Help Print this page 

Document 32016R1624

Title and reference
Verordening (EU) 2016/1624 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 betreffende de Europese grens- en kustwacht, tot wijziging van Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 863/2007 van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EG) nr. 2007/2004 van de Raad en Besluit 2005/267/EG van de Raad

OJ L 251, 16.9.2016, p. 1–76 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/1624/oj
Languages, formats and link to OJ
BG ES CS DA DE ET EL EN FR GA HR IT LV LT HU MT NL PL PT RO SK SL FI SV
HTML html BG html ES html CS html DA html DE html ET html EL html EN html FR html GA html HR html IT html LV html LT html HU html MT html NL html PL html PT html RO html SK html SL html FI html SV
PDF pdf BG pdf ES pdf CS pdf DA pdf DE pdf ET pdf EL pdf EN pdf FR pdf GA pdf HR pdf IT pdf LV pdf LT pdf HU pdf MT pdf NL pdf PL pdf PT pdf RO pdf SK pdf SL pdf FI pdf SV
Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal
 To see if this document has been published in an e-OJ with legal value, click on the icon above (For OJs published before 1st July 2013, only the paper version has legal value).
Multilingual display
Dates
  • Date of document: 14/09/2016; datum van ondertekening
  • Date of effect: 06/10/2016; in werking datum publicatie +20 zie art 83
  • Date of effect: 07/12/2016; Toepassing Gedeeltelijke toepassing zie art 83
  • Date of effect: 07/01/2017; Toepassing Gedeeltelijke toepassing zie art 83
  • Deadline: 07/10/2019; Heroverweging zie art 81.1
  • Date of end of validity: 31/12/9999
Miscellaneous information
  • Author: Europees Parlement, Raad van de Europese Unie
  • Form: Verordening
Relationship between documents
Text

16.9.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 251/1


VERORDENING (EU) 2016/1624 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 14 september 2016

betreffende de Europese grens- en kustwacht, tot wijziging van Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 863/2007 van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EG) nr. 2007/2004 van de Raad en Besluit 2005/267/EG van de Raad

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 77, lid 2, onder b) en d), en artikel 79, lid 2, onder c),

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Europese Raad heeft in zijn vergadering van 25 en 26 juni 2015 opgeroepen tot extra inspanningen om een integrale oplossing van de ongekende migratiestromen naar het grondgebied van de Unie tot stand te brengen, onder meer door versterking van het beheer van de grenzen, zodat de aanwassende gemengde migratiestromen beter in de hand kunnen worden gehouden. Voorts hebben de staatshoofden en regeringsleiders in hun informele vergadering van 23 september 2015 benadrukt dat de dramatische situatie aan de buitengrenzen moet worden aangepakt en de controles aan die grenzen moeten worden geïntensiveerd, met name door te voorzien in extra middelen voor het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie, het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO) en Europol, met personeel en uitrusting van de lidstaten.

(2)

Het beleid van de Unie op het gebied van het beheer van de buitengrenzen is gericht op de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van een geïntegreerd Europees grensbeheer op nationaal en Unieniveau, hetgeen een noodzakelijk uitvloeisel is van het vrije verkeer van personen in de Unie en een wezenlijk onderdeel van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht. Europees geïntegreerd grensbeheer is een kernvoorwaarde voor een beter migratiebeheer. Doel is een efficiënt beheer van het overschrijden van de buitengrenzen en de aanpak van uitdagingen op het gebied van migratie en mogelijke toekomstige dreigingen aan die grenzen, om op die manier bij te dragen aan de bestrijding van zware criminaliteit met een grensoverschrijdende dimensie en te zorgen voor een hoog niveau van interne veiligheid in de Unie. Tegelijkertijd is het nodig op te treden met volledige eerbiediging van de grondrechten op een manier die het vrije verkeer van personen in de Unie vrijwaart.

(3)

Het Europees geïntegreerd grensbeheer gaat uit van het op vier niveaus gebaseerde toegangscontrolemodel en omvat maatregelen in derde landen, zoals die in het kader van het gemeenschappelijk visumbeleid, alsook maatregelen met naburige derde landen, grenstoezichtmaatregelen aan de buitengrenzen zelf, risicoanalyse en maatregelen binnen het Schengengebied en op het gebied van terugkeer.

(4)

Bij de uitvoering van het Europees geïntegreerd grensbeheer moet de samenhang met andere beleidsdoelstellingen, met inbegrip van een goede werking van het grensoverschrijdend vervoer, worden gewaarborgd.

(5)

Met het oog op de doeltreffende tenuitvoerlegging van het Europees geïntegreerd grensbeheer moet een Europese grens- en kustwacht worden opgericht. Hieraan moeten de noodzakelijke financiële, personele en materiële middelen worden toegewezen. De Europese grens- en kustwacht moet worden gevormd door het Europees Grens- en kustwachtagentschap („het Agentschap”) en de nationale autoriteiten die met het grensbeheer zijn belast, inclusief de kustwachten voor zover deze taken op het gebied van grenstoezicht uitvoeren. Als zodanig berust het op het gemeenschappelijke gebruik van informatie, capaciteiten en systemen op nationaal niveau en de respons van het Agentschap op Unieniveau.

(6)

Het Europees geïntegreerd grensbeheer moet worden uitgevoerd als een gezamenlijke verantwoordelijkheid van het Agentschap en de nationale autoriteiten die met het grensbeheer zijn belast, inclusief de kustwachten voor zover deze grensbewakingsoperaties op zee en andere taken op het gebied van grenstoezicht uitvoeren. Hoewel de lidstaten de eerste verantwoordelijkheid behouden voor het beheer van hun buitengrenzen, dient, in hun belang en in het belang van alle lidstaten, het Agentschap de toepassing van Uniemaatregelen met betrekking tot het beheer van de buitengrenzen te ondersteunen door het optreden van de lidstaten die deze maatregelen uitvoeren, te versterken, te beoordelen en te coördineren.

(7)

Het Europees geïntegreerd grensbeheer laat de respectieve bevoegdheden van de Commissie en de lidstaten op het gebied van douane, in het bijzonder wat betreft toezicht, risicobeheer en uitwisseling van informatie, onverlet.

(8)

De ontwikkeling van het beleid en de wetgeving inzake grenstoezicht op de buitengrenzen en inzake terugkeer, met inbegrip van de ontwikkeling van een strategie voor een Europees geïntegreerd grensbeheer, blijft de verantwoordelijkheid van de instellingen van de Unie. Nauwe samenwerking tussen het Agentschap en die instellingen dient te worden gewaarborgd.

(9)

Het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie, bekend als Frontex, werd opgericht bij Verordening (EG) nr. 2007/2004 van de Raad (3). Nadat het op 1 mei 2005 met zijn werkzaamheden is begonnen, heeft het Agentschap de lidstaten met succes bijgestaan bij de uitvoering van de operationele aspecten van het beheer van de buitengrenzen door middel van gezamenlijke operaties en snelle grensinterventies, risicoanalyses, het uitwisselen van informatie, het onderhouden van de betrekkingen met derde landen en de terugkeer van terugkeerders.

(10)

Het is noodzakelijk om het overschrijden van de buitengrenzen op efficiënte wijze te bewaken, de uitdagingen en mogelijke toekomstige dreigingen op het gebied van migratie aan de buitengrenzen aan te pakken, een hoog niveau van interne veiligheid binnen de Unie te verzekeren, de werking van het Schengengebied te vrijwaren en het overkoepelende beginsel van solidariteit te eerbiedigen. Tegen deze achtergrond dient het beheer van de buitengrenzen te worden versterkt door voort te bouwen op de werkzaamheden van Frontex en dit verder uit te bouwen tot een agentschap dat de gedeelde verantwoordelijkheid voor het beheer van de buitengrenzen draagt.

(11)

De taken van het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie dienen derhalve te worden uitgebreid. Gezien die wijzigingen dient het een nieuwe naam te krijgen, namelijk het Europees Grens- en kustwachtagentschap (het „Agentschap”), met behoud van de roepnaam „Frontex”. Het blijft dezelfde rechtspersoon en al zijn activiteiten en procedures worden volledig voortgezet. Als belangrijkste taken moet het Agentschap een technische en operationele strategie vaststellen voor de uitvoering van geïntegreerd grensbeheer op het niveau van de Unie, toezien op de effectieve werking van het grenstoezicht aan de buitengrenzen, intensievere technische en operationele bijstand verlenen aan lidstaten door middel van gezamenlijke operaties en snelle grensinterventies, toezien op de praktische uitvoering van maatregelen in een situatie aan de buitengrenzen die dringend optreden vereist, technische en operationele bijstand verlenen ter ondersteuning van opsporings- en reddingsoperaties voor personen in nood op zee, en terugkeeroperaties en terugkeerinterventies organiseren, coördineren en uitvoeren.

(12)

Het Agentschap moet zijn taken uitoefenen onverminderd de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de handhaving van de openbare orde en de vrijwaring van de binnenlandse veiligheid.

(13)

Het Agentschap moet zijn taken uitvoeren onverminderd de bevoegdheid van de lidstaten ten aanzien van defensie.

(14)

De uitgebreide taken en bevoegdheden van het Agentschap moeten hand in hand gaan met versterkte waarborgen inzake de grondrechten en een sterkere verantwoordingsplicht.

(15)

De lidstaten moeten de samenwerking op operationeel niveau met andere lidstaten en/of derde landen aan de buitengrenzen, met inbegrip van militaire operaties met het oog op rechtshandhaving, kunnen voortzetten voor zover die samenwerking verenigbaar is met het optreden van het Agentschap.

(16)

Het Agentschap steunt voor de doeltreffende uitvoering van zijn taken op de medewerking van de lidstaten. Het is in dit verband van belang dat het Agentschap en de lidstaten te goeder trouw optreden en tijdig de juiste informatie uitwisselen. Geen enkele lidstaat is gehouden informatie te verstrekken waarvan de verbreiding naar zijn mening strijdig zou zijn met de wezenlijke belangen van zijn veiligheid.

(17)

Voorts moeten de lidstaten in hun eigen belang en in het belang van alle lidstaten gegevens in de Europese databanken invoeren. Tevens moeten zij ervoor zorgen dat deze gegevens nauwkeurig en actueel zijn en op rechtmatige wijze zijn ingevoerd.

(18)

Het Agentschap dient op basis van een gemeenschappelijk geïntegreerd risicoanalysemodel algemene en op maat gemaakte risicoanalyses te verrichten, die door het Agentschap zelf en door de lidstaten moeten worden toegepast. Het Agentschap dient, mede op basis van door de lidstaten verstrekte informatie, passende informatie te verstrekken over alle aspecten die voor het Europese geïntegreerde grensbeheer relevant zijn, in het bijzonder grenstoezicht, terugkeer, irreguliere secundaire verplaatsingen van onderdanen van derde landen binnen de Unie, preventie van grensoverschrijdende criminaliteit inclusief het faciliteren van onrechtmatige grensoverschrijdingen, mensenhandel, terrorisme en dreigingen van hybride aard, alsmede de situatie in naburige derde landen, zodat passende maatregelen kunnen worden getroffen en geconstateerde dreigingen en risico's kunnen worden aangepakt, met als doel de verbetering van het geïntegreerde beheer van de buitengrenzen.

(19)

Gezien zijn activiteiten aan de buitengrenzen moet het Agentschap, waar dat passend is en indien het dankzij zijn activiteiten relevante informatie heeft verkregen, bijdragen aan het voorkomen en opsporen van zware criminaliteit met een grensoverschrijdende dimensie, zoals het smokkelen van migranten, mensenhandel en terrorisme. Het Agentschap moet zijn activiteiten coördineren met Europol als agentschap dat verantwoordelijk is voor het ondersteunen en versterken van de acties en samenwerking van de lidstaten bij de preventie en bestrijding van zware criminaliteit waardoor twee of meer lidstaten worden getroffen. Grensoverschrijdende criminaliteit heeft noodzakelijkerwijs een grensoverschrijdende dimensie. Een dergelijke grensoverschrijdende dimensie is kenmerkend voor misdrijven die rechtstreeks verband houden met het zonder toestemming overschrijden van buitengrenzen, waaronder mensenhandel en het smokkelen van migranten. Dat gezegd zijnde, laat artikel 1, lid 2, van Richtlijn 2002/90/EG (4) van de Raad de lidstaten toe geen sancties op te leggen wanneer dit gedrag tot doel heeft humanitaire bijstand te verlenen aan migranten.

(20)

In een geest van gedeelde verantwoordelijkheid moet de rol van het Agentschap zijn het beheer van de buitengrenzen regelmatig te monitoren. Het Agentschap dient te zorgen voor correcte en doeltreffende monitoring, niet alleen door middel van risicoanalyse en gegevensuitwisseling en via het Europees grensbewakingssysteem (Eurosur), maar ook door aanwezigheid van deskundigen uit zijn eigen personeel in de lidstaten. Het Agentschap moet derhalve in lidstaten voor bepaalde tijd verbindingsfunctionarissen kunnen inzetten, die aan de uitvoerend directeur verslag uitbrengen. Het verslag van de verbindingsfunctionarissen moet deel uitmaken van de kwetsbaarheidsbeoordeling.

(21)

Het Agentschap dient een kwetsbaarheidsbeoordeling te verrichten op basis van objectieve criteria, in het kader waarvan het Agentschap het vermogen en de paraatheid van de lidstaten beoordeelt om het hoofd te bieden aan uitdagingen aan hun buitengrenzen. Deze moet beoordeling bevatten van hun materieel, infrastructuur, personeel, begroting en financiële middelen en hun noodplannen om eventuele crises aan de buitengrenzen aan te pakken. De lidstaten dienen maatregelen te nemen om door die beoordeling aan het licht gebrachte tekortkomingen te corrigeren. De uitvoerend directeur dient te bepalen welke maatregelen moeten worden genomen en dient deze aan de betrokken lidstaat aan te bevelen. De uitvoerend directeur dient ook te bepalen binnen welke termijn die maatregelen moeten worden genomen. Worden de nodige maatregelen niet binnen de gestelde termijn getroffen, dan dient de zaak te worden voorgelegd aan de raad van bestuur, die er nader over moet beslissen.

(22)

Als tijdige en nauwgezette informatie die noodzakelijk is om een kwetsbaarheidsbeoordeling te verrichten, niet aan het Agentschap wordt verstrekt, moet het Agentschap dit feit in aanmerking kunnen nemen bij de kwetsbaarheidsbeoordeling, tenzij deze informatie om naar behoren gemotiveerde redenen wordt achtergehouden.

(23)

Het Agentschap dient passende technische en operationele bijstand aan de lidstaten te organiseren ter versterking van hun vermogen om te voldoen aan hun verplichtingen ten aanzien van het toezicht op de buitengrenzen en het hoofd te bieden aan problemen aan de buitengrenzen die het gevolg zijn van illegale immigratie of grensoverschrijdende criminaliteit. Dergelijke bijstand moet de bevoegdheid van de betrokken nationale autoriteiten om strafrechtelijke onderzoeken te initiëren, onverlet laten. In dit verband dient het Agentschap, op verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief, gezamenlijke operaties voor een of meer lidstaten te organiseren en te coördineren, en Europese grens- en kustwachtteams met de noodzakelijke technische uitrusting in te zetten. Het Agentschap kan ook deskundigen vanuit zijn eigen personeel inzetten.

(24)

Wanneer er aan de buitengrenzen sprake is van specifieke en onevenredig grote uitdagingen, dient het Agentschap, op verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief, snelle grensinterventies te organiseren en te coördineren, en Europese grens- en kustwachtteams uit een snel inzetbare pool en technische uitrusting in te zetten. De snelle grensinterventies moeten voor een beperkte duur voor versterking zorgen bij situaties waarin een onmiddellijke respons vereist is en zo'n interventie doeltreffend is. Om dergelijke interventies doeltreffend te kunnen uitvoeren, moeten de lidstaten grenswachters en ander geschikt personeel ter beschikking stellen van de snel inzetbare pool en zorgen voor de nodige technische uitrusting. Het Agentschap en de betrokken lidstaat moeten overeenstemming bereiken over een operationeel plan.

(25)

Wanneer een lidstaat in welbepaalde zones aan zijn buitengrenzen wordt geconfronteerd met specifieke en onevenredig grote uitdagingen op het gebied van migratie als gevolg van een sterke, gemengde instroom van migranten, moeten de lidstaten in de hotspotgebieden kunnen rekenen op extra technische en operationele versterking. Deze moet verstrekt worden in hotspotgebieden door ondersteuningsteams voor migratiebeheer. Deze teams moeten bestaan uit deskundigen die vanuit de lidstaten worden ingezet door het Agentschap en het EASO, en uit deskundigen van het Agentschap, Europol of andere relevante agentschappen van de Unie. Het Agentschap moet de Commissie steunen bij de coördinatie tussen de verschillende agentschappen op het terrein.

(26)

De lidstaten moeten ervoor zorgen dat autoriteiten die wellicht verzoeken om internationale bescherming zullen ontvangen, zoals politie, grenswachters, immigratiediensten en personeel van inrichtingen voor bewaring, beschikken over de toepasselijke informatie. Zij moeten ook ervoor zorgen dat het personeel van dergelijke autoriteiten de voor hun taken en verantwoordelijkheden passende opleiding ontvangen alsook instructies om verzoekers te informeren over waar en hoe een verzoek om internationale bescherming kan worden ingediend.

(27)

In hotspotgebieden dienen de verschillende agentschappen en lidstaten te handelen binnen hun respectieve opdrachten en bevoegdheden. De Commissie moet, in samenwerking met de andere betrokken agentschappen, erop toezien dat de activiteiten in de hotspotgebieden in overeenstemming zijn met het desbetreffende acquis van de Unie, met inbegrip van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel en de grondrechten.

(28)

Wanneer het toezicht op de buitengrenzen zodanig onwerkzaam wordt dat het functioneren van het Schengengebied in het gedrang dreigt te komen, ofwel omdat een lidstaat nalaat de nodige maatregelen te treffen overeenkomstig een kwetsbaarheidsbeoordeling ofwel omdat een lidstaat wordt geconfronteerd met specifieke en onevenredig grote uitdagingen aan de buitengrenzen, het Agentschap niet om voldoende steun heeft verzocht of niet voldoende gebruik maakt van deze steun, dient op Unieniveau een uniforme, snelle en doeltreffende respons te worden gegeven. Om deze risico's terug te dringen en met het oog op betere coördinatie op Unieniveau dient de Commissie aan de Raad een besluit voor te stellen met de maatregelen welke het Agentschap moet treffen, en met de verplichting voor de betrokken lidstaat om bij de uitvoering van die maatregelen zijn medewerking te verlenen aan het Agentschap. Het betreft hier politiek gevoelige maatregelen, waarbij wellicht aan nationale uitvoerings- en handhavingsbevoegdheden wordt geraakt. Daarom moet de uitvoeringsbevoegdheid om een dergelijk besluit vast te stellen worden toegekend aan de Raad. Het Agentschap dient dan te bepalen welke actie moet worden ondernomen voor de praktische tenuitvoerlegging van de maatregelen in het besluit van de Raad. Het dient dan samen met de betrokken lidstaat een actieplan op te stellen. Wanneer een lidstaat binnen 30 dagen niet in overeenstemming is met dit besluit van de Raad en niet met het Agentschap samenwerkt om de in dit besluit vervatte maatregelen uit te voeren, moet de Commissie de specifieke procedure voorzien in artikel 29 van Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad (5) kunnen inleiden om het hoofd te bieden aan uitzonderlijke omstandigheden waarbij de algemene werking van de ruimte zonder binnengrenstoezicht in gevaar komt. Verordening (EU) 2016/399 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(29)

Het Agentschap dient te beschikken over de nodige uitrusting en het nodige personeel om te kunnen inzetten bij gezamenlijke operaties of snelle grensinterventies. Wanneer het Agentschap op verzoek van een lidstaat of in een situatie die dringend optreden vereist een snelle grensinterventie opzet, moet het Agentschap in de lidstaten Europese grens- en kustwachtteams kunnen inzetten uit een snel inzetbare pool, die de vorm moet aannemen van een permanent orgaan dat bestaat uit grenswachters en ander relevant personeel. De pool moet ten minste 1 500 grenswachters en ander relevant personeel omvatten. De inzet van Europese grens- en kustwachtteams uit de snel inzetbare pool moet indien nodig onmiddellijk worden aangevuld met extra Europese grens- en kustwachtteams.

(30)

De bijdragen van de lidstaten aan de snel inzetbare pool, op basis van de toezeggingen die in het licht van de op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze verordening geldende omstandigheden zijn gedaan, zijn vermeld in bijlage I. Indien die omstandigheden substantieel en structureel veranderen, onder meer wanneer op basis van de bepalingen in de betreffende toetredingsakten een besluit tot opheffing van het toezicht aan de binnengrenzen van de lidstaten is genomen, dient de Commissie de passende wijzigingen van die bijlage voor te stellen.

(31)

Gezien de snelheid waarmee uitrusting en personeel moeten kunnen worden ingezet aan bepaalde delen van de buitengrenzen die met een plotselinge grote instroom van migranten worden geconfronteerd, dient het Agentschap in staat te zijn om zijn eigen technische uitrusting in te zetten en deze zelf of in mede-eigendom met een lidstaat aan te schaffen. Die technische uitrusting moet desgevraagd aan het Agentschap ter beschikking worden gesteld door de lidstaten waar de uitrusting is geregistreerd. Het Agentschap dient een pool van door lidstaten verstrekte technische uitrusting te beheren op basis van de door het Agentschap vastgestelde behoeften; die pool dient te worden aangevuld met vervoersmaterieel en operationele uitrusting, aangeschaft door lidstaten in het kader van de specifieke acties van het Fonds voor interne veiligheid.

(32)

Op 15 oktober 2015 heeft de Europese Raad ertoe opgeroepen de opdracht van Frontex inzake terugkeer te verruimen met het recht om op eigen initiatief gezamenlijke terugkeeroperaties te organiseren, en de rol van Frontex bij het verkrijgen van reisdocumenten voor terugkeerders te versterken;

(33)

Het Agentschap moet de bijstand aan lidstaten inzake de terugkeer van onderdanen van derde landen intensiveren, met inachtneming van het terugkeerbeleid van de Unie en overeenkomstig Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad (6). Met name dient het de terugkeeroperaties van een of meer lidstaten te organiseren en coördineren en terugkeerinterventies te organiseren en uit te voeren ter versterking van de terugkeerstelsels van lidstaten die aanvullende technische en operationele bijstand nodig hebben om te voldoen aan hun verplichting uit hoofde van die richtlijn om onderdanen van derde landen terug te zenden.

(34)

Het Agentschap dient de lidstaten, onder volledige eerbiediging van de grondrechten, de nodige bijstand te verlenen bij het organiseren van terugkeeroperaties en terugkeerinterventies in verband met terugkeerders. Het dient terugkeerbesluiten die genomen zijn door de lidstaten niet inhoudelijk te beoordelen. Voorts dient het Agentschap de lidstaten bij te staan op het gebied van het verkrijgen van reisdocumenten voor terugkeerders, in samenwerking met de autoriteiten van de desbetreffende derde landen.

(35)

De bijstand aan lidstaten bij het uitvoeren van terugkeerprocedures omvat de verstrekking van praktische informatie over derde landen van terugkeer die relevant is voor de uitvoering van deze verordening, zoals het verstrekken van contactgegevens of andere logistieke inlichtingen die nodig zijn voor een goed verloop van terugkeeroperaties. Voor het nemen van terugkeerbesluiten mag het Agentschap niet betrokken zijn bij het verstrekken van informatie aan lidstaten over derde landen van terugkeer.

(36)

Het eventuele bestaan van een regeling tussen een lidstaat en een derde land kan het Agentschap of de lidstaten niet ontslaan van hun verplichtingen uit hoofde van het Unie- of internationaal recht, met name wat betreft de naleving van het beginsel van non-refoulement.

(37)

Het Agentschap dient pools samen te stellen van door de lidstaten ter beschikking te stellen toezichthouders voor gedwongen terugkeer, begeleiders voor gedwongen terugkeer en specialisten inzake terugkeer, die bij terugkeeroperaties moeten worden ingezet en deel uit dienen te maken van gespecialiseerde Europese terugkeerinterventieteams die bij terugkeerinterventies worden ingezet. Die pools moeten kunnen beschikken over personeel dat specifieke deskundigheid heeft op het gebied van de bescherming van kinderen. Het Agentschap dient de betrokkenen de nodige opleiding te bieden.

(38)

In overeenstemming met internationale rechtsinstrumenten, zoals het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind, wordt iedereen die minder dan 18 jaar oud is, in het kader van deze verordening als een kind beschouwd. Het belang van het kind moet bij de activiteiten van het Agentschap voorop staan.

(39)

Er moeten specifieke bepalingen, met daarin definities van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden, worden vastgesteld voor het personeel dat betrokken is bij activiteiten die verband houden met terugkeer. Ook dienen speciale instructies te worden uitgevaardigd betreffende de bevoegdheden van de gezagvoerders van luchtvaartuigen en de uitbreiding van de strafrechtelijke rechtsbevoegdheid van het land waar het luchtvaartuig is geregistreerd krachtens het internationaal luchtvaartrecht, met name het Verdrag van Tokyo inzake strafbare feiten en bepaalde andere handelingen begaan aan boord van luchtvaartuigen.

(40)

Het Agentschap moet specifieke opleidingsinstrumenten ontwikkelen, waaronder specifieke training op het gebied van de bescherming van kinderen. Het dient een opleiding op Unieniveau aan te bieden voor de nationale opleiders van grenswachters, alsmede aanvullende opleidingen en studiebijeenkomsten in verband met geïntegreerde grensbeheertaken, onder meer voor personeelsleden van de bevoegde nationale diensten. Dit moet opleidingen omvatten betreffende relevant Unie- en internationaal recht, alsook betreffende grondrechten. Het Agentschap moet in samenwerking met de lidstaten en derde landen opleidingsactiviteiten kunnen organiseren op hun grondgebied.

(41)

Het Agentschap dient toe te zien op en bij te dragen tot ontwikkelingen op het gebied van onderzoek die relevant zijn voor het Europees geïntegreerd grensbeheer. Het dient informatie over deze ontwikkelingen door te geven aan het Europees Parlement, de lidstaten en de Commissie.

(42)

Voor een doeltreffend geïntegreerd beheer van de buitengrenzen dienen de lidstaten regelmatig, snel en op betrouwbare wijze onderling informatie uit te wisselen. Het Agentschap dient ter vergemakkelijking van die uitwisseling overeenkomstig de Uniewetgeving inzake gegevensbescherming informatiesystemen te ontwikkelen en toe te passen. Het is belangrijk dat de lidstaten het Agentschap onverwijld voorzien van complete en accurate informatie die het Agentschap nodig heeft om zijn taken te kunnen uitvoeren.

(43)

Ten behoeve van de vervulling van zijn taken en voor zover dat voor de uitvoering daarvan nodig is, kan het Agentschap, op terreinen die onder deze verordening vallen, samenwerken met instellingen, organen en instanties van de Unie en internationale organisaties in het kader van werkafspraken die overeenkomstig het Unierecht en -beleid tot stand zijn gekomen. Deze werkafspraken moeten vooraf door de Commissie zijn goedgekeurd.

(44)

De nationale autoriteiten die kustwachttaken uitvoeren zijn verantwoordelijk voor een breed spectrum van werkzaamheden, die onder meer kunnen bestaan uit veiligheid, beveiliging, opsporing en redding, grenstoezicht, visserijcontrole, douanetoezicht, algemene rechtshandhaving en milieubescherming op maritiem gebied. Het Agentschap, het bij Verordening (EG) nr. 768/2005 van de Raad (7) opgerichte Europees Bureau voor visserijcontrole en het bij Verordening (EG) nr. 1406/2002 van het Europees Parlement en de Raad (8) opgerichte Europees Agentschap voor maritieme veiligheid moeten daarom zowel hun onderlinge samenwerking als de samenwerking met de nationale autoriteiten die kustwachttaken uitvoeren, intensiveren teneinde de maritieme situatiekennis te versterken en samenhangende en kosteneffectieve maatregelen te ondersteunen. De synergieën tussen de verschillende actoren op het gebied van maritieme zaken dienen aan te sluiten bij de Uniestrategieën voor geïntegreerd grensbeheer en maritieme veiligheid.

(45)

De tenuitvoerlegging van deze verordening doet geen afbreuk aan de verdeling van de bevoegdheden tussen de Unie en de lidstaten krachtens de Verdragen, noch aan de verplichtingen van de lidstaten die voortvloeien uit internationale verdragen zoals het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, het Internationaal Verdrag inzake opsporing en redding op zee, het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, het Internationaal Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst en andere toepasselijke internationale maritieme instrumenten.

(46)

Het Agentschap moet in het kader van het Uniebeleid voor externe betrekkingen de technische en operationele samenwerking tussen de lidstaten en derde landen faciliteren en aanmoedigen. In dit kader dient het de operationele samenwerking tussen lidstaten en derde landen op het gebied van het beheer van de buitengrenzen te coördineren, verbindingsfunctionarissen in derde landen in te zetten, en met de autoriteiten van derde landen samen te werken op het gebied van terugkeer, ook wat de verkrijging van reisdocumenten betreft. Bij de samenwerking met derde landen dienen het Agentschap en de lidstaten het recht van de Unie, onder meer de grondrechten en het beginsel van non-refoulement, te allen tijde in acht te nemen. Zij dienen dit ook te doen wanneer de operaties in het kader van samenwerking met derde landen op het grondgebied van die landen plaatsvinden. In zijn jaarverslag dient het Agentschap verslag uit brengen over de samenwerking met derde landen, ter vergroting van de transparantie en de verantwoordingsplicht.

(47)

De Europese grens- en kustwacht, waaronder tevens worden begrepen het Agentschap en de nationale autoriteiten van de lidstaten die verantwoordelijk zijn voor grensbeheer, waaronder kustwachten voor zover zij taken op het gebied van grenstoezicht uitoefenen, dient zijn taken te vervullen met volle eerbiediging van de grondrechten, met name het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie („het Handvest”), het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, relevant internationaal recht, met inbegrip van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind, het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen, het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen en de verplichtingen inzake de toegang tot internationale bescherming, in het bijzonder het beginsel van non-refoulement, het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee en het Internationaal verdrag inzake opsporing en redding op zee. Overeenkomstig het recht van de Unie en die instrumenten moet het Agentschap de lidstaten bijstaan bij het uitvoeren van opsporings- en reddingsoperaties om levens te beschermen en te redden wanneer en waar ook dat nodig is.

(48)

Met het oog op de uitbreiding van zijn takenpakket moet het Agentschap zich toeleggen op de nadere uitwerking en tenuitvoerlegging van een grondrechtenstrategie, teneinde toezicht te houden op en de bescherming te waarborgen van de grondrechten. Daartoe dienen de grondrechtenfunctionaris toereikende middelen en personeel ter beschikking te worden gesteld, in overeenstemming met zijn opdracht en de omvang van zijn takenpakket. De grondrechtenfunctionaris heeft toegang tot alle informatie die nodig is om zijn taken te vervullen. Het Agentschap dient zijn positie te gebruiken om de toepassing van het acquis van de Unie inzake het beheer van de buitengrenzen, met inbegrip van de eerbiediging van de grondrechten en internationale bescherming, actief te bevorderen.

(49)

Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en de beginselen die zijn vervat in de artikelen 2 en 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en in het Handvest. Met name wordt met deze verordening gestreefd naar volledige eerbiediging van de menselijke waardigheid, het recht op leven, het recht op vrijheid en veiligheid, het recht op de bescherming van persoonsgegevens, het recht op asiel, het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, de rechten van het kind, het verbod van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing en het verbod van mensenhandel. Deze verordening streeft ook naar de bevordering van de toepassing van de beginselen van non-discriminatie en non-refoulement.

(50)

Bij deze verordening moet een klachtenregeling voor het Agentschap worden ingesteld, in samenwerking met de grondrechtenfunctionaris, teneinde de eerbiediging van de grondrechten bij alle activiteiten van het Agentschap te vrijwaren. Deze regeling dient te bestaan uit een bestuurlijk mechanisme waarbij de grondrechtenfunctionaris wordt belast met de behandeling van door het Agentschap ontvangen klachten, overeenkomstig het recht op behoorlijk bestuur. De grondrechtenfunctionaris dient de ontvankelijkheid van een klacht te onderzoeken, ontvankelijke klachten te registreren, alle geregistreerde klachten door te zenden aan de uitvoerend directeur, klachten betreffende teamleden door te zenden aan de lidstaat van herkomst en het gevolg dat het Agentschap of die lidstaat aan de klacht geeft, te registreren. Dit mechanisme moet doeltreffend zijn en een degelijke follow-up van klachten waarborgen. Het klachtenmechanisme moet de mogelijkheid om administratief beroep of beroep in rechte in te stellen onverlet laten, en vormt geen verplichte tussenstap om een dergelijke vorm van beroep te kunnen instellen. Strafrechtelijke onderzoeken dienen te worden uitgevoerd door de lidstaten. Om de transparantie en de verantwoordingsplicht te vergroten, neemt het Agentschap in zijn jaarverslag informatie op over het klachtenmechanisme. Met name bevat het het aantal ontvangen klachten, de soorten schendingen van de grondrechten, de betreffende operaties en, waar mogelijk, de follow-upmaatregelen die het Agentschap en de lidstaten hebben genomen.

(51)

Het Agentschap moet met betrekking tot technische en operationele aangelegenheden onafhankelijk zijn en juridisch, bestuurlijk en financieel autonoom zijn. Te dien einde is het noodzakelijk en gepast dat het Agentschap een orgaan van de Unie is dat rechtspersoonlijkheid bezit en de uitvoeringsbevoegdheden uitoefent die hem bij deze verordening worden toegekend.

(52)

De Commissie en de lidstaten moeten in een raad van bestuur vertegenwoordigd zijn met het oog op de uitoefening van toezicht op het Agentschap. Voor zover mogelijk moet de raad van bestuur bestaan uit de operationele hoofden van de nationale diensten die belast zijn met het grensbewakingsbeheer, of hun vertegenwoordigers. Alle partijen vertegenwoordigd in de raad van bestuur moeten proberen het verloop van hun vertegenwoordigers te beperken teneinde de continuïteit van de werkzaamheden van de raad van bestuur te verzekeren. De raad van bestuur moet beschikken over de noodzakelijke bevoegdheden om de begroting van het Agentschap vast te stellen, de uitvoering van die begroting te verifiëren, een passende financiële regeling vast te stellen, transparante werkprocedures voor de besluitvorming door het Agentschap tot stand te brengen en de uitvoerend directeur en de plaatsvervangend uitvoerend directeur te benoemen. Het bestuur en de werking van het Agentschap moeten rekening houden met de beginselen van de gemeenschappelijke aanpak voor de gedecentraliseerde agentschappen van de Europese Unie, die op 19 juli 2012 door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie is goedgekeurd.

(53)

Om de autonomie van het Agentschap te waarborgen, moet aan het Agentschap een aparte begroting worden toegekend die hoofdzakelijk wordt bekostigd met een bijdrage van de Unie. Op de bijdrage van de Unie en andere subsidies die ten laste komen van de algemene begroting van de Unie moet de begrotingsprocedure van de Unie van toepassing zijn. De controle van de rekeningen dient te worden uitgevoerd door de Europese Rekenkamer.

(54)

Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad (9) moet zonder beperkingen van toepassing zijn op het Agentschap, dat moet toetreden tot het Interinstitutioneel Akkoord van 25 mei 1999 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Commissie van de Europese Gemeenschappen betreffende de interne onderzoeken verricht door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) (10).

(55)

Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad (11) moet op het Agentschap van toepassing zijn. Zonder daarmee de verwezenlijking van de doelstelling van operaties in gevaar te brengen, moet het Agentschap over zijn activiteiten zo transparant mogelijk zijn. Het Agentschap moet informatie over al zijn activiteiten openbaar maken. Het moet eveneens zorgen voor snelle informatieverstrekking over zijn werkzaamheden aan het publiek en alle belanghebbende partijen.

(56)

Het Agentschap moet ook integraal verslag uitbrengen over zijn activiteiten aan het Europees Parlement en de Raad.

(57)

Elke verwerking van persoonsgegevens door het Agentschap in het kader van deze verordening moet voldoen aan Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad (12).

(58)

Bij elke verwerking van persoonsgegevens door lidstaten in het kader van deze verordening moet worden voldaan aan Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (13). Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad (14) is van toepassing wanneer de verwerking van gegevens in de eerste plaats ten doel heeft binnen de Unie een hoog niveau van interne veiligheid te garanderen, met name in het kader van acties met betrekking tot de monitoring van migratiestromen en risicoanalyse, de verwerking van persoonsgegevens die werden verzameld tijdens gezamenlijke operaties, proefprojecten en snelle grensinterventies en door ondersteuningsteams voor migratiebeheer, of de samenwerking met instellingen, organen en instanties van de Unie, en met internationale organisaties. Bij de verwerking van persoonsgegevens moeten de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid in acht worden genomen.

(59)

Daar de doelstellingen van deze verordening, namelijk de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van een stelsel van geïntegreerd beheer van de buitengrenzen om te zorgen voor de goede werking van het Schengengebied, niet voldoende kunnen worden verwezenlijkt door de zonder coördinatie optredende lidstaten, maar vanwege de afwezigheid van controles aan de binnengrenzen, de aanzienlijke uitdagingen aan de buitengrenzen op het vlak van migratie en de noodzaak om het overschrijden van de buitengrenzen op efficiënte wijze te bewaken en daarmee bij te dragen aan een hoog niveau van interne veiligheid binnen de Unie, beter op het niveau van de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie maatregelen nemen overeenkomstig het in artikel 5 VEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(60)

De in deze verordening bedoelde buitengrenzen zijn die waarop de bepalingen van titel II van Verordening (EU) 2016/399 van toepassing zijn, inclusief de buitengrenzen van Schengenlanden overeenkomstig Protocol nr. 19 betreffende het Schengenacquis dat is opgenomen in het kader van de Europese Unie, dat is gehecht aan het VEU en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

(61)

Wat IJsland en Noorwegen betreft, vormt deze verordening een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis in de zin van de Overeenkomst tussen de Raad van de Europese Unie, de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen inzake de wijze waarop IJsland en Noorwegen worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (15), die vallen onder het gebied bedoeld in artikel 1, onder A, van Besluit 1999/437/EG van de Raad (16). De Regeling tussen de Europese Gemeenschap enerzijds en de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen anderzijds inzake de wijze waarop deze twee staten worden betrokken bij het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie (17) voorziet in regels betreffende de deelname van die landen aan de werkzaamheden van het Agentschap, met inbegrip van bepalingen inzake financiële bijdragen en personeel.

(62)

Wat Zwitserland betreft, vormt deze verordening een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis in de zin van de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (18), die vallen onder het gebied bedoeld in artikel 1, onder A, van Besluit 1999/437/EG, in samenhang met artikel 3 van Besluit 2008/146/EG van de Raad (19).

(63)

Wat Liechtenstein betreft, vormt deze verordening een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis in de zin van het Protocol tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein betreffende de toetreding van het Vorstendom Liechtenstein tot de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (20), die vallen onder het gebied bedoeld in artikel 1, onder A, van Besluit 1999/437/EG, in samenhang met artikel 3 van Besluit 2011/350/EU van de Raad (21).

(64)

De Regeling tussen enerzijds de Europese Gemeenschap en anderzijds de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein inzake de wijze waarop deze staten worden betrokken bij het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie (22) voorziet in regels betreffende de deelname van die landen aan de werkzaamheden van het Agentschap, met inbegrip van bepalingen inzake financiële bijdragen en personeel.

(65)

Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het aan het VEU en het VWEU gehechte Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van deze verordening en is deze derhalve niet bindend voor, noch van toepassing op deze lidstaat. Aangezien deze verordening voortbouwt op het Schengenacquis, beslist Denemarken overeenkomstig artikel 4 van dit protocol binnen een termijn van zes maanden nadat de Raad deze verordening heeft vastgesteld, of het deze in zijn nationale recht zal omzetten.

(66)

Deze verordening vormt een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis waaraan het Verenigd Koninkrijk niet deelneemt, overeenkomstig Besluit 2000/365/EG van de Raad (23); het Verenigd Koninkrijk neemt derhalve niet deel aan de vaststelling van deze verordening, die niet bindend is voor, noch van toepassing is op deze lidstaat.

(67)

Deze verordening vormt een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis waaraan Ierland niet deelneemt, overeenkomstig Besluit 2002/192/EG van de Raad (24); Ierland neemt derhalve niet deel aan de vaststelling van deze verordening, die niet bindend is voor, noch van toepassing is op deze lidstaat.

(68)

Het Agentschap dient de organisatie te vergemakkelijken van specifieke activiteiten waarbij de lidstaten gebruik kunnen maken van de expertise en faciliteiten die Ierland en het Verenigd Koninkrijk eventueel bereid zijn aan te bieden, overeenkomstig nadere voorwaarden die per geval door de raad van bestuur worden vastgelegd. Daartoe kunnen vertegenwoordigers van Ierland en het Verenigd Koninkrijk voor vergaderingen van de raad van bestuur worden uitgenodigd, zodat zij volledig kunnen deelnemen aan de voorbereiding van dergelijke specifieke activiteiten.

(69)

Er bestaat een controverse tussen het Koninkrijk Spanje en het Verenigd Koninkrijk over de afbakening van de grenzen van Gibraltar.

(70)

De opschorting van de toepasselijkheid van deze verordening op de grenzen van Gibraltar betekent niet dat de respectieve standpunten van de betrokken staten gewijzigd zijn.

(71)

De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming is geraadpleegd overeenkomstig artikel 28, lid 2, van Verordening (EG) nr. 45/2001 en heeft op 18 maart 2016 advies uitgebracht (25).

(72)

Deze verordening strekt tot wijziging en uitbreiding van de bepalingen van Verordeningen (EG) nr. 2007/2004 en (EG) nr. 863/2007 van het Europees Parlement en de Raad (26) en Beschikking 2005/267/EG van de Raad (27). Aangezien de aan te brengen wijzigingen talrijk en ingrijpend zijn, moeten die handelingen omwille van de duidelijkheid worden vervangen en ingetrokken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

Europese grens- en kustwacht

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening wordt een Europese grens- en kustwacht opgericht, teneinde te zorgen voor een Europees geïntegreerd beheer van de buitengrenzen, met het oog op een doeltreffend beheer van het overschrijden van de buitengrenzen. Dit omvat de aanpak van uitdagingen op het gebied van migratie en mogelijke toekomstige dreigingen aan die grenzen, waarbij op die manier wordt bijgedragen aan de bestrijding van zware criminaliteit met een grensoverschrijdende dimensie, teneinde een hoog niveau van interne veiligheid in de Unie te waarborgen met volledige eerbiediging van de grondrechten en waarborging van het vrije verkeer van personen in de Unie.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1.   „buitengrenzen”: buitengrenzen in de zin van artikel 2, punt 2, van Verordening (EU) 2016/399, waarop titel II van die verordening van toepassing is;

2.   „grenstoezicht”: grenstoezicht in de zin van artikel 2, punt 10, van Verordening (EU) 2016/399;

3.   „grenswachter”: grenswachter in de zin van artikel 2, punt 14, van Verordening (EU) 2016/399;

4.   „Europese grens- en kustwachtteams”: teams bestaande uit grenswachters en ander relevant personeel van deelnemende lidstaten, onder wie grenswachters en andere relevante personeelsleden die door de lidstaten als nationale deskundigen naar het Europees Grens- en kustwachtagentschap zijn gedetacheerd, die bij gezamenlijke operaties, snelle grensinterventies en in het kader van ondersteuningsteams voor migratiebeheer worden ingezet;

5.   „ontvangende lidstaat”: een lidstaat waarin een gezamenlijke operatie, een snelle grensinterventie, een terugkeeroperatie of een terugkeerinterventie plaatsvindt of die dient als uitvalsbasis hiervoor of waarin een ondersteuningsteam voor migratiebeheer wordt ingezet;

6.   „lidstaat van herkomst”: de lidstaat waarvan een lid van de Europese grens- en kustwachtteams grenswachter of ander relevant personeelslid is;

7.   „deelnemende lidstaat”: een lidstaat die deelneemt aan een gezamenlijke operatie, een snelle grensinterventie, een terugkeeroperatie, een terugkeerinterventie of de inzet van een ondersteuningsteam voor migratiebeheer, door technische uitrusting, grenswachters en andere relevante personeelsleden ter beschikking te stellen om te worden ingezet in het kader van een Europees grens- en kustwachtteam, alsook een lidstaat die deelneemt aan een terugkeeroperatie of terugkeerinterventie door technische uitrusting of personeel ter beschikking te stellen, maar die geen ontvangende lidstaat is;

8.   „teamlid”: een lid van de Europese grens- en kustwachtteams of van teams van bij met terugkeer verband houdende taken betrokken personeelsleden die aan terugkeeroperaties of terugkeerinterventies deelnemen;

9.   „ondersteuningsteam voor migratiebeheer”: een team van deskundigen die de lidstaten technische en operationele versterking bieden in hotspotgebieden; de leden ervan zijn deskundigen die vanuit de lidstaten door het Europees Grens- en kustwachtagentschap en door het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken worden ingezet en deskundigen van het Agentschap, Europol en andere relevante agentschappen van de Unie;

10.   „hotspotgebied”: een gebied waar de ontvangende lidstaat, de Commissie, de bevoegde agentschappen van de Unie en de deelnemende lidstaten samenwerken teneinde een bestaande of potentiële onevenredig grote uitdaging op het gebied van migratie te beheren die wordt gekenmerkt door een aanzienlijke toename van het aantal binnenkomende migranten aan de buitengrenzen;

11.   „terugkeer”: terugkeer zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 3, van Richtlijn 2008/115/EG;

12.   „terugkeerbesluit”: een administratieve of rechterlijke beslissing of handeling waarbij wordt vastgesteld of verklaard dat het verblijf van een onderdaan van een derde land illegaal is en een terugkeerverplichting wordt opgelegd, met inachtneming van de bepalingen van Richtlijn 2008/115/EG;

13.   „terugkeerder”: een illegaal verblijvende onderdaan van een derde land ten aanzien van wie door een lidstaat een terugkeerbesluit is uitgevaardigd;

14.   „terugkeeroperatie”: een operatie die door het Europees Grens- en kustwachtagentschap wordt gecoördineerd en door een of meer lidstaten verstrekte technische en operationele steun behelst, waarbij terugkeerders vanuit een of meer lidstaten gedwongen of vrijwillig terugkeren;

15.   „terugkeerinterventie”: een actie van het Europees Grens- en kustwachtagentschap waarbij de lidstaten versterkte technische en operationele bijstand wordt verstrekt, bestaande uit de inzet van Europese terugkeerinterventieteams in lidstaten en de organisatie van terugkeeroperaties;

16.   „grensoverschrijdende criminaliteit”: een vorm van ernstige criminaliteit met een grensoverschrijdende dimensie gepleegd aan of langs de buitengrenzen of die met de buitengrenzen verband houdt.

Artikel 3

Europese grens- en kustwacht

1.   Het Europees Grens- en kustwachtagentschap (het Agentschap) en de nationale autoriteiten van de lidstaten die met het grensbeheer zijn belast, inclusief de kustwachten voor zover deze taken op het gebied van grenstoezicht uitvoeren, vormen samen de Europese grens- en kustwacht.

2.   Het Agentschap stelt bij besluit van de raad van bestuur op basis van een voorstel van de uitvoerend directeur een technische en operationele strategie voor Europees geïntegreerd grensbeheer op. Het Agentschap houdt hierbij, waar dit gerechtvaardigd is, rekening met de specifieke situatie van de lidstaten, met name hun geografische ligging. Deze strategie moet in overeenstemming zijn met artikel 4. Het Agentschap bevordert en ondersteunt de uitvoering van het Europees geïntegreerd grensbeheer in alle lidstaten.

3.   De nationale autoriteiten die met het grensbeheer zijn belast, inclusief de kustwachten voor zover deze taken op het gebied van grenstoezicht uitvoeren, stellen hun nationale strategie voor geïntegreerd grensbeheer op. De nationale strategieën zijn in overeenstemming met artikel 4 en met de in lid 2 van dit artikel genoemde strategie.

Artikel 4

Europees geïntegreerd grensbeheer

Het Europees geïntegreerd grensbeheer omvat de volgende onderdelen:

a)

grenstoezicht, met inbegrip van maatregelen om legale grensoverschrijdingen te vergemakkelijken en, waar passend, maatregelen op het gebied van het voorkomen en opsporen van grensoverschrijdende criminaliteit, zoals het smokkelen van migranten, mensenhandel en terrorisme, en maatregelen in verband met de doorverwijzing van mensen die internationale bescherming behoeven of wensen aan te vragen;

b)

opsporings- en reddingsoperaties voor personen in nood op zee opgezet en uitgevoerd overeenkomstig Verordening (EU) nr. 656/2014 van het Europees Parlement en de Raad (28) en het internationaal recht, die plaatsvinden in situaties die zich kunnen voordoen tijdens grensbewakingsoperaties op zee;

c)

analyse van de risico's voor de interne veiligheid en van de dreigingen die de werking of de veiligheid van de buitengrenzen kunnen aantasten;

d)

samenwerking tussen de lidstaten, ondersteund en gecoördineerd door het Agentschap;

e)

samenwerking tussen de nationale autoriteiten die in de lidstaten belast zijn met het grenstoezicht of andere grenstaken, en tussen de betrokken instellingen, organen en instanties van de Unie, met inbegrip van regelmatige uitwisseling van informatie met behulp van de daarvoor bestaande instrumenten, zoals het bij Verordening (EU) nr. 1052/2013 van het Europees Parlement en de Raad (29) ingestelde Europees grensbewakingssysteem (Eurosur);

f)

samenwerking met derde landen op gebieden die onder deze verordening vallen, waarbij aandacht voor met name naburige landen en derde landen die volgens de risicoanalyse land van herkomst en/of doorreis zijn voor illegale immigratie;

g)

technische en operationele maatregelen binnen het Schengengebied die samenhangen met grenstoezicht en bedoeld zijn om illegale immigratie beter aan te pakken en grensoverschrijdende criminaliteit te bestrijden;

h)

terugkeer van onderdanen van derde landen voor wie een door een lidstaat uitgevaardigd terugkeerbesluit geldt;

i)

gebruik van geavanceerde technologie, inclusief grootschalige informatiesystemen;

j)

een mechanisme voor kwaliteitscontrole, met name het Schengenevaluatiemechanisme en eventuele nationale mechanismen, dat de tenuitvoerlegging van de Uniewetgeving inzake grensbeheer moet waarborgen;

k)

solidariteitsmechanismen, met name financieringsinstrumenten van de Unie.

Artikel 5

Gedeelde verantwoordelijkheid

1.   De Europese grens- en kustwacht voert het Europees geïntegreerd grensbeheer uit als gezamenlijke verantwoordelijkheid van het Agentschap en de nationale autoriteiten die met het grensbeheer zijn belast, inclusief de kustwachten voor zover deze grensbewakingsoperaties op zee en andere taken op het gebied van grenstoezicht uitvoeren. De lidstaten behouden de primaire verantwoordelijkheid voor het beheer van hun delen van de buitengrenzen.

2.   De lidstaten dragen, in hun eigen belang en in het gemeenschappelijk belang van alle lidstaten, zorg voor het beheer van hun buitengrenzen, met volledige inachtneming van het Unierecht, in overeenstemming met de in artikel 3, lid 2, genoemde technische en operationele strategie en in nauwe samenwerking met het Agentschap.

3.   Het Agentschap ondersteunt de toepassing van Uniemaatregelen in verband met het beheer van de buitengrenzen door de acties van de lidstaten ter uitvoering van deze maatregelen en op het gebied van terugkeer te versterken, te beoordelen en te coördineren.

HOOFDSTUK II

Europees Grens- en kustwachtagentschap

Afdeling 1

Taken van het Europees Grens- en kustwachtagentschap

Artikel 6

Europees Grens- en kustwachtagentschap

1.   Het Europees Grens- en kustwachtagentschap is de nieuwe naam van het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie, dat is opgericht bij Verordening (EG) nr. 2007/2004. De activiteiten van het Agentschap worden geregeld door deze verordening.

2.   Teneinde in een samenhangend Europees geïntegreerd grensbeheer te voorzien, vergemakkelijkt het Agentschap de toepassing van de bestaande en toekomstige maatregelen van de Unie in verband met het beheer van de buitengrenzen, in het bijzonder de bij Verordening (EU) 2016/399 vastgestelde Schengengrenscode, en maakt het deze effectiever.

3.   Het Agentschap draagt bij aan een continue en uniforme toepassing van het Unierecht, waaronder het acquis van de Unie inzake grondrechten, aan alle buitengrenzen. Deze bijdrage gebeurt onder meer via de uitwisseling van goede praktijken.

Artikel 7

Verantwoordingsplicht

Het Agentschap legt verantwoording af aan het Europees Parlement en de Raad, overeenkomstig deze verordening.

Artikel 8

Taken

1.   Als bijdrage aan een doelmatig, hoog en uniform niveau van grenstoezicht en terugkeer van migranten verricht het Agentschap de volgende taken:

a)

het monitort migratiestromen en voert risicoanalyses uit die alle aspecten van het geïntegreerd grensbeheer bestrijken;

b)

het verricht een kwetsbaarheidsbeoordeling, waaronder een inschatting van de capaciteit en de paraatheid van de lidstaten om het hoofd te bieden aan dreigingen en uitdagingen aan de buitengrenzen;

c)

het monitort het beheer van de buitengrenzen via verbindingsfunctionarissen van het Agentschap in de lidstaten;

d)

het verleent, met inachtneming van het Unierecht en het internationaal recht, bijstand aan de lidstaten in omstandigheden die extra technische en operationele bijstand aan de buitengrenzen vergen door de coördinatie en organisatie van gezamenlijke operaties, in overweging nemend dat in dit kader soms sprake is van humanitaire noodsituaties en reddingsacties op zee;

e)

het verleent, met inachtneming van het Unierecht en het internationaal recht, bijstand aan de lidstaten in omstandigheden die extra technische en operationele bijstand aan de buitengrenzen vergen door snelle grensinterventies op te zetten aan de buitengrenzen van lidstaten die geconfronteerd worden met specifieke en onevenredig grote uitdagingen, in overweging nemend dat in dit kader soms sprake is van humanitaire noodsituaties en reddingsacties op zee;

f)

het verleent, overeenkomstig Verordening (EU) nr. 656/2014 en het internationaal recht, technische en operationele bijstand aan lidstaten en derde landen ter ondersteuning van opsporings- en reddingsoperaties voor personen die op zee in nood verkeren, welke soms moeten worden ondernomen tijdens grensbewakingsoperaties op zee;

g)

het zorgt voor het opzetten en uitzenden van Europese grens- en kustwachtteams, met inbegrip van een snel inzetbare pool, die bij gezamenlijke operaties en snelle grensinterventies en in het kader van de ondersteuningsteams voor migratiebeheer worden ingezet;

h)

het zorgt voor het opzetten van een pool van technische uitrusting die kan worden ingezet bij gezamenlijke operaties, bij snelle grensinterventies en in het kader van de ondersteuningsteams voor migratiebeheer, alsmede bij terugkeeroperaties en terugkeerinterventies;

i)

in het kader van de ondersteuningsteams voor migratiebeheer in hotspotgebieden:

i)

het zorgt voor het inzetten van Europese grens- en kustwachtteams en technische uitrusting voor de verlening van bijstand bij de screening, debriefing, identificatie en het nemen van vingerafdrukken;

ii)

het stelt in samenwerking met het Europees ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO) en de nationale autoriteiten een procedure vast voor het doorverwijzen van, en het verstrekken van initiële informatie aan, personen die internationale bescherming behoeven of wensen aan te vragen;

j)

het ondersteunt de ontwikkeling van technische normen voor uitrusting, met name voor tactische bevelvoering, controle en communicatie, alsmede technisch toezicht op de interoperabiliteit op nationaal en Unieniveau;

k)

het zorgt voor de inzet van de nodige uitrusting, grenswachters en het andere relevante personeel voor de snel inzetbare pool voor de praktische uitvoering van de maatregelen die noodzakelijk zijn in een situatie aan de buitengrenzen die dringend optreden vereist;

l)

het verleent bijstand aan de lidstaten in omstandigheden die extra technische en operationele bijstand vergen voor de uitvoering van de verplichting om terugkeerders te doen terugkeren, onder meer door de coördinatie en organisatie van terugkeeroperaties;

m)

het werkt binnen de respectieve mandaten van de betrokken agentschappen samen met Europol en Eurojust, en verleent steun aan de lidstaten in omstandigheden die extra technische en operationele bijstand aan de buitengrenzen vergen in de strijd tegen georganiseerde grensoverschrijdende criminaliteit en terrorisme;

n)

het zorgt voor het opzetten van pools van toezichthouders en begeleiders voor gedwongen terugkeer en terugkeerspecialisten;

o)

het zorgt voor het instellen en inzetten van Europese terugkeerinterventieteams bij terugkeerinterventies;

p)

het verleent bijstand aan de lidstaten bij het opleiden van nationale grenswachters, ander relevant personeel en terugkeerdeskundigen, met inbegrip van de vaststelling van gemeenschappelijke opleidingsnormen;

q)

het neemt deel aan de ontwikkeling en het beheer van onderzoeks- en innovatieactiviteiten die voor het toezicht op en de bewaking van de buitengrenzen relevant zijn, onder meer met betrekking tot het gebruik van geavanceerde grensbewakingstechnologie, en de ontwikkeling van proefprojecten op terreinen die onder deze verordening vallen;

r)

het ontwikkelt en beheert, in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 45/2001 en Kaderbesluit 2008/977/JBZ, informatiesystemen waarmee informatie over nieuwe risico's bij het beheer van de buitengrenzen, over illegale immigratie en over terugkeer snel en betrouwbaar kan worden uitgewisseld, zulks in nauwe samenwerking met de Commissie, organen en instanties van de Unie en het bij Beschikking 2008/381/EG van de Raad (30) opgezette Europees migratienetwerk;

s)

het verleent de nodige steun voor de ontwikkeling en het beheer van Eurosur en zo nodig voor de ontwikkeling van een gemeenschappelijke structuur voor informatie-uitwisseling, met inbegrip van interoperabiliteit tussen systemen, met name door middel van de ontwikkeling, instandhouding en coördinatie van het Eurosur-kader overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1052/2013;

t)

het werkt samen met het Europees Bureau voor visserijcontrole en het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid, elk binnen zijn mandaat, ter ondersteuning van de nationale autoriteiten die kustwachttaken als beschreven in artikel 53 uitvoeren, door diensten te verlenen, informatie te verstrekken, uitrusting te leveren en opleiding te verzorgen en operaties met meerdere doelen te coördineren;

u)

het verleent bijstand aan lidstaten en derde landen in het kader van de onderlinge technische en operationele samenwerking op de gebieden die onder deze verordening vallen.

2.   De lidstaten kunnen de samenwerking op operationeel niveau met andere lidstaten en/of derde landen voortzetten, indien die samenwerking verenigbaar is met de taken van het Agentschap. De lidstaten onthouden zich van alle activiteiten die de werking van het Agentschap of de verwezenlijking van de doelstellingen ervan in gevaar kunnen brengen. De lidstaten brengen over die operationele samenwerking met andere lidstaten en/of derde landen aan de buitengrenzen en op het gebied van terugkeer verslag uit aan het Agentschap. De uitvoerend directeur informeert de raad van bestuur geregeld over die aangelegenheden en ten minste eenmaal per jaar.

3.   Het Agentschap ontplooit op eigen initiatief communicatieactiviteiten over aangelegenheden die binnen zijn mandaat vallen. Het maakt accurate en omvattende gegevens openbaar over zijn activiteiten.

De communicatieactiviteiten mogen geen afbreuk doen aan de in lid 1 bedoelde taken; met name mogen geen operationele gegevens worden prijsgegeven die, eenmaal openbaar, de verwezenlijking van de doelstelling van de operaties in gevaar zouden brengen. De communicatieactiviteiten worden uitgevoerd zonder afbreuk te doen aan artikel 50 en in overeenstemming met de relevante communicatie- en verspreidingsplannen die de raad van bestuur heeft vastgesteld.

Afdeling 2

Monitoring en crisispreventie

Artikel 9

Verplichting tot samenwerking te goeder trouw

Voor het Agentschap en de nationale autoriteiten die met het grensbeheer en het terugkeerbeleid zijn belast, inclusief de kustwachten voor zover deze taken op het gebied van grenstoezicht uitvoeren, gelden een verplichting tot samenwerking te goeder trouw en een verplichting tot uitwisseling van informatie.

Artikel 10

Verplichting tot uitwisseling van informatie

Om de hen bij deze verordening opgedragen taken te vervullen, met name voor het Agentschap het monitoren van de migratiestromen naar en binnen de Unie, het verrichten van risicoanalyses en het uitvoeren van de kwetsbaarheidsbeoordeling, delen het Agentschap en de nationale autoriteiten die met het grensbeheer en het terugkeerbeleid zijn belast, inclusief de kustwachten voor zover deze taken op het gebied van grenstoezicht uitvoeren, tijdig en accuraat alle noodzakelijke informatie overeenkomstig deze verordening en het andere toepasselijke Unie- en nationale recht betreffende de uitwisseling van alle noodzakelijke informatie.

Artikel 11

Monitoring van de migratiestromen en risicoanalyse

1.   Het Agentschap monitort migratiestromen naar en binnen de Unie, trends en andere mogelijke uitdagingen aan de buitengrenzen van de Unie. Het Agentschap stelt daartoe bij besluit van de raad van bestuur op basis van een voorstel van de uitvoerend directeur een gemeenschappelijk geïntegreerd risicoanalysemodel vast, dat door het Agentschap en de lidstaten wordt toegepast. Het verricht ook de kwetsbaarheidsbeoordeling overeenkomstig artikel 13.

2.   Het Agentschap stelt algemene risicoanalyses op, die bij het Europees Parlement, de Raad en de Commissie worden ingediend overeenkomstig artikel 50, en op maat gemaakte risicoanalyses voor operationele activiteiten.

3.   De door het Agentschap op te stellen risicoanalyses bestrijken alle voor Europees geïntegreerd grensbeheer relevante aspecten, met als doel het ontwikkelen van een mechanisme voor vroegtijdige waarschuwing.

4.   De lidstaten verstrekken het Agentschap alle nodige informatie over de situatie, over trends en mogelijke dreigingen aan de buitengrenzen en op het gebied van terugkeer. De lidstaten verstrekken het Agentschap regelmatig, of op zijn verzoek, alle relevante informatie, zoals statistische en operationele gegevens die tijdens de uitvoering van het Schengenacquis zijn verzameld, alsmede informatie afgeleid uit de analyselaag van het overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1052/2013 opgestelde nationale situatiebeeld.

5.   De resultaten van de risicoanalyse worden tijdig en op nauwgezette wijze aan de raad van bestuur voorgelegd.

6.   De lidstaten houden met de resultaten van de risicoanalyse rekening bij het plannen van hun operaties en activiteiten aan de buitengrenzen en hun activiteiten op het gebied van terugkeer.

7.   Het Agentschap verwerkt de resultaten van het gemeenschappelijk geïntegreerd risicoanalysemodel bij de ontwikkeling van gemeenschappelijke basisinhoud voor de opleiding van grenswachters en bij met terugkeer verband houdende taken betrokken personeel.

Artikel 12

Verbindingsfunctionarissen in lidstaten

1.   Het Agentschap zorgt voor regelmatige monitoring van het beheer door alle lidstaten van de buitengrenzen door verbindingsfunctionarissen van het Agentschap.

Het Agentschap kan besluiten dat een verbindingsfunctionaris maximaal vier geografisch dicht bij elkaar gelegen lidstaten bestrijkt.

2.   De uitvoerend directeur wijst uit het personeel van het Agentschap deskundigen aan die als verbindingsfunctionarissen worden ingezet. De uitvoerend directeur presenteert, op basis van een risicoanalyse en in overleg met de betrokken lidstaten, een voorstel betreffende de aard en de nadere voorwaarden van de inzet, de lidstaat of regio waar de verbindingsfunctionaris wordt ingezet en de mogelijke taken die niet onder lid 3 vallen. Het voorstel van de uitvoerend directeur moet door de raad van bestuur worden goedgekeurd. De uitvoerend directeur stelt de betrokken lidstaat in kennis van de aanwijzing van de verbindingsfunctionaris en bepaalt samen met de lidstaat op welke locatie de betrokkene wordt ingezet.

3.   De verbindingsfunctionarissen treden op namens het Agentschap en hun rol is het bevorderen van de samenwerking en de dialoog tussen het Agentschap en de nationale autoriteiten die met het grensbeheer en het terugkeerbeleid zijn belast, inclusief de kustwachten voor zover deze taken op het gebied van grenstoezicht uitvoeren. De verbindingsfunctionarissen hebben met name tot taak:

a)

op te treden als contactpersoon tussen het Agentschap en de nationale autoriteiten die met het grensbeheer en het terugkeerbeleid zijn belast, inclusief de kustwachten voor zover deze taken op het gebied van grenstoezicht uitvoeren;

b)

steun te verlenen aan het verzamelen van de informatie die het Agentschap nodig heeft voor monitoring van illegale migratie en risicoanalyse als bedoeld in artikel 11;

c)

steun te verlenen aan het verzamelen van de in artikel 13 bedoelde informatie die het Agentschap nodig heeft voor het verrichten van de kwetsbaarheidsbeoordeling;

d)

de maatregelen te monitoren die de lidstaat uitvoert bij grenssegmenten waarvoor een hoog impactniveau is vastgesteld overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1052/2013;

e)

bij te dragen tot het bevorderen van de toepassing van het acquis van de Unie inzake het beheer van de buitengrenzen, met inbegrip van de eerbiediging van de grondrechten;

f)

de lidstaten waar mogelijk bijstand te verlenen bij het opstellen van hun noodplannen inzake grensbeheer;

g)

de communicatie tussen de lidstaten en het Agentschap te bevorderen en relevante informatie van het Agentschap te delen met de lidstaat, waaronder informatie over lopende operaties;

h)

regelmatig verslag uit te brengen aan de uitvoerend directeur over de situatie aan de buitengrenzen en het vermogen van de betrokken lidstaat om de situatie aan de buitengrenzen doeltreffend het hoofd te bieden, en over de uitvoering van terugkeeroperaties naar relevante derde landen;

i)

de maatregelen te monitoren die de lidstaat uitvoert ten aanzien van een situatie aan de buitengrenzen die dringend optreden vereist, als bedoeld in artikel 19.

Indien het onder h) bedoelde verslag van de verbindingsfunctionaris aanleiding geeft tot bezorgdheid over een of meer van deze aspecten die voor de betrokken lidstaat relevant zijn, wordt deze laatste onverwijld door de uitvoerend directeur daarvan op de hoogte gebracht.

4.   Voor de toepassing van lid 3 moet de verbindingsfunctionaris overeenkomstig de nationale en Unievoorschriften inzake beveiliging en gegevensbescherming:

a)

informatie krijgen van het nationale coördinatiecentrum en van het nationale situatiebeeld dat overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1052/2013 is opgesteld;

b)

regelmatig contact onderhouden met de nationale autoriteiten die met het grensbeheer zijn belast, inclusief de kustwachten voor zover deze taken op het gebied van grenstoezicht uitvoeren, en een door de betrokken lidstaat aan te wijzen aanspreekpunt.

5.   Het verslag van de verbindingsfunctionaris maakt deel uit van de in artikel 13 bedoelde kwetsbaarheidsbeoordeling. Het verslag wordt toegezonden aan de betrokken lidstaat.

6.   Bij de uitvoering van zijn taken aanvaardt de verbindingsfunctionaris uitsluitend instructies van het Agentschap.

Artikel 13

Kwetsbaarheidsbeoordeling

1.   Bij besluit van de raad van bestuur op basis van een voorstel van de uitvoerend directeur werkt het Agentschap een gemeenschappelijke kwetsbaarheidsbeoordelingsmethode uit. Deze bevat objectieve criteria aan de hand waarvan het Agentschap de kwetsbaarheidsbeoordeling uitvoert, de frequentie van zulke beoordelingen en de wijze waarop opeenvolgende kwetsbaarheidsbeoordelingen van lidstaten moeten worden uitgevoerd.

2.   Het Agentschap zal de beschikbaarheid van de technische uitrusting controleren en beoordelen, alsook de systemen, de vermogens, de middelen, de infrastructuur en adequaat geschoold en opgeleid personeel van de lidstaten die nodig zijn voor het grenstoezicht. Het zal dit doen als voorzorgsmaatregel op basis van de overeenkomstig artikel 11, lid 3, opgestelde risicoanalyse. Het Agentschap doet deze controle en beoordeling ten minste eenmaal per jaar tenzij de uitvoerend directeur, op basis van risicoanalyses of een voorgaande kwetsbaarheidsbeoordeling, anders besluit.

3.   De lidstaten verstrekken op verzoek van het Agentschap informatie over hun technische uitrusting en de personele en, voor zover mogelijk, financiële middelen die op nationaal niveau voor de uitvoering van het grenstoezicht beschikbaar zijn. De lidstaten verstrekken op verzoek van het Agentschap ook informatie over hun noodplannen inzake grensbeheer.

4.   De kwetsbaarheidsbeoordeling houdt in dat het Agentschap een beoordeling verricht van het vermogen en de paraatheid van de lidstaten om toekomstige uitdagingen het hoofd te bieden, waaronder de huidige en toekomstige dreigingen en uitdagingen aan de buitengrenzen; dat het Agentschap, met name voor lidstaten die specifieke en onevenredig grote uitdagingen ondervinden, mogelijke onmiddellijke gevolgen aan de buitengrenzen en latere gevolgen voor de werking van het Schengengebied in kaart brengt; en dat het Agentschap hun vermogen beoordeelt om bij te dragen aan de in artikel 20, lid 5, genoemde snel inzetbare pool. Deze beoordeling laat het Schengenevaluatiemechanisme onverlet.

Bij deze beoordeling houdt het Agentschap rekening met de capaciteit van de lidstaten om alle grensbeheertaken uit te voeren, met inbegrip van hun vermogen om in te spelen op de komst van een groot aantal personen op hun grondgebied.

5.   De resultaten van de kwetsbaarheidsbeoordeling worden voorgelegd aan de betrokken lidstaten. De betrokken lidstaten kunnen opmerkingen formuleren over die beoordeling.

6.   Indien nodig doet de uitvoerend directeur in overleg met de betrokken lidstaat een aanbeveling inzake de maatregelen die de betrokken lidstaat moet nemen, waarin tevens de termijn is aangegeven waarbinnen de maatregelen moeten worden genomen. De uitvoerend directeur verzoekt de betrokken lidstaten om de nodige maatregelen te treffen.

7.   De uitvoerend directeur baseert de maatregelen die aan de betrokken lidstaten worden aanbevolen op de resultaten van de kwetsbaarheidsbeoordeling, waarbij rekening wordt gehouden met de risicoanalyse van het Agentschap, de opmerkingen van de betrokken lidstaat en de resultaten van het Schengenevaluatiemechanisme.

De maatregelen moeten gericht zijn op het wegwerken van de in de beoordeling vastgestelde kwetsbaarheden opdat de lidstaten hun paraatheid ten aanzien van aankomende problemen zouden verhogen door het versterken of verbeteren van hun vermogens, technische uitrusting, systemen, middelen en noodplannen.

8.   Indien een lidstaat nalaat binnen de in lid 6 van dit artikel gestelde termijn de nodige maatregelen van de aanbeveling uit te voeren, legt de uitvoerend directeur de zaak voor aan de raad van bestuur en stelt hij de Commissie daarvan in kennis. Op voorstel van de uitvoerend directeur stelt de raad van bestuur een besluit vast inzake de nodige maatregelen die de betrokken lidstaat moet nemen en de termijn waarbinnen die maatregelen moeten worden uitgevoerd. Het besluit van de raad van bestuur is voor de betrokken lidstaat bindend. Indien de lidstaat nalaat binnen de in dat besluit gestelde termijn de maatregelen uit te voeren, stelt de raad van bestuur de Raad en de Commissie daarvan in kennis en kunnen overeenkomstig artikel 19 verdere maatregelen worden genomen.

9.   De resultaten van kwetsbaarheidsbeoordelingen worden overeenkomstig artikel 50 regelmatig en ten minste eenmaal per jaar doorgegeven aan het Europees Parlement, aan de Raad en aan de Commissie.

Afdeling 3

Beheer van de buitengrenzen

Artikel 14

Maatregelen van het Agentschap aan de buitengrenzen

1.   Een lidstaat kan het agentschap om bijstand vragen bij de uitvoering van zijn verplichtingen inzake het toezicht op de buitengrenzen. Het Agentschap voert tevens maatregelen uit overeenkomstig artikel 19.

2.   Het Agentschap organiseert passende technische en operationele bijstand voor de ontvangende lidstaat en kan met inachtneming van het toepasselijke Unierecht en internationale recht, met inbegrip van het beginsel van non-refoulement, een of meer van de volgende maatregelen nemen:

a)

coördinatie van gezamenlijke operaties ten behoeve van een of meer lidstaten en inzet van Europese grens- en kustwachtteams;

b)

organisatie van snelle grensinterventies en inzet van Europese grens- en kustwachtteams uit de snel inzetbare pool en indien nodig inzet van extra Europese grens- en kustwachtteams;

c)

coördinatie van activiteiten ten behoeve van een of meer lidstaten en derde landen aan de buitengrenzen, waaronder gezamenlijke operaties met naburige derde landen;

d)

inzet van Europese grens- en kustwachtteams in het kader van de ondersteuningsteams voor migratiebeheer in hotspotgebieden;

e)

in het kader van de in dit lid, onder a), b) en c), vermelde operaties en overeenkomstig Verordening (EU) nr. 656/2014 en het internationale recht, verlening van technische en operationele bijstand aan lidstaten en derde landen ter ondersteuning van opsporings- en reddingsoperaties voor personen die op zee in nood verkeren, welke soms moeten worden ondernomen tijdens grensbewakingsoperaties op zee;

f)

inzet van de eigen deskundigen en teamleden die door de lidstaten bij het Agentschap zijn gedetacheerd om de bevoegde nationale autoriteiten van de betrokken lidstaten gedurende een passende periode te ondersteunen;

g)

inzet van technische uitrusting.

3.   Het Agentschap financiert of medefinanciert de in lid 2 bedoelde activiteiten uit zijn begroting overeenkomstig de voor het Agentschap geldende financiële regeling.

4.   Indien het Agentschap op grond van de situatie aan de buitengrenzen behoefte heeft aan aanzienlijk meer financiële middelen, stelt het Agentschap het Europees Parlement, de Raad en de Commissie hiervan onverwijld in kennis.

Artikel 15

Gezamenlijke operaties en snelle grensinterventies aan de buitengrenzen

1.   Een lidstaat kan het Agentschap verzoeken gezamenlijke operaties op te zetten om toekomstige uitdagingen het hoofd te kunnen bieden, waaronder illegale immigratie, huidige of toekomstige dreigingen aan zijn buitengrenzen of grensoverschrijdende criminaliteit, of uitgebreidere technische en operationele bijstand te verlenen met het oog op de uitvoering van hun verplichtingen ten aanzien van het toezicht op de buitengrenzen.

2.   Op verzoek van een lidstaat die geconfronteerd wordt met een situatie van specifieke en onevenredig grote uitdagingen, in het bijzonder de toestroom op bepaalde punten aan de buitengrenzen van grote aantallen onderdanen van derde landen die trachten onrechtmatig het grondgebied van die lidstaat binnen te komen, kan het Agentschap voor een beperkte periode een snelle grensinterventie opzetten op het grondgebied van die ontvangende lidstaat.

3.   Voor de evaluatie, de goedkeuring en de coördinatie van voorstellen van lidstaten voor gezamenlijke operaties is de uitvoerend directeur bevoegd. Voorafgaand aan gezamenlijke operaties en snelle grensinterventies wordt een grondige, betrouwbare en actuele risicoanalyse verricht, zodat het Agentschap de prioriteit van de voorgestelde gezamenlijke operatie of snelle grensinterventie kan vaststellen, rekening houdend met de effecten voor de buitengrenssegmenten overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1052/2013 en de beschikbaarheid van middelen.

4.   De uitvoerend directeur doet op basis van de resultaten van de kwetsbaarheidsbeoordeling en rekening houdend met de door het Agentschap verrichte risicoanalyse en de analyselaag van het overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1052/2013 opgestelde Europese situatiebeeld, een aanbeveling aan de betrokken lidstaat voor het initiëren van gezamenlijke acties of snelle grensinterventies. Het Agentschap stelt zijn technische uitrusting ter beschikking van de ontvangende lidstaat of de deelnemende lidstaten.

5.   De doelstellingen van een gezamenlijke operatie of snelle grensinterventie kunnen worden verwezenlijkt in het kader van een operatie met meerdere doelen. Die operaties kunnen zich uitstrekken tot kustwachttaken en het voorkomen van grensoverschrijdende criminaliteit, waaronder het bestrijden van migrantensmokkel of mensenhandel, en migratiebeheer, zoals identificatie, registratie, debriefing en terugkeer.

Artikel 16

Operationeel plan voor gezamenlijke operaties

1.   Ter voorbereiding van een gezamenlijke operatie stelt de uitvoerend directeur in samenwerking met de ontvangende lidstaat een lijst van vereiste technische uitrusting en personeel op, rekening houdend met de middelen waarover de ontvangende lidstaat beschikt. Aan de hand van deze gegevens stelt het Agentschap een pakket samen van in het operationeel plan op te nemen activiteiten op het gebied van technische en operationele versterking en capaciteitsopbouw.

2.   De uitvoerend directeur stelt een operationeel plan op voor gezamenlijke operaties aan de buitengrenzen. De uitvoerend directeur en de ontvangende lidstaat stellen in overleg met de deelnemende lidstaten het operationeel plan vast waarin de organisatorische en procedurele aspecten van de gezamenlijke operatie worden opgenomen.

3.   Het operationeel plan is bindend voor het Agentschap, de ontvangende lidstaat en de deelnemende lidstaten. Het bestrijkt alle aspecten die voor de uitvoering van de gezamenlijke operatie nodig worden geacht, met inbegrip van:

a)

een beschrijving van de situatie, met de modus operandi en de doelstellingen van de inzet, inclusief het operationele doel;

b)

de te verwachten duur van de gezamenlijke operatie;

c)

het geografisch gebied waarin de gezamenlijke operatie zal plaatsvinden;

d)

een beschrijving van de taken en verantwoordelijkheden, ook in verband met de eerbiediging van de grondrechten, en speciale instructies voor de Europese grens- en kustwachtteams, onder meer over de vraag welke gegevensbanken in de ontvangende lidstaat mogen worden geraadpleegd en welke dienstwapens, munitie en uitrusting in de ontvangende lidstaat mogen worden gebruikt;

e)

de samenstelling van de Europese grens- en kustwachtteams en de inzet van ander relevant personeel;

f)

voorschriften inzake bevelvoering en aansturing, waaronder de naam en rang van de grenswachters van de ontvangende lidstaat die verantwoordelijk zijn voor de samenwerking met de teamleden en het Agentschap, in het bijzonder van de grenswachters die tijdens de duur van de inzet het bevel voeren, alsook de plaats van de teamleden in de bevelstructuur;

g)

de bij de gezamenlijke operatie in te zetten technische uitrusting, met inbegrip van specifieke vereisten, zoals gebruiksvoorwaarden, benodigd personeel, vervoer en andere logistieke aspecten, en financiële voorzieningen;

h)

nauwkeurige bepalingen over onverwijlde rapportage van incidenten door het Agentschap aan de raad van bestuur en de bevoegde nationale instanties;

i)

een meldings- en evaluatieregeling met ijkpunten voor het evaluatieverslag, onder meer inzake de bescherming van de grondrechten, en de uiterste datum voor het indienen van het definitieve evaluatieverslag;

j)

wat operaties op zee betreft, specifieke informatie betreffende de toepassing van de relevante rechtsbevoegdheid en wetgeving in het geografisch gebied waarin de gezamenlijke operatie plaatsvindt, met inbegrip van verwijzingen naar het nationaal, het internationaal en het Unierecht inzake onderschepping, reddingsacties op zee en ontscheping. In dit opzicht wordt het operationele plan vastgesteld overeenkomstig Verordening (EU) nr. 656/2014;

k)

de nadere voorwaarden voor samenwerking met derde landen, andere organen en instanties van de Unie of internationale organisaties;

l)

procedures waarmee personen die internationale bescherming nodig hebben, slachtoffers van mensenhandel, niet-begeleide minderjarigen en personen in een kwetsbare situatie worden verwezen naar de bevoegde nationale autoriteiten die passende bijstand kunnen verlenen;

m)

procedures ter bepaling van een mechanisme voor de ontvangst en doorzending naar het Agentschap van klachten tegen alle personen die deelnemen aan een gezamenlijke operatie of een snelle grensinterventie, waaronder grenswachters of andere relevante personeelsleden van de ontvangende lidstaat en leden van de Europese grens- en kustwachtteams, over vermeende inbreuken op de grondrechten in het kader van hun deelname aan een gezamenlijke operatie of snelle grensinterventie;

n)

logistieke regelingen, waaronder informatie over de werkomstandigheden en de omgeving van de gebieden waar de gezamenlijke operatie is gepland.

4.   Voor wijzigingen of aanpassingen van het operationele plan is de instemming van de uitvoerend directeur en de ontvangende lidstaat vereist, na raadpleging van de deelnemende lidstaten. Het Agentschap zendt onmiddellijk een afschrift van het gewijzigde of aangepaste operationele plan aan de deelnemende lidstaten.

Artikel 17

Procedure voor het starten van een snelle grensinterventie

1.   Een verzoek van een lidstaat om een snelle grensinterventie te starten, gaat vergezeld van een beschrijving van de situatie, de mogelijke doelen en de te verwachten behoeften. Indien nodig kan de uitvoerend directeur onmiddellijk deskundigen van het Agentschap sturen om de situatie aan de buitengrenzen van de betrokken lidstaat te beoordelen.

2.   De uitvoerend directeur stelt de raad van bestuur onmiddellijk in kennis van een verzoek van een lidstaat om een snelle grensinterventie te starten.

3.   Bij de beslissing over het verzoek van een lidstaat houdt de uitvoerend directeur rekening met de resultaten van de door het Agentschap verrichte risicoanalyses, de analyselaag van het overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1052/2013 opgestelde Europese situatiebeeld en de resultaten van de in artikel 13 bedoelde kwetsbaarheidsbeoordeling, alsook alle andere relevante informatie die door de betrokken lidstaat of een andere lidstaat is verstrekt.

4.   De uitvoerend directeur neemt uiterlijk twee werkdagen na de datum van ontvangst van het verzoek een beslissing over het verzoek om een snelle grensinterventie te starten. De uitvoerend directeur stelt de betrokken lidstaat en de raad van bestuur gelijktijdig schriftelijk in kennis van zijn beslissing. In deze beslissing worden de voornaamste redenen vermeld waarop zij is gebaseerd.

5.   Indien de uitvoerend directeur beslist een snelle grensinterventie te starten, zet hij Europese grens- en kustwachtteams in uit de snel inzetbare pool overeenkomstig artikel 20, lid 5, en de snel inzetbare uitrustingspool overeenkomstig artikel 39, lid 7, en beslist hij zo nodig over de onmiddellijke versterking door een of meer Europese grens- en kustwachtteams overeenkomstig artikel 20, lid 8.

6.   De uitvoerend directeur stelt samen met de ontvangende lidstaat onmiddellijk of in ieder geval uiterlijk drie werkdagen na de datum van de beslissing een operationeel plan op als bedoeld in artikel 16, lid 3.

7.   Zodra het operationele plan is goedgekeurd en aan de lidstaten is verstrekt, verzoekt de uitvoerend directeur de lidstaten schriftelijk om onmiddellijk de grenswachters en de andere relevante personeelsleden in te zetten die deel uitmaken van de snel inzetbare pool. De uitvoerend directeur geeft aan hoeveel van de in de snel inzetbare pool opgenomen grenswachters en andere relevante personeelsleden elke lidstaat wordt gevraagd in te zetten en aan welk profiel deze moeten voldoen.

8.   Gelijktijdig met de in lid 7 bedoelde inzet stelt de uitvoerend directeur, teneinde te voorzien in de onmiddellijke versterking van de Europese grens- en kustwachtteams die uit de snel inzetbare pool worden ingezet, indien dat noodzakelijk is, de lidstaten in kennis van het gevraagde aantal en het gewenste profiel van de grenswachters en andere relevante personeelsleden die als aanvulling worden ingezet. Deze kennisgevingen worden schriftelijk verstrekt aan de nationale contactpunten onder vermelding van de voor het inzetten van de teams geplande datum. Er wordt hun tevens een kopie van het operationele plan verstrekt.

9.   De lidstaten zien erop toe dat de aantallen en de profielen van de aan de snel inzetbare pool toegewezen grenswachters en andere relevante personeelsleden onmiddellijk ter beschikking van het Agentschap worden gesteld, om volledige inzetbaarheid te waarborgen overeenkomstig artikel 20, leden 5 en 7. De lidstaten stellen tevens extra grenswachters en andere relevante personeelsleden ter beschikking uit de nationale pool, overeenkomstig artikel 20, lid 8.

10.   De teams uit de snel inzetbare pool worden ingezet uiterlijk vijf werkdagen na de datum waarop de uitvoerend directeur en de ontvangende lidstaat overeenstemming hebben bereikt over het operationele plan. Extra Europese grens- en kustwachtteams worden indien nodig ingezet binnen zeven werkdagen na de inzet van de teams uit de snel inzetbare pool.

11.   Indien teams uit de snel inzetbare pool worden ingezet, onderzoekt de uitvoerend directeur in overleg met de raad van bestuur onverwijld de prioriteiten ten aanzien van de lopende en geplande gezamenlijke operaties van het Agentschap aan andere buitengrenzen, teneinde te voorzien in een eventuele herverdeling van de middelen ten gunste van de delen van de buitengrenzen waar een versterkte inzet het meest nodig is.

Artikel 18

Ondersteuningsteams voor migratiebeheer

1.   Indien een lidstaat zich op bepaalde hotspotgebieden aan zijn buitengrenzen geconfronteerd ziet met onevenredig grote uitdagingen op het gebied van migratie als gevolg van een sterke, gemengde instroom van migranten, kan die lidstaat verzoeken om technische en operationele versterking door ondersteuningsteams voor migratiebeheer. De betrokken lidstaat dient een verzoek om versterking en een raming van zijn behoeften in bij het Agentschap en andere relevante agentschappen van de Unie, in het bijzonder het EASO en Europol.

2.   De uitvoerend directeur beoordeelt in coördinatie met andere relevante agentschappen van de Unie het verzoek om versterking van een lidstaat en de raming van de behoeften van die lidstaat, met het oog op de vaststelling van een breed versterkingspakket bestaande uit diverse door de relevante agentschappen van de Unie gecoördineerde activiteiten waarmee de betrokken lidstaat moet instemmen.

3.   De Commissie bepaalt, in samenwerking met de ontvangende lidstaat en de relevante agentschappen, de nadere voorwaarden voor samenwerking in het hotspotgebied en is verantwoordelijk voor de coördinatie van de activiteiten van de ondersteuningsteams voor migratiebeheer.

4.   De technische en operationele versterking die in het kader van de ondersteuningsteams voor migratiebeheer wordt geboden door de Europese grens- en kustwachtteams, de Europese terugkeerinterventieteams en de deskundigen uit het personeel van het Agentschap, kan omvatten:

a)

het bieden van ondersteuning, met volledige inachtneming van de grondrechten, bij het screenen van onderdanen van derde landen die aan de buitengrenzen aankomen, wat mede inhoudt de identificatie, registratie en debriefing van die onderdanen van derde landen en, indien de lidstaat daarom verzoekt, het nemen van hun vingerafdrukken, en het verstrekken van informatie over het doel van deze procedures;

b)

de verstrekking van initiële informatie aan personen die internationale bescherming wensen aan te vragen, en hun doorverwijzing naar de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat of het EASO;

c)

het verlenen van technische en operationele bijstand op het gebied van terugkeer, met inbegrip van het voorbereiden en organiseren van terugkeeroperaties.

5.   Ondersteuningsteams voor migratiebeheer bestaan, indien nodig, onder meer uit medewerkers met expertise op het gebied van kinderbescherming, mensenhandel, bescherming tegen vervolging op grond van geslacht, en/of grondrechten.

Artikel 19

Situaties aan de buitengrenzen die dringend optreden vereisen

1.   Wanneer het toezicht op de buitengrenzen zodanig onwerkzaam wordt dat het functioneren van het Schengengebied in het gedrang dreigt te komen omdat:

a)

een lidstaat nalaat de nodige maatregelen te treffen overeenkomstig een beslissing van de raad van bestuur als bedoeld in artikel 13, lid 8; of

b)

een lidstaat geconfronteerd wordt met specifieke en onevenredig grote uitdagingen aan de buitengrenzen en de lidstaat het Agentschap niet om voldoende steun heeft verzocht op grond van de artikelen 15, 17, of 18, of niet de nodige stappen onderneemt om op te treden op grond van die artikelen,

kan de Raad, op basis van een voorstel van de Commissie, onverwijld door middel van een uitvoeringshandeling een besluit nemen tot vaststelling van de door het Agentschap uit te voeren maatregelen die deze risico's moeten beperken, waarbij de betrokken lidstaat wordt verplicht medewerking te verlenen aan het Agentschap bij de uitvoering van die maatregelen. De Commissie raadpleegt het Agentschap voordat zij een voorstel indient.

2.   Indien zich een situatie voordoet die dringend optreden vereist, wordt het Europees Parlement daarvan onverwijld in kennis gesteld, alsmede van alle verdere maatregelen en besluiten die in antwoord daarop genomen worden.

3.   Om het risico dat het functioneren van het Schengengebied in het gedrang komt, te beperken, bepaalt het in lid 1 bedoelde besluit van de Raad dat het Agentschap een of meer van de volgende maatregelen neemt:

a)

organisatie en coördinatie van snelle grensinterventies en inzet van Europese grens- en kustwachtteams uit de snel inzetbare pool en indien nodig inzet van extra Europese grens- en kustwachtteams;

b)

inzet van Europese grens- en kustwachtteams in het kader van de ondersteuningsteams voor migratiebeheer in hotspotgebieden;

c)

coördinatie van activiteiten ten behoeve van een of meer lidstaten en derde landen aan de buitengrenzen, waaronder gezamenlijke operaties met naburige derde landen;

d)

inzet van technische uitrusting;

e)

organisatie van terugkeerinterventies.

4.   Binnen twee werkdagen na de datum waarop het in lid 1 bedoelde besluit van de Raad is vastgesteld:

a)

bepaalt de uitvoerend directeur welke actie moet worden ondernomen voor de praktische uitvoering van de bij dat besluit vastgestelde maatregelen, alsmede welke technische uitrusting en hoeveel grenswachters met welk profiel en hoeveel andere relevante personeelsleden benodigd zijn om de doelstellingen van dat besluit te verwezenlijken;

b)

stelt de uitvoerend directeur een operationeel plan op en dient hij dat bij de betrokken lidstaat in.

5.   De uitvoerend directeur en de betrokken lidstaat stellen het operationele plan binnen drie werkdagen na de datum van indiening vast.

6.   Voor de praktische uitvoering van de maatregelen vervat in het in lid 1 van dit artikel bedoelde besluit van de Raad zet het Agentschap onverwijld, doch uiterlijk binnen vijf dagen na de vaststelling van het operationele plan, het noodzakelijke personeel in uit de in artikel 20, lid 5, bedoelde snel inzetbare pool. Extra Europese grens- en kustwachtteams worden indien nodig ingezet in een tweede fase, uiterlijk zeven werkdagen na de inzet van de teams uit de snel inzetbare pool.

7.   Het Agentschap zet onverwijld, en in elk geval binnen 10 werkdagen na de vaststelling van het operationeel plan, de nodige technische uitrusting in voor de praktische uitvoering van de maatregelen vervat in het in lid 1 bedoelde besluit van de Raad.

Aanvullende technische uitrusting wordt, voor zover nodig, ingezet in een tweede fase, overeenkomstig artikel 39.

8.   De betrokken lidstaat leeft het in lid 1 bedoelde besluit van de Raad na. Met het oog daarop verleent hij onmiddellijk zijn medewerking aan het Agentschap en onderneemt hij de nodige actie ter vergemakkelijking van de uitvoering van dat besluit en de praktische uitvoering van de maatregelen die zijn vervat in dat besluit en het met de uitvoerend directeur overeengekomen operationele plan.

9.   De lidstaten stellen de grenswachters en andere relevante personeelsleden of personeelsleden die bij met terugkeer verband houdende taken zijn betrokken, ter beschikking die de uitvoerend directeur overeenkomstig lid 4 van dit artikel nodig acht. De lidstaten kunnen zich niet beroepen op een situatie als bedoeld in artikel 20, leden 3 en 8.

10.   Indien de betrokken lidstaat het in lid 1 bedoelde besluit van de Raad niet binnen 30 dagen naleeft en de medewerking met het Agentschap zoals voorzien in lid 8 van dit artikel, niet verleent, kan de Commissie de procedure van artikel 29 van Verordening (EU) 2016/399 inleiden.

Artikel 20

Samenstelling en inzet van Europese grens- en kustwachtteams

1.   Het Agentschap zet grenswachters en andere relevante personeelsleden in als leden van de Europese grens- en kustwachtteams voor gezamenlijke operaties, snelle grensinterventies en in het kader van de ondersteuningsteams voor migratiebeheer. Het Agentschap kan ook deskundigen uit zijn eigen personeelsbestand inzetten.

2.   Op basis van een voorstel van de uitvoerend directeur besluit de raad van bestuur bij absolute meerderheid van zijn stemgerechtigde leden over de profielen van en het totale aantal grenswachters en andere relevante personeelsleden dat aan de Europese grens- en kustwachtteams ter beschikking dient te worden gesteld. Dezelfde procedure geldt voor eventuele latere wijzigingen in de profielen en in de totale aantallen. De lidstaten dragen via een nationale pool die is opgebouwd op basis van de verschillende vastgestelde profielen bij aan de Europese grens- en kustwachtteams, door grenswachters en andere relevante personeelsleden aan te wijzen die beantwoorden aan de verlangde profielen.

3.   De bijdrage van de lidstaten betreffende het inzetten van hun grenswachters voor specifieke gezamenlijke operaties in het komende jaar wordt gepland op basis van jaarlijkse bilaterale onderhandelingen en overeenkomsten tussen het Agentschap en de lidstaten. Conform deze overeenkomsten stellen de lidstaten de grenswachters op verzoek van het Agentschap ter beschikking voor inzet, tenzij ze geconfronteerd worden met een uitzonderlijke situatie waardoor de uitvoering van nationale taken aanzienlijk in het gedrang komt. Een dergelijk verzoek wordt ten minste 21 werkdagen voor de gewenste inzet ingediend. Indien een lidstaat zich beroept op een dergelijke uitzonderlijke situatie, deelt hij het Agentschap de gedetailleerde redenen daarvoor alsmede informatie over de situatie mee in een schrijven, waarvan de inhoud wordt opgenomen in het verslag bedoeld in lid 12.

4.   Met betrekking tot snelle grensinterventies besluit de raad van bestuur op basis van een voorstel van de uitvoerend directeur met een meerderheid van driekwart van de stemmen over de profielen van en het minimumaantal aan grenswachters en andere relevante personeelsleden die aan die profielen beantwoorden en die aan de snel inzetbare pool van Europese grens- en kustwachtteams ter beschikking dienen te worden gesteld. Dezelfde procedure geldt voor eventuele navolgende wijzigingen in de profielen en in het totale aantal grenswachters en andere relevante personeelsleden van de snel inzetbare pool. De lidstaten dragen via een pool van nationale deskundigen opgebouwd op basis van de verschillende vastgestelde profielen bij tot de snel inzetbare pool, door grenswachters en andere relevante personeelsleden aan te wijzen die beantwoorden aan de verlangde profielen.

5.   De snel inzetbare pool is een permanent instrument dat rechtstreeks ter beschikking staat van het Agentschap en uit iedere lidstaat kan worden ingezet binnen vijf werkdagen nadat tussen de uitvoerend directeur en de ontvangende lidstaat overeenstemming is bereikt over het operationele plan. Te dien einde stelt iedere lidstaat jaarlijks aan het Agentschap een aantal grenswachters en andere relevante personeelsleden ter beschikking. Hun profielen zijn vastgelegd in het besluit van de raad van bestuur. Het totaal aantal personeelsleden dat wordt beschikbaar gesteld door de lidstaten bedraagt minstens 1 500 grenswachters en andere relevante personeelsleden. Het Agentschap kan nagaan of de door de lidstaten voorgestelde grenswachters beantwoorden aan de vastgestelde profielen. Het Agentschap kan een lidstaat verzoeken om een grenswachter uit de pool te verwijderen in geval van wangedrag of een inbreuk op de geldende voorschriften.

6.   Elke lidstaat is verantwoordelijk voor de bijdrage die hij overeenkomstig bijlage I moet leveren aan het in lid 5 bedoelde aantal grenswachters en andere relevante personeelsleden.

7.   De lidstaten stellen de grenswachters en/of andere relevante personeelsleden uit de snel inzetbare pool ter beschikking voor inzet op verzoek van het Agentschap. Wanneer uit een risicoanalyse en, indien beschikbaar, een kwetsbaarheidsbeoordeling blijkt dat een lidstaat geconfronteerd wordt met een situatie waardoor de uitvoering van nationale taken aanzienlijk in het gedrang komt, beloopt de bijdrage van de betrokken lidstaat aan de inzet van de snelle grensinterventie de helft van zijn bijdrage van de lidstaten die is vastgelegd in bijlage I. Een ontvangende lidstaat waarin een snelle grensinterventie plaatsvindt, zet geen personeelsleden in die deel uitmaken van zijn vaste bijdrage aan de snel inzetbare pool. Indien er een tekort is aan personeel voor de inzet van de snelle grensinterventie besluit de raad van bestuur op basis van een voorstel van de uitvoerend directeur hoe dat tekort moet worden aangevuld.

8.   Indien nodig wordt de inzet van Europese grens- en kustwachtteams uit de snel inzetbare pool onmiddellijk aangevuld met extra Europese grens- en kustwachtteams. Te dien einde delen de lidstaten op verzoek van het Agentschap onmiddellijk mee hoeveel grenswachters en andere relevante personeelsleden uit hun nationale pool zij binnen zeven werkdagen vanaf het begin van de snelle grensinterventie beschikbaar kunnen stellen, evenals hun namen en profielen. De lidstaten stellen de grenswachters en andere relevante personeelsleden ter beschikking voor inzet op verzoek van het Agentschap, tenzij ze geconfronteerd worden met een uitzonderlijke situatie waardoor de uitvoering van nationale taken aanzienlijk in het gedrang komt. Indien een lidstaat zich beroept op een dergelijke uitzonderlijke situatie, deelt hij het Agentschap de gedetailleerde redenen daarvoor alsmede informatie over de situatie mee in een schrijven, waarvan de inhoud wordt opgenomen in het verslag bedoeld in lid 12.

9.   Indien in een bepaalde situatie een groter aantal grenswachters nodig is dan in de leden 5 en 8 is voorzien, stelt de uitvoerend directeur het Europees Parlement, de Raad en de Commissie hiervan onverwijld in kennis. Tevens verzoekt hij de Raad de lidstaten ertoe te bewegen toezeggingen te doen om het tekort aan te vullen.

10.   De lidstaten zorgen ervoor dat de door hen ter beschikking gestelde grenswachters en andere relevante personeelsleden beantwoorden aan de door de raad van bestuur vastgestelde profielen en aantallen. De duur van de inzet wordt vastgesteld door de lidstaat van herkomst, maar is in ieder geval niet korter dan 30 dagen tenzij de operatie waarvan de inzet deel uitmaakt, minder dan 30 dagen duurt.

11.   Het Agentschap draagt bij tot de Europese grens- en kustwachtteams met bekwame grenswachters en andere relevante personeelsleden die door de lidstaten als nationale deskundigen bij het Agentschap zijn gedetacheerd. De bijdrage die de lidstaten het volgende jaar leveren via detachering van hun grenswachters en andere relevante personeelsleden bij het Agentschap, wordt bepaald op basis van jaarlijkse bilaterale onderhandelingen en overeenkomsten tussen het Agentschap en de lidstaten. Conform deze overeenkomsten stellen de lidstaten de grenswachters en andere relevante personeelsleden ter beschikking voor detachering, tenzij hierdoor de uitvoering van nationale taken aanzienlijk in het gedrang zou komen. In dergelijke situaties kunnen de lidstaten hun gedetacheerde grenswachters en andere relevante personeelsleden terugroepen.

Detacheringen kunnen plaatsvinden voor een periode van twaalf maanden of langer, maar duren ten minste drie maanden. De gedetacheerde grenswachters en andere relevante personeelsleden worden als teamleden beschouwd en hebben de taken en bevoegdheden van teamleden. De lidstaat die die grenswachters of andere relevante personeelsleden heeft gedetacheerd wordt als hun lidstaat van herkomst beschouwd.

Andere, op tijdelijke basis aangeworven, personeelsleden van het Agentschap, die niet gekwalificeerd zijn om taken van grenstoezicht te verrichten, worden bij gezamenlijke operaties enkel ingezet voor coördinatietaken en andere taken waarvoor geen volledige opleiding tot grenswachter nodig is. Zij maken geen deel uit van de Europese grens- en kustwachtteams.

12.   Het Agentschap deelt elk jaar aan het Europees Parlement mee hoeveel grenswachters elke lidstaat overeenkomstig dit artikel voor de Europese grens- en kustwachtteams beschikbaar heeft gesteld en hoeveel grenswachters er daadwerkelijk zijn ingezet. In dit verslag wordt vermeld welke lidstaten zich in het voorgaande jaar hebben beroepen op de uitzonderlijke situatie bedoeld in de leden 3 en 8 en welke redenen en informatie zij in dit kader hebben verstrekt.

Artikel 21

Instructies aan de Europese grens- en kustwachtteams

1.   Tijdens de inzet van Europese grens- en kustwachtteams geeft de ontvangende lidstaat overeenkomstig het operationele plan instructies aan de teams.

2.   Via zijn coördinerend functionaris kan het Agentschap de ontvangende lidstaat zijn mening over de aan de Europese grens- en kustwachtteams gegeven instructies verschaffen. De ontvangende lidstaat houdt rekening met deze mening en geeft er voor zover mogelijk gevolg aan.

3.   Wanneer de aan de Europese grens- en kustwachtteams verstrekte instructies niet in overeenstemming zijn met het operationele plan, meldt de coördinerend functionaris dit onmiddellijk aan de uitvoerend directeur, die — indien van toepassing — overeenkomstig artikel 25, lid 3, maatregelen kan nemen.

4.   De teamleden eerbiedigen bij het verrichten van hun taken en het uitoefenen van hun bevoegdheden ten volle de grondrechten, waaronder de toegang tot asielprocedures, en de menselijke waardigheid. De maatregelen die zij nemen bij het verrichten van hun taken en het uitoefenen van hun bevoegdheden staan in verhouding tot het doel van die maatregelen. Bij het verrichten van hun taken en het uitoefenen van hun bevoegdheden mogen zij niet discrimineren op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid.

5.   De teamleden blijven onderworpen aan de disciplinaire maatregelen van hun lidstaat van herkomst. De lidstaat van herkomst voorziet in de nodige disciplinaire of andere maatregelen in situaties overeenkomstig zijn nationale recht inzake tijdens een gezamenlijke operatie of een snelle grensinterventie gedane schendingen van grondrechten of verplichtingen op het gebied van internationale bescherming.

Artikel 22

Coördinerend functionaris

1.   Het Agentschap zorgt voor de operationele uitvoering van alle organisatorische aspecten van de gezamenlijke operaties, proefprojecten of snelle grensinterventies, waaronder de aanwezigheid van personeelsleden van het Agentschap.

2.   De uitvoerend directeur wijst uit het personeel van het Agentschap een of meer deskundigen aan die als coördinerend functionaris worden ingezet bij elke gezamenlijke operatie of snelle grensinterventie. De uitvoerend directeur deelt de ontvangende lidstaat mee wie is aangewezen.

3.   De coördinerend functionaris treedt namens het Agentschap op inzake alle aspecten van de inzet van de Europese grens- en kustwachtteams. De coördinerende functionarissen bevorderen de samenwerking en de coördinatie tussen de ontvangende en de deelnemende lidstaten. De coördinerend functionaris heeft met name tot taak:

a)

op te treden als contactpersoon tussen het Agentschap, de ontvangende lidstaat en de leden van de Europese grens- en kustwachtteams, en hun namens het Agentschap bijstand te verlenen bij alle kwesties in verband met de omstandigheden van hun inzet in de teams;

b)

toe te zien op de correcte uitvoering van het operationele plan, waaronder met betrekking tot de bescherming van de grondrechten, en daarover aan het Agentschap verslag uit te brengen;

c)

namens het Agentschap op te treden inzake alle aspecten van de inzet van de Europese grens- en kustwachtteams en aan het Agentschap verslag uit te brengen over al deze aspecten;

d)

aan de uitvoerend directeur melding te doen wanneer de instructies van de ontvangende lidstaat aan de Europese grens- en kustwachtteams niet in overeenstemming zijn met het operationele plan.

4.   In het kader van gezamenlijke operaties of snelle grensinterventies mag de uitvoerend directeur de coördinerend functionaris toestaan hulp te bieden bij het oplossen van onenigheid over de uitvoering van het operationele plan en de inzet van de teams.

Artikel 23

Nationaal contactpunt

De lidstaten wijzen een nationaal contactpunt aan dat is belast met de communicatie met het Agentschap over alle aangelegenheden die de activiteiten van het Agentschap betreffen. Het nationaal contactpunt is te allen tijde bereikbaar.

Artikel 24

Kosten

1.   Het Agentschap draagt het volledige bedrag van de volgende kosten die door de lidstaten worden gemaakt om hun grenswachters en andere relevante personeelsleden ter beschikking te stellen voor de inzet van Europese grens- en kustwachtteams, de snel inzetbare pool inbegrepen:

a)

kosten om van de lidstaat van herkomst naar de ontvangende lidstaat en van de ontvangende lidstaat naar de lidstaat van herkomst te reizen;

b)

vaccinatiekosten;

c)

kosten voor bijzondere verzekeringen;

d)

kosten voor gezondheidszorg;

e)

dagvergoedingen, inclusief verblijfskostenvergoedingen;

f)

kosten in verband met de technische uitrusting van het Agentschap.

2.   De gedetailleerde voorschriften voor de betaling van de dagvergoeding van de leden van de Europese grens- en kustwachtteams worden vastgesteld en indien nodig bijgewerkt door de raad van bestuur.

Artikel 25

Opschorting of beëindiging van activiteiten

1.   De uitvoerend directeur beëindigt activiteiten van het Agentschap wanneer niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden voor het uitvoeren van deze activiteiten. Voorafgaand aan die beëindiging stelt de uitvoerend directeur de betrokken lidstaat op de hoogte.

2.   De lidstaten die deelnemen aan een gezamenlijke operatie, een snelle grensinterventie of de inzet van een ondersteuningsteam voor migratiebeheer, kunnen de uitvoerend directeur verzoeken die gezamenlijke operatie of snelle grensinterventie of de inzet van dat ondersteuningsteam voor migratiebeheer te beëindigen.

3.   De uitvoerend directeur kan, na de betrokken lidstaat op de hoogte te hebben gesteld, de financiering van een activiteit intrekken of de activiteit opschorten of beëindigen als de ontvangende lidstaat het operationele plan niet eerbiedigt.

4.   De uitvoerend directeur trekt, na raadpleging van de grondrechtenfunctionaris en na de betrokken lidstaat op de hoogte te hebben gesteld, de financiering van een gezamenlijke operatie, snelle grensinterventie, proefproject, inzet van een ondersteuningsteam voor migratiebeheer, terugkeeroperatie, terugkeerinterventie of werkafspraak in, of neemt een beslissing tot gehele of gedeeltelijke opschorting of beëindiging van dergelijke activiteiten, wanneer hij van oordeel is dat er sprake is van schendingen van de grondrechten of de internationale verplichtingen op het gebied van bescherming die ernstig zijn of waarschijnlijk zullen voortduren. De uitvoerend directeur stelt de raad van bestuur in kennis van een dergelijke beslissing.

5.   Indien de uitvoerend directeur beslist tot opschorting of beëindiging van de inzet, door het Agentschap, van een ondersteuningsteam voor migratiebeheer, deelt hij die beslissing mede aan de andere relevante agentschappen die actief zijn in dat hotspotgebied.

Artikel 26

Evaluatie van activiteiten

De uitvoerend directeur evalueert de resultaten van de gezamenlijke operaties en snelle grensinterventies, proefprojecten, de inzet van ondersteuningsteams voor migratiebeheer, en operationele samenwerking met derde landen. Hij geeft de gedetailleerde evaluatieverslagen binnen 60 dagen na het einde van deze activiteiten door aan de raad van bestuur, vergezeld van de opmerkingen van de grondrechtenfunctionaris. De uitvoerend directeur maakt een volledige vergelijkende analyse van deze resultaten met het oog op de verbetering van de kwaliteit, samenhang en doeltreffendheid van toekomstige activiteiten, en neemt deze analyse op in het jaarlijks activiteitenverslag van het Agentschap.

Afdeling 4

Terugkeer

Artikel 27

Terugkeer

1.   Wat de terugkeer betreft heeft het Agentschap, met inachtneming van de grondrechten en de algemene beginselen van het recht van de Unie en het internationaal recht, waaronder de verplichtingen inzake de bescherming van vluchtelingen en kinderrechten, met name tot taak:

a)

op technisch en operationeel niveau de met terugkeer verband houdende activiteiten van de lidstaten, waaronder vrijwillig vertrek, te coördineren, om tot een geïntegreerd systeem voor het beheer van terugkeer te komen tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, in samenwerking met relevante autoriteiten van derde landen en andere relevante belanghebbenden;

b)

technische en operationele bijstand te verlenen aan lidstaten waarvan de terugkeersystemen voor bijzondere uitdagingen staan;

c)

het gebruik van relevante IT-systemen te coördineren en bijstand aan de lidstaten te verlenen inzake consulaire samenwerking voor het identificeren van onderdanen van derde landen en het verkrijgen van reisdocumenten, zonder informatie bekend te maken over het feit dat er een verzoek om internationale bescherming is gedaan; terugkeeroperaties te organiseren en te coördineren en ondersteuning te bieden voor vrijwillig vertrek in samenwerking met de lidstaten;

d)

activiteiten te organiseren, te bevorderen en te coördineren die de uitwisseling van informatie en de inventarisering en bundeling van beste praktijken inzake terugkeer tussen de lidstaten mogelijk maken;

e)

de in dit hoofdstuk bedoelde operaties, interventies en activiteiten uit zijn begroting te financieren of medefinancieren volgens de voor het Agentschap geldende financiële regeling.

2.   De in lid 1, onder b), bedoelde technische en operationele bijstand omvat activiteiten om de lidstaten te helpen via de bevoegde nationale autoriteiten terugkeerprocedures uit te voeren, met name:

a)

tolkdiensten;

b)

praktische informatie over derde landen van terugkeer die relevant is voor de uitvoering van deze verordening, zo nodig in samenwerking met andere organen en instanties van de Unie, met inbegrip van het EASO;

c)

advies over de uitvoering en het beheer van terugkeerprocedures overeenkomstig Richtlijn 2008/115/EG;

d)

advies en bijstand, overeenkomstig Richtlijn 2008/115/EG en het internationaal recht, met betrekking tot maatregelen die nodig zijn om te garanderen dat terugkeerders beschikbaar zijn voor terugkeer en om te vermijden dat terugkeerders onderduiken.

3.   Het Agentschap tracht synergieën tot stand te brengen en door de Unie gefinancierde netwerken en programma's op het gebied van terugkeer aan elkaar te koppelen, in nauwe samenwerking met de Commissie en met ondersteuning van relevante belanghebbenden, waaronder het Europees Migratienetwerk.

4.   Het Agentschap kan de financiële middelen van de Unie gebruiken die voor terugkeeractiviteiten beschikbaar zijn. Het Agentschap zorgt ervoor dat bij subsidieovereenkomsten met de lidstaten de onverkorte inachtneming van het Handvest als voorwaarde geldt voor financiële steun.

Artikel 28

Terugkeeroperaties

1.   Zonder terugkeerbesluiten inhoudelijk te beoordelen verleent het Agentschap overeenkomstig Richtlijn 2008/115/EG de nodige bijstand en zorgt het op verzoek van een of meer deelnemende lidstaten voor de coördinatie of de organisatie van terugkeeroperaties, onder meer door voor dergelijke operaties vliegtuigen te charteren. Het agentschap mag op eigen initiatief de lidstaten voorstellen de terugkeeroperaties te coördineren of te organiseren.

2.   De lidstaten stellen het Agentschap elke maand op de hoogte van hun indicatieve planning van het aantal terugkeerders en van de derde landen van terugkeer, zowel ten aanzien van relevante nationale terugkeeroperaties, als van de bijstand of coördinatie die zij nodig hebben van het Agentschap. Het Agentschap stelt een voortschrijdend operationeel plan op om de lidstaten die daarom verzoeken de nodige operationele versterking te bieden, waaronder door technische uitrusting. Het Agentschap kan op eigen initiatief of op verzoek van een lidstaat in het voortschrijdend operationeel plan de data en bestemmingen opnemen van terugkeeroperaties die het op basis van een behoefteanalyse nodig acht. De raad van bestuur beslist op basis van een voorstel van de uitvoerend directeur over de modus operandi van het voortschrijdend operationeel plan.

3.   Het Agentschap kan de noodzakelijke bijstand verlenen en kan ofwel op verzoek van de deelnemende lidstaten of op grond van een eigen voorstel zorgen voor de coördinatie of de organisatie van terugkeeroperaties waarvoor de vervoermiddelen en de begeleiders voor gedwongen terugkeer ter beschikking worden gesteld door een derde land van terugkeer („terugkeeroperaties waarbij personen worden opgehaald”). De deelnemende lidstaten en het Agentschap zorgen ervoor dat de eerbiediging van de grondrechten, het beginsel van non-refoulement en het evenredige gebruik van dwangmaatregelen gedurende de volledige terugkeeroperatie zijn gegarandeerd. Ten minste een vertegenwoordiger van een lidstaat en een toezichthouder voor gedwongen terugkeer van de bij artikel 28 ingestelde pool of van het nationale toezichtsysteem van de deelnemende lidstaat zijn aanwezig gedurende de volledige terugkeeroperatie tot aankomst in het derde land van terugkeer.

4.   De uitvoerend directeur stelt onverwijld een terugkeerplan op voor de terugkeeroperaties waarbij personen worden opgehaald. De uitvoerend directeur en elke deelnemende lidstaat bereiken overeenstemming over het plan waarin de organisatorische en procedurele aspecten van de terugkeeroperatie waarbij personen worden opgehaald, zijn opgenomen, rekening houdend met de gevolgen voor de grondrechten en de risico's van dergelijke operaties. Voor wijzigingen of aanpassingen van dit plan is de instemming van de in lid 3 en dit lid bedoelde partijen vereist.

5.   Het terugkeerplan van de terugkeeroperaties waarbij personen worden opgehaald, is bindend voor het Agentschap en elke deelnemende lidstaat. Het bestrijkt alle aspecten van het uitvoeren van de terugkeeroperatie waarbij personen worden opgehaald.

6.   Op iedere terugkeeroperatie wordt toezicht uitgeoefend overeenkomstig artikel 8, lid 6, van Richtlijn 2008/115/EG. Het toezicht op gedwongen terugkeeroperaties wordt verricht door de toezichthouder voor gedwongen terugkeer op basis van objectieve en transparante criteria en bestrijkt de hele terugkeeroperatie, van de fase voorafgaand aan het vertrek tot en met de overdracht van de terugkeerders in het derde land van terugkeer. De toezichthouder voor gedwongen terugkeer legt een verslag over elke gedwongen terugkeeroperatie over aan de uitvoerend directeur, de grondrechtenfunctionaris en de bevoegde nationale autoriteiten van alle lidstaten die bij de desbetreffende operatie zijn betrokken. Indien noodzakelijk wordt passende follow-up verricht door de uitvoerend directeur respectievelijk de bevoegde nationale autoriteiten.

7.   Indien het Agentschap zich zorgen maakt over de eerbiediging van de grondrechten bij een terugkeeroperatie, deelt het deze bezorgdheid mee aan de deelnemende lidstaten en de Commissie.

8.   De uitvoerend directeur evalueert de resultaten van de terugkeeroperaties. Hij verstrekt de raad van bestuur om de zes maanden een gedetailleerd evaluatieverslag over alle terugkeeroperaties die tijdens het voorgaande semester zijn uitgevoerd, vergezeld van de opmerkingen van de grondrechtenfunctionaris. De uitvoerend directeur maakt een volledige vergelijkende analyse van deze resultaten met het oog op de verbetering van de kwaliteit, samenhang en doeltreffendheid van toekomstige terugkeeroperaties. De uitvoerend directeur neemt deze analyse op in het jaarlijks activiteitenverslag van het Agentschap.

9.   Het Agentschap financiert of medefinanciert terugkeeroperaties uit zijn begroting, volgens de voor het Agentschap geldende financiële regeling, en geeft daarbij prioriteit aan terugkeeroperaties die door meer dan één lidstaat of vanuit hotspotgebieden worden uitgevoerd.

Artikel 29

Pool van toezichthouders voor gedwongen terugkeer

1.   Het Agentschap stelt, na raadpleging van de grondrechtenfunctionaris, uit de bevoegde organen een pool samen van toezichthouders voor gedwongen terugkeer die overeenkomstig artikel 8, lid 6, van Richtlijn 2008/115/EG toezicht op de gedwongen terugkeer uitoefenen en overeenkomstig artikel 36 van deze verordening zijn opgeleid.

2.   De raad van bestuur bepaalt op voorstel van de uitvoerend directeur het profiel van en het aantal toezichthouders voor gedwongen terugkeer dat aan deze pool ter beschikking moeten worden gesteld. Dezelfde procedure geldt voor eventuele latere wijzigingen in hun profiel en totale aantallen. De lidstaten zijn ervoor verantwoordelijk tot deze pool bij te dragen door toezichthouders voor gedwongen terugkeer aan te stellen die aan het vastgestelde profiel beantwoorden. In de pool worden toezichthouders voor gedwongen terugkeer met specifieke expertise op het gebied van kinderbescherming opgenomen.

3.   De bijdrage van de lidstaten wat betreft toezichthouders voor gedwongen terugkeer voor terugkeeroperaties en -interventies voor het komende jaar wordt gepland op basis van jaarlijkse bilaterale onderhandelingen en overeenkomsten tussen het Agentschap en de lidstaten. Conform deze overeenkomsten stellen de lidstaten op verzoek van het Agentschap de toezichthouders voor gedwongen terugkeer ter beschikking voor inzet, tenzij zij geconfronteerd worden met een uitzonderlijke situatie waardoor de uitvoering van nationale taken aanzienlijk in het gedrang komt. Een dergelijk verzoek wordt ten minste 21 werkdagen voor de voorgenomen inzet ingediend, of vijf werkdagen als er sprake is van een snelle terugkeerinterventie.

4.   Het Agentschap stelt de toezichthouders voor gedwongen terugkeer op verzoek ter beschikking aan deelnemende lidstaten om namens deze lidstaten de correcte uitvoering van de gehele terugkeeroperatie en terugkeerinterventies tijdens de duur ervan te monitoren. Het stelt toezichthouders voor gedwongen terugkeer met specifieke expertise op het gebied van kinderbescherming beschikbaar voor alle terugkeeroperaties waar kinderen bij zijn betrokken.

5.   De toezichthouders voor gedwongen terugkeer blijven gedurende een terugkeeroperatie of een terugkeerinterventie onderworpen aan de disciplinaire maatregelen van hun lidstaat van herkomst.

Artikel 30

Pool van begeleiders voor gedwongen terugkeer

1.   Het Agentschap stelt uit de nationale bevoegde organen een pool samen van begeleiders voor gedwongen terugkeer die overeenkomstig artikel 8, leden 4 en 5, van Richtlijn 2008/115/EG terugkeeroperaties uitvoeren en overeenkomstig artikel 36 van deze verordening zijn opgeleid.

2.   De raad van bestuur bepaalt op voorstel van de uitvoerend directeur het profiel van en het aantal begeleiders voor gedwongen terugkeer dat aan deze pool ter beschikking moeten worden gesteld. Dezelfde procedure geldt voor eventuele latere wijzigingen in hun profiel en totale aantal. De lidstaten dragen bij tot deze pool door begeleiders voor gedwongen terugkeer aan te stellen die aan het vastgestelde profiel beantwoorden. In de pool worden begeleiders voor gedwongen terugkeer met specifieke expertise op het gebied van kinderbescherming opgenomen.

3.   De bijdrage van de lidstaten betreffende begeleiders voor gedwongen terugkeer voor terugkeeroperaties en -interventies voor het komende jaar wordt gepland op basis van jaarlijkse bilaterale onderhandelingen en overeenkomsten tussen het Agentschap en de lidstaten. Conform deze overeenkomsten stellen de lidstaten op verzoek van het Agentschap de begeleiders voor gedwongen terugkeer ter beschikking voor inzet, tenzij zij geconfronteerd worden met een uitzonderlijke situatie waardoor de uitvoering van nationale taken aanzienlijk in het gedrang komt. Een dergelijk verzoek wordt ten minste 21 werkdagen voor de voorgenomen inzet ingediend, of vijf werkdagen als er sprake is van een snelle terugkeerinterventie.

4.   Het Agentschap stelt de begeleiders voor gedwongen terugkeer op verzoek ter beschikking aan deelnemende lidstaten om namens deze lidstaten terugkeerders te begeleiden en deel te nemen aan terugkeeroperaties en -interventies. Het stelt begeleiders voor gedwongen terugkeer met specifieke expertise op het gebied van kinderbescherming beschikbaar voor alle terugkeeroperaties waar kinderen bij zijn betrokken.

5.   De begeleiders voor gedwongen terugkeer blijven gedurende een terugkeeroperatie of een terugkeerinterventie onderworpen aan de disciplinaire maatregelen van hun lidstaat van herkomst.

Artikel 31

Pool van terugkeerspecialisten

1.   Het Agentschap stelt uit de nationale bevoegde organen en het personeel van het Agentschap een pool samen van terugkeerspecialisten die beschikken over de vaardigheden en kennis die nodig zijn voor het uitvoeren van met terugkeer verband houdende activiteiten en overeenkomstig artikel 36 zijn opgeleid. Deze specialisten worden ter beschikking gesteld voor de uitvoering van specifieke taken zoals de identificatie van bepaalde groepen onderdanen van derde landen, het verkrijgen van reisdocumenten van derde landen en het faciliteren van consulaire samenwerking.

2.   De raad van bestuur bepaalt, op voorstel van de uitvoerend directeur, het profiel van en het aantal terugkeerspecialisten dat aan deze pool ter beschikking moet worden gesteld. Dezelfde procedure geldt voor eventuele latere wijzigingen in hun profiel en totale aantallen. De lidstaten dragen bij tot deze pool door de specialisten aan te stellen die aan het vastgestelde profiel beantwoorden. In de pool worden terugkeerspecialisten met specifieke expertise op het gebied van kinderbescherming opgenomen.

3.   De bijdrage van de lidstaten betreffende terugkeerspecialisten voor terugkeeroperaties en -interventies voor het komende jaar worden gepland op basis van jaarlijkse bilaterale onderhandelingen en overeenkomsten tussen het Agentschap en de lidstaten. Conform deze overeenkomsten stellen de lidstaten de terugkeerspecialisten voor inzet ter beschikking op verzoek van het Agentschap, tenzij zij geconfronteerd worden met een uitzonderlijke situatie waardoor de uitvoering van nationale taken aanzienlijk in het gedrang komt. Een dergelijk verzoek wordt ten minste 21 werkdagen voor de voorgenomen inzet ingediend, of vijf werkdagen als er sprake is van een snelle terugkeerinterventie.

4.   Het Agentschap stelt de terugkeerspecialisten op verzoek ter beschikking van aan terugkeeroperaties deelnemende lidstaten om mee te werken aan terugkeerinterventies. Het stelt terugkeerspecialisten met specifieke expertise op het gebied van kinderbescherming beschikbaar voor alle terugkeeroperaties waar kinderen bij zijn betrokken.

5.   De terugkeerspecialisten blijven gedurende een terugkeeroperatie of een terugkeerinterventie onderworpen aan de disciplinaire maatregelen van het Agentschap of van hun lidstaat van herkomst.

Artikel 32

Europese terugkeerinterventieteams

1.   Het Agentschap stelt uit de in de artikelen 29, 30 en 31 beschreven pools op maat gemaakte Europese terugkeerinterventieteams samen, die tijdens terugkeerinterventies worden ingezet.

2.   De artikelen 21, 22 en 24 zijn van overeenkomstige toepassing op de Europese terugkeerinterventieteams.

Artikel 33

Terugkeerinterventies

1.   Wanneer een lidstaat met druk wordt geconfronteerd bij de uitvoering van de verplichting om onderdanen van derde landen voor wie een door een lidstaat uitgevaardigd terugkeerbesluit geldt te doen terugkeren, levert het Agentschap op verzoek van die lidstaat passende technische en operationele bijstand in de vorm van een terugkeerinterventie. Deze interventie kan bestaan uit de inzet van Europese terugkeerinterventieteams in de ontvangende lidstaat en de organisatie van terugkeeroperaties uit de ontvangende lidstaat.

2.   Wanneer een lidstaat met specifieke en onevenredig grote uitdagingen wordt geconfronteerd bij de uitvoering van zijn verplichting om onderdanen van derde landen voor wie een door een lidstaat uitgevaardigd terugkeerbesluit geldt te doen terugkeren, levert het Agentschap op verzoek van die lidstaat passende technische en operationele bijstand in de vorm van een snelle terugkeerinterventie. Het Agentschap kan op eigen initiatief voorstellen die lidstaat dergelijke technische en operationele bijstand te bieden. Een snelle terugkeerinterventie kan bestaan uit de snelle inzet van Europese terugkeerinterventieteams in de ontvangende lidstaat en de organisatie van terugkeeroperaties uit de ontvangende lidstaat.

3.   De uitvoerend directeur stelt, in het kader van een terugkeerinterventie, in onderling akkoord met de ontvangende lidstaat en de deelnemende lidstaten onverwijld een operationeel plan op. De desbetreffende bepalingen van artikel 16 zijn van toepassing.

4.   De uitvoerend directeur neemt zo snel mogelijk een besluit over het operationele plan, en in het in lid 2 bedoelde geval binnen vijf werkdagen. Het besluit wordt onmiddellijk schriftelijk ter kennis gebracht van de betrokken lidstaten en de raad van bestuur.

5.   Het Agentschap financiert of medefinanciert terugkeerinterventies uit zijn begroting overeenkomstig de voor het Agentschap geldende financiële regeling.

HOOFDSTUK III

Algemene bepalingen

Afdeling 1

Algemene regels

Artikel 34

Bescherming van de grondrechten en een grondrechtenstrategie

1.   De Europese grens- en kustwacht waarborgt bij het uitoefenen van zijn taken op grond van deze verordening overeenkomstig het relevante recht van de Unie de bescherming van de grondrechten, met name het Handvest, het relevante internationale recht, waaronder het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van 1951, het protocol van 1967 bij dit Verdrag, en de verplichtingen inzake de toegang tot internationale bescherming, in het bijzonder het beginsel van non-refoulement.

Daartoe stelt het Agentschap een grondrechtenstrategie op, die het nader uitwerkt en toepast, waaronder een doeltreffend mechanisme om erop toe te zien dat bij alle activiteiten van het Agentschap de grondrechten worden geëerbiedigd.

2.   De Europese grens- en kustwacht waarborgt bij het uitoefenen van zijn taken dat personen niet ontscheept worden in, gedwongen worden binnen te reizen in, worden geleid naar of op een andere wijze worden overgedragen aan of teruggeleid naar de autoriteiten van een land in strijd met het beginsel van non-refoulement of waar zij het risico lopen op uitzetting of terugkeer naar een ander land in strijd met genoemd beginsel.

3.   De Europese grens- en kustwacht houdt bij het uitoefenen van zijn taken rekening met de bijzondere behoeften van kinderen, niet-begeleide minderjarigen, personen met een handicap, slachtoffers van mensenhandel, personen die medische bijstand behoeven, personen die internationale bescherming behoeven, personen die op zee in nood verkeren en andere personen in een bijzonder kwetsbare situatie.

De Europese grens- en kustwacht besteedt bij al zijn activiteiten bijzondere aandacht aan de kinderrechten en garandeert dat de belangen van kinderen worden geëerbiedigd.

4.   Het Agentschap houdt in het kader van de uitoefening van zijn taken bij zijn betrekkingen met lidstaten en zijn samenwerking met derde landen rekening met de verslagen van het in artikel 70 bedoelde adviesforum („het adviesforum”) en de grondrechtenfunctionaris.

Artikel 35

Gedragscodes

1.   Het Agentschap stelt in samenwerking met het adviesforum een gedragscode op die van toepassing is op alle door het Agentschap gecoördineerde grenstoezichtoperaties en op alle personen die deelnemen aan de werkzaamheden van het Agentschap, en ontwikkelt deze code verder. In de gedragscode worden procedures vastgelegd ter waarborging van de beginselen van de rechtstaat en eerbiediging van de grondrechten, met bijzondere nadruk op kwetsbare personen, waaronder kinderen, niet-begeleide minderjarigen en andere personen in een kwetsbare situatie en op personen die verzoeken om internationale bescherming.

2.   Het Agentschap stelt in samenwerking met het adviesforum een gedragscode op voor de terugkeer van terugkeerders, die geldt tijdens alle door het Agentschap gecoördineerde of georganiseerde terugkeeroperaties en terugkeerinterventies, en ontwikkelt deze code verder. In de gedragscode worden gemeenschappelijke gestandaardiseerde procedures beschreven die de organisatie van terugkeeroperaties en terugkeerinterventies moeten vereenvoudigen en moeten waarborgen dat de terugkeer op humane wijze en met onverkorte inachtneming van de grondrechten verloopt, meer bepaald van de beginselen van de menselijke waardigheid, het verbod op foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, het recht op vrijheid en veiligheid, het recht op bescherming van persoonsgegevens en het non-discriminatiebeginsel.

3.   In de gedragscode voor terugkeer wordt met name aandacht besteed aan de in artikel 8, lid 6, van Richtlijn 2008/115/EG vervatte verplichting om een doeltreffend systeem op te zetten voor het toezicht op gedwongen terugkeer en aan de grondrechtenstrategie.

Artikel 36

Opleiding

1.   Het Agentschap ontwikkelt in samenwerking met de passende opleidingsinstanties van de lidstaten en, wanneer gepast, het EASO en het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten specifieke opleidingsinstrumenten, waaronder specifieke opleidingen met betrekking tot de bescherming van kinderen en andere personen in een kwetsbare situatie. Het verstrekt grenswachters en andere relevante personeelsleden die lid zijn van de Europese grens- en kustwachtteams vervolgopleiding die relevant is voor hun taken en bevoegdheden. Deskundigen die behoren tot het personeel van het Agentschap houden regelmatig oefeningen met deze grenswachters volgens de in het jaarlijkse werkprogramma van het Agentschap bedoelde planning voor vervolgopleiding en oefening.

2.   Het Agentschap neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat alle grenswachters en andere relevante personeelsleden van de lidstaten die deelnemen aan de Europese grens- en kustwachtteams, evenals de personeelsleden van het Agentschap, voordat zij deelnemen aan de door het Agentschap georganiseerde operationele activiteiten, opleiding hebben ontvangen betreffende het recht van de Unie en het internationale recht ter zake, waaronder de grondrechten, toegang tot internationale bescherming en, wanneer gepast, opsporing en redding.

3.   Het Agentschap financiert 100 % van de opleiding voor grenswachters die deel uitmaken van de in artikel 20, lid 5, bedoelde snel inzetbare pool, voor hun deelname aan deze pool.

4.   Het Agentschap neemt de nodige initiatieven om te zorgen voor opleiding van het personeel dat betrokken is bij met terugkeer verband houdende taken en wordt ingedeeld in de in de artikelen 29, 30 en 31 bedoelde pools. Het Agentschap zorgt ervoor dat zijn personeel en al het personeel dat deelneemt aan terugkeeroperaties en terugkeerinterventies, voordat het deelneemt aan door het Agentschap georganiseerde operationele activiteiten, opleiding heeft ontvangen betreffende het recht van de Unie en het internationale recht ter zake, waaronder de grondrechten en toegang tot internationale bescherming.

5.   Het Agentschap stelt een gemeenschappelijke basisinhoud voor de opleiding van grenswachters vast, ontwikkelt deze verder en verstrekt opleiding op Europees niveau voor opleiders van de nationale grenswachters van de lidstaten, onder meer inzake de grondrechten, de toegang tot internationale bescherming en het relevante zeerecht. De gemeenschappelijke basisinhoud beoogt de hoogste normen en optimale werkwijzen bij de tenuitvoerlegging van de Uniewetgeving op het gebied van grensbeheer te bevorderen. Het Agentschap stelt de gemeenschappelijke basisinhoud op na raadpleging van het adviesforum en de grondrechtenfunctionaris. De lidstaten nemen de gemeenschappelijke basisinhoud op in de opleiding die zij verstrekken aan hun nationale grenswachters en personeelsleden die betrokken zijn bij met terugkeer verband houdende taken.

6.   Het Agentschap biedt voor personeelsleden van de bevoegde nationale diensten van de lidstaten en, indien van toepassing, van derde landen ook aanvullende cursussen en studiebijeenkomsten aan over onderwerpen in verband met het toezicht aan de buitengrenzen en de terugkeer van onderdanen van derde landen.

7.   Het Agentschap kan in samenwerking met de lidstaten en derde landen opleidingsactiviteiten organiseren op hun grondgebied.

8.   Het Agentschap stelt een uitwisselingsprogramma op dat de grenswachters die deelnemen aan de Europese grens- en kustwachtteams en het personeel dat deelneemt aan de Europese terugkeerinterventieteams de mogelijkheid biedt door samenwerking met grenswachters en met personeel dat in een andere lidstaat betrokken is bij met terugkeer verband houdende taken, kennis of specifieke deskundigheid te verwerven op basis van ervaringen en goede werkmethoden in een andere lidstaat.

Artikel 37

Onderzoek en innovatie

1.   Het Agentschap ziet proactief toe op en draagt bij tot onderzoeks- en innovatieactiviteiten die relevant zijn voor het Europees geïntegreerd grensbeheer, onder meer met betrekking tot het gebruik van geavanceerde grensbewakingstechnologie. Het Agentschap deelt de resultaten van dat onderzoek overeenkomstig artikel 50 mee aan het Europees Parlement, de lidstaten en de Commissie. Het kan deze resultaten zo nodig gebruiken in gezamenlijke operaties, snelle grensinterventies, terugkeeroperaties en terugkeerinterventies.

2.   Het Agentschap helpt de lidstaten en de Commissie bij het identificeren van belangrijke onderzoeksthema's. Het Agentschap helpt de lidstaten en de Commissie bij het opstellen en het uitvoeren van de relevante kaderprogramma's van de Unie voor onderzoeks- en innovatieactiviteiten.

3.   Het Agentschap voert de delen van het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie uit die verband houden met grensbeveiliging. Daartoe heeft het Agentschap, voor zover de Commissie daartoe het Agentschap de nodige bevoegdheden heeft overgedragen, de volgende taken:

a)

het beheer van een aantal stadia van de uitvoering van het programma en een aantal fasen in de cyclus van specifieke projecten op basis van de door de Commissie vastgestelde relevante werkprogramma's;

b)

het vaststellen van de instrumenten tot uitvoering van de begroting, zowel aan de ontvangsten- als aan de uitgavenzijde, en het uitvoeren van alle activiteiten die noodzakelijk zijn voor het beheer van het programma;

c)

het verlenen van steun bij de uitvoering van het programma.

4.   Het Agentschap kan proefprojecten plannen en uitvoeren op terreinen die onder de verordening vallen.

Artikel 38

Aanschaf of leasing van technische uitrusting

1.   Het Agentschap kan, zelf of in mede-eigendom met een lidstaat, voor gezamenlijke operaties, proefprojecten, snelle grensinterventies, terugkeeroperaties, terugkeerinterventies, inzet van ondersteuningsteams voor migratiebeheer of projecten voor technische bijstand technische uitrusting aanschaffen of leasen overeenkomstig de voor het Agentschap geldende financiële regeling.

2.   Het Agentschap kan bij besluit van de uitvoerend directeur in overleg met de raad van bestuur technische uitrusting aanschaffen. Aan elke aanschaf of leasing van uitrusting die aanzienlijke kosten meebrengt voor het Agentschap, gaat een grondige behoeften- en kosten-batenanalyse vooraf. De uitgaven hiervoor worden opgenomen in de begroting van het Agentschap die door de raad van bestuur wordt vastgesteld.

3.   Als het Agentschap belangrijke technische uitrusting aanschaft of leaset, gelden de volgende voorwaarden:

a)

in het geval van aanschaf door het Agentschap of mede-eigendom spreekt het Agentschap met één lidstaat af dat deze laatste de registratie van de uitrusting regelt overeenkomstig de toepasselijke wetgeving van die lidstaat;

b)

in het geval van leasing wordt de uitrusting in een lidstaat geregistreerd.

4.   Op basis van een door het Agentschap opgestelde en door de raad van bestuur goedgekeurde modelovereenkomst maken de lidstaat van registratie en het Agentschap afspraken over nadere voorwaarden die zorgen voor de interoperabiliteit van de uitrusting, en het gebruik van de uitrusting regelen, waaronder specifieke bepalingen over snelle inzet tijdens snelle grensinterventies. In geval van activa in mede-eigendom, dekken de nadere voorwaarden ook de perioden waarin de activa volledig ter beschikking staan van het Agentschap. Technische uitrusting die uitsluitend toebehoort aan het Agentschap wordt op verzoek aan het Agentschap ter beschikking gesteld en de lidstaat van registratie mag zich niet beroepen op de uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 39, lid 8.

5.   De lidstaat van registratie of de leverancier van de technische uitrusting zorgt voor de nodige deskundigen en technici om de technische uitrusting rechtsgeldig en veilig te kunnen inzetten.

Artikel 39

Pool van technische uitrusting

1.   Het Agentschap zorgt voor het opzetten en bijhouden van centrale registers van uitrusting in een pool van technische uitrusting die bestaat uit aan de lidstaten of aan het Agentschap toebehorende uitrusting en aan de lidstaten en het Agentschap in mede-eigendom toebehorende uitrusting voor zijn operationele activiteiten.

2.   Uitrusting die uitsluitend het eigendom zijn van het Agentschap is op elk moment als bedoeld in artikel 38, lid 4, volledig beschikbaar voor inzet.

3.   Uitrusting die voor meer dan 50 % in mede-eigendom is van het Agentschap, is eveneens beschikbaar voor inzet overeenkomstig een in artikel 38, lid 4, bedoelde overeenkomst tussen een lidstaat en het Agentschap.

4.   Het Agentschap zorgt voor de compatibiliteit en interoperabiliteit van de uitrusting die in de pool van technische uitrusting is opgenomen.

Daartoe bepaalt het technische normen waaraan de uitrusting moet voldoen voor de inzet ervan, indien nodig, bij de activiteiten van het Agentschap. Uitrusting die door het Agentschap, als enige eigenaar of mede-eigenaar, moet worden aangekocht en uitrusting die het eigendom is van lidstaten die in de pool van technische uitrusting is opgenomen, voldoen aan deze technische normen.

5.   De uitvoerend directeur stelt de minimale hoeveelheid technische uitrusting per artikel vast, die vereist is om te voldoen aan de behoeften van het Agentschap, in het bijzonder voor het uitvoeren van gezamenlijke operaties, de inzet van ondersteuningsteams voor migratiebeheer, snelle grensinterventies, terugkeeroperaties en terugkeerinterventies, overeenkomstig zijn werkprogramma voor het betrokken jaar.

Indien de minimale hoeveelheid technische uitrusting voor een artikel niet blijkt te volstaan om het voor dergelijke activiteiten overeengekomen operationele plan uit te voeren, wordt die hoeveelheid door het Agentschap op basis van een verantwoorde behoeftestelling en een overeenkomst met de lidstaten aangepast.

6.   De pool van technische uitrusting bevat voor elk type technische uitrusting de minimale hoeveelheid uitrusting per artikel die door het Agentschap noodzakelijk wordt geacht. De in de pool opgenomen uitrusting wordt ingezet bij gezamenlijke operaties, de inzet van ondersteuningsteams voor migratiebeheer, proefprojecten, snelle grensinterventies, terugkeeroperaties of terugkeerinterventies.

7.   De pool van technische uitrusting bevat een pool van uitrusting voor een snelle reactie met een beperkte hoeveelheid uitrusting per artikel die noodzakelijk is voor mogelijke snelle grensinterventies. De bijdragen van de lidstaten aan de pool van uitrusting voor een snelle reactie worden gepland in overeenstemming met de in lid 8 bedoelde jaarlijkse bilaterale onderhandelingen en overeenkomsten. Voor de uitrusting op de lijst van de artikelen in deze pool kunnen de lidstaten zich niet beroepen op een uitzonderlijke situatie als bedoeld in lid 8.

De uitrusting op deze lijst wordt zo spoedig mogelijk voor inzet naar de bestemming gestuurd, maar niet langer dan tien dagen na de datum waarop overeenstemming werd bereikt over het operationele plan.

Het Agentschap draagt tot deze pool bij met uitrusting die als bedoeld in artikel 38, lid 1, ter beschikking van het Agentschap staat.

8.   De lidstaten dragen bij tot de pool van technische uitrusting. De bijdrage van de lidstaten tot de pool en tot de inzet van technische uitrusting voor specifieke operaties wordt gepland op basis van jaarlijkse bilaterale onderhandelingen en overeenkomsten tussen het Agentschap en de lidstaten. Conform deze overeenkomsten en voor zover het gaat om de minimale hoeveelheid technische uitrusting per artikel voor een bepaald jaar, stellen de lidstaten hun technische uitrusting op verzoek van het Agentschap voor inzet ter beschikking, tenzij zij geconfronteerd worden met een uitzonderlijke situatie waardoor de uitvoering van nationale taken aanzienlijk in het gedrang komt. Indien een lidstaat zich beroept op een dergelijke uitzonderlijke situatie, deelt hij het Agentschap schriftelijk de gedetailleerde redenen daarvoor alsmede informatie over de situatie mee, waarvan de inhoud wordt opgenomen in het verslag als bedoeld in lid 13. Het verzoek van het Agentschap wordt ten minste 45 dagen voor de beoogde inzet van belangrijke technische uitrusting en 30 dagen voor de beoogde inzet van andere uitrusting ingediend. De bijdragen tot de pool van technische uitrusting worden elk jaar opnieuw geëvalueerd.

9.   De regels betreffende de technische uitrusting, met inbegrip van de vereiste totale minimale hoeveelheid artikelen per type technische uitrusting, en de nadere voorwaarden voor inzet en de vergoeding van kosten, alsook de beperkte hoeveel artikelen van technische uitrusting voor een pool van uitrusting voor een snelle reactie, worden jaarlijks op basis van een voorstel van de uitvoerend directeur door de raad van bestuur vastgesteld. Om budgettaire redenen dient de raad van bestuur dit besluit jaarlijks uiterlijk op 30 juni te nemen.

10.   Indien een snelle grensinterventie plaatsvindt, wordt artikel 17, lid 11, dienovereenkomstig toegepast.

11.   Indien er een onverwachte behoefte ontstaat aan technische uitrusting voor een gezamenlijke operatie of snelle grensinterventie nadat de minimale hoeveelheid artikelen van technische uitrusting reeds is vastgesteld, en niet in die behoefte kan worden voorzien uit de pool van technische uitrusting of de pool van uitrusting voor een snelle reactie, stellen de lidstaten, indien mogelijk, op ad-hocbasis de benodigde technische uitrusting op verzoek van het Agentschap ter beschikking voor inzet.

12.   De uitvoerend directeur brengt regelmatig verslag uit aan de raad van bestuur over de samenstelling en de inzet van de uitrusting die deel uitmaakt van de pool van technische uitrusting. Als de minimale hoeveelheid technische uitrusting per artikel die voor de pool nodig is, niet wordt bereikt, stelt de uitvoerend directeur de raad van bestuur hiervan onverwijld in kennis. De raad van bestuur beslist met spoed aan welke zaken bij de inzet van de technische uitrusting prioriteit moet worden gegeven en neemt passende maatregelen om het tekort te verhelpen. De raad van bestuur brengt de Commissie op de hoogte van het tekort en de getroffen maatregelen. Vervolgens legt de Commissie deze informatie samen met haar eigen beoordeling voor aan het Europees Parlement en de Raad.

13.   Het Agentschap dient elk jaar een verslag in bij het Europees Parlement waarin wordt vermeld hoeveel technische uitrusting per artikel elke lidstaat overeenkomstig dit artikel voor de pool van technische uitrusting ter beschikking heeft gesteld. In dit verslag wordt vermeld welke lidstaten zich in het voorgaande jaar hebben beroepen op een uitzonderlijke situatie als bedoeld in lid 8 en welke redenen en informatie zij in dit kader hebben verstrekt.

14.   De lidstaten registreren in de pool van technische uitrusting alle vervoersmaterieel en operationele uitrusting aangeschaft in het kader van de specifieke acties van het Fonds voor interne veiligheid overeenkomstig artikel 7, lid 1, van Verordening (EU) nr. 515/2014 van het Europees Parlement en de Raad (31) of in voorkomend geval enige andere specifieke Uniefinanciering die aan de lidstaten ter beschikking is gesteld met het oog op het versterken van de operationele capaciteit van het Agentschap. Deze technische uitrusting maakt deel uit van de minimale hoeveelheid technische uitrusting per artikel voor een bepaald jaar.

De lidstaten stellen deze technische uitrusting op verzoek van het Agentschap ter beschikking voor inzet. In het geval van een operatie als genoemd in artikel 17 of artikel 19 van deze Verordening, mogen zij zich niet beroepen op de uitzonderlijke situatie als bedoeld in lid 8 van dit artikel.

15.   Het Agentschap houdt de registers van de pool van technische uitrusting als volgt bij:

a)

indeling naar type uitrusting en naar type operatie;

b)

indeling naar eigenaar (lidstaat, agentschap, andere);

c)

totale hoeveelheden vereiste uitrusting per artikel;

d)

in voorkomend geval vereist personeel;

e)

overige informatie, zoals registratiegegevens, vereisten op het gebied van transport en onderhoud, toepasselijke nationale exportregelingen, technische instructies, of overige informatie die van belang is voor het correcte gebruik van de uitrusting.

16.   Het Agentschap financiert 100 % van de inzet van de technische uitrusting die deel uitmaakt van de minimale hoeveelheid technische uitrusting per artikel die een bepaalde lidstaat voor een bepaald jaar ter beschikking stelt. De inzet van technische uitrusting die geen deel uitmaakt van de minimale hoeveelheid technische uitrusting per artikel wordt tot maximaal 100 % van de in aanmerking komende uitgaven door het Agentschap medegefinancierd, met inachtneming van de bijzondere omstandigheden van de lidstaten die deze technische uitrusting inzetten.

Artikel 40

Taken en bevoegdheden van de teamleden

1.   De teamleden zijn in staat alle taken te verrichten en alle bevoegdheden uit te oefenen die nodig zijn voor grenstoezicht en terugkeer en voor het verwezenlijken van de doelstellingen van Verordening (EU) 2016/399 en Richtlijn 2008/115/EG.

2.   Bij het verrichten van hun taken en het uitoefenen van hun bevoegdheden nemen de teamleden het recht van de Unie en het internationale recht in acht en leven zij de grondrechten na alsook het nationale recht van de ontvangende lidstaat.

3.   De teamleden mogen uitsluitend taken verrichten en bevoegdheden uitoefenen op instructie van en, als algemene regel, in aanwezigheid van grenswachters of personeel dat betrokken is bij met terugkeer verband houdende taken van de ontvangende lidstaat. De ontvangende lidstaat mag de teamleden toestaan namens hem op te treden.

4.   Bij de uitvoering van hun taken en de uitoefening van hun bevoegdheden dragen teamleden in voorkomend geval hun eigen uniform. Daarnaast dragen zij op hun uniform een zichtbaar kenmerk dat persoonlijke identificatie mogelijk maakt en een blauwe armband met het insigne van de Unie en van het Agentschap, waardoor zij als deelnemer aan een gezamenlijke operatie, de inzet van ondersteuningsteams voor migratiebeheer, een proefproject, een snelle grensinterventie, een terugkeeroperatie of een terugkeerinterventie kunnen worden geïdentificeerd. Om zich tegenover de nationale autoriteiten van de ontvangende lidstaat te kunnen identificeren, hebben teamleden altijd een accreditatiedocument bij zich, dat zij op verzoek tonen.

5.   Bij het uitvoeren van hun taken en het uitoefenen van hun bevoegdheden mogen teamleden dienstwapens dragen en munitie en uitrusting bij zich hebben overeenkomstig hetgeen volgens het nationale recht van de lidstaat van herkomst is toegestaan. De ontvangende lidstaat mag echter bepaalde dienstwapendracht, munitie en uitrusting verbieden, op voorwaarde dat de eigen wetgeving voorziet in dezelfde verbodsbepalingen voor eigen bij met terugkeer verband houdende taken betrokken grenswachters of personeel. De ontvangende lidstaat laat het Agentschap, voordat de teamleden worden ingezet, weten welke dienstwapens, munitie en uitrusting zijn toegestaan en in welke omstandigheden zij mogen worden gebruikt. Het Agentschap stelt deze informatie ter beschikking van de lidstaten.

6.   Bij het verrichten van hun taken en het uitoefenen van hun bevoegdheden mogen de teamleden gebruikmaken van geweld, waaronder dienstwapens, munitie en uitrusting, indien de lidstaat van herkomst en de ontvangende lidstaat daarmee instemmen, in aanwezigheid van grenswachters van de ontvangende lidstaat en met inachtneming van het nationale recht van de ontvangende lidstaat. De ontvangende lidstaat kan, indien de lidstaat van herkomst daarmee instemt, teamleden de toestemming geven om in afwezigheid van de grenswachters van de ontvangende lidstaat geweld te gebruiken.

7.   Dienstwapens, munitie en uitrusting mogen worden gebruikt in geval van wettige zelfverdediging en wettige verdediging van teamleden of andere personen met inachtneming van het nationale recht van de ontvangende lidstaat.

8.   In het kader van deze verordening staat de ontvangende lidstaat teamleden toe Europese gegevensbanken te raadplegen die voor de verwezenlijking van de operationele doelstellingen als vastgesteld in het operationele plan inzake grenscontroles, grensbewaking en terugkeer noodzakelijk zijn. De ontvangende lidstaat kan hen toestaan zijn nationale gegevensbanken te raadplegen indien nodig voor het zelfde doel. De lidstaten zorgen ervoor dat zij op doeltreffende en doelmatige wijze toegang verstrekken tot deze gegevensbanken. De teamleden raadplegen uitsluitend de gegevens die zij nodig hebben voor het verrichten van hun taken en het uitoefenen van hun bevoegdheden. Voordat de teamleden worden ingezet, deelt de ontvangende lidstaat het Agentschap mee welke nationale en Europese databanken mogen worden geraadpleegd. Het Agentschap stelt deze informatie ter beschikking van alle lidstaten die aan de inzet deelnemen.

De raadpleging gebeurt met inachtneming van het recht van de Unie op het gebied van gegevensbescherming en het nationale recht van de ontvangende lidstaat op het gebied van gegevensbescherming.

9.   Beslissingen tot weigering van toegang overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EU) 2016/399 worden uitsluitend door grenswachters van de ontvangende lidstaat genomen, of door de teamleden als zij van de ontvangende lidstaat de toestemming hebben gekregen om namens deze laatste op te treden.

Artikel 41

Accreditatiedocument

1.   Het Agentschap geeft, in samenwerking met de ontvangende lidstaat, de teamleden een document in de officiële taal van de ontvangende lidstaat en een andere officiële taal van de instellingen van de Unie af, aan de hand waarvan zij kunnen worden geïdentificeerd en waaruit blijkt dat de houder ervan het recht heeft de in artikel 40 bedoelde taken te verrichten en bevoegdheden uit te oefenen. Het document bevat de volgende gegevens van elk teamlid:

a)

naam en nationaliteit;

b)

rang of functiebenaming;

c)

een recente gedigitaliseerde foto; en

d)

de taken die mogen worden uitgeoefend tijdens de inzet.

2.   Na afloop van de gezamenlijke operatie, de inzet van ondersteuningsteams voor migratiebeheer, het proefproject, de snelle grensinterventie, de terugkeeroperatie of de terugkeerinterventie wordt het document teruggegeven aan het Agentschap.

Artikel 42

Burgerrechtelijke aansprakelijkheid

1.   Wanneer teamleden optreden in een ontvangende lidstaat, is die lidstaat aansprakelijk voor de schade die zij tijdens de operaties veroorzaken, overeenkomstig zijn nationale recht.

2.   Indien deze schade het gevolg is van grove nalatigheid of opzettelijk wangedrag, mag de ontvangende lidstaat de lidstaat van herkomst benaderen met het oog op de terugbetaling door de lidstaat van herkomst van aan de slachtoffers of hun rechthebbenden door de ontvangende lidstaat uitgekeerde bedragen.

3.   Onverminderd de uitoefening van zijn rechten tegenover derden, ziet elke lidstaat af van vorderingen tegen de ontvangende lidstaat of een andere lidstaat wegens geleden schade, behalve in geval van grove nalatigheid of opzettelijk wangedrag.

4.   Geschillen tussen lidstaten in verband met de toepassing van de leden 2 en 3 van dit artikel die niet kunnen worden beslecht door wederzijdse onderhandelingen, worden overeenkomstig artikel 273 VWEU door deze lidstaten voorgelegd aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

5.   Onverminderd de uitoefening van zijn rechten tegenover derden, worden kosten ten gevolge van tijdens de inzet veroorzaakte schade aan de uitrusting van het Agentschap gedekt door het Agentschap, behalve in geval van grove nalatigheid of opzettelijk wangedrag.

Artikel 43

Strafrechtelijke aansprakelijkheid

Tijdens een gezamenlijke operatie, proefproject, de inzet van ondersteuningsteams voor migratiebeheer, een snelle grensinterventie, terugkeeroperatie of terugkeerinterventie worden teamleden op dezelfde wijze behandeld als functionarissen van de ontvangende lidstaat wat betreft alle eventuele strafbare feiten die tegen hen of door hen worden gepleegd.

Afdeling 2

Informatie-uitwisseling en gegevensbescherming

Artikel 44

Systemen voor informatie-uitwisseling

1.   Het Agentschap kan alle nodige maatregelen nemen om de uitwisseling van voor zijn taken relevante informatie met de Commissie en de lidstaten en, indien van toepassing, de relevante agentschappen van de Unie, te vergemakkelijken. Het ontwikkelt en beheert een informatiesysteem om met deze actoren vertrouwelijke gegevens te kunnen uitwisselen, evenals de in de artikelen 45, 47, 48 en 49 van deze verordening bedoelde persoonsgegevens overeenkomstig Besluit 2013/488/EU van de Raad (32) en Besluit (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie (33).

2.   Het Agentschap kan alle maatregelen nemen die noodzakelijk zijn ter vergemakkelijking van de uitwisseling van voor zijn taak relevante gegevens met Ierland en het Verenigd Koninkrijk, indien deze gegevens verband houden met de activiteiten waaraan deze landen overeenkomstig artikel 51 en artikel 62, lid 5, deelnemen.

Artikel 45

Gegevensbescherming

1.   Het Agentschap past bij de verwerking van persoonsgegevens Verordening (EG) nr. 45/2001 toe.

2.   De raad van bestuur stelt maatregelen vast voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 45/2001 door het Agentschap, onder meer betreffende de functionaris voor gegevensbescherming van het Agentschap. Deze maatregelen worden vastgesteld na raadpleging van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming.

3.   Onverminderd de artikelen 47, 48 en 49 kan het Agentschap voor administratieve doelen persoonsgegevens verwerken.

4.   Onverminderd artikel 48 zijn de doorgifte van door het Agentschap verwerkte persoonsgegevens en de verdere overdracht van in het kader van deze verordening verwerkte persoonsgegevens door lidstaten aan de autoriteiten van derde landen of aan derden, met inbegrip van internationale organisaties, niet toegestaan.

Artikel 46

Doel van de verwerking van persoonsgegevens

1.   Het Agentschap mag persoonsgegevens uitsluitend verwerken voor de volgende doelen:

a)

het uitvoeren van zijn taken die erin bestaan gezamenlijke operaties, proefprojecten en snelle grensinterventies te organiseren en te coördineren en in het kader van de ondersteuningsteams voor migratiebeheer, overeenkomstig artikel 47;

b)

het uitvoeren van zijn taken die erin bestaan terugkeeroperaties en terugkeerinterventies te organiseren en te coördineren, overeenkomstig artikel 48;

c)

het faciliteren van de informatie-uitwisseling met lidstaten, EASO, Europol en Eurojust, overeenkomstig artikel 47;

d)

het uitvoeren van risicoanalyses, overeenkomstig artikel 11;

e)

het identificeren en volgen van vaartuigen in het kader van Eurosur, overeenkomstig artikel 49;

f)

administratieve taken.

2.   Iedere verwerking van persoonsgegevens als bedoeld in lid 1 gebeurt met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel en is strikt beperkt tot de persoonsgegevens die nodig zijn voor de in dat lid bedoelde doelen.

3.   Een lidstaat die of een ander agentschap van de Unie dat het Agentschap persoonsgegevens verstrekt, legt het doel of de doelen vast waarvoor deze worden verwerkt, zoals bedoeld in lid 1. Het Agentschap kan dergelijke persoonsgegevens alleen met toestemming van degene die de gegevens heeft verstrekt verwerken voor een ander doel dat eveneens onder lid 1 valt.

4.   De lidstaten of andere agentschappen van de Unie kunnen op het moment van verstrekking van persoonsgegevens algemene of specifieke toegangs- of gebruiksbeperkingen stellen, ook met betrekking tot het overdragen, wissen of vernietigen. Wanneer na de verstrekking van persoonsgegevens duidelijk wordt dat dergelijke beperkingen nodig zijn, stellen zij het Agentschap daar dienovereenkomstig van in kennis. Het Agentschap houdt zich aan deze beperkingen.

Artikel 47

Verwerking van persoonsgegevens die zijn verzameld tijdens gezamenlijke operaties, proefprojecten en snelle grensinterventies en door ondersteuningsteams voor migratiebeheer

1.   Het Agentschap verwerkt enkel de volgende persoonsgegevens die door de lidstaten of het eigen personeel van het Agentschap in de context van gezamenlijke operaties, proefprojecten en snelle grensinterventies en door de ondersteuningsteams voor migratiebeheer zijn verzameld en aan het Agentschap zijn doorgestuurd:

a)

persoonsgegevens van personen die door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op redelijke gronden worden verdacht van betrokkenheid bij grensoverschrijdende criminaliteit, zoals smokkel van migranten, mensenhandel of terrorisme;

b)

persoonsgegevens van personen die de buitengrenzen zonder toestemming overschrijden en wier gegevens worden verzameld door de Europese grens- en kustwachtteams, ook wanneer wordt gehandeld in het kader van de ondersteuningsteams voor migratiebeheer;

c)

kentekennummers, identificatienummers van voertuigen, telefoonnummers of identificatienummers van schepen, die verband houden met de personen die onder a) en b) zijn genoemd en die nodig zijn voor het onderzoeken en analyseren van routes en methoden die voor illegale immigratie en grensoverschrijdende criminaliteit worden gebruikt.

2.   De in lid 1 bedoelde persoonsgegevens kunnen door het Agentschap worden verwerkt:

a)

wanneer doorgifte aan het EASO, Europol of Eurojust nodig is voor gebruik overeenkomstig hun respectieve opdrachten en overeenkomstig artikel 52;

b)

wanneer doorgifte aan de autoriteiten van de relevante lidstaten die bevoegd zijn voor grenstoezicht, migratie, asiel en rechtshandhaving nodig is voor gebruik overeenkomstig het nationale recht en de Unie- en nationale voorschriften inzake gegevensbescherming.

c)

wanneer dat nodig is voor de voorbereiding van risicoanalyses.

De persoonsgegevens met betrekking tot in lid 1, onder b), genoemde personen mogen uitsluitend worden overgedragen aan rechtshandhavingsinstanties in specifieke gevallen en indien strikt noodzakelijk voor het voorkomen, opsporen, onderzoeken of vervolgen van ernstige misdaad.

3.   De persoonsgegevens worden gewist zodra zij zijn doorgezonden naar EASO, Europol of Eurojust of naar de bevoegde autoriteiten van de lidstaten of wanneer zij gebruikt zijn voor de voorbereiding van risicoanalyses. De opslagtermijn overschrijdt in geen enkel geval 90 dagen na de datum waarop de gegevens zijn verzameld. In de uitkomsten van de risicoanalyses worden de gegevens geanonimiseerd.

Artikel 48

Verwerking van persoonsgegevens in het kader van terugkeeroperaties en terugkeerinterventies

1.   In het kader van zijn taken, het organiseren en coördineren van terugkeeroperaties en het uitvoeren van terugkeerinterventies, kan het Agentschap persoonsgegevens van terugkeerders verwerken.

2.   De verwerking door het Agentschap van deze persoonsgegevens is strikt beperkt tot de persoonsgegevens die vereist zijn voor de terugkeeroperatie of de terugkeerinterventie.

3.   De persoonsgegevens worden gewist zodra het doel waarvoor zij zijn verzameld, is verwezenlijkt, en niet later dan 30 dagen na het einde van de terugkeeroperatie of de terugkeerinterventie.

4.   Wanneer de persoonsgegevens van terugkeerders niet door een lidstaat aan de vervoerder worden overgedragen, kan het Agentschap deze gegevens doorsturen.

Artikel 49

Verwerking van persoonsgegevens in het kader van Eurosur

Het Agentschap mag persoonsgegevens verwerken als uiteengezet in artikel 13, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1052/2013.

Artikel 50

Veiligheidsvoorschriften betreffende de bescherming van gerubriceerde gegevens en niet-gerubriceerde gevoelige gegevens

1.   Het Agentschap past de veiligheidsvoorschriften van de Commissie toe als uiteengezet in Besluit (EU, Euratom) 2015/444. Die voorschriften gelden onder meer voor de uitwisseling, de verwerking en de opslag van gerubriceerde gegevens.

2.   Het Agentschap past tevens de veiligheidsbeginselen betreffende de behandeling van niet-gerubriceerde gevoelige gegevens toe, zoals die zijn vastgelegd in het Besluit (EU, Euratom) 2015/444 en door de Commissie ten uitvoer worden gelegd. De raad van bestuur stelt maatregelen vast voor de toepassing van die veiligheidsbeginselen.

3.   De rubricering belet niet dat informatie beschikbaar wordt gesteld aan het Europees Parlement. Het overdragen en behandelen van de informatie en documenten die overeenkomstig deze verordening aan het Europees Parlement worden gezonden, moet voldoen aan de voorschriften betreffende het doorzenden en behandelen van gerubriceerde informatie die van toepassing zijn tussen de Europese Unie en de Commissie.

Afdeling 3

Samenwerking door het Agentschap

Artikel 51

Samenwerking met Ierland en het Verenigd Koninkrijk

1.   Het Agentschap bevordert de operationele samenwerking van de lidstaten met Ierland en het Verenigd Koninkrijk in specifieke activiteiten.

2.   De door het Agentschap overeenkomstig artikel 8, lid 1, onder l), n) en o), te verlenen ondersteuning omvat de organisatie van terugkeeroperaties van de lidstaten waaraan ook Ierland of het Verenigd Koninkrijk of beide landen deelnemen.

3.   De toepassing van deze verordening op de grenzen van Gibraltar wordt opgeschort totdat een akkoord is bereikt over de werkingssfeer van de maatregelen met betrekking tot de overschrijding van de buitengrenzen door personen.

Artikel 52

Samenwerking met instellingen, organen en instanties van de Unie, en internationale organisaties

1.   Het Agentschap werkt samen met de Commissie, andere instellingen van de Unie, de Europese Dienst voor extern optreden, het EASO, Europol, het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, Eurojust, het Satellietcentrum van de Europese Unie, het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid en het Europees Bureau voor visserijcontrole, evenals met andere organen en instanties van de Unie, op het gebied van de onder deze verordening vallende aangelegenheden, met name om uitdagingen op het vlak van migratie beter aan te pakken en grensoverschrijdende criminaliteit, zoals de smokkel van migranten, mensenhandel en terrorisme, te voorkomen en op te sporen.

Het Agentschap kan daartoe samenwerken met internationale organisaties die bevoegd zijn op het gebied van aangelegenheden die onder deze verordening vallen.

2.   De in lid 1 bedoelde samenwerking vindt plaats in het kader van met de in lid 1 bedoelde entiteiten gemaakte werkafspraken. Deze afspraken worden vooraf door de Commissie goedgekeurd. Het Agentschap houdt in ieder geval het Europees Parlement van deze regelingen op de hoogte.

3.   Het Agentschap werkt samen met de Commissie, en in voorkomend geval met de lidstaten, bij activiteiten op grond van deze verordening. Hoewel die buiten de werkingssfeer van deze verordening vallen, werkt het Agentschap ook samen bij activiteiten die verband houden met douanezaken, inclusief risicobeheersing, wanneer die activiteiten elkaar ondersteunen. Deze samenwerking laat de bestaande bevoegdheden van de Commissie en van de lidstaten onverlet.

4.   De in lid 1 bedoelde instellingen, organen en instanties van de Unie en internationale organisaties gebruiken van het Agentschap ontvangen informatie uitsluitend binnen de grenzen van hun bevoegdheden en met inachtneming van de grondrechten, met inbegrip van de voorschriften inzake gegevensbescherming. Verdere overdracht of andere uitwisseling van door het Agentschap verwerkte persoonsgegevens aan of met andere instellingen, organen en instanties van de Unie wordt afhankelijk gesteld van specifieke werkafspraken over de uitwisseling van persoonsgegevens en van voorafgaande toestemming door de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming. Elke doorgifte van persoonsgegevens door het Agentschap gebeurt in overeenstemming met de gegevensbeschermingsbepalingen van artikel 45 tot en met 49. Wat de behandeling van gerubriceerde informatie betreft, houden die afspraken in dat de betrokken instelling of instantie of het betrokken orgaan van de Unie of de betrokken internationale organisatie voldoet aan beveiligingsvoorschriften en -normen die gelijkwaardig zijn aan die welke door het Agentschap worden toegepast.

5.   Ook kan het Agentschap met instemming van de betrokken lidstaten waarnemers van instellingen, organen en instanties van de Unie of van internationale organisaties uitnodigen om deel te nemen aan zijn activiteiten, met name gezamenlijke operaties en proefprojecten, risicoanalyses en opleiding, voor zover hun aanwezigheid strookt met de doelen van deze activiteiten, kan bijdragen tot betere samenwerking en uitwisseling van beste praktijken, en geen invloed heeft op de algemene veiligheid en beveiliging van die activiteiten. De deelname van deze waarnemers aan risicoanalyses en opleiding is afhankelijk van de toestemming van de betrokken lidstaten. Wat gezamenlijke operaties en proefprojecten betreft, is de deelname van waarnemers afhankelijk van de toestemming van de ontvangende lidstaat. Het operationele plan omvat nauwkeurige regels over de deelname van waarnemers. Voordat deze waarnemers deelnemen, krijgen zij passende opleiding van het Agentschap.

Artikel 53

Europese samenwerking inzake kustwachttaken

1.   Het Agentschap biedt, in samenwerking met het Europees Bureau voor visserijcontrole en het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid, ondersteuning aan nationale autoriteiten bij de uitvoering van kustwachttaken op nationaal en Unieniveau, en indien van toepassing op internationaal niveau, door:

a)

het delen, samenbrengen en analyseren van informatie die beschikbaar is in systemen voor de rapportage van vaartuigen en andere informatiesystemen die worden gehost door of die toegankelijk zijn voor die agentschappen, overeenkomstig hun respectieve rechtsgronden en onverminderd het eigendomsrecht van de lidstaten op de gegevens;

b)

het verstrekken van bewakings- en communicatiediensten op basis van geavanceerde technologie, waaronder in de ruimte gestationeerde en grondinfrastructuur en sensoren die op platformen worden geplaatst;

c)

capaciteitsopbouw door het opstellen van richtsnoeren en aanbevelingen, het instellen van beste praktijken, alsook door het verstrekken van opleiding en uitwisseling van personeel;

d)

verbetering van informatie-uitwisseling en samenwerking op het gebied van kustwachttaken, onder meer door operationele problemen en nieuwe risico's op maritiem gebied te analyseren;

e)

capaciteitsdeling door planning en uitvoering van operaties met meerdere doeleinden en door het delen van middelen en andere vermogens, voor zover deze activiteiten door die agentschappen worden gecoördineerd en de instemming hebben verkregen van de bevoegde instanties van de betrokken lidstaten.

2.   De precieze vormen van samenwerking inzake kustwachttaken tussen het Agentschap, het Europees Bureau voor visserijcontrole en het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid worden vastgelegd in werkafspraken, overeenkomstig hun respectieve opdrachten en de voor die agentschappen geldende financiële regeling. Een dergelijke regeling wordt goedgekeurd door de raad van bestuur van het Agentschap, de raad van bestuur van het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid en de raad van bestuur van het Europees Bureau voor visserijcontrole.

3.   De Commissie stelt, in nauwe samenwerking met de lidstaten, het Agentschap, het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid en het Europees Bureau voor visserijcontrole, een praktische handleiding inzake Europese samenwerking op het gebied van kustwachttaken ter beschikking. Die handleiding bevat richtsnoeren, aanbevelingen en beste praktijken voor informatie-uitwisseling. De handleiding wordt door de Commissie in de vorm van een aanbeveling goedgekeurd.

Artikel 54

Samenwerking met derde landen

1.   Voor de aangelegenheden die door zijn activiteiten worden bestreken en voor zover nodig voor de uitvoering van zijn taken, vergemakkelijkt en bevordert het Agentschap de technische en operationele samenwerking tussen de lidstaten en derde landen in het kader van het beleid inzake externe betrekkingen van de Unie, onder meer wat betreft de bescherming van de grondrechten en het beginsel van non-refoulement. Het Agentschap en de lidstaten nemen het recht van de Unie in acht, met inbegrip van normen en maatstaven die tot het acquis van de Unie behoren, ook wanneer de samenwerking met derde landen op het grondgebied van die landen plaatsvindt. Het aangaan van samenwerking met derde landen strekt tot bevordering van de Europese normen inzake grensbeheer en terugkeer.

2.   Het Agentschap kan met de autoriteiten van derde landen die bevoegd zijn voor onder deze verordening vallende aangelegenheden samenwerken met de steun van en in coördinatie met de delegaties van de Unie. Wanneer het dit doet, treedt het Agentschap op in het kader van het beleid inzake externe betrekkingen van de Unie, onder meer op het gebied van de bescherming van de grondrechten en het beginsel van non-refoulement. Het treedt ook op in het kader van met deze autoriteiten gemaakte werkafspraken overeenkomstig het recht en beleid van de Unie. Deze werkafspraken bevatten een nauwkeurige beschrijving van het toepassingsgebied, de aard en de doelstelling van de samenwerking en houden verband met het beheer van de operationele samenwerking. De ontwerpafspraken worden vooraf door de Commissie goedgekeurd. Het Agentschap informeert het Europees Parlement alvorens de werkafspraken worden gemaakt. Het Agentschap neemt het Unierecht, met inbegrip van de normen en maatstaven die tot het acquis van de Unie behoren, in acht.

3.   In omstandigheden die extra technische en operationele bijstand vereisen, kan het Agentschap de operationele samenwerking tussen de lidstaten en derde landen inzake het beheer van de buitengrenzen coördineren. Het Agentschap kan samen met een of meer lidstaten en een derde land dat aan ten minste een van die lidstaten grenst acties aan de buitengrenzen uitvoeren, op voorwaarde dat het derde land daarmee instemt, ook op het grondgebied van dat derde land. Operaties worden uitgevoerd op basis van een operationeel plan waarmee ook de lidstaten die aan het operationele gebied grenzen, hebben ingestemd. De deelname van lidstaten aan gezamenlijke operaties op het grondgebied van derde landen is vrijwillig. De Commissie wordt van deze activiteiten in kennis gesteld.

4.   In gevallen waarin de inzet wordt beoogd van teamleden in een derde land bij acties waarbij de teamleden uitvoerende bevoegdheden zullen hebben, of waarin andere acties het vereisen, sluit de Unie een statusovereenkomst met het betreffende derde land. De statusovereenkomst heeft betrekking op alle aspecten die noodzakelijk zijn om de acties uit te voeren, en omschrijft met name de reikwijdte van de operatie, civielrechtelijke en strafrechtelijke aansprakelijkheid en de taken en bevoegdheden van de teamleden. De statusovereenkomst zorgt ervoor dat tijdens deze operaties de grondrechten volledig worden geëerbiedigd.

5.   De Commissie stelt een modelstatusovereenkomst op voor acties op het grondgebied van derde landen.

6.   Het Agentschap werkt met de bevoegde autoriteiten van derde landen samen op het gebied van terugkeer, waaronder het verkrijgen van reisdocumenten.

7.   Het Agentschap kan, met instemming van de betrokken lidstaten, waarnemers van derde landen uitnodigen om deel te nemen aan zijn in artikel 14 bedoelde activiteiten aan de buitengrenzen, in artikel 28 bedoelde terugkeeroperaties, in artikel 33 bedoelde terugkeerinterventies en in artikel 36 bedoelde opleiding, voor zover hun aanwezigheid strookt met de doelen van deze activiteiten, kan bijdragen tot een betere samenwerking en uitwisseling van beste praktijken, en geen invloed heeft op de algemene veiligheid van de activiteiten. De deelname van deze waarnemers kan alleen met de instemming van de lidstaten die betrokken zijn bij de in de artikelen 14, 19, 28 en 36 bedoelde activiteiten en alleen met de instemming van de ontvangende lidstaat betreffende de in artikelen 14 en 33 bedoelde activiteiten. Het operationele plan omvat nauwkeurige regels over de deelname van waarnemers. Voordat deze waarnemers deelnemen, krijgen zij passende opleiding van het Agentschap. Zij worden ook verplicht om tijdens hun deelname aan de activiteiten de gedragscode van het Agentschap na te leven.

8.   Het Agentschap neemt deel aan de uitvoering van internationale overeenkomsten die de Unie met derde landen sluit in het kader van het beleid inzake externe betrekkingen van de Unie en met betrekking tot aangelegenheden die onder deze verordening vallen.

9.   Het Agentschap kan financiering van de Unie ontvangen overeenkomstig de bepalingen van de relevante instrumenten ter ondersteuning van het beleid inzake de externe betrekkingen van de Unie. Het kan projecten voor technische bijstand in derde landen initiëren en financieren ten aanzien van aangelegenheden die onder deze verordening vallen.

10.   Bij het sluiten van bilaterale overeenkomsten met derde landen kunnen de lidstaten, in onderling akkoord met het Agentschap, bepalingen opnemen over de rol en de bevoegdheden van het Agentschap overeenkomstig deze verordening, in het bijzonder wat betreft de uitoefening van uitvoerende bevoegdheden door de leden van de Europese grens- en kustwachtteams die worden ingezet gedurende de gezamenlijke operaties, proefprojecten, snelle grensinterventies, terugkeeroperaties en terugkeerinterventies. De lidstaten stellen de Commissie van dergelijke bepalingen in kennis.

11.   Het Agentschap stelt het Europees Parlement in kennis van de op grond van dit artikel gevoerde activiteiten en neemt in zijn jaarverslagen een evaluatie van de samenwerking met derde landen op.

Artikel 55

Verbindingsfunctionarissen in derde landen

1.   Het Agentschap kan deskundigen van zijn eigen personeelsbestand als verbindingsfunctionarissen in derde landen inzetten, die bij de uitvoering van hun taken optimale bescherming moeten genieten. Zij maken deel uit van de plaatselijke of regionale samenwerkingsnetwerken van immigratieverbindingsfunctionarissen en veiligheidsdeskundigen van de Unie en van de lidstaten, waaronder het netwerk dat op grond van Verordening (EG) nr. 377/2004 (34) van de Raad is ingesteld. Verbindingsfunctionarissen worden alleen ingezet in derde landen waarvan de praktijken op het gebied van grensbeheer voldoen aan minimale maatstaven inzake mensenrechten.

2.   In het kader van het beleid inzake de externe betrekkingen van de Unie wordt bij de inzet van verbindingsfunctionarissen prioriteit gegeven aan de derde landen die volgens een risicoanalyse een land van herkomst of doorreis voor illegale migratie zijn. Op basis van wederkerigheid kan het Agentschap verbindingsfunctionarissen ontvangen die door deze derde landen ter beschikking zijn gesteld. De raad van bestuur stelt jaarlijks op basis van een voorstel van de uitvoerend directeur de lijst met prioriteiten vast. De inzet van verbindingsfunctionarissen wordt door de raad van bestuur goedgekeurd.

3.   De taken van de verbindingsfunctionarissen van het Agentschap omvatten, met inachtneming van het recht van de Unie en de grondrechten, het leggen en onderhouden van contacten met de bevoegde autoriteiten van het derde land waar zij gedetacheerd zijn, teneinde bij te dragen tot het voorkomen en bestrijden van illegale migratie en tot de terugkeer van terugkeerders. De verbindingsfunctionarissen werken nauw samen met de delegaties van de Unie.

4.   Het besluit verbindingsfunctionarissen in te zetten in derde landen, vereist voorafgaand advies van de Commissie. Het Europees Parlement wordt van deze activiteiten onverwijld volledig op de hoogte gehouden.

Afdeling 4

Algemeen kader en organisatie van het Agentschap

Artikel 56

Juridische status en vestigingsplaats

1.   Het Agentschap is een orgaan van de Unie. Het heeft rechtspersoonlijkheid.

2.   In elk van de lidstaten geniet het Agentschap de meest uitgebreide handelingsbevoegdheid die krachtens het recht van de betrokken lidstaat aan rechtspersonen wordt verleend. Het kan met name roerend en onroerend goed verwerven of vervreemden en in rechte optreden.

3.   Het is onafhankelijk met betrekking tot de uitvoering van zijn technische en operationele opdracht.

4.   Het Agentschap wordt vertegenwoordigd door zijn uitvoerend directeur.

5.   De zetel van het Agentschap is in Warschau, Polen, onder voorbehoud van de uitvoering van artikel 57.

Artikel 57

Zetelovereenkomst

1.   De vereiste bepalingen betreffende de huisvesting van het Agentschap in de lidstaat waar de zetel is gevestigd en de door deze lidstaat ter beschikking te stellen faciliteiten, alsook de specifieke voorschriften die in die lidstaat gelden voor de uitvoerend directeur, de plaatsvervangend uitvoerend directeur, de leden van de raad van bestuur, het personeel van het Agentschap en hun gezinsleden, worden vastgesteld in een zetelovereenkomst tussen het Agentschap en de lidstaat waar het Agentschap zijn zetel heeft.

2.   De zetelovereenkomst wordt gesloten nadat de raad van bestuur deze heeft goedgekeurd en uiterlijk op 7 april 2017.

3.   De lidstaat waar het Agentschap zijn zetel heeft, biedt optimale voorwaarden voor de goede werking van het Agentschap, waaronder meertalig, Europees gericht onderwijs en passende vervoersverbindingen.

Artikel 58

Personeel

1.   Het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie („het Statuut”) en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Unie („de Regeling”), vastgelegd in Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad (35), en de voorschriften die in overleg zijn vastgesteld door de instellingen van de Unie ten behoeve van de uitvoering van het Statuut en de Regeling, zijn van toepassing op het personeel van het Agentschap.

2.   Voor de toepassing van artikel 12, artikel 22 en artikel 32, lid 2, kan als coördinerend functionaris of verbindingsfunctionaris alleen een personeelslid van het Agentschap worden aangesteld op wie het Statuut of titel II van de Regeling, van toepassing is. Voor de toepassing van artikel 20, lid 11, kunnen alleen gedetacheerde grenswachters en andere relevante personeelsleden voor deelname aan de Europese grens- en kustwachtteams worden aangewezen. Het Agentschap wijst de nationale deskundigen aan die overeenkomstig voornoemd artikel aan de Europese grens- en kustwachtteams moeten worden gedetacheerd.

3.   De raad van bestuur stelt in onderling akkoord met de Commissie de nodige uitvoeringsbepalingen vast overeenkomstig artikel 110 van het Statuut.

4.   De raad van bestuur kan bepalingen vaststellen op grond waarvan grenswachters en andere relevante personeelsleden uit de lidstaten naar het Agentschap kunnen worden gedetacheerd. Deze bepalingen houden rekening met de vereisten van artikel 20, lid 11, en in het bijzonder met het feit dat de gedetacheerde grenswachters en andere relevante personeelsleden als teamleden worden beschouwd en de in artikel 40 bedoelde taken en bevoegdheden hebben. Zij bevatten eveneens bepalingen inzake de voorwaarden voor inzet.

Artikel 59

Voorrechten en immuniteiten

Het Protocol inzake de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie is van toepassing op het Agentschap en zijn personeel.

Artikel 60

Aansprakelijkheid

1.   De contractuele aansprakelijkheid van het Agentschap wordt beheerst door het recht dat van toepassing is op de betrokken overeenkomst.

2.   Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd uitspraak te doen krachtens een arbitrageclausule in een door het Agentschap gesloten overeenkomst.

3.   In geval van niet-contractuele aansprakelijkheid vergoedt het Agentschap in overeenstemming met de algemene beginselen die de rechtsstelsels van de lidstaten gemeen hebben, alle door zijn afdelingen of door zijn personeel bij de uitoefening van hun werkzaamheden veroorzaakte schade.

4.   Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd uitspraak te doen in geschillen over de vergoeding van de in lid 3 bedoelde schade.

5.   De persoonlijke aansprakelijkheid van het personeel jegens het Agentschap wordt beheerst door de op hun van toepassing zijnde bepalingen van het Statuut en de Regeling.

Artikel 61

Administratieve en bestuurlijke structuur van het Agentschap

De administratieve en bestuurlijke structuur van het Agentschap bestaat uit:

a)

een raad van bestuur;

b)

een uitvoerend directeur;

c)

een adviesforum; en

d)

een grondrechtenfunctionaris.

Artikel 62

Functies van de raad van bestuur

1.   De raad van bestuur is verantwoordelijk voor het nemen van strategische besluiten van het Agentschap in overeenstemming met deze verordening.

2.   De raad van bestuur:

a)

benoemt de uitvoerend directeur op basis van een voorstel van de Commissie, overeenkomstig artikel 69;

b)

benoemt de plaatsvervangend uitvoerend directeur op basis van een voorstel van de uitvoerend directeur, overeenkomstig artikel 69;

c)

stelt besluiten betreffende het verrichten van de kwetsbaarheidsbeoordeling vast, overeenkomstig artikel 13, leden 1 en 8; de besluiten inzake maatregelen overeenkomstig artikel 13, lid 8, worden vastgesteld met een meerderheid van twee derde van zijn stemgerechtigde leden;

d)

stelt besluiten betreffende de opstelling van een gemeenschappelijk geïntegreerd risicoanalysemodel vast, overeenkomstig artikel 11, lid 1;

e)

stelt besluiten vast betreffende de wijze en de voorwaarden waarop verbindingsfunctionarissen in de lidstaten kunnen worden ingezet, overeenkomstig artikel 12, lid 2;

f)

stelt een technische en operationele strategie voor Europees geïntegreerd grensbeheer vast, overeenkomstig artikel 3, lid 2;

g)

stelt een besluit vast over de profielen en het totale aantal van de grenswachters en andere relevante personeelsleden die aan de Europese grens- en kustwachtteams ter beschikking dienen te worden gesteld, overeenkomstig artikel 20, lid 2;

h)

stelt een besluit vast over de profielen en het minimumaantal van grenswachters en andere relevante personeelsleden die beantwoorden aan die profielen en die aan de snel inzetbare pool van Europese grens- en kustwachtteams ter beschikking dienen te worden gesteld, overeenkomstig artikel 20, lid 4, met een meerderheid van drie vierde van zijn stemgerechtigde leden;

i)

stelt een jaarlijks verslag over de activiteiten van het Agentschap in het voorgaande jaar vast en zendt dit uiterlijk op 1 juli toe aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer;

j)

stelt ieder jaar voor 30 november, rekening houdend met het advies van de Commissie, met een meerderheid van twee derde van zijn stemgerechtigde leden een enkelvoudig programmeringsdocument met de meerjarige programmering van het Agentschap en zijn werkprogramma voor het komende jaar vast en zendt dit toe aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie;

k)

stelt procedures vast voor besluiten van de uitvoerend directeur in verband met de technische en operationele taken van het Agentschap;

l)

stelt met een meerderheid van twee derde van zijn stemgerechtigde leden de jaarbegroting van het Agentschap vast en voert andere functies uit met betrekking tot de begroting van het Agentschap, overeenkomstig afdeling 5 van dit hoofdstuk;

m)

treedt als tuchtinstantie op ten aanzien van de uitvoerend directeur en, in onderling akkoord met deze laatste, ten aanzien van de plaatsvervangend uitvoerend directeur;

n)

stelt zijn reglement van orde vast;

o)

bepaalt de organisatorische structuur van het Agentschap en stelt het personeelsbeleid van het Agentschap vast;

p)

stelt een fraudebestrijdingsstrategie vast, die evenredig is aan het frauderisico en rekening houdt met de kosten en baten van de uit te voeren maatregelen;

q)

stelt interne regels vast voor het voorkomen en beheersen van belangenconflicten met betrekking tot zijn leden;

r)

oefent, overeenkomstig lid 8, ten aanzien van het personeel van het Agentschap de bevoegdheden uit die het Statuut toekent aan het tot aanstelling bevoegde gezag en die de Regeling toekent aan het tot het sluiten van contracten bevoegde gezag (hierna „de bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag” genoemd);

s)

stelt passende regels ter uitvoering van het Statuut en de Regeling vast, overeenkomstig artikel 110 van het Statuut;

t)

zorgt voor passende follow-up van de resultaten en aanbevelingen die voortvloeien uit de interne en externe auditverslagen en beoordelingen en uit de onderzoeken van OLAF;

u)

stelt de in artikel 8, lid 3, tweede alinea, bedoelde communicatie- en verspreidingsplannen vast en werkt deze regelmatig bij;

v)

benoemt overeenkomstig het Statuut en de Regeling een rekenplichtige die volledig onafhankelijk is bij de uitvoering van zijn taken;

w)

stelt een gemeenschappelijke kwetsbaarheidsbeoordelingsmethode vast, met inbegrip van objectieve criteria aan de hand waarvan het Agentschap de kwetsbaarheidsbeoordeling uitvoert, de frequentie van zulke beoordelingen en de wijze waarop opeenvolgende kwetsbaarheidsbeoordelingen van lidstaten moeten worden uitgevoerd;

x)

stelt een intensievere beoordeling en controle van een lidstaat als bedoeld in artikel 13, lid 2, vast;

y)

benoemt een grondrechtenfunctionaris, overeenkomstig artikel 71, lid 1;

z)

keurt de werkafspraken met derde landen goed.

Het jaarlijks activiteitenverslag zoals bedoeld onder i) wordt openbaar gemaakt.

3.   Voorstellen voor besluiten van de raad van bestuur als bedoeld in lid 2 betreffende specifieke activiteiten van het Agentschap aan of in de onmiddellijke nabijheid van de buitengrenzen van een specifieke lidstaat vereisen dat het lid van de raad van bestuur dat die lidstaat vertegenwoordigt vóór aanneming van de betrokken voorstellen stemt.

4.   De raad van bestuur kan de uitvoerend directeur adviseren over aangelegenheden die verband houden met de ontwikkeling van het operationele beheer van de buitengrenzen en terugkeer, waaronder onderzoeksactiviteiten.

5.   Als Ierland en/of het Verenigd Koninkrijk verzoeken om deel te mogen nemen aan specifieke activiteiten, neemt de raad van bestuur hierover een besluit.

De raad van bestuur besluit per geval bij absolute meerderheid van zijn stemgerechtigde leden. In zijn besluit houdt de raad van bestuur rekening met de vraag of de deelname van Ierland en/of het Verenigd Koninkrijk bijdraagt tot het welslagen van de betrokken activiteit. Het besluit specifieert de financiële bijdrage van Ierland en/of het Verenigd Koninkrijk aan de activiteit waarvoor een verzoek tot deelname is ingediend.

6.   De raad van bestuur doet het Europees Parlement en de Raad („de begrotingsautoriteit”) jaarlijks alle relevante informatie over de resultaten van de evaluatieprocedures door het Agentschap toekomen.

7.   De raad van bestuur kan een kleinschalige uitvoerende raad opzetten, die de raad van bestuur en de uitvoerend directeur helpt bij de voorbereiding van de door de raad van bestuur vast te stellen besluiten, programma's en activiteiten, en zo nodig in spoedeisende gevallen namens de raad van bestuur bepaalde voorlopige en dringende besluiten neemt. De uitvoerende raad neemt geen besluiten waarvoor een twee derde of drie vierde meerderheid in de raad van bestuur nodig is. De raad van bestuur kan bepaalde welomschreven taken delegeren aan de uitvoerende raad, met name wanneer de doeltreffendheid van het Agentschap daardoor verbetert. Dergelijke delegatie aan de uitvoerende raad is niet toegestaan voor taken in verband met besluiten waarvoor een twee derde of drie vierde meerderheid in de raad van bestuur nodig is.

8.   De raad van bestuur neemt overeenkomstig artikel 110 van het Statuut een besluit dat is gebaseerd op artikel 2, lid 1, van het Statuut en artikel 6 van de Regeling, waarin hij de nodige bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag delegeert aan de uitvoerend directeur en de voorwaarden uiteenzet voor de opschorting van deze delegatie van bevoegdheden. De uitvoerend directeur mag deze bevoegdheden op zijn beurt delegeren.

Wanneer uitzonderlijke omstandigheden dat vereisen, kan de raad van bestuur door middel van een besluit de delegatie van de bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag aan de uitvoerend directeur en de bevoegdheden die deze laatste op zijn beurt heeft gedelegeerd, tijdelijk opschorten. Hij kan deze bevoegdheden dan zelf uitoefenen of delegeren aan een van zijn leden of aan een ander personeelslid dan de uitvoerend directeur.

Artikel 63

Samenstelling van de raad van bestuur

1.   Onverminderd lid 3, bestaat de raad van bestuur uit een vertegenwoordiger van iedere lidstaat en twee vertegenwoordigers van de Commissie, die allen stemgerechtigd zijn. Daartoe benoemt iedere lidstaat een lid van de raad van bestuur alsmede een plaatsvervanger die het lid tijdens zijn afwezigheid vertegenwoordigt. De Commissie benoemt twee leden en hun plaatsvervangers. De duur van de ambtstermijn bedraagt vier jaar. Deze ambtstermijn kan worden verlengd.

2.   De leden van de raad van bestuur worden benoemd op grond van hun uitgebreide ervaring en kennis op het gebied van de operationele samenwerking bij grensbeheer en terugkeer en hun relevante vaardigheden op het gebied van management, bestuur en begroting. De lidstaten en de Commissie streven naar een evenwichtige gendervertegenwoordiging in de raad van bestuur.

3.   De landen die betrokken zijn bij de uitvoering, toepassing en ontwikkeling van het Schengenacquis nemen deel in het Agentschap. Zij hebben ieder één vertegenwoordiger en één plaatsvervanger in de raad van bestuur. De regelingen die krachtens de desbetreffende bepalingen van hun associatieovereenkomsten zijn uitgewerkt en die de aard en de omvang van en de nadere regels voor de deelname van deze landen aan de werkzaamheden van het Agentschap vastleggen, met inbegrip van bepalingen inzake financiële bijdragen en personeel, zijn van toepassing.

Artikel 64

Meerjarige programmering en jaarlijkse werkprogramma's

1.   De raad van bestuur stelt jaarlijks uiterlijk 30 november een programmeringsdocument vast met de meerjarige programmering van het Agentschap en de jaarlijkse programmering ervan voor het komende jaar, op basis van een ontwerptekst van de uitvoerend directeur, met inachtneming van het advies van de Commissie en, wat betreft de meerjarige programmering, na raadpleging van het Europees Parlement. De raad van bestuur doet het Europees Parlement, de Raad en de Commissie het document toekomen.

2.   Het in lid 1 bedoelde document is definitief na de definitieve vaststelling van de algemene begroting. Het wordt, waar nodig, dienovereenkomstig aangepast.

3.   De meerjarige programmering omvat een beschrijving van de algemene strategische programmering op de middellange en lange termijn, met inbegrip van doelstellingen, beoogde resultaten, prestatie-indicatoren en planning van middelen, met inbegrip van de meerjarige begroting en de personele middelen. In de meerjarige programmering worden de strategische interventiegebieden vastgesteld en wordt uitgelegd welke stappen moeten worden genomen om de doelstellingen te bereiken. De meerjarige programmering omvat een strategie voor de betrekkingen met derde landen en internationale organisaties, evenals de acties in verband met deze strategie.

4.   De meerjarige programmering wordt uitgevoerd door middel van jaarlijkse werkprogramma's en wordt, waar nodig, bijgewerkt op basis van de resultaten van een op grond van artikel 81 gevoerde evaluatie. De conclusies van deze evaluaties komen, waar nodig, ook tot uitdrukking in het jaarlijkse werkprogramma voor het komende jaar.

5.   Het jaarlijkse werkprogramma omvat een beschrijving van de te financieren activiteiten, met gedetailleerde doelstellingen en de te verwachte resultaten, waaronder prestatie-indicatoren. Het geeft voorts een indicatie van de financiële en personele middelen die aan iedere activiteit worden toegewezen overeenkomstig de beginselen van activiteitsgestuurde begroting en activiteitsgestuurd beheer. Het jaarlijkse werkprogramma is consistent met de meerjarige programmering. Het vermeldt duidelijk de taken die zijn toegevoegd, gewijzigd of geschrapt ten opzichte van het vorige begrotingsjaar.

6.   De vaststelling van het jaarlijkse werkprogramma geschiedt in overeenstemming met het wetgevingsprogramma van de Unie op de relevante gebieden van het beheer van de buitengrenzen en terugkeer.

7.   Indien het Agentschap na de vaststelling van het jaarlijkse werkprogramma een nieuwe taak krijgt toegewezen, wijzigt de raad van bestuur het jaarlijkse werkprogramma.

8.   Iedere wezenlijke wijziging van het jaarlijkse werkprogramma wordt vastgesteld volgens dezelfde procedure als die welke voor de vaststelling van het oorspronkelijke jaarlijkse werkprogramma geldt. De raad van bestuur kan aan de uitvoerend directeur de bevoegdheid delegeren om niet-essentiële wijzigingen in het jaarlijkse werkprogramma te maken.

Artikel 65

voorzitterschap van de raad van bestuur

1.   De raad van bestuur kiest uit zijn stemgerechtigde leden een voorzitter en een vicevoorzitter. De voorzitter en vicevoorzitter worden door de stemgerechtigde leden van de raad van bestuur met een tweederdemeerderheid gekozen. De vicevoorzitter vervangt ambtshalve de voorzitter wanneer deze is verhinderd zijn taken te verrichten.

2.   De ambtstermijn van de voorzitter en van de vicevoorzitter loopt af wanneer hun lidmaatschap van de raad van bestuur eindigt. Onverminderd deze bepaling bedraagt de duur van de ambtstermijn van de voorzitter of de vicevoorzitter vier jaar. Deze ambtstermijn kan eenmaal worden verlengd.

Artikel 66

Vergaderingen

1.   De voorzitter roept de raad van bestuur in vergadering bijeen.

2.   De uitvoerend directeur neemt zonder stemrecht deel aan de beraadslagingen.

3.   De raad van bestuur houdt ten minste twee gewone vergaderingen per jaar. Daarnaast komt de raad van bestuur bijeen op initiatief van de voorzitter, op verzoek van de Commissie of op verzoek van ten minste een derde van zijn leden.

4.   Ierland en het Verenigd Koninkrijk worden uitgenodigd om de vergaderingen van de raad van bestuur bij te wonen.

5.   De raad van bestuur kan een vertegenwoordiger van relevante instellingen, organen en instanties van de Unie uitnodigen.

6.   De raad van bestuur kan, overeenkomstig zijn reglement van orde, andere personen wier mening van belang kan zijn, uitnodigen de vergaderingen als waarnemer bij te wonen.

7.   De leden van de raad van bestuur kunnen zich, met inachtneming van de bepalingen van het reglement van orde van de raad van bestuur, laten bijstaan door adviseurs of deskundigen.

8.   Het secretariaat voor de raad van bestuur wordt verzorgd door het Agentschap.

Artikel 67

Stemming

1.   Onverminderd artikel 20, lid 4, artikel 62, lid 2, onder c), j) en l), artikel 65, lid 1, en artikel 69, leden 2 en 4, neemt de raad van bestuur zijn besluiten bij absolute meerderheid van zijn stemgerechtigde leden.

2.   Elk lid heeft één stem. Bij afwezigheid van een lid is zijn plaatsvervanger gerechtigd zijn stemrecht uit te oefenen. De uitvoerend directeur neemt niet aan de stemming deel.

3.   Het reglement van orde bepaalt de nadere regels van de stemprocedure. Het reglement stelt in het bijzonder onder welke voorwaarden een lid namens een ander lid kan handelen, en bevat ook eventuele quorumvoorschriften.

4.   De landen die betrokken zijn bij de uitvoering, toepassing en ontwikkeling van het Schengenacquis hebben beperkt stemrecht overeenkomstig de respectieve afspraken. Om de geassocieerde landen de mogelijkheid te bieden hun stemrecht uit te oefenen, specifieert het Agentschap in de agenda de punten waarvoor beperkt stemrecht is verleend.

Artikel 68

Taken en bevoegdheden van de uitvoerend directeur

1.   Het Agentschap wordt geleid door zijn uitvoerend directeur, die volledig onafhankelijk is in de uitoefening van zijn taken. Onverminderd de respectieve bevoegdheden van de instellingen van de Unie en de raad van bestuur vraagt noch aanvaardt de uitvoerend directeur instructies van een regering of andere instantie.

2.   Het Europees Parlement of de Raad kan de uitvoerend directeur verzoeken om verslag uit te brengen over de wijze waarop hij zijn taken uitvoert. Dit omvat verslaglegging over de uitvoering van en het toezicht op de grondrechtenstrategie, het jaarlijks activiteitenverslag van het Agentschap over het voorgaande jaar, het werkprogramma voor het komende jaar en het meerjarenplan van het Agentschap of over andere onderwerpen die verband houden met de activiteiten van het Agentschap. De uitvoerend directeur legt, indien daarom gevraagd, een verklaring af voor het Europees Parlement en brengt het Europees Parlement op gezette tijden verslag uit.

3.   De uitvoerend directeur is verantwoordelijk voor de voorbereiding en uitvoering van de door de raad van bestuur genomen strategische besluiten en voor het nemen van besluiten in verband met de operationele activiteiten van het Agentschap in overeenstemming met deze verordening. De uitvoerend directeur heeft de volgende functies en bevoegdheden:

a)

de door de raad van bestuur goedgekeurde strategische besluiten, programma's en activiteiten voorstellen, voorbereiden en uitvoeren binnen de grenzen die in deze verordening en de uitvoeringsbepalingen ervan, en in enig toepasselijk recht zijn uiteengezet;

b)

alle noodzakelijke stappen nemen, waaronder de vaststelling van interne administratieve instructies en de bekendmaking van mededelingen, om het dagelijks bestuur en functioneren van het Agentschap te waarborgen, overeenkomstig deze verordening;

c)

ieder jaar een programmeringsdocument voorbereiden en dat na raadpleging van de Commissie voorleggen aan de raad van bestuur;

d)

ieder jaar het jaarlijks verslag over de activiteiten van het Agentschap voorbereiden en aan de raad van bestuur voorleggen;

e)

een ontwerpraming opstellen van de ontvangsten en uitgaven van het Agentschap op grond van artikel 75 en de begroting uitvoeren op grond van artikel 76;

f)

zijn bevoegdheden aan andere personeelsleden van het Agentschap delegeren volgens de regels die overeenkomstig de procedure van artikel 62, lid 2, onder n), moeten worden vastgesteld;

g)

een aanbeveling vaststellen over maatregelen overeenkomstig artikel 13, lid 6, onder meer besluiten die voorstellen dat de lidstaten gezamenlijke operaties, snelle grensinterventies of andere acties als bedoeld in artikel 14, lid 2 starten of uitvoeren;

h)

de voorstellen van de lidstaten voor gezamenlijke operaties of snelle grensinterventies, overeenkomstig 15, lid 3, evalueren, goedkeuren en coördineren;

i)

de verzoeken van de lidstaten tot gezamenlijke terugkeeroperaties of terugkeerinterventies, overeenkomstig de artikelen 28 en 33, evalueren, goedkeuren en coördineren;

j)

de uitvoering van de in de artikelen 16 en 17 en artikel 33, lid 4, bedoelde operationele plannen waarborgen;

k)

het verzoek van een lidstaat om bijstand van de ondersteuningsteams voor migratiebeheer en de behoeften van deze lidstaat beoordelen, in coördinatie met de relevante agentschappen van de Unie overeenkomstig artikel 18, lid 2;

l)

de uitvoering van het in artikel 19, lid 1, bedoelde besluit van de Raad waarborgen;

m)

de financiering van activiteiten intrekken, overeenkomstig artikel 25;

n)

de resultaten van activiteiten evalueren, overeenkomstig artikel 26;

o)

overeenkomstig de behoeften van het Agentschap de minimale hoeveelheid technische uitrusting per artikel vaststellen, in het bijzonder voor het uitvoeren van gezamenlijke operaties, de inzet van ondersteuningsteams voor migratiebeheer, snelle grensinterventies, terugkeerinterventies en terugkeeroperaties, overeenkomstig artikel 39, lid 5;

p)

een actieplan opstellen voor de follow-up van de conclusies van interne en externe auditverslagen en evaluaties alsmede van de onderzoeken van OLAF, en aan de Commissie tweemaal per jaar en aan de raad van bestuur op regelmatige basis verslag uitbrengen over de voortgang;

q)

de financiële belangen van de Unie beschermen aan de hand van de toepassing van maatregelen ter voorkoming van fraude, corruptie en andere onwettige activiteiten, door middel van effectieve controles en, indien onregelmatigheden worden vastgesteld, door terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen en, waar nodig, het opleggen van doeltreffende, evenredige en afschrikkende administratieve en financiële sancties;

r)

een fraudebestrijdingsstrategie van het Agentschap opstellen en het ter goedkeuring voorleggen aan de raad van bestuur.

4.   De uitvoerend directeur legt aan de raad van bestuur verantwoording af over zijn werkzaamheden.

5.   De uitvoerend directeur treedt op als wettelijke vertegenwoordiger van het Agentschap.

Artikel 69

Benoeming van de uitvoerend directeur en de plaatsvervangend uitvoerend directeur

1.   De Commissie draagt minstens drie kandidaten voor de post van uitvoerend directeur voor op basis van een lijst die is opgesteld na bekendmaking van de post in het Publicatieblad van de Europese Unie en in voorkomend geval in de pers of via internet.

2.   De uitvoerend directeur wordt benoemd door de raad van bestuur op grond van zijn verdiensten en zijn met bewijsstukken gestaafde sterke bestuurlijke en leidinggevende vaardigheden, met inbegrip van zijn ruime relevante ervaring op het gebied van het beheer van de buitengrenzen en terugkeer. Vóór de aanstelling worden de door de raad van bestuur voorgestelde kandidaten verzocht een verklaring voor de bevoegde commissie(s) van het Europees Parlement af te leggen en de vragen van de commissieleden te beantwoorden.

Na deze verklaring neemt het Europees Parlement een advies aan waarin het zijn mening en voorkeur voor een kandidaat geeft.

De raad van bestuur benoemt de uitvoerend directeur, waarbij hij rekening houdt met deze meningen. De raad van bestuur neemt zijn besluit met een meerderheid van twee derde van alle stemgerechtigde leden.

Als de raad van bestuur besluit een andere kandidaat aan te stellen dan de kandidaat voor wie het Europees Parlement zijn voorkeur had uitgesproken, laat de raad van bestuur het Europees Parlement en de Raad schriftelijk weten hoe met het advies van het Europees Parlement werd rekening gehouden.

De bevoegdheid om de uitvoerend directeur te ontslaan, berust bij de raad van bestuur, die handelt op basis van een voorstel van de Commissie.

3.   De uitvoerend directeur wordt bijgestaan door een plaatsvervangend uitvoerend directeur. Indien de uitvoerend directeur afwezig of verhinderd is, neemt de plaatsvervangend uitvoerend directeur zijn plaats in.

4.   De plaatsvervangend uitvoerend directeur wordt, op voorstel van de uitvoerend directeur, door de raad van bestuur benoemd. De plaatsvervangend uitvoerend directeur wordt benoemd op grond van zijn verdiensten en zijn met bewijsstukken gestaafde passende bestuurlijke en leidinggevende vaardigheden, met inbegrip van zijn relevante ervaring op het gebied van het beheer van de buitengrenzen en terugkeer. De uitvoerend directeur stelt minstens drie kandidaten voor de post van plaatsvervangend uitvoerend directeur voor. De raad van bestuur neemt zijn besluit met een meerderheid van twee derde van alle stemgerechtigde leden.

De raad van bestuur heeft de bevoegdheid om de plaatsvervangend uitvoerend directeur te ontslaan, overeenkomstig de in de eerste alinea omschreven procedure.

5.   De ambtstermijn van de uitvoerend directeur bedraagt vijf jaar. Aan het einde van deze termijn voert de Commissie een beoordeling uit waarbij rekening wordt gehouden met een evaluatie van de door de uitvoerend directeur bereikte resultaten en de toekomstige taken en uitdagingen van het Agentschap.

6.   Op grond van een voorstel van de Commissie dat rekening houdt met de in lid 5 bedoelde beoordeling, kan de raad van bestuur de ambtstermijn van de uitvoerend directeur eenmaal verlengen, met ten hoogste vijf jaar.

7.   De ambtstermijn van de plaatsvervangend uitvoerend directeur bedraagt vijf jaar. Deze ambtstermijn kan door de raad van bestuur eenmaal worden verlengd met een periode van ten hoogste vijf jaar.

Artikel 70

Adviesforum

1.   Het Agentschap richt een adviesforum op dat de uitvoerend directeur en de raad van bestuur met onafhankelijk advies bijstaat op het gebied van grondrechten.

2.   Het Agentschap nodigt het EASO, het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, het Hoge Commissariaat van de Verenigde Naties voor vluchtelingen en andere relevante organisaties uit aan het Adviesforum deel te nemen. Op voorstel van de uitvoerend directeur besluit de raad van bestuur over de samenstelling en over de nadere voorwaarden betreffende het toezenden van informatie aan het adviesforum. Het adviesforum stelt, na raadpleging van de raad van bestuur en de uitvoerend directeur, zijn werkmethoden vast en stelt zijn werkprogramma op.

3.   Het adviesforum wordt geraadpleegd over de verdere ontwikkelingen en uitvoering van de grondrechtenstrategie, de opzet van het klachtenmechanisme, de gedragscodes en de gemeenschappelijke basisinhoud voor de opleidingen.

4.   Het adviesforum stelt een jaarverslag van zijn activiteiten op. Dat verslag wordt openbaar gemaakt.

5.   Onverminderd de bevoegdheden van de grondrechtenfunctionaris heeft het adviesforum daadwerkelijk toegang tot alle informatie met betrekking tot de eerbiediging van de grondrechten, hetgeen onder meer inhoudt dat het gezamenlijke operaties, snelle grensinterventies, ter plaatse kan bezoeken indien de ontvangende lidstaat dat toestaat, alsook hotspotgebieden, terugkeeroperaties en terugkeerinterventies.

Artikel 71

Grondrechtenfunctionaris

1.   De raad van bestuur stelt een grondrechtenfunctionaris aan. Hij heeft de taak bij te dragen tot de grondrechtenstrategie, toe te zien op de naleving van de grondrechten binnen het Agentschap en de eerbiediging ervan te bevorderen. De grondrechtenfunctionaris beschikt over de nodige kwalificaties en ervaring op het gebied van grondrechten.

2.   De grondrechtenfunctionaris is onafhankelijk in de uitvoering van zijn taken als grondrechtenfunctionaris. Hij rapporteert rechtstreeks aan de raad van bestuur en werkt samen het adviesforum. De grondrechtenfunctionaris brengt regelmatig verslag uit en draagt aldus bij tot het mechanisme voor toezicht op de grondrechten.

3.   De grondrechtenfunctionaris wordt geraadpleegd met betrekking tot de overeenkomstig de artikelen 16, 17, en 28 en artikel 33, lid 4, opgestelde operationele plannen. Hij heeft toegang tot alle informatie inzake de eerbiediging van de grondrechten bij alle activiteiten van het Agentschap.

Artikel 72

Klachtenmechanisme

1.   Het Agentschap neemt in samenwerking met de grondrechtenfunctionaris de nodige maatregelen om overeenkomstig dit artikel een klachtenmechanisme in te stellen teneinde de eerbiediging van de grondrechten bij alle activiteiten van het Agentschap te monitoren en te waarborgen.

2.   Iedere persoon die rechtstreeks de gevolgen ondervindt van de acties van het personeel dat betrokken is bij een gezamenlijke operatie, proefproject, snelle grensinterventie, de inzet van een ondersteuningsteam voor migratiebeheer, een terugkeeroperatie of terugkeerinterventie en van mening is dat met deze acties zijn grondrechten zijn geschonden, of iedere partij die een dergelijke persoon vertegenwoordigt, kan schriftelijk een klacht indienen bij het Agentschap.

3.   Uitsluitend voldoende gemotiveerde klachten in verband met concrete schendingen van de grondrechten zijn ontvankelijk.

4.   De grondrechtenfunctionaris wordt belast met de behandeling van door het Agentschap ontvangen klachten overeenkomstig het recht op behoorlijk bestuur. Daartoe onderzoekt de grondrechtenfunctionaris de ontvankelijkheid van een klacht, registreert ontvankelijke klachten, zendt alle geregistreerde klachten door aan de uitvoerend directeur, zendt klachten betreffende leden van de teams door aan de lidstaat van herkomst, informeert de desbetreffende autoriteit of instantie die bevoegd is voor grondrechten in een lidstaat, en registreert en waarborgt welke follow-up het Agentschap of de lidstaat daaraan geeft.

5.   Overeenkomstig het recht op behoorlijk bestuur worden de klagers, wanneer hun klacht ontvankelijk is, ervan in kennis gesteld dat de klacht is geregistreerd, een beoordeling is gestart en het antwoord zal worden gestuurd zodra het beschikbaar is. Als een klacht aan de nationale autoriteiten of organen wordt gezonden, worden hun contactgegevens aan de klager meegedeeld. Als een klacht niet ontvankelijk is, worden de klagers in kennis gesteld van de redenen daarvoor en wordt hen, indien mogelijk, gewezen op verdere mogelijkheden om verhaal te zoeken.

Elk besluit wordt schriftelijk en onderbouwd overgelegd.

6.   Wanneer een klacht met betrekking tot een personeelslid van het Agentschap wordt geregistreerd, zorgt de uitvoerend directeur, in overleg met de grondrechtenfunctionaris, voor passende follow-up, met inbegrip van disciplinaire maatregelen, waar nodig. De uitvoerend directeur brengt binnen een bepaalde termijn aan de grondrechtenfunctionaris verslag uit over de bevindingen en de follow-up die het Agentschap aan de klacht heeft gegeven, met inbegrip van disciplinaire maatregelen, waar nodig.

Wanneer een klacht betrekking heeft op gegevensbescherming, betrekt de uitvoerend directeur de functionaris voor gegevensbescherming van het Agentschap bij de kwestie. De grondrechtenfunctionaris en de functionaris voor gegevensbescherming stellen een schriftelijk memorandum van overeenstemming op met daarin hun taakverdeling en samenwerking voor ontvangen klachten.

7.   Indien een klacht met betrekking tot een grenswachter van een ontvangende lidstaat of een teamlid wordt geregistreerd, daaronder ook begrepen een gedetacheerd teamlid of een gedetacheerde nationale deskundige, zorgt de lidstaat van herkomst voor passende follow-up, met inbegrip van disciplinaire maatregelen, waar nodig, of andere maatregelen overeenkomstig het nationaal recht. De betrokken lidstaat brengt binnen een bepaalde termijn en vervolgens, indien nodig, op regelmatige tijdstippen aan de grondrechtenfunctionaris verslag uit over de bevindingen en de follow-up die aan de klacht is gegeven. Het Agentschap volgt de kwestie als van de betrokken lidstaat geen verslag werd ontvangen.

8.   Wanneer schendingen van de grondrechten of de internationale verplichtingen op het gebied van bescherming door een grenswachter of een gedetacheerde nationale deskundige worden vastgesteld, kan het Agentschap de lidstaat verzoeken om deze grenswachter of gedetacheerde nationale deskundige onverwijld van de activiteit van het Agentschap of de snel inzetbare pool uit te sluiten.

9.   De grondrechtenfunctionaris brengt aan de uitvoerend directeur en de raad van bestuur verslag uit over de bevindingen van het Agentschap en de lidstaten en de follow-up die het Agentschap en de lidstaten aan de klachten hebben gegeven. Het Agentschap neemt in zijn jaarverslag informatie op over het klachtenmechanisme.

10.   De grondrechtenfunctionaris stelt in overeenstemming met de in leden 1 tot 9 bedoelde bepalingen na raadpleging van het adviesforum een standaardformulier voor klachten op, waarin wordt gevraagd naar nauwkeurige en specifieke informatie met betrekking tot de vermeende schending van de grondrechten. Zo nodig stelt de grondrechtenfunctionaris bijkomende gedetailleerde regels op. De grondrechtenfunctionaris dient het formulier en dergelijke bijkomende gedetailleerde regels in bij de uitvoerend directeur en de raad van bestuur.

Het Agentschap zorgt ervoor dat informatie over de mogelijkheid en de procedure om een klacht in te dienen, gemakkelijk beschikbaar is, ook voor kwetsbare personen. Het standaardklachtenformulier wordt beschikbaar gesteld op de website van het Agentschap en op papier tijdens alle activiteiten van het Agentschap in talen die onderdanen van derde landen begrijpen of waarvan redelijkerwijs wordt aangenomen dat ze die begrijpen. De grondrechtenfunctionaris onderzoekt klachten ook wanneer deze niet via het standaardformulier zijn ingediend.

11.   Alle persoonsgegevens die in een klacht worden vermeld, worden behandeld en verwerkt door het Agentschap, met inbegrip van de grondrechtenfunctionaris, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 45/2001 en door de lidstaten overeenkomstig Richtlijn 95/46/EG en Kaderbesluit 2008/977/JBZ.

Als een klager een klacht indient, wordt hij verondersteld in te stemmen met de verwerking van zijn persoonsgegevens door het Agentschap en de grondrechtenfunctionaris in de zin van artikel 5, onder d), van Verordening (EG) nr. 45/2001.

Om de belangen van klagers te waarborgen, worden klachten door de grondrechtenfunctionaris vertrouwelijk in overeenstemming met het nationale en het Unierecht behandeld, tenzij de klager expliciet afstand doet van zijn recht op vertrouwelijke behandeling. Wanneer een klager afstand doet van zijn recht op vertrouwelijke behandeling, wordt aangenomen dat hij ermee instemt dat de grondrechtenfunctionaris of het Agentschap zijn identiteit met betrekking tot de inhoud van de klacht bekendmaakt aan de bevoegde autoriteiten of organen, indien nodig.

Artikel 73

Talenregeling

1.   De bepalingen van Verordening nr. 1 (36) zijn van toepassing op het Agentschap.

2.   Onverminderd de besluiten die op grond van artikel 342 VWEU worden genomen, worden het jaarlijkse activiteitenverslag en het werkprogramma zoals bedoeld in artikel 62, lid 2, onder i) en j), in alle officiële talen van de Unie opgesteld.

3.   De voor het functioneren van het Agentschap vereiste vertaaldiensten worden geleverd door het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie.

Artikel 74

Transparantie en communicatie

1.   Bij de behandeling van verzoeken om toegang tot documenten in zijn bezit past het Agentschap Verordening (EG) nr. 1049/2001 toe.

2.   Het Agentschap communiceert op eigen initiatief over de aangelegenheden die binnen het bereik van zijn taken vallen. Het maakt relevante informatie inclusief het in artikel 62, lid 2, onder i), bedoelde jaarlijkse activiteitenverslag openbaar en draagt er, onverminderd artikel 50, met name zorg voor dat het publiek en alle belanghebbende partijen snel objectieve, nauwkeurige, betrouwbare en begrijpelijke informatie omtrent zijn werk ontvangen. Daarbij geeft het geen operationele gegevens prijs die, eenmaal openbaar, het bereiken van de doelstelling van de operaties in gevaar zouden brengen.

3.   De raad van bestuur stelt de praktische regelingen voor de toepassing van de leden 1 en 2 vast.

4.   Elke natuurlijke of rechtspersoon heeft het recht zich schriftelijk in één van de officiële talen van de Unie tot het Agentschap te richten. Hij heeft het recht een antwoord in dezelfde taal te ontvangen.

5.   Tegen de beslissingen die het Agentschap op grond van artikel 8 van Verordening (EG) nr. 1049/2001 neemt, kan een klacht worden ingediend bij de Europese Ombudsman of beroep worden ingesteld bij het Hof van Justitie van de Europese Unie, volgens de respectievelijk in de artikelen 228 en 263 VWEU bepaalde voorwaarden.

Afdeling 5

Financiële voorschriften

Artikel 75

Begroting

1.   De ontvangsten van het Agentschap bestaan, onverminderd andere ontvangsten, uit:

a)

een in de algemene begroting van de Europese Unie (afdeling Commissie) opgevoerde subsidie van de Unie;

b)

een bijdrage van de landen die betrokken zijn bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis, als vastgelegd in de respectieve regelingen ter specificering van hun financiële bijdrage;

c)

financiering van de Unie in de vorm van delegatieovereenkomsten of ad hoc-subsidies in overeenstemming met de in artikel 79 bedoelde financiële regeling van het Agentschap en met de bepalingen van de relevante instrumenten ter ondersteuning van het beleid van de Unie;

d)

vergoedingen voor geleverde diensten;

e)

eventuele vrijwillige bijdragen van de lidstaten.

2.   De uitgaven van het Agentschap bestaan uit administratieve, infrastructuur- en operationele en personele kosten.

3.   De uitvoerend directeur stelt een ontwerpraming op van de ontvangsten en uitgaven van het Agentschap voor het volgende begrotingsjaar, waarin een personeelsformatie is opgenomen, en zendt deze toe aan de raad van bestuur.

4.   De ontvangsten en uitgaven zijn in evenwicht.

5.   De raad van bestuur keurt op basis van de door de uitvoerend directeur opgestelde ontwerpraming een voorlopige ontwerpraming van de ontvangsten en uitgaven van het Agentschap goed, met inbegrip van de voorlopige personeelsformatie. De raad van bestuur zendt deze samen met het ontwerp voor een enkelvoudig programmeringsdocument uiterlijk 31 januari toe aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie.

6.   De raad van bestuur zendt de definitieve ontwerpraming van de ontvangsten en uitgaven van het Agentschap, met inbegrip van de voorlopige personeelsformatie, samen met het voorlopige werkprogramma uiterlijk 31 maart toe aan de Commissie.

7.   De raming wordt samen met het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie door de Commissie ingediend bij de begrotingsautoriteit.

8.   Op basis van deze raming neemt de Commissie de geraamde bedragen die zij nodig acht voor de personeelsformatie en het bedrag van de subsidie ten laste van de algemene begroting op in het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie, dat zij overeenkomstig de artikelen 313 en 314 VWEU voorlegt aan de begrotingsautoriteit.

9.   De begrotingsautoriteit keurt de kredieten voor de subsidie ten behoeve van het Agentschap goed.

De begrotingsautoriteit stelt de personeelsformatie van het Agentschap vast.

10.   De raad van bestuur stelt de begroting van het Agentschap vast. De begroting wordt definitief na de definitieve vaststelling van de algemene begroting van de Europese Unie. De begroting wordt zo nodig dienovereenkomstig aangepast.

11.   Voor elke wijziging van de begroting, met inbegrip van de personeelsformatie, wordt dezelfde procedure gevolgd.

12.   Op bouwprojecten die aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor de begroting van het Agentschap, zijn de bepalingen van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie (37) van toepassing.

13.   Met het oog op de financiering van de inzet van snelle grensinterventies en terugkeerinterventies behelst de door de raad van bestuur goedgekeurde begroting van het Agentschap een financiële operationele reserve van ten minste 4 % van de toewijzing voor de operationele activiteiten. Op 1 oktober van elk jaar zou ten minste een vierde van de reserve nog aanwezig moeten zijn om de behoeften te dekken die tot het einde van het jaar ontstaan.

Artikel 76

Uitvoering en controle van de begroting

1.   De uitvoerend directeur voert de begroting van het Agentschap uit.

2.   Uiterlijk op 1 maart van een begrotingsjaar jaar N + 1 dient de rekenplichtige van het Agentschap de voorlopige rekeningen voor het begrotingsjaar N in bij de rekenplichtige van de Commissie en bij de Rekenkamer. De rekenplichtige van de Commissie consolideert de voorlopige rekeningen van de instellingen en de gedecentraliseerde organen overeenkomstig artikel 147 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad (38).

3.   Het Agentschap zendt uiterlijk 31 maart van het jaar N + 1 een verslag over het budgettair en financieel beheer voor het jaar N toe aan het Europees Parlement, de Raad en de Rekenkamer.

4.   De rekenplichtige van de Commissie zendt de voorlopige rekeningen van het Agentschap voor het jaar N, die met de rekeningen van de Commissie zijn geconsolideerd, uiterlijk 31 maart van het jaar N + 1 aan de Rekenkamer toe.

5.   Na ontvangst van de opmerkingen van de Rekenkamer over de voorlopige rekeningen van het Agentschap voor het jaar N, overeenkomstig artikel 148 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012, stelt de uitvoerend directeur onder zijn eigen verantwoordelijkheid de definitieve rekeningen van het Agentschap op en legt hij deze voor advies aan de raad van bestuur voor.

6.   De raad van bestuur brengt een advies uit over de definitieve rekeningen van het Agentschap voor het jaar N.

7.   Uiterlijk 1 juli van het jaar N + 1 dient de uitvoerend directeur de definitieve rekeningen met het advies van de raad van bestuur in bij het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer.

8.   De definitieve rekeningen voor het jaar N worden uiterlijk 15 november van het jaar N + 1 bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

9.   De uitvoerend directeur dient uiterlijk 30 september van het jaar N + 1 een antwoord op de opmerkingen van de Rekenkamer in bij deze instelling. Hij zendt dit antwoord ook toe aan de raad van bestuur.

10.   De uitvoerend directeur verstrekt het Europees Parlement op verzoek alle inlichtingen die nodig zijn voor het goede verloop van de kwijtingsprocedure voor het jaar N, overeenkomstig artikel 165, lid 3, van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012.

11.   Vóór 15 mei van het jaar N + 2 verleent het Europees Parlement op aanbeveling van de Raad, die met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit, de uitvoerend directeur kwijting voor de uitvoering van de begroting van het jaar N.

Artikel 77

Fraudebestrijding

1.   Met het oog op de bestrijding van fraude, corruptie en andere onwettige activiteiten zijn de bepalingen van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 onverminderd van toepassing. Het Agentschap treedt toe tot het Interinstitutioneel Akkoord van 25 mei 1999 betreffende de interne onderzoeken verricht door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en stelt op basis van het model in de bijlage bij dat akkoord onmiddellijk passende regels op die op alle personeelsleden van het Agentschap van toepassing zijn.

2.   De Rekenkamer is bevoegd om audits te verrichten, op basis van documenten en inspecties ter plaatse, bij alle begunstigden, contractanten en subcontractanten die van het Agentschap middelen van de Unie hebben ontvangen.

3.   OLAF kan overeenkomstig de bepalingen en procedures van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad (39) onderzoeken verrichten, waaronder controles en inspecties ter plaatse, om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad in verband met een subsidieovereenkomst of een subsidiebesluit of een door het Agentschap gefinancierde overeenkomst.

4.   Onverminderd de leden 1, 2 en 3 bevatten samenwerkingsovereenkomsten met derde landen en met internationale organisaties, contracten, subsidieovereenkomsten en subsidiebesluiten van het Agentschap bepalingen die de Rekenkamer en OLAF uitdrukkelijk de bevoegdheid verlenen dergelijke audits en onderzoeken binnen hun respectieve bevoegdheden te verrichten.

Artikel 78

Voorkoming van belangenconflicten

Het Agentschap stelt interne voorschriften vast die van leden van zijn organen en personeelsleden vergen dat zij gedurende hun dienst of ambtstermijn situaties vermijden die aanleiding kunnen geven tot belangenconflicten en dat zij deze situaties rapporteren.

Artikel 79

Financiële bepaling

De financiële regeling die van toepassing is op het Agentschap wordt vastgesteld door de raad van bestuur, na raadpleging van de Commissie. Deze financiële regeling wijkt niet af van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 tenzij dit in verband met de werking van het Agentschap specifiek vereist is en de Commissie vooraf toestemming heeft verleend.

HOOFDSTUK IV

Wijziging

Artikel 80

Wijziging van Verordening (EU) 2016/399

In artikel 29 van Verordening (EU) 2016/399 wordt lid 1 vervangen door:

„1.   In uitzonderlijke omstandigheden, waarbij als gevolg van aanhoudende ernstige gebreken met betrekking tot het buitengrenstoezicht, zoals bedoeld in artikel 21 van deze verordening of als gevolg van de niet-eerbiediging door een lidstaat van een besluit van de Raad als bedoeld in artikel 19, lid 1, van Verordening (EU) 2016/1624 van het Europees Parlement en van de Raad (*) +, de algemene werking van de ruimte zonder binnengrenstoezicht in gevaar komt, en voor zover die omstandigheden een ernstige bedreiging vormen voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid binnen de ruimte zonder binnengrenstoezicht of binnen delen daarvan, kan, in overeenstemming met lid 2 van dit artikel, het grenstoezicht aan de binnengrenzen opnieuw worden ingevoerd voor een periode van ten hoogste zes maanden. Die periode mag, indien de uitzonderlijke omstandigheden aanhouden, ten hoogste driemaal met een bijkomende periode van ten hoogste zes maanden worden verlengd.

HOOFDSTUK V

Slotbepalingen

Artikel 81

Evaluatie

1.   Uiterlijk op 7 oktober 2019 en vervolgens om de vier jaar geeft de Commissie opdracht tot een onafhankelijke externe evaluatie ter beoordeling van met name:

a)

de door het Agentschap bereikte resultaten vanuit de doelstellingen, de opdracht en de taken ervan;

b)

het effect, de effectiviteit en doelmatigheid van de activiteiten van het Agentschap en de werkmethoden ervan in het licht van de doelstellingen, de opdracht en de taken van het Agentschap;

c)

de tenuitvoerlegging van Europese samenwerking op het gebied van kustwachttaken;

d)

de mogelijke vraag of de opdracht van het Agentschap moet worden gewijzigd;

e)

de financiële gevolgen van dergelijke wijzigingen.

De evaluatie omvat een specifieke analyse van de wijze waarop het Handvest en ander relevant Unierecht bij de toepassing van de verordening is nageleefd.

2.   De Commissie zendt het evaluatieverslag samen met haar conclusies over het verslag toe aan het Europees Parlement, de Raad en de raad van bestuur. De raad van bestuur kan aan de Commissie aanbevelingen over wijzigingen van deze verordening doen. Het evaluatieverslag en de conclusies over het verslag worden openbaar gemaakt.

Artikel 82

Intrekking

1.   Verordeningen (EG) nr. 2007/2004 en (EG) nr. 863/2007 en Beschikking 2005/267/EG worden ingetrokken.

2.   Verwijzingen naar Verordening (EG) nr. 2007/2004 gelden als verwijzingen naar deze verordening en worden gelezen overeenkomstig de concordantietabel in bijlage II.

Artikel 83

Inwerkingtreding en toepasselijkheid

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 20, leden 5 en 6, en het artikel 39, lid 7, zijn van toepassing met ingang van 7 december 2016. De artikelen 29, 30, 31 en 32 zijn van toepassing met ingang van 7 januari 2017.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te Straatsburg, 14 september 2016.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

I. KORČOK


(1)  PB C 303 van 19.8.2016, blz. 109.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 6 juli 2016 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 14 september 2016.

(3)  Verordening (EG) nr. 2007/2004 van de Raad van 26 oktober 2004 tot oprichting van een Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie (PB L 349 van 25.11.2004, blz. 1).

(4)  Richtlijn 2002/90/EG van de Raad van 28 november 2002 tot omschrijving van hulpverlening bij illegale binnenkomst, illegale doortocht en illegaal verblijf (PB L 328 van 5.12.2002, blz. 17).

(5)  Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) (PB L 77 van 23.3.2016, blz. 1).

(6)  Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB L 348 van 24.12.2008, blz. 98).

(7)  Verordening (EG) nr. 768/2005 van de Raad van 26 april 2005 tot oprichting van een Communautair Bureau voor visserijcontrole en houdende wijziging van Verordening (EEG) nr. 2847/93 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid (PB L 128 van 21.5.2005, blz. 1).

(8)  Verordening (EG) nr. 1406/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2002 tot oprichting van een Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (PB L 208 van 5.8.2002, blz. 1).

(9)  Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).

(10)  PB L 136 van 31.5.1999, blz. 15.

(11)  Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43).

(12)  Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).

(13)  Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31).

(14)  Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad van 27 november 2008 over de bescherming van persoonsgegevens die worden verwerkt in het kader van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken (PB L 350 van 30.12.2008, blz. 60).

(15)  PB L 176 van 10.7.1999, blz. 36.

(16)  Besluit 1999/437/EG van de Raad van 17 mei 1999 inzake bepaalde toepassingsbepalingen van de door de Raad van de Europese Unie, de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen gesloten overeenkomst inzake de wijze waarop deze twee staten worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (PB L 176 van 10.7.1999, blz. 31).

(17)  PB L 188 van 20.7.2007, blz. 19.

(18)  PB L 53 van 27.2.2008, blz. 52.

(19)  Besluit 2008/146/EG van de Raad van 28 januari 2008 betreffende de sluiting namens de Europese Gemeenschap van de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (PB L 53 van 27.2.2008, blz. 1).

(20)  PB L 160 van 18.6.2011, blz. 21.

(21)  Besluit 2011/350/EU van de Raad van 7 maart 2011 betreffende de sluiting namens de Europese Unie van het Protocol tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein betreffende de toetreding van het Vorstendom Liechtenstein tot de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis betreffende de afschaffing van controles aan de binnengrenzen en het verkeer van personen (PB L 160 van 18.6.2011, blz. 19).

(22)  PB L 243 van 16.9.2010, blz. 4.

(23)  Besluit 2000/365/EG van de Raad van 29 mei 2000 betreffende het verzoek van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland deel te mogen nemen aan enkele van de bepalingen van het Schengenacquis (PB L 131 van 1.6.2000, blz. 43).

(24)  Besluit 2002/192/EG van de Raad van 28 februari 2002 betreffende het verzoek van Ierland deel te mogen nemen aan bepalingen van het Schengenacquis (PB L 64 van 7.3.2002, blz. 20).

(25)  PB C 186 van 25.5.2016, blz. 10.

(26)  Verordening (EG) nr. 863/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 tot instelling van een mechanisme voor de oprichting van snellegrensinterventieteams en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2007/2004 van de Raad wat betreft dat mechanisme en de regeling van de taken en bevoegdheden van uitgezonden functionarissen (PB L 199 van 31.7.2007, blz. 30).

(27)  Beschikking 2005/267/EG van de Raad van 16 maart 2005 betreffende de totstandbrenging van een beveiligd op internet gebaseerd informatie- en coördinatienetwerk voor de migratiebeheersdiensten van de lidstaten (PB L 83 van 1.4.2005, blz. 48).

(28)  Verordening (EU) nr. 656/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van regels voor de bewaking van de zeebuitengrenzen in het kader van de operationele samenwerking gecoördineerd door het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie (PB L 189 van 27.6.2014, blz. 93).

(29)  Verordening (EU) nr. 1052/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 tot instelling van het Europees grensbewakingssysteem (Eurosur) (PB L 295 van 6.11.2013, blz. 11).

(30)  Beschikking 2008/381/EG van de Raad van 14 mei 2008 betreffende het opzetten van een Europees migratienetwerk (PB L 131 van 21.5.2008, blz. 7).

(31)  Verordening (EU) nr. 515/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot vaststelling, als onderdeel van het Fonds voor interne veiligheid, van het instrument voor financiële steun voor de buitengrenzen en visa en tot intrekking van Beschikking nr. 574/2007/EG (PB L 150 van 20.5.2014, blz. 143).

(32)  Besluit 2013/488/EU van de Raad van 23 september 2013 betreffende beveiligingsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie (PB L 274 van 15.10.2013, blz. 1).

(33)  Besluit (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie van 13 maart 2015 betreffende de veiligheidsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie (PB L 72 van 17.3.2015, blz. 53).

(34)  Verordening (EG) nr. 377/2004 van de Raad van 19 februari 2004 betreffende de oprichting van een netwerk van immigratieverbindingsfunctionarissen (PB L 64 van 2.3.2004, blz. 1).

(35)  PB L 56 van 4.3.1968, blz. 1.

(36)  Verordening nr. 1 van 15 april 1958 tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap (PB 17 van 6.10.1958, blz. 385).

(37)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie van 30 september 2013 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 208 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 328 van 7.12.2013, blz. 42).

(38)  Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1).

(39)  Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).


BIJLAGE I

TABEL MET DE BIJDRAGE DIE ELKE LIDSTAAT MOET LEVEREN, TOT AAN HET MINIMUMAANTAL VAN 1 500 GRENSWACHTERS EN ANDER RELEVANT PERSONEEL, OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 20, LID 5

België

30

Bulgarije

40

Tsjechië

20

Denemarken

29

Duitsland

225

Estland

18

Griekenland

50

Spanje

111

Frankrijk

170

Kroatië

65

Italië

125

Cyprus

8

Letland

30

Litouwen

39

Luxemburg

8

Hongarije

65

Malta

6

Nederland

50

Oostenrijk

34

Polen

100

Portugal

47

Roemeniė

75

Sloveniė

35

Slowakije

35

Finland

30

Zweden

17

Zwitserland

16

IJsland

2

Liechtenstein

 (*)

Noorwegen

20

Totaal

1 500


(*)  Liechtenstein zal een evenredige bijdrage leveren in de vorm van financiële ondersteuning.


BIJLAGE II

CONCORDANTIETABEL

Verordening (EG) nr. 2007/2004

Deze verordening

Artikel 1

Artikel 1, lid 1

Artikel 1, lid 2, eerste alinea

Artikel 1, lid 2, tweede alinea

Artikel 6, lid 3, artikel 34, leden 1 en 4

Artikel 1, lid 3

Artikel 1 bis, inleidend gedeelte

Artikel 2, inleidend gedeelte

Artikel 1 bis, punt 1

Artikel 2, punt 1

Artikel 2, punten 2 en 3

Artikel 1 bis, punt 1 bis

Artikel 2, punt 4

Artikel 1 bis, punt 2

Artikel 2, punt 5

Artikel 1 bis, punt 3

Artikel 2, punt 6

Artikel 2, punt 7

Artikel 1 bis, punt 4

Artikel 2, punt 8

Artikel 1 bis, punt 5

Artikel 1 bis, punt 6

Artikel 2, punten 9 tot en met 16

Artikelen 3 tot en met 5

Artikel 6, leden 1 en 2

Artikel 7

Artikel 2, lid 1, inleidend gedeelte

Artikel 8, lid 1, inleidend gedeelte

Artikel 8, lid 1, onder a) tot en met c)

Artikel 2, lid 1, onder a)

Artikel 2, lid 1, onder b)

Artikel 8, lid 1, onder p)

Artikel 2, lid 1, onder c)

Artikel 2, lid 1, onder d)

Artikel 8, lid 1, onder q)

Artikel 2, lid 1, onder d bis)

Artikel 8, lid 1, onder d)

Artikel 2, lid 1, onder e)

Artikel 8, lid 1, onder e)

Artikel 8, lid 1, onder f)

Artikel 2, lid 1, onder e bis)

Artikel 8, lid 1, onder g)

Artikel 8, lid 1, onder h) tot en met o)

Artikel 2, lid 1, onder f)

Artikel 2, lid 1, onder g)

Artikel 2, lid 1, onder h)

Artikel 8, lid 1, onder r)

Artikel 2, lid 1, onder i)

Artikel 8, lid 1, onder s)

Artikel 8, lid 1, onder t) en u)

Artikel 2, lid 1 bis

Artikel 34, leden 2 en 3

Artikel 2, lid 2

Artikel 8, lid 2

Artikel 8, lid 3

Artikel 9

Artikel 10

Artikel 2 bis

Artikel 35

Artikel 3, lid 1, eerste en vierde alinea

Artikel 15, lid 3

Artikel 3, lid 1, tweede alinea

Artikel 3, lid 1, derde alinea

Artikel 15, lid 4

Artikel 3, lid 1 bis, eerste alinea

Artikel 25, lid 1

Artikel 3, lid 1 bis, tweede alinea

Artikel 25, lid 2

Artikel 3, lid 1 bis, derde alinea

Artikel 21, lid 5

Artikel 3, lid 1 bis, vierde alinea

Artikel 25, lid 4

Artikel 3, lid 1 ter

Artikel 3, lid 2

Artikel 3, lid 3

Artikel 26

Artikel 3, lid 4

Artikel 3, lid 5

Artikel 3 bis, lid 1, eerste alinea

Artikel 16, lid 2

Artikel 3 bis, lid 1, tweede alinea, inleidend gedeelte

Artikel 16, lid 3, inleidend gedeelte

Artikel 3 bis, lid 1, tweede alinea, onder a)

Artikel 16, lid 3, onder a)

Artikel 3 bis, lid 1, tweede alinea, onder b)

Artikel 16, lid 3, onder b)

Artikel 3 bis, lid 1, tweede alinea, onder c)

Artikel 16, lid 3, onder c)

Artikel 3 bis, lid 1, tweede alinea, onder d)

Artikel 16, lid 3, onder d)

Artikel 3 bis, lid 1, tweede alinea, onder e)

Artikel 16, lid 3, onder e)

Artikel 3 bis, lid 1, tweede alinea, onder f)

Artikel 16, lid 3, onder f)

Artikel 3 bis, lid 1, tweede alinea, onder g)

Artikel 16, lid 3, onder g)

Artikel 3 bis, lid 1, tweede alinea, onder h)

Artikel 16, lid 3, onder h)

Artikel 3 bis, lid 1, tweede alinea, onder i)

Artikel 16, lid 3, onder i)

Artikel 3 bis, lid 1, tweede alinea, onder j)

Artikel 16, lid 3, onder j)

Artikel 3 bis, lid 1, tweede alinea, onder k)

Artikel 16, lid 3, onder k)

Artikel 3 bis, lid 2

Artikel 16, lid 4

Artikel 3 bis, lid 3

Artikel 22, lid 1

Artikel 3 ter, lid 1

Artikel 20, lid 2

Artikel 3 ter, lid 2

Artikel 20, lid 3

Artikel 3 ter, lid 3, eerste en tweede alinea

Artikel 20, lid 11, eerste alinea

Artikel 3 ter, lid 3, derde alinea

Artikel 20, lid 11, tweede en derde alinea

Artikel 3 ter, lid 4

Artikel 21, lid 4

Artikel 3 ter, lid 5, eerste alinea

Artikel 22, lid 2

Artikel 3 ter, lid 5, tweede alinea

Artikel 22, lid 3

Artikel 3 ter, lid 6

Artikel 3 ter, lid 7

Artikel 20, lid 12

Artikel 3 quater, lid 1

Artikel 21, lid 1

Artikel 3 quater, lid 2

Artikel 21, lid 2

Artikel 3 quater, lid 3

Artikel 3 quater, lid 4

Artikel 21, lid 5

Artikel 4, eerste alinea

Artikel 11, lid 1

Artikel 4, tweede alinea

Artikel 11, lid 2

Artikel 11, lid 3

Artikel 4, derde alinea

Artikel 13, lid 4

Artikel 4, vierde alinea

Artikel 11, lid 5

Artikel 4, vijfde alinea

Artikel 11, lid 4

Artikel 11, lid 6

Artikel 4, zesde alinea

Artikel 11, lid 7

Artikel 12

Artikel 13, leden 1 tot en met 3

Artikel 13, leden 5 tot en met 9

Artikel 5, eerste alinea

Artikel 36, lid 1

Artikel 5, tweede alinea

Artikel 36, lid 2

Artikel 36, lid 4

Artikel 5, derde, vierde en vijfde alinea

Artikel 36, lid 5

Artikel 5, zesde alinea

Artikel 36, lid 6

Artikel 5, zevende alinea

Artikel 36, lid 7

Artikel 5, achtste alinea

Artikel 36, lid 8

Artikel 6

Artikel 37, lid 1

Artikel 7, lid 1, eerste alinea

Artikel 38, leden 1, 2 en 3

Artikel 7, lid 1, tweede alinea

Artikel 38, lid 4

Artikel 7, lid 1, derde alinea

Artikel 38, lid 5

Artikel 7, lid 2

Artikel 39, leden 1 en 6

Artikel 7, lid 3

Artikel 39, lid 8

Artikel 7, lid 4

Artikel 39, lid 15

Artikel 7, lid 5, eerste alinea

Artikel 39, lid 16

Artikel 7, lid 5, tweede alinea

Artikel 39, lid 9

Artikel 7, lid 5, derde alinea

Artikel 39, lid 5, eerste alinea

Artikel 7, lid 5, vierde alinea

Artikel 39, lid 5, tweede alinea

Artikel 7, lid 6

Artikel 39, lid 12

Artikel 7, lid 7

Artikel 39, lid 13

Artikel 8, lid 1

Artikel 14, lid 1, en artikel 14, lid 2, inleidend gedeelte

Artikel 8, lid 2, inleidend gedeelte

Artikel 14, lid 2, inleidend gedeelte

Artikel 8, lid 2, onder a)

Artikel 8, lid 2, onder b)

Artikel 14, lid 2, onder f)

Artikel 8, lid 2, onder c)

Artikel 14, lid 2, onder a) en b)

Artikel 14, lid 2, onder c) tot en met e) en artikel 14, lid 2, onder g)

Artikel 14, lid 3

Artikel 14, lid 4

Artikel 8, lid 3

Artikel 15, lid 1

Artikel 8 bis

Artikel 15, lid 2

Artikel 8 ter, lid 1

Artikel 20, lid 8

Artikel 8 ter, lid 2

Artikel 8 quater

Artikel 36

Artikel 15, lid 5

Artikel 8 quinquies, lid 1

Artikel 17, lid 1

Artikel 8 quinquies, lid 2

Artikel 17, lid 2

Artikel 8 quinquies, lid 3

Artikel 17, lid 3

Artikel 8 quinquies, lid 4

Artikel 17, lid 4

Artikel 17, lid 5

Artikel 8 quinquies, lid 5

Artikel 17, lid 6

Artikel 8 quinquies, lid 6

Artikel 17, leden 7 en 8

Artikel 8 quinquies, lid 7

Artikel 8 quinquies, lid 8

Artikel 17, lid 9

Artikel 8 quinquies, lid 9

Artikel 17, lid 10

Artikel 16, lid 1

Artikel 8 sexies, lid 1, inleidend gedeelte

Artikel 8 sexies, lid 1, onder a)

Artikel 16, lid 3, onder a)

Artikel 8 sexies, lid 1, onder b)

Artikel 16, lid 3, onder b)

Artikel 8 sexies, lid 1, onder c)

Artikel 16, lid 3, onder c)

Artikel 8 sexies, lid 1, onder d)

Artikel 16, lid 3, onder d)

Artikel 8 sexies, lid 1, onder e)

Artikel 16, lid 3, onder e)

Artikel 8 sexies, lid 1, onder f)

Artikel 16, lid 3, onder f)

Artikel 8 sexies, lid 1, onder g)

Artikel 16, lid 3, onder g)

Artikel 8 sexies, lid 1, onder h)

Artikel 16, lid 3, onder h)

Artikel 8 sexies, lid 1, onder i)

Artikel 16, lid 3, onder i)

Artikel 8 sexies, lid 1, onder j)

Artikel 16, lid 3, onder j)

Artikel 8 sexies, lid 1, onder k)

Artikel 16, lid 3, onder k)

Artikel 16, lid 3, onder l) tot en met n)

Artikel 8 sexies, lid 2

Artikel 16, lid 4

Artikel 17, lid 11

Artikel 18

Artikel 19

Artikel 20, lid 1

Artikel 20, lid 4

Artikel 20, leden 5 tot en met 7

Artikel 20, leden 9 en 10

Artikel 21, lid 3

Artikel 8 septies

Artikel 23

Artikel 8 octies, lid 1

Artikel 22, lid 2

Artikel 8 octies, lid 2, inleidend gedeelte

Artikel 22, lid 3, inleidend gedeelte

Artikel 8 octies, lid 2, onder a)

Artikel 22, lid 3, onder a)

Artikel 8 octies, lid 2, onder b)

Artikel 22, lid 3, onder a)

Artikel 8 octies, lid 2, onder c)

Artikel 22, lid 3, onder b)

Artikel 8 octies, lid 2, onder d)

Artikel 22, lid 3, onder c)

Artikel 22, lid 3, onder d)

Artikel 8 octies, lid 3

Artikel 22, lid 4

Artikel 8 octies, lid 4

Artikel 8 nonies

Artikel 24

Artikel 25, lid 3

Artikel 27, leden 1 tot en met 3

Artikel 9, lid 1

Artikel 27, lid 4, en artikel 28, leden 1 en 9

Artikel 9, lid 1 bis

Artikel 35, lid 2

Artikel 9, lid 1 ter

Artikel 35, lid 3, en artikel 28, lid 6

Artikel 9, lid 1 quater

Artikel 28, lid 2

Artikel 9, lid 2

Artikel 54, lid 6

Artikel 28, leden 3 tot en met 5

Artikel 28, leden 7 en 8

Artikel 29

Artikel 30

Artikel 31

Artikel 32

Artikel 33

Artikel 37, lid 2

Artikel 37, lid 3

Artikel 37, lid 4

Artikel 39, leden 2 tot en met 5

Artikel 39, lid 7

Artikel 39, leden 10 en 11

Artikel 39, lid 14

Artikel 10, lid 1

Artikel 40, lid 1

Artikel 10, lid 2

Artikel 40, lid 2

Artikel 10, lid 3

Artikel 40, lid 3

Artikel 10, lid 4

Artikel 40, lid 4

Artikel 10, lid 5

Artikel 40, lid 5

Artikel 10, lid 6

Artikel 40, lid 6

Artikel 10, lid 7

Artikel 40, lid 7

Artikel 10, lid 8

Artikel 40, lid 8, eerste alinea

Artikel 10, lid 9

Artikel 40, lid 8, tweede alinea

Artikel 10, lid 10

Artikel 40, lid 9

Artikel 10 bis, lid 1, inleidend gedeelte

Artikel 41, lid 1, inleidend gedeelte

Artikel 10 bis, lid 1, onder a)

Artikel 41, lid 1, onder a)

Artikel 10 bis, lid 1, onder b)

Artikel 41, lid 1, onder b)

Artikel 10 bis, lid 1, onder c)

Artikel 41, lid 1, onder c)

Artikel 41, lid 1, onder d)

Artikel 10 bis, lid 2

Artikel 41, lid 2

Artikel 10 ter

Artikel 42

Artikel 10 quater

Artikel 43

Artikel 11, eerste alinea

Artikel 44, lid 1

Artikel 11, tweede alinea

Artikel 44, lid 2

Artikel 11 bis, eerste alinea

Artikel 45, lid 1

Artikel 11 bis, tweede alinea

Artikel 45, leden 2 en 3

Artikel 45, lid 4

Artikel 11 ter, lid 1

Artikel 48, lid 1

Artikel 11 ter, lid 2

Artikel 48, lid 2

Artikel 11 ter, lid 3

Artikel 48, lid 3

Artikel 11 ter, lid 4

Artikel 48, lid 4

Artikel 11 ter, lid 5

Artikel 46

Artikel 11 quater, lid 1

Artikel 47, lid 1

Artikel 11 quater, lid 2

Artikel 47, lid 1, inleidend gedeelte en artikel 47, lid 1, onder a)

Artikel 47, lid 1, onder b)

Artikel 47, lid 1, onder c)

Artikel 11 quater, lid 3, inleidend gedeelte

Artikel 47, lid 2, eerste alinea, inleidend gedeelte

Artikel 11 quater, lid 3, onder a)

Artikel 47, lid 2, eerste alinea, onder a)

Artikel 47, lid 2, eerste alinea, onder b)

Artikel 11 quater, lid 3, onder b)

Artikel 47, lid 2, eerste alinea, onder c)

Artikel 47, lid 2, tweede alinea

Artikel 11 quater, lid 4

Artikel 47, lid 3

Artikel 11 quater, lid 5

Artikel 11 quater, lid 6

Artikel 11 quater, lid 7

Artikel 11 quater bis

Artikel 49

Artikel 11 quinquies, lid 1

Artikel 50, lid 1

Artikel 11 quinquies, lid 2

Artikel 50, lid 2

Artikel 50, lid 3

Artikel 12

Artikel 51

Artikel 13, eerste alinea

Artikel 52, leden 1 en 2

Artikel 52, lid 3

Artikel 13, tweede alinea

Artikel 52, lid 4

Artikel 13, derde alinea

Artikel 52, lid 5

Artikel 53

Artikel 14, lid 1

Artikel 54, lid 1

Artikel 14, lid 2

Artikel 54, lid 2

Artikel 54, lid 3

Artikel 54, lid 4

Artikel 54, lid 5

Artikel 14, lid 3

Artikel 55, leden 1 en 2

Artikel 14, lid 4

Artikel 55, lid 3

Artikel 14, lid 5

Artikel 54, lid 9

Artikel 14, lid 6

Artikel 54, lid 7

Artikel 54, lid 8

Artikel 14, lid 7

Artikel 54, lid 10

Artikel 14, lid 8

Artikel 54, lid 11

Artikel 55, lid 4

Artikel 15, eerste alinea

Artikel 56, lid 1

Artikel 15, tweede alinea

Artikel 56, lid 2

Artikel 15, derde alinea

Artikel 56, lid 3

Artikel 15, vierde alinea

Artikel 56, lid 4

Artikel 15, vijfde alinea

Artikel 56, lid 5

Artikel 15 bis

Artikel 57

Artikel 16

Artikel 17, lid 1

Artikel 58, lid 1

Artikel 17, lid 2

Artikel 17, lid 3

Artikel 58, lid 2

Artikel 17, lid 4

Artikel 58, lid 3

Artikel 17, lid 5

Artikel 58, lid 4

Artikel 18

Artikel 59

Artikel 19

Artikel 60

Artikel 61

Artikel 20, lid 1

Artikel 62, lid 1

Artikel 20, lid 2, inleidend gedeelte

Artikel 62, lid 2, eerste alinea, inleidend gedeelte

Artikel 20, lid 2, onder a)

Artikel 62, lid 2, eerste alinea, onder a)

Artikel 62, lid 2, eerste alinea, onder b)

Artikel 62, lid 2, eerste alinea, onder c) tot en met h)

Artikel 20, lid 2, onder b)

Artikel 62, lid 2, eerste alinea, onder i), en artikel 62, lid 2, tweede alinea

Artikel 20, lid 2, onder c)

Artikel 62, lid 2, eerste alinea, onder j)

Artikel 20, lid 2, onder d)

Artikel 62, lid 2, eerste alinea, onder k)

Artikel 20, lid 2, onder e)

Artikel 62, lid 2, eerste alinea, onder l)

Artikel 20, lid 2, onder f)

Artikel 62, lid 2, eerste alinea, onder m)

Artikel 20, lid 2, onder g)

Artikel 62, lid 2, eerste alinea, onder n)

Artikel 20, lid 2, onder h)

Artikel 62, lid 2, eerste alinea, onder o)

Artikel 20, lid 2, onder i)

Artikel 62, lid 2, eerste alinea, onder p) tot en met z)

Artikel 20, lid 3

Artikel 62, lid 3

Artikel 20, lid 4

Artikel 62, lid 4

Artikel 20, lid 5

Artikel 62, lid 5

Artikel 20, lid 6

Artikel 62, lid 6

Artikel 20, lid 7

Artikel 62, lid 7

Artikel 62, lid 8

Artikel 21

Artikel 63

Artikel 64

Artikel 22

Artikel 65

Artikel 23, lid 1

Artikel 66, lid 1

Artikel 23, lid 2

Artikel 66, lid 2

Artikel 23, lid 3

Artikel 66, lid 3

Artikel 23, lid 4

Artikel 66, lid 4

Artikel 66, lid 5

Artikel 23, lid 5

Artikel 66, lid 6

Artikel 23, lid 6

Artikel 66, lid 7

Artikel 23,lid 7

Artikel 66, lid 8

Artikel 24, lid 1

Artikel 67, lid 1

Artikel 24, lid 2

Artikel 67, lid 2

Artikel 24, lid 3

Artikel 67, lid 3

Artikel 67, lid 4

Artikel 25, lid 1

Artikel 68, lid 1

Artikel 25, lid 2

Artikel 68, lid 2

Artikel 25, lid 3, inleidend gedeelte

Artikel 68, lid 3, inleidend gedeelte

Artikel 25, lid 3, onder a)

Artikel 68, lid 3, onder a)

Artikel 25, lid 3, onder b)

Artikel 68, lid 3, onder b)

Artikel 25, lid 3, onder c)

Artikel 68, lid 3, onder c)

Artikel 25, lid 3, onder d)

Artikel 68, lid 3, onder d)

Artikel 25, lid 3, onder e)

Artikel 68, lid 3, onder e)

Artikel 25, lid 3, onder f)

Artikel 68, lid 3, onder f)

Artikel 68, lid 3, onder g), h) en i)

Artikel 25, lid 3, onder g)

Artikel 68, lid 3, onder j)

Artikel 68, lid 3, onder k) tot en met r)

Artikel 25, lid 4

Artikel 68, lid 4

Artikel 68, lid 5

Artikel 26, lid 1

Artikel 69, lid 1

Artikel 26, lid 2, eerste alinea

Artikel 69, lid 2, eerste en derde alinea

Artikel 69, lid 2, tweede alinea

Artikel 69, lid 2, vierde alinea

Artikel 26, lid 2, tweede alinea

Artikel 69, lid 2, vijfde alinea

Artikel 26, lid 3

Artikel 69, lid 3

Artikel 26, lid 4

Artikel 69, lid 4

Artikel 26, lid 5

Artikel 69, leden 5 en 7

Artikel 69, lid 6

Artikel 26 bis, lid 1

Artikel 34, lid 1

Artikel 26 bis, lid 2, eerste alinea

Artikel 70, leden 1 en 2

Artikel 26 bis, lid 2, tweede alinea

Artikel 70, lid 3

Artikel 26 bis, lid 2, derde alinea

Artikel 70, lid 4

Artikel 26 bis, lid 3

Artikel 71, leden 1 en 2

Artikel 26 bis, lid 4

Artikel 70, lid 5, en artikel 71, lid 3

Artikel 72

Artikel 27

Artikel 73

Artikel 28

Artikel 74

Artikel 29, lid 1, inleidend gedeelte

Artikel 75, lid 1, inleidend gedeelte

Artikel 29, lid 1, eerste streepje

Artikel 75, lid 1, onder a)

Artikel 29, lid 1, tweede streepje

Artikel 75, lid 1, onder b)

Artikel 75, lid 1, onder c)

Artikel 29, lid 1, derde streepje

Artikel 75, lid 1, onder d)

Artikel 29, lid 1, vierde streepje

Artikel 75, lid 1, onder e)

Artikel 29, lid 2

Artikel 75, lid 2

Artikel 29, lid 3

Artikel 75, lid 3

Artikel 29, lid 4

Artikel 75, lid 4

Artikel 29, lid 5

Artikel 75, leden 5 en 6

Artikel 29, lid 6

Artikel 75, lid 7

Artikel 29, lid 7

Artikel 75, lid 8

Artikel 29, lid 8

Artikel 75, lid 9

Artikel 29, lid 9

Artikel 75, lid 10

Artikel 29, lid 10

Artikel 75, lid 11

Artikel 29, lid 11, eerste alinea

Artikel 75, lid 12

Artikel 29, lid 11, tweede alinea

Artikel 75, lid 13

Artikel 30, lid 1

Artikel 76, lid 1

Artikel 30, lid 2

Artikel 76, lid 2

Artikel 76, lid 3

Artikel 30, lid 3

Artikel 76, lid 4

Artikel 30, lid 4

Artikel 76, lid 5

Artikel 30, lid 5

Artikel 76, lid 6

Artikel 30, lid 6

Artikel 76, lid 7

Artikel 30, lid 7

Artikel 76, lid 8

Artikel 30, lid 8

Artikel 76, lid 9

Artikel 76, lid 10

Artikel 30, lid 9

Artikel 76, lid 11

Artikel 31, leden 1 en 2

Artikel 77, lid 1

Artikel 77, lid 2

Artikel 31, lid 3

Artikel 77, lid 3

Artikel 77, lid 4

Artikel 78

Artikel 32

Artikel 79

Artikel 80

Artikel 33, lid 1

Artikel 81, lid 1, eerste alinea

Artikel 33, lid 2

Artikel 33, lid 2 bis

Artikel 33, lid 2 ter

Artikel 81, lid 1, tweede alinea

Artikel 33, lid 3

Artikel 81, lid 2

Artikel 82

Artikel 34, eerste alinea

Artikel 83, eerste alinea

Artikel 83, tweede alinea

Artikel 34, tweede alinea

Artikel 34, derde alinea

Artikel 83, derde alinea

Bijlage I

Bijlage II


Top