Help Print this page 

Document 61990CC0109

Title and reference
Conclusie van advocaat-generaal Jacobs van 7 februari 1991.
Giant NV tegen Gemeente Overijse.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Bestendige Deputatie van de Provincieraad van Brabant - België.
Uitlegging van artikel 33 van de Zesde BTW-richtlijn.
Zaak C-109/90.

European Court Reports 1991 I-01385
  • ECLI identifier: ECLI:EU:C:1991:54
Languages and formats available
BG ES CS DA DE ET EL EN FR GA HR IT LV LT HU MT NL PL PT RO SK SL FI SV
HTML html DA html DE html EN html FR html IT html NL
PDF pdf ES pdf DA pdf DE pdf EL pdf EN pdf FR pdf IT pdf NL pdf PT
Multilingual display
Text

61990C0109

Conclusie van advocaat-generaal Jacobs van 7 februari 1991. - GIANT NV TEGEN COMMUNE D'OVERIJSE. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: BESTENDIGE DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN BRABANT - BELGIE. - UITLEGGING VAN ARTIKEL 33 VAN DE ZESDE BTW-RICHTLIJN. - ZAAK C-109/90.

Jurisprudentie 1991 bladzijde I-01385


Conclusie van de advocaat generaal


++++

Mijnheer de President,

mijne heren Rechters,

1 . In de onderhavige zaak verzoekt de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van Brabant ( België ) het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 33 van de Zesde BTW-richtlijn ( richtlijn 77/388 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde : uniforme grondslag, PB 1977, L 145, blz . 1 ). Artikel 33 daarvan luidt als volgt :

""Onverminderd andere communautaire bepalingen vormen de bepalingen van deze richtlijn geen beletsel voor de handhaving of invoering door een Lid-Staat van belastingen op verzekeringsovereenkomsten en op spelen en weddenschappen, alsmede van accijnzen, registratierechten en, meer in het algemeen, van alle belastingen, rechten en heffingen die niet het karakter van omzetbelasting bezitten ."

De onderhavige zaak betreft de betekenis van de term "omzetbelasting" in de zin van die bepaling .

2 . Het hoofdgeding spruit voort uit een vordering van de gemeente Overijse tegen NV Giant betreffende de betaling van belastingen voor het jaar 1988 . De vordering is gebaseerd op een plaatselijk reglement van 2 maart 1983, dat door de Bestendige Deputatie op 31 december 1983 is goedgekeurd . Volgens dit reglement is iedereen die op het grondgebied van de gemeente openbare vertoningen of vermakelijkheden organiseert en de bezoekers of deelnemers daarvoor een entreegeld doet betalen, een speciale belasting verschuldigd op het brutobedrag van al de ontvangsten . De betrokken belasting is verschuldigd over het integrale bedrag van de entree -, de huur - en vestiairegelden, van de verkoop van programma' s of balboekjes, van de opbrengst van alle consumpties en van gelijk welke andere heffingen . De vordering van de gemeente Overijse betreft de betaling van een belasting van 25% over de ontvangsten van een door Giant geëxploiteerde dansgelegenheid .

3 . Giant diende bij de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van Brabant een bezwaarschrift in tegen die vordering . Zij stelde, dat de litigieuze belasting in wezen een omzetbelasting in de zin van artikel 33 van de Zesde BTW-richtlijn was, en dat de gemeente die belasting derhalve niet mocht opleggen . De Bestendige Deputatie heeft het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de navolgende vraag :

""Is het belastingreglement van de gemeente Overijse van 2 maart 1983, waarbij, wie gewoonlijk of bij gelegenheid openbare vertoningen of vermakelijkheden op het grondgebied van de gemeente organiseert en wie bezoekers of deelnemers daarvoor entreegeld doet betalen, een speciale belasting verschuldigd is op het brutobedrag van al de ontvangsten en waarbij in het bijzonder voor de danshuizen en de daaraan verbonden restaurants een jaarlijkse belasting van 25% wordt ingesteld op het integrale bedrag van de entree -, de huur - en vestiairegelden, van de verkoop van programma' s of balboekjes, van de opbrengst van alle consumpties en de bijdragen of vergoedingen welke die gelden of prijzen kunnen vervangen of aanvullen, zomede van gelijk welke andere heffingen, al dan niet in strijd met het door artikel 33 van de EEG-richtlijn nr . 77/388 ingestelde verbod tot het heffen van andere belastingen op het zakencijfer dan de BTW?"

4 . Het is duidelijk, dat het Hof deze vraag, zoals zij thans is geformuleerd, niet kan beantwoorden, daar om een uitspraak over de verenigbaarheid met de Zesde BTW-richtlijn van een specifieke bepaling van nationaal recht wordt verzocht . Vaststaat, dat het Hof in het kader van een procedure krachtens artikel 177 EEG-Verdrag niet bevoegd is om een dergelijke uitspraak te doen . Ik wil de vraag derhalve aldus uitleggen, dat in wezen wordt gevraagd of een bepaling die de kenmerken van het betwiste plaatselijke reglement vertoont, zich verdraagt met artikel 33 van de richtlijn .

5 . Alvorens de vraag ten gronde te onderzoeken, moet worden nagegaan, of de Bestendige Deputatie bevoegd is om gebruik te maken van de procedure van artikel 177 . Die procedure staat slechts open voor een "rechterlijke instantie van een der Lid-Staten" en de vraag rijst, of de Bestendige Deputatie een dergelijke rechterlijke instantie is .

6 . In België wijst elke provincieraad onder zijn leden een Bestendige Deputatie aan, die optreedt onder voorzitterschap van de door de koning benoemde provinciegoeverneur . De Bestendige Deputatie heeft een hoofdzakelijk administratieve taak, maar om historische redenen is zij ook bevoegd inzake geschillen over plaatselijke belastingen . Ter uitoefening van die bevoegdheid houdt zij openbare terechtzittingen op tegenspraak; zij is ook verplicht haar beslissingen te motiveren .

7 . De bevoegdheid van de Bestendige Deputatie inzake geschillen over plaatselijke belastingen berust thans op een Belgische wet van 23 december 1986 ( Belgisch Staatsblad van 12.2.1987, blz . 1993 ). Artikel 7 van die wet bepaalt, dat voor zover het geschil betrekking heeft op een vordering van ten minste 10 000 BFR, tegen de beslissing van de Bestendige Deputatie beroep kan worden ingesteld bij het Hof van Beroep . Indien het om minder dan 10 000 BFR gaat, beslist de Bestendige Deputatie als rechter in laatste aanleg, doch tegen haar beslissingen kan cassatieberoep worden ingesteld .

8 . Gelet op het voorgaande, twijfel ik er niet aan, dat de Bestendige Deputatie in de onderhavige zaak als een rechterlijke instantie van een Lid-Staat in de zin van artikel 177 EEG-Verdrag is te beschouwen . Zij is derhalve ongetwijfeld bevoegd om zich op grond van dat artikel tot het Hof te wenden .

9 . Met betrekking tot de inhoud van de voorgelegde vraag, blijkt duidelijk uit de rechtspraak van het Hof, dat het gemeenschapsrecht in zijn huidige stand niet voorziet in enige beperking van de bevoegdheid van de Lid-Staten om andere belastingen dan omzetbelastingen in te voeren ( arresten van 13 juli 1989, gevoegde zaken 93/88 en 94/88, Wisselink, Jurispr . 1989, blz . 2671, r.o . 13 en 3 maart 1988, zaak 252/86, Bergandi, Jurispr . 1988, blz . 1343, r.o . 10 ). Bovendien betekent het feit, dat een belasting wordt geheven over een transactie die reeds aan de BTW is onderworpen en dat daaruit een dubbele belasting van die transactie kan voortvloeien, niet noodzakelijkerwijze, dat de betrokken belasting een omzetbelasting in de zin van artikel 33 van de Zesde BTW-richtlijn is ( zie het arrest van 8 juli 1986, zaak 73/85, Kerrutt, Jurispr . 1986, blz . 2219, r.o . 22 en het arrest Wisselink, reeds aangehaald, r.o . 14 ).

10 . Volgens 's Hofs arrest in de zaak Wisselink heeft artikel 33 "ten doel (...) te beletten dat de werking van het gemeenschappelijke BTW-stelsel in gevaar wordt gebracht door fiscale maatregelen van een Lid-Staat die het goederen - en dienstenverkeer belasten en waardoor handelstransacties op een zelfde wijze worden getroffen als door de BTW" ( r.o . 17 ). Bijgevolg moet worden nagegaan, of de in de onderhavige zaak aan de orde zijnde plaatselijke belasting op dezelfde wijze als de BTW wordt geheven en derhalve de werking van het gemeenschappelijke BTW-stelsel in gevaar brengt .

11 . In het arrest Wisselink beschrijft het Hof de wezenlijke kenmerken van het BTW-stelsel als volgt :

"Het gemeenschappelijke BTW-stelsel ( berust ) (...) op het beginsel dat van goederen en diensten tot de kleinhandelsfase een algemene verbruiksbelasting wordt geheven welke strikt evenredig is aan de prijs van die goederen en diensten, zulks ongeacht het aantal transacties welke tijdens het produktie - en distributieproces vóór de fase van heffing plaatsvonden . Bij elke transactie is de BTW evenwel slechts verschuldigd onder aftrek van het bedrag van de BTW waarmee de onderscheiden elementen van de prijs rechtstreeks zijn belast . (...) de aftrek is aldus geregeld dat de belastingplichtigen de reeds voordien over de goederen geheven BTW in mindering mogen brengen op de door hen verschuldigde BTW" ( r.o . 18 ).

12 . Zoals de Commissie opmerkt, verschilt de litigieuze belasting op een aantal punten van de BTW . In de eerste plaats is zij niet algemeen van toepassing : zij wordt slechts in een beperkt geografisch gebied over een beperkte soort goederen en diensten geheven ( cf . het arrest Wisselink, r.o . 20 ). Aangezien zij bovendien over de integrale ontvangsten en niet over de bij iedere transactie toegevoegde waarde wordt geheven, kan niet nauwkeurig worden bepaald, welk gedeelte van de belasting over elke verkoop of dienstverrichting kan worden geacht op de eindverbruiker te zijn afgewenteld .

13 . Mijns inziens bestaat er evenwel een nog fundamenteler verschil tussen de litigieuze belasting en de BTW . Zoals in de hierboven onder punt 11 aangehaalde passage van het arrest Wisselink is gezegd, wordt de BTW geheven in elke fase van het produktie - en distributieproces . De belastingplichtige mag van de verschuldigde belasting de BTW aftrekken die reeds over de goederen is geheven . De litigieuze belasting vertoont deze voor het BTW-stelsel fundamentele kenmerken niet .

14 . Ik concludeer, dat de betrokken belasting niet op dezelfde wijze als de BTW wordt geheven en dat zij de werking van het BTW -stelsel niet in gevaar brengt . Mijns inziens is zij derhalve geen omzetbelasting in de zin van artikel 33 van de Zesde BTW-richtlijn .

15 . Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de vraag van de Bestendige Deputatie te beantwoorden als volgt :

"Een plaatselijke belasting die jaarlijks wordt opgelegd aan dansgelegenheden en daaraan verbonden restaurants en die wordt geheven over entree -, huur - en vestiairegelden, over de verkoop van programma' s of balboekjes en consumpties en over alle andere ontvangsten welke die gelden vervangen of aanvullen, is geen omzetbelasting in de zin van artikel 33 van richtlijn 77/388 van de Raad van 17 mei 1977 ."

(*) Oorspronkelijke taal : Engels .

Top