid 2 bis, zijn vastgesteld.

De bij Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad ( 10 ) opgerichte Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten) (European Securities and Markets Authority — hierna de „ESMA”) kan ontwerpen van technische uitvoeringsnormen opstellen om te zorgen voor eenvormige voorwaarden voor de toepassing van de handelingen die de Commissie overeenkomstig dit artikel heeft vastgesteld met betrekking tot gebruikelijke marktpraktijken.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend de in de tweede alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

▼B

6. „Persoon”: alle natuurlijke en rechtspersonen, vennootschappen of instellingen.

7. „Bevoegde autoriteit”: de overeenkomstig artikel 11 aangewezen bevoegde autoriteit.

Om met de ontwikkelingen op de financiële markten rekening te houden en een uniforme toepassing van deze richtlijn in de Gemeenschap te garanderen, stelt de Commissie ►M1  ————— ◄ uitvoeringsmaatregelen vast betreffende de punten 1, 2 en 3, van dit artikel. ►M1   Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 17, lid 2 bis, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. ◄

Artikel 2

1.  De lidstaten verbieden de in de tweede alinea bedoelde personen die over voorwetenschap beschikken om gebruik te maken van deze voorwetenschap door, voor eigen rekening of voor rekening van derden, rechtstreeks of middellijk de financiële instrumenten waarop deze voorwetenschap betrekking heeft te verkrijgen of te vervreemden, of te trachten deze te verwerven of te vervreemden.

De eerste alinea is van toepassing op iedere persoon die in het bezit van die informatie is:

a) vanwege zijn hoedanigheid als lid van de bestuurs-, leidinggevende of toezichthoudende organen van de emittent, of

b) vanwege zijn deelneming in het kapitaal van de emittent, of

c) vanwege het feit dat hij toegang heeft tot de informatie vanwege de uitoefening van zijn werk, beroep of functie, of

d) vanwege criminele activiteiten.

2.  Indien de in lid 1 bedoelde persoon een rechtspersoon is, is het in dat lid vervatte verbod tevens van toepassing op de natuurlijke personen die deelnemen aan de beslissing de transactie voor rekening van de rechtspersoon in kwestie uit te voeren.

3.  Dit artikel is niet van toepassing op transacties die worden verricht ter nakoming van een opeisbaar geworden verplichting tot verwerving of vervreemding van financiële instrumenten als deze verplichting voortvloeit uit een overeenkomst die werd gesloten voordat voorwetenschap werd verkregen.

Artikel 3

De lidstaten verbieden iedere persoon waarop de verbodsbepaling van artikel 2 van toepassing is:

a) voorwetenschap aan een derde mede te delen, tenzij dit gebeurt in het kader van de normale uitoefening van hun werk, beroep of functie;

b) op grond van voorwetenschap een derde aan te bevelen of ertoe aan te zetten om financiële instrumenten waarop die voorwetenschap betrekking heeft, te verkrijgen of te vervreemden, of door een andere persoon te doen verkrijgen of vervreemden.

Artikel 4

De lidstaten dragen er zorg voor dat de artikelen 2 en 3 ook toegepast worden op iedere andere persoon dan de in die artikelen bedoelde persoon die over voorwetenschap beschikt en weet of zou moeten weten dat het om voorwetenschap gaat.

Artikel 5

De lidstaten verbieden iedere persoon zich in te laten met marktmanipulatie.

Artikel 6

1.  De lidstaten dragen er zorg voor dat emittenten van financiële instrumenten voorwetenschap zo snel mogelijk openbaar maken, voorzover deze rechtstreeks betrekking heeft op de betrokken emittent.

Onverminderd eventuele maatregelen die worden getroffen met het oog op de naleving van de eerste alinea, zien de lidstaten erop toe dat emittenten alle voorwetenschap die zij openbaar dienen te maken gedurende een passende periode op hun internet-website plaatsen.

2.  Een emittent kan, op eigen verantwoordelijkheid, de openbaarmaking van voorwetenschap, als bedoeld in lid 1, uitstellen teneinde zijn rechtmatige belangen te beschermen, mits dit waarschijnlijk geen misleiding van het publiek tot gevolg heeft en de emittent de vertrouwelijkheid van deze informatie kan waarborgen. De lidstaten kunnen verlangen dat de emittent de bevoegde autoriteit onverwijld in kennis stelt van zijn besluit om de openbaarmaking van voorwetenschap uit te stellen.

3.  De lidstaten verlangen dat wanneer een emittent of een persoon die namens of voor rekening van de emittent optreedt, voorwetenschap meedeelt aan een derde in het kader van de normale uitoefening van zijn werk, beroep of functie, zoals bedoeld in artikel 3, onder a), hij deze informatie daadwerkelijk en volledig openbaar maakt, en wel gelijktijdig in geval van een opzettelijke bekendmaking en onverwijld bij een niet-opzettelijke bekendmaking.

De bepalingen van de eerste alinea zijn niet van toepassing indien de persoon die de informatie ontvangt een geheimhoudingsplicht heeft, ongeacht of die gebaseerd is op wet- of regelgeving, statutaire bepalingen of een overeenkomst.

De lidstaten verlangen dat emittenten of personen die namens hen of voor hun rekening optreden, een lijst opstellen van de personen die bij hen, op basis van een arbeidscontract of anderszins, werkzaam zijn en toegang hebben tot voorwetenschap. De emittenten en de personen die namens hen of voor hun rekening optreden, moeten die lijst regelmatig actualiseren en desgevraagd aan de bevoegde autoriteit toezenden.

4.  Personen met leidinggevende verantwoordelijkheid bij een emittent van financiële instrumenten en, in voorkomend geval, personen die nauw met hen gelieerd zijn, moeten minimaal de bevoegde autoriteit in kennis stellen van transacties voor eigen rekening met aandelen die zijn uitgegeven door de emittent waarvan zij deel uitmaken of met derivaten daarvan of andere daaraan verbonden financiële instrumenten. De lidstaten zorgen ervoor dat het publiek zo spoedig mogelijk gemakkelijk toegang heeft tot dergelijke informatie, op zijn minst in afzonderlijke vorm.

5.  De lidstaten zien erop toe dat er voorzien is in passende regelgeving om ervoor te zorgen dat personen met betrekking tot financiële instrumenten of emittenten van financiële instrumenten onderzoek verrichten of resultaten van onderzoek verspreiden, of personen die andere voor distributiekanalen of voor het publiek bestemde informatie voortbrengen of verspreiden waarin beleggingsstrategieën worden aanbevolen of voorgesteld, redelijke maatregelen treffen om te waarborgen dat de informatie een juiste voorstelling van zaken biedt en dat zij hun belangen bekendmaken of de belangenconflicten ten aanzien van de financiële instrumenten waarop die informatie betrekking heeft, meedelen. Deze regelgeving wordt aan de Commissie meegedeeld.

6.  De lidstaten zien erop toe dat de marktdeelnemers structurele voorzieningen treffen om marktmanipulatie te voorkomen en aan het licht te brengen.

7.  Om te zorgen voor naleving van de leden 1 tot en met 5 kan de bevoegde autoriteit alle maatregelen nemen die nodig zijn opdat het publiek juist geïnformeerd wordt.

8.  Openbare instanties die statistieken verspreiden die een aanzienlijk effect op financiële markten kunnen hebben, doen dat op een billijke en transparante wijze.

9.  De lidstaten verlangen dat personen die beroepshalve transacties in financiële instrumenten tot stand brengen, de bevoegde autoriteit onverwijld waarschuwen indien zij een redelijk vermoeden hebben dat een transactie handel met voorwetenschap of marktmanipulatie inhoudt.

10.  Om met de technische ontwikkelingen op de financiële markten rekening te houden en een eenvormige toepassing van deze richtlijn te garanderen, stelt de Commissie ►M1  ————— ◄ uitvoeringsmaatregelen vast betreffende:

 de technische modaliteiten voor een passende openbaarmaking van voorwetenschap zoals bedoeld in de leden 1 en 3,

 de technische modaliteiten voor het uitstellen van de openbaarmaking van voorwetenschap zoals bedoeld in lid 2 en lid 3, tweede alinea,

 de technische modaliteiten ten behoeve van een gemeenschappelijke aanpak bij de toepassing van de tweede zin van lid 2,

 de voorwaarden waaronder emittenten en personen die namens hen optreden, een lijst dienen op te stellen van de personen die bij hen werkzaam zijn en toegang hebben tot voorwetenschap, zoals bedoeld in lid 3, tezamen met de voorwaarden voor de bijwerking van dergelijke lijsten,

 de categorieën personen en de kenmerken van een transactie, waaronder de omvang, waarop de in lid 4 bedoelde verplichting tot openbaarmaking en de technische regelingen voor openbaarmaking aan de bevoegde autoriteit, van toepassing zijn,

 de technische modaliteiten, voor de verschillende in lid 5 genoemde categorieën van personen, voor een billijke voorstelling van onderzoeksresultaten en andere informatie betreffende beleggingsstrategieën en voor het bekendmaken van belangen of belangenconflicten als bedoeld in lid 5; in deze modaliteiten wordt rekening gehouden met de regels, inclusief zelfregulering, die gelden voor de journalistiek,

 de technische modaliteiten volgens welke de in lid 9 bedoelde personen de bevoegde autoriteit in kennis moeten stellen.

▼M1

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 17, lid 2 bis, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

▼M2

11.  De ESMA kan ontwerpen van technische uitvoeringsnormen opstellen om te zorgen voor eenvormige voorwaarden voor de toepassing van de handelingen die de Commissie overeenkomstig lid 10, eerste alinea, zesde streepje, vaststelt.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

▼B

Artikel 7

Deze richtlijn is niet van toepassing op transacties die in het kader van het monetaire beleid, het valutabeleid of het beheer van de overheidsschuld, worden verricht door een lidstaat, het Europese Stelsel van centrale banken, een nationale centrale bank of een ander daartoe officieel aangewezen orgaan, of door een namens hen optredende persoon. De lidstaten kunnen deze uitzondering uitbreiden tot hun deelstaten of soortgelijke lokale overheden voor wat het beheer van de openbare schuld van die deelstaten of van die lokale overheden betreft.

Artikel 8

►M2  1. ◄   De in deze richtlijn vervatte verbodsbepalingen zijn niet van toepassing op de handel in eigen aandelen in het kader van „terugkoop”-activiteiten, noch op stabilisatie van een financieel instrument, mits die handel geschiedt overeenkomstig uitvoeringsmaatregelen vastgesteld ►M1  ————— ◄ . ►M1   Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 17, lid 2 bis, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. ◄

▼M2

2.  De ESMA kan ontwerpen van technische uitvoeringsnormen opstellen om te zorgen voor eenvormige voorwaarden voor de toepassing van de handelingen die de Commissie overeenkomstig lid 1 vaststelt.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

▼B

Artikel 9

De bepalingen van deze richtlijn zijn van toepassing op alle financiële instrumenten die zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt in ten minste één lidstaat, of waarvoor toelating tot de handel op een dergelijke markt is aangevraagd, ongeacht of de transactie zelf daadwerkelijk op die markt plaatsvindt.

De artikelen 2, 3 en 4 zijn ook van toepassing op financiële instrumenten die niet zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt in een lidstaat, maar waarvan de waarde afhankelijk is van die van een financieel instrument als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 6, leden 1, 2 en 3, is niet van toepassing op emittenten die niet verzocht hebben om of ingestemd hebben met de toelating van hun financiële instrumenten tot de handel op een gereglementeerde markt in een lidstaat.

Artikel 10

De lidstaten passen de verbodsbepalingen en vereisten van deze richtlijn toe op:

a) op hun grondgebied of in het buitenland uitgevoerde activiteiten betreffende de financiële instrumenten die zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt die gelegen is of werkzaam is op hun grondgebied, of waarvoor toelating tot de handel op een dergelijke markt is aangevraagd;

b) op hun grondgebied verrichte handelingen betreffende financiële instrumenten die zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt in een lidstaat of waarvoor toelating tot de handel op een dergelijke markt is aangevraagd.

Artikel 11

Onverminderd de bevoegdheden van de gerechtelijke autoriteiten wijzen de lidstaten één enkele bevoegde administratieve autoriteit aan om ervoor te zorgen dat de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde bepalingen worden toegepast.

De lidstaten stellen ten behoeve van marktpartijen doeltreffende overlegregelingen en -procedures vast betreffende eventuele wijzigingen in de nationale wetgeving. Deze regelingen kunnen inhouden dat bij elke bevoegde autoriteit een raadgevend comité zitting heeft waarvan de samenstelling een zo goed mogelijke afspiegeling moet zijn van de diversiteit van de marktpartijen, bijvoorbeeld emittenten, verleners van financiële diensten of consumenten.

Artikel 12

1.  Aan de bevoegde autoriteit worden alle toezichts- en onderzoeksbevoegdheden verleend die nodig zijn voor de vervulling van haar taken. Zij oefent deze bevoegdheden als volgt uit:

a) rechtstreeks, dan wel

b) in samenwerking met andere autoriteiten of met de ondernemingen op de markt, dan wel

c) onder de verantwoordelijkheid van de bevoegde autoriteit die haar bevoegdheden aan die instanties of ondernemingen op de markt delegeert, dan wel

d) middels een verzoek aan de bevoegde rechterlijke instanties.

2.  Onverminderd het bepaalde in artikel 6, lid 7, worden de bevoegdheden bedoeld in lid 1 uitgeoefend in overeenstemming met de nationale wetgeving, en omvatten ze ten minste het recht om:

a) toegang te verkrijgen tot ieder document, in enigerlei vorm, en een afschrift hiervan te ontvangen;

b) inlichtingen te verlangen van iedere persoon met inbegrip van degenen die achtereenvolgens betrokken zijn bij het doorgeven van handelsorders of de uitvoering van de desbetreffende transacties, alsook hun opdrachtgevers, en in voorkomend geval een persoon op te roepen en te horen;

c) ter plaatse inspecties te verrichten;

d) bestaande overzichten van telefoon- en dataverkeer te vereisen;

e) te eisen dat een praktijk die in strijd is met de krachtens deze richtlijn vastgestelde bepalingen, wordt beëindigd;

f) de handel in de betrokken financiële instrumenten op te schorten;

g) de bevriezing en/of beslaglegging op activa te verlangen;

h) een tijdelijk verbod op beroepsuitoefening te verlangen.

3.  Dit artikel laat eventuele bepalingen van nationaal recht inzake het beroepsgeheim onverlet.

Artikel 13

Het beroepsgeheim geldt voor alle personen die werkzaam zijn of zijn geweest bij de bevoegde autoriteit of bij iedere autoriteit of onderneming op de markt aan wie de bevoegde autoriteit haar bevoegdheden heeft gedelegeerd, met inbegrip van de door de bevoegde autoriteit gemachtigde accountants en deskundigen. Onder het beroepsgeheim vallende informatie mag aan geen enkele andere persoon of autoriteit worden verstrekt, tenzij op grond van wettelijke bepalingen.

Artikel 14

1.  Onverminderd het recht van de lidstaten tot het opleggen van strafrechtelijke sancties, zorgen de lidstaten ervoor dat overeenkomstig hun nationale wetgeving passende administratieve maatregelen of administratieve sancties kunnen worden opgelegd aan de verantwoordelijke personen indien krachtens deze richtlijn vastgestelde bepalingen niet worden nageleefd. De lidstaten zien erop toe dat deze maatregelen doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

2.  Overeenkomstig de in artikel 17, lid 2 bedoelde procedure stelt de Commissie een informatieve lijst op van de in lid 1 genoemde administratieve maatregelen en sancties.

3.  De lidstaten stellen de sancties vast die moeten worden toegepast indien geen medewerking wordt verleend bij een onderzoek uit hoofde van artikel 12.

4.  De lidstaten bepalen dat de bevoegde autoriteit iedere maatregel of sanctie die wordt opgelegd voor schending van de bij deze richtlijn aangenomen bepalingen openbaar mag maken, tenzij deze openbaarmaking de financiële markten ernstig in gevaar zou brengen of onevenredige schade zou toebrengen aan de betrokken partijen.

▼M2

5.  De lidstaten verstrekken de ESMA jaarlijks geaggregeerde informatie over alle administratieve maatregelen en sancties die overeenkomstig de leden 1 en 2 zijn getroffen respectievelijk opgelegd.

Wanneer de bevoegde autoriteit een administratieve maatregel of een sanctie openbaar maakt, stelt zij tegelijkertijd de ESMA daarvan in kennis.

Wanneer een openbaar gemaakte sanctie betrekking heeft op een beleggingsonderneming waaraan overeenkomstig Richtlijn 2004/39/EG een vergunning is verleend, neemt de ESMA een verwijzing naar de openbaar gemaakte sanctie op in het register van beleggingsondernemingen dat op grond van artikel 5, lid 3, van Richtlijn 2004/39/EG is ingesteld.

▼B

Artikel 15

De lidstaten zorgen ervoor dat tegen de besluiten van de bevoegde autoriteit bij de rechter beroep kan worden ingesteld.

▼M2

Artikel 15 bis

1.  De bevoegde autoriteiten werken voor de toepassing van deze richtlijn samen met de ESMA, overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1095/2010.

2.  De bevoegde autoriteiten verstrekken de ESMA overeenkomstig artikel 35 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 onverwijld alle informatie die zij nodig heeft voor de uitoefening van haar taken.

▼B

Artikel 16

1.  De bevoegde autoriteiten werken onderling samen wanneer dat voor de vervulling van hun taken nodig is, waartoe zij gebruikmaken van de bevoegdheden waarover zij hetzij uit hoofde van deze richtlijn, hetzij ingevolge nationale wetgeving beschikken. De bevoegde autoriteiten verlenen assistentie aan de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten. Zij wisselen met name informatie uit en werken samen bij onderzoeksactiviteiten.

2.  De bevoegde autoriteiten verstrekken op verzoek onmiddellijk alle inlichtingen die voor het in lid 1 genoemde doel noodzakelijk zijn. Indien nodig stellen de aangezochte bevoegde autoriteiten onverwijld de maatregelen vast die nodig zijn om de gevraagde informatie te verzamelen. Indien de aangezochte bevoegde autoriteit niet bij machte is de gevraagde informatie onmiddellijk te verstrekken, stelt zij de verzoekende bevoegde autoriteit van de redenen hiervan in kennis. De aldus verstrekte informatie valt onder de geheimhoudingsplicht waartoe eenieder gehouden is die bij de bevoegde autoriteiten die de informatie ontvangen, werkzaam is of is geweest.

De bevoegde autoriteiten kunnen weigeren om aan een verzoek om inlichtingen gevolg te geven indien:

 het verstrekken van de inlichtingen gevaar zou kunnen opleveren voor de soevereiniteit, de veiligheid of de openbare orde van de aangezochte lidstaat, of

 indien voor dezelfde feiten en tegen dezelfde personen reeds een gerechtelijke procedure is ingeleid bij de autoriteiten van de aangezochte lidstaat, dan wel

 indien voor dezelfde feiten en tegen dezelfde personen in de aangezochte lidstaat reeds een onherroepelijke uitspraak is gedaan.

In dat geval stellen zij de verzoekende bevoegde autoriteit daarvan in kennis, waarbij zij zo gedetailleerd mogelijke informatie verstrekken over de procedure of uitspraak in kwestie.

▼M2

Onverminderd artikel 258 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), kan een bevoegde autoriteit waarvan een verzoek om inlichtingen niet binnen een redelijke termijn wordt gehonoreerd of waarvan een verzoek om inlichtingen wordt afgewezen deze afwijzing of dit verzuim binnen een redelijke termijn verwijzen naar de ESMA. In de in de eerste zin bedoelde gevallen kan de ESMA handelen overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1095/2010, zulks onverminderd de in de tweede alinea van dit lid vermelde situaties waarin geweigerd kan worden aan een verzoek om inlichtingen gevolg te geven, en onverminderd de mogelijkheid dat de ESMA in die gevallen overeenkomstig artikel 17 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 handelt.

▼B

Onverminderd hun verplichtingen in het kader van strafrechtelijke procedures mogen de bevoegde autoriteiten die op grond van lid 1 informatie ontvangen, deze uitsluitend gebruiken voor de uitoefening van hun functies in de zin van deze richtlijn alsmede in het kader van bestuursrechtelijke of gerechtelijke procedures die specifiek met de uitoefening van deze functies verband houden. Wanneer de bevoegde autoriteit die de informatie heeft verstrekt daarin toestemt, mag de ontvangende autoriteit de informatie echter voor andere doeleinden gebruiken of doorgeven aan de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten.

3.  Wanneer een bevoegde autoriteit ervan overtuigd is dat er op het grondgebied van een andere lidstaat handelingen worden of zijn uitgevoerd die strijdig zijn met de bepalingen van deze richtlijn, dan wel dat bepaalde handelingen van invloed zijn op financiële instrumenten die verhandeld worden op een gereglementeerde markt in een andere lidstaat, geeft zij hiervan zo specifiek mogelijk kennis aan de bevoegde autoriteit van de andere lidstaat. De bevoegde autoriteit van de andere lidstaat neemt de nodige maatregelen en stelt de kennisgevende bevoegde autoriteit van het resultaat in kennis, alsmede, voorzover mogelijk, van belangrijke tussentijdse ontwikkelingen. Dit lid laat de bevoegdheden onverlet die zijn toegekend aan de bevoegde autoriteit die de informatie heeft doorgegeven. De bevoegde autoriteiten van de verschillende lidstaten die krachtens artikel 10 bevoegd zijn, raadplegen elkaar over de follow-up die zij overwegen aan hun optreden te geven.

4.  Een bevoegde autoriteit van een lidstaat kan verzoeken dat een onderzoek wordt verricht door de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat op het grondgebied van die lidstaat.

Verder kan zij verzoeken dat aan een aantal leden van haar personeel toestemming wordt verleend om de leden van het personeel van de bevoegde autoriteit van de andere lidstaat gedurende het onderzoek te vergezellen.

Het onderzoek wordt evenwel verricht onder de eindverantwoordelijkheid van de lidstaat op het grondgebied waarvan het onderzoek plaatsvindt.

De bevoegde autoriteiten kunnen een verzoek om een onderzoek zoals bedoeld in de eerste alinea, of een verzoek dat leden van hun personeel worden vergezeld door leden van het personeel van de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat zoals bedoeld in de tweede alinea van dit lid, van de hand wijzen wanneer een dergelijk onderzoek gevaar zou kunnen opleveren voor de soevereiniteit, de veiligheid of de openbare orde van de aangezochte staat, of indien voor dezelfde feiten en tegen dezelfde personen reeds een gerechtelijke procedure is ingeleid in de aangezochte staat, of indien voor dezelfde feiten en tegen dezelfde personen in de aangezochte staat reeds een onherroepelijke uitspraak is gedaan. In dat geval stellen zij de verzoekende bevoegde autoriteit hiervan in kennis, waarbij zij zo gedetailleerd mogelijke informatie verstrekken over de procedure of uitspraak in kwestie.

▼M2

Onverminderd artikel 258 VWEU kan een bevoegde autoriteit waarvan een verzoek om een onderzoek of een verzoek dat leden van haar personeel leden van het personeel van de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat vergezellen, niet binnen een redelijke termijn wordt gehonoreerd of wordt afgewezen deze afwijzing of dit verzuim binnen een redelijke termijn verwijzen naar de ESMA. In de in de laatste zin bedoelde gevallen kan de ESMA handelen overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1095/2010, zulks onverminderd de in de vierde alinea van dit lid vermelde situaties waarin geweigerd kan worden aan een verzoek om inlichtingen gevolg te geven, en de mogelijkheid dat de ESMA in die gevallen overeenkomstig artikel 17 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 handelt.

5.  Om eenvormige voorwaarden voor de toepassing van de leden 2 en 4 te garanderen, kan de ESMA ontwerpen van technische uitvoeringsnormen opstellen inzake de procedures en de formulieren voor de uitwisseling van informatie en grensoverschrijdende inspecties als bedoeld in dit artikel.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

▼B

Artikel 17

1.  De Commissie wordt bijgestaan door het bij Besluit 2001/528/EG ingestelde Europees Comité voor het effectenbedrijf (hierna „het comité”).

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen is de regelgevingsprocedure van de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing overeenkomstig artikel 8 van dat besluit, voorzover de volgens deze procedure vastgestelde uitvoeringsmaatregelen de essentiële bepalingen van deze richtlijn niet wijzigen.

De termijn die in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG is vastgesteld bedraagt drie maanden.

▼M1

2 bis.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

▼M1

3.  Uiterlijk op 31 december 2010, en vervolgens ten minste om de drie jaar, toetst de Commissie de bepalingen betreffende haar uitvoeringsbevoegdheden en dient zij bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de werking van deze bevoegdheden. In dit verslag wordt met name onderzocht of het noodzakelijk is dat de Commissie op deze richtlijn wijzigingen voorstelt teneinde een passende reikwijdte van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden te waarborgen. De conclusie volgens welke een wijziging al dan niet noodzakelijk is, wordt nader gemotiveerd. Indien noodzakelijk gaat het verslag vergezeld van een wetgevingsvoorstel tot wijziging van de bepalingen betreffende de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden.

▼M2

Artikel 17 bis

Uiterlijk op 1 december 2011onderwerpt de Commissie de artikelen 1, 6, 8, 14 en 16 aan een toetsing en dient zij in voorkomend geval passende wetgevingsvoorstellen in met het oog op de volledige toepassing van gedelegeerde handelingen uit hoofde van artikel 290 VWEU en uitvoeringshandelingen uit hoofde van artikel 291 VWEU wat deze richtlijn betreft. Onverminderd de reeds vastgestelde uitvoeringsmaatregelen vervallen de in artikel 17 aan de Commissie toegewezen bevoegdheden tot vaststelling van uitvoeringsmaatregelen die na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon blijven bestaan, per 1 december 2012.

▼B

Artikel 18

De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk 12 oktober 2004 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

Artikel 19

Artikel 11 laat de mogelijkheid voor een lidstaat onverlet om afzonderlijke wettelijke en bestuursrechtelijke regelingen in te stellen voor Europese overzeese gebiedsdelen waarvan de externe betrekkingen onder de bevoegdheid van de betrokken lidstaat vallen.

Artikel 20

Richtlijn 89/592/EEG en artikel 68, lid 1, en artikel 81, lid 1, van Richtlijn 2001/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 mei 2001 betreffende de toelating van effecten tot de officiële notering aan een effectenbeurs en de informatie die over deze effecten moet worden gepubliceerd ( 11 ) worden ingetrokken met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn.

Artikel 21

Deze richtlijn treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 22

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.



( 1 ) PB C 240 E van 28.8.2001, blz. 265.

( 2 ) PB C 80 van 3.4.2002, blz. 61.

( 3 ) PB C 24 van 26.1.2002, blz. 8.

( 4 ) Advies van het Europees Parlement van 14 maart 2002 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 19 juli 2002 (PB C 228 E van 25.9.2002, blz. 19) en besluit van het Europees Parlement van 24 oktober 2002 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

( 5 ) PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

( 6 ) PB L 334 van 18.11.1989, blz. 30.

( 7 ) PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31.

( 8 ) PB L 191 van 13.7.2001, blz. 45.

( 9 ) PB L 141 van 11.6.1993, blz. 27. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2000/64/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 290 van 17.11.2000, blz. 27).

( 10 ) PB L 331 van 15.12.2010, blz. 84.

( 11 ) PB L 184 van 6.7.2001, blz. 1.

Top