Help Print this page 

Document 61973CJ0034

Title and reference
Arrest van het Hof van 10 oktober 1973.
Fratelli Variola S.p.A. tegen Amministrazione italiana delle Finanze.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Tribunale civile e penale di Trieste - Italië.
Lossingsrecht.
Zaak 34-73.

European Court Reports 1973 -00981
  • ECLI identifier: ECLI:EU:C:1973:101
Languages and formats available
BG ES CS DA DE ET EL EN FR GA HR IT LV LT HU MT NL PL PT RO SK SL FI SV
HTML html DE html EN html FR html IT html NL html FI html SV
PDF pdf ES pdf DA pdf DE pdf EL pdf EN pdf FR pdf IT pdf NL pdf PT pdf FI pdf SV
Multilingual display
Text

61973J0034

ARREST VAN HET HOF VAN 10 OKTOBER 1973. - F. LLI VARIOLA S. P. A. TEGEN AMMINISTRAZIONE ITALIANA DELLE FINANZE. - (VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING, INGEDIEND DOOR HET TRIBUNALE DI TRIESTE). - ZAAK NO. 34/73.

Jurisprudentie 1973 bladzijde 00981
Griekse bijz. uitgave bladzijde 00657
Portugese bijz. uitgave bladzijde 00365
Spaanse bijz. uitgave bladzijde 00261
Zweedse bijz. uitgave bladzijde 00147
Finse bijz. uitgave bladzijde 00147


Samenvatting
Partijen
Onderwerp
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


++++

1 . DOUANERECHTEN - HEFFINGEN VAN GELIJKE WERKING - BEGRIP - GELIJKE INHOUD IN VERDRAG EN LANDBOUWVERORDENINGEN

( EEG-VERDRAG, ART . 9 )

2 . DOUANERECHTEN - HEFFINGEN VAN GELIJKE WERKING - BEGRIP - LOSSINGSRECHT - ONTOELAATBAARHEID

( EEG-VERDRAG, ART . 9 EN 13, LID 2 )

3 . RECHTSHANDELINGEN VAN EEN INSTELLING - VERORDENING - RECHTSTREEKSE WERKING - BEGRIP

( EEG-VERDRAG, ART . 189 )

4 . RECHTSHANDELINGEN VAN EEN INSTELLING - VERORDENING - INTREKKING - RECHTEN VAN PARTICULIEREN - GELDIGHEID

( EEG-VERDRAG, ART . 189 )

5 . COMMUNAUTAIRE RECHTSORDE - VOORRANG BOVEN NATIONAAL RECHT - GEMEENSCHAPSREGELS - INWERKINGTREDING - TIJDSTIP - WIJZIGING DOOR DE LID-STATEN - ONTOELAATBAARHEID

Samenvatting


1 . HET BEGRIP "HEFFING VAN GELIJKE WERKING" HEEFT IN DE LANDBOUWVERORDENINGEN DEZELFDE INHOUD ALS IN DE ARTIKELEN 9 EN VOLGENDE VAN HET VERDRAG .

2 . HET VERBOD VAN ELK DOUANERECHT EN ELKE HEFFING VAN GELIJKE WERKING HEEFT BETREKKING OP IEDERE BIJ OF WEGENS INVOER GEHEVEN BELASTING WELKE BEPAALDELIJK OP HET INGEVOERDE PRODUKT EN NIET OP HET NATIONALE PRODUKT WORDT GELEGD EN DERHALVE OP HET VRIJE VERKEER VAN GOEDEREN DEZELFDE BEPERKENDE INVLOED HEEFT ALS EEN DOUANERECHT .

EEN HEFFING DERHALVE DIE UITSLUITEND OP INGEVOERDE GOEDEREN WORDT GELEGD UIT HOOFDE VAN HET ENKELE FEIT DAT ZIJ IN NATIONALE HAVENS WORDEN GELOST, IS EEN VERBODEN "HEFFING VAN GELIJKE WERKING ALS EEN DOUANERECHT ".

3 . VANWEGE HAAR AARD EN FUNCTIE IN HET STELSEL VAN DE COMMUNAUTAIRE RECHTSBRONNEN BEZIT EEN VERORDENING RECHTSTREEKSE WERKING EN KAN ZIJ ALS ZODANIG AAN PARTICULIEREN RECHTEN VERLENEN DIE DE NATIONALE RECHTER GEHOUDEN IS TE BESCHERMEN .

DE RECHTSTREEKSE TOEPASSELIJKHEID VAN EEN VERORDENING VERONDERSTELT DAT ZIJ IN WERKING TREEDT EN TEN GUNSTE OF TEN LASTE VAN DE RECHTSSUBJECTEN WORDT TOEGEPAST ZONDER DAT DAARTOE ENIGE MAATREGEL TOT RECEPTIE IN HET NATIONALE RECHT VEREIST IS .

EEN NATIONALE WETTELIJKE MAATREGEL, WAARIN DE INHOUD VAN EEN RECHTSTREEKS TOEPASSELIJKE COMMUNAUTAIRE RECHTSREGEL IS OVERGENOMEN, KAN OP GENERLEI WIJZE HETZIJ AAN DEZE RECHTSTREEKSE TOEPASSELIJKHEID AFBREUK DOEN, HETZIJ DE UIT HET VERDRAG VOORTVLOEIENDE BEVOEGDHEID VAN HET HOF VERKORTEN .

4 . BEHOUDENS EEN GELDIGE CONTRAIRE BEPALING HOUDT DE INTREKKING VAN EEN VERORDENING NIET IN DAT DE DOOR HAAR IN HET LEVEN GEROEPEN SUBJECTIEVE RECHTEN WORDEN TENIET GEDAAN .

5 . AAN DE RECHTSTREEKSE WERKING IN DE RECHTSORDE DER LID-STATEN VAN DE VERORDENINGEN DER GEMEENSCHAP EN VAN ANDERE COMMUNAUTAIRE RECHTSVOORSCHRIFTEN KAN GEEN NATIONALE WETSTEKST WORDEN TEGENGEWORPEN ZONDER DAT DAARDOOR DE WEZENLIJKE AARD VAN DE GEMEENSCHAPSREGELS EN HET FUNDAMENTELE BEGINSEL VAN DE VOORRANG DER COMMUNAUTAIRE RECHTSORDE IN GEVAAR WORDEN GEBRACHT .

DIT GELDT IN HET BIJZONDER VOOR HET TIJDSTIP WAAROP DE GEMEENSCHAPSREGEL BEGINT TE WERKEN EN TEN BEHOEVE VAN PARTICULIEREN RECHTEN DOET ONTSTAAN .

VANWEGE DE NOODZAAK DE EENVORMIGE EN GELIJKTIJDIGE TOEPASSING VAN HET GEMEENSCHAPSRECHT OP HET GEHELE GEBIED DER GEMEENSCHAP TE VERZEKEREN, KAN VAN EEN BEVOEGDHEID DER LID-STATEN OM, ZONDER DAARTOE UITDRUKKELIJK TE ZIJN GEMACHTIGD, HET TIJDSTIP VAN DE INWERKINGTREDING VAN DE GEMEENSCHAPSREGEL TE WIJZIGEN, GEEN SPRAKE ZIJN .

Partijen


IN DE ZAAK 34-73

BETREFFENDE EEN VERZOEK AAN HET HOF KRACHTENS ARTIKEL 177 EEG-VERDRAG VAN DE PRESIDENT VAN DE RECHTBANK TE TRIEST, IN HET ALDAAR AANHANGIG GEDING TUSSEN

FRATELLI VARIOLA S.P.A ., TRIEST,

EN

ITALIAANSE BELASTINGDIENST,

Onderwerp


OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING INZAKE DE UITLEGGING VAN DE ARTIKELEN 18 EN 20 VAN VERORDENING NR . 19 VAN DE RAAD VAN 4 APRIL 1962, HOUDENDE DE GELEIDELIJKE TOTSTANDBRENGING VAN EEN GEMEENSCHAPPELIJKE ORDENING DER MARKTEN IN DE SECTOR GRANEN ( PB VAN 20.4.1962, BLZ . 933 ), EN VAN DE ARTIKELEN 18 EN 21 VAN VERORDENING NR . 120/67/EEG VAN DE RAAD VAN 13 JUNI 1967, HOUDENDE EEN GEMEENSCHAPPELIJKE ORDENING DER MARKTEN IN DE SECTOR GRANEN ( PB VAN 19.6.1967, BLZ . 2269 ), EN INZAKE BEPAALDE ANDERE VRAGEN MET BETREKKING TOT DE RECHTSTREEKSE TOEPASSING VAN DEZE BEPALINGEN,

Overwegingen van het arrest


1 OVERWEGENDE DAT DE PRESIDENT VAN DE RECHTBANK TE TRIEST BIJ BESCHIKKING VAN 12 JANUARI 1973, INGEKOMEN TER GRIFFIE VAN HET HOF OP 27 FEBRUARI 1973, KRACHTENS ARTIKEL 177 VAN HET EEG-VERDRAG HEEFT VERZOCHT OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING BETREFFENDE DE UITLEGGING VAN 'S RAADS VERORDENINGEN NR . 19 VAN 4 APRIL 1962 EN NR . 120/67/EEG VAN 13 JUNI 1967 BETREFFENDE DE GEMEENSCHAPPELIJKE ORDENING VAN DE LANDBOUWMARKTEN IN DE SECTOR GRANEN, EN OMTRENT SOMMIGE VRAGEN MET BETREKKING TOT DE RECHTSTREEKSE WERKING VAN COMMUNAUTAIRE RECHTSREGELS IN DE RECHTSORDE DER LID-STATEN;

TEN AANZIEN VAN DE EERSTE VRAAG

2 OVERWEGENDE DAT IN DE EERSTE PLAATS HET HOF WORDT VERZOCHT TE BESLISSEN OF HET BEGRIP HEFFING VAN GELIJKE WERKING ALS DOUANERECHTEN IN DE ARTIKELEN 18 EN 20 VAN VERORDENING NR . 19/62 EN DE ARTIKELEN 18 EN 21 VAN VERORDENING NR . 120/67 HETZELFDE IS ALS DAT VAN DE ARTIKELEN 9 EN VOLGENDE VAN HET VERDRAG;

3 OVERWEGENDE DAT DE VERDRAGSBEPALINGEN, KRACHTENS WELKE HET DE LID-STATEN VERBODEN IS IN HET HANDELSVERKEER BINNEN DE GEMEENSCHAP HEFFINGEN VAN GELIJKE WERKING ALS DOUANERECHTEN TOE TE PASSEN, TEN DOEL HEBBEN HET VRIJE VERKEER VAN GOEDEREN BINNEN DE GEMEENSCHAP TE VERZEKEREN;

DAT DE BEPALINGEN VAN DE VERORDENINGEN BETREFFENDE DE ORDENING VAN DE LANDBOUWMARKT ENERZIJDS, VOOR ZOVER ZIJ DE TOEPASSING VAN ENIG DOUANERECHT OF ENIGE HEFFING VAN GELIJKE WERKING IN HET INTRACOMMUNAUTAIRE HANDELSVERKEER VERBIEDEN, HETZELFDE DOEL NASTREVEN EN ANDERZIJDS, VOOR ZOVER DIE BEPALINGEN EEN SOORTGELIJK VERBOD VOOR INVOEREN UIT DERDE LANDEN BEVATTEN, EEN UNIFORME REGELING AAN DE BUITENGRENZEN VAN DE GEMEENSCHAP BEOGEN TE VERZEKEREN;

DAT UIT NIETS BLIJKT DAT DE UITDRUKKING "HEFFING VAN GELIJKE WERKING" IN DE ARTIKELEN 18 EN 20 VAN VERORDENING NR . 19/62 EN 18 EN 21 VAN VERORDENING NR . 120/67 ANDERS ZOU MOETEN WORDEN UITGELEGD DAN IN DE ARTIKELEN 9 EN VOLGENDE VAN HET VERDRAG;

TEN AANZIEN VAN DE TWEEDE VRAAG

4 OVERWEGENDE DAT HET HOF VERVOLGENS WORDT VERZOCHT TE BESLISSEN OF EEN HEFFING DIE UITSLUITEND OP INGEVOERDE - HETZIJ UIT ANDERE LID-STATEN, HETZIJ UIT DERDE LANDEN AFKOMSTIGE - GOEDEREN WORDT GELEGD UIT HOOFDE VAN HET ENKELE FEIT DAT ZIJ IN NATIONALE HAVENS WORDEN GELOST, EEN KRACHTENS DE AANGEHAALDE VERORDENINGEN VERBODEN "HEFFING VAN GELIJKE WERKING ALS EEN DOUANERECHT" IS;

5 OVERWEGENDE DAT HET BLIJKENS DE PROCESSTUKKEN IN CASU GAAT OM HET ZOGENAAMDE "LOSSINGSRECHT", BEDOELD IN ARTIKEL 27 VAN DE ITALIAANSE WET NR . 28 VAN 9 FEBRUARI 1963 OP DE HEFFINGEN EN RECHTEN INZAKE VERVOER PER SCHIP, EN GEHEVEN OP GOEDEREN VAN BUITENLANDSE HERKOMST, DIE IN DE HAVENS, OP DE REDEN EN KUSTEN VAN DE STAAT WORDEN GELOST TEN EINDE DEFINITIEF OF TIJDELIJK TE WORDEN INGEVOERD;

DAT VOOR GRANEN DIT LOSSINGSRECHT 30 LIRE PER TON BEDRAAGT;

DAT DE OPBRENGST ERVAN WORDT AANGEWEND VOOR DE HAVENINSTALLATIES EN DE LAAD - EN LOSFACILITEITEN;

6 OVERWEGENDE DAT HET VERBOD VAN ELK DOUANERECHT EN VAN ELKE HEFFING VAN GELIJKE WERKING BETREKKING HEEFT OP IEDERE BIJ OF WEGENS INVOER GEHEVEN BELASTING WELKE BEPAALDELIJK OP HET INGEVOERDE PRODUKT EN NIET OP HET NATIONALE PRODUKT WORDT GELEGD EN DERHALVE OP HET VRIJE VERKEER VAN GOEDEREN DEZELFDE BEPERKENDE INVLOED HEEFT ALS EEN DOUANERECHT;

DAT, HOE GERING ZODANIGE BELASTING OOK MOGE ZIJN, DE HEFFING ERVAN TEZAMEN MET DE ADMINISTRATIEVE FORMALITEITEN WAARTOE ZIJ AANLEIDING GEEFT, HET VRIJE VERKEER VAN GOEDEREN BELEMMERT;

TEN AANZIEN VAN DE VRAGEN 3 EN 6

7 OVERWEGENDE DAT MET DE DERDE EN ZESDE VRAAG HET HOF WORDT VERZOCHT TE BESLISSEN OF DE BEPALINGEN VAN DE ARTIKELEN 18 EN 20 VAN VERORDENING NR . 19/62 EN DE ARTIKELEN 18 EN 21 VAN VERORDENING NR . 120/67 MOETEN WORDEN GEACHT RECHTSTREEKS TOEPASSELIJK TE ZIJN IN DE LID-STATEN EN ALDUS TEN BEHOEVE VAN DE PARTICULIEREN RECHTEN DOEN ONTSTAAN WELKE DE NATIONALE RECHTER MOET HANDHAVEN;

8 OVERWEGENDE DAT EEN VERORDENING NAAR LUID VAN ARTIKEL 189, TWEEDE ALINEA, VAN HET VERDRAG "EEN ALGEMENE STREKKING " HEEFT EN "RECHTSTREEKS TOEPASSELIJK ( IS ) IN ELKE LID-STAAT";

DAT ZIJ DERHALVE NAAR HAAR AARD EN FUNCTIE IN HET STELSEL VAN DE COMMUNAUTAIRE RECHTSBRONNEN RECHTSTREEKS WERKT, EN ALS ZODANIG AAN PARTICULIEREN RECHTEN KAN VERLENEN DIE DE NATIONALE RECHTER GEHOUDEN IS TE BESCHERMEN;

DAT DERHALVE DE GESTELDE VRAAG BEVESTIGEND DIENT TE WORDEN BEANTWOORD;

TEN AANZIEN VAN DE VRAGEN 4 EN 5

9 OVERWEGENDE DAT MET DE VIERDE EN VIJFDE VRAAG IN WEZEN AAN HET HOF WORDT GEVRAAGD OF DE BEPALINGEN DER LITIGIEUZE VERORDENINGEN IN DE RECHTSORDE VAN DE LID-STATEN KUNNEN WORDEN OPGENOMEN BIJ WEGE VAN INTERNE MAATREGELEN DIE DE INHOUD VAN DE COMMUNAUTAIRE VOORSCHRIFTEN OVERNEMEN, WAARDOOR DE MATERIE AAN HET NATIONALE RECHT WORDT ONDERWORPEN EN DIENTENGEVOLGE AAN DE BEVOEGDHEID VAN HET HOF ONTTROKKEN;

10 OVERWEGENDE DAT DE RECHTSTREEKSE TOEPASSELIJKHEID VAN EEN VERORDENING VOORONDERSTELT DAT ZIJ IN WERKING TREEDT EN TEN GUNSTE OF TEN LASTE VAN DE RECHTSSUBJECTEN WORDT TOEGEPAST ZONDER DAT DAARTOE ENIGE MAATREGEL TOT RECEPTIE IN HET NATIONALE RECHT VEREIST IS;

DAT DE LID-STATEN KRACHTENS HUN UIT HET VERDRAG VOORTVLOEIENDE VERPLICHTINGEN, WELKE ZIJ BIJ DE RATIFICATIE ERVAN OP ZICH HEBBEN GENOMEN, GEHOUDEN ZIJN AAN DE RECHTSTREEKSE WERKING VAN VERORDENINGEN EN ANDERE COMMUNAUTAIRE RECHTSVOORSCHRIFTEN NIETS IN DE WEG TE LEGGEN ;

DAT DE NAUWGEZETTE NALEVING VAN DEZE PLICHT EEN ONONTBEERLIJKE VOORWAARDE IS VOOR DE GELIJKTIJDIGE EN EENVORMIGE TOEPASSING DER GEMEENSCHAPSVERORDENINGEN OP HET GEHELE GEBIED VAN DE GEMEENSCHAP;

11 DAT MEER IN HET BIJZONDER DE LID-STATEN GEHOUDEN ZIJN GEEN ENKELE MAATREGEL TE NEMEN, WELKE AAN 'S HOFS BEVOEGDHEID ZICH OVER ELKE VRAAG VAN UITLEGGING VAN HET GEMEENSCHAPSRECHT OF OVER DE GELDIGHEID VAN EEN HANDELING DER COMMUNAUTAIRE INSTELLINGEN UIT TE SPREKEN, AFBREUK KAN DOEN, HETGEEN BETEKENT DAT ELKE HANDELWIJZE WELKE HET GEMEENSCHAPPELIJK KARAKTER VAN EEN RECHTSREGEL AAN DE JUSTITIABELEN ZOU VERHELEN, ONTOELAATBAAR IS;

DAT, IN WEERWIL VAN ELKE NATIONALE WETTELIJKE MAATREGEL DIE EEN COMMUNAUTAIR RECHTSVOORSCHRIFT IN NATIONAAL RECHT BEOOGT TE TRANSFORMEREN, DE BEVOEGDHEID VAN HET HOF, MET NAME KRACHTENS ARTIKEL 177, ONVERKORT BLIJFT;

TEN AANZIEN VAN VRAAG 7

12 OVERWEGENDE DAT IN DE ZEVENDE PLAATS HET HOF WORDT GEVRAAGD OF DE DOOR DE ARTIKELEN 18 EN 20 VAN VERORDENING NR . 19/62 AAN DE PARTICULIEREN VERLEENDE RECHTEN NA DE INWERKINGTREDING VAN VERORDENING NR . 120/67 ZIJN BLIJVEN BESTAAN;

13 OVERWEGENDE DAT BLIJKENS ARTIKEL 33 VAN VERORDENING NR . 120/67 DE HIERBIJ INGESTELDE REGELING MET INGANG VAN 1 JULI 1967 VAN TOEPASSING IS EN DAT VERORDENING NR . 19/62 MET INGANG VAN DIE ZELFDE DATUM IS INGETROKKEN;

DAT, BEHOUDENS EEN GELDIGE CONTRAIRE BEPALING, DE INTREKKING VAN EEN VERORDENING NIET INHOUDT DAT DE DOOR HAAR BEPALINGEN IN HET LEVEN GEROEPEN SUBJECTIEVE RECHTEN WORDEN TENIET GEDAAN;

DAT, ANDERZIJDS, HET IN DE ARTIKELEN 18 EN 20 VAN VERORDENING NR . 19/62 TOT DE LID-STATEN GERICHTE VERBOD HEFFINGEN VAN GELIJKE WERKING ALS DOUANERECHTEN TOE TE PASSEN, IN DE ARTIKELEN 18 EN 21 VAN VERORDENING NR . 120/67 IS OVERGENOMEN;

DAT DERHALVE MOET WORDEN GECONCLUDEERD DAT DE DOOR DE ARTIKELEN 18 EN 20 VAN VERORDENING NR . 19/62 TEN BEHOEVE VAN PARTICULIEREN IN HET LEVEN GEROEPEN RECHTEN NA DE INWERKINGTREDING VAN VERORDENING NR . 120/67 ZONDER ONDERBREKING ZIJN BLIJVEN VOORTBESTAAN;

TEN AANZIEN VAN VRAAG 8

14 OVERWEGENDE DAT IN DE ACHTSTE PLAATS AAN HET HOF WORDT GEVRAAGD OF EEN LID-STAAT BIJ WEGE VAN EEN NA DE INWERKINGTREDING DER LITIGIEUZE VERORDENINGEN VASTGESTELD WETTELIJK VOORSCHRIFT DE INGANGSDATUM VAN HET VERBOD VAN HEFFINGEN VAN GELIJKE WERKING KAN WIJZIGEN;

DAT BLIJKENS DE PROCESSTUKKEN DEZE VRAAG BETREKKING HEEFT OP DE ITALIAANSE WET NR . 447 VAN 24 JUNI 1971, WAARBIJ HET STATISTIEKRECHT EN HET RECHT VOOR ADMINISTRATIEVE DIENSTEN, WELKE HET HOF IN ZIJN ARRESTEN VAN 1 JULI 1969 ( ZAAK 24-68 , JURISPRUDENTIE 1969, BLZ . 193 ) EN 18 NOVEMBER 1970 ( ZAAK 8-70, JURISPRUDENTIE 1970, BLZ . 961 ) MET DE COMMUNAUTAIRE VERBODSBEPALINGEN INZAKE DE TOEPASSING VAN HEFFINGEN VAN GELIJKE WERKING ALS DOUANERECHTEN ONVERENIGBAAR HEEFT VERKLAARD, ZIJN AFGESCHAFT;

DAT DEZE WET BEPAALT DAT DIE AFSCHAFFING EERST INGAAT OP DE DAT VAN HAAR INWERKINGTREDING, TE WETEN 1 AUGUSTUS 1971, BEHOUDENS WAT BETREFT HET RECHT VOOR ADMINISTRATIEVE DIENSTEN, GEHEVEN OP UIT ANDERE LID-STATEN INGEVOERDE GOEDEREN, DAT MET INGANG VAN 30 JUNI 1968 IS AFGESCHAFT;

15 OVERWEGENDE DAT TEGEN DE RECHTSTREEKSE WERKING IN DE RECHTSORDE DER LID-STATEN VAN DE VERORDENINGEN DER GEMEENSCHAP EN VAN ANDERE COMMUNAUTAIRE RECHTSVOORSCHRIFTEN , DAARONDER BEGREPEN HET VERBOD VAN HEFFINGEN VAN GELIJKE WERKING ALS DOUANERECHTEN OVEREENKOMSTIG DE ARTIKELEN 9 EN VOLGENDE VAN HET VERDRAG, IN RECHTE GEEN NATIONALE WETSTEKST KAN WORDEN INGEROEPEN ZONDER DAT DAARDOOR DE WEZENLIJKE AARD VAN DE GEMEENSCHAPSREGELS ALS ZODANIG EN HET FUNDAMENTELE BEGINSEL VAN DE VOORRANG DER COMMUNAUTAIRE RECHTSORDE IN GEVAAR WORDEN GEBRACHT;

DAT DIT IN HET BIJZONDER GELDT VOOR HET TIJDSTIP WAAROP DE GEMEENSCHAPSREGEL BEGINT TE WERKEN EN TEN BEHOEVE VAN PARTICULIEREN RECHTEN DOET ONTSTAAN;

DAT, VANWEGE DE NOODZAAK DE EENVORMIGE EN GELIJKTIJDIGE TOEPASSING VAN HET GEMEENSCHAPSRECHT OP HET GEHELE GEBIED VAN DE GEMEENSCHAP TE VERZEKEREN, VAN EEN BEVOEGDHEID DER LID-STATEN OM - ELK VOOR ZOVEEL HET HEM AANGAAT EN ZONDER DAARTOE UITDRUKKELIJK TE ZIJN GEMACHTIGD - HET TIJDSTIP VAN DE INWERKINGTREDING VAN DE GEMEENSCHAPSREGEL TE WIJZIGEN, GEEN SPRAKE KAN ZIJN;

Beslissing inzake de kosten


TEN AANZIEN VAN DE KOSTEN

16 OVERWEGENDE DAT DE KOSTEN, DOOR DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN WEGENS INDIENING HARER OPMERKINGEN BIJ HET HOF GEMAAKT, NIET VOOR VERGOEDING IN AANMERKING KUNNEN KOMEN EN DAT DE PROCEDURE TEN AANZIEN VAN DE PARTIJEN IN HET HOOFDGEDING ALS EEN ALDAAR GEREZEN INCIDENT IS TE BESCHOUWEN, ZODAT DE NATIONALE RECHTERLIJKE INSTANTIE OVER DE KOSTEN HEEFT TE BESLISSEN;

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE,

UITSPRAAK DOENDE OP DE DOOR DE PRESIDENT VAN DE RECHTBANK TE TRIEST BIJ ZIJN BESCHIKKING VAN 12 JANUARI 1973 GESTELDE VRAGEN, VERKLAART VOOR RECHT;

TEN AANZIEN VAN DE EERSTE VRAAG

1 . HET BEGRIP "HEFFING VAN GELIJKE WERKING" DIENT IN DE ARTIKELEN 18 EN 20 VAN VERORDENING NR . 19/62 EN IN DE ARTIKELEN 18 EN 21 VAN VERORDENING NR . 120/67 IN DEZELFDE ZIN TE WORDEN VERSTAAN ALS IN DE ARTIKELEN 9 EN VOLGENDE VAN HET VERDRAG .

TEN AANZIEN VAN DE TWEEDE VRAAG

2 . EEN HEFFING DIE UITSLUITEND OP INGEVOERDE GOEDEREN WORDT GELEGD UIT HOOFDE VAN HET ENKELE FEIT DAT ZIJ IN NATIONALE HAVENS WORDEN GELOST, IS EEN "HEFFING VAN GELIJKE WERKING ALS EEN DOUANERECHT" EN DERHALVE, WAT BETREFT DE INVOER VAN GRANEN HETZIJ UIT ANDERE LID-STATEN HETZIJ UIT DERDE LANDEN, VERBODEN BIJ DE ARTIKELEN 18 EN 20 VAN VERORDENING NR . 19/62 EN 18 EN 21 VAN VERORDENING NR . 120/67 .

TEN AANZIEN VAN DE VRAGEN 3 EN 6

3 . DE BEPALINGEN VAN DE ARTIKELEN 18 EN 20 VAN VERORDENING NR . 19/62 EN 18 EN 21 VAN VERORDENING NR . 120/67, BEVATTENDE EEN TOT DE LID-STATEN GERICHT VERBOD ENIGE HEFFING VAN GELIJKE WERKING ALS DOUANERECHTEN TOE TE PASSEN, ZIJN RECHTSTREEKS TOEPASSELIJK IN DE RECHTSORDE VAN DE LID-STATEN EN DOEN DERHALVE TEN BEHOEVE VAN DE PARTICULIEREN RECHTEN ONTSTAAN, WELKE DE NATIONALE RECHTER HEEFT TE HANDHAVEN .

TEN AANZIEN VAN DE VRAGEN 4 EN 5

4 . EEN NATIONALE WETTELIJKE MAATREGEL, WAARIN DE INHOUD VAN EEN RECHTSTREEKS TOEPASSELIJKE COMMUNAUTAIRE RECHTSREGEL IS OVERGENOMEN, KAN OP GENERLEI WIJZE HETZIJ AAN DEZE RECHTSTREEKSE TOEPASSELIJKHEID AFBREUK DOEN, HETZIJ DE UIT HET VERDRAG VOORTVLOEIENDE BEVOEGDHEID VAN HET HOF VERKORTEN .

TEN AANZIEN VAN VRAAG 7

5 . DE RECHTEN, DOOR DE ARTIKELEN 18 EN 20 VAN VERORDENING NR . 19/62 TEN BEHOEVE VAN DE PARTICULIEREN IN HET LEVEN GEROEPEN, ZIJN NA DE INWERKINGTREDING VAN VERORDENING NR . 120/67 ZONDER ONDERBREKING BLIJVEN VOORTBESTAAN .

TEN AANZIEN VAN VRAAG 8

6 . DE RECHTSTREEKSE WERKING VAN DE ARTIKELEN 18 EN 20 VAN VERORDENING NR . 19/62 EN 18 EN 21 VAN VERORDENING NR . 120/67 VERZET ZICH TEGEN ELKE NATIONALE WETTELIJKE MAATREGEL WELKE DE DATUM WAAROP DIE BEPALINGEN BEGINNEN TE WERKEN, BEOOGT TE WIJZIGEN .

Top