Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32003H0047

Aanbeveling van de Commissie van 15 januari 2003 betreffende de richtsnoeren om een lidstaat bij te staan in de uitwerking van een nationaal emissiereductieplan overeenkomstig het bepaalde in Richtlijn 2001/80/EG inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door grote stookinstallaties (Voor de EER relevante tekst) (kennisgeving geschied onder nummer C(2003) 9)

PB L 16 van 22.1.2003, pp. 59–67 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)

ELI: http://data.europa.eu/eli/reco/2003/47/oj

32003H0047

Aanbeveling van de Commissie van 15 januari 2003 betreffende de richtsnoeren om een lidstaat bij te staan in de uitwerking van een nationaal emissiereductieplan overeenkomstig het bepaalde in Richtlijn 2001/80/EG inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door grote stookinstallaties (Voor de EER relevante tekst) (kennisgeving geschied onder nummer C(2003) 9)

Publicatieblad Nr. L 016 van 22/01/2003 blz. 0059 - 0067


Aanbeveling van de Commissie

van 15 januari 2003

betreffende de richtsnoeren om een lidstaat bij te staan in de uitwerking van een nationaal emissiereductieplan overeenkomstig het bepaalde in Richtlijn 2001/80/EG inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door grote stookinstallaties

(kennisgeving geschied onder nummer C(2003) 9)

(Voor de EER relevante tekst)

(2003/47/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 2001/80/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door grote stookinstallaties(1), en met name op artikel 4, lid 6, vijfde alinea, onder d),

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Krachtens Richtlijn 2001/80/EG moeten de lidstaten uiterlijk per 1 januari 2008 de emissies van bestaande grote stookinstallaties verminderen.

(2) De richtlijn voorziet in twee opties om de emissies van bestaande installaties te verminderen, hetzij door toepassing van gespecificeerde emissiegrenswaarden, hetzij via de implementatie van een nationaal emissiereductieplan voor dergelijke installaties.

(3) De Commissie wordt verzocht richtsnoeren op te stellen om lidstaten die voor een nationaal emissiereductieplan opteren, bij te staan in de uitwerking van een dergelijk plan,

BEVEELT AAN:

1. Een lidstaat die voor een nationaal emissiereductieplan kiest als middel om de voorschriften van Richtlijn 2001/80/EG toe te passen op bestaande installaties overeenkomstig artikel 4, lid 6, van de richtlijn, dient rekening te houden met de in de bijlage bij deze aanbeveling verstrekte richtsnoeren.

2. Deze aanbeveling is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 15 januari 2003.

Voor de Commissie

Margot Wallström

Lid van de Commissie

(1) PB L 309 van 27.11.2001, blz. 1.

BIJLAGE

1. INLEIDING

Krachtens artikel 4, lid 3, van Richtlijn 2001/80/EG dienen de lidstaten uiterlijk op 1 januari 2008 significante emissiereducties bij bestaande installaties te bereiken door middel van een van beide in artikel 4, lid 3, vastgestelde opties:

- Optie 1: Inachtneming van de emissiegrenswaarden (EGW's). Volgens deze aanpak wordt aan de nieuwe richtlijn voldaan, indien bij bedrijf van alle bestaande installaties de in deel A van de bijlagen III tot en met VII voor SO2, NOx en stof vastgestelde emissiegrenswaarden (EGW's) in acht worden genomen, eventueel met toepassing van de artikelen 5, 7 en 8 van Richtlijn 2001/80/EG.

- Optie 2: Implementatie van een nationaal emissiereductieplan. Als alternatief voor de EGW-aanpak kunnen de lidstaten een nationaal emissiereductieplan, zoals bedoeld in artikel 4, lid 6, ten uitvoer leggen. Het plan "brengt de totale jaarlijkse emissies van stikstofoxiden (NOx), zwaveldioxide (SO2) en stof van bestaande installaties terug tot de niveaus die bereikt zouden zijn, als de... emissiegrenswaarden waren toegepast op de bestaande installaties die in het jaar 2000 in bedrijf zijn, ... op basis van de effectieve jaarlijkse exploitatietijd, de gebruikte brandstof en het thermisch vermogen, gemiddeld gedurende de afgelopen vijf jaar van exploitatie tot en met het jaar 2000.". Bovendien is bepaald dat "de sluiting van een in het nationale emissiereductieplan opgenomen installatie niet tot gevolg heeft dat de totale jaarlijkse emissies van de resterende installaties van het plan worden verhoogd.". Voorts dient een plan "doelstellingen en daarvan afgeleide streefgetallen, maatregelen en tijdschema's te bevatten om die doelstellingen en streefgetallen te halen, alsmede een controlemechanisme.".

Bestaande installaties kunnen worden vrijgesteld van de in Richtlijn 2001/80/EG vastgestelde EGW's of van opneming in een nationaal emissiereductieplan, indien wordt geopteerd voor beperkte bedrijfsduur (artikel 4, lid 4). Deze vrijstelling geldt op voorwaarde dat "de exploitant van een bestaande installatie zich in een schriftelijke verklaring die uiterlijk 30 juni 2004 aan de bevoegde autoriteit wordt overgelegd, ertoe verbindt om de installatie vanaf 1 januari 2008 tot en met 31 december 2015 niet langer dan 20000 bedrijfsuren in bedrijf te nemen;".

Krachtens artikel 4, lid 6, onder d), van Richtlijn 2001/80/EG dient de Commissie richtsnoeren op te stellen om de lidstaten bij de uitwerking van nationale emissiereductieplannen bij te staan.

1.1. Verband tussen het nationale emissiereductieplan in het kader van de nieuwe richtlijn inzake grote stookinstallaties en andere belangrijke beleidsgebieden

Een lidstaat die een nationaal emissiereductieplan overeenkomstig Richtlijn 2001/80/EG uitwerkt, moet tevens rekening houden met verplichtingen die uit andere communautaire wetgeving voortvloeien, met name de IPPC-richtlijn (Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB L 257 van 10.10.1996, blz.26)). In Richtlijn 2001/80/EG is met name bepaald dat "een installatie in geen geval op grond van een nationaal emissiereductieplan kan worden vrijgesteld van de bepalingen van de desbetreffende communautaire wetgeving, onder meer Richtlijn 96/61/EG.". Krachtens artikel 5 van Richtlijn 96/61/EG moeten bestaande installaties uiterlijk op 30 oktober 2007 aan de voorschriften van die richtlijn voldoen.

1.2. Profiel van bestaande stookinstallaties in een hypothetische lidstaat

Een lidstaat die kiest voor opstelling van een nationaal emissiereductieplan, moet een lijst van de in het plan op te nemen installaties samenstellen met gegevens over de gebruikte brandstoffen, bedrijfskenmerken en -omstandigheden. Deze gegevens moeten worden samengesteld en gepresenteerd zoals aangegeven in tabel A.1 in aanhangsel A. Sommige gegevens moeten eventueel worden berekend (bijv. jaarlijks gemiddeld rookgasdebiet). Voor elke installatie moeten de volgende essentiële gegevens worden verstrekt:

- soorten brandstof;

- capaciteit van de installatie;

- jaarlijkse bedrijfsduur (wanneer een vrijstelling voor beperkte bedrijfsuren geldt);

- meest recente jaarlijkse emissies van SO2, NOx en stof (niet verplicht maar nuttig om de vereiste maatregelen vast te stellen);

- jaarlijkse gemiddelde onbeperkte emissies van SO2 van 1996 tot 2000 (indien het ontzwavelingspercentage wordt gebruikt om de bijdrage van de installatie aan de emissiestreefcijfers te berekenen);

- jaarlijks gemiddeld rookgasdebiet van 1996 tot 2000 (gebruikt om de bijdrage van de installatie aan de emissiestreefcijfers te berekenen, behalve wanneer het ontzwavelingspercentage wordt toegepast).

2. VASTSTELLING VAN DOELSTELLINGEN VAN EEN NATIONAAL EMISSIEREDUCTIEPLAN

De doelstellingen van een nationaal emissiereductieplan omvatten streefwaarden voor de totale emissie van SO2, NOx en stof. De totale emissie van alle stookinstallaties die in het plan zijn opgenomen, moet lager zijn dan de streefwaarden in de desbetreffende tijdschema's.

Emissiestreefwaarden moeten voor een lidstaat worden berekend op basis van de bijdragen van elke installatie afzonderlijk, zoals aangegeven in tabel A.2 van het aanhangsel.

2.1. Individuele bijdragen van installaties aan de streefcijfers voor de totale emissie

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, lid 6, kan de bijdrage van elke installatie aan de streefwaarden voor emissies van SO2, NOx en stof worden berekend aan de hand van de volgende vergelijking:

Bijdrage van installatie aan streefcijfer (tpa) = rookgasdebiet (Nm3pa) x EGW (mg/Nm3) x 1,0x10-9

waarin:

- het rookgasdebiet de volumetrische doorstroming van rookgassen is, zoals aangegeven in de tabel in het document met de richtsnoeren, in miljoen kubieke meter per jaar, gemiddeld over de laatste vijf jaar van bedrijf tot en met 2000. Het wordt uitgedrukt bij standaardtemperatuur (273 K) en -druk (101,3 kPa), de relevante referentieomstandigheden voor zuurstof en na correctie voor het waterdampgehalte;

- EGW de emissiegrenswaarde is, uitgedrukt in mg/Nm3, bij een zuurstofgehalte in de rookgassen van 3 volumepercenten voor vloeibare en gasvormige brandstoffen en 6 volumepercenten voor vaste brandstoffen;

- tpa = ton per jaar.

De bovenstaande vergelijking geldt in alle gevallen, behalve wanneer het ontzwavelingspercentage voor SO2 van toepassing kan zijn (zie bijlage III van de richtlijn, NB in deel A). In die gevallen kan de bijdrage van een installatie aan het streefgetal voor SO2-emissie worden berekend aan de hand van de volgende vergelijking:

Bijdrage van installatie aan streefcijfer (tpa) = onbeperkte SO2-emissies (tpa) x (1 - (ontzwavelingspercentage %/100))

waarin:

- onbeperkte SO2-emissies de jaarlijkse emissies van SO2 vertegenwoordigen, gemiddeld over de laatste vijf jaar van bedrijf tot en met 2000, uitgedrukt in ton per jaar, zoals bepaald vóór behandeling in een ontzwavelingsinstallatie (inclusief retentie van zwavel in de installatie en as);

- ontzwavelingspercentage het percentage ontzwaveling is, zoals omschreven in artikel 2, punt 4, van de richtlijn.

2.2. Tijdschema voor inachtneming

De bepalingen van de richtlijn omvatten strengere EGW's die vanaf 2016 en 2018 van kracht worden. Er gelden bijgevolg drie termijnen voor de inachtneming, namelijk:

- 1 januari 2008 tot en met 31 december 2015 (de EGW's zijn in de regel met ingang van 1 januari 2008 van toepassing);

- 1 januari 2016 tot en met 31 december 2017 (vanaf 1 januari 2016 geldt de strengere NOx-EGW voor installaties > 500 MWth met vaste brandstof en gelden strengere afwijkingen inzake NOx- en SO2-EGW's voor vastebrandstofinstallaties met beperkte bedrijfsuren);

- vanaf 1 januari 2018 (met ingang van 1 januari 2018 vervalt de afwijking voor de NOx-EGW voor installaties die vaste brandstoffen met een vluchtigheidsgehalte < 10 % gebruiken).

2.3. Totale emissiestreefcijfers

De waarde van de totale emissiestreefcijfers voor SO2, NOx en stof kan worden bepaald door optelling van de bijdragen van de afzonderlijke installaties bij de respectieve emissiestreefcijfers:

emissiestreefcijfer voor een lidstaat (tpa) = [sum ] (individuele bijdrage van een installatie aan het streefcijfer).

Mogelijke wijzigingen in de emissiestreefcijfers, ten opzichte van de streefcijfers in het nationale emissiereductieplan van een lidstaat, dat vóór 27 november 2003 bij de Commissie is ingediend, kunnen betrekking hebben op:

- de afwijking op grond van de lage NOx-belastingsfactor voor vastebrandstofinstallaties > 500 MWth. Dit is gebaseerd op de over vijf jaar gemiddelde jaarlijkse bedrijfsduur vanaf 2008. Van de lidstaten wordt verwacht dat zij in hun plan specifieke installaties noemen die van deze mogelijkheid gebruik zullen maken in het plan dat aan de Commissie wordt meegedeeld. De genoemde installaties kunnen echter, met goedkeuring van de bevoegde autoriteit, worden gewijzigd in de loop van de uitvoering van het plan, op voorwaarde dat compenserende maatregelen worden genomen die in overeenstemming zijn met de richtlijn en waarmee hetzelfde totale emissiestreefcijfer wordt bereikt;

- de afwijking op grond van de beperkte bedrijfsduur. De exploitanten hebben tot 30 juni 2004 de tijd om de bevoegde autoriteit ervan in kennis te stellen dat zij wensen vrijgesteld te worden van opneming in het plan, omdat zij opteren voor de afwijking op grond van de beperkte bedrijfsduur (artikel 4, lid 4). Indien een exploitant, nadat het plan van de lidstaat aan de Commissie is meegedeeld, maar vóór 30 juni 2004, voor de afwijking op grond van de beperkte bedrijfsduur opteert, moet de betrokken lidstaat een desbetreffende wijziging van het plan indienen.

3. MAATREGELEN OM DE DOELSTELLINGEN TE BEREIKEN

De lidstaten moeten de maatregelen beschrijven die zij in het kader van een nationaal emissiereductieplan overwegen om de emissiereducties te bereiken die krachtens Richtlijn 2001/80/EG zijn vereist.

In de eerste plaats moeten de emissiereducties die minimaal zijn vereist om de streefcijfers te bereiken, worden berekend door de jaarlijkse emissiestreefcijfers af te trekken van de meest recente jaarlijkse emissies, zoals aangegeven in tabel 1.

Tabel 1

Bepaling van emissiereducties om de emissiestreefcijfers voor een hypothetische lidstaat te bereiken

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

NB:

De getallen in de bovenstaande tabel gelden alleen als voorbeeld.

In de tweede plaats moeten, na berekening van de minimaal vereiste emissiereducties en de in acht te nemen emissiestreefcijfers, maatregelen worden vastgesteld waarmee deze reducties kunnen worden bewerkstelligd. De doelstellingen van het plan kunnen bijvoorbeeld worden bereikt door over te gaan op een andere brandstof, wijzigingen in de verbranding, bestrijdingstechnieken, beheer van de belastingsfactor, enz. De feitelijke maatregelen zullen door elke lidstaat afzonderlijk moeten worden vastgesteld, waarbij bijvoorbeeld rekening wordt gehouden met kosteneffectiviteit, praktische uitvoerbaarheid, effect op de continuïteit en diversiteit van de energievoorziening, verplichtingen op grond van overige communautaire wetgeving en andere beperkingen.

Tabel A.3 in aanhangsel A bevat een voorbeeld van maatregelen die het mogelijk maken de streefcijfers te halen. De maatregelen die in de tabel worden vermeld en in het nationale emissiereductieplan aan de Commissie worden meegedeeld, sluiten niet uit dat andere maatregelen worden genomen die stroken met de tenuitvoerlegging van de richtlijn, mits de bevoegde autoriteiten hun goedkeuring verlenen en de streefcijfers voor de betrokken lidstaat worden gehaald.

4. TIJDSCHEMA

Tabel 2 bevat het tijdschema met mijlpalen voor een lidstaat die opteert voor een nationaal emissiereductieplan.

Tabel 2

Mijlpalen in de uitvoering van een nationaal emissiereductieplan overeenkomstig Richtlijn 2001/80/EG

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

5. CONTROLEMECHANISME

5.1. Controle door de bevoegde autoriteiten

Met ingang van 1 januari 2008 moet een aantal controle- en rapportagemaatregelen ten uitvoer worden gelegd, met name:

- moeten de exploitanten ten genoegen van de bevoegde autoriteit een raming maken van de totale jaarlijkse emissies van SO2, NOx en stof, de toepasbaarheid van de afwijking voor NOx op grond van de beperkte bedrijfsduur bevestigen en meedelen hoeveel uren de installatie is gebruikt/niet gebruikt voor installaties die voor vrijstelling in aanmerking komen op grond van de beperkte bedrijfsuren;

- moeten de bevoegde autoriteiten de ramingen van de exploitanten inzake de totale jaarlijkse emissies van SO2, NOx en stof verifiëren voor alle in het plan opgenomen installaties en deze totalen vergelijken met de emissiestreefcijfers. Zij moeten erop toezien dat de totale jaarlijkse emissies van die in het plan opgenomen installaties onder de emissiestreefcijfers blijven. Zij moeten bovendien een mechanisme invoeren dat het mogelijk maakt eventuele sluitingen van in het plan opgenomen installaties te identificeren en zij moeten ervoor zorgen dat eventuele sluitingen van installaties niet leiden tot een verhoging van de totale jaarlijkse emissies door de overige onder het plan vallende installaties;

- moeten de lidstaten tevens voorzien in mechanismen voor goedkeuring van eventuele wijzigingen in de maatregelen die oorspronkelijk werden overwogen om de emissiereducties in het nationale emissiereductieplan te bereiken.

5.2. Verslag aan de Commissie

De verplichtingen met betrekking tot de verslagen die de lidstaten bij de Commissie moeten uitbrengen, zijn uiteengezet in bijlage VIII, deel B, van Richtlijn 2001/80/EG. De lidstaten wordt aangeraden een jaarlijks nationaal rapportagesysteem op te zetten om de prestaties met de streefcijfers te vergelijken.

Aanhangsel A

TABELLEN DIE BIJ WIJZE VAN VOORBEELD IN HET NATIONALE EMISSIEREDUCTIEPLAN MOETEN WORDEN OPGENOMEN ((De bedragen die in deze tabellen zijn ingevuld, gelden alleen als voorbeeld.))

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Top