Help Print this page 

Document 32015R1589

Title and reference
Verordening (EU) 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (Voor de EER relevante tekst)
  • In force
OJ L 248, 24.9.2015, p. 9–29 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2015/1589/oj
Languages, formats and link to OJ
BG ES CS DA DE ET EL EN FR GA HR IT LV LT HU MT NL PL PT RO SK SL FI SV
HTML html BG html ES html CS html DA html DE html ET html EL html EN html FR html HR html IT html LV html LT html HU html MT html NL html PL html PT html RO html SK html SL html FI html SV
PDF pdf BG pdf ES pdf CS pdf DA pdf DE pdf ET pdf EL pdf EN pdf FR pdf HR pdf IT pdf LV pdf LT pdf HU pdf MT pdf NL pdf PL pdf PT pdf RO pdf SK pdf SL pdf FI pdf SV
Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal
 To see if this document has been published in an e-OJ with legal value, click on the icon above (For OJs published before 1st July 2013, only the paper version has legal value).
Multilingual display
Dates
  • Date of document: 13/07/2015; Datum goedkeuring
  • Date of effect: 14/10/2015; in werking datum publicatie +20 zie art 36
  • Date of end of validity: 31/12/9999
Miscellaneous information
  • Author: Raad van de Europese Unie
  • Form: Verordening
Relationship between documents
Text

24.9.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 248/9


VERORDENING (EU) 2015/1589 VAN DE RAAD

van 13 juli 2015

tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (codificatie)

(Voor de EER relevante tekst)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 109,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad (2) is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd (3). Ter wille van de duidelijkheid en een rationele ordening van de tekst dient tot codificatie van die verordening te worden overgegaan.

(2)

Onverminderd bijzondere procedurele voorschriften vervat in verordeningen voor bepaalde sectoren, moet deze verordening van toepassing zijn op steun in alle sectoren. Met het oog op de toepassing van de artikelen 93 en 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), is de Commissie op grond van artikel 108 VWEU specifiek bevoegd om te beslissen of staatssteun verenigbaar is met de interne markt, wanneer zij bestaande steunregelingen onderzoekt, zich over nieuwe of gewijzigde steunmaatregelen uitspreekt en optreedt wegens niet-nakoming van haar besluiten of van de aanmeldingsplicht.

(3)

In het kader van een gemoderniseerd systeem van staatssteunvoorschriften als bijdrage aan zowel de tenuitvoerlegging van de Europa 2020-strategie voor groei als de begrotingsconsolidatie, dient artikel 107 VWEU doeltreffend en eenvormig te worden toegepast in de gehele Unie. Verordening (EG) nr. 659/1999 heeft de vroegere praktijk van de Commissie geconsolideerd en versterkt om de rechtszekerheid te vergroten en de ontwikkeling van het staatssteunbeleid in een transparante omgeving te ondersteunen.

(4)

Met het oog op de rechtszekerheid moet worden omschreven onder welke omstandigheden steun moet worden beschouwd als bestaande steun. De voltooiing en versterking van de interne markt is een geleidelijk proces, wat tot uitdrukking komt in de voortdurende ontwikkeling van het beleid inzake staatssteun. Ingevolge deze ontwikkelingen kunnen bepaalde maatregelen die op het moment waarop zij tot uitvoering werden gebracht geen staatssteun vormden, steun zijn geworden.

(5)

Overeenkomstig artikel 108, lid 3, VWEU moeten geplande nieuwe steunmaatregelen steeds ter kennis van de Commissie worden gebracht en kunnen alleen met haar toestemming tot uitvoering worden gebracht.

(6)

De lidstaten zijn op grond van artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) gehouden om met de Commissie samen te werken en haar alle inlichtingen te verschaffen die zij behoeft om haar taken uit hoofde van deze verordening te kunnen vervullen.

(7)

De termijn waarbinnen de Commissie het eerste onderzoek van aangemelde steunmaatregelen dient te beëindigen, dient te worden gesteld op twee maanden vanaf de ontvangst van een volledige aanmelding of van een behoorlijk gemotiveerde verklaring waarin de betrokken lidstaat meedeelt dat hij de aanmelding als volledig beschouwt omdat de door de Commissie gevraagde aanvullende informatie niet beschikbaar is of reeds is verstrekt. Dit onderzoek moet om redenen van rechtszekerheid met een besluit worden afgesloten.

(8)

In de gevallen waarin de uitkomst van het eerste onderzoek de Commissie niet tot de slotsom kan brengen dat een steunmaatregel met de interne markt verenigbaar is, dient de formele onderzoeksprocedure te worden ingeleid, zodat de Commissie alle inlichtingen kan verzamelen die zij nodig heeft om de verenigbaarheid van de steunmaatregel te beoordelen en om de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen hun opmerkingen kenbaar te maken. De rechten van de belanghebbenden kunnen het best in het kader van de formele onderzoeksprocedure van artikel 108, lid 2, VWEU worden gewaarborgd.

(9)

Ter beoordeling van de verenigbaarheid met de interne markt van aangemelde of onrechtmatige staatssteun, waarvoor de Commissie op grond van artikel 108 VWEU uitsluitend bevoegd is, dient ervoor te worden gezorgd dat de Commissie, met het oog op de handhaving van de staatssteunregels, de bevoegdheid heeft een lidstaat, een onderneming of een ondernemersvereniging om alle nodige marktinformatie te verzoeken indien zij twijfelt aan de verenigbaarheid van de betrokken maatregel met de Unievoorschriften en om die reden de formele onderzoeksprocedure heeft ingesteld. De Commissie dient deze bevoegdheid met name te gebruiken in gevallen waarin een ingewikkelde inhoudelijke beoordeling nodig lijkt. Bij het besluit deze bevoegdheid te gebruiken, dient de Commissie naar behoren rekening te houden met de duur van het eerste onderzoek.

(10)

Ter beoordeling van de verenigbaarheid van een steunmaatregel nadat de formele onderzoeksprocedure is ingeleid, met name inzake technisch complexe zaken die inhoudelijk moeten worden onderzocht, dient de Commissie, indien de door de betrokken lidstaat tijdens het eerste onderzoek verstrekte informatie onvoldoende is, door middel van een gewoon verzoek of bij besluit, van een lidstaat, een onderneming of een ondernemersvereniging te kunnen verlangen dat zij alle voor de afronding van haar beoordeling noodzakelijke marktinformatie verstrekken, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, met name voor kleine en middelgrote ondernemingen.

(11)

In het licht van de bijzondere verhouding tussen begunstigden van steun en de betrokken lidstaat, dient de Commissie alleen met instemming van de betrokken lidstaat om informatie van een begunstigde van steun te kunnen verzoeken. De verstrekking van informatie door de begunstigde van de betrokken steunmaatregel vormt geen rechtsgrondslag voor bilaterale onderhandelingen tussen de Commissie en de betrokken begunstigde.

(12)

De Commissie dient de adressaten van verzoeken om informatie te bepalen op basis van objectieve criteria, aangepast per geval, en ervoor te zorgen dat, indien het verzoek aan een steekproef van ondernemingen of ondernemersverenigingen gericht is, binnen elke categorie een representatieve reeks respondenten is gekozen. De gezochte informatie dient met name te bestaan uit feitelijke bedrijfs- en marktgegevens en een analyse op basis van feiten van het functioneren van de markt.

(13)

Als initiatiefnemer van de procedure is de Commissie verantwoordelijk voor het onderzoek van zowel de informatieoverdracht door de lidstaten, de ondernemingen of de ondernemersverenigingen, als de beweerde vertrouwelijkheid voor de bekendgemaakte informatie.

(14)

De Commissie dient de inachtneming van de aan ondernemingen of ondernemersverenigingen gerichte verzoeken om informatie, waar passend, te kunnen afdwingen door middel van evenredige geldboeten en dwangsommen. Bij het bepalen van de bedragen van de geldboeten en dwangsommen dient de Commissie terdege rekening te houden met de beginselen van evenredigheid en redelijkheid, met name met betrekking tot kleine of middelgrote ondernemingen. De rechten van de partijen van wie wordt verlangd dat zij informatie verschaffen, dienen te worden gevrijwaard door hen, voorafgaand aan een besluit waarbij geldboeten of dwangsommen worden opgelegd, in de gelegenheid te stellen hun standpunten uiteen te zetten. Het Hof van Justitie van de Europese Unie dient, overeenkomstig artikel 261 VWEU, over volledige rechtsmacht wat betreft de geldboeten of dwangsommen te beschikken.

(15)

Met inachtneming van de beginselen van evenredigheid en redelijkheid, moet de Commissie de mogelijkheid hebben de dwangsommen te verminderen of volledig kwijt te schelden, indien de adressaten van de verzoeken de verzochte informatie verschaffen, zij het na het verstrijken van de termijn.

(16)

Geldboeten en dwangsommen gelden niet voor lidstaten omdat deze, overeenkomstig artikel 4, lid 3, VEU verplicht zijn om loyaal met de Commissie samen te werken, en de Commissie alle informatie te verschaffen die nodig is om haar taken uit hoofde van deze verordening te vervullen.

(17)

De Commissie dient, na onderzoek van de door de belanghebbenden ingediende opmerkingen, haar onderzoek met een eindbeslissing af te sluiten zodra elke twijfel is weggenomen. Mocht het onderzoek niet binnen 18 maanden na het begin van de procedure zijn afgesloten, moet de betrokken lidstaat in voorkomend geval om een besluit kunnen verzoeken, dat de Commissie dan binnen twee maanden moet nemen.

(18)

Ter bescherming van de rechten van verdediging van de betrokken lidstaat, dient hij afschriften te ontvangen van de informatieverzoeken die aan andere lidstaten, aan ondernemingen of aan ondernemersverenigingen zijn verzonden, en zijn commentaar te kunnen indienen met betrekking tot de ontvangen opmerkingen. Hij dient tevens op de hoogte te worden gesteld van de namen van de ondernemingen en de ondernemersverenigingen waaraan een verzoek werd gericht, voor zover die entiteiten geen rechtmatig belang bij de bescherming van hun identiteit hebben aangetoond.

(19)

De Commissie dient naar behoren rekening te houden met het rechtmatige belang van de ondernemingen bij het beschermen van hun bedrijfsgevoelige informatie. Het dient voor de Commissie niet mogelijk te zijn om door respondenten verstrekte vertrouwelijke informatie die niet kan worden geaggregeerd of anderszins geanonimiseerd, in een besluit te gebruiken, tenzij zij vooraf hun toestemming heeft gekregen om deze informatie aan de betrokken lidstaat vrij te geven.

(20)

In gevallen waarin als vertrouwelijk aangemerkte informatie niet onder de geheimhoudingsplicht lijkt te vallen, dient een mechanisme te bestaan aan de hand waarvan de Commissie kan besluiten in hoeverre die informatie mag worden vrijgegeven. In het besluit om een bewering dat informatie vertrouwelijk is te verwerpen, dient een termijn te worden vermeld, na afloop waarvan de informatie wordt vrijgegeven, zodat de betrokkene een beroep kan doen op de ter beschikking staande rechterlijke bescherming, inclusief voorlopige maatregelen.

(21)

Om de correcte en doeltreffende toepassing van de regels inzake staatssteun te waarborgen, moet de Commissie de mogelijkheid hebben om een besluit dat op onjuiste informatie berust, te herroepen.

(22)

De Commissie dient alle gevallen van onrechtmatige steun te onderzoeken, teneinde de naleving te waarborgen van artikel 108 VWEU, met name van de aanmeldingsverplichting en de „standstill”-bepaling in lid 3 van dat artikel. Met het oog op de transparantie en de rechtszekerheid moeten de procedures voor dergelijke gevallen worden vastgesteld. De Commissie dient bij niet-naleving door een lidstaat van de aanmeldingsplicht of van de „standstill”-bepaling niet gebonden te zijn aan termijnen.

(23)

De Commissie moet de mogelijkheid hebben informatie over onrechtmatige steun, ongeacht de bron ervan, ambtshalve te onderzoeken om de inachtneming van artikel 108 VWEU, en met name van de aanmeldingsverplichting en de „standstill”-bepaling in artikel 108, lid 3, VWEU, te waarborgen en om een steunmaatregel op zijn verenigbaarheid met de interne markt te beoordelen.

(24)

De Commissie dient in gevallen van onrechtmatige steun het recht te hebben om alle nodige informatie te vergaren om een besluit te kunnen nemen en, waar nodig, onverwijld niet-vervalste mededinging te herstellen. Het is derhalve wenselijk dat de Commissie jegens de betrokken lidstaat voorlopige maatregelen kan nemen. Die voorlopige maatregelen kunnen bestaan in een bevel tot informatieverstrekking, tot opschorting of tot terugvordering. De Commissie moet bij niet-nakoming van een bevel tot informatieverstrekking in staat worden gesteld om op grond van de beschikbare inlichtingen te beslissen, en zich bij niet-nakoming van een opschortings- of terugvorderingsbevel rechtstreeks tot het Hof van Justitie te wenden overeenkomstig artikel 108, lid 2, tweede alinea, VWEU.

(25)

In gevallen van niet met de interne markt verenigbare onrechtmatige steun, dient de daadwerkelijke mededinging te worden hersteld. Het is hiertoe noodzakelijk dat de steun, met inbegrip van de rente, onverwijld wordt teruggevorderd. Het is passend de terugvordering overeenkomstig de procedures van nationaal recht te doen geschieden. De toepassing van die procedures mag, door verhindering van de onverwijlde en daadwerkelijke uitvoering van het besluit van de Commissie, het herstel van daadwerkelijke mededinging niet beletten. De lidstaten moeten daartoe dan ook alle nodige maatregelen treffen om de effectiviteit van dat besluit te verzekeren.

(26)

Ter wille van de rechtszekerheid dient een termijn van tien jaar te worden bepaald, na het verstrijken waarvan geen terugvordering van onrechtmatige steun meer kan worden bevolen.

(27)

Ten behoeve van de rechtszekerheid dienen verjaringstermijnen te worden bepaald voor het opleggen en afdwingen van geldboeten en dwangsommen.

(28)

Misbruik van steun kan de werking van de interne markt op soortgelijke wijze beïnvloeden als onrechtmatige steun en moet dus volgens soortgelijke procedures worden behandeld. Anders dan onrechtmatige steun, is mogelijk misbruikte steun al eerder door de Commissie goedgekeurd. De Commissie mag derhalve geen terugvordering kunnen gelasten ten aanzien van misbruikte steun.

(29)

De Commissie is overeenkomstig artikel 108, lid l, VWEU verplicht om in samenwerking met de lidstaten alle bestaande steunregelingen aan een voortdurend onderzoek te onderwerpen. Het is in het belang van de transparantie en de rechtszekerheid passend de werkingssfeer van de samenwerking uit hoofde van dat artikel nader te omschrijven.

(30)

Teneinde te waarborgen dat de bestaande steunregelingen verenigbaar zijn met de interne markt, moet de Commissie overeenkomstig artikel 108, lid 1, VWEU dienstige maatregelen voorstellen indien een bestaande steunregeling niet of niet langer met de interne markt verenigbaar is, en zij de in artikel 108, lid 2, VWEU vastgestelde procedure moet inleiden indien de betrokken lidstaat weigert de voorgestelde maatregelen uit te voeren.

(31)

In deze verordening moeten alle mogelijkheden worden omschreven waarover derden beschikken om hun belangen in procedures betreffende staatssteun te verdedigen.

(32)

Klachten zijn een belangrijke bron van informatie voor het opsporen van inbreuken op de staatssteunregels van de Unie. Teneinde de kwaliteit te waarborgen van de klachten die bij de Commissie worden ingediend en tegelijk de transparantie en rechtszekerheid te waarborgen, dienen de voorwaarden te worden bepaald waaraan een klacht dient te voldoen om de Commissie informatie over mogelijk onrechtmatige steun ter beschikking te stellen en het eerste onderzoek te kunnen instellen. Klachten die niet aan deze voorwaarden voldoen, dienen te worden behandeld als algemene marktinformatie en dienen niet noodzakelijk tot ambtshalve onderzoeken te leiden.

(33)

Van klagers dient te worden verlangd dat zij aantonen dat zij belanghebbende zijn in de zin van artikel 108, lid 2, VWEU en van artikel 1, onder h), van deze verordening. Van hen dient tevens te worden verlangd dat zij een bepaalde hoeveelheid informatie verschaffen via een formulier dat de Commissie door middel van een uitvoeringsbepaling moet kunnen vaststellen. Om mogelijke klagers niet te ontmoedigen, dient in de uitvoeringsbepaling in acht genomen te worden dat de eisen voor het indienen van een klacht door een belanghebbende niet te onereus mogen zijn.

(34)

Met het oog op een coherente aanpak door de Commissie van vergelijkbare kwesties voor de gehele interne markt dient te worden voorzien in een specifieke rechtsgrondslag om onderzoeken naar bepaalde economische sectoren of bepaalde steuninstrumenten in verscheidene lidstaten in te stellen. Met het oog op de evenredigheidseisen en de zware administratieve last die met dergelijke onderzoeken gepaard gaat, dienen sectorale onderzoeken alleen te worden uitgevoerd indien op grond van de beschikbare informatie een redelijk vermoeden bestaat dat staatssteunmaatregelen in een bepaalde sector de mededinging binnen de interne markt van verscheidene lidstaten materieel kunnen beperken of vervalsen, of dat bestaande steunmaatregelen in een bepaalde sector in verscheidene lidstaten niet of niet langer met de interne markt verenigbaar zijn. Door middel van dergelijke onderzoeken kan de Commissie horizontale staatssteunvraagstukken doelmatig en transparant behandelen en vooraf een totaalbeeld van de betrokken sector verwerven.

(35)

Het is noodzakelijk voor alle bestaande steunregelingen een algemene rapportageverplichting vast te stellen, zodat de Commissie op doeltreffende wijze de nakoming van haar besluiten kan volgen en de Commissie en de lidstaten gemakkelijker kunnen samenwerken met het oog op het voortdurend onderzoek van alle bestaande steunregelingen in de lidstaten overeenkomstig artikel 108, lid 1, VWEU.

(36)

Wanneer de Commissie ernstige twijfel koestert omtrent de nakoming van haar besluiten, moet zij over bijkomende instrumenten beschikken om zich ervan te kunnen vergewissen dat aan haar besluiten gevolg wordt gegeven. In dit verband vormen controles ter plaatse een passend en nuttig instrument, met name wanneer er sprake zou kunnen zijn van misbruik van steun. De Commissie moet daarom de bevoegdheid hebben controles ter plaatse te verrichten en zij moet, indien een onderneming zich tegen een dergelijke controle verzet, kunnen rekenen op de medewerking van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten.

(37)

Een coherente toepassing van de staatssteunregels vereist ook dat regelingen worden uitgewerkt voor de samenwerking tussen de rechterlijke instanties van de lidstaten en de Commissie. Deze samenwerking is relevant voor alle rechterlijke instanties van de lidstaten die artikel 107, lid 1, en artikel 108 VWEU toepassen. Met name dienen de nationale rechterlijke instanties de mogelijkheid te hebben zich tot de Commissie te wenden om informatie of adviezen over de toepassing van de regels betreffende de staatssteun te verkrijgen. De Commissie dient echter ook de mogelijkheid te hebben schriftelijke of mondelinge opmerkingen in te dienen bij de nationale rechterlijke instanties die artikel 107, lid 1, of artikel 108 VWEU moeten toepassen. Als zij de nationale rechterlijke instanties in dit verband ondersteunt, dient de Commissie te handelen overeenkomstig haar verplichting om het algemeen belang te verdedigen.

(38)

De opmerkingen en adviezen van de Commissie dienen artikel 267 VWEU onverlet te laten en de nationale rechterlijke instanties niet rechtens te binden. Zij moeten worden ingediend binnen het kader van de nationale procedures en praktijken, waaronder die welke de rechten van de partijen beschermen, onverminderd de volledige onafhankelijkheid van de nationale rechterlijke instanties. Door de Commissie ambtshalve ingediende opmerkingen dienen beperkt te blijven tot zaken die van belang zijn voor de coherente toepassing van artikel 107, lid 1, of artikel 108 VWEU, met name tot zaken die van belang zijn voor de tenuitvoerlegging of de verdere ontwikkeling van de jurisprudentie van de Unie ter zake van staatssteun.

(39)

Het is in het belang van de transparantie en de rechtszekerheid dienstig publieke informatie te verstrekken over de besluiten van de Commissie, terwijl terzelfder tijd het beginsel behouden dient te blijven dat besluiten in staatssteunzaken tot de betrokken lidstaat worden gericht. Het is derhalve passend om alle besluiten die de belangen van de belanghebbenden zouden kunnen raken, integraal of in de vorm van een samenvatting te publiceren of om van niet of niet integraal gepubliceerde besluiten exemplaren voor de belanghebbenden beschikbaar te stellen.

(40)

Bij het bekendmaken van haar besluiten dient de Commissie, overeenkomstig artikel 339 VWEU, de regels inzake de geheimhoudingsplicht, waaronder de bescherming van alle vertrouwelijke informatie en persoonsgegevens, na te leven.

(41)

De Commissie dient, in nauw overleg met het Adviescomité inzake overheidssteun, de mogelijkheid te hebben uitvoeringsbepalingen vast te stellen betreffende nadere regels inzake de procedures waarin deze verordening voorziet,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMEEN

Artikel 1

Definities

Voor de toepassingen van deze verordening wordt verstaan onder:

a)

„steun”, elke maatregel die aan alle in artikel 107, lid 1, VWEU vervatte criteria voldoet;

b)

„bestaande steun”,

i)

onverminderd de artikelen 144 en 172 van de Akte van toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden, onverminderd bijlage IV, punt 3 en aanhangsel, bij de Akte van toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije, onverminderd bijlage V, punt 2 en punt 3, onder b), en aanhangsel, bij de Akte van toetreding van Bulgarije en Roemenië, en onverminderd bijlage IV, punt 2 en punt 3, onder b), en aanhangsel, bij de Akte van toetreding van Kroatië, alle steun die voor de inwerkingtreding van het VWEU in de respectieve lidstaat bestond, dat wil zeggen steunregelingen en individuele steun die vóór de inwerkingtreding van het VWEU in de respectieve lidstaat tot uitvoering zijn gebracht en die na de inwerkingtreding nog steeds van toepassing zijn;

ii)

goedgekeurde steun, dat wil zeggen steunregelingen en individuele steun die door de Commissie of de Raad zijn goedgekeurd;

iii)

steun die geacht wordt te zijn goedgekeurd overeenkomstig artikel 4, lid 6, van Verordening (EG) nr. 659/1999 of artikel 4, lid 6, van deze verordening, dan wel vóór Verordening (EG) nr. 659/1999 maar in overeenstemming met de onderhavige procedure;

iv)

steun die overeenkomstig artikel 17 van deze verordening als bestaande steun wordt beschouwd;

v)

steun die als bestaande steun wordt beschouwd, omdat kan worden vastgesteld dat hij op het moment van tot uitvoering brengen geen steun vormde, maar vervolgens steun is geworden vanwege de ontwikkeling van de interne markt, zonder dat de betrokken lidstaat er wijzigingen in heeft aangebracht; maatregelen die vanwege de liberalisering van een activiteit door het Unierecht steun zijn geworden, worden na de voor de liberalisering voorgeschreven datum niet als bestaande steun beschouwd;

c)

„nieuwe steun”, alle steun, dat wil zeggen steunregelingen en individuele steun, die geen bestaande steun is, met inbegrip van wijzigingen in bestaande steun;

d)

„steunregeling”, elke regeling op grond waarvan aan ondernemingen die in de regeling op algemene en abstracte wijze zijn omschreven, individuele steun kan worden toegekend zonder dat hiervoor nog uitvoeringsmaatregelen vereist zijn, alsmede elke regeling op grond waarvan steun die niet gebonden is aan een specifiek project voor onbepaalde tijd en/of voor een onbepaald bedrag aan een of meer ondernemingen kan worden toegekend;

e)

„individuele steun”, steun die niet wordt toegekend op grond van een steunregeling, alsook steun die op grond van een steunregeling wordt toegekend en moet worden aangemeld;

f)

„onrechtmatige steun”, nieuwe steun die in strijd met artikel 108, lid 3, VWEU tot uitvoering wordt gebracht;

g)

„misbruik van steun”, steun die door de begunstigde wordt gebruikt in strijd met een besluit dat werd genomen overeenkomstig artikel 4, lid 3, of artikel 7, leden 3 en 4, van Verordening (EG) nr. 659/1999 of artikel 4, lid 3, of artikel 9, leden 3 en 4, van deze verordening;

h)

„belanghebbende”, een lidstaat en een persoon, onderneming of ondernemersvereniging waarvan de belangen door de toekenning van steun kunnen worden geraakt, in het bijzonder de begunstigde van de steun, concurrerende ondernemingen en beroepsverenigingen.

HOOFDSTUK II

PROCEDURE BETREFFENDE AANGEMELDE STEUN

Artikel 2

Aanmelding van nieuwe steun

1.   Tenzij anders is bepaald in verordeningen op grond van artikel 109 VWEU of op grond van andere desbetreffende bepalingen, wordt elk voornemen om nieuwe steun te verlenen tijdig door de betrokken lidstaat bij de Commissie aangemeld. De Commissie stelt de betrokken lidstaat onverwijld van de ontvangst van een aanmelding in kennis.

2.   In de aanmelding verstrekt de betrokken lidstaat alle informatie die de Commissie nodig heeft om overeenkomstig de artikelen 4 en 9 een besluit te nemen („volledige aanmelding”).

Artikel 3

„Standstill”-bepaling

Op grond van artikel 2, lid l, aan te melden steun mag niet uitgevoerd worden, alvorens de Commissie een besluit tot goedkeuring van die steun heeft genomen of wordt geacht dat te hebben genomen.

Artikel 4

Eerste onderzoek van de aanmelding en besluiten van de Commissie

1.   De Commissie onderzoekt de aanmelding onverwijld na ontvangst. Onverminderd artikel 10 neemt de Commissie een besluit overeenkomstig de leden 2, 3 of 4 van dit artikel.

2.   Indien de Commissie na een eerste onderzoek tot de bevinding komt dat de aangemelde maatregel geen steun vormt, stelt zij dat bij besluit vast.

3.   Indien de Commissie na een eerste onderzoek tot de bevinding komt dat de aangemelde maatregel, in zoverre deze binnen het toepassingsgebied van artikel 107, lid l, VWEU valt, geen twijfel doet rijzen over de verenigbaarheid ervan met de interne markt, neemt zij een besluit houdende dat de maatregel verenigbaar is met de interne markt („besluit om geen bezwaar te maken”). In het besluit wordt nader aangegeven welke uitzondering uit hoofde van het VWEU is toegepast.

4.   Indien de Commissie na een eerste onderzoek tot de bevinding komt dat de aangemelde maatregel twijfel doet rijzen over de verenigbaarheid ervan met de interne markt, neemt zij een besluit dat ertoe strekt de procedure overeenkomstig artikel 108, lid 2, VWEU in te leiden („besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure”).

5.   De in de leden 2, 3 en 4 van dit artikel bedoelde besluiten worden binnen twee maanden genomen. Die termijn gaat in op de dag na de ontvangst van een volledige aanmelding. De aanmelding wordt als volledig beschouwd als de Commissie binnen twee maanden na ontvangst van de aanmelding of van aanvullende informatie waarom was gevraagd niet om verdere informatie heeft verzocht. Deze termijn kan met toestemming van de Commissie en de betrokken lidstaat worden verlengd. Indien nodig kan de Commissie kortere termijnen vaststellen.

6.   Indien de Commissie niet binnen de in lid 5 genoemde termijn een besluit overeenkomstig de leden 2, 3 of 4 heeft genomen, wordt de steun geacht door de Commissie te zijn goedgekeurd. Daarop kan de betrokken lidstaat de maatregelen ten uitvoer leggen, na de Commissie hiervan vooraf in kennis te hebben gesteld, tenzij de Commissie binnen een termijn van 15 werkdagen na de ontvangst van de kennisgeving een besluit overeenkomstig dit artikel neemt.

Artikel 5

Verzoek om informatie aan de aanmeldende lidstaat

1.   Indien de Commissie van mening is dat de informatie die de betrokken lidstaat over een volgens artikel 2 aangemelde maatregel heeft verstrekt, onvolledig is, verzoekt zij om alle nodige aanvullende informatie. Wanneer de Commissie het antwoord hierop van de lidstaat ontvangt, geeft zij de lidstaat daarvan bevestiging.

2.   Indien de betrokken lidstaat de gevraagde informatie niet binnen de door de Commissie gestelde termijn verstrekt of deze onvolledig verstrekt, zendt de Commissie een aanmaning, waarbij zij een passende bijkomende termijn vaststelt waarbinnen de informatie moet worden verstrekt.

3.   Indien de gevraagde informatie niet binnen de gestelde termijn is verstrekt, wordt de aanmelding als ingetrokken beschouwd, tenzij ofwel de termijn vóór het verstrijken ervan met toestemming van de Commissie en de betrokken lidstaat is verlengd, ofwel de betrokken lidstaat vóór het verstrijken ervan, in een behoorlijk gemotiveerde verklaring, de Commissie heeft medegedeeld dat hij de aanmelding als volledig beschouwt omdat de gevraagde aanvullende informatie niet beschikbaar is of reeds is verstrekt. In dit geval gaat de in artikel 4, lid 5, vermelde termijn in op de dag na ontvangst van de verklaring. Indien de aanmelding geacht wordt te zijn ingetrokken, stelt de Commissie de lidstaat daarvan in kennis.

Artikel 6

Formele onderzoeksprocedure

1.   Het besluit om de formele onderzoeksprocedure in te leiden behelst een samenvatting van de relevante feiten en rechtspunten, een eerste beoordeling van de Commissie omtrent de steunverlenende aard van de voorgestelde maatregel, alsook de redenen waarom getwijfeld wordt aan de verenigbaarheid ervan met de interne markt. In het besluit worden de betrokken lidstaat en de andere belanghebbenden uitgenodigd om hun opmerkingen mede te delen binnen een vastgestelde termijn die in de regel niet langer dan een maand mag zijn. In naar behoren gerechtvaardigde gevallen kan de Commissie deze termijn verlengen.

2.   De ingekomen opmerkingen worden aan de betrokken lidstaat medegedeeld. Indien een belanghebbende hierom verzoekt op grond dat hem schade kan worden berokkend, wordt zijn identiteit geheim gehouden voor de betrokken lidstaat. Deze lidstaat kan op de ingediende opmerkingen reageren binnen een vastgestelde termijn, die in de regel niet langer dan een maand mag zijn. In naar behoren gerechtvaardigde gevallen kan de Commissie deze termijn verlengen.

Artikel 7

Verzoek om informatie aan andere bronnen

1.   Na de inleiding van de formele onderzoeksprocedure van artikel 6, met name inzake technisch complexe zaken die inhoudelijk moeten worden onderzocht, kan de Commissie, indien de door de betrokken lidstaat tijdens het eerste onderzoek verschafte informatie ontoereikend is, een andere lidstaat, een onderneming of een ondernemersvereniging verzoeken dat deze alle marktinformatie verstrekt die nodig is om de Commissie in staat te stellen haar beoordeling van de betrokken maatregel af te ronden, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, met name voor kleine en middelgrote ondernemingen.

2.   De Commissie kan uitsluitend om informatie verzoeken:

a)

indien die beperkt is tot de formele onderzoeksprocedures waarvan de Commissie heeft vastgesteld dat die tot dan toe ontoereikend zijn, en

b)

wat de begunstigden van steun betreft, indien de betrokken lidstaat met het verzoek instemt.

3.   De ondernemingen of ondernemersverenigingen die, naar aanleiding van een verzoek om marktinformatie van de Commissie, informatie verschaffen op basis van de leden 6 en 7, dienen hun antwoord tegelijk bij de Commissie en de betrokken lidstaat in, voor zover de verschafte stukken geen informatie bevatten die vertrouwelijk is ten opzichte van die lidstaat.

De Commissie beheert en monitort de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten, de ondernemingen of de ondernemersverenigingen, en verifieert de beweerde vertrouwelijkheid van de uitgewisselde informatie.

4.   De Commissie verzoekt alleen om informatie die de het verzoek betreffende lidstaten, ondernemingen of ondernemersverenigingen ter beschikking staat.

5.   De lidstaten verstrekken de informatie op grond van een eenvoudig verzoek en binnen een door de Commissie vastgestelde termijn die in de regel niet langer dan een maand mag zijn. Indien een lidstaat de verzochte informatie niet binnen die termijn of onvolledig verschaft, zendt de Commissie een aanmaning.

6.   De Commissie kan door middel van een eenvoudig verzoek informatie van een onderneming of ondernemersvereniging verlangen. Wanneer de Commissie een eenvoudig verzoek om informatie aan een onderneming of ondernemersvereniging toezendt, vermeldt zij de rechtsgrondslag voor en het doel van het verzoek, geeft zij aan welke informatie wordt verlangd, en stelt zij een redelijke termijn vast waarbinnen die informatie moet worden verstrekt. Zij vermeldt ook de geldboeten die in artikel 8, lid 1, zijn bepaald voor het verschaffen van onjuiste of misleidende informatie.

7.   De Commissie kan een onderneming of ondernemersvereniging bij besluit om informatie verzoeken. Indien de Commissie ondernemingen of ondernemersverenigingen bij besluit verzoekt informatie te verstrekken, vermeldt zij de rechtsgrondslag voor en het doel van het verzoek, geeft zij aan welke informatie wordt verlangd en stelt zij een redelijke termijn vast waarbinnen die informatie moet worden verstrekt. Naargelang het geval, vermeldt zij ook de in artikel 8, lid 1, bepaalde geldboeten en vermeldt zij de in artikel 8, lid 2, bepaalde dwangsommen of legt zij deze op. Zij wijst daarenboven op het recht van de onderneming of ondernemersvereniging om bij het Hof van Justitie van de Europese Unie een rechtsmiddel tegen het besluit in te stellen.

8.   Wanneer de Commissie een verzoek uitbrengt overeenkomstig lid 1 of lid 6 van dit artikel of een besluit vaststelt overeenkomstig lid 7, verschaft zij tegelijk de betrokken lidstaat een afschrift daarvan. De Commissie geeft aan welke criteria zij heeft toegepast om de ontvanger van een verzoek of een besluit te bepalen.

9.   Tot het verstrekken namens de betrokken onderneming van de informatie waarom wordt verzocht of die wordt verlangd, zijn gehouden de eigenaren van de ondernemingen of hun vertegenwoordigers of, in het geval van rechtspersonen, vennootschappen of verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid, de krachtens de wet of statuten tot vertegenwoordiging bevoegde personen. Naar behoren gemachtigde personen kunnen de informatie verstrekken namens hun opdrachtgevers. De opdrachtgevers blijven niettemin volledig verantwoordelijk indien de verstrekte informatie onjuist, onvolledig of misleidend is.

Artikel 8

Geldboeten en dwangsommen

1.   De Commissie kan, indien nodig of evenredig geacht, bij besluit aan ondernemingen of ondernemersverenigingen geldboeten van ten hoogste 1 % van de in het voorafgaande boekjaar behaalde omzet opleggen, wanneer deze opzettelijk of uit grove onachtzaamheid:

a)

in antwoord op een verzoek in de zin van artikel 7, lid 6, onjuiste of misleidende informatie verstrekken;

b)

in antwoord op een overeenkomstig artikel 7, lid 7, vastgesteld besluit onjuiste, onvolledige of misleidende informatie verstrekken, dan wel de informatie niet binnen de vastgestelde termijn verstrekken.

2.   De Commissie kan bij besluit aan ondernemingen of ondernemersverenigingen dwangsommen opleggen indien een onderneming of ondernemersvereniging verzuimt de volledige en juiste informatie te verstrekken, zoals verlangd bij het overeenkomstig artikel 7, lid 7, door de Commissie vastgestelde besluit.

De dwangsommen belopen ten hoogste 5 % van de gemiddelde dagelijkse omzet van de betrokken onderneming of de betrokken vereniging in het voorafgaande boekjaar voor elke werkdag waarmee de in haar besluit vastgestelde termijn wordt overschreden, berekend vanaf de in het besluit vastgestelde datum, totdat de ondernemingen of ondernemersverenigingen de informatie waarom de Commissie verzoekt of die door haar wordt verlangd, verstrekken op volledige en juiste wijze.

3.   Bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete of de dwangsom wordt met de aard, de zwaarte en de duur van de inbreuk rekening gehouden, met inachtneming van de beginselen van evenredigheid en redelijkheid, met name voor kleine en middelgrote ondernemingen.

4.   Wanneer de ondernemingen of ondernemersverenigingen de verplichting zijn nagekomen ter afdwinging waarvan de dwangsom was opgelegd, kan de Commissie de uiteindelijk verschuldigde dwangsom verminderen ten aanzien van het bedrag dat voortvloeit uit het oorspronkelijke besluit waarbij dwangsommen werden opgelegd. De Commissie kan de dwangsommen tevens kwijtschelden.

5.   Alvorens de in lid 1 of lid 2 van dit artikel bedoelde besluiten vast te stellen, stelt de Commissie een laatste termijn van twee weken om de betrokken ondernemingen of ondernemersverenigingen de ontbrekende marktinformatie te doen verstrekken en stelt zij hen tevens in de gelegenheid hun standpunt kenbaar te maken.

6.   Het Hof van Justitie van de Europese Unie bezit ter zake van een rechtsmiddel tegen door de Commissie opgelegde geldboeten of dwangsommen volledige rechtsmacht in de zin van artikel 261 VWEU. Het kan de opgelegde geldboete of dwangsom intrekken, verlagen of verhogen.

Artikel 9

Besluiten van de Commissie tot beëindiging van de formele onderzoeksprocedure

1.   Onverminderd artikel 10, wordt de formele onderzoeksprocedure beëindigd bij een besluit als bepaald in de leden 2 tot en met 5 van dit artikel.

2.   Indien de Commissie, in voorkomend geval na wijziging van de aangemelde maatregel door de betrokken lidstaat, tot de bevinding komt dat die maatregel geen steun vormt, stelt zij dit bij besluit vast.

3.   Indien de Commissie, in voorkomend geval na wijziging van de aangemelde maatregel door de betrokken lidstaat, tot de bevinding komt dat de twijfel over de verenigbaarheid van die maatregel met de interne markt is weggenomen, neemt zij een besluit waarbij de steun verenigbaar met de interne markt wordt verklaard („positief besluit”). In het besluit wordt nader aangegeven welke uitzondering uit hoofde van het VWEU is toegepast.

4.   De Commissie kan aan een positief besluit voorwaarden verbinden die haar in staat stellen de steun als verenigbaar met de interne markt te beschouwen, alsmede verplichtingen opleggen die het toezicht op de naleving van het besluit mogelijk maken („voorwaardelijk besluit”).

5.   Indien de Commissie tot de bevinding komt dat de aangemelde steun niet met de interne markt verenigbaar is, neemt zij een besluit houdende dat de steun niet tot uitvoering mag worden gebracht („negatief besluit”).

6.   Besluiten uit hoofde van de leden 2 tot en met 5 worden genomen zodra de in artikel 4, lid 4, bedoelde twijfel is weggenomen. De Commissie streeft er zoveel mogelijk naar binnen 18 maanden na de inleiding van de procedure een besluit vast te stellen. Deze termijn kan worden verlengd in onderlinge overeenstemming tussen de Commissie en de betrokken lidstaat.

7.   Wanneer de in lid 6 van dit artikel genoemde termijn is verstreken, neemt de Commissie op verzoek van de betrokken lidstaat binnen twee maanden een besluit op basis van de informatie waarover zij beschikt. In voorkomend geval neemt de Commissie, wanneer de verstrekte informatie niet toereikend is om de verenigbaarheid vast te stellen, een negatief besluit.

8.   Alvorens de in de leden 2 tot en met 5 bedoelde besluiten vast te stellen, stelt de Commissie de betrokken lidstaat in de gelegenheid om zijn standpunt binnen een termijn die in de regel niet langer dan een maand mag zijn, kenbaar te maken ten aanzien van de op grond van artikel 7, lid 3, door de Commissie ontvangen en aan de betrokken lidstaat verschafte informatie.

9.   De Commissie maakt in een overeenkomstig de leden 2 tot en met 5 van dit artikel vastgesteld besluit alleen gebruik van door respondenten verstrekte vertrouwelijke informatie die niet kan worden geaggregeerd of anderszins geanonimiseerd wanneer zij hun toestemming heeft gekregen om deze informatie vrij te geven aan de betrokken lidstaat. De Commissie kan een met een redenen omkleed besluit vaststellen, dat ter kennis van de betrokken onderneming of ondernemersvereniging wordt gebracht, waarin zij tot de bevinding komt dat de door een respondent verschafte, als vertrouwelijk gemarkeerde informatie niet beschermd is en een datum bepaalt na welke die informatie zal worden vrijgegeven. Die termijn mag niet korter dan één maand zijn.

10.   De Commissie houdt naar behoren rekening met het gerechtvaardigde belang van de ondernemingen bij het beschermen van hun bedrijfsgevoelige informatie en andere vertrouwelijke informatie. Een onderneming of een ondernemersvereniging, die informatie verstrekt krachtens artikel 7, en die geen begunstigde van de betrokken steunmaatregel is, kan, wanneer bekendmaking schade zou kunnen veroorzaken, verzoeken dat haar identiteit voor de betrokken lidstaat geheim wordt gehouden.

Artikel 10

Intrekking van de aanmelding

1.   Zolang de Commissie geen besluit heeft genomen overeenkomstig artikel 4 of artikel 9, kan de betrokken lidstaat de aanmelding in de zin van artikel 2 ten gepaste tijde intrekken.

2.   In de gevallen waarin de Commissie de formele onderzoeksprocedure heeft ingeleid, wordt deze door de Commissie beëindigd.

Artikel 11

Herroeping van een besluit

Na de betrokken lidstaat de gelegenheid te hebben gegeven opmerkingen in te dienen, kan de Commissie een uit hoofde van artikel 4, lid 2 of 3, of artikel 9, lid 2, 3 of 4 genomen besluit herroepen, indien het besluit berustte op tijdens de procedure verstrekte onjuiste informatie die voor het besluit doorslaggevend was. Alvorens een besluit te herroepen en een nieuw besluit te nemen, leidt de Commissie de formele onderzoeksprocedure uit hoofde van artikel 4, lid 4, in. De artikelen 6, 9 en 12, artikel 13, lid 1, en de artikelen 15, 16 en 17 zijn van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK III

PROCEDURE BETREFFENDE ONRECHTMATIGE STEUN

Artikel 12

Onderzoek, verzoek om informatie en bevel tot het verstrekken van informatie

1.   Onverminderd artikel 24 kan de Commissie ambtshalve informatie, uit welke bron ook, onderzoeken met betrekking tot mogelijk onrechtmatige steun.

De Commissie onderzoekt een klacht die een belanghebbende overeenkomstig artikel 24, lid 2, heeft ingediend, zo snel mogelijk en zorgt ervoor dat de betrokken lidstaat volledig en regelmatig van de vooruitgang en het resultaat van het onderzoek op de hoogte wordt gehouden.

2.   Zo nodig verzoekt de Commissie de betrokken lidstaat om informatie. Artikel 2, lid 2, en artikel 5, leden l en 2, zijn van overeenkomstige toepassing.

Nadat de formele onderzoeksprocedure is ingeleid, kan de Commissie, op grond van de artikelen 7 en 8, die van overeenkomstige toepassing zijn, tevens een andere lidstaat, een onderneming of een ondernemersvereniging om informatie verzoeken.

3.   Indien de betrokken lidstaat, ondanks een aanmaning overeenkomstig artikel 5, lid 2, de gevraagde informatie niet binnen de door de Commissie gestelde termijn verstrekt of onvolledige informatie verstrekt, verlangt de Commissie de te verstrekken informatie bij besluit („bevel tot het verstrekken van informatie”). In dat besluit wordt aangegeven welke informatie wordt verlangd, en wordt een passende termijn gesteld waarbinnen deze moet worden verstrekt.

Artikel 13

Bevel tot opschorting van steun of tot voorlopige terugvordering van steun

1.   Na de betrokken lidstaat de gelegenheid te hebben gegeven zijn opmerkingen in te dienen, kan de Commissie een besluit nemen waarbij de lidstaat wordt gelast alle onrechtmatige steun op te schorten, totdat de Commissie een besluit heeft genomen over de verenigbaarheid van de steun met de interne markt („opschortingsbevel”).

2.   Na de betrokken lidstaat de gelegenheid te hebben gegeven zijn opmerkingen in te dienen, kan de Commissie een besluit nemen waarbij de lidstaat wordt gelast alle onrechtmatige steun voorlopig terug te vorderen, totdat de Commissie een besluit heeft genomen over de verenigbaarheid van de steun met de interne markt („terugvorderingsbevel”), indien wordt voldaan aan alle onderstaande criteria:

a)

er bestaat volgens een gevestigde praktijk geen twijfel omtrent de steunverlenende aard van de maatregel;

b)

er moet dringend worden opgetreden;

c)

er bestaat een ernstig gevaar dat een mededinger aanzienlijke en onherstelbare schade oploopt.

Terugvordering dient volgens de procedure van artikel 16, leden 2 en 3, te geschieden. Nadat de steun daadwerkelijk is teruggevorderd, neemt de Commissie binnen de voor aangemelde steun geldende termijn een besluit.

De Commissie kan de lidstaat machtigen de terugbetaling van de steun vergezeld te doen gaan van reddingssteun voor de betrokken onderneming.

Het bepaalde in deze alinea is slechts van toepassing op onrechtmatige steun die ten uitvoer is gelegd na de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 659/1999.

Artikel 14

Niet-naleving van een bevel

Indien de betrokken lidstaat geen gevolg geeft aan een opschortings- of terugvorderingsbevel, kan de Commissie, terwijl zij het materiële onderzoek aan de hand van de beschikbare informatie voortzet, zich rechtstreeks tot het Hof van Justitie van de Europese Unie wenden teneinde te doen vaststellen dat het verzuim een inbreuk op het VWEU vormt.

Artikel 15

Besluiten van de Commissie

1.   Het onderzoek naar mogelijke onrechtmatige steun resulteert in een besluit overeenkomstig artikel 4, leden 2, 3 of 4. In geval van een besluit tot inleiding van een formele onderzoeksprocedure wordt de procedure afgesloten bij een besluit overeenkomstig artikel 9. Indien een lidstaat niet voldoet aan een bevel tot het verstrekken van informatie, wordt het besluit op grond van de beschikbare informatie genomen.

2.   In geval van eventuele onrechtmatige steun en onverminderd artikel 13, lid 2, is de Commissie niet aan de in artikel 4, lid 5, en artikel 9, leden 6 en 7, bepaalde termijn gebonden.

3.   Artikel 11 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 16

Terugvordering van steun

1.   Indien negatieve besluiten worden genomen in gevallen van onrechtmatige steun besluit de Commissie dat de betrokken lidstaat alle nodige maatregelen dient te nemen om de steun van de begunstigde terug te vorderen („terugvorderingsbesluit”). De Commissie verlangt geen terugvordering van de steun indien zulks in strijd is met een algemeen beginsel van het Unierecht.

2.   De op grond van een terugvorderingsbesluit terug te vorderen steun omvat rente tegen een door de Commissie vastgesteld passend percentage. De rente is betaalbaar vanaf de datum waarop de onrechtmatige steun voor de begunstigde beschikbaar was tot de datum van daadwerkelijke terugbetaling van de steun.

3.   Onverminderd een beschikking van het Hof van Justitie van de Europese Unie overeenkomstig artikel 278 VWEU, dient terugvordering onverwijld en in overeenstemming met de nationaalrechtelijke procedures van de betrokken lidstaat te geschieden, voor zover die procedures een onverwijlde en daadwerkelijke tenuitvoerlegging van het besluit van de Commissie toelaten. Daartoe nemen de betrokken lidstaten in geval van een procedure voor een nationale rechterlijke instantie alle nodige maatregelen, met inbegrip van voorlopige maatregelen, waarover zij binnen hun nationale rechtsstelsel beschikken om dit doel te bereiken, onverminderd het Unierecht.

HOOFDSTUK IV

VERJARINGSTERMIJNEN

Artikel 17

Verjaringstermijn voor de terugvordering van steun

1.   De bevoegdheden van de Commissie om steun terug te vorderen verjaren na een termijn van tien jaar.

2.   Deze termijn gaat in op de dag waarop de onrechtmatige steun als individuele steun of in het kader van een steunregeling aan de begunstigde is verleend. Door elke maatregel van de Commissie of een op haar verzoek optredende lidstaat ten aanzien van de onrechtmatige steun wordt de verjaring gestuit. Na elke stuiting begint de termijn van voren af aan te lopen. De verjaring wordt geschorst, zolang over het besluit van de Commissie een beroep aanhangig is bij het Hof van Justitie van de Europese Unie.

3.   Steun ten aanzien waarvan de verjaringstermijn is verstreken, wordt als bestaande steun beschouwd.

Artikel 18

Verjaringstermijn voor het opleggen van geldboeten en dwangsommen

1.   Voor de bij artikel 8 aan de Commissie verleende bevoegdheden geldt een verjaringstermijn van drie jaar.

2.   De in lid 1 bepaalde termijn gaat in op de dag waarop de in artikel 8 bedoelde inbreuk is gemaakt. Bij voortdurende of voortgezette inbreuken gaat de termijn echter pas in op de dag waarop de inbreuk is beëindigd.

3.   Iedere handeling die de Commissie stelt met het oog op het onderzoek van of procedures ten aanzien van een in artikel 8 bedoelde inbreuk, stuit de verjaring van de oplegging van geldboeten of dwangsommen, vanaf de dag waarop van de handeling aan de betrokken onderneming of ondernemersvereniging kennis is gegeven.

4.   Na iedere stuiting begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen. De verjaring treedt echter ten laatste in op de dag waarop een termijn van zes jaar is verstreken zonder dat de Commissie een geldboete of een dwangsom heeft opgelegd. Die termijn wordt verlengd met de periode gedurende welke de verjaringstermijn in overeenstemming met lid 5 van dit artikel wordt geschorst.

5.   De verjaring ter zake van de oplegging van geldboeten en dwangsommen wordt geschorst zolang het besluit van de Commissie bij het Hof van Justitie van de Europese Unie aanhangig is.

Artikel 19

Verjaringstermijn voor de tenuitvoerlegging van geldboeten en dwangsommen

1.   De verjaringstermijn voor de aan de Commissie verleende bevoegdheden om overeenkomstig artikel 8 vastgestelde besluiten ten uitvoer te leggen, beloopt vijf jaar.

2.   De in lid 1 bepaalde termijn gaat in op de dag waarop het krachtens artikel 8 genomen besluit in kracht van gewijsde is gegaan.

3.   De in lid 1 van dit artikel bepaalde verjaringstermijn wordt gestuit:

a)

door de kennisgeving van een besluit waarbij het oorspronkelijke bedrag van de geldboete of de dwangsom wordt gewijzigd of waarbij een daartoe strekkend verzoek wordt afgewezen;

b)

door elke handeling van een op verzoek van de Commissie handelende lidstaat of van de Commissie tot inning van de geldboete of de dwangsom.

4.   Na iedere stuiting begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen.

5.   De in lid 1 bedoelde verjaringstermijn wordt geschorst zolang:

a)

de respondent betalingsfaciliteiten worden toegestaan;

b)

de tenuitvoerlegging krachtens een beslissing van het Hof van Justitie van de Europese Unie is opgeschort.

HOOFDSTUK V

PROCEDURE BETREFFENDE MISBRUIK VAN STEUN

Artikel 20

Misbruik van steun

Onverminderd artikel 28 kan de Commissie in gevallen van misbruik van steun de formele onderzoeksprocedure inleiden, overeenkomstig artikel 4, lid 4. De artikelen 6 tot en met 9, 11 en 12, artikel 13, lid 1, en de artikelen 14 tot en met 17 zijn van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK VI

PROCEDURE BETREFFENDE BESTAANDE STEUNREGELINGEN

Artikel 21

Samenwerking op grond van artikel 108, lid 1, VWEU

1.   De Commissie ontvangt van de betrokken lidstaat alle nodige informatie om in samenspraak met deze lidstaat krachtens artikel 108, lid 1, VWEU de bestaande steunregelingen te kunnen onderzoeken.

2.   Indien de Commissie van mening is dat een steunregeling niet of niet langer verenigbaar is met de interne markt, stelt zij de betrokken lidstaat van haar eerste oordeel in kennis en geeft zij de betrokken lidstaat de gelegenheid om binnen een termijn van één maand zijn opmerkingen in te dienen. In naar behoren gerechtvaardigde gevallen kan de Commissie deze termijn verlengen.

Artikel 22

Voorstel voor dienstige maatregelen

Indien de Commissie, in het licht van de door een lidstaat overeenkomstig artikel 21 verstrekte informatie, tot de gevolgtrekking komt dat de bestaande steunregeling niet of niet langer verenigbaar is met de interne markt, geeft zij een aanbeveling waarbij de betrokken lidstaat dienstige maatregelen worden voorgesteld. Die aanbeveling kan met name voorstellen inhouden om:

a)

de betrokken steunregeling inhoudelijk te wijzigen, of

b)

procedurele vereisten in te voeren, of

c)

de steunregeling of te schaffen.

Artikel 23

Rechtsgevolgen van een voorstel voor dienstige maatregelen

1.   Indien de betrokken lidstaat de voorgestelde maatregelen aanvaardt en de Commissie daarvan in kennis stelt, legt de Commissie dit vast en deelt zij dit aan de lidstaat mede. Door zijn aanvaarding verbindt de lidstaat zich ertoe de dienstige maatregelen ten uitvoer te leggen.

2.   Indien de betrokken lidstaat de voorgestelde maatregelen niet aanvaardt en de Commissie, gelet op de argumenten van de betrokken lidstaat, bij haar zienswijze blijft dat die maatregelen noodzakelijk zijn, leidt zij de procedure van artikel 4, lid 4, in. De artikelen 6, 9 en 11 zijn van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK VII

BELANGHEBBENDEN

Artikel 24

Rechten van de belanghebbenden

1.   Elke belanghebbende kan overeenkomstig artikel 6 opmerkingen indienen naar aanleiding van een besluit van de Commissie om een formele onderzoeksprocedure in te leiden. Elke belanghebbende die opmerkingen heeft ingediend en elke ontvanger van individuele steun krijgt een afschrift van de door de Commissie overeenkomstig artikel 9 genomen besluiten toegezonden.

2.   Elke belanghebbende kan een klacht indienen om de Commissie in kennis te stellen van mogelijk onrechtmatige steun of van mogelijk misbruik van steun. Te dien einde vult de belanghebbende een in een uitvoeringsbepaling als bedoeld in artikel 33 vastgesteld formulier in, en verschaft hij de daarin gevraagde verplichte informatie.

Wanneer de Commissie van oordeel is dat de belanghebbende het verplichte klachtenformulier niet heeft nageleefd of de feiten en juridische argumenten die de belanghebbende heeft aangevoerd, onvoldoende gronden bieden om, op grond van een provisioneel onderzoek, aan te tonen dat er sprake is van onrechtmatige steun of misbruik van steun, stelt zij de belanghebbende daarvan in kennis en nodigt zij deze uit om opmerkingen in te dienen binnen een bepaalde termijn die in de regel niet langer dan een maand mag zijn. Indien de belanghebbende zijn standpunten niet binnen die vastgestelde termijn kenbaar maakt, wordt de klacht geacht te zijn ingetrokken. De Commissie stelt de betrokken lidstaat ervan in kennis als een klacht wordt geacht te zijn ingetrokken.

De Commissie stuurt de klager een afschrift van het besluit over een geval dat betrekking heeft op het onderwerp van de klacht.

3.   Desgewenst ontvangt elke belanghebbende een afschrift van krachtens artikel 4, artikel 9, artikel 12, lid 3, en artikel 13 genomen besluiten.

HOOFDSTUK VIII

ONDERZOEKEN NAAR BEPAALDE SECTOREN VAN DE ECONOMIE EN NAAR STEUNINSTRUMENTEN

Artikel 25

Onderzoeken naar bepaalde sectoren van de economie en naar steuninstrumenten

1.   Wanneer er op grond van de beschikbare informatie een redelijk vermoeden bestaat dat staatssteunmaatregelen in een bepaalde sector of op basis van een bepaald steuninstrument de mededinging binnen de interne markt materieel kunnen beperken of vervalsen, of dat bestaande steunmaatregelen in een bepaalde sector in verscheidene lidstaten niet of niet meer verenigbaar zijn met de interne markt, kan de Commissie in verscheidene lidstaten onderzoek doen naar die sector van de economie of naar het gebruik van het betrokken steuninstrument. In het kader van dat onderzoek kan de Commissie de lidstaten en/of de betrokken ondernemingen of ondernemersverenigingen verzoeken alle informatie te verschaffen die voor de toepassing van de artikelen 107 en 108 VWEU noodzakelijk is, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel.

De Commissie motiveert bij alle krachtens dit artikel verstuurde informatieverzoeken het onderzoek en de keuze van de adressaten.

De Commissie maakt een verslag over de uitkomsten van haar onderzoek naar bepaalde sectoren van de economie of bepaalde soorten steuninstrumenten in verscheidene lidstaten bekend en verzoekt de lidstaten en betrokken ondernemingen of ondernemersverenigingen opmerkingen te maken.

2.   De informatie die uit sectorale onderzoeken is verkregen, kan in het kader van procedures krachtens deze verordening worden gebruikt.

3.   De artikelen 5, 7 en 8 van deze verordening zijn van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK IX

TOEZICHT

Artikel 26

Jaarverslagen

1.   De lidstaten dienen bij de Commissie jaarlijks een verslag in over alle bestaande steunregelingen waarvoor bij een voorwaardelijk besluit op grond van artikel 9, lid 4, geen specifieke rapportageverplichting is opgelegd.

2.   Indien de betrokken lidstaat na aanmaning verzuimt een jaarverslag in te dienen, kan de Commissie met betrekking tot de betrokken steunregeling handelen overeenkomstig artikel 22.

Artikel 27

Controle ter plaatse

1.   Indien de Commissie ernstige twijfel heeft over de naleving van besluiten om geen bezwaar te maken, positieve besluiten of voorwaardelijke besluiten met betrekking tot individuele steun, stelt de betrokken lidstaat, na de gelegenheid te hebben gekregen opmerkingen in te dienen, de Commissie in staat om controles ter plaatse te verrichten.

2.   Teneinde na te gaan of is voldaan aan het besluit, mogen de door de Commissie gemachtigde ambtenaren:

a)

alle ruimten en terreinen van de betrokken onderneming betreden;

b)

ter plaatse mondelinge uitleg vragen;

c)

boeken en andere zakelijke bescheiden onderzoeken en kopieën maken of verlangen.

Indien nodig kan de Commissie zich door onafhankelijke deskundigen laten bijstaan.

3.   De Commissie zendt de betrokken lidstaat tijdig een aankondiging van de controle ter plaatse, met vermelding van de identiteit van de in haar opdracht handelende ambtenaren en deskundigen. Indien de lidstaat naar behoren gerechtvaardigde bezwaren heeft tegen de door de Commissie gekozen deskundigen, worden de deskundigen in onderlinge overeenstemming met de lidstaat aangesteld. De ambtenaren van de Commissie en de deskundigen die bevoegd zijn de controle ter plaatse te verrichten, leggen een schriftelijke machtiging voor waarin voorwerp en doel van de controle zijn beschreven.

4.   Ambtenaren die gemachtigd zijn door de lidstaat op het grondgebied waarvan de controle dient te worden verricht, mogen de controle bijwonen.

5.   De Commissie verstrekt de betrokken lidstaat een afschrift van elk verslag dat ingevolge de controle wordt opgesteld.

6.   Wanneer een onderneming zich verzet tegen een controle waartoe de Commissie krachtens dit artikel opdracht heeft gegeven, verleent de betrokken lidstaat aan de door de Commissie gemachtigde ambtenaren en deskundigen de nodige bijstand, teneinde hen in staat te stellen de controle te verrichten.

Artikel 28

Niet-naleving van besluiten en arresten

1.   Indien de betrokken lidstaat, met name in gevallen bedoeld in artikel 16 van deze verordening, niet voldoet aan een voorwaardelijk of negatief besluit, kan de Commissie overeenkomstig artikel 108, lid 2, VWEU de zaak rechtstreeks bij het Hof van Justitie van de Europese Unie aanhangig maken.

2.   Indien de Commissie van oordeel is dat de betrokken lidstaat een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie niet is nagekomen, kan zij de zaak verder afhandelen overeenkomstig artikel 260 VWEU.

HOOFDSTUK X

SAMENWERKING MET DE NATIONALE RECHTERLIJKE INSTANTIES

Artikel 29

Samenwerking met de nationale rechterlijke instanties

1.   De rechterlijke instanties van de lidstaten kunnen naar aanleiding van de toepassing van artikel 107, lid 1, en artikel 108 VWEU de Commissie verzoeken informatie te verstrekken waarover zij beschikt, of een advies te geven over vragen betreffende de toepassing van staatssteunregels.

2.   Indien de coherente toepassing van artikel 107, lid 1, of artikel 108 VWEU zulks vereist, kan de Commissie, eigener beweging, schriftelijke opmerkingen indienen bij de rechterlijke instanties van de lidstaten die belast zijn met de toepassing van de regels inzake staatssteun. Met toestemming van de betrokken rechterlijke instantie kan zij ook mondelinge opmerkingen maken.

Voorafgaand aan de formele indiening van haar opmerkingen stelt de Commissie de betrokken lidstaat op de hoogte van haar voornemen daartoe.

Uitsluitend met het oog op de formulering van haar opmerkingen kan de Commissie de desbetreffende rechterlijke instantie van de lidstaat verzoeken om haar alle voor de beoordeling van de aangelegenheid noodzakelijke stukken toe te zenden.

HOOFDSTUK XI

GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

Artikel 30

Geheimhoudingsplicht

De Commissie en de lidstaten, alsmede hun ambtenaren en overige personeelsleden, met inbegrip van de door de Commissie aangewezen onafhankelijke deskundigen, mogen de informatie die zij bij de toepassing van deze verordening hebben verkregen en die onder de geheimhoudingsplicht valt, niet openbaar maken.

Artikel 31

Adressaten van besluiten

1.   De op grond van artikel 7, lid 7, artikel 8, leden 1 en 2, en artikel 9, lid 9, vastgestelde besluiten worden gericht tot de betrokken onderneming of ondernemersvereniging. De Commissie stelt de adressaten onverwijld in kennis va de besluiten en geeft de adressaten de gelegenheid om de Commissie mee te delen welke informatie volgens hen onder de geheimhoudingsplicht valt.

2.   Alle overige overeenkomstig de hoofdstukken II, III, V, VI en IX vastgestelde besluiten van de Commissie worden tot de betrokken lidstaat gericht. De Commissie stelt de betrokken lidstaat onverwijld daarvan in kennis en geeft die lidstaat de gelegenheid om de Commissie mee te delen welke informatie volgens hem onder de geheimhoudingsplicht valt.

Artikel 32

Bekendmaking van besluiten

1.   De Commissie maakt in het Publicatieblad van de Europese Unie een samenvatting bekend van haar besluiten uit hoofde van artikel 4, leden 2 en 3, en artikel 22 juncto artikel 23, lid 1. Die samenvatting houdt de vermelding in dat een afschrift van het besluit in de authentieke taalversie(s) kan worden verkregen.

2.   De Commissie maakt besluiten uit hoofde van artikel 4, lid 4, in de authentieke taalversie bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie. In de andere taalversies van het Publicatieblad dan die van de authentieke taalversie gaat de authentieke taalversie vergezeld van een relevante samenvatting in de taal van die taalversie van het Publicatieblad.

3.   De Commissie maakt besluiten uit hoofde van artikel 8, leden 1 en 2, en artikel 9 bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.

4.   In gevallen waarin artikel 4, lid 6, of artikel 10, lid 2, van toepassing is, wordt in het Publicatieblad van de Europese Unie een korte mededeling bekendgemaakt.

5.   De Raad kan met eenparigheid van stemmen besluiten om besluiten uit hoofde van artikel 108, lid 2, derde alinea, VWEU bekend te maken in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 33

Uitvoeringsbepalingen

De Commissie is bevoegd om, volgens de procedure van artikel 34, uitvoeringsbepalingen vast te stellen met betrekking tot:

a)

de vorm, de inhoud en de overige bijzonderheden van aanmeldingen;

b)

de vorm, de inhoud en de overige bijzonderheden van jaarlijkse verslagen;

c)

de vorm, de inhoud en de overige bijzonderheden van de overeenkomstig artikel 12, lid 1, en artikel 24, lid 2, ingediende klachten;

d)

bijzonderheden met betrekking tot verjaringstermijnen en de berekening van verjaringstermijnen, en

e)

het in artikel 16, lid 2, bedoelde rentepercentage.

Artikel 34

Raadpleging van het Adviescomité inzake overheidssteun

1.   Voordat de Commissie uitvoeringsbepalingen uit hoofde van artikel 33 aanneemt, raadpleegt zij het Adviescomité inzake overheidssteun dat is ingesteld bij Verordening (EU) 2015/1588 van de Raad (4) („het comité”).

2.   Het comité wordt geraadpleegd tijdens een door de Commissie bijeengeroepen vergadering. De te bespreken ontwerpen en documenten worden bij de convocatie gevoegd. De vergadering wordt ten vroegste twee maanden na toezending van de convocatie gehouden. Deze termijn kan in urgente gevallen worden verkort.

3.   De vertegenwoordiger van de Commissie legt het comité een ontwerp van de te nemen maatregelen voor. Het comité brengt binnen een termijn die de voorzitter naar gelang van de urgentie van de zaak kan vaststellen advies uit over het ontwerp, zo nodig door middel van een stemming.

4.   Het advies wordt in de notulen opgenomen. Voorts heeft iedere lidstaat het recht te verzoeken dat zijn standpunt in de notulen wordt opgenomen. Het comité kan aanbevelen het advies bekend te maken in het Publicatieblad van de Europese Unie.

5.   De Commissie houdt zoveel mogelijk rekening met het door het comité uitgebrachte advies. Zij brengt het comité op de hoogte van de wijze waarop zij rekening heeft gehouden met zijn advies.

Artikel 35

Intrekking

Verordening (EG) nr. 659/1999 wordt ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage II.

Artikel 36

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 13 juli 2015.

Voor de Raad

De voorzitter

F. ETGEN


(1)  Advies van 29 april 2015 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PB L 83 van 27.3.1999, blz. 1).

(3)  Zie bijlage I.

(4)  Verordening (EU) 2015/1588 van de Raad van 13 juli 2015 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op bepaalde soorten horizontale steunmaatregelen (zie bladzijde 1 van dit Publicatieblad).


BIJLAGE I

Ingetrokken verordening met overzicht van de achtereenvolgende wijzigingen ervan

Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad

(PB L 83 van 27.3.1999, blz. 1)

Onderdeel 5, punt 6, van bijlage II bij de Akte van toetreding van 2003

 

Verordening (EG) nr. 1791/2006 van de Raad

(PB L 363 van 20.12.2006, blz. 1)

Verordening (EU) nr. 517/2013 van de Raad

(PB L 158 van 10.6.2013, blz. 1)

Verordening (EU) nr. 734/2013 van de Raad

(PB L 204 van 31.7.2013, blz. 15)


BIJLAGE II

Concordantietabel

Verordening (EG) nr. 659/1999

De onderhavige verordening

Artikelen 1 tot en met 6

Artikelen 1 tot en met 6

Artikel 6 bis

Artikel 7

Artikel 6 ter

Artikel 8

Artikel 7

Artikel 9

Artikel 8

Artikel 10

Artikel 9

Artikel 11

Artikel 10

Artikel 12

Artikel 11, lid 1

Artikel 13, lid 1

Artikel 11, lid 2, eerste alinea, aanhef

Artikel 13, lid 2, eerste alinea, aanhef

Artikel 11, lid 2, eerste alinea, eerste streepje

Artikel 13, lid 2, eerste alinea, punt a)

Artikel 11, lid 2, eerste alinea, tweede streepje

Artikel 13, lid 2, eerste alinea, punt b)

Artikel 11, lid 2, eerste alinea, derde streepje

Artikel 13, lid 2, eerste alinea, punt c)

Artikel 11, lid 2, tweede, derde en vierde alinea

Artikel 13, lid 2, tweede, derde en vierde alinea

Artikel 12

Artikel 14

Artikel 13

Artikel 15

Artikel 14

Artikel 16

Artikel 15

Artikel 17

Artikel 15 bis

Artikel 18

Artikel 15 ter

Artikel 19

Artikel 16

Artikel 20

Artikel 17

Artikel 21

Artikel 18

Artikel 22

Artikel 19

Artikel 23

Artikel 20

Artikel 24

Artikel 20 bis

Artikel 25

Artikel 21

Artikel 26

Artikel 22

Artikel 27

Artikel 23

Artikel 28

Artikel 23 bis

Artikel 29

Artikel 24

Artikel 30

Artikel 25

Artikel 31

Artikel 26, leden 1 en 2

Artikel 32, leden 1 en 2

Artikel 26, lid 2 bis

Artikel 32, lid 3

Artikel 26, lid 3

Artikel 32, lid 3

Artikel 26, lid 4

Artikel 32, lid 4

Artikel 26, lid 5

Artikel 32, lid 5

Artikel 27

Artikel 33

Artikel 28

Artikel 29

Artikel 34

Artikel 35

Artikel 30

Artikel 36

Bijlage I

Bijlage II


Top