Help Print this page 

Document 32014R0283

Title and reference
Verordening (EU) nr. 283/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 betreffende richtsnoeren voor trans-Europese netwerken op het gebied van telecommunicatie-infrastructuur en tot intrekking van Beschikking nr. 1336/97/EG Voor de EER relevante tekst
  • In force
OJ L 86, 21.3.2014, p. 14–26 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2014/283/oj
Languages, formats and link to OJ
BG ES CS DA DE ET EL EN FR GA HR IT LV LT HU MT NL PL PT RO SK SL FI SV
HTML html BG html ES html CS html DA html DE html ET html EL html EN html FR html GA html HR html IT html LV html LT html HU html MT html NL html PL html PT html RO html SK html SL html FI html SV
PDF pdf BG pdf ES pdf CS pdf DA pdf DE pdf ET pdf EL pdf EN pdf FR pdf GA pdf HR pdf IT pdf LV pdf LT pdf HU pdf MT pdf NL pdf PL pdf PT pdf RO pdf SK pdf SL pdf FI pdf SV
Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal
 To see if this document has been published in an e-OJ with legal value, click on the icon above (For OJs published before 1st July 2013, only the paper version has legal value).
Multilingual display
Dates
  • Date of document: 11/03/2014
  • Date of effect: 01/01/2014; Toepassing zie art 10
  • Date of effect: 22/03/2014; in werking datum publicatie +1 zie art 10
  • Date of end of validity: 31/12/9999
Miscellaneous information
  • Author: Europees Parlement, Raad van de Europese Unie
  • Form: Verordening
  • Additional information: COM 2011/0657, COD 2011/0299, relevant voor de EER
Text

21.3.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 86/14


VERORDENING (EU) Nr. 283/2014 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 11 maart 2014

betreffende richtsnoeren voor trans-Europese netwerken op het gebied van telecommunicatie-infrastructuur en tot intrekking van Beschikking nr. 1336/97/EG

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 172,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien de adviezen van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien de adviezen van het Comité van de Regio's (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Telecommunicatienetwerken en -diensten zijn infrastructuren die steeds vaker op het internet zijn geënt en breedbandnetwerken en digitale diensten zijn nauw met elkaar verbonden. Het internet wordt het overheersende platform voor communicatie, diensten, onderwijs, deelname aan het sociale en politieke leven, culturele inhoud, en het zakenleven. Daarom is het voor de sociale en economische groei, het concurrentievermogen, de sociale inclusie en de interne markt belangrijk dat over heel Europa een wijdverbreide, hogesnelheids-, en veilige internettoegang en digitale diensten van algemeen belang beschikbaar zijn.

(2)

Op 17 juni 2010 heeft de Europese Raad de mededeling van de Commissie van 26 augustus 2010 aangaande de Digitale agenda voor Europa bekrachtigd, die beoogt een route uit te stippelen om het sociale en economische potentieel van informatie- en communicatietechnologieën te maximaliseren. Hiermee wordt gestreefd naar bevordering van het aanbod van en de vraag naar concurrerende infrastructuur voor hogesnelheidsinternet en op internet gebaseerde digitale diensten om vooruitgang te boeken naar een daadwerkelijke eengemaakte digitale markt die essentieel is voor slimme, duurzame en inclusieve groei.

(3)

In Verordening (EU) nr. 1316/2013 van het Europees Parlement en de Raad (4) zijn de voorwaarden, methoden en procedures bepaald om aan trans-Europese netwerken in de sectoren vervoer, telecommunicatie- en energie-infrastructuren financiële bijstand van de Unie te verlenen. Gezien de vergelijkbare uitdagingen en kansen binnen de sectoren die onder de Connecting Europe Facility (CEF - de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen) vallen, kunnen er belangrijke synergieën worden benut, onder meer door CEF-financiering te combineren met andere financieringsbronnen.

(4)

Er is al een groot aantal grensoverschrijdende digitale diensten verwezenlijkt die worden gebruikt voor interactie tussen Europese overheidsdiensten ter ondersteuning van het beleid van de Unie. Bij het bieden van nieuwe oplossingen is het van belang gebruik te maken van bestaande oplossingen die in het kader van andere Europese initiatieven tot stand zijn gekomen, overbodige overlapping te vermijden en te zorgen voor coördinatie en onderlinge afstemming van aanpakken en oplossingen met betrekking tot alle initiatieven en beleidsterreinen, zoals het bij Besluit nr. 922/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad (5) vastgestelde ISA-programma, het bij Verordening (EU) nr. 1286/2013 van het Europees Parlement en de Raad (6) vastgestelde Fiscalis-programma en het bij Verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad (7) vastgestelde Horizon 2020. Het is tevens van belang dat de oplossingen voldoen aan de overeengekomen internationale en/of Europese normen of aan open specificaties voor interoperabiliteit, in het bijzonder die welke door de Commissie overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad (8) zijn aangeduid, en aan relevante andere specificaties en richtsnoeren, zoals het Europees interoperabiliteitskader voor Europese overheidsdiensten (EIF).

(5)

De ontwikkeling van hogesnelheidsbreedbandnetwerken zal baat hebben bij Europese technische normen. Als de Unie opnieuw een belangrijke rol in de telecommunicatiesector wil spelen, moeten onderzoek- en ontwikkelingsprogramma's van de Unie worden ontwikkeld en standaardisatieprocedures nauwer worden opgevolgd.

(6)

Grootschalige proefprojecten tussen lidstaten en medegefinancierd vanuit het kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie (9), zoals PEPPOL, STORK, epSOS, eCODEX en SPOCS, hebben het nut en de kwaliteit aangetoond van belangrijke grensoverschrijdende digitale diensten op de interne markt die zijn gebaseerd op gezamenlijke bouwstenen en die worden geconsolideerd in het kader van het project eSENS. Die proefprojecten hebben het voor introductie vereiste stadium van wasdom al bereikt of zullen dit in de nabije toekomst bereiken. Bestaande projecten van gemeenschappelijk belang hebben de meerwaarde van acties op Europees niveau al aangetoond, onder meer op het gebied van cultureel erfgoed (Europeana), bescherming van kinderen (Safer Internet) en sociale zekerheid (EESSI). Voor andere projecten, bijvoorbeeld op het gebied van consumentenbescherming (ODR), zijn voorstellen gedaan.

(7)

Met betrekking tot digitale-diensteninfrastructuren moeten de bouwstenen voorrang hebben boven de andere digitale-diensteninfrastructuren, waarvoor de bouwstenen immers onontbeerlijk zijn. Digitale-diensteninfrastructuren dienen onder meer meerwaarde op Europees niveau te creëren en te voorzien in bestaande behoeften. Zij dienen technisch en operationeel voldoende geschikt voor introductie te zijn, wat met name door middel van geslaagde proefprojecten moet zijn aangetoond. Zij dienen op een concreet duurzaamheidsplan te zijn gebaseerd, zodat exploitatie van de centrale dienstenplatforms op middellange tot lange termijn en na afloop van de CEF is gewaarborgd. Financiële bijstand in het kader van deze verordening dient derhalve voor zover mogelijk mettertijd te worden uitgefaseerd; in voorkomend geval moeten middelen uit andere bronnen dan de CEF worden vrijgemaakt.

(8)

Het is belangrijk dat digitale-diensteninfrastructuren die op grond van het recht van de Unie noodzakelijk zijn om te voldoen aan wettelijke verplichtingen en/of die worden gebruikt om bouwstenen te ontwikkelen of te leveren en die mogelijk een aanzienlijk effect hebben op de ontwikkeling van pan-Europese overheidsdiensten, worden gefinancierd, zodat meervoudige digitale-diensteninfrastructuren worden ondersteund en geleidelijk een Europees interoperabiliteitsecosysteem wordt opgebouwd. Wettelijke verplichtingen zijn in deze context specifieke voorschriften op grond waarvan digitale-diensteninfrastructuren moeten worden ontwikkeld of gebruikt, dan wel resultaten moeten worden bereikt die alleen met behulp van Europese digitale diensteninfrastructuren haalbaar zijn.

(9)

Europeana en Safer Internet (voor kinderen) moeten, als gevestigde digitale-diensteninfrastructuren, bij de financiering prioriteit hebben. In het bijzonder moet in de eerste jaren van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 bepaald in Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad (10) de continuïteit van de financiering van de Unie vanuit andere programma's van de Unie naar de CEF worden gewaarborgd om een ononderbroken en geslaagde dienstenlevering mogelijk te maken op hetzelfde niveau als onder het huidige financieringssysteem. De Raad heeft op 10 mei 2012 gewezen op het essentiële belang de levensvatbaarheid van Europeana, ook wat betreft de governance en financiering, op de lange termijn zeker te stellen (11).

(10)

Gezorgd moet worden voor een veilige, inclusieve en positieve internetomgeving voor kinderen en jongeren. Het is noodzakelijk de werking van het programma Safer Internet na 2014 te garanderen, als vitale maatregel tot bescherming en bevordering van de rechten van kinderen in een internetomgeving. De uitvoering van deze verordening moet zorgen voor de financiële ondersteuning van de uitvoering van de Europese strategie voor een beter internet voor kinderen op het niveau van de Unie en op het niveau van de lidstaten, speciaal wat Safer Internet Centres (SIC's) in de lidstaten betreft. De activiteiten van de SIC's, onder meer de bewustmakingscentra en andere bewustmakingsactiviteiten, hulplijnen voor kinderen, ouders en verzorgers over de beste wijze van internetgebruik door kinderen, alsook de telefonische meldpunten voor internetinhoud met seksueel misbruik van kinderen, vormen een kernonderdeel van en een absolute voorwaarde voor het welslagen van die strategie.

(11)

Een toekomstige rechtshandeling van de Unie betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt moet de gedetailleerde criteria en voorwaarden bepalen voor de wederzijdse erkenning van essentiële facilitators, die hierna de bouwstenen van de digitale-diensteninfrastructuren worden genoemd. Die handeling zal van toepassing zijn op een aantal van de belangrijkste bouwstenen, bijvoorbeeld de elektronische identificatie en de elektronische handtekening, als onderdeel van de in de bijlage bij deze verordening opgenomen projecten van gemeenschappelijk belang.

(12)

De digitale-diensteninfrastructuren die overeenkomstig Besluit nr. 922/2009/EG zijn opgezet zullen de elektronische grens- en sectoroverschrijdende interactie tussen Europese overheidsdiensten bevorderen. Hierdoor wordt de levering van essentiële diensten mogelijk, onder meer op gebieden als elektronische identificatie en authenticatie en aanbesteding, grensoverschrijdende koppeling van bedrijfsregisters, interoperabele elektronische grensoverschrijdende gezondheidszorg en grensoverschrijdende samenwerking inzake cyberveiligheid, hetgeen bijdraagt aan de digitale eengemaakte markt. Dergelijke interactie tussen overheidsdiensten kan worden bereikt door de schepping en/of verbetering van interoperabele centrale dienstenplatforms die zijn gestoeld op bestaande gezamenlijke bouwstenen en/of het beschikbaar stellen van voor de ontwikkeling van andere centrale dienstenplatforms essentiële aanvullende bouwstenen, en aanverwante generieke diensten die nationale infrastructuren aan centrale dienstenplatforms koppelen om grensoverschrijdende digitale diensten te leveren.

(13)

De lidstaten moeten hun lokale en regionale overheden aanmoedigen tot onverdeelde, effectieve betrokkenheid bij de governance van digitale-diensteninfrastructuren, en ervoor zorgen dat er bij projecten van gemeenschappelijk belang betreffende de grensoverschrijdende levering van eGovernment-diensten rekening wordt gehouden met de EIF-aanbevelingen.

(14)

In zijn resolutie van 6 juli 2011 over Breedband in Europa: investeren in digitale groei (12) heeft het Europees Parlement benadrukt dat breedbanddiensten van essentieel belang zijn voor het concurrentievermogen van de industrie in de Unie en binnen de Unie in hoge mate bijdragen aan de economische groei, de sociale samenhang en het scheppen van hoogwaardige werkgelegenheid. Investeringen in geavanceerde en bestendige technologie zijn cruciaal als de Unie wil blijven meespelen op het gebied van innovatie, kennis en diensten.

(15)

Een Europese markt met bijna 500 miljoen mensen die de beschikking hebben over een hogesnelheidsbreedbandverbinding zou het speerpunt zijn van de ontwikkeling van een interne markt, waardoor een wereldwijd unieke kritische massa gebruikers ontstaat, alle regio's nieuwe kansen krijgen, elke gebruiker meerwaarde wordt geboden en de Unie de capaciteit krijgt om een kenniseconomie van wereldformaat te worden. Een snelle toepassing van hogesnelheidsbreedbandnetwerken is cruciaal voor de groei van de productiviteit binnen de Unie en de opkomst van nieuwe en kleine ondernemingen die een leidende rol kunnen spelen in verschillende sectoren, zoals gezondheidszorg, industrie en diensten.

(16)

Door de combinatie van nieuwe mogelijkheden op het gebied van infrastructuur en nieuwe innovatieve en interoperabele diensten zou een positieve spiraal tot stand moeten komen waarbij de vraag naar hogesnelheidsbreedbandverbindingen toeneemt, een vraag waaraan het commercieel gezien raadzaam zou zijn tegemoet te komen.

(17)

In de Digitale Agenda voor Europa is bepaald dat in 2020 alle Europeanen toegang moeten hebben tot internet met een snelheid boven 30 Mbps en dat 50% of meer van de Europese huishoudens moet beschikken over een internetverbinding boven 100 Mbps.

(18)

Gezien de snelle ontwikkeling van digitale diensten en toepassingen waarvoor steeds snellere internetverbindingen noodzakelijk zijn, alsook de snelle ontwikkeling van geavanceerde technologie die dat mogelijk maakt, is het passend dat in het kader van een beoordeling van de Digitale Agenda voor Europa wordt overwogen de breedbanddoelstellingen voor 2020 te herzien, om de Unie breedbandsnelheden te verschaffen waarmee zij de concurrentie met andere economieën in de wereld aankan.

(19)

Bij een aantal breedbandprojecten moet de ambitie hoger liggen, en moet worden ingezet op hogere snelheid, zodat zij kunnen dienen als proefproject voor snellere connectiviteit en als mogelijk reproduceerbaar model.

(20)

In zijn Resolutie van 12 september 2013 over de Digitale Agenda voor groei, mobiliteit en werkgelegenheid, digitaal aanzwengelen van groei in Europa heeft het Europees Parlement onderstreept dat een herziene, anticiperende doelstelling van de Digitale Agenda voor Europa voor 2020 moet zijn dat alle huishoudens binnen de Unie over een breedbandverbinding beschikken die 100 Mbps levert, en dat 50% van de huishoudens zich abonneert op 1 Gbps of meer.

(21)

De private sector moet het voortouw nemen bij het uitrollen en moderniseren van breedbandnetwerken, ondersteund met een regelgevingskader dat concurrentie en investeringen bevordert. Waar particuliere investeringen tekortschieten, moeten de lidstaten de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de doelstellingen van de Digitale Agenda voor Europa worden gehaald. Financiële publieke bijstand voor breedband moet beperkt blijven tot programma's of initiatieven die zijn gericht op projecten die niet geheel door de private sector kunnen worden gefinancierd. Dit dient te worden bevestigd door een beoordeling vooraf, waarin sprake is van tekortkomingen van de markt of suboptimale investeringssituaties, overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad (13).

(22)

Financiële instrumenten voor breedbandnetwerken mogen de mededinging niet verstoren, particuliere investeringen niet verdringen en particuliere exploitanten er niet van weerhouden te investeren; zij moeten met name voldoen aan de artikelen 101, 102, 106 en 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en, waar nodig, aan de richtsnoeren van de Unie voor de toepassing van de staatssteunregels in het kader van de snelle uitrol van breedbandnetwerken.

(23)

Publieke middelen voor breedbandnetwerken moeten uitsluitend worden besteed aan infrastructuren die beantwoorden aan de toepasselijke wetgeving, in het bijzonder aan het mededingingsrecht en aan de toegangsverplichtingen in de zin van Richtlijn 2002/19/EG van het Europees Parlement en de Raad (14).

(24)

Aangezien er in het kader van de CEF slechts beperkte financiële middelen ter beschikking staan, dient de financiële bijstand te worden geconcentreerd op de oprichting van financieringsmechanismen op niveau van de Unie, zodat er aanvullende investeringen worden aangetrokken, er een multiplicatoreffect wordt bereikt en het efficiënte gebruik van particuliere en overige publieke middelen voor investeringen wordt bevorderd. Door deze benadering kunnen het bedrijfsleven en institutionele spelers een bijdrage leveren die veel groter is dan de financiering die via de CEF toegankelijk is.

(25)

Aangezien in het kader van de CEF de financiële middelen beperkt zijn en er voor passende financiering van digitale-diensteninfrastructuren moet worden gezorgd, mag het totale bedrag aan begrotingsmiddelen die worden bestemd voor breedband niet hoger zijn dan het minimumbedrag dat noodzakelijk is voor een kostenefficiënte interventie, en dat moet worden bepaald na een voorafgaande beoordeling waarbij rekening wordt gehouden met onder meer de aard van het beoogde financieel instrument, het potentiële hefboomeffect van de projectenportefeuille met een minimum aan efficiëntie, en de marktomstandigheden.

(26)

De steun uit de CEF voor de introductie van breedband dient als aanvulling van de bijstand uit andere programma's en initiatieven van de Unie, waaronder de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen), voor zover er bij een beoordeling vooraf tekortkomingen van de markt of suboptimale investeringssituaties zijn vastgesteld en de beheerautoriteiten tot deze bijstand zijn overgegaan. De financiële bijstand in het kader van de CEF voor de introductie van breedband dient de inspanningen van de lidstaten te ondersteunen, zowel rechtstreeks als door middel van een investeringsinstrument voor vrijwillige, speciaal gereserveerde bijdragen uit andere bronnen, met inbegrip van ESIF's, waardoor de lidstaten de expertise en schaalvoordelen van door de Unie beheerde faciliteiten kunnen benutten om de overheidsmiddelen efficiënter te besteden.

(27)

Met het oog op een maximaal rendement moet, gezien de beperkte middelen, de financiering uit de CEF beschikbaar worden gesteld voor die projecten welke zijn gebaseerd op de technologie die er het meest geschikt voor is, een stimulans voor innovatieve bedrijfsmodellen kunnen zijn, en in hoge mate reproduceerbaar zijn. Bij projecten die worden gefinancierd met vrijwillige bijdragen uit hoofde van het CEF, zoals ESI-fondsen, of met nationale en regionale middelen, moeten de subsidiabiliteitscriteria flexibeler zijn en recht doen aan de specifieke situatie en omstandigheden van de gebieden waarvoor de financiering is bestemd.

(28)

De Unie kan steun verlenen voor de introductie van breedbandnetwerken om de doelstellingen van de Digitale Agenda voor Europa in alle soorten gebieden te helpen verwezenlijken. Het dichten van de digitale kloof en het versterken van de digitale inclusie, vormen belangrijke doelstellingen van de Digitale Agenda voor Europa. Derhalve moeten alle acties van de Unie op het gebied van breedband gericht zijn op de specifieke behoeften van verstedelijkte, landelijke, en vooral dunbevolkte en minder ontwikkelde regio's, die met verbindingen moeten worden uitgerust. Hieronder vallen de introductie van breedbandnetwerken die eilanden en niet aan zee grenzende, bergachtige, afgelegen en perifere regio's, waaronder insulaire lidstaten, verbinden met de centrale regio's van de Unie, en/of acties om de betrouwbaarheid of prestaties van de verbindingen tussen dergelijke regio's en centrale regio's van de Unie te verbeteren.

(29)

Teneinde de digitale eengemaakte markt te voltooiien moet compatibiliteit tussen het CEF en de nationale en regionale breedbandinitiatieven worden aangemoedigd.

(30)

Bij de toepassing van deze verordening moeten de vormen waaronder financiële bijstand wordt verleend, worden afgestemd op de kenmerkende eigenschappen van de acties. Zo moeten op het gebied van digitale-diensteninfrastructuren centrale dienstenplatforms die niet uit andere bronnen kunnen worden gefinancierd bij voorrang worden gefinancierd door middel van aanbesteding of, bij wijze van uitzondering, met subsidies. Generieke diensten dienen daarentegen slechts beperkte financiële bijstand uit de CEF te krijgen. Voorts dient met financiële bijstand uit de CEF steeds te worden beoogd dat de middelen van de Unie efficiënt worden besteed. Breedbandnetwerken dienen daarom te worden gesteund door middel van financiële instrumenten, die een beter hefboomeffect opleveren dan subsidiëring.

(31)

Interventie op grond van deze verordening dient te zijn gericht op het bereiken van synergie en interoperabiliteit tussen de verschillende projecten van gemeenschappelijk belang die in de bijlage zijn vermeld, evenals met andere infrastructuren, waaronder vervoers- en energie-infrastructuren die door de CEF worden ondersteund, onderzoeksinfrastructuren die onder meer via Horizon 2020 worden ondersteund en infrastructuren die door de ESI-fondsen worden ondersteund, waarbij dubbel werk en te zware administratieve belasting dienen te worden vermeden.

(32)

Financiële bijstand voor projecten van gemeenschappelijk belang dient te worden aangevuld met horizontale acties, waaronder technische bijstand en maatregelen ter stimulering en coördinatie van de vraag, waarbij ernaar moet worden gestreefd het effect van de interventie door de Unie te maximaliseren.

(33)

Bij het toewijzen van middelen aan de interventie inzake breedbandnetwerken moet de Commissie rekening houden met de resultaten van de evaluaties van bestaande financiële instrumenten van de Unie.

(34)

De Commissie moet worden bijgestaan door een deskundigengroep waarin alle lidstaten vertegenwoordigd zijn en die wordt geraadpleegd over en bijdraagt aan onder meer het toezicht op de toepassing van deze verordening, de planning en de evaluatie, en de behandeling van toepassingsproblemen.

(35)

De deskundigengroep moet ook samenwerken met de entiteiten die betrokken zijn bij de uitvoering van deze verordening, zoals lokale en regionale overheden, aanbieders van internettoegang, beheerders van openbare netwerken, onderdelenfabrikanten alsook nationale regelgevende instanties en het Orgaan van de Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (BEREC), opgericht bij Verordening (EG) nr. 1211/2009 van het Europees Parlement en de Raad (15).

(36)

Verordening (EU) nr. 1316/2013 voorziet in de oprichting van een Coördinatiecomité voor de CEF, dat tevens een comité is in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (16). Verordening (EU) nr. 1316/2013 verleent de Commissie voorts de bevoegdheid volgens de onderzoeksprocedure jaarlijkse werkprogramma's en meerjarenwerkprogramma's goed te keuren, onder meer voor de telecommunicatiesector, waarop deze verordening immers van toepassing is. In dit verband is het belangrijk erop te wijzen dat de lidstaten, in het coördinatiecomité voor de CEF, bij de bespreking van vraagstukken die met deze verordening verband houden, in het bijzonder de ontwerpen van jaarlijkse werkprogramma's en van meerjarenwerkprogramma's, worden vertegenwoordigd door deskundigen in de sector telecommunicatie-infrastructuur.

(37)

Daar de doelstellingen van deze verordening, met name de gecoördineerde ontwikkeling van de trans-Europese netwerken op het gebied van telecommunicatie-infrastructuur, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege het grensoverschrijdende karakter van de ondersteunde infrastructuren, en de gevolgen ervan op het hele grondgebied van de Unie, beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel, gaat deze verordeing niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(38)

Om de projecten van gemeenschappelijk belang in de sector transport, telecommunicatie- en energie-infrastructuren te ondersteunen, bepaalt Verordening (EU) nr. 1316/2013 de voorwaarden, methoden en procedures voor het verlenen van financiële bijstand van de Unie aan trans-Europese netwerken. Het stelt ook de verdeling van de krachtens Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 beschikbare middelen vast in alle drie de sectoren. Verordening (EU) nr. 1316/2013 is van toepassing met ingang van 1 januari 2014. De toepassing van deze verordening dient dan ook overeen te stemmen met de toepassing van Verordening (EU) nr. 1316/2013 en met Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013. Deze verordening dient derhalve met ingang van 1 januari 2014 te worden toegepast.

(39)

Besschikking nr. 1336/97/EG van het Europees Parlement en de Raad (17) moet worden ingetrokken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

1.   In deze verordening worden richtsnoeren vastgesteld betreffende de tijdige introductie en de interoperabiliteit van projecten van gemeenschappelijk belang inzake trans-Europese netwerken op het gebied van telecommunicatie-infrastructuur.

2.   Deze verordening voorziet in het bijzonder in:

a)

de doelstellingen en operationele prioriteiten van projecten van gemeenschappelijk belang;

b)

de vaststelling van projecten van gemeenschappelijk belang;

c)

de criteria op grond waarvan acties die bijdragen tot projecten van gemeenschappelijk belang in aanmerking komen voor financiële bijstand van de Unie overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1316/2013 met betrekking tot de ontwikkeling, uitvoering, introductie, koppeling en interoperabiliteit ervan;

d)

prioriteiten bij de financiering van projecten van gemeenschappelijk belang.

Artikel 2

Definities

1.   Voor de toepassing van onderhavige verordening gelden de definities van artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1316/2013.

2.   Voor de toepassing van deze verordening en van Verordening (EU) nr. 1316/2013 gelden ook de volgende definities:

a)   "telecommunicatie-infrastructuur": breedbandnetwerken en digitale-diensteninfrastructuur;

b)   "digitale-diensteninfrastructuren": infrastructuren waarmee netwerkdiensten op elektronische wijze, meestal via het internet, worden geleverd, en die trans-Europese interoperabele dienstverlening in het gezamenlijk belang aanbiedt aan burgers, bedrijven en/of overheidsdiensten, en die bestaan uit centrale dienstenplatforms en generieke diensten;

c)   "bouwstenen": basisinfrastructuren voor digitale diensten die opnieuw kunnen worden gebruikt in complexere digitale-diensteninfrastructuur;

d)   "centraal dienstenplatform": centraal element van digitale-diensteninfrastructuren dat gericht is op het waarborgen van trans-Europese connectiviteit, toegang en interoperabiliteit, en dat open staat voor de lidstaten en ook voor andere entiteiten kan openstaan;

e)   "generieke diensten": gatewaydiensten die een of meer nationale infrastructuren verbinden met centrale dienstenplatforms;

f)   "breedbandnetwerken": bekabelde en draadloze toegangsnetwerken, aanvullende infrastructuur en kernnetwerken die connectiviteit met zeer hoge snelheden kunnen leveren;

g)   "horizontale acties": acties ter ondersteuning van studies en programma's in de zin van artikel 2, punt 6 en 7, van Verordening (EU) nr. 1316/2013.

Artikel 3

Doelstellingen

1.   De projecten van gemeenschappelijk belang dragen bij tot het verwezenlijken van de algemene doelstellingen van artikel 3 van Verordening (EU) nr. 1316/2013.

2.   Behalve dat de projecten van gemeenschappelijk belang bijdragen tot het verwezenlijken van de algemene doelstellingen, helpen zij een of meer van de volgende specifieke doelstellingen te verwezenlijken:

a)

economische groei en het ondersteunen van de voltooiing en het functioneren van de interne markt ter verbetering van het concurrentievermogen van de Europese economie, waaronder kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's);

b)

verbeteringen in het dagelijks leven voor burgers, bedrijven en overheidsdiensten, op elk niveau, door bevordering van breedbandnetwerken, interconnectie en interoperabiliteit van plaatselijke, regionale en nationale breedbandnetwerken, evenals niet-discriminerende toegang tot deze netwerken en digitale integratie.

3.   De volgende operationele prioriteiten dragen bij tot het verwezenlijken van de doelstellingen bedoeld in de leden 1 en 2:

a)

interoperabiliteit, connectiviteit, duurzame introductie, exploitatie en opwaardering van trans-Europese digitale-diensteninfrastructuren, alsmede coördinatie op Europees niveau;

b)

een efficiënte stroom van particuliere en publieke investeringen die de introductie en modernisering van breedbandnetwerken bevordert en er aldus toe bijdraagt dat de breedbanddoelstellingen van de Digitale Agenda voor Europa worden gehaald.

Artikel 4

Projecten van gemeenschappelijk belang

1.   Projecten van gemeenschappelijk belang hebben de volgende kenmerken:

a)

zij zijn gericht op het creëren en/of verbeteren van interoperabele en voor zover mogelijk internationaal compatibele centrale dienstenplatforms, in combinatie met generieke diensten voor digitale-diensteninfrastructuren;

b)

zij bieden efficiënte investeringsinstrumenten voor breedbandnetwerken, trekken nieuwe categorieën investeerders en projectontwikkelaars aan, en bevorderen de reproduceerbaarheid van innovatieve projecten en bedrijfsmodellen.

2.   Projecten van gemeenschappelijk belang kunnen de volledige cyclus daarvan omvatten, waaronder haalbaarheidsstudies, uitvoering, permanente exploitatie en vernieuwing, coördinatie en evaluatie.

3.   Projecten van gemeenschappelijk belang kunnen door middel van horizontale acties worden ondersteund.

4.   Projecten van gemeenschappelijk belang en acties die daaraan bijdragen zijn nader omschreven in de bijlage.

Artikel 5

Interventiemethoden

1.   Op het gebied van digitale-diensteninfrastructuren worden centrale dienstenplatforms hoofdzakelijk door de Unie uitgevoerd; generieke diensten worden uitgevoerd door partijen die verbindingen met het desbetreffende centrale dienstenplatform tot stand brengen. De investeringen in breedbandnetwerken gaan voornamelijk uit van de private sector, ondersteund door een concurrerend en investeringsvriendelijk regelgevingskader. Publieke steun voor breedbandnetwerken wordt alleen verleend in geval van tekortkomingen van de markt of in een suboptimale investeringssituatie.

2.   Lidstaten en andere instanties die belast zijn met de uitvoering van projecten van gemeenschappelijk belang of die tot de uitvoering daarvan bijdragen, worden aangemoedigd om de maatregelen te nemen die de uitvoering van projecten van gemeenschappelijk belang faciliteren. De definitieve beslissing over de uitvoering van een project van gemeenschappelijk belang dat betrekking heeft op het grondgebied van een lidstaat, wordt genomen nadat die lidstaat zijn goedkeuring heeft verleend.

3.   Acties die bijdragen tot projecten van gemeenschappelijk belang en die voldoen aan de criteria van artikel 6 van deze verordening, komen in aanmerking voor financiële bijstand van de Unie overeenkomstig de voorwaarden en de instrumenten die krachtens Verordening (EU) nr. 1316/2013 van toepassing zijn. Financiële bijstand wordt verleend overeenkomstig de door de Unie vastgestelde toepasselijke regels en procedures, de in artikel 6 van deze verordening bedoelde financieringsprioriteiten en de beschikbaarheid van middelen, rekening houdend met de specifieke behoeften van de begunstigden.

4.   Acties die bijdragen tot projecten van gemeenschappelijk belang op het gebied van digitale-diensteninfrastructuren worden ondersteund met:

a)

aanbesteding en/of

b)

subsidies.

5.   Acties die bijdragen tot projecten van gemeenschappelijk belang op het gebied van breedbandnetwerken worden ondersteund met:

a)

financiële instrumenten in de zin van Verordening (EU) nr. 1316/2013, die openstaan voor aanvullende bijdragen uit andere sectoren van de CEF, andere instrumenten, programma's en begrotingslijnen van de Uniebegroting, lidstaten, met inbegrip van regionale en lokale overheden en alle andere investeerders, met inbegrip van particuliere investeerders overeenkomstig artikel 15, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1316/2013; en/of

b)

een combinatie van financiële instrumenten en subsidies uit andere publieke bronnen dan de CEF, ongeacht of het om publieke bronnen van de Unie of van die op nationaal vlak gaat.

6.   Horizontale acties worden ondersteund met

a)

aanbesteding; en/of

b)

subsidies.

7.   Het totale bedrag van de begrotingsmiddelen die worden toegewezen aan financiële instrumenten voor breedbandnetwerken, is niet hoger dan het minimumbedrag dat nodig is met het oog op kostenefficiënte interventies, op basis van de in artikel 14, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1316/2013 bedoelde voorafgaande beoordelingen.

Dat bedrag vertegenwoordigt 15% van de financiële middelen voor de telecommunicatiesector, bedoeld in artikel 5, lid 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 1316/2013.

8.   In ten minste één derde van de breedbandprojecten die krachtens deze verordening financiële bijstand ontvangen, moeten breedbandsnelheden van meer dan 100 Mbps beoogd worden.

9.   In vervolg op het in artikel 8, lid 6, bedoelde verslag, kunnen het Europees Parlement en de Raad op voorstel van de Commissie het overeenkomstig lid 7 van dit artikel vastgestelde bedrag en de in lid 8 van dit artikel bedoelde verhouding van de projecten herzien.

10.   Voor zover de steun uit de CEF de ESI-fondsen en andere rechtstreekse publieke steun aanvult, kan het verwezenlijken van synergie tussen de CEF-acties en de steun uit de ESI- fondsen worden versterkt met behulp van een passend coördinatiemechanisme.

Artikel 6

Subsidiabiliteitscriteria en financieringsprioriteiten

1.   Acties die bijdragen tot de verwezenlijking van projecten van gemeenschappelijk belang op het gebied van digitale-diensteninfrastructuren voldoen aan elk van de volgende voorwaarden om voor financiering in aanmerking te komen:

a)

zij hebben voldoende wasdom om te kunnen worden geïntroduceerd; dit wordt met name aangetoond door middel van geslaagde proefprojecten in het kader van programma's, zoals programma's van de Unie op het gebied van innovatie en onderzoek;

b)

zij dragen bij aan het beleid en de activiteiten van de Unie ter ondersteuning van de interne markt;

c)

zij creëren een Europese meerwaarde en omvatten een langetermijnstrategie en -planning voor wat betreft de houdbaarheid ervan, in voorkomend geval door middel van financiering uit andere bronnen dan de CEF, waarvan de kwaliteit moet worden aangetoond door een haalbaarheidsstudie en kosten-batenanalyse. Een dergelijke strategie wordt wanneer nodig geactualiseerd;

d)

zij voldoen aan internationale en/of Europese normen of open specificaties en richtsnoeren voor interoperabiliteit, zoals het Europees interoperabiliteitskader voor Europese overheidsdiensten, en worden geënt op bestaande oplossingen.

2.   De selectie van de uit de CEF te financieren acties die bijdragen tot projecten van gemeenschappelijk belang op het gebied van digitale-diensteninfrastructuren, en het niveau van financiering daarvan, worden uitgevoerd in het kader van een jaarlijks werkprogramma in de zin van artikel 17, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1316/2013.

3.   De bouwstenen die essentieel zijn voor, en aantoonbaar zullen worden gebruikt bij, de ontwikkeling, introductie en exploitatie van andere digitale-diensteninfrastructuren, vermeld in afdeling 1.1 van de bijlage, hebben bij de financiering de hoogste prioriteit.

4.   Tweede prioriteit krijgen andere digitale-diensteninfrastructuren die het recht van de Unie, de beleidslijnen en programma's in de zin van afdeling 1.2 en 1.3 van de bijlage ondersteunen, en indien mogelijk op bestaande bouwstenen berusten.

5.   De ondersteuning van centrale dienstenplatforms heeft voorrang boven generieke diensten.

6.   Op basis van de doelstellingen in artikel 3 van deze verordening en de beschrijving van de projecten van gemeenschappelijk belang in de bijlage bij deze verordening, en rekening houdend met het beschikbare budget, kunnen in de jaarlijkse werkprogramma's en in de meerjarenwerkprogramma's, bedoeld in artikel 17 van Verordening (EU) nr. 1316/2013, nadere criteria inzake subsidiabiliteit en prioriteiten op het gebied van digitale-diensteninfrastructuren worden vastgesteld.

7.   Acties die bijdragen tot de verwezenlijking van projecten van gemeenschappelijk belang op het gebied van breedbandnetwerken voldoen aan elk van de volgende voorwaarden, om voor financiering in aanmerking te komen:

a)

zij leveren een aanzienlijke bijdrage aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de Digitale Agenda voor Europa;

b)

zij hebben met betrekking tot de projectontwikkeling en -voorbereiding voldoende wasdom en worden door doeltreffende uitvoeringsmechanismen ondersteund;

c)

zij reageren op tekortkomingen van de markt of suboptimale investeringssituaties;

d)

zij leiden er niet toe dat de mededinging wordt verstoord of particuliere investeringen worden verdrongen;

e)

er wordt gebruik gemaakt van de technologie die het meest geschikt wordt beschouwd om te voorzien in de behoeften van het desbetreffende geografische gebied, rekening houdend met geografische, sociale en economische factoren, op basis van objectieve criteria en technologische neutraliteit;

f)

de voor het project meest geschikte technologie wordt ingezet, en de beste balans tussen geavanceerde technologieën in termen van gegevensstroomcapaciteit, transmissieveiligheid, veerkrachtigheid van het netwerk en kostenefficiëntie wordt voorgesteld.

g)

zij zijn in grote mate reproduceerbaar en/of zijn gebaseerd op innovatieve bedrijfsmodellen.

8.   De criteria als bedoeld in lid 7, onder g), van dit artikel zijn niet van toepassing op projecten die worden gefinancierd uit aanvullende gereserveerde bijdragen, verleend overeenkomstig artikel 15, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1316/2013.

9.   Horizontale acties voldoen aan één van de volgende criteria om voor financiering in aanmerking te komen:

a)

met betrekking tot de introductie, de governance en de behandeling van bestaande of nieuwe toepassingsproblemen worden uitvoeringsmaatregelen voorbereid of ondersteund;

b)

nieuwe vraag naar digitale-diensteninfrastructuren wordt gegenereerd.

Artikel 7

Samenwerking met derde landen en internationale organisaties

1.   De Unie kan contacten leggen, besprekingen aangaan en informatie uitwisselen en samenwerken met overheidsdiensten of andere organisaties in derde landen om een van de doelstellingen te verwezenlijken die met deze verordening worden nagestreefd. Tot de doelstellingen van deze samenwerking behoort onder meer de bevordering van de interoperabiliteit tussen netwerken op het gebied van telecommunicatie-infrastructuur in de Unie en soortgelijke netwerken in derde landen.

2.   Landen van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) die lid zijn van de Europese Economische Ruimte (EER), kunnen in overeenstemming met de in de EER-overeenkomst vastgestelde voorwaarden deelnemen aan de sector van de telecommunicatie-infrastructuur die betrekking heeft op de CEF.

3.   In afwijking van artikel 8, lid 3, en artikel 9, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1316/2013 kunnen de toetredende landen en de kandidaat-lidstaten die in aanmerking komen voor een pretoetredingsstrategie, in overeenstemming met overeenkomsten die met de Unie zijn ondertekend deelnemen aan de sector van de telecommunicatie-infrastructuur die betrekking heeft op de CEF.

4.   Wat de deelname van de EVA-landen betreft, wordt de sector van de CEF die telecommunicatie-infrastructuur omvat, als een afzonderlijk programma beschouwd.

Artikel 8

Informatie-uitwisseling, toezicht en verslaglegging

1.   Op basis van de informatie die zij ontvangen overeenkomstig de derde alinea van artikel 22 van Verordening (EU) nr. 1316/2013, wisselen de lidstaten en de Commissie informatie en goede praktijken uit over de voortgang in de uitvoering van deze verordening. Waar passend betrekken de lidstaten lokale en regionale overheden bij dit proces. De Commissie publiceert jaarlijks een overzicht van die informatie, en legt ze aan het Europees Parlement en de Raad voor.

2.   De Commissie wordt bijgestaan door een groep van deskundigen, bestaande uit een vertegenwoordiger van elke lidstaat, die door haar worden geraadpleegd. De groep van deskundigen steunt de Commissie met name op de volgende gebieden:

a)

toezicht op de tenuitvoerlegging van deze verordening;

b)

inachtneming van nationale plannen of nationale strategieën, indien van toepassing;

c)

nemen van maatregelen om de uitvoering van de werkprogramma's op financieel en technisch niveau te beoordelen;

d)

behandelen van bestaande of nieuwe problemen bij de uitvoering van projecten;

e)

vaststellen van strategische richtsnoeren, voorafgaand aan het opstellen van de jaarlijkse werkprogramma's en de meerjarenwerkprogramma's, bedoeld in artikel 17 van Verordening (EU) nr. 1316/2013, in het bijzonder ten aanzien van de selectie en intrekking van acties die bijdragen tot de verwezenlijking van projecten van gemeenschappelijk belang, de verdeling van de middelen alsook de herziening van deze werkprogramma's.

3.   De groep van deskundigen kan zich voorts buigen over ieder ander onderwerp met betrekking tot de ontwikkeling van trans-Europese netwerken op het gebied van telecommunicatie-infrastructuur.

4.   De Commissie informeert de groep van deskundigen over de geboekte vooruitgang met de tenuitvoerlegging van de jaarlijkse werkprogramma's en de meerjarenwerkprogramma's, bedoeld in artikel 17 van Verordening (EU) nr. 1316/2013.

5.   De groep van deskundigen werkt samen met instanties die betrokken zijn bij de planning, de ontwikkeling en het beheer van digitale netwerken en diensten, en met andere belanghebbenden.

De Commissie en andere instanties die betrokken zijn bij de tenuitvoerlegging van deze verordening, zoals de Europese Investeringsbank, besteden bijzondere aandacht aan de opmerkingen van de groep van deskundigen.

6.   Samen met de tussentijdse evaluatie en de ex-postevaluatie van Verordening (EU) nr. 1316/2013 als bedoeld in artikel 27 van die verordening publiceert de Commissie met de hulp van de groep van deskundigen een verslag over de voortgang in de toepassing van deze verordening. Dit verslag wordt aan het Europees Parlement en de Raad voorgelegd.

7.   Dat verslag behelst een evaluatie van de voortgang in de ontwikkeling en uitvoering van projecten van gemeenschappelijk belang, met inbegrip van, waar van toepassing, vertragingen in de uitvoering en ondervonden moeilijkheden, alsmede informatie over vastleggingen en betalingen.

8.   In het verslag evalueert de Commissie eveneens of de werkingssfeer van de projecten van gemeenschappelijk belang de technologische ontwikkelingen en innovaties alsmede de ontwikkelingen op het gebied van regelgeving of de markt en de economie blijft weerspiegelen, en of, gezien dergelijke ontwikkelingen en de noodzaak van duurzaamheid op lange termijn, financiering voor een of meer van de ondersteunde projecten van gemeenschappelijk belang moet worden uitgefaseerd dan wel dat deze uit andere bronnen moeten worden gefinancierd. Voor projecten die naar verwachting aanzienlijke effecten op het milieu hebben, bevatten die verslagen een analyse van de milieu-effecten, indien van toepassing rekening houdend met de behoeften inzake aanpassing aan en matiging van de klimaatverandering en inzake rampenbestendigheid. Deze evaluatie kan eveneens op enig ander ogenblik worden verricht wanneer dit passend wordt geacht.

9.   De verwezenlijking van de specifieke doelstellingen van artikel 3 wordt ex-post gemeten, onder meer door te kijken naar:

a)

de beschikbaarheid van digitale-diensteninfrastructuren, berekend aan de hand van het aantal lidstaten dat met elke digitale-diensteninfrastructuur is verbonden;

b)

het percentage burgers en bedrijven dat gebruik maakt van digitale-diensteninfrastructuren en de beschikbaarheid van dergelijke diensten over de grenzen heen;

c)

het investeringsvolume dat is aangetrokken op het gebied van breedband, en het bereikte hefboomeffect, voor projecten die worden gefinancierd met bijdragen uit andere overheidsbronnen, bedoeld in artikel 5, lid 5, onder b).

Artikel 9

Intrekking

Beschikking nr. 1336/97/EG wordt ingetrokken.

Artikel 10

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2014.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 11 maart 2014.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

D. KOURKOULAS


(1)  Advies van 22 februari 2012 (PB C 143 van 22.5.2012, blz. 120) en advies van 16 oktober 2013 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  PB C 225 van 27.7.2012, blz. 211 en PB C 356 van 5.12.2013, blz. 116.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 26 februari 2014 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 11 maart 2014.

(4)  Verordening (EU) nr. 1316/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 913/2010 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 680/2007 en (EG) nr. 67/2010 (PB L 348 van 20.12.2013, blz. 129).

(5)  Besluit nr. 922/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 inzake interoperabiliteitsoplossingen voor Europese overheidsdiensten (ISA) (PB L 260 van 3.10.2009, blz. 20).

(6)  Verordening (EU) nr. 1286/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van een actieprogramma ter verbetering van het functioneren van de belastingstelsels in de Europese Unie voor de periode 2014-2020 (Fiscalis 2020) en tot intrekking van Beschikking nr. 1482/2007/EG (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 25).

(7)  Verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van Horizon 2020 - het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020) en tot intrekking van Besluit nr. 1982/2006/EG (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 104).

(8)  Verordening (EU) nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende Europese normalisatie, tot wijziging van de Richtlijnen 89/686/EEG en 93/15/EEG en Richtlijnen 94/9/EG, 94/25/EG, 95/16/EG, 97/23/EG, 98/34/EG, 2004/22/EG, 2007/23/EG, 2009/23/EG en 2009/105/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Beschikking 87/95/EEG van de Raad en Besluit nr. 1673/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 316 van 14.11.2012, blz. 12).

(9)  Besluit nr. 1639/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 2006 tot vaststelling van een kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie (2007-2013) (PB L 310 van 9.11.2006, blz. 15).

(10)  Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884).

(11)  PB C 169 van 15.6.2012, blz. 5.

(12)  PB C 33 E van 5.2.2013, blz. 89.

(13)  Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad (PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1).

(14)  Richtlijn 2002/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de toegang tot en interconnectie van elektronische-communicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten (Toegangsrichtlijn) (PB L 108 van 24.4.2002, blz. 7).

(15)  Verordening (EG ) nr. 1211/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 tot oprichting van het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (BEREC) en het Bureau (PB L 337 van 18.12.2009, blz. 1).

(16)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(17)  Beschikking nr. 1336/97/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 1997 betreffende een geheel van richtsnoeren voor trans-Europese telecommunicatienetwerken (PB L 183 van 11.7.1997, blz. 12).


BIJLAGE

PROJECTEN VAN GEMEENSCHAPPELIJK BELANG

AFDELING 1.   DIGITALE-DIENSTENINFRASTRUCTUREN

Bij interventie op het gebied van digitale-diensteninfrastructuren wordt over het algemeen een tweeledige aanpak gehanteerd, waarbij centrale dienstenplatforms en generieke diensten worden betrokken. Het centrale dienstenplatform is onontbeerlijk voor het opzetten van een digitale-diensteninfrastructuur.

De centrale dienstenplatforms zijn van belang voor de behoeften aan interoperabiliteit en veiligheid binnen projecten van gemeenschappelijk belang. Zij zijn erop gericht digitale interactie tussen enerzijds overheidsdiensten en anderzijds burgers, tussen overheidsdiensten en het bedrijfsleven en organisaties, of tussen overheidsdiensten van verschillende lidstaten onderling mogelijk te maken door middel van gestandaardiseerde, grensoverschrijdende en gebruiksvriendelijke platforms voor interactie.

Digitale-diensteninfrastructuren met bouwstenen zijn onontbeerlijk voor andere digitale-diensteninfrastructuren, waardoor de eerste categorie voorrang krijgt. Generieke diensten zorgen voor de verbinding met de centrale dienstenplatforms en maken het mogelijk dat nationale diensten met meerwaarde gebruik maken van de centrale dienstenplatforms. Zij bieden portalen tussen nationale diensten en centrale dienstenplatforms en geven nationale overheidsdiensten en organisaties, bedrijven en/of burgers toegang tot het centrale dienstenplatform ten behoeve van hun grensoverschrijdende activiteiten. De kwaliteit van de dienstverlening en de steun voor belanghebbenden die betrokken zijn bij grensoverschrijdende activiteiten, moeten worden zekergesteld. Zij moeten het gebruik van centrale dienstenplatforms ondersteunen en bevorderen.

De aandacht moet niet in zijn geheel worden gericht op het creëren van digitale-diensteninfrastructuren en aanverwante diensten maar ook op de governance betreffende de exploitatie van dergelijke platforms.

Nieuwe centrale dienstenplatforms moeten hoofdzakelijk worden gebaseerd op bestaande platforms en hun bouwstenen, en/of moeten, indien mogelijk, nieuwe bouwstenen toevoegen.

1.

De bouwstenen die in de werkprogramma's worden opgenomen onder voorbehoud van artikel 6, leden 1 en 3, zijn de volgende:

a)

Elektronische identificatie en authenticatie: hiermee worden diensten bedoeld voor grensoverschrijdende erkenning en validering van elektronische identificatie en elektronische handtekeningen.

b)

Elektronische levering van documenten: hiermee worden diensten bedoeld voor de beveiligde, traceerbare grensoverschrijdende transmissie van elektronische documenten.

c)

Geautomatiseerde vertaling: hiermee worden automatische vertaalsystemen en gespecialiseerde taalhulpmiddelen bedoelde, waaronder de vereiste tools en programmeerinterfaces om pan-Europese digitale diensten in een meertalige omgeving te exploiteren.

d)

Steun voor kritieke digitale infrastructuur: hiermee worden communicatiekanalen en -platforms bedoeld om de capaciteit binnen de Unie inzake paraatheid, informatiedeling, coördinatie en respons ten aanzien van bedreigingen van de cyberveiligheid te verbeteren.

e)

Elektronisch factureren: hiermee worden diensten bedoeld voor de beveiligde elektronische uitwisseling van facturen.

2.

Gevestigde digitale-diensteninfrastructuren die met name voor financiering in aanmerking komen omdat zij bijdragen tot een ononderbroken dienstverlening, onder voorbehoud van artikel 6, lid 1:

a)

Toegang tot het digitale materiaal van het Europese erfgoed. Hiermee wordt het centrale dienstenplatform bedoeld dat is gebaseerd op het huidige Europeana-portaal. Het platform biedt toegang tot specifieke items met betrekking tot het Europees cultureel erfgoed, een reeks interfacespecificaties voor communicatie met de infrastructuur (zoeken naar gegevens, downloaden van gegevens), ondersteuning voor de aanpassing van metadata en integratie van nieuwe inhoud, en informatie over de voorwaarden voor hergebruik van de via de infrastructuur toegankelijke inhoud.

b)

Veiliger internetdiensteninfrastructuur. Hiermee wordt het platform voor de verwerving, de exploitatie en het beheer van gedeelde computingfaciliteiten, databanken en software alsook voor de uitwisseling van beste praktijken voor de Safer Internet Centres (SIC's) in de lidstaten bedoeld. Dit omvat tevens de back-office voor de verwerking van meldingen van weergaven van seksueel misbruik van kinderen op het internet, met een verbinding naar politieautoriteiten, inclusief internationale organisaties zoals Interpol, en wanneer nodig, de handelingen voor het verwijderen van deze inhoud door de desbetreffende websites. Dit zal worden ondersteund door gemeenschappelijke databanken en gemeenschappelijke softwaresystemen. De SIC's en hun relevante activiteiten zoals hulplijnen, meldpunten, bewustmakingsknooppunten en andere bewustmakingsactiviteiten zijn het belangrijkste element van de infrastructuur voor een veiliger internet.

3.

Overige digitale-diensteninfrastructuren die voor financiering in aanmerking komen, behoudens artikel 6, lid 1:

a)

Interoperabele grensoverschrijdende elektronische aanbestedingen. Hiermee wordt een reeks diensten bedoeld die door dienstverleners op het gebied van elektronische aanbesteding (e-Procurement) uit de publieke en de private sector kunnen worden gebruikt om grensoverschrijdende platforms voor elektronische aanbesteding op te zetten. Deze infrastructuur zal elke onderneming in de Unie in staat stellen deel te nemen aan openbare aanbestedingsprocedures van elke aanbestedende dienst of entiteit in elke lidstaat, zowel voor de activiteiten vóór als na de elektronische gunning, inclusief functionaliteiten als het elektronisch indienen van aanbiedingen, een virtueel ondernemingsdossier, elektronische catalogi, elektronische bestellingen en elektronische facturen.

b)

Interoperabele grensoverschrijdende eHealth-diensten. Hiermee worden diensten bedoeld die de interactie tussen burgers/patiënten en zorgverstrekkers mogelijk maken, alsmede van onderneming-naar-onderneming transmissie van gegevens, of peer-to-peercommunicatie tussen burgers/patiënten en/of medisch personeel en instellingen. De diensten omvatten grensoverschrijdende toegang tot elektronische patiëntendossiers en elektronische voorschriften alsmede telediensten op het gebied van gezondheidszorg/ondersteund wonen enz.

c)

Europees platform voor interconnectie van Europese bedrijfsregisters. Hiermee wordt een platform bedoeld dat voorziet in een reeks centrale instrumenten en diensten die bedrijfsregisters in alle lidstaten in staat stellen informatie uit te wisselen over geregistreerde ondernemingen, de dochterondernemingen daarvan, fusies en liquidaties. Ook wordt voorzien in een meertalige en landoverschrijdende zoekfunctie voor gebruikers die een via het e-justitieportaal toegankelijk centraal toegangspunt bezoeken.

d)

Toegang tot herbruikbare overheidsinformatie. Hiermee wordt een platform bedoeld dat één toegangspunt biedt tot meertalige gegevensreeksen (in officiële talen van de instellingen van de Unie) die in de Unie in het bezit zijn van overheidsinstanties op Europees, nationaal, regionaal en lokaal niveau; instrumenten voor het zoeken en visualiseren van de gegevens; de garantie dat de beschikbare gegevensreeksen naar behoren geanonimiseerd zijn, over een licentie beschikken en indien van toepassing van prijzen zijn voorzien om te worden gepubliceerd, herverspreid en hergebruikt, inclusief een controlespoor voor de herkomst van de gegevens.

Elektronische procedures voor het oprichten en exploiteren van een onderneming in een ander Europees land. Deze dienst moet het mogelijk maken om alle noodzakelijke administratieve procedures grensoverschrijdend via één elektronisch contactpunt (één loket) af te wikkelen. Deze dienst is een vereiste van Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad (1).

e)

Interoperabele grensoverschrijdende onlinediensten. Hiermee worden platforms bedoeld ter bevordering van de interoperabiliteit en samenwerking tussen de lidstaten op gebieden van gemeenschappelijk belang, in het bijzonder om de werking van de interne markt te verbeteren, zoals e-justitie, waardoor grensoverschrijdende onlinetoegang door burgers, bedrijven, organisaties en rechtsbeoefenaars tot juridische bronnen/stukken en rechtsprocedures mogelijk is, onlinegeschillenbeslechting (ODR) voor het online beslechten van grensoverschrijdende geschillen tussen consumenten en handelaren en Electronic Exchange of Social Security Information (elektronische uitwisseling van socialezekerheidsgegevens) (EESSI), waarmee socialezekerheidsinstellingen in de hele Unie op een snellere en veiligere manier informatie kunnen uitwisselen.

AFDELING 2.   BREEDBANDNETWERKEN

1.   De reikwijdte van de acties

De acties moeten in het bijzonder bestaan uit een of meer van de volgende onderdelen:

a)

de aanleg van passieve fysieke infrastructuur, actieve fysieke infrastructuur of een combinatie daarvan, en aanvullende infrastructuur, aangevuld met diensten die noodzakelijk zijn om deze infrastructuur te exploiteren;

b)

bijbehorende faciliteiten en bijbehorende diensten, zoals bekabeling van gebouwen, antennes, torens en andere dragende constructies, kabelgoten, leidingen, masten, mangaten en kasten;

c)

daar waar mogelijk worden potentiële synergieën tussen de uitrol van breedbandnetwerken en andere netwerken van nutsvoorzieningen (energie, vervoer, water, riolering, enz.) benut, in het bijzonder met betrekking tot slimme elektriciteitsdistributie.

2.   Bijdrage aan het behalen van de doelstellingen van de Digitale agenda voor Europa

Alle projecten die op grond van deze afdeling financiële bijstand ontvangen, dienen een wezenlijke bijdrage te leveren aan het behalen van de doelstellingen van de Digitale Agenda voor Europa.

Rechtstreeks door de Unie gefinancierde acties moeten:

a)

zijn gebaseerd op al dan niet draadloze technologie die in staat is zeer snelle breedbanddiensten te leveren en zodoende te voldoen aan de vraag naar toepassingen die grote bandbreedte vereisen;

b)

zijn gebaseerd op innovatieve zakelijke modellen en/of nieuwe categorieën projectontwikkelaars of investeerders aantrekken; of

c)

een hoge mate van dupliceerbaarheid bieden, waardoor er als gevolg van het demonstratie-effect een bredere impact op de markt mogelijk is;

d)

waar mogelijk, de digitale kloof helpen verkleinen;

e)

in overeenstemming zijn met het toepasselijke recht, in het bijzonder het mededingingsrecht en de verplichtingen inzake toegang als bedoeld in Richtlijn 2002/19/EG.

Acties die worden gefinancierd uit aanvullende gereserveerde bijdragen overeenkomstig artikel 15, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1316/2013 moeten aanzienlijke nieuwe capaciteiten op de markt brengen wat betreft de beschikbaarheid, snelheden en capaciteiten van breedbanddiensten. Projecten die datatransmissiesnelheden van minder dan 30 Mbps bieden, moeten na verloop van tijd die snelheden verhogen tot ten minste 30 Mbps, en waar mogelijk tot 100 Mbps.

3.   Projectevaluatie om optimale financieringsstructuren te bepalen

De uitvoering van acties moet worden gebaseerd op een alomvattende projectevaluatie. Bij een dergelijke projectevaluatie moeten onder meer de marktsituatie, met inbegrip van informatie over bestaande en/of geplande infrastructuur, wettelijke verplichtingen voor projectontwikkelaars alsmede commerciële en marketingstrategieën worden betrokken. Met de projectevaluatie moet in het bijzonder worden bepaald of het programma:

a)

noodzakelijk is om tekortkomingen van de markt of niet-optimale investeringssituaties die niet door middel van regelgeving kunnen worden opgelost, aan te pakken;

b)

niet leidt tot verstoring van de mededinging of verdringing van particuliere investeringen.

Deze criteria worden hoofdzakelijk gebaseerd op het vermogen van het project om inkomsten te genereren, het risico dat met een project is verbonden en het type geografisch gebied waar de actie wordt uitgevoerd.

4.   Financieringsbronnen

a)

Projecten van gemeenschappelijk belang op het gebied van breedband worden gefinancierd door middel van financiële instrumenten. Het budget dat aan deze instrumenten wordt toegewezen, is afdoende maar ligt niet hoger dan het bedrag dat nodig is om een volledig operationele interventie op te zetten en een minimale efficiënte omvang van het instrument te bereiken.

b)

Overeenkomstig de regels van het Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012, Verordening (EU) nr. 1316/2013, en alle relevante verordeningen betreffende ESI-fondsen mogen de onder a) bedoelde financiële instrumenten worden gecombineerd met aanvullende bijdragen uit:

i)

andere sectoren van de CEF;

ii)

andere instrumenten, programma's en begrotingslijnen van de begroting van de Unie;

iii)

lidstaten, met inbegrip van regionale en lokale autoriteiten, die besluiten eigen middelen of middelen uit de ESI-fondsen te benutten. Bijdragen uit de ESI- fondsen moeten geografisch worden ingeperkt om ervoor te zorgen dat deze worden uitgegeven binnen een lidstaat of regio die een bijdrage levert;

iv)

alle overige investeerders, met inbegrip van particuliere investeerders.

c)

De in de punten a) en b) bedoelde financiële instrumenten mogen ook worden gecombineerd met subsidies van de lidstaten, met inbegrip van regionale en lokale autoriteiten, die besluiten eigen middelen of middelen uit de ESI-fondsen te benutten, op voorwaarde dat:

i)

de desbetreffende actie voldoet aan alle in deze verordening genoemde criteria voor financiering; en

ii)

goedkeuring inzake staatssteun is verleend.

AFDELING 3.   HORIZONTALE ACTIES

De introductie van trans-Europese netwerken op het gebied van telecommunicatie-infrastructuur waarmee de bestaande knelpunten in de digitale eengemaakte markt kunnen worden weggenomen, gaat samen met studies en programmaondersteunende acties. Deze acties kunnen bestaan uit:

a)

technische bijstand ter voorbereiding of ondersteuning van uitvoeringsmaatregelen op het vlak van de introductie, de governance en het aanpakken van bestaande of opkomende problemen bij de uitvoering; of

b)

acties om nieuwe vraag naar digitale-diensteninfrastructuren te genereren.

De steun van de Unie uit hoofde van deze verordening wordt gecoördineerd met steun uit alle andere beschikbare bronnen, waarbij dubbele infrastructuur wordt vermeden en de vervanging van private investeringen wordt voorkomen.


(1)  Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PB L 376 van 27.12.2006, blz. 36).


Top