This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 32002R0094
Commission Regulation (EC) No 94/2002 of 18 January 2002 laying down detailed rules for applying Council Regulation (EC) No 2826/2000 on information and promotion actions for agricultural products on the internal market
Verordening (EG) nr. 94/2002 van de Commissie van 18 januari 2002 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 2826/2000 van de Raad betreffende voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten op de binnenmarkt
Verordening (EG) nr. 94/2002 van de Commissie van 18 januari 2002 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 2826/2000 van de Raad betreffende voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten op de binnenmarkt
PB L 17 van 19.1.2002, pp. 20–36
(ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV) Dit document is verschenen in een speciale editie.
(CS, ET, LV, LT, HU, MT, PL, SK, SL)
No longer in force, Date of end of validity: 17/07/2005; opgeheven door 32005R1071
Verordening (EG) nr. 94/2002 van de Commissie van 18 januari 2002 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 2826/2000 van de Raad betreffende voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten op de binnenmarkt
Publicatieblad Nr. L 017 van 19/01/2002 blz. 0020 - 0036
Verordening (EG) nr. 94/2002 van de Commissie van 18 januari 2002 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 2826/2000 van de Raad betreffende voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten op de binnenmarkt DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, Gelet op Verordening (EG) nr. 2826/2000 van de Raad van 19 december 2000 betreffende voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten op de binnenmarkt(1), en met name op de artikelen 12 en 16, Overwegende hetgeen volgt: (1) De uitvoeringsbepalingen voor de voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten en, bijkomend, voor levensmiddelen op de binnenmarkt moeten worden vastgesteld. (2) Met het oog op een goed beheer moet worden bepaald hoe vaak en wanneer de lijst van thema's en producten die in aanmerking kunnen komen voor de bovenbedoelde afzetbevorderings- en voorlichtingsacties, wordt vastgesteld. (3) Om elk gevaar voor concurrentievervalsing te voorkomen, moeten richtsnoeren worden vastgesteld inzake de verwijzing naar de bijzondere oorsprong van de producten waarvoor afzetbevorderings- en voorlichtingscampagnes worden gevoerd. (4) De procedure voor de indiening van de programma's en de keuze van de uitvoeringsinstantie moet worden vastgesteld, om te zorgen voor een zo ruim mogelijke concurrentie terzake en om het vrije verkeer van diensten te waarborgen. (5) Om ervoor te zorgen dat de communautaire voorschriften worden nageleefd en dat de te voeren acties doeltreffend zijn, dienen de criteria te worden vastgesteld voor de selectie van de programma's door de lidstaten en voor het onderzoek door de Commissie, daarbij met name rekening houdend met het bepaalde in Richtlijn 92/50/EEG van de Raad 18 juni 1992 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening(2), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2001/78/EG van de Commissie(3). (6) In het kader van de samenwerking met de lidstaten informeert de Commissie het comité van beheer over de aanvaarde programma's en de middelen die ervoor zijn uitgetrokken, nadat de programma's zijn onderzocht. (7) Om voor de te realiseren programma's een kader aan te geven, moeten voor de betrokken campagnes algemene richtsnoeren worden vastgesteld. De campagnes moeten overeenkomstig artikel 3 van Verordening (EG) nr. 2826/2000 een informatief karakter hebben. In een eerste periode worden voor een bepaald aantal belangrijke sectoren dergelijke richtsnoeren vastgesteld, wat niet wegneemt dat dit niet eventueel later ook voor andere nader te bepalen sectoren of thema's kan gebeuren. Voor de sector levende planten en producten van de bloementeelt moeten nog voorschriften worden vastgesteld. (8) Om ervoor te zorgen dat de communautaire acties doeltreffend zijn, moeten de prioritaire criteria voor de selectie van die programma's worden vastgesteld met het oog op een optimaal effect. (9) Voor programma's waarbij meerdere lidstaten betrokken zijn, moeten maatregelen worden vastgesteld om ervoor te zorgen dat die lidstaten ten behoeve van de indiening en het onderzoek van de programma's onderling overleg plegen. (10) De consequenties, zoals eventueel de vermindering van de communautaire financiering, ingeval een organisatie wordt uitgesloten bij ontstentenis van cofinanciering door een lidstaat, en artikel 9, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2826/2000 niet van toepassing is, moeten worden bepaald. (11) Er moet worden bepaald welke controles door de lidstaten moeten worden uitgevoerd met betrekking tot de rechtstreeks door hen beheerde programma's. (12) Ter wille van een deugdelijk financieel beheer dienen de bepalingen inzake de financiële bijdrage van de Gemeenschap nader te worden vastgesteld. Met name moet worden gepreciseerd dat in het geval van meerjarenprogramma's de totale financiële bijdrage van de Gemeenschap niet meer dan 50 % van de totale kosten kan bedragen. (13) De verschillende regelingen voor de uitvoering van de aangegane verplichtingen moeten worden vastgelegd in contracten die binnen een redelijke termijn tussen de belanghebbenden en de bevoegde nationale instanties worden gesloten op basis van door de Commissie beschikbaar gestelde standaardcontracten. (14) Als garantie voor een goede uitvoering van het contract moet de contractant bij de bevoegde instantie een zekerheid ten belope van 15 % van de communautaire bijdrage stellen. Met hetzelfde doel moet hij ook bij een voorschotaanvraag een zekerheid stellen. (15) De primaire eis in de zin van artikel 20 van Verordening (EEG) nr. 2220/85 van de Commissie(4), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1932/1999(5), moet worden vastgesteld. (16) Gelet op de eisen inzake begrotingsbeheer moet worden voorzien in een sanctie voor het geval dat de aanvragen voor tussentijdse betalingen niet worden ingediend of de termijn voor de indiening daarvan niet in acht wordt genomen, of voor het geval dat de lidstaten de betalingen niet tijdig uitvoeren. (17) Ter wille van een goed financieel beheer en om te voorkomen dat de bijdrage van de Gemeenschap volledig wordt uitbetaald via de tussentijdse betalingen, zodat er geen saldo meer te betalen valt, dient te worden bepaald dat het voorschot en de verschillende tussentijdse betalingen samen niet meer mogen bedragen dan 80 % van de communautaire bijdrage en dat de aanvraag voor de saldobetaling binnen een bepaalde termijn door de bevoegde instantie moet zijn ontvangen. (18) Het blijkt noodzakelijk dat de lidstaten een controle op de uitvoering van de acties uitoefenen en dat de Commissie op de hoogte wordt gehouden van de resultaten van de in deze verordening bedoelde maatregelen. Ter wille van een goed financieel beheer dient te worden voorzien in samenwerking tussen de lidstaten in het geval van acties die worden uitgevoerd in een andere lidstaat dan die waar de contractsluitende bevoegde instantie is gevestigd. (19) Door de goedkeuring van Verordening (EG) nr. 2826/2000 zijn de voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten op de binnenmarkt in één enkele tekst bijeengebracht en geharmoniseerd. De uitvoeringsbepalingen van de bestaande sectorale regelgeving moeten derhalve eveneens worden geharmoniseerd en vereenvoudigd. De sectorale bepalingen respectievelijk uitvoeringsverordeningen betreffende de afzetbevordering van landbouwproducten moeten derhalve worden geschrapt respectievelijk ingetrokken. (20) De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van de gezamenlijke vergadering van de comités van beheer - afzetbevordering landbouwproducten, HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD: Artikel 1 Onder "programma" in de zin van artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van Verordening (EG) nr. 2826/2000 wordt verstaan: een geheel van coherente acties van voldoende grootte om de voorlichting over de betrokken producten en de afzet ervan te helpen bevorderen. Artikel 2 1. Overeenkomstig de in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 2826/2000 bedoelde criteria moet de tot de consumenten en andere doelgroepen gerichte boodschap inzake afzetbevordering en/of voorlichting gebaseerd zijn op intrinsieke eigenschappen en/of kenmerken van het betrokken product. 2. Elke verwijzing naar de oorsprong van de producten moet ondergeschikt zijn aan de hoofdboodschap van de campagne. De oorsprong van een product mag wel worden aangeduid wanneer het gaat om een aanduiding in het kader van de communautaire regelgeving, of om een element dat verband houdt met de voorbeeldproducten waarmee de afzetbevorderings- of voorlichtingsacties worden geïllustreerd. Artikel 3 De lijst van de in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 2826/2000 bedoelde thema's en producten wordt eens in de twee jaar, uiterlijk op 31 maart, vastgesteld. De eerste lijst is opgenomen in bijlage I bij deze verordening. De voor de toepassing van deze verordening bevoegde nationale autoriteiten zijn vermeld in bijlage II. Artikel 4 De in artikel 1 bedoelde programma's worden uitgevoerd over een periode van minimaal één en maximaal drie jaar, te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van het betrokken contract. Artikel 5 1. Voor de uitvoering van de acties in het kader van de in artikel 6 van Verordening (EG) nr. 2826/2000 bedoelde programma's ontvangt de belanghebbende lidstaat, na een oproep tot het indienen van voorstellen te hebben gedaan, vóór 15 juni, en voor het eerst vóór 15 maart, programma's van voor de betrokken sector(en) representatieve beroepsorganisaties en sectorale organisaties in de Gemeenschap. Deze programma's zijn in overeenstemming met de in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 2826/2000 bedoelde richtsnoeren en met het daartoe door de belanghebbende lidstaten bekendgemaakte bestek met uitsluitings-, selectie- en gunningscriteria. De richtsnoeren worden voor het eerst in bijlage III bij deze verordening vastgesteld. 2. Voor contracten die tot hun bevoegdheid behoren, nemen de lidstaten de nodige maatregelen opdat de aanbestedende diensten zorgen voor de naleving van het bepaalde in Richtlijn 92/50/EEG. 3. Als een voorlichtings- en/of afzetbevorderingsprogramma wordt overwogen dat voor meer dan één lidstaat van belang is, wordt door de betrokken lidstaten overlegd over het opstellen van onderling overeenstemmende bestekken en oproepen tot het indienen van voorstellen. 4. In antwoord op de oproepen tot het indienen van voorstellen stellen de in lid 1 bedoelde organisaties afzetbevorderings- en voorlichtingsprogramma's op, in samenwerking met de uitvoeringsinstantie(s) die zij hebben geselecteerd na een inschrijvingsprocedure volgens passende en door de lidstaat geverifieerde methoden. 5. Wanneer het gaat om programma's waarbij meerdere lidstaten betrokken zijn, plegen deze lidstaten overleg over de selectie van de programma's en verbinden zij zich ertoe deel te nemen in de financiering ervan overeenkomstig artikel 9, lid 2. Artikel 6 Wanneer, in verband met het feit dat een lidstaat geen bijdrage in de financiering levert, artikel 9, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2826/2000 niet wordt toegepast, wordt de beroeps- of bedrijfskolomorganisatie van die lidstaat van het programma uitgesloten. Artikel 7 1. De lidstaten verstrekken de Commissie jaarlijks uiterlijk op 15 mei, en voor het eerst op 31 maart, de voorlopige lijst van programma's en uitvoeringsinstanties die zij hebben geselecteerd, alsmede een kopie van deze programma's. Voor programma's waarbij meerdere lidstaten betrokken zijn, worden deze gegevens in onderling overleg door de betrokken lidstaten gezamenlijk verstrekt. 2. Wanneer blijkt dat een ingediend programma niet aan de communautaire regelgeving of aan de in bijlage III vermelde richtsnoeren voldoet, stelt de Commissie de betrokken lidstaat (lidstaten) binnen 60 kalenderdagen na ontvangst van de voorlopige lijst er van in kennis dat het betrokken programma in zijn geheel of gedeeltelijk niet voor steun in aanmerking komt. 3. Nadat de programma's zijn geverifieerd, deelt de Commissie de in artikel 13 van Verordening (EG) nr. 2826/2000 bedoelde gezamenlijke comités van beheer uiterlijk op 15 november, en voor het eerst op 31 juli, mee welke programma's zijn uitgekozen en hoeveel geld voor elk van die programma's wordt uitgetrokken. 4. De beroeps- of bedrijfskolomorganisatie die een voorstel indient, is er verantwoordelijk voor dat het programma goed wordt uitgevoerd. Artikel 8 Wanneer artikel 7 van Verordening (EG) nr. 2826/2000 wordt toegepast, wordt de voorlopige lijst van deze programma's uiterlijk op 30 september, en voor het eerst op 15 juni, aan de Commissie verstrekt. De gezamenlijke comités van beheer worden uiterlijk op 15 december en voor het eerst op 15 september op de hoogte gebracht. Artikel 9 1. De financiële bijdrage van de Gemeenschap aan de in artikel 9, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 2826/2000 bedoelde acties bedraagt: a) voor programma's met een looptijd van één jaar: 50 % van de werkelijke kosten van de acties; b) voor programma's met een looptijd van twee jaar: 60 % van de werkelijke kosten van de acties voor het eerste jaar en 40 % voor het tweede jaar, waarbij evenwel de totale financiële bijdrage van de Gemeenschap niet hoger mag zijn dan 50 % van de totale kosten; c) voor programma's met een looptijd van drie jaar: 60 % van de werkelijke kosten van de acties voor het eerste jaar, 50 % voor het tweede jaar en 40 % voor het derde jaar, waarbij evenwel de totale financiële bijdrage van de Gemeenschap niet hoger mag zijn dan 50 % van de totale kosten. Deze financiële bijdrage wordt betaald aan de in artikel 10, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2826/2000 bedoelde lidstaten. 2. De financiële bijdrage van de lidstaten voor de in artikel 9, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2826/2000 bedoelde acties bedraagt 20 % van de werkelijke kosten daarvan. Wanneer meerdere lidstaten bijdragen in de financiering, wordt hun aandeel bepaald in verhouding tot de financiële inbreng van de op hun grondgebied gevestigde organisatie die een voorstel indient. Artikel 10 1. Zodra de in artikel 6, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2826/2000 bedoelde definitieve lijst van door de lidstaten geselecteerde programma's is opgesteld, wordt elke belanghebbende organisatie door de lidstaat ingelicht over het aan haar aanvraag gegeven gevolg. De lidstaten sluiten in de daarop volgende periode van 30 kalenderdagen contracten met de geselecteerde organisaties. Na het verstrijken van deze termijn kan zonder voorafgaande toestemming van de Commissie geen enkel contract worden gesloten. 2. De lidstaten gebruiken standaardcontracten die de Commissie hun ter beschikking stelt. 3. Het contract kan door de twee partijen pas worden gesloten nadat als garantie voor de goede uitvoering ervan een zekerheid is gesteld die gelijk is aan 15 % van het jaarlijkse maximumbedrag van de financiering door de Gemeenschap en door de betrokken lidstaat (lidstaten). Deze zekerheid wordt gesteld overeenkomstig het bepaalde in titel III van Verordening (EEG) nr. 2220/85. De bevoegde instantie kan evenwel, indien de contractant een publiekrechtelijk lichaam is of onder toezicht van een dergelijk lichaam optreedt, een aan het in de eerste alinea vastgestelde percentage gelijkwaardige schriftelijke zekerheid van zijn toezichthoudende autoriteit aanvaarden, op voorwaarde dat deze laatste zich ertoe verbindt: - toe te zien op de correcte uitvoering van de aangegane verplichtingen, - na te gaan of de ontvangen bedragen wel degelijk voor de uitvoering van de aangegane verplichtingen worden gebruikt. Het bewijs dat deze zekerheid is gesteld, moet in het bezit van de lidstaat zijn voordat de in lid 1 genoemde termijn is verstreken. De zekerheid wordt vrijgegeven overeenkomstig de in artikel 12 van deze verordening vastgestelde termijnen en voorwaarden voor de betaling van het saldo. 4. De primaire eis in de zin van artikel 20 van Verordening (EEG) nr. 2220/85 is uitvoering van de in het contract vastgestelde maatregelen. 5. De lidstaat verstrekt de Commissie onmiddellijk een kopie van het contract en het bewijs van het stellen van de zekerheid. Ook verstrekt de lidstaat de Commissie een kopie van het contract dat de geselecteerde organisatie met de uitvoeringsinstantie heeft gesloten. In dit laatste contract is bepaald dat de uitvoeringsinstantie verplicht is zich aan de in artikel 13 bedoelde controles te onderwerpen. Artikel 11 1. Binnen 30 kalenderdagen na de ondertekening van het contract kan de contractant bij de lidstaat een voorschotaanvraag indienen, die vergezeld moet gaan van de in lid 3 bedoelde zekerheid. Na het verstrijken van deze termijn kan het voorschot niet meer worden aangevraagd. Het voorschot mag niet meer bedragen dan 30 % van het bedrag van de jaarlijkse bijdrage van de Gemeenschap en van die van de betrokken lidstaat (lidstaten). 2. De lidstaat moet het voorschot binnen 30 kalenderdagen na de indiening van de voorschotaanvraag betalen. Bij overschrijding van deze termijn geldt het bepaalde in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 296/96 van de Commissie(6). 3. Het voorschot wordt slechts betaald als de contractant overeenkomstig het bepaalde in titel III van Verordening (EEG) nr. 2220/85 ten gunste van de lidstaat een zekerheid heeft gesteld die gelijk is aan 110 % van dit voorschot. De bevoegde instantie kan evenwel, indien de contractant een publiekrechtelijk lichaam is of onder toezicht van een dergelijk lichaam optreedt, een aan het in de vorige alinea vastgestelde percentage gelijkwaardige schriftelijke zekerheid van zijn toezichthoudende autoriteit aanvaarden, op voorwaarde dat deze autoriteit zich ertoe verbindt het door de zekerheid gedekte bedrag uit te keren indien niet kan worden bewezen dat de betrokkene recht heeft op het voorgeschoten bedrag. Artikel 12 1. De aanvragen voor de tussentijdse betalingen van de bijdrage van de Gemeenschap en van die van de lidstaten moeten worden ingediend vóór het einde van de kalendermaand die volgt op het einde van elke periode van drie maanden berekend vanaf de datum van ondertekening van het contract. Deze aanvragen betreffen de in die periode van drie maanden gedane uitgaven en moeten vergezeld gaan van een financieel overzicht, van de betrokken bewijsstukken en van een tussentijds verslag over de uitvoering van het contract. Wanneer in de betrokken periode van drie maanden geen uitgaven zijn gedaan, wordt dit gemeld binnen dezelfde termijn als die welke geldt voor de aanvragen om tussentijdse betaling. Voor elke betalingsaanvraag geldt dat, wanneer de aanvraag om tussentijdse betaling met de nodige documenten te laat wordt ingediend, het te betalen bedrag behoudens overmacht met 3 % per volle maand vertraging wordt verlaagd. Deze betalingen en de betaling van het in artikel 11, lid 1, bedoelde voorschot, mogen in totaal niet meer bedragen dan 80 % van de hele jaarlijkse financiële bijdrage van de Gemeenschap en van de betrokken lidstaten. Wanneer dit percentage is bereikt, kunnen geen verdere aanvragen om tussentijdse betalingen worden ingediend. 2. De aanvraag om betaling van het saldo moet worden ingediend binnen vier maanden na de datum waarop de in het contract bedoelde acties voor het betrokken jaar zijn voltooid. Deze aanvraag wordt slechts als ingediend beschouwd, als zij vergezeld gaat van: a) een financieel overzicht waarin alle geplande en gerealiseerde uitgaven worden aangegeven, en van alle bewijsstukken inzake de betrokken uitgaven; b) een overzicht van de uitgevoerde werkzaamheden (activiteitenverslag); c) een door de contractant opgesteld verslag met een interne evaluatie van de behaalde, op de verslagdatum te constateren resultaten en van het gebruik dat daarvan kan worden gemaakt. Behoudens overmacht wordt, wanneer de aanvraag om betaling van het saldo te laat wordt ingediend, het saldo verlaagd met 3 % per maand termijnoverschrijding. 3. Het saldo wordt slechts betaald als de in lid 2 bedoelde documenten zijn geverifieerd. Het saldo wordt verlaagd in verhouding tot de mate waarin niet aan de primaire eis als bedoeld in artikel 10, lid 4, is voldaan. 4. De in artikel 11, lid 3, bedoelde garantie wordt vrijgegeven voorzover is vastgesteld dat de betrokkene definitief recht heeft op het voorgeschoten bedrag. 5. De lidstaat verricht de in de vorige leden bedoelde betalingen binnen een termijn van 60 kalenderdagen te rekenen vanaf de ontvangst van de aanvraag. Deze termijn kan evenwel op elk ogenblik van de periode van 60 dagen na de eerste registratie van de betalingsaanvraag worden geschorst door aan de schuldeisende contractant per exploot te laten weten dat zijn aanvraag niet in aanmerking kan worden genomen omdat de vordering niet ontvankelijk of niet invorderbaar is, of omdat zij niet wordt gestaafd door de bewijsstukken die voor alle andere aanvragen vereist zijn, of omdat de lidstaat nadere gegevens of verificaties noodzakelijk acht. De termijn loopt weer verder vanaf de datum van ontvangst van de gevraagde gegevens, die binnen 30 kalenderdagen verstrekt moeten worden. Behoudens overmacht leidt termijnoverschrijding bij de bovenbedoelde betalingen ertoe dat de vergoeding aan de lidstaat wordt verlaagd overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EG) nr. 296/96. 6. De in artikel 10, lid 3, bedoelde zekerheid moet gelden tot de betaling van het saldo en wordt vrijgegeven op basis van een brief terzake van de bevoegde instantie. 7. De lidstaat verstrekt de Commissie binnen 30 kalenderdagen na ontvangst daarvan: - de driemaandelijkse verslagen over de uitvoering van het contract; - de in artikel 12, lid 2, onder a) en b), bedoelde overzichten; - het verslag over de interne evaluatie. 8. Na betaling van het saldo zendt de lidstaat de Commissie een financieel overzicht van de in het kader van het contract gedane uitgaven. Voorts verklaart de bevoegde instantie dat, gezien de uitgevoerde controles, alle uitgaven op grond van de bepalingen van het contract als subsidiabel kunnen worden beschouwd. 9. Verbeurdverklaarde zekerheden en opgelegde boetes worden, voor het met de communautaire medefinanciering overeenkomende gedeelte, in mindering gebracht op de bij het EOGFL-Garantie gedeclareerde uitgaven. Artikel 13 1. De lidstaat neemt de nodige maatregelen om na te gaan, met name aan de hand van technische, administratieve en boekhoudkundige controles bij de contractant en de uitvoeringsinstantie, of: a) de verstrekte gegevens en bewijsstukken juist zijn, en b) alle verplichtingen van het contract zijn nagekomen. Onverminderd het bepaalde in Verordening (EEG) nr. 595/91 van de Raad(7) stelt de lidstaat de Commissie zo spoedig mogelijk in kennis van elke onregelmatigheid die bij de uitgevoerde controles wordt geconstateerd. 2. De betrokken lidstaat bepaalt wat de meest geschikte middelen zijn voor de controle op de acties als bedoeld in deze verordening en stelt de Commissie daarvan in kennis. 3. In geval van programma's die meer dan één lidstaat bestrijken, nemen de betrokken lidstaten de nodige maatregelen om hun controles te coördineren en stellen zij de Commissie daarvan in kennis. 4. De Commissie kan op ieder ogenblik deelnemen aan de in de leden 2 en 3 bedoelde verificaties en controles. Met het oog hierop stellen de bevoegde instanties van de lidstaten de Commissie tijdig in kennis van deze verificaties en controles. De Commissie kan ook door haar noodzakelijk geachte extra controles uitvoeren. Artikel 14 1. Als bedragen ten onrechte zijn betaald, is de begunstigde verplicht de betrokken bedragen terug te betalen, vermeerderd met een rente die wordt berekend over de periode tussen de betaling van de betrokken bedragen en de terugbetaling door de begunstigde. De toe te passen rentevoet is de door de Europese Centrale Bank voor zijn verrichtingen in euro toegepaste en in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen, reeks C, bekendgemaakte rentevoet die gold op de datum van de onverschuldigde betaling, vermeerderd met drie procentpunten. 2. De terugbetaalde bedragen en de rente worden overgemaakt aan de betaalorganen of -diensten die ze op de door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw gefinancierde uitgaven in mindering brengen in verhouding tot de financiële bijdrage van de Gemeenschap. Artikel 15 De bepalingen van de artikelen 10 tot en met 14 zijn ook van toepassing op de overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 2826/2000 ingediende programma's. De contracten voor deze programma's worden gesloten tussen de betrokken lidstaten en de geselecteerde uitvoeringsorganisaties. Artikel 16 1. De volgende bepalingen worden geschrapt: a) De artikelen 13 tot en met 17 van Verordening (EEG) nr. 2159/89 van de Commissie van 18 juli 1989 houdende bepalingen voor de toepassing van de in titel II bis van Verordening (EEG) nr. 1035/72 van de Raad(8) vastgestelde specifieke maatregelen voor dopvruchten en sint-jansbrood; b) Artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1905/94 van de Commissie van 27 juli 1994 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 399/94 van de Raad betreffende specifieke maatregelen voor krenten en rozijnen(9). 2. De volgende verordeningen worden ingetrokken: a) Verordening (EEG) nr. 1348/81 van de Commissie van 20 mei 1981 tot vaststelling van de bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 1970/80 van de Raad houdende algemene uitvoeringsbepalingen voor de acties ter bevordering van het verbruik van olijfolie in de Gemeenschap(10); b) Verordening (EEG) nr. 1164/89 van de Commissie van 28 april 1989 houdende uitvoeringsbepalingen met betrekking tot de steun voor vezelvlas en hennep(11); c) Verordening (EEG) nr. 2282/90 van de Commissie van 31 juli 1990 houdende bepalingen ter uitvoering van de maatregelen om de consumptie en het gebruik van appelen en de citrusconsumptie te doen toenemen(12); d) Verordening (EEG) nr. 3601/92 van de Commissie van 14 december 1992 houdende bepalingen ter uitvoering van de specifieke maatregelen voor de sector tafelolijven(13); e) Verordening (EEG) nr. 1318/93 van de Commissie van 28 mei 1993 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 2067/92 van de Raad betreffende acties ter bevordering van de verkoop en de afzet van kwaliteitsrundvlees(14); f) Verordening (EG) nr. 890/1999 van de Commissie van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de voorlichtingsacties inzake de etikettering van rundvlees(15); g) Verordening (EG) nr. 3582/93 van de Commissie van 21 december 1993 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2073/92 van de Raad inzake maatregelen om de consumptie van melk en zuivelproducten in de Gemeenschap te stimuleren en de markten voor melk en zuivelproducten te verruimen(16); h) Verordening (EG) nr. 803/98 van de Commissie van 16 april 1998 houdende bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 2275/96 van de Raad tot instelling van specifieke maatregelen voor de sector levende planten en producten van de bloementeelt voor 1998(17). 3. De bepalingen van de in het vorige lid genoemde verordeningen blijven van toepassing op de afzetbevorderings- en voorlichtingsprogramma's waarover vóór de inwerkingtreding van deze verordening een besluit is genomen. Artikel 17 Deze verordening treedt in werking op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Gedaan te Brussel, 18 januari 2002. Voor de Commissie Franz Fischler Lid van de Commissie (1) PB L 328 van 21.12.2000, blz. 2. (2) PB L 209 van 24.7.1992, blz. 1. (3) PB L 285 van 29.10.2001, blz. 1. (4) PB L 205 van 3.8.1985, blz. 5. (5) PB L 240 van 10.9.1999, blz. 11. (6) PB L 39 van 17.2.1996, blz. 5. (7) PB L 67 van 14.3.1991, blz. 11. (8) PB L 207 van 19.7.1989, blz. 19. (9) PB L 194 van 29.7.1994, blz. 21. (10) PB L 134 van 21.5.1981, blz. 17. (11) PB L 121 van 29.4.1989, blz. 4. (12) PB L 205 van 3.8.1990, blz. 8. (13) PB L 366 van 15.12.1992, blz. 17. (14) PB L 132 van 29.5.1993, blz. 83. (15) PB L 113 van 30.4.1999, blz. 5. (16) PB L 326 van 28.12.1993, blz. 23. (17) PB L 115 van 17.4.1998, blz. 5. BIJLAGE I a) Lijst van thema's waarvoor voorlichtings- en afzetbevorderingsacties kunnen worden gerealiseerd - voorlichting over de beschermde oorsprongsbenamingen (BOB), de beschermde geografische aanduidingen (BGA), de gegarandeerde traditionele specialiteiten (GTS) en de desbetreffende in de landbouwwetgeving vastgestelde logo's; - voorlichting over de biologische productiemethoden; - voorlichting over landbouwproductiesystemen die de traceerbaarheid van de producten en de etikettering ervan garanderen; - voorlichting over de voedselveiligheid en -kwaliteit, en over de voedingskwaliteit en gezondheidsaspecten van producten. b) Lijst van producten waarvoor acties kunnen worden gerealiseerd - zuivelproducten; - vqprd, tafelwijn met geografische aanduiding; - verse groenten en fruit; - verwerkte groenten en fruit; - levende planten en producten van de bloementeelt. BIJLAGE II Lijst van de bevoegde instanties in de lidstaten (voor het beheer van de Verordeningen (EG) nr. 2702/1999 en (EG) nr. 2826/2000) >RUIMTE VOOR DE TABEL> BIJLAGE III RICHTSNOEREN VOOR AFZETBEVORDERING OP DE BINNENMARKT Voorlichting over de communautaire regeling inzake beschermde oorsprongsbenamingen (BOB), beschermde geografische aanduidingen (BGA) en gegarandeerde traditionele specialiteiten (GTS), alsmede over hun respectieve logo's 1. ALGEMENE ANALYSE VAN DE SITUATIE De in 1996-1998 door de Gemeenschap gevoerde voorlichtingscampagne was een eerste poging om bekendheid te geven aan de twee Europese regelingen voor de bevordering van de afzet van specifieke levensmiddelen uit de landbouw en de bescherming van hun benaming, alsmede aan de betekenis en de voordelen van die regelingen. Aangezien deze campagne in de tijd begrensd was, lijkt het dienstig de benamingen van momenteel 562 producten van de Gemeenschap ruimere bekendheid te geven door de voorlichting over betekenis en voordelen van het systeem voort te zetten. Daarbij zullen ook de vastgestelde communautaire logo's, en meer in het bijzonder het in 1998 voor een BOB/BGA ingevoerde logo, nader worden gepresenteerd. 2. DOELSTELLINGEN - De producenten/verwerkers ertoe aanzetten deze kwaliteitslabelsystemen te gebruiken. - De vraag naar de betrokken producten stimuleren door consumenten en distributeurs te informeren over het bestaan, de betekenis en de voordelen van de regelingen en de desbetreffende logo's, alsmede over de voorwaarden voor de toekenning van de benamingen en de desbetreffende controles. 3. BELANGRIJKSTE DOELGROEPEN - Producenten en verwerkers. - Distributeurs (supermarkten, groothandel, kleinhandel, restaurants). - Consumenten. - Informatiedoorgeefluiken. 4. AANDACHTSPUNTEN - Specifieke kenmerken van het product die verband houden met de geografische oorsprong ervan (BOB/BGA). - Specifieke kenmerken van het product die verband houden met de bijzondere en traditionele productiewijze, ongeacht het productiegebied (GTS). - Kwalitatieve aspecten (veiligheid, voedingskwaliteit en organoleptische waarde, traceerbaarheid) die onder de aandacht kunnen worden gebracht. - Grote verscheidenheid, rijkdom en smaak van de betrokken producten. - Presentatie van bepaalde als BOB/BGA of GTS geregistreerde producten, voorbeelden van geslaagde valorisatie van levensmiddelen met specifieke kenmerken. 5. BELANGRIJKSTE HULPMIDDELEN - Elektronische hulpmiddelen (internetsite). - PR-contacten met de media (gespecialiseerde pers, damesbladen, culinaire tijdschriften). - Contacten met consumentenorganisaties. - Informatie op verkooppunten. - Audiovisuele media. - Drukwerk (folders, brochures, enz.). - Deelname aan beurzen. - Reclame in gespecialiseerde bladen. 6. LOOPTIJD VAN HET PROGRAMMA 24 tot 36 maanden, met voor iedere fase een omschrijving van de doelstellingen. 7. INDICATIEVE BEGROTING 4 miljoen EUR. Voorlichting over het logo van de ultraperifere regio's 1. ALGEMENE ANALYSE VAN DE SITUATIE Uit de externe evaluatie blijkt dat de voorlichtingscampagne van de Gemeenschap over het logo van de ultraperifere gebieden in 1998/1999 veel belangstelling heeft gewekt bij de verschillende marktdeelnemers. Een aantal producenten en verwerkers heeft de erkenning van eigen kwaliteitsproducten gevraagd om dit logo te kunnen gebruiken. Wegens de korte duur van deze eerste campagne lijkt het wenselijk bij de verschillende doelgroepen aan dit logo meer bekendheid te geven door de voorlichting over de betekenis en de voordelen van het logo voort te zetten. 2. DOELSTELLINGEN - Bekendheid geven aan het bestaan, de betekenis en de voordelen van het logo. - Producenten en verwerkers van de betrokken regio's ertoe aanzetten het logo te gebruiken. - Distributiebedrijven en consumenten vertrouwd maken met het logo. 3. BELANGRIJKSTE DOELGROEPEN - Plaatselijke producenten en verwerkers. - Distributeurs en consumenten. - Informatiedoorgeefluiken. 4. AANDACHTSPUNTEN - Typische kenmerken, natuurlijk karakter. - Herkomst uit de regio's van de Gemeenschap. - Kwaliteit (veiligheid, voedingskwaliteit en organoleptische waarde, productiemethode, verband met de oorsprong). - Exotisch cachet. - Gevarieerd aanbod, ook buiten het seizoen. - Traceerbaarheid. 5. BELANGRIJKSTE HULPMIDDELEN - Elektronische hulpmiddelen (internetsite, enz.). - Informatielijn. - PR-contacten met de media (bv. gespecialiseerde journalisten, damesbladen, culinaire tijdschriften). - Demonstraties op verkooppunten, beurzen, enz). - Contacten met artsen en diëtisten. - Andere instrumenten (folders, brochures, recepten, enz.). - Audiovisuele media. - Reclame in de gespecialiseerde en de lokale bladen. 6. LOOPTIJD VAN DE PROGRAMMA'S 24 tot 36 maanden, met voor iedere fase een omschrijving van de doelstellingen. 7. INDICATIEVE BEGROTING 3 miljoen EUR. Sector biologische productie 1. ALGEMENE ANALYSE VAN DE SITUATIE De consumptie van landbouwproducten die volgens biologische methodes zijn geproduceerd, is vooral bij de stedelijke bevolking sterk ontwikkeld, al blijft ze achter bij de consumptie van conventionele producten. 2. DOELSTELLINGEN - De communautaire regelgeving betreffende de biologische productiewijze en inzake controles, alsmede het communautaire logo, via voorlichting ruime bekendheid geven. - De consumptie van biologische landbouwproducten bevorderen. - De kennis van de consument inzake biologische landbouw en de producten daarvan vergroten. 3. BELANGRIJKSTE DOELGROEPEN - Gezinnen (ouders van 20 tot 50 jaar). - De bedrijven van de sector (de kennis van en de belangstelling voor het communautaire logo vergroten). 4. AANDACHTSPUNTEN - Biologische landbouwproducten zijn natuurlijke producten die goed passen bij het moderne dagelijkse leven en die lekker zijn. Zij worden op milieuvriendelijke wijze geproduceerd. Voor die producten gelden strenge regels waarvan de naleving wordt gecontroleerd door onafhankelijke organen of door overheidsinstanties. - De inhoud van de boodschap moet rationeel en positief zijn en moet rekening houden met de specificiteit van de consumptie bij de verschillende doelgroepen. - Het communautaire logo geeft aan dat het gaat om producten van de biologische landbouw, die aan strikte productiecriteria beantwoorden en onderworpen zijn aan strenge controles. De voorlichting over het communautaire logo kan worden aangevuld met informatie over op het niveau van de lidstaten vastgestelde collectieve logo's voorzover de productdossiers daarvan aan strengere eisen voldoen dan die welke voor het communautaire logo gelden. 5. BELANGRIJKSTE HULPMIDDELEN - Internetsite. - Informatielijn. - Contacten met de media (bv. gespecialiseerde journalisten, damesbladen). - Contacten met artsen en diëtisten. - Contacten met leerkrachten. - Andere hulpmiddelen (folders en brochures, enz.). - Visuele media (bioscopen, speciale tv-kanalen). - Radiospots. - Reclame in de gespecialiseerde pers (damesbladen en tijdschriften voor de derde leeftijd). 6. LOOPTIJD VAN DE PROGRAMMA'S 12 tot 36 maanden, met een voorkeur voor meerjarenprogramma's en met voor iedere fase een omschrijving van de doelstellingen. 7. INDICATIEVE BEGROTING 6 miljoen EUR. Sector melk en zuivelproducten 1. ALGEMENE ANALYSE VAN DE SITUATIE Er wordt minder melk gedronken, met name in landen met een hoge consumptie, wat vooral te wijten is aan de concurrentie van frisdranken bij jongeren. Daar staat tegenover dat de totale consumptie van zuivelproducten, uitgedrukt in hoeveelheden melk, toeneemt. 2. DOELSTELLINGEN - De consumptie van drinkmelk verhogen. - De consumptie van zuivelproducten consolideren. - De consumptie door jongeren bevorderen. 3. BELANGRIJKSTE DOELGROEPEN - Kinderen en adolescenten, met name meisjes van 8 tot 13 jaar. - Jonge vrouwen en moeders van 20 tot 40 jaar. 4. AANDACHTSPUNTEN - Melk en zuivelproducten zijn gezonde, natuurlijke en dynamische producten die goed passen bij het moderne dagelijkse leven en die lekker zijn. - De inhoud van de boodschap moet positief zijn en moet rekening houden met de specificiteit van de consumptie op de verschillende markten. - Er moet worden gezorgd voor continuïteit van de boodschap tijdens de gehele looptijd van het programma om de consument te overtuigen van de voordelen van regelmatige consumptie van deze producten. 5. BELANGRIJKSTE HULPMIDDELEN - Elektronische instrumenten. - Informatielijn. - Contacten met de media (bv. gespecialiseerde journalisten, damesbladen, jongerentijdschriften). - Contacten met artsen en diëtisten. - Contacten met leerkrachten. - Andere hulpmiddelen (folders en brochures, spelletjes voor kinderen, enz.). - Demonstraties op de verkooppunten. - Visuele media (bioscopen, speciale tv-kanalen). - Radiospots. - Reclame in de gespecialiseerde pers (jongerentijdschriften en damesbladen). 6. LOOPTIJD VAN DE PROGRAMMA'S 12 tot 36 maanden, met een voorkeur voor meerjarenprogramma's en met voor iedere fase een omschrijving van de doelstellingen. 7. INDICATIEVE BEGROTING 6 miljoen EUR. Sector Wijn 1. ALGEMENE ANALYSE VAN DE SITUATIE De sector wordt gekenmerkt door een grote productie en heeft tegelijkertijd te kampen met een stagnerende consumptie, en voor sommige categorieën zelfs met een teruggang, terwijl bovendien het aanbod uit derde landen toeneemt. 2. DOELSTELLINGEN De consument informeren over de ruime keus en de kwaliteit, alsmede over de omstandigheden waaronder de Europese wijnen worden geproduceerd en over de resultaten van wetenschappelijke studies. 3. BELANGRIJKSTE DOELGROEPEN Consumenten van 20 tot 40 jaar. 4. AANDACHTSPUNTEN - In de communautaire wetgeving zijn strenge regels vastgesteld op het gebied van de productie, de kwaliteitsaanduidingen, de etikettering en de verkoop van wijn, die voor de consument de kwaliteit en de traceerbaarheid van het aangeboden product garanderen. - Het genoegen te beschikken over een ruime keus van Europese producten van verschillende oorsprong. - De gunstige effecten van een matige wijnconsumptie voor de gezondheid. 5. BELANGRIJKSTE HULPMIDDELEN - Voorlichting en public-relations. - Opleidingsacties bij de distributie en in de horeca. - Contacten met medische beroepen en met de gespecialiseerde pers. - Andere instrumenten (internetsite, folders en brochures) om de keuze te helpen bepalen en om de consumptie in de huiselijke kring bij specifieke gelegenheden te ontwikkelen. 6. LOOPTIJD VAN DE PROGRAMMA'S 12 tot 36 maanden, met een voorkeur voor meerjarenprogramma's en met voor iedere fase een omschrijving van de doelstellingen. 7. INDICATIEVE BEGROTING 6 miljoen EUR. Sector verse groenten en fruit 1. ALGEMENE ANALYSE VAN DE SITUATIE Deze sector wordt, ondanks alle tot nog toe geboden voorlichting, gekenmerkt door een structureel gebrek aan evenwicht op de markt, dat voor bepaalde producten zelfs zeer groot is. Met name moet worden opgemerkt dat in de leeftijdsgroep tot 35 jaar, en vooral door de schoolgaande jeugd steeds minder groenten en fruit worden geconsumeerd. Dit gaat in tegen een evenwichtige voeding. 2. DOELSTELLINGEN Het beeld van een "vers" en "natuurlijk" product moet worden hersteld en de consumentenpopulatie moet worden verjongd door met name de jeugd te stimuleren deze producten te consumeren. 3. BELANGRIJKSTE DOELGROEPEN - Jonge gezinnen onder de 35 jaar. - Kinderen en adolescenten in de schoolgaande leeftijd. - Centrale keukens en schoolkantines. - Artsen en diëtisten. 4. AANDACHTSPUNTEN - Natuurlijkheid. - Versheid. - Kwaliteit (veiligheid, voedingskwaliteit en organoleptische waarde, productiemethoden, milieuvriendelijkheid, verband met de oorsprong). - Eetgenoegen. - Uitgebalanceerd dieet. - Ruime keus en seizoengebondenheid. - Gemak van de bereiding, rauw te eten - geen behoefte aan koken. - Traceerbaarheid. 5. BELANGRIJKSTE HULPMIDDELEN - Elektronische hulpmiddelen (internetsites waarin het aanbod wordt gepresenteerd en met spelletjes voor de jeugd). - Informatielijn. - PR-contacten met de media (bv. gespecialiseerde journalisten, damesbladen, tijdschriften voor jongeren). - Contacten met artsen en diëtisten. - Actie op scholen, gericht op kinderen en adolescenten, via de leerkrachten en de voor de schoolkantines verantwoordelijke personen. - Andere instrumenten (folders en brochures met informatie over de producten en recepten, spelletjes voor kinderen, enz.). - Visuele media (bioscopen, speciale tv-kanalen). - Radiospots. - Reclame in de gespecialiseerde pers (jongerentijdschriften en damesbladen). 6. LOOPTIJD VAN DE PROGRAMMA'S 12 tot 36 maanden, met een voorkeur voor meerjarenprogramma's en met voor iedere fase een omschrijving van de doelstellingen. 7. INDICATIEVE BEGROTING 6 miljoen EUR. Sector verwerkte groenten en fruit 1. ALGEMENE ANALYSE VAN DE SITUATIE Deze sector wordt, ondanks alle tot nog toe geboden voorlichting, gekenmerkt door een structureel gebrek aan evenwicht op de markt, dat zelfs zeer groot is voor bepaalde producten die sterke concurrentie van ingevoerde producten ondervinden en waarvoor de tot nu toe gegeven voorlichting weinig respons vindt. Met name zij opgemerkt dat de consumenten open staan voor het gebruik van verwerkte producten omdat ze gemakkelijk klaar te maken zijn. Het is dus een markt die nog kan worden verruimd, een ontwikkeling waarvan de basisproductie kan profiteren. 2. DOELSTELLINGEN Het product moet een jonger imago en een moderner presentatie krijgen, met de daarop aansluitende informatie om de consumptie ervan aan te moedigen. 3. BELANGRIJKSTE DOELGROEPEN - Huisvrouwen. - Centrale keukens en schoolkantines. - Artsen en diëtisten. 4. AANDACHTSPUNTEN - Kwaliteit (veiligheid, voedingskwaliteit en organoleptische waarde, receptuur). - Eenvoudig gebruik. - Eetgenoegen. - Ruime keus en verkrijgbaarheid het hele jaar door. - Uitgebalanceerd dieet. - Traceerbaarheid. 5. BELANGRIJKSTE HULPMIDDELEN - Elektronische hulpmiddelen (internetsite). - Informatielijn. - PR-contacten met de media (bv. gespecialiseerde journalisten, damesbladen). - Demonstraties op verkooppunten. - Contacten met artsen en diëtisten. - Andere hulpmiddelen (folders en brochures over de producten en recepten). - Visuele media. - Damesbladen, culinaire en vaktijdschriften. 6. LOOPTIJD VAN DE PROGRAMMA'S 12 tot 36 maanden, met een voorkeur voor meerjarenprogramma's en met voor iedere fase een omschrijving van de doelstellingen. 7. INDICATIEVE BEGROTING 3 miljoen EUR.