Help Print this page 

Document 32013R1307

Title and reference
Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad
  • In force
OJ L 347, 20.12.2013, p. 608–670 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/1307/oj
Languages, formats and link to OJ
BG ES CS DA DE ET EL EN FR GA HR IT LV LT HU MT NL PL PT RO SK SL FI SV
HTML html BG html ES html CS html DA html DE html ET html EL html EN html FR html GA html HR html IT html LV html LT html HU html MT html NL html PL html PT html RO html SK html SL html FI html SV
PDF pdf BG pdf ES pdf CS pdf DA pdf DE pdf ET pdf EL pdf EN pdf FR pdf GA pdf HR pdf IT pdf LV pdf LT pdf HU pdf MT pdf NL pdf PL pdf PT pdf RO pdf SK pdf SL pdf FI pdf SV
Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal
 To see if this document has been published in an e-OJ with legal value, click on the icon above (For OJs published before 1st July 2013, only the paper version has legal value).
Multilingual display
Dates
  • Date of document: 17/12/2013
  • Date of effect: 20/12/2013; Toepassing Gedeeltelijke toepassing zie art 74
  • Date of effect: 20/12/2013; in werking datum publicatie zie art 74
  • Date of effect: 01/01/2015; Toepassing zie art 74
  • Date of end of validity: 31/12/9999
Miscellaneous information
  • Author: Europees Parlement, Raad van de Europese Unie
  • Form: Verordening
  • Additional information: COD 2011/0280
Relationship between documents
Text

20.12.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 347/608


VERORDENING (EU) Nr. 1307/2013 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 17 december 2013

tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 42 en artikel 43, lid 2,

Gezien de Akte van Toetreding van 1979, en met name punt 6 van het daaraan gehechte Protocol nr. 4 betreffende katoen,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van de wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van de Rekenkamer (1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (3),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (4),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, met als titel "Het GLB tot 2020: inspelen op de uitdagingen van de toekomst inzake voedsel, natuurlijke hulpbronnen en territoriale evenwichten" worden potentiële uitdagingen en doelstellingen voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid (het "GLB") in de periode na 2013 genoemd en wordt aangegeven welke richting het GLB in die periode zal uitgaan. Gezien de besprekingen over deze mededeling moet de hervorming van het GLB met ingang van 1 januari 2014 in werking treden. De hervorming dient betrekking te hebben op alle belangrijke instrumenten van het GLB, waaronder Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (5). Gezien de reikwijdte van de hervorming dient Verordening (EG) nr. 73/2009 te worden ingetrokken en door een nieuwe tekst te worden vervangen. Voorts dienen de relevante bepalingen in het kader van de hervorming te worden gestroomlijnd en vereenvoudigd.

(2)

Het verminderen van de administratieve lasten is een van de kerndoelstellingen, en een van de hoofdvereisten, van de hervorming van het GLB. Bij de formulering van de desbetreffende bepalingen van de regeling voor rechtstreekse steun dient hiermee terdege rekening te worden gehouden.

(3)

Alle basiselementen voor de verlening van Uniesteun aan landbouwers dienen vervat te zijn in deze verordening, waarin tevens de aan de betalingen gerelateerde toegangsvoorwaarden worden vastgesteld die onlosmakelijk verbonden zijn met deze basiselementen.

(4)

Er moet worden verduidelijkt dat Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad (6) en de uit hoofde van die verordening vastgestelde bepalingen op de maatregelen van deze verordening van toepassing dienen te zijn. Ter wille van de samenhang met andere rechtsinstrumenten die met het GLB verband houden, is een aantal voorschriften dat thans is opgenomen in Verordening (EG) nr. 73/2009, nu in Verordening (EU) nr. 1306/2013 vastgesteld, in het bijzonderde voorschriften om te waarborgen dat voldaan wordt aan de met de rechtstreekse betalingen samenhangende verplichtingen, die onder meer betrekking hebben op controles en op de toepassing van administratieve maatregelen en administratieve sancties bij niet-naleving van de regels, de voorschriften inzake bepaalde randvoorwaarden, zoals de uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen en de goede landbouw- en milieuconditie, de monitoring en evaluatie van bepaalde maatregelen en de voorschriften inzake de betaling van voorschotten en de terugvordering van onverschuldigde betalingen.

(5)

Ter aanvulling of wijziging van bepaalde niet-essentiële onderdelen van deze verordening moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) handelingen vast te stellen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie tijdens haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, ook op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad.

(6)

Deze verordening dient een lijst te bevatten van de erdoor bestreken steunregelingen inzake rechtstreekse betalingen. Teneinde rekening te houden met nieuwe wetgeving inzake steunregelingen, die na de inwerkingtreding van deze verordening kan worden vastgesteld, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om bepaalde handelingen vast te stellen met betrekking tot de wijziging van deze lijst.

(7)

Met het oog op de rechtszekerheid moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om bepaalde handelingen vast te stellen met betrekking tot het opstellen van het kader voor de door de lidstaten te omschrijven criteria waaraan de landbouwers moeten voldoen om de verplichting na te komen het landbouwareaal in een voor begrazing of teelt geschikte staat te houden, en de minimumactiviteiten die nodig zijn om grond in een voor begrazing of teelt geschikte natuurlijke staat te behouden, alsmede de criteria aan de hand waarvan kan worden bepaald of grassen en andere kruidachtige voedergewassen overheersen, alsmede aan de hand waarvan de gangbare plaatselijke praktijken kunnen worden vastgesteld wat betreft blijvend grasland en blijvend weiland ("blijvend grasland").

(8)

Om ervoor te zorgen dat de bedragen voor de financiering van het GLB in overeenstemming zijn met de jaarlijkse maxima als bedoeld in artikel 16, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1306/2013, dient de mogelijkheid te bestaan om de hoogte van de rechtstreekse steun in elk kalenderjaar aan te passen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 25 van die verordening. Om ervoor te zorgen dat de aanpassing bijdraagt tot het verwezenlijken van de doelstelling van een meer evenwichtige verdeling van betalingen tussen kleine en grote bedrijven, mogen alleen de rechtstreekse betalingen van meer dan 2 000 EUR die in het desbetreffende kalenderjaar aan een landbouwer worden toegekend, worden aangepast. Gelet op de hoogte van de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in Bulgarije, Kroatië en Roemenië in het kader van de toepassing van het mechanisme voor geleidelijke integratie op alle in deze lidstaten toegekende rechtstreekse betalingen, mag dit instrument voor financiële discipline in Bulgarije en Roemenië pas met ingang van 1 januari 2016 en in Kroatië pas met ingang van 1 januari 2022 van toepassing zijn. Met betrekking tot dat instrument voor financiële discipline en enkele andere bepalingen dient in specifieke voorschriften te worden voorzien voor rechtspersonen of groepen van natuurlijke of rechtspersonen indien het nationaal recht voorziet in rechten en plichten voor individuele leden die vergelijkbaar zijn met de rechten en plichten van individuele landbouwers die bedrijfshoofd zijn, teneinde de landbouwstructuren te versterken en de vestiging van de betrokken rechtspersonen of groepen te bevorderen.

(9)

Om ervoor te zorgen dat de aanpassing van rechtstreekse betalingen correct wordt toegepast uit het oogpunt van de financiële discipline, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om bepaalde handelingen vast te stellen met betrekking tot de voorschriften voor de berekeningsgrondslag voor verlagingen die de lidstaten uit hoofde van de toepassing van de financiële discipline op landbouwers moeten toepassen.

(10)

Uit de opgedane ervaring inde toepassing van de diverse steunregelingen voor landbouwers is gebleken dat in sommige gevallen steun is verleend aan natuurlijke of rechtspersonen wier zakelijk doel niet of nauwelijks gericht was op de uitoefening van een landbouwactiviteit. Om te zorgen voor een gerichter inzet van de steun dienen de lidstaten voortaan af te zien van rechtstreekse betalingen aan bepaalde natuurlijke of rechtspersonen, tenzij deze kunnen aantonen dat zij in voldoende mate een landbouwactiviteit uitoefenen. De lidstaten dienen tevens de mogelijkheid te hebben om geen rechtstreekse betalingen toe te kennen aan andere natuurlijke of rechtspersonen die nauwelijks een landbouwactiviteit uitoefenen. De lidstaten dienen evenwel rechtstreekse betalingen te kunnen toewijzen aan deeltijdlandbouwers van kleine landbouwbedrijven omdat deze landbouwers rechtstreeks bijdragen tot de vitaliteit van plattelandsgebieden. De lidstaten dienen ook af te zien van rechtstreekse betalingen aan natuurlijke personen of rechtspersonen van wie de landbouwarealen hoofdzakelijk bestaan uit gebieden die in een voor begrazing of teelt geschikte natuurlijke staat worden behouden, en die geen bepaalde minimumactiviteit verrichten.

(11)

Teneinde de bescherming van de rechten van de landbouwers te garanderen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om bepaalde handelingen vast te stellen met betrekking tot het vastleggen van criteria aan de hand waarvan wordt bepaald in welke gevallen het landbouwareaal van een landbouwer wordt geacht hoofdzakelijk te bestaan uit grond die in een voor begrazing of teelt natuurlijke staat wordt behouden, criteria aan de hand waarvan het onderscheid wordt bepaald tussen opbrengsten uit landbouwactiviteiten en opbrengsten uit niet-landbouwactiviteiten, alsmede het bedrag aan rechtstreekse betalingen dat van belang is bij het beoordelen van het aandeel landbouwactiviteiten, en criteria waaraan de landbouwer moet voldoen om aan te tonen dat zijn landbouwactiviteit niet onaanzienlijk zijn.

(12)

Om te voorkomen dat betalingsbeheer van geringe bedragen te veel administratieve lasten meebrengt, dienen de lidstaten als algemene regel af te zien van rechtstreekse betalingen indien het te betalen bedrag minder dan 100 EUR bedraagt, of indien het subsidiabele areaal van het bedrijf waarvoor steun wordt aangevraagd, minder dan één hectare groot is. Aangezien de landbouwbedrijfstructuren van de lidstaten grote onderlinge verschillen vertonen en sterk kunnen afwijken van de gemiddelde landbouwbedrijfstructuur in de Unie, dient het de lidstaten evenwel te worden toegestaan een ondergrens toe te passen die recht doet aan hun specifieke situatie. In verband met de zeer specifieke landbouwbedrijfsstructuur in de ultraperifere gebieden en op de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee dienen de betrokken lidstaten het besluit te kunnen nemen dat voor deze gebieden al dan niet een bepaalde ondergrens mag gelden. Voorts dienen de lidstaten op basis van de structuurkenmerken van hun landbouwsector te opteren voor de eerste dan wel de tweede ondergrens. Aangezien ook betaling aan landbouwers met een "bedrijf zonder land" mogen worden toegekend, heeft de toepassing van een op het aantal hectaren gebaseerde ondergrens in hun geval geen nut. Voor deze landbouwers dient derhalve het steungerelateerde minimumbedrag te gelden. Om in Bulgarije, Kroatië en Roemenië, waar de rechtstreekse betalingen zich nog in de fase van geleidelijke integratie bevinden, een gelijke behandeling van de landbouwers te waarborgen, dient de ondergrens in die lidstatente berusten op het uiteindelijke bedrag dat aan het einde van het proces van geleidelijke integratie wordt toegekend.

(13)

Kenmerkend voor de verdeling van de rechtstreekse inkomenssteun over de landbouwers is, dat een beperkt aantal grote bedrijven een onevenredig groot deel van de betalingen toegewezen krijgt. Om het met inkomenssteun beoogde doel op efficiënte wijze te verwezenlijken, is het gezien hun vermogen om schaalvoordelen te benutten voor grotere bedrijven niet nodig dat zij hetzelfde steunbedrag per eenheid ontvangen. Grotere bedrijven hebben bovendien een groter aanpassingsvermogen en kunnen bijgevolg gemakkelijker werken met lagere steunbedragen per eenheid. De lidstaten dienen daarom het gedeelte van de aan landbouwers te verlenen basisbetaling die 150 000 EUR overschrijdt te verminderen met minstens 5 %. Om te voorkomen dat een en ander een te sterke weerslag zou hebben op grote landbouwbedrijven die veel personeel in dienst hebben, kunnen de lidstaten er bij het toepassen van het mechanisme voor kiezen rekening te houden met de intensiteit van de arbeid in loondienst. Om deze verlaging van het steunniveau effectief te maken, mag geen voordeel worden toegekend aan landbouwers die kunstmatig omstandigheden creëren om zich aan de gevolgen ervan te onttrekken. De opbrengsten uit de verlaging van betalingen aan grote bedrijven, dienen in de lidstaten te blijven waarin ze zijn gegenereerd en dienen ter beschikking te worden gesteld als Uniesteun voor maatregelen gefinancierd onder het Europees landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling ("ELFPO").

(14)

Voor elke lidstaat dient een nettomaximum te worden vastgesteld om de betalingen die aan de landbouwers moeten worden gedaan te beperken ingevolge de toepassing van de verlaging van betalingen. Om rekening te houden met de specifieke kenmerken van de GLB-steun in het kader van Verordening (EU) nr. 228/2013 van het Europees Parlement en de Raad (7) en Verordening (EU) nr. 229/2013 van het Europees Parlement en de Raad (8) en met het feit dat de verlaging van betalingen niet wordt toegepast op deze rechtstreekse betalingen, dienen deze rechtstreekse betalingen niet te worden meegerekend bij de vaststelling van het nettomaximum voor de betrokken lidstaten.

(15)

Teneinde rekening te houden met de ontwikkelingen die verband houden met de totale maximumbedragen aan rechtstreekse betalingen die toegekend kunnen worden, waaronder de gevolgen van de besluiten die de lidstaten ten aanzien van overheveling tussen de eerste en de tweede pijler kunnen nemen, en de toepassing van een de verlaging en, in voorkomend geval, plafonnering van betalingen alsook de gevolgen van de kennisgevingen door Kroatië inzake ontmijnde gronden die opnieuw voor landbouwactiviteiten worden gebruikt, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om bepaalde handelingen vast te stellen met betrekking tot de aanpassing van de nationale en nettomaxima van deze verordening.

(16)

De voorschriften van deze verordening die aanleiding kunnen geven tot mogelijk als staatssteun te beschouwen nationale maatregelen, dienen te worden uitgesloten van de toepassing van de regelgeving inzake staatssteun, aangezien de betrokken voorschriften reeds adequate steunverleningsvoorwaarden ter voorkoming van elke oneerlijke concurrentievervalsing bevatten of voorzien in de vaststelling van dergelijke voorwaarden door de Commissie.

(17)

Ter versterking van hun plattelandsontwikkelingsbeleid dient de lidstaten de mogelijkheid te worden geboden om middelen van hun maximum voor rechtstreekse betalingen over te hevelen naar hun voor plattelandsontwikkeling toegewezen steun. Tevens dient de lidstaten de mogelijkheid te worden geboden om middelen van hun steun voor plattelandsontwikkeling over te hevelen naar hun maximum voor rechtstreekse betalingen. Met het oog op de doeltreffendheid van dit instrument dienen de lidstaten de mogelijkheid te krijgen hun initiële besluit eenmalig te herzien, met ingang van het aanvraagjaar 2018, op voorwaarde dat een besluit gebaseerd opdeze herziening geen vermindering van de voor plattelandsontwikkeling toegewezen steun inhoudt.

(18)

Om de doelstellingen van het GLB te verwezenlijken, moeten de steunregelingen aan veranderende ontwikkelingen kunnen worden aangepast, zo nodig op korte termijn. Daarom dient te worden bepaald dat de steunregelingen met name in het licht van economische ontwikkelingen of de begrotingssituatie kunnen worden herzien, zodat begunstigden er niet van uit kunnen gaan dat de steunvoorwaarden ongewijzigd blijven.

(19)

Landbouwers in de lidstaten die op of na 1 mei 2004 tot de Unie zijn toegetreden, hebben rechtstreekse betalingen ontvangen op basis van een mechanisme van geleidelijke integratie waarin hun respectieve toetredingsovereenkomsten voorzien. Voor Bulgarije en Roemenië zal dit mechanisme in 2015 nog van kracht zijn en voor Kroatië tot en met 2021. Voorts mochten deze lidstaten aanvullende nationale rechtstreekse betalingen toewijzen. De mogelijkheid voor het toewijzen van deze betalingen dient te worden gehandhaafd voor Kroatië en, als aanvulling op de basisbetalingsregeling, voor Bulgarije en Roemenië, totdat zij volledig zijn geïntegreerd. Wat betreft de toestemming aan Kroatië om aanvullende nationale rechtstreekse betalingen toe te kennen, dient de Commissie bevoegd te zijn uitvoeringshandelingen vast te stellen zonder Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (9) toe te passen.

(20)

Verordening (EG) nr. 73/2009, zoals gewijzigd bij de Akte van toetreding van 2011, voorziet in een speciale nationale reserve voor mijnenruimen in Kroatië, teneinde gedurende een periode van tien jaar na zijn toetreding tot de Unie betalingsrechten te financieren voor de ontmijnde landbouwgronden die jaarlijks opnieuw voor landbouwactiviteiten worden gebruikt. Er moeten voorschriften worden vastgesteld voor de bepaling van de bedragen ter financiering van de steun voor deze grond in het kader van de steunregelingen waarin deze verordening voorziet, en voorschriften voor het beheer van deze reserve. Teneinde rekening te houden met de bedragen die voortvloeien uit de kennisgevingen van Kroatië inzake ontmijnde gronden die opnieuw voor landbouwactiviteiten worden gebruikt, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om bepaalde financiële bepalingen die betrekking hebben op Kroatië, te herzien.

(21)

Om te zorgen voor een betere verdeling van de steun over de landbouwgrond in de Unie, met inbegrip van de lidstaten die de bij Verordening (EG) nr. 73/2009 ingestelde regeling inzake een enkele areaalbetaling hebben toegepast, dient een nieuwe basisbetalingsregeling in de plaats te treden van de bedrijfsbetalingsregeling die was ingesteld bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 (10) en is voortgezet in het kader van Verordening (EG) nr. 73/2009, waarin de daarvóór bestaande steunmechanismen in één regeling voor ontkoppelde rechtstreekse betalingen zijn ondergebracht. Daarbij dienen betalingsrechten die in het kader van die verordeningen zijn verworven, in beginsel te vervallen en dienen nieuwe betalingsrechten te worden toegewezen. Die toewijzing van nieuwe betalingsrechten dient in de regel nog wel te berusten op het aantal subsidiabele hectaren waarover landbouwers in het eerste jaar van toepassing van de regeling beschikken. De lidstaten die momenteel de bedrijfsbetalingsregeling op regionale of op gemengd regionale basis toepassen, moeten evenwel de mogelijkheid hebben hun bestaande betalingsrechten te behouden. Om te voorkomen dat in een bepaalde lidstaat een toename van het subsidiabele areaal tot een onevenredige vermindering van het bedrag van rechtstreekse betalingen per hectare leidt, en derhalve gevolgen heeft voor het interne convergentieproces, moeten de lidstaten bij het uitvoeren van de eerste toewijzing van betalingsrechten, bepaalde beperkingen kunnen toepassen met het oog op het vaststellen van het aantal betalingsrechten.

(22)

Aangezien in de loop der tijd diverse sectoren in de bedrijfsbetalingsegeling zijn geïntegreerd en de landbouwers daarna tijd hebben gekregen om zich daaraan aan te passen, is het steeds moeilijker geworden om het bestaan van aanzienlijke individuele verschillen in de hoogte van de steun per hectare, die gebaseerd zijn op in het verleden verleende steun, te rechtvaardigen. Daarom dient rechtstreekse inkomenssteun, mede gelet op de algehele context van de begroting van de Unie, billijker te worden verdeeld over de lidstaten door deze minder sterk te koppelen aan historische referenties. Om rechtstreekse steun gelijker te verdelen zonder voorbij te gaan aan de nog bestaande verschillen in loonkosten en inputkosten, dienen de niveaus van de rechtstreekse steun per hectare geleidelijk te worden aangepast. Daartoe dienen alle lidstaten die minder ontvangen dan 90 % van het Uniegemiddelde aan rechtstreekse betalingen, de kloof tussen hun huidige niveau en dat niveau met een derde te verminderen, waarbij alle lidstaten uiterlijk in het begrotingsjaar 2020 het minimumniveau bereiken. Deze convergentie dient naar evenredigheid te worden gefinancierd door alle lidstaten die meer dan het gemiddelde niveau van de Unie aan rechtstreekse betalingen ontvangen.

(23)

Voorts dienen in de regel alle betalingsrechten die in 2019 in een lidstaat of in een regio zijn geactiveerd, een uniforme waarde per eenheid te hebben. Om ontwrichtende financiële gevolgen voor de landbouwers te voorkomen, dient het de lidstaten evenwel te worden toegestaan om rekening te houden met historische factoren bij de berekening van de waarde van de betalingsrechten die de landbouwers in 2019 zouden moeten krijgen, op voorwaarde dat de betalingsrechten in 2019 in geen geval minder dan 60 % van het gemiddelde bedragen. De lidstaten dienen deze convergentie te financieren door op basis van objectieve, niet-discriminerende criteria die door hen moeten worden opgesteld, de waarde van betalingsrechten te verminderen met een waarde boven het gemiddelde van 2019. De lidstaten kunnen in dit verband, teneinde onaanvaardbaar ontwrichtende verliezen voor bepaalde landbouwers te voorkomen, deze vermindering beperken tot 30 % van de initiële waarde van de betrokken rechten, zelfs indien hierdoor niet alle betalingsrechten 60 % van de gemiddelde waarde voor 2019 bereiken. De convergentie dient met gelijke stappen tot stand gebracht te worden, behalve in de lidstaten die vanaf het eerste jaar van de uitvoering van de regeling voor een uniforme waarde per eenheid kiezen. Bij de convergentie van de bovengemiddelde betalingsrechten dient ook rekening te worden gehouden met de raming van de voor betalingsrechten beschikbare middelen. Voor de lidstaten die hun bestaande betalingsrechten behouden en die reeds gekozen hebben voor convergentiestappen overeenkomstig artikel 63, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1782/2003, moeten die convergentiestappen worden uitgevoerd, indien van toepassing, en moet de waarde van alle betalingsrechten worden aangepast om rekening te houden met de geraamde middelen beschikbaar voor betalingsrechten.

(24)

Uit de ervaring die is opgedaan met de toepassing van de bedrijfsbetalingsregeling, is gebleken dat een aantal hoofdelementen behouden dient te blijven, zoals de vaststelling van nationale maxima die ervoor moeten zorgen dat het totaal van de steun niet hoger is dan de huidige beperkte begrotingsmiddelen. De lidstaten dienen ook voort te gaan met het beheer van een nationale reserve of dienen regionale reserves te kunnen vastleggen. Die nationale of regionale reserves dienen in de eerste plaats te worden aangewend om de deelname aan de regeling van jonge landbouwers en landbouwers die met hun landbouwactiviteit beginnen, te bevorderen; ook moeten de reserves kunnen worden gebruikt om rekening te houden met bepaalde specifieke andere situaties. Voorschriften voor de overdracht en het gebruik van betalingsrechten dienen te blijven bestaan.

(25)

Uit de ervaring die is opgedaan met de toepassing van Verordening (EG) nr. 73/2009 is gebleken dat de lidstaten niet het hele bedrag van de in die verordening vastgestelde nationale maxima hebben gebruikt. Hoewel, in vergelijking met het systeem uit hoofde van die Verordening, bij deze verordening de kans kleiner is dat middelen niet worden besteed, moeten de lidstaten niettemin de mogelijkheid hebben betalingsrechten te verdelen die een hogere waarde vertegenwoordigen dan het bedrag dat beschikbaar is voor hun basisbetalingsregeling, teneinde een doeltreffender gebruik van de middelen te bevorderen. De lidstaten moet daarom worden toegestaan, binnen bepaalde gemeenschappelijke grenzen en met inachtneming van de nettomaxima voor rechtstreekse betalingen, te berekenen wat het benodigde bedrag is waarmee hun basisbetalingsmaximum kan worden verhoogd.

(26)

Voor de basisbetalingkomt in de regel ieder landbouwareaal van het bedrijf dat wordt gebruikt voor een landbouwactiviteit in aanmerking, met inbegrip van areaal dat op 30 juni 2003 niet in goede landbouwconditie verkeerde in de lidstaten die op 1 mei 2004 tot de Unie zijn toegetreden en daarbij ervoor hebben gekozen een enkele areaalbetaling toe te passen. Aangezien het potentieel aan niet-landbouwactiviteiten kan bijdragen tot inkomensdiversificatie van landbouwbedrijven en tot de leefbaarheid van plattelandsgebieden, dient een landbouwareaal van een bedrijf dat ook voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt, als subsidiabel te worden beschouwd, op voorwaarde dat het overwegend voor landbouwactiviteiten wordt gebruikt. Om na te gaan of het areaal overwegend voor landbouwactiviteiten wordt gebruikt, dienen voor alle lidstaten gemeenschappelijke criteria te worden vastgelegd. In dit verband en om een gerichter inzet van rechtstreekse betalingen te garanderen moeten de lidstaten de mogelijkheid hebben om, met het oog op rechtszekerheid en juridische duidelijkheid, een lijst op te stellen van arealen die overwegend voor niet-landbouwactiviteiten worden gebruikt en derhalve niet in aanmerking komen. Teneinde ervoor te zorgen dat land dat in aanmerking kwam voor het activeren van braakleggingsbetalingsrechten vooraleer de braakleggingsverplichting werd afgeschaft, in aanmerking blijft komen, dient te worden vastgelegd dat bepaalde beboste gebieden, met inbegrip van gebieden bebost op grond van nationale regelingen die stroken met de desbetreffende voorschriften van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (11) of Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad (12), of gebieden die aan bepaalde milieuafspraken zijn onderworpen, in aanmerking komen voor de basisbetaling.

(27)

Om een situatie waarin in in een bepaalde lidstaat een toename van het subsidiabele areaal tot een onevenredige vermindering van het bedrag van rechtstreekse betalingen per hectare zou leiden, te voorkomen, en derhalve gevolgen heeft voor het interne convergentieproces, kunnen de lidstaten een verminderingscoëfficiënt toepassen met het oog op het vaststellen van het subsidiabele areaal blijvend grasland, waar grassen en andere kruidachtige voedergewassen traditioneel niet overheersen in begrazingsgebieden, maar deel uitmaken van de gangbare plaatselijke praktijken.

(28)

Voor hennep dienen specifieke maatregelen behouden te blijven die moeten voorkomen dat als onderdeel van de voor de basisbetaling in aanmerking komende gewassen illegale hennep wordt verbouwd, hetgeen de markt voor hennep nadelig zou beïnvloeden. Derhalve dient te worden doorgegaan met de toekenning van betalingen voor uitsluitend arealen met henneprassen die bepaalde garanties bieden ten aanzien van het gehalte aan psychotrope stoffen.

(29)

Teneinde de rechtszekerheid te garanderen en teneinde duidelijkheid te verschaffen over de concrete situaties die zich bij de toepassing van de basisbetalingsregeling voordoen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om bepaalde handelingen vast te stellen met betrekking tot het recht van landbouwers op steun en toegang tot de basisbetalingsregeling, bij de vererving en verwachte vererving, vererving in het kader van een huurcontract, wijziging van de juridische status of benaming, overdracht van betalingsrechten en bij een fusie of splitsing van het bedrijf, alsook in het geval van een contractclausule betreffende het recht op betalingsrechten in het eerste jaar waarin betalingsrechten worden toegewezen. Voorts dient die bevoegdheidsdelegatie ook te bestrijken: voorschriften betreffende de berekening van het aantal en de waarde en de wijziging van de waarde van betalingsrechten bij de toewijzing van betalingsrechten, waaronder de mogelijkheid van een voorlopig aantal, een voorlopige waarde of een voorlopige verhoging van betalingsrechten die op basis van de aanvraag van de landbouwer worden toegewezen, inzake de voorwaarden voor de vaststelling van het voorlopige en het definitieve aantal en de voorlopige en de definitieve waarde van de betalingsrechten, en inzake de gevallen waarin een verkoopcontract of verhuurcontract van invloed kan zijn op de toewijzing van betalingsrechten. Eveneens dient die bevoegdheidsdelegatie tevens te bestrijken: de vaststelling en berekening van het aantal en de waarde van betalingsrechten die uit de nationale reserve of regionale reserves worden ontvangen; voorschriften betreffende de wijziging van de waarde per eenheid van betalingsrechten indien het gaat om delen van betalingsrechten en de overdracht van betalingsrechten zonder grond. Daarenboven dient die bevoegdheidsdelegatie ook te bestrijken: criteria voor de toewijzing van betalingsrechten aan landbouwers die geen rechtstreekse betalingen hebben ontvangen in 2013, of uit hoofde van het gebruik van de nationale of regionale reserve; criteria voor het toepassen van beperkingen op het aantal toe te wijzen betalingsrechten; en criteria voor het bepalen van de verminderingscoëfficiënt voor de omzetting van bepaalde blijvende graslanden in subsidiabele hectaren.

(30)

Teneinde een goed beheer van de betalingsrechten te garanderen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om bepaalde handelingen vast te stellen met betrekking tot de voorschriften inzake de inhoud van de aangifte en de vereisten voor de activering van betalingsrechten.

(31)

Teneinde de bescherming van de volksgezondheid te garanderen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om bepaalde handelingen vast te stellen met betrekking tot het vastleggen van voorschriften waarbij de toekenning van betalingen afhankelijk wordt gesteld van het gebruik van gecertificeerd zaad van bepaalde henneprassen en waarbij de procedure voor de vaststelling van henneprassen en voor de verificatie van het tetrahydrocannabinolgehalte ervan wordt vastgelegd.

(32)

Gelet op de aanzienlijke administratieve, technische en logistieke moeilijkheden waarmee de overgang naar de basisbetalingsregeling gepaard gaat voor de lidstaten die de bij Verordening (EG) nr. 73/2009 ingestelde regeling inzake een enkele areaalbetaling toepassen, moeten deze lidstaten over de mogelijkheid beschikken om de regeling inzake een enkele areaalbetaling te blijven toepassen voor het verstrekken van basisbetalingen, en dit gedurende een overgangsperiode die uiterlijk tot het eind van 2020 duurt. Indien een lidstaat besluit om tegen 2018 de basisbetalingsregeling in te voeren, kan deze ervoor kiezen de betalingen onder de regeling inzake een enkele areaalbetaling te differentiëren, volgens het niveau van bepaalde in 2014 toegekende betalingen onder de de regimes voor specifieke steunregeling en afzonderlijke betalingen vastgelegd in Verordening (EG) nr. 73/2009, of in het geval van Cyprus onder de sectorspecifieke financiële middelen voor nationale overgangssteun.

(33)

Teneinde de rechten van begunstigden te beschermen en duidelijkheid te verschaffen over de concrete situaties die zich bij de toepassing van de regeling inzake een enkele areaalbetaling kunnen voordoen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om bepaalde handelingen vast te stellen met betrekking tot het vastleggen van regels inzake het recht van landbouwers op steun in het kader van de regeling inzake een enkele areaalbetaling en toegang tot deze regeling.

(34)

In lidstaten die de regeling inzake een enkele areaalbetaling toepassen en die nationale overgangssteun mochten toewijzen, heeft deze steun een belangrijke rol gespeeld bij de ondersteuning van de inkomens van landbouwers in specifieke sectoren. Om die reden en om een plotse en substantiële daling van de steun vanaf 2015 te voorkomen in de sectoren die tot 2014 nationale overgangssteun ontvingen, is het aangewezen om in die lidstaten de mogelijkheid te bieden die steun als aanvulling op de regeling inzake een enkele areaalbetaling te verlenen. Teneinde de continuïteit van de steun met de reeds verstrekte nationale overgangssteun te verzekeren, is het aangewezen de voorwaarden te beperken tot die welke in 2013 op die steunregelingen van toepassing waren, of in het geval van Bulgarije en Roemenië op aanvullende nationale rechtstreekse betalingen, die de Commissie ingevolge verzoeken van de lidstaten heeft toegestaan. Tevens is het gepast de maximumbedragen aan steun per sector te beperken in vergelijking met hun niveaus in 2013, teneinde een gestage verlaging van de steunniveaus te verzekeren en teneinde hun compatibiliteit met een convergentiemechanisme te verzekeren.

(35)

Er dienen specifieke regels te worden vastgesteld voor de eerste toewijzing en voor de berekening van de waarde van de betalingsrechten in lidstaten die de regeling inzake een enkele areaalbetaling hebben toegepast en overeenkomstig deze verordening de basisbetalingsregeling invoeren. Om een vlotte overgang tussen beide regelingen te verzekeren dient de Commissie bepaalde handelingen te kunnen vaststellen met betrekking tot verdere voorschriften inzake de invoering van de basisbetalingsregeling in lidstaten die de regeling inzake een enkele areaalbetaling hebben toegepast.

(36)

Rekening houdend met de behoefte aan het steunbedrag per eenheid voor landbouwers met een kleiner landbouwbedrijf toereikend moet zijn om de doelstelling "inkomenssteun" daadwerkelijk te verwezenlijken, moet de lidstaten worden toegestaan de rechtstreekse steun te herverdelen onder de landbouwers door hun een extra betaling toe te kennen voor de eerste hectaren.

(37)

Een van de doelstellingen van het nieuwe GLB is een verhoging van de milieuprestatie van het GLB door de invoering van een verplichte "vergroenende" component van rechtstreekse betalingen in de vorm van steun voor klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken die voor de gehele Unie gelden. Daartoe dienen de lidstaten een deel van hun nationale maximum voor rechtstreekse betalingen te gebruiken voor de toekenning van een jaarlijkse betaling, welke bovenop de basisbetaling komt en rekening kan houden met de interne convergentie in de lidstaat of regio, en welke bestemd is voor landbouwers die daarvoor verplichte praktijken moeten toepassendie in de eerste plaats aansluiten bij klimaat- en milieubeleidsdoelen. Die praktijken gaan om eenvoudige, algemene, niet-contractuele, jaarlijkse acties die verder gaan dan de naleving van de randvoorwaarden en die verband houden met de landbouw, zoals gewasdiversificatie, de instandhouding van blijvend grasland - daaronder begrepen traditionele weideboomgaarden met ruim uiteen geplante fruitbomen op grasland, - en ecologische aandachtsgebieden. Opdat de doelstellingen van de maatregel beter worden verwezenlijkt en de "vergroening" efficiënt kan worden beheerd en gecontroleerd, dienen die praktijken van toepassing zijn op het volledige subsidiabele areaal van het bedrijf. De verplichte praktijken dienen ook te worden toegepast door landbouwers wier bedrijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in een Natura 2000-gebied dat onder Richtlijn 92/43/EEG van de Raad (13) en Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad (14) valt, of in een gebied dat onder Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad (15) valt, zolang die praktijken verenigbaar zijn met de doelstellingen van deze richtlijnen.

(38)

Aangezien de milieuvoordelen van biologische landbouw al algemeen worden onderkend, dienen landbouwers voor de eenheden van hun bedrijf waarop ze voldoen aan de voorwaarden van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad (16) te kunnen genieten van de "vergroenende" component zonder dat zij daarvoor nog aan verdere verplichtingen hoeven te voldoen.

(39)

Niet-naleving van de "vergroenende" component dient te leiden tot sancties op basis van Verordening (EU) nr. 1306/2013.

(40)

Teneinde rekening te houden met de diversiteit van de landbouwsystemen en de verschillende milieusituaties in de Unie, is het gerechtvaardigd om, naast de drie vergroeningspraktijken die in deze verordening zijn vastgesteld, ook de praktijken te erkennen die vallen onder agro-milieu-klimaatmaatregelen of certificeringsregelingen die vergelijkbaar zijn met vergroening en een gelijkwaardig of groter voordeel voor het klimaat en milieu opleveren. Met het oog op juridische duidelijkheid moeten deze praktijken in een bijlage bij de verordening worden vastgelegd. De lidstaten moeten beslissen of zij de landbouwers de mogelijkheid willen bieden om gelijkwaardige praktijken en de in deze verordening vastgelegde vergroeningspraktijken te gebruiken, opdat de landbouwer praktijken volgt die het best geschikt zijn om de doelstellingen van de maatregel te verwezenlijken en dienen zij hun beslissing hierover aan de Commissie mee te delen. Ter wille van de rechtszekerheid dient de Commissie te beoordelen of de praktijken die door de gemelde gelijkwaardige maatregelen worden bestreken, onder de bijlage vallen. Indien de Commissie meent dat dit niet het geval is, dient het de lidstaat hiervan in kennis te stellen door middel van een uitvoeringshandeling vastgesteld zonder Verordening (EU) nr. 182/2011 toe te passen. Met het oog op een eenvoudiger toepassing van de gelijkwaardigheid en ter wille van de controleerbaarheid, moeten regels worden vastgelegd met betrekking tot het dekkingsgebied van gelijkwaardige maatregelen, waarbij rekening dient te worden gehouden met de specifieke kenmerken van agro-milieu-klimaatmaatregelen en certificeringsregelingen. Teneinde te garanderen dat gelijkwaardige praktijken naar behoren worden toegepast en dat dubbele financiering wordt vermeden, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om bepaalde handelingen vast te stellen teneinde praktijken toe te voegen aan de lijst van gelijkwaardige praktijken, de vereisten voor de nationale of regionale certificeringsregelingen op te stellen en waar nodig gedetailleerde regels voor de berekening van de desbetreffende bedragen vast te leggen.

(41)

Bij het nakomen van de verplichtingen in verband met de gewasdiversificatie moet er rekening mee worden gehouden dat het voor kleinere landbouwbedrijven moeilijker is om te diversifiëren zonder dat daarbij de vorderingen naar het streefdoel van een beter milieuvoordeel in het gedrang komen, met name wat betreft de verbetering van de bodemkwaliteit. Er moet een uitzondering worden gemaakt voor landbouwbedrijven die reeds voldoen aan de doelstellingen van gewasdiversificatie als gevolg van het feit dat zij uit een aanzienlijke oppervlakte grasland of braakland bestaan, voorgespecialiseerde landbouwbedrijven die hun percelen jaarlijks van teelt wisselen, of voor landbouwbedrijven waarvoor de invoering van een derde gewas wegens hun geografische ligging te problematisch zou zijn. Teneinde ervoor te zorgen dat de verplichtingen in het kader van de gewasdiversificatiemaatregel op een evenredige en niet-discriminerende wijze worden toegepast en tot een betere bescherming van het milieu leiden, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om bepaalde handelingen vast te stellen met betrekking tot de erkenning van andere geslachten en soorten en de vaststelling van regels voor de precieze berekening van het aandeel van de verschillende gewassen.

(42)

Met het oog op de milieuvoordelen van blijvend grasland en met name koolstofvastlegging, dienen bepalingen voor het behoud van blijvend grasland te worden vastgelegd. Deze bescherming dient een verbod te behelzen op het ploegen en omschakelen van de ecologisch meest kwetsbare gebieden in Natura 2000-gebieden die vallen onder Richtlijn 92/43/EEG en Richtlijn 2009/147/EG alsook een algemenere bescherming, op basis van een aandeel blijvend grasland, tegen omzetting naar andere vormen van grondgebruik. De lidstaten moeten over de bevoegdheid beschikken om andere ecologisch kwetsbare gebieden die niet onder die richtlijnen vallen af te bakenen. Voorts dienen zij te kiezen voor welk territoriaal niveau het aandeel wordt vastgesteld. Teneinde de efficiënte bescherming van blijvend grasland te verzekeren, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om bepaalde handelingen vast te stellen teneinde het kader te bepalen waarbinnen de lidstaten blijvende graslanden die niet onder Richtlijn 92/43/EEG of Richtlijn 2009/147/EG vallen, kunnen vastleggen.

(43)

Teneinde te verzekeren dat het aandeel blijvend grasland in het totale landbouwareaal correct bepaald en gehandhaafd wordt, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om bepaalde handelingen vast te stellen met betrekking tot de vaststelling van gedetailleerde methoden voor de bepaling van dit aandeel, alsook gedetailleerde voorschriften voor het behoud van blijvend grasland en het relevante tijdschema dat individuele landbouwers moeten volgen voor het opnieuw omzetten van land.

(44)

Er moeten ecologische aandachtsgebieden worden gecreëerd, met name om de biodiversiteit op landbouwbedrijven te beschermen en te verbeteren. Onder ecologische aandachtsgebieden worden derhalve gebieden verstaan die rechtstreeks van invloed zijn op biodiversiteit, zoals braakliggend land, landschapselementen, terrassen, bufferstroken, beboste gebieden en boslandbouwgebieden, of gebieden die de biodiversiteit onrechtstreeks beïnvloeden door een verminderd gebruik van landbouwproductiemiddelen, zoals gebieden bedekt met vanggewassen en een winterplantendek. De verplichtingen in het kader van de maatregel inzake ecologische aandachtsgebieden dienen op zodanige wijze te worden toegepast dat het creëren van dergelijke gebieden voor kleinere landbouwbedrijven geen onevenredige last wordt in verhouding tot de bijkomende verhoging van hetmilieuvoordeel. Er moet een uitzondering worden gemaakt voor landbouwbedrijven die reeds voldoen aan de doelstellingen van de ecologische aandachtsgebieden omdat zij uit een aanzienlijke oppervlakte grasland of braakland bestaan. Er moet tevens een uitzondering worden gemaakt, in geval van bosrijke lidstaten, voor landbouwers die een landbouwactiviteit uitoefenen in zones met natuurlijke beperkingen in bepaalde bosrijke gebieden, waar er een groot risico bestaat op landverlating. De lidstaten en landbouwers dienen over de mogelijkheid te beschikken om de verplichting collectief of op regionaal niveau uit te voeren, teneinde aaneengesloten ecologische aandachtsgebieden te creëren die nog gunstiger zijn voor het milieu. Met het oog op vereenvoudiging moeten de lidstaten over de mogelijkheid beschikken om de meting van de ecologische aandachtsgebieden te standaardiseren.

(45)

Teneinde ervoor te zorgen dat ecologische aandachtsgebieden op een efficiënte en coherente wijze worden gecreëerden tegelijkertijd rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van de lidstaten, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om bepaalde handelingen vast te stellen met betrekking tot het bepalen van verdere criteria voor het aanmerken van gebieden als ecologische aandachtsgebieden; het erkennen van andere soorten ecologische aandachtsgebieden; het bepalen van omzettings- en wegingsfactoren voor bepaalde soorten van ecologische aandachtsgebieden; het vaststellen van voorschriften voor het door de lidstaten op regionaal niveau verwezenlijken van een deel van het ecologische aandachtsgebied; het bepalen van regels voor de collectieve tenuitvoerlegging van de verplichting tot het hebben van ecologische aandachtsgebieden voor bedrijven die in de onmiddellijke nabijheidliggen, het vaststellen van het kader voor de door de lidstaten vast te stellen criteria om deze onmiddellijke nabijheid te bepalen; en het vaststellen van de methoden om de verhouding van bosbouwgrond tot landbouwgrond te bepalen. Bij het toevoegen van andere soorten ecologische aandachtsgebieden, dient de Commissie ervoor te zorgen dat die gericht zijn op het verbeteren van de algemene milieuprestaties van het bedrijf, in het bijzonder wat betreft biodiversiteit, de verbetering van grond- en waterkwaliteit, en de landschapsbescherming, en dat zij voldoen aan de doelstellingen inzake beperking van en aanpassing aan klimaatverandering.

(46)

Om de duurzame ontwikkeling van landbouw in gebieden met specifieke natuurlijke beperkingen te bevorderen, moeten de lidstaten een deel van hun maximum voor rechtstreekse betalingen kunnen gebruiken voor de toekenning van een jaarlijkse areaalgebonden betaling die bovenop de basisbetaling komt en bestemd is voor alle landbouwers die in deze gebieden of in bepaalde van deze gebieden actief zijn, op basis van een besluit van de lidstaat. Deze betaling mag niet in de plaats treden van steun die in het kader van plattelandsontwikkelingsprogramma's wordt verleend, en mag niet worden toegekend aan landbouwers in gebieden die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1698/2005 zijn aangewezen, maar niet overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1305/2013.

(47)

Voor jonge landbouwers is het financieel problematisch om nieuwe economische activiteiten in de landbouwsector op te zetten en tot ontwikkeling te brengen. Daarmee dient rekening te worden gehouden bij de toewijzing en verdeling van rechtstreekse betalingen. Dit is van essentieel belang voor het concurrentievermogen van de landbouwsector van de Unie en daarom dient te worden voorzien in inkomenssteun aan jonge landbouwers die met hun landbouwactiviteiten beginnen, en dienen zowel hun eerste vestiging als de daaropvolgende structurele aanpassing van hun bedrijf te worden vergemakkelijkt. Daartoe dienen de lidstaten een deel van hun nationale maximum voor rechtstreekse betalingen te kunnen gebruiken voor de toekenning aan jonge landbouwers van een jaarlijkse betaling die bovenop de basisbetaling komt. De lidstaten moeten een berekeningsmethode voor die betaling kunnen vaststellen en indien deze methode een verplichting inhoudt tot het bepalen van een grens op de betaling per landbouwer, moet deze grens voldoen aan de algemene beginselen van het recht van de Unie. Aangezien deze betaling alleen voor de beginperiode van het bedrijf mag gelden en geen exploitatiesteun mag worden, moet deze beperkt blijven tot een periode van ten hoogste vijf jaar. Die betaling dient beschikbaar te zijn voor jonge landbouwers die met hun landbouwactiviteit beginnen en niet ouder zijn dan 40 jaar in het jaar van de eerste indiening van een aanvraag in het kader van de basisbetalingsregeling of in het kader van de regeling inzake een enkele areaalbetaling.

(48)

Teneinde de rechten van begunstigden te beschermen en te voorkomen dat zij ongelijk worden behandeld, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om bepaalde handelingen vast te stellen met betrekking tot het bepalen van de voorwaarden waaronder een rechtspersoon geacht mag worden in aanmerking te komen voor het ontvangen van de betaling voor jonge landbouwers.

(49)

De lidstaten dienen de mogelijkheid te krijgen om een deel van hun nationale maximum in een aantal duidelijk omschreven gevallen te gebruiken voor rechtstreekse gekoppelde steun voor bepaalde sectoren of gebieden. De middelen die voor gekoppelde steun mogen worden gebruikt, dienen beperkt te blijven tot een passend niveau, terwijl deze steun alleen mag worden verleend in lidstaten in de specifieke sectoren of regio's die in een bijzondere situatie verkeren, waarin specifieke soorten landbouw of specifieke landbouwsectoren om economische, ecologische en/of sociale redenen van groot belang zijn. Het dient de lidstaten te worden toegestaan ten hoogste 8 % van hun nationale maximum dan wel ten hoogste 13 % wanneer hun gekoppelde steun in ten minste één van de jaren in de periode 2010-2014 meer dan 5 % bedraagt, voor deze steun te gebruiken of, wanneer zij de regeling inzake een enkele areaalbetaling toepassen tot 31 december 2014. Teneinde de op eiwitten gebaseerde autonomie van de veeteeltsector in stand te houden, moeten lidstaten die beslissen om minstens 2 % van hun nationale maxima te gebruiken voor de ondersteuning van de productie van eiwithoudende gewassen, de mogelijkheid krijgen om deze percentages met maximaal twee procentpunten te verhogen. In naar behoren gemotiveerde gevallen, waarin voor een sector of een regio wordt aangetoond dat er bepaalde behoeften bestaan op gevoelige punten, dient het de lidstaten na goedkeuring van de Commissie te worden toegestaan om meer dan 13 % van hun nationale maximum te gebruiken. Als alternatief voor deze percentages kunnen de lidstaten ervoor kiezen tot 3 miljoen EUR per jaar te benutten voor het financieren van de gekoppelde steun. Gekoppelde steun mag alleen worden verleend voor zover dat als stimulans noodzakelijk is om de huidige productie in die betrokken sectoren of regio's op peil te houden. Die steun dient ook beschikbaar te zijn voor landbouwers die op 31 december 2013 beschikken over bijzondere betalingsrechten die zijn toegewezen in het kader van Verordening (EG) nr. 1782/2003 en Verordening (EG) nr. 73/2009, en die geen subsidiabele hectaren voor de activering van betalingsrechten hebben. Voorts is de Commissie, wat betreft de goedkeuring van vrijwillige gekoppelde steun van meer dan 13 % van het jaarlijkse nationale maximum dat per lidstaat is vastgesteld, bevoegd om uitvoeringshandelingen vast te stellen zonder Verordening (EU) nr. 182/2011 toe te passen.

(50)

Teneinde een efficiënt en gericht gebruik van de EU-middelen te waarborgen en dubbele financiering in het kader van andere, soortgelijke steuninstrumenten te voorkomen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om bepaalde handelingen vast te stellen met betrekking tot de voorwaarden voor de verlening van vrijwillige gekoppelde steun, alsmede voorschriften betreffende de samenhang van deze steun met andere EU-maatregelen en inzake de cumulatie van steun.

(51)

Ter voorkoming van eventuele productieverstoringen in de katoenproducerende gebieden, bleef een deel van de steun voor de katoensector krachtens Verordening (EG) nr. 73/2009 gedeeltelijk aan de katoenproductie gekoppeld door middel van een gewasspecifieke betaling per subsidiabele hectare, zulks rekening houdende met alle relevante factoren. Deze situatie dient te worden aangehouden overeenkomstig de doelstellingen die zijn opgenomen in Protocol nr. 4 inzake katoen bij de Akte van Toetreding van 1979.

(52)

Teneinde te zorgen voor een efficiënte toepassing en efficiënt beheer van de gewasspecifieke betaling voor katoen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om bepaalde handelingen vast te stellen met betrekking tot de voorschriften en voorwaarden voor de vergunningverlening voor grond en rassen in het kader van de gewasspecifieke betaling voor katoen; de voorschriften inzake de voorwaarden voor de toekenning van deze betaling, de subsidiabiliteitseisen en de agronomische praktijken; de erkenningscriteria voor brancheorganisaties; de verplichtingen waaraan de producenten moeten voldoen; en de voorschriften betreffende de situatie waarin de erkende brancheorganisatie niet voldoet aan deze criteria.

(53)

In hoofdstuk 2 van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad (17) is bepaald dat elke katoenproducerende lidstaat om de vier jaar en voor het eerst uiterlijk op 1 januari 2009 bij de Commissie een ontwerp van een vierjarig herstructureringsprogramma of uiterlijk op 31 december 2009 één gewijzigd achtjarig herstructureringsprogramma moet indienen. De ervaring heeft geleerd dat de herstructurering van de katoensector meer gebaat zou zijn bij andere maatregelen, zoals maatregelen in het kader van plattelandsontwikkelingsprogramma's die in het kader van Verordening (EU) nr. 1305/2013 worden gefinancierd. Door dergelijke maatregelen zou ook een nauwere coördinatie met maatregelen in andere sectoren mogelijk worden. De verworven rechten en het gewettigd vertrouwen van bedrijven die al bij herstructureringsprogramma's zijn betrokken, dienen evenwel te worden geëerbiedigd. Daarom, dient het te worden toegestaan dat de huidige programma's met een looptijd van vier jaar of van acht jaar doorlopen tot het einde ervan, zonder mogelijkheid tot verlenging. Middelen die voor de programma's met een looptijd van vier jaar beschikbaar zijn, zouden vervolgens vanaf 2014 kunnen worden opgenomen in de beschikbare middelen van de Unie voor maatregelen in het kader van de plattelandsontwikkeling. Gezien de programmeringsperiode zouden de middelen die na het einde van de programma's met een looptijd van acht jaar beschikbaar zijn, in 2018 niet meer voor plattelandsontwikkelingsprogramma's van nut zijn en kunnen daarom beter worden overgebracht naar de steunregelingen in het kader van deze verordening, zoals overigens al is bepaald in Verordening (EG) nr. 637/2008. Verordening (EG) nr. 637/2008 zal dan ook vanaf 1 januari 2014 dan wel 1 januari 2018 achterhaald zijn voor de lidstaten met een programma met een looptijd van respectievelijk vier en acht jaar, en dient derhalve te worden ingetrokken.

(54)

De lidstaten moeten een eenvoudige, specifieke regeling kunnen invoeren voor kleine landbouwbedrijven teneinde de administratieve kosten van het beheer en de controle van rechtstreekse steun te beperken. Daartoe moeten de lidstaten de mogelijkheid krijgen om hetzij een forfaitaire betaling dat in de plaats komt van alle rechtstreekse betalingen, hetzij een betaling op basis van het aan de landbouwers verschuldigde bedrag per jaar, vast te stellen. Er moet worden voorzien in van voorschriften ter vereenvoudiging van de formaliteiten door onder meer een beperking van de verplichtingen voor kleine landbouwbedrijven, zoals de verplichtingen in het kader van de steunaanvraag, de klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken, de randvoorwaarden en de controles die zijn voorgeschreven bij Verordening (EU) nr. 1306/2013, zonder de verwezenlijking van de brede doelstellingen van de hervorming als zodanig in gevaar te brengen, hetgeen concreet inhoudt dat de in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 1306/2013 vermelde wetgeving van de Unie van toepassing is op kleine landbouwbedrijven. De regeling voor kleine landbouwbedrijven heeft tot doel de bestaande landbouwstructuur van kleine bedrijven in de Unie te steunen zonder de ontwikkeling in de richting van meer concurrerende structuren te belemmeren. Daarom dient de toegang tot de regeling, in beginsel, beperkt te blijven tot al bestaande bedrijven. De deelname van landbouwers aan de regeling dient facultatief te blijven, maar om de impact ervan op het vlak van vereenvoudiging verder te vergroten, moeten de lidstaten bepaalde landbouwers automatisch kunnen toelaten tot de regeling, mits hun de mogelijkheid wordt gelaten er uit te stappen.

(55)

Teneinde rechtszekerheid te garanderen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om bepaalde handelingen vast te stellen met betrekking tot de vastlegging van voorwaarden voor deelname aan de regeling voor kleine landbouwbedrijven bij verandering van de situatie van de deelnemende landbouwer.

(56)

Ter wille van de vereenvoudiging en om rekening te houden met de specifieke situatie van de ultraperifere gebieden, dienen rechtstreekse betalingen voor deze regio's te worden beheerd in het kader van de steunprogramma's die bij Verordening (EU) nr. 228/2013 zijn vastgesteld. Bijgevolg mogen de bepalingen van deze verordening die betrekking hebben op de basisbetaling en daarmee samenhangende betalingen, op gekoppelde steun en op de regeling voor kleine landbouwbedrijven, niet gelden voor deze gebieden.

(57)

Voor de toepassing van deze verordening en voor de monitoring, de analyse en het beheer van rechtstreekse betalingen zijn diverse kennisgevingen van de lidstaten noodzakelijk. Teneinde ervoor te zorgen dat de voorschriften in deze verordening correct worden toegepast en de kennisgevingen snel, efficiënt, nauwkeurig, kosteneffectief en compatibel met de bescherming van persoonsgegevens zijn, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om bepaalde handelingen vast te stellen met betrekking tot het vaststellen van de maatregelen die nodig zijn voor de kennisgevingen die lidstaten aan de Commissie doen, of voor de controle, monitoring, evaluatie en audit van rechtstreekse betalingen en voor het voldoen aan de in internationale overeenkomsten vastgelegde eisen, waaronder kennisgvingseisen in het kader van deze overeenkomsten, en met betrekking tot verdere voorschriften inzake de soort en de aard van de te melden informatie, de categorieën van te verwerken gegevens en de maximale bewaartermijn, de rechten van toegang tot de informatie of informatiesystemen en de voorwaarden voor bekendmaking van de informatie.

(58)

Persoonsgegevens die worden verzameld voor doeleinden in verband met de toepassing van rechtstreekse betalingen, moeten worden verwerkt op een manier die verenigbaar is met die doeleinden. Die gegevens moeten worden geanonimiseerd en geaggregeerd wanneer zij worden verwerkt voor monitoring- of evaluatiedoeleinden en moeten worden beschermd overeenkomstig het recht van de Unie betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, met name Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (18) en Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad (19). De personen wier gegevens worden verwerkt, moeten op de hoogte worden gesteld van die verwerking en van hun rechten op het gebied van gegevensbescherming.

(59)

De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming is geraadpleegd en heeft op 14 december 2011 advies uitgebracht (20).

(60)

Teneinde een vlotte overgang van de bij Verordening (EG) nr. 73/2009 ingestelde regelingen naar die van de onderhavige verordening te waarborgen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om bepaalde handelingen vast te stellen met betrekking tot de maatregelen die nodig zijn om verworven rechten en het gewettigd vertrouwen van landbouwers te beschermen.

(61)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verprdening en oneerlijke concurrentie of discriminatie tussen landbouwers te vermijden, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden verleend wat betreft: de vaststelling van het bedrag dat in de speciale nationale reserve voor mijnenruimen in Kroatië moet worden opgenomen; de vaststelling van het jaarlijkse nationale maximum voor de basisbetalingsregeling; de vaststelling van voorschriften voor aanvragen tot toewijzing van betalingsrechten; de vaststelling van maatregelen inzake het vervallen van niet-geactiveerde betalingsrechten aan de nationale reserve; de vaststelling van de bijzonderheden van de melding, aan de nationale instanties, van een overdracht van betalingsrechten en inzake de uiterste data waarop deze meldingen moeten plaatsvinden; de vaststelling van het jaarlijkse nationale maximum voor de regeling inzake een enkele areaalbetaling; de vaststelling van voorschriften voor aanvragen tot toewijzing van betalingsrechten die worden ingediend in het jaar van de toewijzing van betalingsrechten waarin lidstaten overschakelen naar de basisbetalingsregeling; de bepaling van de jaarlijkse maxima of de herverdelingsbetaling. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011.

(62)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verprdening en oneerlijke concurrentie of discriminatie tussen landbouwers te vermijden, moeten aan de Commissie tevens uitvoeringsbevoegdheden worden verleend wat betreft de vaststellingvan voorschriften inzake de procedure voor kennisgevingen van de lidstaten, met inbegrip van de termijnen voor de indiening ervan, en de beoordeling van de Commissie wat betreft gelijkwaardige praktijken; de vaststelling van bepaalde grenzen waarbinnen de verplichting om blijvend grasland te behouden, als nagekomen wordt beschouwd; de vaststelling van het jaarlijkse maximum voor de betaling voor klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken; de vaststelling van het jaarlijkse maximum voor de betaling voor gebieden met natuurlijke beperkingen; de vaststelling van het jaarlijkse maximum voor de betaling voor jonge landbouwers. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011.

(63)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verprdening en oneerlijke concurrentie of discriminatie tussen landbouwers te vermijden, moeten aan de Commissie tevens uitvoeringsbevoegdheden worden verleend wat betreft de vaststelling van de jaarlijkse maxima voor de vrijwillige gekoppelde steun; de vaststelling van voorschriften voor de beoordelings- en goedkeuringsprocedure voor besluiten in het kader van de vrijwillige gekoppelde steun; de vaststelling van voorschriften inzake de procedure voor de vergunningverlening en voor de kennisgevingen aan de producenten in verband met de vergunningverlening voor grond en rassen in het kader van de gewasspecifieke betaling voor katoen; de vaststelling van voorschriften voor de berekening van de verlaging van het bedrag van de gewasspecifieke betaling voor katoen; de vaststelling van algemene kennisgevingsvoorschriften en -methoden; en de vaststelling van de maatregelen die in een spoedeisende situatie noodzakelijk en te rechtvaardigen zijn om specifieke problemen op te lossen. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011.

(64)

Om dringende problemen in een of meer lidstaten op te lossen en daarbij de continuïteit van het systeem van de rechtstreekse betalingen te waarborgen moet de Commissie onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vaststellen indien dit, in naar behoren gemotiveerde gevallen die verband houden met buitengewone omstandigheden die het verlenen van steun beïnvloeden en de doeltreffende uitvoering van de betalingen op grond van de in deze verordening genoemde steunregelingen in het gedrang brengen.

(65)

Daar de doelstellingen van deze verordening niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de samenhang van deze verordening met de overige instrumenten van het GLB, vanwege de verschillen tussen de verschillende plattelandsgebieden en vanwege de beperkte financiële middelen van de lidstaten in een uitgebreide Unie, beter door de Unie kunnen worden bereikt dankzij de meerjarige garantie van financiering van de Unie en door een duidelijke prioritering, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in datzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(66)

Aangezien Verordening (EG) nr. 73/2009 van toepassing blijft in 2014, dient deze verordening in de regel vanaf 1 januari 2015 van toepassing te zijn. De bepalingen van deze verordening inzake flexibiliteit tussen pijlers voorzien in de mogelijkheid voor lidstaten om belsuiten te nemen en de Commissie hiervan in kennis te stellen uiterlijk op 31 december 2013. Voorts is bij andere bepalingen van deze verordening bepaald dat actie moet worden ondernomen in 2014. Die bepalingen dienen daarom vanaf de inwerkingtreding van deze verordening van toepassing te zijn.

(67)

Deze verordening dient vanwege de dringende noodzaak om de probleemloze tenuitvoerlegging van de beoogde maatregelen voor te bereiden, in werking te treden op de datum van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I

TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1

Toepassingsgebied

Bij deze verordening worden vastgesteld:

a)

gemeenschappelijke voorschriften voor betalingen die rechtstreeks aan landbouwers worden toegewezen in het kader van de steunregelingen die in bijlage I worden vermeld ("rechtstreekse betalingen");

b)

specifieke voorschriften voor:

i)

een basisbetaling voor landbouwers ("de basisbetalingsregeling" en een vereenvoudigde overgangsregeling "de regeling inzake een enkele areaalbetaling");

ii)

vrijwillige nationale overgangssteun voor landbouwers;

iii)

een vrijwillige herverdelingsbetaling;

iv)

een betaling voor landbouwers die klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken in acht nemen;

v)

een vrijwillige betaling voor landbouwers in gebieden met natuurlijke beperkingen;

vi)

een betaling voor jonge landbouwers die met hun landbouwactiviteit beginnen;

vii)

een vrijwillige regeling voor gekoppelde steun;

viii)

een gewasspecifieke betaling voor katoen;

ix)

een vrijwillige vereenvoudigde regeling voor kleine landbouwbedrijven;

x)

een kader waarbinnen Bulgarije, Kroatië en Roemenië rechtstreekse betalingen kunnen aanvullen.

Artikel 2

Wijziging van bijlage I

Ter wille van de rechtszekerheid is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 70 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de in bijlage I opgenomen lijst van steunregelingen voor zover dit nodig is om rekening te houden met nieuwe wetgevingshandelingen inzake steunregelingen die na de vaststelling van deze verordening kunnen worden vastgesteld.

Artikel 3

Toepassing op de ultraperifere gebieden en de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee

Artikel 11 is niet van toepassing op de in artikel 349 VWEU opgenomen gebieden van de Unie ("de ultraperifere gebieden"), noch op de rechtstreekse betalingen die overeenkomstig Verordening (EU) nr. 229/2013 worden toegekend aan de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee.

De titels III, IV en V van deze verordening zijn niet van toepassing op de ultraperifere gebieden.

Artikel 4

Definities en aanverwante bepalingen

1.   In deze verordening wordt verstaan onder:

a)   "landbouwer": een natuurlijk persoon of rechtspersoon dan wel een groep natuurlijke personen of rechtspersonen, ongeacht de rechtspositie van de groep en haar leden volgens het nationale recht, van wie het bedrijf zich bevindt binnen het territoriale toepassingsgebied van de verdragen als omschreven in artikel 52 VEU in samenhang met de artikelen 349 en 355 VWEU, en die een landbouwactiviteit uitoefent;

b)   "bedrijf": alle eenheden op het grondgebied van eenzelfde lidstaat die voor landbouwactiviteiten worden gebruikt en door een landbouwer worden beheerd;

c)   "landbouwactiviteit":

i)

landbouwproducten produceren, fokken of telen, inclusief het oogsten, het melken, het fokken van dieren, en het houden van dieren voor landbouwdoeleinden,

ii)

een landbouwareaal in een staat houden die begrazing of teelt mogelijk maakt zonder dat daarvoor voorbereidende activiteiten nodig zijn die verder gaan dan activiteiten op basis van de gebruikelijke landbouwmethoden en -machines, op basis van criteria die de lidstaten bepalen aan de hand van een door de Commissie vastgesteld kader, of

iii)

een door de lidstaten omschreven minimumactiviteit verrichten op landbouwarealen die in een voor begrazing of teelt geschikte natuurlijke staat worden behouden;

d)   "landbouwproducten": de in bijlage I bij de verdragen genoemde producten, exclusief visserijproducten, alsmede katoen;

e)   "landbouwareaal": om het even welke grond die wordt gebruikt als bouwland, als blijvend grasland en blijvend weiland, of voor blijvende teelten;

f)   "bouwland": grond die voor de teelt van gewassen wordt gebruikt of daarvoor beschikbaar is, maar braak ligt, inclusief grond die overeenkomstig de artikelen 22, 23 en 24 van Verordening (EG) nr. 1257/1999, artikel 39 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 en artikel 28 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 is braak gelegd, ongeacht of die grond zich al dan niet onder een kas of onder een vaste of verplaatsbare beschutting bevindt;

g)   "blijvende teelten": niet in de vruchtwisseling opgenomen teelten van gewassen, andere dan blijvend grasland en blijvend weiland, die de grond gedurende ten minste vijf jaar in beslag nemen en die geregeld een oogst opleveren, met inbegrip van producten van kwekerijen en hakhout met korte omlooptijd;

h)   "blijvend grasland en blijvend weiland" (samen "blijvend grasland"): grond met een natuurlijke of ingezaaide vegetatie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen die ten minste vijf jaar niet in de vruchtwisseling van het bedrijf is opgenomen; andere begraasbare soorten, zoals struiken en/of bomen, kunnen er deel van uitmaken, mits de grassen en andere kruidachtige voedergewassen overheersen, alsmede, indien lidstaten daartoe besluiten, begraasbaar land dat deel uitmaakt van de gangbare plaatselijke praktijken waar grassen en andere kruidachtige voedergewassen traditioneel niet overheersen in weiland;

i)   "grassen of andere kruidachtige voedergewassen": alle kruidachtige planten die in de lidstaat traditioneel in natuurlijk grasland voorkomen of normaliter in zaadmengsels voor grasland worden opgenomen, ongeacht of het betrokken grasland voor het weiden van dieren wordt gebruikt;

j)   "kwekerijen": arealen met jonge houtachtige planten in de openlucht, bestemd om later te worden verplant, en wel kwekerijen van:

wijnstokken en moederplanten;

vruchtbomen en kleinfruitgewassen;

siergewassen;

voor de verkoop bestemde bosplanten, exclusief de in het bos gelegen bosboomkwekerijen voor de eigen behoefte van het bedrijf;

bomen en heesters ter beplanting van tuinen, parken, straten en wegbermen (bijvoorbeeld haagplanten, rozen en andere sierheesters, sierconiferen), alsmede onderstammen en jonge zaailingen ervan;

k)   "hakhout met korte omlooptijd": areaal beplant met door de lidstaten te bepalen boomsoorten van GN-code 0602 90 41, bestaande uit meerjarige houtgewassen waarvan de wortelstokken of stronken na de oogst in de grond blijven en die in het daaropvolgende seizoen nieuwe scheuten vormen en waarvan de maximale omlooptijd door de lidstaten wordt vastgesteld;

l)   "verkoop": de verkoop of elke andere definitieve overdracht van de eigendom van grond of betalingsrechten; grondverkooptransacties waarbij de grond wordt overgedragen aan openbare autoriteiten of voor gebruik in het algemeen belang, en waarbij die overdracht plaatsvindt voor andere dan landbouwdoeleinden, vallen niet onder deze definitie;

m)   "(ver)huur": (ver)huurovereenkomst en daarmee vergelijkbare tijdelijke transactie;

n)   "overdracht": verhuur of verkoop of feitelijke of verwachte vererving van grond of betalingsrechten of elke andere definitieve overdracht daarvan; het terugvallen van betalingsrechten bij het verstrijken van een huurcontract valt hier niet onder.

2.   De lidstaten

a)

bepalen de criteria vast waaraan een landbouwer moet voldoen om de verplichting na te komen een landbouwareaal in staat te houden die begrazing of teelt mogelijk maakt als bedoeld in lid 1, onder c), ii);

b)

indien van toepassing in een lidstaat, omschrijven de te verrichten minimumactiviteit op landbouwarealen die in een voor begrazing of teelt geschikte natuurlijke staat worden behouden, als bedoeld in lid 1, onder c), iii);

c)

bepalen de boomsoorten die in aanmerking komen als hakhout met korte omlooptijd en de maximale omlooptijd voor deze boomsoorten, als bedoeld in lid 1, onder k).

De lidstaten kunnen besluiten dat begraasbaar land dat deel uitmaakt van de gangbare plaatselijke praktijken en waar grassen en andere kruidachtige voedergewassen traditioneel niet overheersen in weiland, moet worden beschouwd als blijvend grasland als bedoeld in lid 1, onder h).

3.   Ter wille van de rechtszekerheid is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 70 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter bepaling van:

a)

het kader waarbinnen de lidstaten de criteria bepalenwaaraan een landbouwer moet voldoen om de verplichting na te komen een landbouwareaal in een voor begrazing of teelt geschikte staat te houden als bedoeld in lid 1, onder c), ii);

b)

het kader voor de door de lidstaten te omschrijven minimumactiviteit die verricht moet worden op landbouwarealen die in een voor begrazing of teelt geschikte natuurlijke staat worden behouden, als bedoeld in lid 1, onder c), iii);

c)

de criteria aan de hand waarvan kan worden bepaald of grassen en andere kruidachtige voedergewassen in blijvend grasland overheersen, alsmede de criteria aan de hand waarvan de in lid 1, onder h), bedoelde plaatselijke praktijken kunnen worden vastgesteld.

TITEL II

ALGEMENE BEPALINGEN INZAKE RECHTSTREEKSE BETALINGEN

HOOFDSTUK 1

Gemeenschappelijke voorschriften inzake rechtstreekse betalingen

Artikel 5

Algemene bepalingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid

Verordening (EU) nr. 1306/2013, en de uit hoofde van die verordening vastgestelde bepalingen zijn op de regelingen van deze verordening van toepassing.

Artikel 6

Nationale maxima

1.   Het nationale maximum, bestaande uit de totale waarde van alle toegewezen betalingsrechten, van de nationale reserve of de regionale reserves en van de maxima die overeenkomstig de artikelen 42, 47, 49, 51 en 53 zijn vastgesteld, wordt per lidstaat en per jaar vermeld in bijlage II.

Indien een lidstaat gebruik maakt van de in artikel 22, lid 2, geboden keuzemogelijkheid kan het in bijlage II voor die lidstaat voor dat jaar vermelde nationale maximum worden overschreden met het overeenkomstig dat lid berekende bedrag.

2.   In afwijking van lid 1 wordt het nationale maximum bestaande uit de overeenkomstig de artikelen 36, 42, 47, 49, 51 en 53 vastgestelde nationale maxima, per lidstaat die de regeling inzake een enkele areaalbetaling toepast, per jaar vermeld in bijlage II.

3.   Teneinde rekening te houden met de ontwikkelingen die verband houden met de totale maximumbedragen aan rechtstreekse betalingen die toegekend kunnen worden, waaronder de gevolgen van de besluiten die de lidstaten overeenkomstig artikel 14 nemen en die welke voortvloeien uit de toepassing van artikel 20, lid 2, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 70 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot aanpassing van de in bijlage II vermelde nationale maxima.

Artikel 7

Nettomaxima

1.   Onverminderd artikel 8 ligt het totale bedrag aan rechtstreekse betalingen dat, na toepassing van artikel 11, uit hoofde van de titels III, IV en V voor een kalenderjaar in een lidstaat mag worden toegekend, niet hoger dan het overeenstemmende in bijlage III vermelde maximum.

Indien het totale bedrag aan te verlenen rechtstreekse betalingen in een lidstaat hoger zou zijn dan het in bijlage III vermelde maximum, past die lidstaat een lineaire verlaging toe op de bedragen van alle rechtstreekse betalingen, behalve op de rechtstreekse betalingen die in het kader van Verordening (EU) nr. 228/2013 en Verordening (EU) nr. 229/2013 worden toegekend.

2.   De geraamde opbrengst uit de in artikel 11 bedoelde verlaging van betalingen welke overeenkomt met het verschil tussen het in bijlage II vermelde nationale maximum plus het bedrag dat overeenkomstig artikel 58 beschikbaar is, en de in bijlage III vermelde nettomaximum, wordt per lidstaat en per kalenderjaar beschikbaar gesteld als Uniesteun voor maatregelen in het kader van plattelandsontwikkelingsprogramma's die overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1305/2013 met middelen uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) worden gefinancierd.

3.   Teneinde rekening te houden met de ontwikkelingen die verband houden met de totale maximumbedragen aan rechtstreekse betalingen die toegekend kunnen worden, waaronder de gevolgen van de besluiten die de lidstaten overeenkomstig artikel 14 nemen, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 70 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot aanpassing van de in bijlage III vermelde maxima.

Artikel 8

Financiële discipline

1.   Het aanpassingspercentage dat overeenkomstig artikel 26 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 is bepaald, is alleen van toepassing op rechtstreekse betalingen van meer dan 2 000 EUR die in het desbetreffende kalenderjaar aan een landbouwer worden toegekend.

2.   Ingevolge de geleidelijke invoering van rechtstreekse betalingen overeenkomstig artikel 16, is lid 1 van dit artikel vanaf 1 januari 2016 van toepassing op Bulgarije en Roemenië.

Ingevolge de geleidelijke invoering van rechtstreekse betalingen overeenkomstig artikel 17, is lid 1 van dit artikel vanaf 1 januari 2022 van toepassing op Kroatië.

3.   Teneinde ervoor te zorgen dat de aanpassingen in de door de lidstaten te verrichten rechtstreekse betalingen correct worden toegepast vanuit het oogpunt van financiële discipline, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 70 gedelegeerde handelingen vast te stellen inzake voorschriften voor de berekeningsgrondslag voor verlagingen die de lidstaten uit hoofde van lid 1 van dit artikel moeten toepassen op landbouwers.

4.   In het geval van een rechtspersoon of een groep van natuurlijke of rechtspersonen kunnen de lidstaten de in het eerste lid bedoelde verlaging toepassen op het niveau van de leden van deze rechtspersonen of groepen, indien het nationale recht bepaalt dat de individuele leden rechten en verplichtingen hebben die vergelijkbaar zijn met die van individuele landbouwers die de status van bedrijfshoofd hebben, met name wat hun economische, sociale en belastingsstatus betreft, mits zij hebben bijgedragen tot de versterking van de landbouwstructuren van de betrokken rechtspersonen of groepen.

Artikel 9

Actieve landbouwer

1.   Er worden geen rechtstreekse betalingen toegekend aan natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel groepen natuurlijke personen of rechtspersonen van wie de landbouwarealen hoofdzakelijk bestaan uit grond die in een voor beweiding of teelt geschikte natuurlijke staat wordt behouden en die op deze grond geen minimumactiviteit verrichten zoals die door de betrokken lidstaat overeenkomstig artikel 4, lid 2, onder b), is omschreven.

2.   Er worden geen rechtstreekse betalingen toegekend aan natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel groepen natuurlijke personen of rechtspersonen die luchthavens, spoorwegdiensten, waterwerken, vastgoeddiensten, en permanente sport- en recreatiegebieden exploiteren.

Indien van toepassing kunnen de lidstaten, op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria, besluiten andere soortgelijke niet-landbouwbedrijven of -activiteiten toe te voegen aan die welke in de eerste alinea worden vermeld, en kunnen zij achteraf besluiten deze toevoegingen weer te schrappen.

De personen of groepen die binnen het toepassingsgebied van de eerste of de tweede alinea vallen, worden echter als actieve landbouwers beschouwd als zij verifieerbare bewijzen in de door de lidstaten verlangde vorm verstrekken waaruit een van de volgende feiten blijkt:

a)

het jaarlijkse bedrag aan rechtstreekse betalingen maakt ten minste 5 % uit van hun totale inkomsten uit niet-landbouwactiviteiten in het meest recente belastingjaar waarvoor dit bewijs beschikbaar is;

b)

hun landbouwactiviteiten zijn niet onaanzienlijk;

c)

hun voornaamste bedrijfs- of ondernemingsdoel is de uitoefening van een landbouwactiviteit.

3.   Naast hetgeen bepaald is in de leden 1 en 2, kunnen de lidstaten op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria besluiten dat geen rechtstreekse betalingen worden toegekend aan natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel groepen natuurlijke personen of rechtspersonen:

a)

van wie de landbouwactiviteiten slechts een onaanzienlijk deel uitmaken van hun totale economische activiteiten; en/of

b)

van wie de voornaamste activiteit of ondernemingsdoel niet de uitoefening van een landbouwactiviteit is.

4.   De leden 2 en 3 zijn niet van toepassing op landbouwers die voor het voorgaande jaar rechtstreekse betalingen hebben ontvangen die een bepaald bedrag niet overschrijden. Dit bedrag wordt door de lidstaten vastgesteld op basis van objectieve criteria zoals hun nationale en regionale kenmerken, en is niet hoger dan 5 000 EUR.

5.   Teneinde de bescherming van de rechten van de landbouwers te garanderen, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 70 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter bepaling van:

a)

de criteria op basis waarvan wordt bepaald in welke gevallen het landbouwareaal van een landbouwer geacht wordt hoofdzakelijk te bestaan uit grond die in een voor begrazing of teelt geschikte natuurlijke staat wordt behouden;

b)

de criteria op basis waarvan het onderscheid wordt bepaald tussen opbrengsten uit landbouwactiviteiten en opbrengsten uit niet-landbouwactiviteiten;

c)

de criteria op basis waarvan de bedragen aan rechtstreekse betalingen, als bedoeld in de leden 2 en 4, wordt bepaald en in het bijzonder met betrekking tot rechtstreekse betalingen in het eerste jaar waarvoor betalingsrechten worden toegewezen en de waarde van de betalingsrechten nog niet definitief is vastgesteld, alsmede met betrekking tot rechtstreekse betalingen voor nieuwe landbouwers;

d)

de criteria waaraan landbouwers moeten voldoen om voor de toepassing van de leden 2 en 3 te bewijzen dat hun landbouwactiviteiten niet onaanzienlijk zijn en dat hun voornaamste bedrijfs- of ondernemingsdoel de uitoefening van een landbouwactiviteit is.

6.   De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 1 augustus 2014 in kennis van in de leden 2, 3 of 4 bedoelde besluiten; en in geval van wijzigingen doen zij dit binnen twee weken nadat een besluit tot wijziging is genomen.

Artikel 10

Minimumvereisten voor het ontvangen van rechtstreekse betalingen

1.   De lidstaten besluiten om in een van de volgende gevallen geen rechtstreekse betalingen aan een landbouwer toe te kennen:

a)

indien het totaalbedrag van de voor een bepaald kalenderjaar aangevraagde of toe te kennen rechtstreekse betalingen vóór toepassing van artikel 63 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 lager is dan 100 EUR;

b)

indien het subsidiabele areaal van het bedrijf waarvoor rechtstreekse betalingen worden aangevraagd of moeten worden toegekend vóór toepassing van artikel 63 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 minder dan één hectare is.

2.   Om rekening te houden met de structuur van hun landbouweconomie, kunnen de lidstaten de in lid 1, onder a) en b), vastgestelde drempels aanpassen binnen de in bijlage IV vermelde limieten.

3.   Een lidstaat die besloten heeft een areaaldrempel krachtens lid 1, onder b), vast te stellen, past lid 1, onder a), echter ook toe op landbouwers die de in titel IV genoemde diergebonden gekoppelde steun ontvangen en over minder hectaren beschikken dan de areaaldrempel.

4.   De betrokken lidstaten kunnen besluiten om lid 1 niet toe te passen op de ultraperifere gebieden en op de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee.

5.   In Bulgarije en Roemenië wordt het in lid 1, onder a), bedoelde aangevraagde of toe te kennen bedrag voor het jaar 2015 berekend op basis van het relevante bedrag dat in bijlage V, onder A, is vermeld.

In Kroatië wordt het in lid 1, onder a), bedoelde aangevraagde of toe te kennen bedrag voor de jaren 2015-2021 berekend op basis van het bedrag dat in bijlage VI, onder A, wordt vermeld.

Artikel 11

Verlaging van betalingen

1.   De lidstaten verlagen het bedrag aan rechtstreekse betalingen dat in het kader van Titel III, hoofdstuk 1, voor een bepaald kalenderjaar aan een landbouwer moet worden toegekend met minstens 5 % voor het deel van het bedrag dat 150 000 EUR overschrijdt.

2.   Voordat zij lid 1 toepassen, kunnen de lidstaten de aan een landbouwactiviteit gekoppelde lonen die de landbouwer daadwerkelijk over het voorgaande kalenderjaar heeft betaald en heeft aangegeven, met inbegrip van belastingen en sociale bijdragen die verband houden met de arbeid, in mindering brengen op het bedrag van de uit hoofde van titel III, hoofdstuk 1, voor een bepaald kalenderjaar aan de landbouwer toe te kennen rechtstreekse betalingen. Indien geen informatie over de daadwerkelijk door de landbouwer betaalde en aangegeven lonen in het voorgaande kalenderjaar beschikbaar is, worden de meest recente beschikbare gegevens gebruikt.

3.   Indien een lidstaat besluit een herverdelingsbetaling toe te wijzen aan landbouwers, overeenkomstig titel III, hoofdstuk 2, en daarvoor meer dan 5 % van het in bijlage II vermelde jaarlijkse nationale maximum te gebruiken, kan deze besluiten dit artikel niet toe te passen.

Indien een lidstaat besluit een herverdelingsbetaling toe te wijzen aan landbouwers, overeenkomstig titel III, hoofdstuk 2, en de toepassing van de in artikel 41, lid 4, vastgestelde maxima die lidstaat verhindert om daarvoor meer dan 5 % van het in bijlage II vermelde jaarlijkse nationale maximum te gebruiken, kan die lidstaat besluiten om dit artikel niet toe te passen.

4.   Aan landbouwers van wie vast komt te staan dat zij na 18 oktober 2011 kunstmatig de voorwaarden hebben gecreëerd om zich aan de gevolgen van dit artikel te onttrekken, wordt geen voordeel toegekend bestaande uit de omzeiling van de verlaging.

5.   In het geval van een rechtspersoon of een groep van natuurlijke of rechtspersonen kunnen de lidstaten de in het eerste lid van dit artikel bedoelde verlaging toepassen op het niveau van de leden van deze rechtspersonen of groepen, indien het nationale recht bepaalt dat de individuele leden rechten en verplichtingen hebben die vergelijkbaar zijn met die van individuele landbouwers die de status van bedrijfshoofd hebben, met name wat hun economische, sociale en belastingsstatus betreft, mits zij hebben bijgedragen tot de versterking van de landbouwstructuren van de betrokken rechtspersonen of groepen.

6.   De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 1 augustus 2014 in kennis van de overeenkomstig dit artikel genomen besluiten, alsook van de geraamde opbrengst van de verlagingen voor de jaren 2015 tot en met 2019.

Artikel 12

Meervoudige aanvragen

Het met het aantal subsidiabele hectaren overeenkomende areaal waarvoor een landbouwer uit hoofde van titel III, hoofdstuk 1, een aanvraag voor een basisbetaling heeft ingediend, kan het voorwerp zijn van een aanvraag voor een andere rechtstreekse betaling, alsmede voor andere steun die niet onder deze verordening valt, tenzij in deze verordening uitdrukkelijk anders is bepaald.

Artikel 13

Staatssteun

In afwijking van artikel 211, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad (21) zijn de artikelen 107, 108 en 109 VWEU niet van toepassing op betalingen die de lidstaten overeenkomstig deze verordening doen.

Artikel 14

Flexibiliteit tussen de pijlers

1.   Uiterlijk op 31 december 2013 kunnen de lidstaten besluiten om ten hoogste 15 % van hun jaarlijkse nationale maxima voor het kalenderjaar 2014 vermeld in bijlage VIII bij Verordening (EG) nr. 73/2009 en van hun jaarlijkse nationale maxima voor de kalenderjaren 2015 tot en met 2019 vermeld in bijlage II bij deze verordening, beschikbaar te stellen als aanvullende steun voor maatregelen in het kader van plattelandsontwikkelingsprogramma's die overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1305/2013 uit het ELFPO worden gefinancierd. Het desbetreffende bedrag is daardoor niet meer beschikbaar voor de toekenning van rechtstreekse betalingen.

De Commissie wordt uiterlijk op 31 december 2013 van het in de eerste alinea bedoelde besluit in kennis gesteld. Het besluit vermeldt het in die alinea bedoelde percentage, dat per kalenderjaar kan variëren.

De lidstaten die met betrekking tot het kalenderjaar 2014 geen besluit zoals bedoeld in de eerste alinea nemen, kunnen uiterlijk op 1 augustus 2014 het daarin bedoelde besluit nemen met betrekking tot de kalenderjaren 2015 tot en met 2019. Zij stellen de Commissie uiterlijk tegen die datum in kennis van dergelijke besluiten.

De lidstaten kunnen besluiten om hun in dit lid bedoelde besluiten met ingang van het kalenderjaar 2018 te herzien. Besluiten gebaseerd op deze herziening mogen niet leiden tot een afname van het percentage waarvan de Commissie overeenkomstig de eerste, de tweede en de derde alinea in kennis is gesteld. De betrokken lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 1 augustus 2017 in kennis van hun op deze herziening gebaseerde besluiten.

2.   Uiterlijk op 31 december 2013 kunnen lidstaten die geen besluit zoals bedoeld in lid 1 nemen, besluiten om ten hoogste 15 % of, in het geval van Bulgarije, Estland, Spanje, Letland, Litouwen, Polen, Portugal, Roemenië, Slowakije, Finland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk, ten hoogste 25 % van het bedrag dat is toegewezen voor steun voor maatregelen in het kader van plattelandsontwikkelingsprogramma's die in de periode 2015-2020 uit het ELFPO worden gefinancierd, zoals bepaald in Verordening (EU) nr. 1305/2013, beschikbaar te stellen als rechtstreekse betalingen. Het desbetreffende bedrag is daardoor niet meer beschikbaar voor steunmaatregelen in het kader van plattelandsontwikkelingsprogramma's.

De Commissie wordt uiterloijk op 31 december 2013 van het in de eerste alinea bedoelde besluit in kennis gesteld. Het besluit vermeldt het in die alinea genoemde percentage, dat per kalenderjaar kan variëren.

De lidstaten die met betrekking tot het begrotingsjaar 2015 geen besluit zoals bedoeld in de eerste alinea nemen, kunnen vóór 1 augustus 2014 het daarin bedoelde besluit nemen met betrekking tot de begrotingsjaren 2016 tot en met 2020. Zij stellen de Commissie uiterlijk op die datum in kennis van dergelijke besluiten.

De lidstaten kunnen besluiten om hun in dit lid bedoelde besluiten te herzien met het oog op de begrotingsjaren 2019 en 2020. Besluiten gebaseerd op deze herziening mogen niet leiden tot een toename van het percentage waarvan de Commissie overeenkomstig de eerste, de tweede en de derde alinea in kennis is gesteld. De betrokken lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 1 augustus 2017 in kennis van op deze herziening gebaseerde besluiten.

Artikel 15

Herziening

De in bijlage I vermelde steunregelingen zijn van toepassing onverminderd de mogelijkheid deze op elk tijdstip in het licht van de economische ontwikkelingen en de begrotingssituatie te herzien. Die herziening kan leiden tot het vaststellen van wetgevingshandelingen, gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 290 VWEU of uitvoeringshandelingen overeenkomstig artikel 291 VWEU.

HOOFDSTUK 2

Bepalingen die alleen van toepassing zijn op Bulgarije, Kroatië en Roemenië

Artikel 16

Geleidelijke invoering van rechtstreekse betalingen in Bulgarije en Roemenië

Voor Bulgarije en Roemenië, worden dee overeenkomstig de artikelen 42, 47, 49, 51, 53 en 65 vastgestelde maxima voor 2015 vastgesteld op basis van de in bijlage V, onder A, vermelde bedragen.

Artikel 17

Geleidelijke invoering van rechtstreekse betalingen in Kroatië

In Kroatië worden rechtstreekse betalingen ingevoerd overeenkomstig het volgende schema, uitgedrukt in oplopende percentages van het niveau van rechtstreekse betalingen dat vanaf 2022 van toepassing is:

 

25 % in 2013,

 

30 % in 2014,

 

35 % in 2015,

 

40 % in 2016,

 

50 % in 2017,

 

60 % in 2018,

 

70 % in 2019,

 

80 % in 2020,

 

90 % in 2021,

 

100 % vanaf 2022.

Artikel 18

Aanvullende nationale rechtstreekse betalingen en rechtstreekse betalingen in Bulgarije en Roemenië

1.   Bulgarije en Roemenië kunnen in 2015 betalingen die in het kader van de in titel III, hoofdstuk 1, afdelingen 1, 2 en 3 bedoelde basisbetalingsregeling worden toegekend, aanvullen met nationale rechtstreekse betalingen. Het totale bedrag van die betalingen, is niet hoger dan het in bijlage V, onder B, vermelde toepasselijke bedrag.

2.   Bulgarije kan in 2015 betalingen die in het kader van de in titel IV, hoofdstuk 2, bedoelde gewasspecifieke betaling voor katoen worden toegekend, aanvullen met nationale rechtstreekse betalingen. Het totale bedrag van die betalingen is niet hoger dan het in bijlage V, onder C, vermelde bedrag.

3.   Aanvullende nationale rechtstreekse betalingen worden toegekend op basis van objectieve criteria, en op zodanige wijze dat de gelijke behandeling van de landbouwers wordt gewaarborgd en markt- en concurrentieverstoringen worden vermeden.

Artikel 19

Aanvullende nationale rechtstreekse betalingen in Kroatië

1.   Kroatië kan, indien opportuun, met toestemming van de Commissie elke in bijlage I vermelde steunregeling aanvullen.

2.   Het bedrag aan aanvullende nationale rechtstreekse betalingen dat in een bepaald jaar voor een bepaalde steunregeling mag worden toegekend, wordt tot een specifiek maximum beperkt. Dat maximum wordt vastgesteld op het verschil tussen:

a)

het bedrag aan rechtstreekse steun dat na de volledige invoering van de rechtstreekse betalingen overeenkomstig artikel 17 in het kalenderjaar 2022 beschikbaar is voor de steunregeling in kwestie, en

b)

het bedrag aan rechtstreekse steun dat na de toepassing van de toenameregeling overeenkomstig artikel 17 voor het betrokken kalenderjaar beschikbaar is voor de steunregeling in kwestie.

3.   Het totale bedrag aan aanvullende nationale rechtstreekse betalingen is niet hoger dan het in bijlage VI, onder B, voor het betrokken kalenderjaar vermelde maximum.

4.   Kroatië kan, op basis van objectieve criteria en mits de Commissie toestemming heeft verleend, besluiten nemen over de aan aanvullende nationale rechtstreekse betalingen toe te kennen bedragen.

5.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast om de betalingen op grond van In de dit artikel toe te laten, om de betrokken steunregelingen te specifiëren en te omschrijven tot op welk niveau aanvullende nationale rechtstreekse betalingen kunnen worden gedaan.

In de uitvoeringshandelingenvoor aanvullende nationale rechtstreekse betalingen ter aanvulling van de in titel IV, hoofdstuk I, bedoelde vrijwillige gekoppelde steun, worden ook de specifieke soorten landbouw of de in artikel 52, lid 3, bedoelde specifieke landbouwsectoren vermeld waarop de aanvullende nationale rechtstreekse betalingen betrekking kunnen hebben.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld zonder toepassing van de in artikel 71, lid 2 of lid 3, bedoelde procedure.

6.   De toekenningsvoorwaarden voor aanvullende nationale rechtstreekse betalingen voor Kroatië zijn identiek aan die van de in deze verordening vermelde overeenkomstige steunregelingen.

7.   De aanvullende nationale rechtstreekse betalingen voor Kroatië worden zo nodig aangepast in verband met bepaalde ontwikkelingen in het GLB. Zij worden toegekend op basis van objectieve criteria, en op zodanige wijze dat een gelijke behandeling van de landbouwers wordt gewaarborgd en markt- en concurrentieverstoringen worden vermeden.

8.   Kroatië dient uiterlijk op 30 juni van het jaar na de invoering van de aanvullende nationale rechtstreekse betalingen een verslag in over de uitvoeringsmaatregelen betreffende deze betalingen. In dat verslag komen minstens de volgende punten aan de orde:

a)

elke wijziging van de situatie die van invloed is op de aanvullende nationale rechtstreekse betalingen;

b)

voor elke aanvullende nationale rechtstreekse betaling, informatie over het aantal begunstigden, en het totale bedrag aan toegekende aanvullende nationale rechtstreekse betalingen en het aantal hectaren, en het aantal dieren of andere eenheden waarvoor die aanvullende nationale rechtstreekse betalingis toegekend;

c)

een verslag betreffende de controlemaatregelen die zijn toegepast op de toegekende aanvullende nationale rechtstreekse betalingen.

Artikel 20

Speciale nationale reserve voor mijnenruimen in Kroatië

1.   Vanaf 2015 stelt Kroatië de Commissie elk jaar uiterlijk op 31 januari in kennis van de arealen die overeenkomstig artikel 57 bis, lid 10, van Verordening (EG) nr. 73/2009 zijn geïdentificeerd en in het voorgaande jaar opnieuw voor landbouwactiviteiten in gebruik zijn genomen.

Tevens stelt Kroatië de Commissie in kennis van het aantal betalingsrechten dat op 31 december van het voorafgaande kalenderjaar voor landbouwers beschikbaar was, en van het bedrag in de speciale nationale reserve voor mijnenruimen dat op diezelfde datum nog niet was uitgegeven.

De in de eerste en tweede alinea bedoelde meldingen worden, indien van toepassing, gedaan per regio zoals vastgesteld overeenkomstig artikel 23, lid 1, van deze verordening.

2.   Bij de aanpassing van bijlage II overeenkomstig artikel 6, lid 3, berekent de Commissie jaarlijks de bedragen waarmee de in die bijlage voor Kroatië vastgestelde bedragen moeten worden aangevuld ter financiering van de steun die in het kader van de in bijlage I vermelde regelingen voor het in lid 1 van dit artikel bedoelde areaal moet worden toegekend. Dat bedrag wordt berekend op basis van de gegevens waarvan Kroatië overeenkomstig lid 1 van dit artikel heeft kennisgegeven en de geraamde gemiddelde rechtstreekse betalingen per hectare voor het betrokken jaar in Kroatië.

Het maximumbedrag dat overeenkomstig de eerste alinea wordt toegevoegd op basis van alle arealen waarvan Kroatië overeenkomstig lid 1 in de periode tot en met 2022 kennis geeft, is 9 600 000 EUR en is onderworpen aan de regeling voor de invoering van rechtstreekse betalingen overeenkomstig artikel 17. De resulterende jaarlijkse maximumbedragen zijn opgenomen in bijlage VII.

3.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast waarin het aandeel van het overeenkomstig lid 2 aan te vullen bedrag dat Kroatië ter financiering van de betalingsrechten voor het in lid 1 bedoelde areaal opneemt in de speciale nationale reserve voor mijnenruimen, wordt vastgelegd. Dat aandeel wordt berekend op basis van de verhouding tussen het maximum voor de basisbetalingsregeling en het in bijlage II vermelde nationale maximum, voordat dat bedrag overeenkomstig lid 2 is verhoogd. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 71, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

4.   Voor de jaren 2015 tot en met 2022 gebruikt Kroatië de speciale nationale reserve voor mijnenruimen om betalingsrechten aan landbouwers toe te wijzen op basis van de ontmijnde gronden die door de landbouwers voor het betrokken jaar zijn aangegeven, indien:

a)

de gronden subsidiabele hectaren zijn in de zin van artikel 32, leden 2 tot en met 5;

b)

de betrokken gronden gedurende het voorgaande kalenderjaar opnieuw voor landbouwactiviteiten gebruikt zijn; en

c)

de grond waarvan de Commissie overeenkomstig lid 1 van dit artikel in kennis is gesteld.

5.   De waarde van de krachtens dit artikel vastgestelde betalingsrechten stemt overeen met de nationale of regionale gemiddelde waarde van de betalingsrechten in het jaar van toewijzing, binnen de grenzen van het in de speciale reserve voor mijnenruimen beschikbare bedrag.

6.   Teneinde rekening te houden met de gevolgen van het door Kroatië overeenkomstig dit artikel gemelde opnieuw voor landbouwactiviteiten in gebruik nemen van ontmijnde landbouwgronden, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 70 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanpassing van de in bijlage VI vermelde bedragen.

TITEL III

BASISBETALINGSREGELING, REGELING INZAKE EEN ENKELE AREAALBETALING EN DAARMEE SAMENHANGENDE BETALINGEN

HOOFDSTUK I

Basisbetalingsregeling en regeling inzake een enkele areaalbetaling

Afdeling 1

Opzet van de basisbetalingsregeling

Artikel 21

Betalingsrechten

1.   In het kader van de basisbetalingsregeling wordt steun beschikbaar gesteld voor landbouwers:

a)

die in het kader van deze verordening betalingsrechten verwerven door middel van een toewijzing krachtens artikel 20, lid 4, door middel van een eerste toewijzing krachtens artikel 24 of artikel 39, door middel van een toewijzing uit de nationale reserve of regionale reserves krachtens artikel 30 of door middel van een overdracht krachtens artikel 34; of

b)

die voldoen aan artikel 9 en beschikken over betalingsrechten, in eigendom of gehuurd, in een lidstaat die overeenkomstig lid 3 heeft besloten de bestaande betalingsrechten te behouden.

2.   Betalingsrechten die in het kader van de bedrijfsbetalingsregeling overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1782/2003 en Verordening (EG) nr. 73/2009 zijn verworven, vervallen op 31 december 2014.

3.   In afwijking van lid 2 kunnen lidstaten die de bedrijfsbetalingsregeling hebben ingesteld overeenkomstig titel III, hoofdstuk 5, afdeling 1, of titel III, hoofdstuk 6, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 of titel III, hoofdstuk 3, van Verordening (EG) nr. 73/2009 uiterlijk op 1 augustus 2014 besluiten de bestaande betalingsrechten te behouden. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op die datum in kennis van dergelijke besluiten.

4.   In de lidstaten die het besluit bedoeld in lid 3 nemen en waar het aantal overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1782/2003 en Verordening (EG) nr. 73/2009 vastgestelde in eigendom of gehuurde betalingsrechten die een landbouwer op de overeenkomstig artikel 78, eerste alinea, onder b), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 vast te stellen uiterste datum voor indiening van een aanvraag bezit, groter is dan het aantal subsidiabele hectaren dat hij overeenkomstig artikel 72, lid 1, eerste alinea, onder a), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 in zijn steunaanvraag aangeeft voor 2015, en waarover hij beschikt op een door de lidstaat vastgestelde datum met als uiterste termijn de in die lidstaat vastgestelde datum voor wijziging van een steunaanvraag, vervalt het aantal betalingsrechten dat het aantal subsidiabele hectaren overschrijdt op die laatst genoemde datum.

Artikel 22

Maximum voor de basisbetalingsregeling

1.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast waarin voor elke lidstaat het jaarlijkse nationale maximum voor de basisbetalingsregeling wordt vastgelegd door de overeenkomstig de artikelen 42, 47, 49, 51 en 53 vastgestelde maxima, in mindering te brengen op het in bijlage II vermelde jaarlijkse maximum. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 71, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

2.   Voor elke lidstaat, kan het volgens lid 1 van dit artikel berekende bedrag worden verhoogd met maximum 3 % van het in bijlage II vermelde toepasselijk jaarlijkse nationaal maximum, na aftrek van het bedrag dat resulteert uit de toepassing van het in artikel 47, lid 1, vermelde percentage voor het betreffende jaar. Indien een lidstaat deze verhoging toepast, houdt de Commissie met deze verhoging rekening bij het vaststellen van het jaarlijkse nationale maximum voor de basisbetalingsregeling overeenkomstig lid 1 van dit artikel. Daartoe stellen de lidstaten de Commissie vóór 1 augustus 2014 in kennis van de jaarlijkse percentages mee waarmee het volgens het lid 1 van dit artikel berekende bedrag moet worden verhoogd.

3.   De lidstaten kunnen hun in het lid 2 bedoelde besluit jaarlijks herzien en stellen de Commissie uiterlijk op 1 augustus van het jaar voorafgaand aan de toepassing ervan in kennis van op die herziening gebaseerde besluiten.

4.   De totale waarde van alle betalingsrechten en de nationale reserve of de regionale reserves is voor elke lidstaat en voor elk jaar gelijk aan het desbetreffende jaarlijkse nationale maximum dat de Commissie ingevolge lid 1 heeft vastgesteld.

5.   Indien het maximum voor een lidstaat vastgesteld door de Commissie uit hoofde van lid 1, verschilt van dat van het voorgaande jaar als gevolg van de besluiten die een lidstaat heeft genomen overeenkomstig lid 3 van dit artikel, de derde en vierde alinea van artikel 14, lid 1, de derde en de vierde alinea van artikel 14, lid 2, artikel 42, lid 1, artikel 49, lid 1, tweede alinea, artikel 51, lid 1, tweede alinea, of artikel 53, verlaagt of verhoogt die lidstaat de waarde van alle betalingsrechten lineair om aan het bepaalde in lid 4 van dit artikel te voldoen.

Artikel 23

Regionale toewijzing van de nationale maxima

1.   De lidstaten kunnen uiterlijk op 1 augustus 2014 besluiten om de basisbetalingsregeling op regionaal niveau toe te passen. Zij stellen de regio's in dat geval vast op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria, zoals de agronomische en sociaal-economische kenmerken van de regio's, het regionale agrarische potentieel ervan, of de institutionele of administratieve structuur ervan.

De lidstaten die artikel 36 toepassen, kunnen uiterlijk op 1 augustus van het jaar voorafgaand aan het eerste jaar van toepassing van de basisbetalingsregelinghet in de eerste alinea bedoelde besluit nemen.

2.   De lidstaten verdelen het in artikel 22, lid 1, bedoelde jaarlijkse nationale maximum voor de basisbetalingsregeling op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria over de regio's.

De lidstaten die artikel 30, lid 2, niet toepassen, maken de verdeling na toepassing van de in artikel 30, lid 1, bedoelde lineaire verlaging.

3.   De lidstaten kunnen besluiten dat de regionale maxima jaarlijks geleidelijk worden gewijzigd in vooraf vastgestelde jaarlijkse stappen en op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria, zoals landbouwpotentieel of milieucriteria.

4.   De lidstaten passen voor elk van de betrokken regio's telkens een lineaire verlaging of verhoging van de waarde van de betalingsrechten toe voor zover dit nodig is om het toepasselijke regionale maximum in acht te nemen dat overeenkomstig lid 2 of lid 3 is vastgesteld.

5.   De lidstaten die lid 1 toepassen, kunnen besluiten de toepassing van de basisbetalingsregeling op regionaal niveau te beëindigen vanaf een door hen vast te stellen datum.

6.   De lidstaten die de eerste alinea van lid 1 toepassen, stellen in voorkomend geval de Commissie uiterlijk op 1 augustus 2014 in kennis van het in die alinea bedoelde besluit en van de maatregelen die voor de toepassing van de leden 2 en 3 zijn genomen.

De lidstaten die de tweede alinea van lid 1, toepassen, stellen de Commissie uiterlijk op 1 augustus van het betrokken jaar in kennis van het in die alinea, bedoelde besluit en van de maatregelen die voor de toepassing van de leden 2 en 3 zijn genomen.

De lidstaten die lid 1 toepassen, stellen de Commissie uiterlijk op 1 augustus van het jaar voorafgaand aan het eerste jaar van uitvoering van het in lid 5 bedoelde besluit hiervan in kennis.

Artikel 24

Eerste toewijzing van betalingsrechten

1.   Betalingsrechten worden toegewezen aan landbouwers die recht hebben op de toekenning van rechtstreekse betalingen overeenkomstig artikel 9 van deze verordening op voorwaarde dat:

a)

zij uiterlijk op de conform artikel 78, eerste alinea, onder b), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 vastgestelde uiterste datum voor het indienen van een aanvraag in 2015 een aanvraag tot toewijzing van betalingsrechten in het kader van de basisbetalingsregeling indienen, tenzij er sprake is van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden; en

b)

zij voordat een verlaging en uitsluiting overeenkomstig titel II, hoofdstuk 4, van Verordening (EG) nr. 73/2009 wordt toegepast, voor 2013 recht hadden op betalingen naar aanleiding van een steunaanvraag voor rechtstreekse betalingen, of nationale overgangssteun, of aanvullende nationale rechtstreekse betalingen, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 73/2009.

De eerste alinea is niet van toepassing in lidstaten die artikel 21, lid 3, van deze verordening toepassen.

De lidstaten kunnen betalingsrechten toewijzen aan landbouwers die recht hebben op rechtstsreekse betalingen overeenkomstig artikel 9 van deze verordening, die aan de voorwaarde vermeld in de eerste alinea, onder a), voldoen en die:

a)

voor 2013 geen betalingen hebben ontvangen naar aanleiding van een in de eerste alinea van dit lid bedoelde steunaanvraag en die, uiterlijk op de door de betrokken lidstaat overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1122/2009 van de Commissie (22) vastgestelde datum van het aanvraagjaar 2013:

i)

in lidstaten die de bedrijfsbetalingsregeling toepassen:

fruit, groenten, consumptieaardappelen, pootaardappelen of siergewassen hebben geteeld, en dit deden op een in hectaren uitgedrukt minimumareaal indien de betrokken lidstaat besloten heeft die vereiste vast te stellen,

of wijngaarden hebben geëxploiteerd; of

ii)

in lidstaten die de regeling inzake een enkele areaalbetaling toepassen, enkel over landbouwgrond beschikten die op 30 juni 2003 niet in een goede landbouwconditie verkeerde als bedoeld in artikel 124, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009;

b)

in 2014 betalingsrechten toegewezen hebben gekregen uit de nationale reserve in het kader van de bedrijfsbetalingsregeling overeenkomstig artikel 41 of artikel 57 van Verordening (EG) nr. 73/2009; of

c)

nooit over krachtens Verordening (EG) nr. 73/2009 of Verordening (EG) nr. 1782/2003 vastgestelde in eigendom of gehuurde betalingsrechten hebben beschikt en die verifieerbare bewijzen verstrekken dat zij uiterlijk op de door de lidstaat overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1122/2009 vastgestelde datum voor het aanvraagjaar 2013 landbouwproducten hebben geproduceerd, gefokt of geteeld, inclusief door het oogsten, het melken, het fokken en het houden van dieren voor landbouwdoeleinden. De lidstaten kunnen voor deze categorie van landbouwers hun eigen aanvullende objectieve en niet-discriminerende subsidiabiliteitscriteria vastleggen inzake passende vaardigheden, ervaring en opleiding.

2.   Tenzij in geval van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden is het aantal toegewezen betalingsrechten per landbouwer in 2015 gelijk aan het aantal subsidiabele hectaren dat de betrokken landbouwer overeenkomstig artikel 72, lid 1, eerste alinea, onder a), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 in zijn steunaanvraag aangeeft voor 2015 en waarover hij beschikt op een door de lidstaat vastgestelde datum. Die datum valt niet later dan de in de betrokken lidstaat vastgestelde datum voor de wijziging van zo'n steunaanvraag.

3.   De lidstaten kunnen een of meer van de beperkingen vermeld in de leden 4 tot en met 7 toepassen op het aantal in het kader van lid 2 toe te wijzen betalingsrechten.

4.   De lidstaten kunnen besluiten dat het aantal toe te wijzen betalingsrechten gelijk is aan het aantal subsidiabele hectaren dat de landbouwer overeenkomstig artikel 34, lid 2, van Verordening (EG) nr. 73/2009 heeft aangegeven in 2013, of aan het aantal subsidiabele hectaren als bedoeld in lid 2 van dit artikel, waarbij gekozen wordt voor het laagste aantal. Voor Kroatië is het gebruik van deze optie van toepassing onverminderd de toewijzing van betalingsrechten voor ontmijnde hectaren overeenkomstig artikel 20, lid 4, van deze verordening.

5.   Indien het in lid 2 van dit artikelbedoelde totale aantal subsidiabele hectaren dat in een lidstaat is aangegeven, een verhoging zou betekenen van meer dan 35 % van het totale aantal subsidiabele hectaren dat overeenkomstig artikel 35 van Verordening (EG) nr. 73/2009 in 2009, en in het geval van Kroatië in 2013, is aangegeven, kunnen de lidstaten het aantal betalingsrechten dat in 2015 moet worden toegewezen beperken tot een minimum van 135 % of 145 % van het totale aantal subsidiabele hectaren dat in 2009, of in het geval van Kroatië in 2013, overeenkomstig artikel 35 van Verordening (EG) nr. 73/2009 is aangegeven.

Wanneer hiervoor wordt geopteerd, wijzen de lidstaten een verminderd aantal betalingsrechten aan landbouwers toe. Dit aantal wordt berekend door een proportionele verlaging toe te passen op het door elke landbouwer in 2015 aangegeven aanvullende aantal subsidiabele hectaren ten opzichte van het aantal subsidiabele hectaren in de zin van artikel 34, lid 2, van Verordening (EG) nr. 73/2009 dat die landbouwer in zijn steunaanvraag in 2011, of in het geval van Kroatië in 2013, heeft aangegeven, onverminderd de ontmijnde hectaren waarvoor overeenkomstig artikel 20, lid 4, van deze verordening betalingsrechten moeten worden toegewezen.

6.   De lidstaten kunnen met het oog op het vaststellen van het aantal aan een landbouwer toe te wijzen betalingsrechten besluiten een verminderingscoëfficiënt toe te passen op de in lid 2 bedoelde subsidiabele hectaren die bestaan uit blijvend grasland in gebieden met moeilijke klimatologische omstandigheden, vooral vanwege hun hoogte en andere natuurlijke beperkingen zoals slechte bodemkwaliteit, steile hellingen en watertoevoer.

7.   De lidstaten kunnen besluiten dat het aantal aan een landbouwer toe te wijzen betalingsrechten gelijk is aan het aantal in lid 2 van dit artikel bedoelde subsidiabele hectaren die niet bestonden uit wijngaarden op de door de lidstaat overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1122/2009 vastgestelde datum voor het aanvraagjaar 2013 of uit bouwland dat zich onder een permanente kas bevindt.

8.   Bij verkoop of verhuur van hun bedrijf of een gedeelte ervan kunnen natuurlijke personen of rechtspersonen die voldoen aan lid 1 van dit artikel, het recht op betalingsrechten overeenkomstig lid 1 van dit artikel door middel van een contract dat is ondertekend vóór de overeenkomstig artikel 78, eerste alinea, onder b), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 vast te stellen uiterste datum voor het indienen van een aanvraag in 2015 overdragen aan een of meer landbouwers, mits deze landbouwers voldoen aan de voorwaarden van artikel 9 van deze verordening.

9.   Een lidstaat kan besluiten een minimumgrootte per bedrijf te bepalen, uitgedrukt in subsidiabele hectaren, waarvoor de landbouwer een aanvraag tot toewijzing van betalingsrechten kan indienen. De minimumgrootte mag de drempels die in artikel 10, lid 1, onder b), in samenhang met artikel 10, lid 2, zijn vastgesteld, niet overschrijden.

10.   De lidstaten stellen in voorkomend geval de Commissie van de in dit artikel bedoelde besluiten uiterlijk op 1 augustus 2014 in kennis.

11.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast waarin voorschriften worden vastgelegd voor aanvragen tot toewijzing van betalingsrechten die in het jaar van toewijzing van betalingsrechten worden ingediend, in gevallen waarin deze betalingsrechten nog niet definitief zijn vastgesteld en in gevallen waarin de toewijzing door bijzondere omstandigheden wordt beïnvloed. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 71, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 25

Waarde van betalingsrechten en convergentie

1.   In 2015 berekenen de lidstaten de waarde per eenheid van de betalingsrechten door een vast percentage van het in bijlage II vermelde nationale maximum voor elk betrokken jaar te delen door het aantal betalingsrechten in 2015 op nationaal en regionaal niveau, met uitzondering van de in 2015 uit de nationale reserve of uit de regionale reserve toegewezen betalingsrechten.

Het in de eerste alinea bedoelde vaste percentage wordt berekend door het voor 2015, respectievelijk, overeenkomstig artikel 22, lid 1, of artikel 23, lid 2, van deze verordening vast te stellen nationale of regionale maximum voor de basisbetalingsregeling te delen, na toepassing van de lineaire verlaging als bedoeld in artikel 30, lid 1, of, in voorkomend geval, in artikel 30, lid 2, door het in bijlage II vermelde nationale maximum voor 2015. De betalingsrechten worden uitgedrukt in een aantal dat overeenstemt met een aantal hectaren.

2.   In afwijking van de in lid 1 bedoelde berekeningsmethode kunnen de lidstaten besluiten de waarde van de betalingsrechten in 2015 te differentiëren, met uitzondering van de in 2015 uit de nationale reserve of uit de regionale reserves toegewezen betalingsrechten, voor elk betrokken jaar op basis van de initiële waarde per eenheid berekend overeenkomstig artikel 26.

3.   Uiterlijk met ingang van het aanvraagjaar 2019, hebben alle betalingsrechten in een lidstaat of, wanneer artikel 23 wordt toegepast, in een regio een uniforme waarde per eenheid.

4.   In afwijking van lid 3 kan een lidstaat besluiten dat de waarde per eenheid van betalingsrechten waarvan de overeenkomstig artikel 26, berekende initiële waarde per eenheid dat lager is dan 90 % van de nationale of regionale waarde per eenheid in 2019, uiterlijk voor het aanvraagjaar 2019 wordt verhoogd met ten minste een derde van het verschil tussen hun initiële waarde per eenheid en 90 % van de nationale of regionale waarde per eenheid in 2019.

De lidstaten kunnen besluiten het in de eerste alinea bedoelde percentage zodanig vast te stellen dat dit hoger dan 90 % maar niet hoger dan 100 % is.

Voorts schrijven de lidstaten voor dat ten laatste voor het aanvraagjaar 2019 geen enkel betalingsrecht een waarde per eenheid mag hebben die minder bedraagt dan 60 % van de nationale of regionale waarde per eenheid in 2019, tenzij zulks in een lidstaat die de drempel bedoeld in lid 7 toepast, zou leiden tot een maximale vermindering boven dat die percentagedrempel. In dat geval wordt de minimumwaarde per eenheid vastgesteld op een niveau dat nodig is om die drempel in acht te nemen.

5.   De in lid 4 bedoelde nationale of regionale waarde per eenheid in 2019 wordt berekend door een vast percentage van het nationale maximum vermeld in bijlage II, of van het regionale maximum, voor het kalenderjaar 2019, te delen door het aantal betalingsrechten in 2015 in de betrokken lidstaat of regio, met uitzondering van de in 2015 uit de nationale reserve of regionale reserves toegewezen betalingsrechten. Dit vaste percentage wordt berekend door het nationaal of regionaal maximum voor de basisbetalingsregeling dat overeenkomstig, respectievelijk, artikel 22, lid 1, of artikel 23, lid 2, voor het jaar 2015 moet worden vastgesteld, na toepassing van de lineaire verlaging als bedoeld in artikel 30, lid 1, of, in voorkomend geval, in artikel 30, lid 2, te delen door het in bijlage II vermelde nationale maximum of door het regionale maximum, voor 2015.

6.   De regionale maxima als bedoeld in lid 5 worden berekend door een vast percentage toe te passen op het nationale maximum als vermeld in bijlage II voor het jaar 2019. Dat vaste percentage wordt berekend door de respectieve regionale maxima, als vastgesteld overeenkomstig artikel 23, lid 2, voor het jaar 2015 te delen door het nationaal maximum dat overeenkomstig artikel 22, lid 1, voor het jaar 2015 moet worden vastgelegd, na toepassing van de lineaire verlaging als bedoeld in artikel 30, lid 1, ingeval artikel 23, lid 2, tweede alinea, van toepassing is.

7.   Om de verhogingen van de waarde van de in lid 4 bedoelde betalingsrechten te financieren, wordt het verschil tussen de initiële waarde per eenheid van betalingsrechten met een initiële waarde per eenheid die hoger is dan de nationale of regionale waarde per eenheid in 2019, enerzijds, en de nationale of regionale waarde per eenheid in 2019, anderzijds, verlaagd op basis van door de lidstaten vast te stellen objectieve en niet-discriminerende criteria. Deze criteria kunnen de vaststelling van een maximumvermindering van de initiële waarde per eenheid van 30 % omvatten.

8.   Bij de toepassing van lid 2 van dit artikel verloopt de overgang van de initiële waarde per eenheid van betalingsrechten als berekend overeenkomstig artikel 26, naar de eindwaarde per eenheid in 2019 als vastgesteld overeenkomstig de lid 3 of de leden 4 tot en met 7 van dit artikel in gelijke stappen vanaf 2015.

Teneinde ervoor te zorgen dat het in lid 1 van dit artikel bedoelde vaste percentage voor elk jaar in acht wordt genomen, wordt de waarde van de betalingsrechten met een initiële waarde per eenheid die hoger is dan de nationale of regionale waarde per eenheid in 2019 aangepast.

9.   In afwijking van lid 8 van dit artikel en indien de lidstaten die, overeenkomstig artikel 21, lid 3, besluiten hun bestaande betalingsrechten te behouden, lid 2 van dit artikel toepassen, verloopt de overgang van de initiële waarde per eenheid van betalingsrechten als vastgesteld overeenkomstig artikel 26, lid 5, naar de eindwaarde per eenheid in 2019 als vastgesteld overeenkomstig de lid 3 of leden 4 tot en met 7 van dit artikel, waar nodig, door het toepassen van de stappen die nationaal zijn besloten overeenkomstig artikel 63, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1782/2003.

Teneinde ervoor te zorgen dat het in lid 1 van dit artikel bedoelde vast percentage voor elk jaar in acht wordt genomen, wordt de waarde van alle betalingsrechten lineair aangepast.

10.   In 2015 stellen de lidstaten de landbouwers in kennis van de overeenkomstig dit artikel en de artikelen 26 en 27 berekende waarde van hun betalingsrechten voor elk jaar van de door deze verordening bestreken periode.

Artikel 26

Berekening van de initiële waarde per eenheid

1.   De initiële waarde per eenheid van de betalingsrechten als bedoeld in artikel 25, lid 2, in lidstaten die in kalenderjaar 2014 de bedrijfsbetalingsegeling toepassen en die niet besloten hebben om hun bestaande betalingsrechten overeenkomstig artikel 21, lid 3, te behouden, wordt bepaald overeenkomstig een van de methoden vermeld in de leden 2 of 3.

2.   Een vast percentage van de betalingen die de landbouwer voor 2014 in het kader van de bedrijfsbetalingsregeling heeft ontvangen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 73/2009, vóór verlagingen en uitsluitingen als bedoeld in titel II, hoofdstuk 4, van die verordening, wordt gedeeld door het aantal betalingsrechten dat hem in 2015 is toegewezen, met uitzondering van de in 2015 uit de nationale reserve en regionale reserves toegewezen betalingsrechten.

Dit vaste percentage wordt berekend door het nationaal of regionaal maximum voor de basisbetalingsregeling dat overeenkomstig, respectievelijk, artikel 22, lid 1, of artikel 23, lid 2, voor het jaar 2015 moet worden vastgesteld, na toepassing van de lineaire verlaging als bedoeld in artikel 30, lid 1, of, in voorkomend geval, in artikel 30, lid 2, van deze verordening te delen door het bedrag van de betalingen die voor 2014 in het kader van de bedrijfsbetalingsregeling in de betrokken lidstaat of de betrokken regio, zijn verricht, vóór verlagingen en uitsluitingen bedoeld in titel II, hoofdstuk 4, van Verordening (EG) nr. 73/2009.

3.   Een vast percentage van de waarde van de betalingsrechten, inclusief de bijzondere betalingsrechten, waarover de landbouwer op de datum van indiening van zijn aanvraag voor 2014 beschikte in het kader van de bedrijfsbetalingsregeling overeenkomstig Verordening (EG) nr. 73/2009, wordt gedeeld door het aantal betalingsrechten dat hem in 2015 is toegewezen, met uitzondering van de in 2015 uit de nationale reserve of regionale reserves toegewezen betalingsrechten.

Dit vaste percentage wordt berekend door het nationaal of regionaal maximum voor de basisbetalingsregeling dat overeenkomstig, respectievelijk, artikel 22, lid 1, of artikel 23, lid 2, voor het jaar 2015 moet worden vastgesteld, na toepassing van de lineaire verlaging als bedoeld in artikel 30, lid 1, of, in voorkomend geval, in artikel 30, lid 2, van deze verordening, te delen door de totale waarde van alle betalingsrechten, inclusief de bijzondere betalingsrechten, in het kader van de bedrijfsbetalingsregeling in de betrokken lidstaat of regio voor 2014.

Voor de toepassing van dit lid wordt een landbouwer geacht op de datum van indiening van zijn aanvraag voor 2014 over betalingsrechten te beschikken wanneer uiterlijk op die datum betalingsrechten aan hem waren toegewezen of definitief aan hem waren overgedragen.

4.   Lidstaten die in kalenderjaar 2014 de regeling inzake een enkele areaalbetaling toepassen, berekenen de initiële waarde per eenheid van de betalingsrechten bedoeld in artikel 25, lid 2, van deze verordening, door een vast percentage van de totale waarde van de steun die de landbouwer voor 2014 in het kader van de regeling inzake een enkele areaalbetaling overeenkomstig Verordening (EG) nr. 73/2009 en krachtens de artikelen 132 en 133 bis van die verordening heeft ontvangen, vóór verlagingen en uitsluitingen als bedoeld in titel II, hoofdstuk 4, van die verordening, te delen door het aantal betalingsrechten dat hem in 2015 is toegewezen, met uitzondering van de in 2015 uit de nationale reserve en uit de regionale reserves toegewezen betalingsrechten.

Dit vaste percentage wordt berekend door het nationaal of regionaal maximum voor de basisbetalingsregeling dat overeenkomstig, respectievelijk, artikel 22, lid 1, of artikel 23, lid 2, voor het jaar 2015 moet worden vastgesteld, na toepassing van de lineaire verlaging als bedoeld in artikel 30, lid 1, of, in voorkomend geval, in artikel 30, lid 2, van deze verordening, te delen door de totale waarde van de steun die voor 2014 in de betrokken lidstaat of regio is toegekend in het kader van de regeling inzake een enkele areaalbetaling overeenkomstig Verordening (EG) nr. 73/2009 en krachtens de artikelen 132 en 133 bis van die verordening, vóór verlagingen en uitsluitingen bedoeld in titel II, hoofdstuk 4, van die verordening.

5.   De lidstaten die in het kalenderjaar 2014 de bedrijfsbetalingsregeling toepassen en die overeenkomstig artikel 21, lid 3, van deze verordening, besluiten hun bestaande betalingsrechten te behouden, berekenen de initiële waarde per eenheid door de waarde per eenheid van de betalingsrechten bedoeld in artikel 25, lid 2, van deze verordening te vermenigvuldigen met een vast percentage. Dit vaste percentage wordt berekend door het nationaal of regionaal maximum voor de basisbetalingsregeling dat overeenkomstig, respectievelijk, artikel 22, lid 1, of artikel 23, lid 2, voor het jaar 2015 moet worden vastgesteld, na toepassing van de lineaire verlaging als bedoeld in artikel 30, lid 1, of, in voorkomend geval, in artikel 30, lid 2, van deze verordening, te delen door het bedrag van de betalingen die voor 2014 in het kader van de bedrijfsbetalingsregeling in de betrokken lidstaat of betrokken regio zijn verricht, vóór verlagingen en uitsluitingen bedoeld in titel II, hoofdstuk 4, van Verordening (EG) nr. 73/2009.

6.   Voor de in de dit artikel bedoelde berekeningsmethoden kunnen de lidstaten, mits de relevante sectoren geen vrijwillige gekoppelde steun uit hoofde van titel IV ontvangen, ook rekening houden met de steun die voor het kalenderjaar 2014 is verleend in het kader van een of meer regelingen overeenkomstig artikel 52, artikel 53, lid 1, artikel 68, lid 1, onder a) en b), van Verordening (EG) nr. 73/2009, en, voor de lidstaten die de regeling inzake een enkele areaalbetaling overeenkomstig Verordening (EG) nr. 73/2009 toepasten, overeenkomstig artikel 68, lid 1, onder c), en de artikelen 126, 127 en 129 van die verordening.

Lidstaten die evenwel besloten hebben de vrijwillige gekoppelde steun uit hoofde van titel IV van deze verordening toe te passen, kunnen bij de toepassing van de berekeningsmethoden voor de in dit artikel bedoelde verhoging rekening houden met de verschillen tussen het niveau van de in kalenderjaar 2014 toegekende steun en het niveau van de overeenkomstig titel IV van deze verordening toe te kennen steun, op voorwaarde dat:

a)

de vrijwillige gekoppelde steun uit hoofde van titel IV wordt toegewezenop een sector die in het kalenderjaar 2014 steun toegewezen gekregen had uit hoofde van artikel 52, artikel 53, lid 1, artikel 68, lid 1, onder a) en b), en, voor de lidstaten die de regeling inzake een enkele areaalbetaling toepasten, uit hoofde van artikel 68, lid 1, onder c), en de artikelen 126, 127 en 129 van Verordening (EG) nr. 73/2009; en

b)

het bedrag per eenheid van de vrijwillig gekoppeldesteun is lager dan het bedrag per eenheid van steun in 2014.

Artikel 27

Opname van de speciale nationale reserve voor mijnenruimen

Wat Kroatië betreft, heeft iedere verwijzing naar de nationale reserve in de artikelen 25 en 26 ook betrekking op de speciale nationale reserve voor mijnenruimen als bedoeld in artikel 20.

Voorts wordt het bedrag uit de speciale nationale reserve voor mijnenruimen in mindering gebracht van de maxima van de basisbetalingsregeling als bedoeld in artikel 25, lid 1, de leden 5 en 6, van dat artikel en in artikel 26.

Artikel 28

Uitzonderlijke winst

Voor de toepassing van artikel 25, leden 4 tot en met 7, en artikel 26, kan een lidstaat op basis van objectieve criteria bepalen dat, in geval van verkoop, afstaan of verstrijken van de huur van landbouwareaal of een gedeelte daarvan na de uit hoofde van artikel 35 of artikel 124, lid 2, van Verordening (EG) nr. 73/2009 vastgestelde datum en vóór de uit hoofde van artikel 33, lid 1 van deze verordening vastgestelde datum, de toename van de waarde van de betalingsrechten die aan de betrokken landbouwer zouden worden toegewezen, moet vervallen aan de nationale reserve of de regionale reserves indien de toename voor de landbouwer in kwestie een uitzonderlijke winst zou opleveren.

Deze objectieve criteria worden op zodanige wijze vastgesteld dat de gelijke behandeling van de landbouwers wordt gewaarborgd en markt- en concurrentieverstoringen worden vermeden, en omvatten ten minste:

a)

de minimumtermijn voor de huur; en

b)

het aandeel in de ontvangen betaling dat aan de nationale reserve of de regionale reserves vervalt.

Artikel 29

Kennisgevingen inzake de waarde van betalingsrechten en convergentie

De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 1 augustus 2014 in kennis vande in de artikelen 25, 26 en 28 bedoelde besluiten.

Afdeling 2

Nationale reserve en regionale reserves

Artikel 30

Vorming en gebruik van de nationale reserve of regionale reserves

1.   Elke lidstaat vormt een nationale reserve. Om die te vormen, gaan de lidstaten in het eerste jaar van uitvoering van de basisbetalingsregeling over tot een lineaire procentuele verlaging van het maximum van de basisbetalingsregeling op nationaal niveau.

2.   In afwijking van lid 1 kunnen lidstaten die opteren voor de mogelijkheid in artikel 23, lid 1, regionale reserves vormen. Om die regionale reserves te vormen, gaan de lidstaten in het eerste jaar van uitvoering van de basisbetalingsregeling over tot een lineaire procentuele verlaging van het toepaselijke maximum van de basisbetalingsregeling op regionaal niveau als bedoeld in artikel 23, lid 2, eerste alinea.

3.   De in de leden 1 en 2 bedoelde verlaging bedraagt niet meer dan 3 %, tenzij een hoger percentage nodig is om in de bij lid 6 en lid 7, onder a) en b), vastgestelde toewijzingsbehoeften te voorzien voor 2015 of, voor de lidstaten die artikel 36 toepassen, voor het eerste jaar van toepassing vande basisbetalingsregeling.

4.   De lidstaten wijzen betalingsrechten toe uit hun nationale of regionale reserves op basis van objectieve criteria en op zodanige wijze dat de gelijke behandeling van de landbouwers wordt gewaarborgd en markt- en concurrentieverstoringen worden vermeden.

5.   De in lid 4 bedoelde betalingsrechten worden alleen toegewezen aan landbouwers die overeenkomstig artikel 9 recht hebben op de toekenning van rechtstreekse betalingen.

6.   De lidstaten gebruiken hun nationale of hun regionale reserves om bij voorrang betalingsrechten toe te wijzen aan jonge landbouwers en aan landbouwers die met hun landbouwactiviteit beginnen.

7.   De lidstaten kunnen hun nationale of regionale reserves gebruiken om:

a)

betalingsrechten toe te wijzen aan landbouwers om te voorkomen dat de grond wordt verlaten, onder meer in gebieden waar aan een vorm van overheidssteun gekoppelde herstructurerings- of ontwikkelingsprogramma's lopen;

b)

betalingsrechten toe te wijzen aan landbouwers om hen te vergoeden voor specifieke nadelen;

c)

betalingsrechten toe te wijzen aan landbouwers aan wie geen betalingsrechten konden worden toegewezen krachtens dit hoofdstuk ten gevolge van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden;

d)

betalingsrechten toe te wijzen indien zij artikel 21, lid 3, van deze verordening toepassen, aan landbouwers van wie het aantal subsidiabele hectaren dat in 2015 overeenkomstig artikel 72, lid 1, eerste alinea, onder a), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 wordt aangegeven en waarover zij beschikken op een door de lidstaat vastgestelde datum met als uiterste termijn de in die lidstaat vastgestelde datum voor wijziging van de steunaanvraag, meer bedraagt dan het aantal in eigendom of gehuurde betalingsrechten als vastgesteld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1782/2003 en Verordening (EG) nr. 73/2009 waarover zij beschikken op de overeenkomstig artikel 78, eerste alinea, onder b), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 vast te stellen uiterste datum voor het indienen van een aanvraag;

e)

als de betrokken nationale of regionale reserve meer dan 0,5 % van het jaarlijkse nationale of regionale maximum voor de basisbetalingsregeling bedraagt, de waarde van alle betalingsrechten in het kader van de basisbetalingsregeling op nationaal of regionaal niveau op permanente basis lineair te verhogen, mits voldoende bedragen beschikbaar blijven voor toewijzingen op grond van lid 6, onder a) en b), en van lid 9 van dit artikel;

f)

de jaarlijkse behoeften voor toe te wijzen betalingen te dekken overeenkomstig artikel 51, lid 2, en artikel 65, leden 1, 2 en 3, van deze verordening.

Voor de toepassing van dit lid stellen de lidstaten zelf prioriteiten vast voor de hierin vermelde verschillende vormen van gebruik.

8.   Bij de toepassing van lid 6 en lid 7, onder a), b) en d), stellen de lidstaten de waarde van de aan landbouwers toegewezen betalingsrechten vast op de nationale of regionale gemiddelde waarde van de betalingsrechten in het jaar van toewijzing.

De nationale of regionale gemiddelde waarde wordt berekend door het overeenkomstig, respectievelijk, artikel 22, lid 1, of artikel 23, lid 2, vastgestelde nationale of regionale maximum voor de basisbetalingsregeling voor het jaar van toewijzing, met uitzondering van het bedrag van de nationale reserve of regionale reserves, en, in geval van Kroatië, de speciale reserve voor mijnenruimen, te delen door het aantal toegewezen betalingsrechten.

De lidstaten stellen de stappen vast voor de jaarlijkse geleidelijke wijziging van de waarde van de uit de nationale reserve of regionale reserves toegewezen betalingsrechten, met inachtneming van de wijzigingen van de nationale of regionale maxima voor de basisbetalingsregeling vastgesteld overeenkomstig, respectievelijk, artikel 22, lid 1, en artikel 23, lid 2, die voortvloeien uit de variaties in het niveau van de in bijlage II vermelde nationale maxima.

9.   Een landbouwer die op grond van een definitieve gerechtelijke uitspraak of een definitief bestuursrechtelijk besluit van de bevoegde autoriteit van een lidstaat recht heeft op de toewijzing van betalingsrechten of op een verhoging van de waarde van de reeds bestaande betalingsrechten, ontvangt het aantal betalingsrechten en de waarde daarvan die in die uitspraak of dat besluit zijn vastgesteld, op een door de lidstaat te bepalen datum. Die datum mag evenwel niet later zijn dan de uiterste datum voor de indiening van een aanvraag in het kader van de basisbetalingsregeling na de datum van de gerechtelijke uitspraak of het bestuursrechtelijke besluit, waarbij rekening wordt gehouden met de toepassing van de artikelen 32 en 33.

10.   Bij de toepassing van lid 6, lid 7, onder a) en b), en lid 9 kunnen de lidstaten nieuwe betalingsrechten toewijzen of de waarde per eenheid van alle bestaande betalingsrechten van een landbouwer, verhogen tot de waarde van het nationale of regionale gemiddelde.

11.   Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

a)   "jonge landbouwers": landbouwers in de zin van artikel 50, lid 2, en, in voorkomend geval, artikel 50, lid 3 en lid 11;

b)   "landbouwers die met hun landbouwactiviteit beginnen": een natuurlijk of rechtspersoon die in de vijf jaar voorafgaand aan het opstarten van de landbouwactiviteiten geen landbouwactiviteit heeft verricht in eigen naam en voor eigen risico en evenmin de controle heeft gehad over een rechtspersoon die een landbouwactiviteit uitoefende. In het geval van een rechtspersoon mag (mogen) de natuurlijke persoon (personen) die de controle over de rechtspersoon heeft (hebben), in de vijf jaar voorafgaand aan het opstarten van de landbouwactiviteit door de rechtspersoon geen landbouwactiviteit hebben verricht in eigen naam en voor eigen risico en evenmin de controle hebben gehad over een rechtspersoon die de landbouwactiviteit uitoefende; voor deze categorie van landbouwers kunnen de lidstaten hun eigen aanvullende objectieve en niet-discriminerende subsidiabiliteitscriteria vaststellen inzake passende vaardigheden, ervaring en opleiding.

Artikel 31

Aanvulling van de nationale reserve of de regionale reserves

1.   De nationale reserve of de regionale reserves worden aangevuld met de bedragen:

a)

van betalingsrechten die gedurende twee opeenvolgende jaren geen recht op betalingen geven in verband met de toepassing van:

i)

artikel 9;

ii)

artikel 10, lid 1; of

iii)

artikel 11, lid 4, van deze verordening.

b)

van een aantal betalingsrechten dat gelijk is aan het totale aantal betalingsrechten die gedurende twee opeenvolgende jaren niet overeenkomstig artikel 32 van deze verordening door landbouwers is geactiveerd, tenzij de activatie daarvan is verhinderd door overmacht of uitzonderlijke omstandigheden. Voor het vaststellen van de in eigendom of gehuurde betalingsrechten van een landbouwer die zullen vervallen aan de nationale reserve of regionale reserves, krijgen de rechten met de laagste waarde prioriteit;

c)

van betalingsrechten die landbouwers vrijwillig hebben teruggegeven;

d)

die voortvloeien uit de toepassing van artikel 28 van deze verordening;

e)

van ten onrechte toegewezen betalingsrechten overeenkomstig artikel 63 van Verordening (EU) nr. 1306/2013;

f)

die voortvloeien uit een lineaire verlaging van de waarde van de betalingsrechten in het kader van de basisbetalingsregeling op nationaal of regionaal niveau, indien de nationale reserve of regionale reserves niet voldoende zijn om de in artikel 30, lid 9, van deze verordening bedoelde gevallen te dekken;

g)

van een lineaire verlaging van de waarde van de betalingsrechten in het kader van de basisbetalingsregeling op nationaal of regionaal niveau om de in artikel 30, lid 6, van deze verordening bedoelde gevallen te dekken, wanneer de lidstaten dit nodig achten;

h)

die voortvloeien uit de toepassing van artikel 34, lid 4, van deze verordening.

2.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast waarin de nodige maatregelen worden vastgelegd voor de toevoeging van niet-geactiveerde betalingsrechten aan de nationale reserve of regionale reserves. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 71, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Afdeling 3

Uitvoering van de basisbetalingsregeling

Artikel 32

Activering van betalingsrechten

1.   De steun in het kader van de basisbetalingsregeling wordt aan landbouwers verleend na activering, door middel van een aangifte overeenkomstig artikel 33, lid 1, van een betalingsrecht per subsidiabele hectare in de lidstaat waar het is toegewezen. Elk geactiveerd betalingsrecht geeft recht op de jaarlijkse betaling van het in het kader van dat betalingsrecht vastgestelde bedrag, zulks onverminderd de toepassing van de financiële discipline, de verlaging van betalingen overeenkomstig artikel 11 en van de lineaire verlagingen overeenkomstig artikel 7, artikel 51, lid 2, en artikel 65, lid 2, onder c), van deze verordening, alsmede de toepassing van artikel 63 van Verordening (EU) nr. 1306/2013.

2.   In deze titel wordt onder "subsidiabele hectare" verstaan:

a)

ieder landbouwareaal van het bedrijf, met inbegrip van areaal dat op 30 juni 2003 niet in goede landbouwconditie verkeerde in de lidstaten die op 1 mei 2004 tot de Unie zijn toegetreden en bij die toetreding ervoor hebben gekozen de regeling inzake een enkele areaalbetaling toe te passen, dat wordt gebruikt voor een landbouwactiviteit of dat, indien het areaal ook voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt, overwegend voor landbouwactiviteiten wordt gebruikt; of

b)

alle grond die in 2008 recht gaf op betalingen in het kader van de bedrijfsbetalingsregeling of de regeling inzake een enkele areaalbetaling die waren ingesteld bij respectievelijk titel III en titel IV bis van Verordening (EG) nr. 1782/2003 en die:

i)

niet meer voldoet aan de definitie van "subsidiabele hectare" onder a) als gevolg van de uitvoering van Richtlijn 92/43/EEG, Richtlijn 2000/60/EG en Richtlijn 2009/147/EG,

ii)

voor de looptijd van de betrokken verbintenis van de individuele landbouwer is bebost uit hoofde van artikel 31 van Verordening (EG) nr. 1257/1999, artikel 43 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 of van artikel 22 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 of een nationale regeling waarvan de voorwaarden stroken met artikel 43, leden 1, 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 of artikel 22 van Verordening (EU) nr. 1305/2013, of

iii)

voor de looptijd van de betrokken verbintenis van de individuele landbouwer is braak gelegd uit hoofde van de artikelen 22, 23 en 24 van Verordening (EG) nr. 1257/1999 of artikel 39 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 of artikel 28 van Verordening (EU) nr. 1305/2013.

3.   Voor de toepassing van lid 2, onder a):

a)

wordt een landbouwareaal van een bedrijf dat ook voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt, aangemerkt als een overwegend voor landbouwactiviteiten gebruikt areaal mits de uitoefening van de landbouwactiviteiten geen noemenswaardige hinder ondervindt van de intensiteit, de aard, de duur en de planning van de niet-landbouwactiviteiten;

b)

kunnen de lidstaten een lijst opstellen van areaal dat overwegend voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt.

De lidstaten stellen de criteria vast voor de toepassing van dit lid op hun grondgebied.

4.   Arealen worden enkel als subsidiable hectaren beschouwd indien zij gedurende het gehele kalenderjaar voldoen aan de definitie van subsidiabele hectare, tenzij er sprake is van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden.

5.   Voor de bepaling van "subsidiabele hectare" kunnen lidstaten die het besluit, als bedoeld in artikel 4, lid 2, tweede alinea, hebben genomen een verminderingscoëfficiënt toepassen om de betrokken hectaren in "subsidiabele hectaren" om te zetten.

6.   Voor de productie van hennep gebruikte arealen vormen slechts subsidiabele hectaren indien het gehalte aan tetrahydrocannabinol van de gebruikte rassen maximaal 0,2 % bedraagt.

Artikel 33

Aangifte van subsidiabele hectaren

1.   Met het oog op de activering van de betalingsrechten als bedoeld in artikel 32, lid 1, geeft de landbouwer aan welke percelen overeenstemmen met de aan een betalingsrecht gebonden subsidiabele hectaren. Deze aangegeven percelen staan ter beschikking van de landbouwer op een door de lidstaat vastgestelde datum, die echter niet valt na de in die lidstaat vastgestelde datum voor wijziging van de steunaanvraag als bedoeld in de artikel 72, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1306/2013, tenzij er sprake is van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden.

2.   De lidstaten kunnen, in naar behoren gemotiveerde gevallen, de landbouwer toestaan zijn aangifte te wijzigen, mits hij ten minste het aantal hectaren dat overeenstemt met zijn betalingsrechten, handhaaft en de voorwaarden in acht neemt die verbonden zijn aan de toekenning van de betaling in het kader van de basisbetalingsregeling voor het betrokken areaal.

Artikel 34

Overdracht van betalingsrechten

1.   Betalingsrechten kunnen uitsluitend worden overgedragen aan een landbouwer die overeenkomstig artikel 9 het recht heeft op toekenning van rechtstreekse betalingen en in dezelfde lidstaat is gevestigd, behalve in het geval van overdracht door feitelijke of verwachte vererving.

De betalingsrechten kunnen, zelfs in het geval van overdracht door feitelijke of verwachte vererving, evenwel uitsluitend worden geactiveerd in de lidstaat waar zij zijn toegewezen.

2.   Indien de lidstaten ervoor opteren voor de toepassing van artikel 23, lid 1, kunnen betalingsrechten alleen binnen dezelfde regio worden overgedragen of geactiveerd.

De betalingsrechten kunnen, ook in het geval van overdracht door feitelijke of verwachte vererving, evenwel uitsluitend worden geactiveerd in de regio waar zij zijn toegewezen.

3.   De lidstaten die niet opteren voor de toepassing van artikel 23, lid 1, kunnen besluiten dat betalingsrechten uitsluitend binnen dezelfde regio kunnen worden overgedragen of geactiveerd, behalve in het geval van feitelijke of verwachte vererving.

Deze regio's worden gedefinieerd op het passende territoriale niveau op basis van objectieve criteria en op zodanige wijze dat de gelijke behandeling van de landbouwers wordt gewaarborgd en markt- en concurrentieverstoringen worden voorkomen.

4.   Indien betalingsrechten worden overgedragen zonder grond kunnen de lidstaten, met inachtneming van de algemene beginselen van het recht van de Unie, besluiten dat een deel van de overgedragen betalingsrechten vervalt aan de nationale reserve of regionale reserves of dat de waarde per eenheid wordt verminderd ten gunste van de nationale reserve of regionale reserves. Die vermindering kan worden toegepast op een of meer vormen van overdracht.

5.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast waarin de wijze waarop landbouwers aan de nationale instanties een overdracht van betalingsrechten moeten melden en de uiterste data waarop deze meldingen moeten plaatsvinden, worden vastgelegd. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 71, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 35

Gedelegeerde bevoegdheden

1.   Teneinde rechtszekerheid te garanderen en duidelijkheid te verschaffen over de concrete situaties die zich bij de toepassing van de basisbetalingsregeling kunnen voordoen, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 70 gedelegeerde handelingen vast te stellen inzake:

a)

voorschriften betreffende het recht van landbouwers op steun in het kader van de basisbetalingsregeling en toegang tot deze regeling bij vererving en verwachte vererving, vererving in het kader van een huurcontract, wijziging van de juridische status of benaming, overdracht van betalingsrechten, een fusie of splitsing van het bedrijf en bij toepassing van de contractclausule als bedoeld in artikel 24, lid 8;

b)

voorschriften betreffende de berekening van het aantal en de waarde en van de verhoging of verlaging van de waarde van betalingsrechten bij de toewijzing van betalingsrechten in het kader van enigerlei bepaling van deze titel, waaronder bepalingen met betrekking tot:

i)

de mogelijkheid van een voorlopig aantal en een voorlopige waarde of van een voorlopige verhoging van betalingsrechten die worden toegewezen op basis van de aanvraag van de landbouwer,

ii)

de voorwaarden voor de vaststelling van het voorlopige en het definitieve aantal en de voorlopige en de definitieve waarde van de betalingsrechten,

iii)

de gevallen waarin een verkoopcontract of verhuurcontract van invloed kan zijn op de toewijzing van betalingsrechten;

c)

voorschriften betreffende de vaststelling en berekening van het aantal en de waarde van betalingsrechten die uit de nationale reserve of de regionale reserves worden ontvangen;

d)

de wijziging van de waarde per eenheid van betalingsrechten indien het gaat om delen van betalingsrechten en om de overdracht van betalingsrechten als bedoeld in artikel 34, lid 4;

e)

de criteria voor het toepassen van de opties in artikel 24, lid 1, derde alinea, onder a), b) en c);

f)

de criteria voor het toepassen van beperkingen op het aantal toe te wijzen betalingsrechten overeenkomstig artikel 24, lid 4 tot en met 7;

g)

de criteria voor de toewijzing van betalingsrechten uit hoofde van artikel 30, leden 6 en 7;

h)

de criteria voor het vaststellen van de in artikel 32, lid 5, bedoelde verminderingscoëfficiënt.

2.   Teneinde te zorgen voor een goed beheer van de betalingsrechten is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 70 gedelegeerde handelingen vast te stellen waarin de voorschriften inzake de inhoud van de aangifte en de vereisten voor de activering van betalingsrechten worden vastgelegd.

3.   Teneinde de bescherming van de volksgezondheid te garanderen, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 70 gedelegeerde handelingen vast te stellen waarin de voorschriften inzake de toekenning van betalingen afhankelijk worden gesteld van het gebruik van gecertificeerd zaad van bepaalde henneprassen en waarbij wordt voorzien in de procedure voor de vaststelling van henneprassen en voor de verificatie van het in artikel 32, lid 6, genoemde tetrahydrocannabinolgehalte ervan.

Afdeling 4

Regeling inzake een enkele areaalbetaling

Artikel 36

Regeling inzake een enkele areaalbetaling

1.   De lidstaten die in 2014 de regeling inzake een enkele areaalbetaling als bedoeld in titel V, hoofdstuk 2, van Verordening (EG) nr. 73/2009 toepassen, kunnen besluiten deze regeling tot uiterlijk 31 december 2020 te blijven toepassen onder de voorwaarden van deze verordening. Zij stellen de Commissie uiterlijk op 1 augustus 2014 in kennis van hun besluit en van de datum waarop de toepassing van deze regeling wordt beëindigd.

Gedurende de periode waarin de regeling inzake een enkele areaalbetaling wordt toegepast, zijn de afdelingen 1, 2 en 3 van dit hoofdstuk niet van toepassing op deze lidstaten, met uitzondering van artikel 23, lid 1, tweede alinea, artikel 23, lid 6, en artikel 32, leden 2 tot en met 6.

2.   De enkele areaalbetaling wordt op jaarbasis toegekend voor elke subsidiabele hectare die overeenkomstig artikel 72, lid 1, eerste alinea, onder a), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 door de landbouwer is aangegeven. Zij wordt elk jaar berekend door het overeenkomstig lid 4 van dit artikel vastgestelde jaarlijkse totaalbedrag te delen door het totale aantal subsidiabele hectaren dat in de betrokken lidstaat overeenkomstig artikel 72, lid 1, eerste alinea, onder a), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 is aangegeven.

3.   In afwijking van lid 2 van dit artikel kunnen lidstaten die besluiten om artikel 38 van deze verordening uiterlijk vanaf 1 januari 2018 toe te passen, gedurende de periode waarin zij dit artikel toepassen tot 20 % van het in lid 2 van dit artikel bedoelde jaarlijkse totaalbedrag gebruiken om de enkele areaalbetaling per hectare te differentiëren.

Zij houden daarom rekening met de steun die voor het kalenderjaar 2014 in het kader van een of meer van de regelingen overeenkomstig artikel 68, lid 1, onder a), b) en c), en de artikelen 126, 127, 129 van Verordening (EG) nr. 73/2009 is toegekend.

Cyprus kan de steun differentiërendoor rekening te houden met de sectorspecifieke totaalbedragen als vermeldin bijlage XVII bis bij Verordening (EG) nr. 73/2009, verminderd met alle overeenkomstig artikel 37 van deze verordening aan deze sector toegekende steun.

4.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast waarin voor elke lidstaat het jaarlijkse nationale maximum voor de regeling inzake een enkele areaalbetaling wordt vastgelegd door de maxima vastgelegd overeenkomstig de artikelen 42, 47, 49, 51 en 53, in mindering te brengen op het in bijlage II vermelde jaarlijkse nationale maximum. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 71, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

5.   Tenzij er sprake is van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden, staan de in lid 2 bedoelde hectaren ter beschikking van de landbouwer op een door de lidstaat vastgestelde datum, met als uiterste termijn de in die lidstaat vastgestelde datum voor wijziging van de steunaanvraag als bedoeld in de artikel 72, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1306/2013.

6.   De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 70 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende voorschriften inzake het recht van landbouwers op steun in het kader van de regeling inzake een enkele areaalbetaling en hun toegang tot deze regeling.

Artikel 37

Nationale overgangssteun

1.   Lidstaten die de regeling inzake een enkele areaalbetaling overeenkomstig artikel 36 toepassen, kunnen besluiten om in de periode 2015-2020 nationale overgangssteun toe te kennen.

2.   De nationale overgangssteun kan worden toegekend aan landbouwers in sectoren die deze steun of, in het geval van Bulgarije en Roemenië, aanvullende nationale rechtstreekse betalingen, in 2013 hebben ontvangen.

3.   De voorwaarden voor de toekenning van de nationale overgangssteun zijn identiek aan die welke zijn toegestaan voor de toekenning van betalingen overeenkomstig artikel 132, lid 7, of artikel 133 bis van Verordening (EG) nr. 73/2009 met betrekking tot 2013, met uitzondering van de verlaging van de betalingen als gevolg van de toepassing van artikel 132, lid 2 in samenhang met de artikelen 7 en 10 van die verordening.

4.   Het totaalbedrag van de nationale overgangssteun dat voor elke in lid 2 bedoelde sector aan landbouwers kan worden toegekend, wordt beperkt tot het onderstaande percentage van de sectorspecifieke financiële middelen toegestaan door de Commissie overeenkomstig artikel 132, lid 7, of artikel 133 bis, lid 5, van Verordening (EG) nr. 73/2009 in 2013:

75 % in 2015,

70 % in 2016,

65 % in 2017,

60 % in 2018,

55 % in 2019,

50 % in 2020.

Voor Cyprus wordt dit percentage berekend op basis van de sectorspecifieke totaalbedragen als vermeld in bijlage XVII bis bij Verordening (EG) nr. 73/2009.

5.   De leden 2 en 3 zijn niet van toepassing op Cyprus.

6.   De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 31 maart van elk jaar in kennis van de in lid 1 bedoelde besluiten. De kennisgeving omvat de volgende informatie:

a)

de sectorspecifieke financiële middelen;

b)

in voorkomend geval het maximumpercentage voor de nationale overgangssteun.

7.   De lidstaten kunnen, op basis van objectieve criteria en binnen de in lid 4 vastgestelde beperkingen, een besluit nemen over de toe te kennen bedragen aan nationale overgangssteun.

Afdeling 5

Toepassing van de basisbetalingsregeling in de lidstaten die de regeling inzake een enkele areaalbetaling hebben toegepast

Artikel 38

Invoering van de basisbetalingsregeling in de lidstaten die de regeling inzake een enkele areaalbetaling hebben toegepast

Tenzij in deze afdeling anders is bepaald, is deze titel van toepassing op de lidstaten die de in afdeling 4 van dit hoofdstuk bedoelde regeling inzake een enkele areaalbetaling hebben toegepast.

De artikelen 24 tot en met 29 zijn niet van toepassing op die lidstaten.

Artikel 39

Eerste toewijzing van betalingsrechten

1.   Betalingsrechten worden toegewezen aan landbouwers die overeenkomstig artikel 9 van deze verordening recht hebben op de toekenning van rechtstreekse betalingen, op voorwaarde dat:

a)

zij uiterlijk op een overeenkomstig artikel 78, eerste alinea, onder b), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 vastgestelde uiterste datum voor het indienen van een aanvraag in het eerste jaar van uitvoering van de basisbetalingsregeling een aanvraag tot toewijzing van betalingsrechten in het kader van de basisbetalingsregeling indienen, tenzij er sprake is van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden; en

b)

zij, voordat een verlaging of uitsluiting overeenkomstig titel II, hoofdstuk 4, van Verordening (EG) nr. 73/2009 wordt toegepast, voor 2013 recht hadden op betalingen naar aanleiding van een steunaanvraag voor rechtstreekse betalingen, voor nationale overgangssteun, voor aanvullende nationale rechtstreekse betalingen, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 73/2009.

De lidstaten kunnen betalingsrechten toewijzen aan landbouwers die recht hebben op rechstreekse betalingen overeenkomstig artikel 9 van deze verordening, die voldoen aan de voorwaarden in de eerste alinea, onder a), die voor 2013 geen betalingen naar aanleiding van een steunaanvraag als bedoeld in de eerste alinea, onder b), van dit lid hebben ontvangen en die, uiterlijk op de door de betrokken lidstaat overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1122/2009 vastgestelde datum voor het aanvraagjaar 2013, enkel over landbouwgrond beschikten die op 30 juni 2003 niet in goede landbouwconditie verkeerde als bedoeld in artikel 124, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009.

2.   Tenzij in geval van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden is het aantal toegewezen betalingsrechten per landbouwer in het eerste jaar van toepassing van de basisbetalingsregeling gelijk aan het aantal subsidiabele hectaren dat de betrokken landbouwer overeenkomstig artikel 72, lid 1, eerste alinea, onder a) van Verordening (EU) nr. 1306/2013 in zijn steunaanvraag aangeeft voor het eerste jaar van uitvoering van de basisbetalingsregeling en waarover hij beschikt op een door de lidstaat vastgestelde datum. Die datum valt niet later dan de door de lidstaat vastgestelde datumvoor wijziging van de steunaanvraag.

3.   De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 70 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter bepaling van nadere voorschriften inzake de invoering van de basisbetalingsregeling in de lidstaten die de regeling inzake een enkele areaalbetaling hebben toegepast.

4.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast waarin voorschriften worden vastgelegd voor aanvragen tot toewijzing van betalingsrechten die in het jaar van toewijzing van betalingsrechten worden ingediend, in gevallen waarin deze betalingsrechten nog niet definitief zijn vastgesteld en in gevallen waarin de toewijzing door bijzondere omstandigheden wordt beïnvloed.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 71, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 40

Waarde van betalingsrechten

1.   In het eerste jaar van uitvoering van de basisbetalingsregeling berekenen de lidstaten de waarde per eenheid van de betalingsrechten door een vast percentage van het in bijlage II vermelde nationale maximum voor elk betrokken jaar te delen door het aantal betalingsrechten in het eerste jaar van toepassing van de basisbetalingsregeling, met uitzondering van de uit de nationale reserve of regionale reserves toegewezen betalingsrechten.

Het in de eerste alinea bedoelde vaste percentage wordt berekend door het, respectievelijk, overeenkomstig artikel 22, lid 1 of artikel 23, lid 2 van deze verordening vast te stellen nationale of regionale maximum voor de basisbetalingsregeling voor het eerste jaar van uitvoeringvan de basisbetalingsregeling te delen, na toepassing van de lineaire verlaging als bedoeld in artikel 30, lid 1, of, in voorkomend geval, in artikel 30, lid 2, door het in bijlage II vermelde nationale maximum voor het eerste jaar van toepassing van de basisbetalingsregeling. De betalingsrechten worden uitgedrukt in een aantal dat overeenstemt met een aantal hectaren.

2.   In afwijking van de in lid 1 bedoelde berekeningsmethode kunnen de lidstaten besluiten de waarde van de betalingsrechten in het eerste jaar van uitvoering van de basisbetalingsregeling te differentiëren, met uitzondering van de uit de nationale reserve of regionale reserves toegewezen betalingsrechten, voor elk betrokken jaar op basis van de initiële waarde per eenheid.

3.   De in lid 2 bedoelde initiële waarde per eenheid van de betalingsrechten wordt vastgesteld door een vast percentage van de totale waarde van de steun die eenlandbouwer overeenkomstig deze verordening heeft ontvangen voor het kalenderjaar dat voorafgaat aan de uitvoering van de basisbetalingsregeling, vóór de toepassing van artikel 63 van Verordening (EU) nr. 1306/2013, met uitzondering van steun overeenkomstig de artikelen 41, 43, 48 en 50 en titel IV van deze verordening, te delen door het aantal betalingsrechten dat die landbouwer in het eerste jaar van uitvoering van de basisbetalingsregeling is toegewezen, met uitzondering van de uit de nationale reserve en regionale reserves toegewezen betalingsrechten.

Dit vaste percentage zal worden berekend door het overeenkomstig, respectievelijk, artikel 22, lid 1, of artikel 23, lid 2, vast te stellen nationale of regionale maximum voor de basisbetalingsregeling voor het eerste jaar van toepassing van de basisbetalingsregeling, na toepassing van de lineaire verlaging als bedoeld in artikel 30, lid 1, of, in voorkomend geval, in artikel 30, lid 2, te delen door de totale waarde van de steun voor het kalenderjaar dat onmiddellijk voorafgaat aan de uitvoeringvan de basisbetalingsregeling in de betrokken lidstaat of regio, vóór de toepassing van artikel 63 van Verordening (EU) nr. 1306/2013, met uitzondering van steun overeenkomstig de artikelen 41, 43, 48 en 50 en titel IV van deze verordening.

4.   Bij de toepassing van lid 2 brengen de lidstaten, met inachtneming van de algemene beginselen van het Unierecht, de waarden van de betalingsrechten op nationaal of regionaal niveau dichter bij elkaar. Daartoe stellen zij de nodige maatregelen en de te hanteren berekeningsmethode vast en stellen zij de Commissie daarvan in kennis uiterlijk op 1 augustus van het jaar dat voorafgaat aan de uitvoering van de basisbetalingsregeling. Deze maatregelen bestaan onder meer in een jaarlijkse geleidelijke wijziging van de in lid 3 bedoelde initiële waarde van de betalingsrechten op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria, vanaf het eerste jaar van uitvoering van de basisbetalingsregeling.

In het eerste jaar van uitoering van de basisbetalingsregeling stellen de lidstaten de landbouwers in kennis van de overeenkomstig dit artikel berekende waarde van hun betalingsrechten voor elk jaar van de door deze verordening bestreken periode.

5.   Voor de toepassing van lid 3 kan een lidstaat op basis van objectieve criteria bepalen dat, in geval van verkoop, afstaan of verstrijken van de huur van landbouwareaal of een gedeelte daarvan na de uit hoofde van artikel 36, lid 5, vastgestelde datum en vóór de uit hoofde van artikel 33, lid 1, vastgestelde datum, de toename van de waarde van de betalingsrechten die aan de desbetreffende landbouwer zouden worden toegewezen, geheel of gedeeltelijk moeten vervallen aan de nationale reserve of regionale reserves indien de toename voor de landbouwer in kwestie een uitzonderlijke winst zou opleveren.

Deze objectieve criteria worden op zodanige wijze vastgesteld dat de gelijke behandeling van de landbouwers wordt gewaarborgd en markt- en concurrentieverstoringen worden vermeden, en omvatten ten minste:

a)

de minimumtermijn voor de huur;

b)

het aandeel in de ontvangen betaling dat aan de nationale reserve of regionale reserves moet vervallen.

HOOFDSTUK 2

Herverdelingsbetaling

Artikel 41

Algemene voorschriften

1.   De lidstaten kunnen uiterlijk op 1 augustus van elk jaar besluiten om vanaf het volgende jaar een jaarlijkse betaling toe te kennen aan landbouwers die recht hebben op een betaling in het kader van de in afdelingen 1, 2, 3 en 5 van hoofdstuk 1 bedoelde basisbetalingsregeling of de in afdeling 4 van hoofdstuk 1 bedoelde regeling inzake een enkele areaalbetaling ("de herverdelingsbetaling").

De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op de in de eerste alinea vermelde datum in kennis van een dergelijk besluit.

2.   De lidstaten die hebben besloten de basisbetalingsregeling op regionaal niveau overeenkomstig artikel 23 toe te passen, kunnen de herverdelingsbetaling op regionaal niveau toepassen.

3.   Onverminderd de toepassing van de financiële discipline, de verlaging van betalingen overeenkomstig artikel 11 en van de lineaire verlagingen overeenkomstig artikel 7 van deze verordening, alsook van artikel 63 van Verordening (EU) nr. 1306/2013, wordt de herverdelingsbetaling jaarlijks toegekend na activering van de betalingsrechten door de landbouwer of, in lidstaten die artikel 36 van deze verordening toepassen, na aangifte van subsidiabele hectaren door de landbouwer.

4.   De herverdelings wordt elk jaar door de lidstaten berekend door een door de lidstaat vast te stellen getal dat niet hoger is dan 65 % van de nationale of regionale gemiddelde basisbetaling per hectare te vermenigvuldigen met het aantal geactiveerde betalingsrechten overeenkomstig artikel 33, lid 1,of met het aantal subsidiabele hectaren die de landbouwer overeenkomstig artikel 36, lid 2 heeft aangegeven. Het aantal dergelijke betalingsrechten overschrijdt het door de lidstaten vast te stellen maximum dat niet groter is dan 30 hectaren of de gemiddelde omvang van landbouwbedrijven als vermeld in bijlage VIII niet, als die gemiddelde omvang in de betrokken lidstaat groter is dan 30 hectaren.

5.   Mits de in lid 4 vastgestelde maxima in acht worden genomen, kunnen de lidstaten op nationaal niveau voorzien in een gradatie binnen het overeenkomstig dat lid vastgestelde aantal hectaren, die op dezelfde manier op alle landbouwers wordt toegepast.

6.   De lidstaten stellen de in lid 4 van dit artikel bedoelde nationale gemiddelde betaling per hectare vast op basis van het nationale maximum dat in bijlage II voor het kalenderjaar 2019 is vermeld, en het aantal subsidiabele hectaren dat in 2015 overeenkomstig artikel 33, lid 1, of artikel 36, lid 2 is aangegeven.

De lidstaten stellen de in lid 4 van dit artikel bedoelde regionale gemiddelde betaling per hectare vast op basis van een percentage van het nationale maximum dat in bijlage II voor het kalenderjaar 2019 is vastgesteld, en het aantal subsidiabele hectaren dat in 2015 overeenkomstig artikel 33, lid 1, in de betrokken regio is aangegeven. Dit percentage wordt voor elke regio berekend door het desbetreffende regionale maximum als vastgesteld overeenkomstig artikel 23, lid 2, te delen door het nationale maximum dat overeenkomstig artikel 22, lid 1, is bepaald, na toepassing van de in artikel 30, lid 1, bedoelde lineaire verlaging indien artikel 30, lid 2, niet wordt toegepast.

7.   De lidstaten zorgen ervoor dat geen voordelen uit hoofde van dit hoofdstuk worden toegekend aan landbouwers ten aanzien van van wie vaststaat dat zij na 18 oktober 2011 hun bedrijf hebben opgesplitst met als enig doel in aanmerking te komen voor de herverdelingsbetaling. Dit geldt ook voor landbouwers wier bedrijf uit die opsplitsing is ontstaan.

8.   In het geval van een rechtspersoon of een groep van natuurlijke of rechtspersonen kunnen de lidstaten het in lid 4 bedoelde maximumaantal betalingsrechten of hectaren toepassen op het niveau van de leden van deze rechtspersonen of groepen, indien het nationale recht bepaalt dat de individuele leden rechten en verplichtingen hebben die vergelijkbaar zijn met die van individuele landbouwers die de status van bedrijfshoofd hebben, met name wat hun economische, sociale en belastingsstatus betreft, mits zij hebben bijgedragen tot de versterking van de landbouwstructuren van de betrokken rechtspersonen of groepen.

Artikel 42

Financiële bepalingen

1.   De lidstaten kunnen uiterlijk op de in artikel 41, lid 1, vermelde datum besluiten 30 % van het in bijlage II vermelde jaarlijkse nationale maximum te gebruiken voor de financiering van de herverdelingsbetaling. Zij stellen de Commissie uiterlijk op die datum in kennis van dergelijke besluiten.

2.   De Commissie stelt jaarlijks uitvoeringshandelingen vast waarin op basis van het percentage van het nationale maximum dat de lidstaten uit hoofde van lid 1 van dit artikel willen gebruiken, de overeenkomstige maxima voor deze herverdelingsbetaling worden vastgelegd. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 71, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

HOOFDSTUK 3

Betaling voor klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken

Artikel 43

Algemene voorschriften

1.   Landbouwers die recht hebben op een betaling in het kader van de basisbetalingsregeling of de regeling inzake een enkele areaalbetaling nemen op al hun subsidiabele hectaren in de zin van artikel 32, leden 2 tot en met lid 5,de in lid 2 van dit artikel bedoelde klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken of de in lid 3 van dit artikel bedoelde gelijkwaardige praktijken in acht.

2.   De in lid 1 bedoelde klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken houden de volgende in:

a)

gewasdiversificatie;

b)

het in stand houden van bestaand blijvend grasland; en

c)

de aanwezigheid van een ecologisch aandachtsgebied op hun landbouwareaal.

3.   De gelijkwaardige praktijken zijn onder meer soortgelijke praktijken die vergeleken met een of meer van de in lid 2 bedoelde praktijken een gelijkwaardig of hoger voordeel voor het klimaat en het milieu opleveren. Die gelijkwaardige praktijken en de in lid 2 bedoelde praktijk(en) waaraan zij gelijkwaardig zijn, zijn opgenomen in bijlage IX en vallen onder de volgende:

a)

verbintenissen die zijn aangegaan overeenkomstig artikel 39, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 of artikel 28, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1305/2013;

b)

nationale of regionale milieucertificeringsregelingen, zoals die voor de certificering van naleving van nationale milieuwetgeving, die verder gaan dan de krachtens titel VI, hoofdstuk I, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 vastgestelde relevante dwingende normen en die ten doel hebben de streefdoelen inzake bodem- en waterkwaliteit, biodiversiteit, landschapsbescherming en beperkingvan en aanpassingaan de klimaatverandering te halen. Deze certificeringsregelingen kunnen de in bijlage IX bij deze verordening opgenomen praktijken, de in lid 2 van dit artikel bedoelde praktijken, of een combinatie van die praktijken omvatten.

4.   De in lid 3 bedoelde gelijkwaardige praktijken komen niet in aanmerking voor dubbele financiering.

5.   De lidstaten kunnen in voorkomend geval onder meer op regionaal niveau, besluiten beperkingen op te leggen inzake de keuze van landbouwers om de in lid 3 bedoelde opties te benutten.

6.   De lidstaten kunnen, in voorkomend geval onder meer op regionaal niveau, besluiten dat landbouwers al hun relevante verplichtingen krachtens lid 1 moeten nakomen overeenkomstig de in lid 3, onder b), bedoelde nationale of regionale milieucertificeringsregelingen.

7.   Afhankelijk van de in de leden 5 en 6 bedoelde besluiten van de lidstaten kan een landbouwer een of meer van de in lid 3, onder a), bedoelde praktijken enkel naleven indien deze de in lid 2 bedoelde ermee verband houdende praktijk(en) volledig vervangen. Een landbouwer kan enkel gebruik maken van de in lid 3, onder b), bedoelde certificeringsregelingen indien deze betrekking hebben op de volledige verplichting als bedoeld in lid 1.

8.   De lidstaten stellen de Commissie in kennis van hun besluiten als bedoeld in de leden 5 en 6 en van de specifieke verbintenissen of certificeringsregelingen die zij zullen toepassen als gelijkwaardige praktijken in de zin van lid 3.

De Commissie beoordeelt of de praktijken die deel uitmaken van de specifieke verbintenissen of certificeringsregelingen voorkomen op de lijst in bijlage IX; indien dit niet het geval is, stelt zij de lidstaat daarvan in kennis door middel van een uitvoeringshandeling zonder de procedure bedoeld in artikel 71, lid 2 of lid 3, toe te passen. Indien de Commissie een lidstaat ervan in kennis stelt dat de praktijken niet voorkomen op de lijst in bijlage IX, erkent deze lidstaat de specifieke verbintenissen of certificeringsregelingen waarop de kennisgeving van de Commissie betrekking heeft, niet als gelijkwaardige praktijken in de zin van lid 3 van dit artikel.

9.   Onverminderd de leden 10 en 11 van dit artikel en onverminderd de toepassing van de financiële discipline, van de lineaire verlagingen overeenkomstig artikel 7 van deze verordening en van artikel 63 van Verordening (EU) nr. 1306/2013, kennen de lidstaten de in dit hoofdstuk bedoelde betaling toe aan landbouwers die van de in lid 1 genoemde praktijken de voor hen relevante praktijken in acht nemen, en in de mate dat die landbouwers voldoen aan de artikelen 44, 45 en 46 van deze verordening.

Deze betaling wordt toegekend in de vorm van een jaarlijkse betaling per subsidiabele hectare die overeenkomstig artikel 33, lid 1, of artikel 36, lid 2, is aangegeven, en wordt jaarlijks berekend door het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van artikel 47 te delen door het totale aantal subsidiabele hectaren dat overeenkomstig artikel 33, lid 1, of artikel 36, lid 2, in de betrokken lidstaat of regio is aangegeven.

In afwijking van de tweede alinea kunnen de lidstaten die hebben besloten artikel 25, lid 2, toe te passen, besluiten de in dat lid bedoelde betaling toe te kennen als een percentage van de totale waarde van de betalingsrechten die de landbouwer overeenkomstig artikel 33, lid 1, voor elk betrokken jaar heeft geactiveerd.

Voor ieder jaar en iedere lidstaat of regio wordt dat percentage berekend door het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van artikel 47 te delen door de totale waarde van alle betalingsrechten die overeenkomstig artikel 33, lid 1, in de lidstaat of regio zijn geactiveerd.

10.   Landbouwers wier bedrijf geheel of gedeeltelijk gelegen is in een gebied dat onder Richtlijn 92/43/EEG, Richtlijn 2000/60/EG of Richtlijn 2009/147/EG valt, hebben recht op de in dit hoofdstuk bedoelde betaling, mits zij de daarin bedoelde praktijken in acht nemen voor zover deze praktijken in het betrokken bedrijf verenigbaar zijn met de doelstellingen van die richtlijnen.

11.   Landbouwers die aan de eisen van artikel 29, lid 1, van Verordening (EG) nr. 834/2007 inzake biologische landbouw voldoen, hebben automatisch recht op de in dit hoofdstuk bedoelde betaling.

De eerste alinea is alleen van toepassing op de eenheden van een bedrijf die overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EG) nr. 834/2007 worden gebruikt voor biologische productie.

12.   De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 70 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:

a)

de toevoeging van gelijkwaardige praktijken aan de lijst in bijlage IX;

b)

de vaststelling van passende eisen die gelden voor de in lid 3, onder b), bedoelde nationale of regionale certificeringsregelingen, ook wat betreft het niveau van zekerheid dat die regelingen moeten bieden;

c)

de vaststelling van nadere bepalingen voor de berekening van het in artikel 28, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde bedrag voor de praktijken als bedoeld in afdeling 1, punten 3 en 4, en afdeling III, punt 7, van bijlage IX bij deze verordening en alle andere overeenkomstig punt a) aan die bijlage toegevoegde gelijkwaardige praktijken waarvoor een specifieke berekening nodig is teneinde dubbele financiering te voorkomen.

13.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast waarin voorschriften worden vastgelegd voor de procedure voor de in lid 8 bedoelde kennisgevingen, met inbegrip van de termijnen voor de indiening ervan, en de beoordeling door de Commissie. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 71, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 44

Gewasdiversificatie

1.   Indien het bouwland van de landbouwer tussen 10 en 30 hectaren omvat en een aanzienlijk deel van het jaar of een aanzienlijk deel van de gewascyclus niet volledig wordt beteeld met gewassen die onder water staan, worden op dat bouwland ten minste twee verschillende gewassen geteeld. Het hoofdgewas bestrijkt niet meer dan 75 % van dat bouwland.

Indien het bouwland van de landbouwer meer dan 30 hectaren omvat en een aanzienlijk deel van het jaar of een aanzienlijk deel van de gewascyclus niet volledig wordt beteeld met gewassen die onder water staan, worden op dat bouwland ten minste drie verschillende gewassen geteeld. Het hoofdgewas bestrijkt niet meer dan 75 % van het bouwland en de twee hoofdgewassen bestrijken samen niet meer dan 95 % van het bouwland.

2.   Onverminderd het vereiste aantal gewassen uit hoofde van lid 1, zijn de daarin vastgestelde bovengrenzen niet van toepassing op bedrijven indien grassen of andere kruidachtige voedergewassen of braakliggend land meer dan 75 % van het bouwland bestrijken. In dat geval bestrijkt het hoofdgewas op het overblijvende akkerbouwareaal niet meer dan 75 % van dat overblijvende bouwland, uitgezonderd indien dit overblijvende areaal met grassen of andere kruidachtige voedergewassen is begroeid of braak ligt.

3.   De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op bedrijven:

a)

waar meer dan 75 % van het bouwland wordt gebruikt voor de productie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen, braak ligt of voor een combinatie daarvan wordt gebruikt, mits het akkerbouwareaal dat daar niet onder valt, niet meer dan 30 hectare beslaat;

b)

waar meer dan 75 % van het subsidiabele landbouwareaal blijvend grasland is, wordt gebruikt voor de productie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen of gedurende een aanzienlijk deel van het jaar of een aanzienlijk deel van de gewascyclus wordt beteeld met gewassen die onder water staan of voor een combinatie daarvan wordt gebruikt, mits het akkerbouwareaal dat daar niet onder valt, niet meer dan 30 hectare beslaat;

c)

waar meer dan 50 % van de arealen bouwland door de landbouwer niet zijn aangegeven in zijn steunaanvraag voor het voorgaande jaar en, blijkens een geospatiale vergelijking van de steunaanvragen, alle bouwland wordt beteeld met een ander gewas dan in het voorgaande kalenderjaar;

d)

die gelegen zijn in gebieden ten noorden van 62oNB en bepaalde aangrenzende gebieden. Indien het bouwland van die bedrijven meer dan 10 hectaren omvat, worden op dat bouwland ten minste twee gewassen geteeld en geen van deze gewassen bestrijkt meer dan 75 % van het bouwland tenzij het hoofdgewas grassen of andere kruidachtige voedergewassen is of wanneer het land braak ligt.

4.   Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een "gewas" het volgende verstaan:

a)

teelt van een geslacht dat is opgenomen in de botanische gewassenclassificatie;

b)

teelt waarvan de soort behoort tot de Brassicaceae, Solanaceae of Cucurbitaceae,;

c)

land dat braak ligt;

d)

grassen of andere kruidachtige voedergewassen.

Winter- en zomergewassen worden als afzonderlijke gewassen beschouwd, ook al behoren zij tot hetzelfde geslacht.

5.   De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 70 gedelegeerde handelingen aan te nemen voor:

a)

de erkenning van andere geslachten en soorten dan die bedoeld in lid 4 van dit artikel; en

b)

de vaststelling van de voorschriften voor de precieze berekening van het aandeel van de verschillende gewassen.

Artikel 45

Blijvend grasland

1.   De lidstaten wijzen blijvend grasland aan dat ecologisch kwetsbaar is in zones als bedoeld in Richtlijn 92/43/EEG of Richtlijn 2009/147/EG, onder meer veen- en moerasgebieden in deze zones, en dat strikt moet worden beschermd teneinde de doelstellingen van die richtlijnen te verwezenlijken[

Lidstaten kunnen, met het oog op de bescherming van vanuit milieuoogpunt waardevol blijvend grasland, besluiten nog andere kwetsbare gebieden aan te wijzen die zich buiten de in Richtlijn 92/43/EEG of Richtlijn 2009/147/EG bedoelde zones bevinden, met inbegrip van blijvend grasland op koolstofrijke bodem.

Landbouwers mogen blijvend grasland dat zich in door de lidstaten uit hoofde van de eerste alinea en, in voorkomend geval, van de tweede alinea aangewezen gebieden bevindt niet omzetten of ploegen.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat het aandeel arealenvan blijvend grasland in het door de landbouwers overeenkomstig artikel 72, lid 1, eerste alinea, onder a) van Verordening (EU) nr. 1306/2013 aangegeven totale landbouwareaal niet met meer dan 5 % afneemt ten opzichte van een referentieaandeel dat de lidstaten in 2015 vaststellen door zones van blijvend grasland als bedoeld in dit lid, tweede alinea, onder a), te delen door het totale landbouwareaal als bedoeld in onder b) van die alinea.

Voor het vaststellen van het referentieaandeel bedoeld in de eerste alinea:

a)   wordt onder "zones van blijvend grasland" verstaan: blijvend grasland dat in 2012 of, in het geval van Kroatië, in 2013 overeenkomstig Verordening (EG) nr. 73/2009 is aangegeven door landbouwers voor wie de verplichtingen in het kader van dit hoofdstuk gelden, alsook de zones van blijvend grasland die in 2015 overeenkomstig artikel 72, lid 1, eerste alinea, onder a), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 zijn aangegeven door landbouwers voor wie de verplichtingen in het kader van dit hoofdstuk gelden en die in 2012 of, in het geval van Kroatië, in 2013 niet als blijvend grasland zijn aangegeven;

b)   wordt onder "totale landbouwareaal" verstaan: het landbouwareaal dat in 2015 overeenkomstig artikel 72, lid 1, eerste alinea, onder a), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 is aangegeven door landbouwers op wie de verplichtingen in het kader van dit hoofdstuk van toepassing zijn.

Het referentieaandeel van blijvend grasland wordt herberekend indien landbouwers voor wie de verplichtingen in het kader van dit hoofdstuk gelden op grond van artikel 93 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 verplicht zijn arealen in 2015 of in 2016 weer om te zetten in blijvend grasland. In dergelijke gevallen, worden deze arealen toegevoegd aan de zones van blijvend grasland als bedoeld in de eerste alinea, onder a) van dit lid.

Het aandeel blijvend grasland wordt jaarlijks vastgesteld op basis van de arealen die voor het betrokken jaar overeenkomstig artikel 72, lid 1, eerste alinea, onder a), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 zijn aangegeven door landbouwers op wie de verplichtingen in het kader van dit hoofdstuk van toepassing zijn.

Deze in dit lid vastgestelde verplichting geldt op nationaal, regionaal of passend subregionaal niveau. De lidstaten kunnen besluiten de verplichting op te leggen om het blijvend grasland op bedrijfsniveau te houden teneinde te waarborgen dat het aandeel blijvend grasland niet met meer dan 5 % afneemt. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 1 augustus 2014 in kennis van dit besluit.

De lidstaten stellen de Commissie in kennis van het in dit lid bedoelde referentieaandeel en aandeel.

3   Indien blijkt dat het in lid 2 bedoelde aandeel met meer dan 5 % is afgenomen op regionaal of subregionaal niveau of, in voorkomend geval, op nationaal niveau, voorziet de betrokken lidstaat in verplichtingen op het bedrijfsniveauom land weer om te zetten in blijvend grasland voor landbouwers die over land beschikken dat van blijvend grasland of als blijvend grasland gebruikte grond is omgezet in land voor andere vormen van grondgebruik gedurende een periode in het verleden

Indien evenwel de overeenkomstig lid 2, tweede alinea, onder a), vastgestelde hoeveelheid zones van blijvend grasland in absolute cijfers gehandhaafd blijft binnen bepaalde grenzen, wordt de verplichting in lid 2, eerste alinea, als nagekomen beschouwd.

4.   Lid 3 is niet van toepassing indien de afname onder de drempel het gevolg is van bebossing, mits deze bebossing verenigbaar is met het milieu en het niet gaat om de aanplant van hakhout met korte omlooptijd, kerstbomen of snelgroeiende bomen voor energieproductie.

5.   Teneinde het aandeel blijvend grasland in stand te houden wordt de Commissie overeenkomstig artikel 70 gemachtigd om gedelegeerde handelingen aan te nemen tot vaststelling van nadere voorschriften voor de instandhouding van blijvend grasland, met inbegrip van voorschriften inzake heromzetting indien de verplichting in lid 1 van dit artikel niet is nagekomen, voorschriften die op de lidstaten van toepassing zijn voor het opleggen van verplichtingen op bedrijfsniveau voor het in stand houden van blijvend grasland als bedoeld in de leden 2 en 3, en alle in lid 2 bedoelde aanpassingen van het referentieaandeel die nodig blijken.

6.   De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 70 gedelegeerde handelingen vast te stellen:

a)

ter bepaling van het raamwerk voor de aanwijzing van nog andere kwetsbare gebieden als bedoeld in lid 1, tweede alinea, van dit artikel;

b)

ter vaststelling van nadere methoden voor het bepalen van het aandeel blijvend grasland in het totale landbouwareaal dat overeenkomstig lid 2 van dit artikel moet worden aangehouden;

c)

ter bepaling van de in lid 3, eerste alinea, van dit artikel bedoelde periode in het verleden.

7.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast waarin de in lid 3, tweede alinea, van dit artikel bedoelde grenzen worden vastgelegd. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 71, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 46

Ecologisch aandachtsgebied

1.   Indien het bouwland van een bedrijf meer dan 15 hectare beslaat, zorgen de landbouwers ervoor dat vanaf 1 januari 2015 een areaal dat ten minste 5 % vertegenwoordigt van het bouwland van het bedrijf dat de landbouwer overeenkomstig artikel 72, lid 1, eerste alinea, onder a), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 heeft aangegeven en, voor zover die gebieden als ecologisch aandachtsgebied worden beschouwd door de lidstaat overeenkomstig lid 2 van dit artikel, waaronder de onder c), d), g), en h), bedoelde gebieden, ecologisch aandachtsgebied is.

Het in de eerste alinea van dit lid bedoelde percentage wordt verhoogd van 5 % tot 7 % onder voorbehoud van een wetgevingshandeling van het Europees Parlement en de Raad overeenkomstig artikel 43, lid 2 VWEU.

Uiterlijk op 31 maart 2017 legt de Commissie een evaluatieverslag voor over de uitvoering van de eerste alinea van dit lid, in voorkomend geval vergezeld van een voorstel voor een wetgevingshandeling als bedoeld in de tweede alinea.

2.   De lidstaten beslissen uiterlijk op 1 augustus 2014 dat een of meer van de volgende gebieden als ecologisch aandachtsgebied moet worden beschouwd:

a)

braakliggend land;

b)

terrassen;

c)

landschapselementen, met inbegrip van elementen die grenzen aan het bouwland van het bedrijf; in afwijking van artikel 43, lid 1 van deze verordening, kunnen dit landschapselementen zijn die niet tot het subsidiabele areaal behoren overeenkomstig artikel 76, lid 2, onder c), van Verordening (EU) nr. 1306/2013;

d)

bufferstroken, met inbegrip van bufferstroken bedekt met blijvend grasland, mits deze verschillend zijn van het aangrenzende subsidiabele landbouwareaal;

e)

hectaren onder boslandbouw die overeenkomstig artikel 44 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 en/of artikel 23 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 steun ontvangen of hebben ontvangen;

f)

stroken subsidiabele hectaren langs bosranden;

g)

areaal met hakhout met korte omlooptijd, waarop geen minerale meststoffen en/of gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt;

h)

beboste gebieden als bedoeld in artikel 32, lid 2, onder b), ii) van deze verordening;

i)

arealen met vanggewassen, of door het planten en kiemen van zaden ontstaan plantendek, waarop de wegingsfactoren van lid 3 van dit artikel van toepassing zijn;

j)

arealen met stikstofbindende gewassen.

Met uitzondering van de in de eerste alinea, onder g) en h), genoemde gebieden van het bedrijf bevindt het ecologisch aandachtsgebied zich op het bouwland van het bedrijf. In het geval van de in de eerste alinea, onder c) en d), genoemde gebieden, kan het ecologisch aandachtsgebied ook grenzen aan het bouwland van het bedrijf die de landbouwer overeenkomstig artikel 72, lid 1, eerste alinea, onder a) van Verordening (EU) nr. 1306/2013 heeft aangegeven.

3.   Om het beheer te vereenvoudigen en om rekening te houden met de kenmerken van de in lid 2, eerste alinea, vermelde soorten ecologische aandachtsgebieden en het meten van de omvang ervan te vergemakkelijken, mogen de lidstaten bij het berekenen van het totaal aantal hectaren van het ecologisch aandachtsgebied van het bedrijf, de omzettings- en/of wegingsfactoren in bijlage X gebruiken. Indien een lidstaat besluit het gebied als bedoeld in lid 2, eerste alinea, onder i) of enig ander gebied waarvoor een weging van minder dan 1 geldt, als ecologisch aandachtsgebied aan te merken, is het gebruik van de wegingsfactoren in bijlage X verplicht.

4.   Lid 1 is niet van toepassing op bedrijven:

a)

waar meer dan 75 % van het bouwland wordt gebruikt voor de productie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen, braak ligt, wordt gebruikt voor de teelt van vlinderbloemige gewassen, of voor een combinatie daarvan wordt gebruikt, mits het akkerbouwareaal dat daar niet onder valt, niet meer dan 30 hectare beslaat.

b)

waar meer dan 75 % van het subsidiabel landbouwareaal blijvend grasland is voor de productie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen wordt gebruikt of dat gedurende een aanzienlijk deel van het jaar of een aanzienlijk deel van de gewascyclus wordt beteeld met gewassen die onder water staan of wordt gebruikt voor een combinatie daarvan, mits het akkerbouwareaal dat daar niet onder valt, niet meer dan 30 hectare beslaat.

5.   De lidstaten kunnen besluiten maximaal de helft van de in lid 1 bedoelde procentpunten ecologische aandachtsgebieden op regionaal niveau te implementeren, teneinde aanpalende ecologische aandachtsgebieden te creëren. De lidstaten stellen de gebieden en de verplichtingen van de deelnemende landbouwers of groepen landbouwers vast. De vaststelling van de gebieden en de verplichtingen moet bijdragen tot de tenuitvoerlegging van het beleid van de Unie ten aanzien van milieu, klimaat en biodiversiteit.

6.   De lidstaten kunnen besluiten landbouwers van wie de bedrijven zich in de onmiddellijke nabijheidbevinden, toe te staan collectief te voldoen aan de in lid 1 bedoelde verplichting ("collectieve tenuitvoerlegging"), mits de betrokken ecologische aandachtsgebieden aan elkaar grenzen. Om de tenuitvoerlegging van het beleid van de Unie ten aanzien van milieu, klimaat en biodiversiteit te ondersteunen, kunnen lidstaten de gebieden aanwijzen waar collectieve tenuitvoerlegging mogelijk is, en kunnen zij de aan deze collectieve tenuitvoerlegging deelnemende landbouwers of groepen landbouwers verdere verplichtingen opleggen.

Iedere landbouwer die aan een collectieve tenuitvoerlegging deelneemt, zorgt ervoor dat ten minste 50 % van het areaal waarvoor de verplichting van lid 1 geldt, zich op de landbouwgrond van zijn bedrijf bevindt, en voldoet aan lid 2, tweede alinea. Het aantal landbouwers dat deelneemt aan een dergelijke collectieve tenuitvoerlegging bedraagt niet meer dan tien.

7.   Lidstaten waarvan meer dan 50 % van de totale landoppervlakte bebost is, kunnen besluiten dat lid 1 niet van toepassing is op bedrijven die zijn gelegen in gebieden die door de betrokken lidstaten als gebieden met natuurlijke beperkingen zijn aangewezen overeenkomstig artikel 32, lid 1, onder a) of onder b), van Verordening (EU) nr. 1305/2013, mits meer dan 50 % van de landoppervlakte van de in de tweede alinea bedoelde eenheid bebost is en de verhouding van bosbouwgrond tot landbouwgrond hoger is dan 3:1.

Het bosbouwareaal en de verhouding van bosbouwgrond tot landbouwgrond worden beoordeeld op een niveau gelijkwaardig aan LAU2, of op het niveau van een duidelijk afgebakende eenheid die één duidelijk aaneensluitend geografisch gebied met een soortgelijke landbouwconditie bestrijkt.

8.   De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 1 augustus 2014 in kennis van de besluiten als bedoeld in lid 2, en uiterlijk op 1 augustus van het jaar voorafgaand aan de uitvoering van eventuele besluiten als bedoeld in lid 3, lid 5, lid 6 en lid 7.

9.   De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 70 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot vaststelling van:

a)

nadere criteria om te bepalen welke van de in lid 2 bedoelde soorten gebieden ecologische aandachtsgebieden zijn;

b)

bijkomende soorten gebieden, anders dan die bedoeld in lid 2, die kunnen worden meegeteld voor de inachtneming van het in lid 1 genoemde percentage;

c)

een aanpassing van bijlage X om de in lid 3 bedoelde omzettings- en wegingsfactoren vast te stellen en rekening te houden met de criteria en/of soorten gebieden die door de Commissie moeten worden vastgesteld uit hoofde van de punten a) en b);

d)

voorschriften voor het opstellen van de in de leden 5 en 6 bedoelde tenuitvoerlegging, waaronder de minimumvoorschriften waaraan die tenuitvoerlegging moet voldoen;

e)

het kader waarbinnen de lidstaten de criteria vaststellen waaraan bedrijven moeten voldoen om voor de toepassing van lid 6 te worden geacht zich in de onmiddellijke nabijheid te bevinden;

f)

de methoden om het in lid 7 bedoelde percentage van beboste totale landoppervlakte en de in lid 7 bedoelde verhouding van bosbouwgrond tot landbouwgrond te bepalen.

Artikel 47

Financiële bepalingen

1.   De lidstaten gebruiken 30 % van het in bijlage II vermelde jaarlijkse nationale maximum voor de financiering van de in dit hoofdstuk bedoelde betaling.

2.   De lidstaten passen de in dit hoofdstuk bedoelde betaling op nationaal niveau toe.

Lidstaten die artikel 23 toepassen, kunnen besluiten de betaling op regionaal niveau toe te passen. Zij gebruiken in dat geval voor elke regio een percentage van het maximum dat uit hoofde van lid 3 van dit artikel is vastgesteld. Dit percentage wordt voor elke regio berekend door het desbetreffende regionale maximum als vastgesteld overeenkomstig artikel 23, lid 2, te delen door het nationaal maximum dat overeenkomstig artikel 22, lid 1, is bepaald, na toepassing van de lineaire verlaging bedoeld in artikel 30, lid 1, ingeval artikel 30, lid 2 niet wordt toegepast.

3.   De Commissie stelt jaarlijks uitvoeringshandelingen vast waarin de overeenkomstige maxima voor de in dit hoofdstuk bedoelde betaling worden vastgelegd. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 71, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

HOOFDSTUK 4

Betaling voor gebieden met natuurlijke beperkingen

Artikel 48

Algemene voorschriften

1.   De lidstaten kunnen een betaling toekennen aan landbouwers die recht hebben op een betaling in het kader van de in hoofdstuk 1 bedoelde basisbetalingsregeling of regeling inzake een enkele areaalbetaling en wier bedrijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in een gebied met natuurlijke beperkingen dat de lidstaten overeenkomstig artikel 32, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 hebben aangewezen ("betaling voor gebieden met natuurlijke beperkingen").

2.   De lidstaten kunnen besluiten om de betaling voor gebieden met natuurlijke beperkingen toe te kennen aan alle gebieden die binnen het toepassingsgebied van lid 1 vallen, of om deze betaling op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria te beperken tot een aantal van die gebieden.

3.   Onverminderd lid 2 van dit artikel en onverminderd de toepassing van de financiële discipline, de geleidelijke verlaging van betalingen overeenkomstig artikel 11 en van de lineaire verlaging overeenkomstig artikel 7 van deze verordening alsook van artikel 63 van Verordening (EU) nr. 1306/2013, wordt de betaling voor gebieden met natuurlijke beperkingen jaarlijks per subsidiabele hectare toegekend in gebieden waaraan een lidstaat bij besluit overeenkomstig lid 2 van dit artikel deze betaling heeft toegewezen. Deze betaling wordt uitgekeerd na activering van betalingsrechten voor de hectaren waarover de betrokken landbouwer beschikt of, in lidstaten die artikel 36 van deze verordening toepassen, na aangifte van de subsidiabele hectaren door de betrokken landbouwer.

4.   De betaling voor gebieden met natuurlijke beperkingen per hectare wordt berekend door het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van artikel 49, te delen door het overeenkomstig artikel 33, lid 1, of artikel 36, lid 2, aangegeven aantal subsidiabele hectaren gelegen in de gebieden waarvoor een lidstaat overeenkomstig lid 2 besloten heeft deze betaling toe te wijzen.

De lidstaten kunnen op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria tevens een maximumaantal hectaren per bedrijf vaststellen waaraan steun uit hoofde van dit hoofdstuk kan worden toegekend.

5.   De lidstaten kunnen de betaling voor gebieden met natuurlijke beperkingen toepassen op regionaal niveau onder de in dit lid vastgestelde voorwaarden mits zij aan de hand van objectieve en niet-discriminerende criteria de betrokken regio's en met name hun kenmerkende natuurlijke beperkingen, met inbegrip van de ernst van de beperkingen, en hun agronomische situatie bepalen.

De lidstaten verdelen het in artikel 49, lid 1, bedoelde nationale maximum op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria over de regio's.

De betaling voor gebieden met natuurlijke beperkingen op regionaal niveau wordt berekend door het regionale maximum dat overeenkomstig de tweede alinea van dit lid is berekend, te delen door het overeenkomstig artikel 33, lid 1, of artikel 36, lid 2, aangegeven aantal subsidiabele hectaren in de betrokken regio, die gelegen zijn in de gebieden waarvoor een lidstaat overeenkomstig lid 2 besloten heeft deze betaling toe te wijzen.

Artikel 49

Financiële bepalingen

1.   De lidstaten kunnen uiterlijk op 1 augustus 2014 besluiten om ten hoogste 5 % van hun in bijlage II vermelde jaarlijkse nationale maximum te gebruiken voor de financiering van de betaling voor gebieden met natuurlijke beperkingen. Zij stellen de Commissie uiterlijk op die dag in kennis van dit besluit.

De lidstaten mogen uiterlijk op 1 augustus 2016 hun besluit herzien en deze herziening wordt van toepassing met ingang van 1 januari 2017. Zij stellen de Commissie uiterlijk op 1 augustus 2016 in kennis van een dergelijk besluit.

2.   De Commissie stelt jaarlijks uitvoeringshandelingen vast waarin op basis van het percentage van het nationale maximum dat de lidstaten uit hoofde van lid 1 willen gebruiken, de overeenkomstige maxima voor de betaling voor gebieden met natuurlijke beperkingen worden vastgelegd. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 71, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

HOOFDSTUK 5

Betaling voor jonge landbouwers

Artikel 50

Algemene voorschriften

1.   De lidstaten kennen een jaarlijkse betaling toe aan jonge landbouwers die recht hebben op een betaling in het kader van de in hoofdstuk 1 bedoelde basisbetalingsregeling of regeling inzake een enkele areaalbetaling ("betaling voor jonge landbouwers").

2.   In dit hoofdstuk worden onder "jonge landbouwers" verstaan natuurlijke personen:

a)

die voor het eerst als bedrijfshoofd een landbouwbedrijf oprichten of die al op zo'n bedrijf opgericht hebben in de periode van vijf jaar voorafgaande aan de eerste indiening van een aanvraag in het kader van de basisbetalingsregeling of de regeling inzake een enkele areaalbetaling als bedoeld in artikel 72, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1306/2013, en

b)

die niet ouder zijn dan veertig jaar in het jaar van indiening van de onder a) bedoelde aanvraag.

3.   De lidstaten kunnen nadere objectieve en niet-discriminerende subsidiabiliteitscriteria inzake passende vaardigheden en/of opleidingsvereisten vaststellen voor jonge landbouwers die de betaling voor jonge landbouwers aanvragen.

4.   Onverminderd de toepassing van de financiële discipline, van de verlaging van betalingen overeenkomstig artikel 11 en van de lineaire verlagingen overeenkomstig artikel 7 van deze verordening, alsook van artikel 63 van Verordening (EU) nr. 1306/2013, wordt de betaling voor jonge landbouwers jaarlijks toegekend na activering van de betalingsrechten door de landbouwer of, in lidstaten die artikel 36 van deze verordening toepassen, na aangifte van de subsidiabele hectaren door de landbouwer.

5.   De betaling voor jonge landbouwers wordt per landbouwer gedurende een periode van ten hoogste vijf jaar toegekend. Deze periode wordt verminderd met het aantal jaren dat is verstreken tussen de in lid 2, onder a), bedoelde vestiging en de eerste indiening van de aanvraag van betaling voor jonge landbouwers.

6.   De lidstaten die artikel 36 niet toepassen, berekenen elk jaar het bedrag van de betaling voor jonge landbouwers door het aantal rechten dat de landbouwer overeenkomstig artikel 32, lid 1, heeft geactiveerd, te vermenigvuldigen met een getal dat overeenstemt met:

a)

25 % van de gemiddelde waarde van de in eigendom of gehuurde betalingsrechten waarover de landbouwer beschikt; of

b)

25 % van een bedrag dat wordt berekend door een vast percentage van het nationale maximum voor het kalenderjaar 2019 vermeld in bijlage II, te delen door het aantal subsidiabele hectaren dat overeenkomstig artikel 33, lid 1, in 2015 is aangegeven. Dat vaste percentage komt overeen met het aandeel van het nationale maximum dat overeenkomstig artikel 22, lid 1, is overgebleven voor de basisbetalingsregeling voor 2015.

7.   Lidstaten die artikel 36 toepassen, berekenen het bedrag van de betaling voor jonge landbouwers elk jaar door een getal dat overeenstemt met 25 % van de eenmalige areaalbetaling, berekend overeenkomstig artikel 36, te vermenigvuldigen met het aantal subsidiabele hectaren dat de landbouwer overeenkomstig artikel 36, lid 2, heeft aangegeven.

8.   In afwijking van de leden 6 en 7 kunnen de lidstaten het bedrag van de betaling voor jonge landbouwers elk jaar berekenen door een getal dat overeenstemt met 25 % van de nationale gemiddelde betaling per hectare, te vermenigvuldigen met het aantal betalingsrechten dat de landbouwer overeenkomstig artikel 32, lid 1, heeft geactiveerd, of met het aantal subsidiabele hectaren dat de landbouwer overeenkomstig artikel 36, lid 2, heeft aangegeven.

De nationale gemiddelde betaling per hectare wordt berekend door het nationale maximum voor het kalenderjaar 2019 vermeld in bijlage II, te delen door het aantal subsidiabele hectaren dat overeenkomstig artikel 33, lid 1, of artikel 36, lid 2, in 2015 is aangegeven.

9.   De lidstaten stellen een maximum vast voor het aantal betalingsrechten dat door de landbouwer wordt geactiveerd of voor het aantal subsidiabele hectaren dat door de landbouwer wordt aangegeven. Dat maximum mag niet lager zijn dan 25 en niet hoger dan 90. De lidstaten nemen dit maximum in acht bij de toepassing van de leden 6, 7 en 8.

10.   In plaats van de leden 6 tot en met 9 toe te passen, kunnen de lidstaten een jaarlijks forfaitair bedrag per landbouwer toekennen, dat wordt berekend door een vast aantal hectaren te vermenigvuldigen met een getal dat overeenstemt met 25 % van de nationale gemiddelde betaling per hectare, zoals vastgesteld overeenkomstig lid 8.

Het in de eerste alinea bedoelde vaste aantal hectaren wordt berekend door het totale aantal subsidiabele hectaren dat overeenkomstig artikel 33, lid 1, of artikel 36, lid 2, is aangegeven door de jonge landbouwers die in 2015 de betaling voor jonge landbouwers aanvragen, te delen door het totale aantal jonge landbouwers die in 2015 dezelfde betaling aanvragen.

Een lidstaat kan het vaste aantal hectaren in elk jaar na 2015 herberekenen indien er aanzienlijke veranderingen optreden in het aantal jonge landbouwers die de betaling aanvragen of in de omvang van de bedrijven van jonge landbouwers, of beide.

Het jaarlijks forfaitair bedrag dat aan een landbouwer kan worden betaald, mag niet hoger zijn dan het totale bedrag van zijn basisbetaling vóór de toepassing van artikel 63 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 in het betrokken jaar.

11.   Teneinde de rechten van begunstigden te beschermen en te voorkomen dat begunstigden ongelijk worden behandeld, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 70 gedelegeerde handelingen vast te stellen inzake de voorwaarden waaronder een rechtspersoon geacht mag worden in aanmerking te komen voor de betaling voor jonge landbouwers.

Artikel 51

Financiële bepalingen

1.   De lidstaten gebruiken voor de financiering van de betaling voor jonge landbouwers ten hoogste 2 % van het in bijlage II vermelde jaarlijkse nationale maximum. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 1 augustus 2014 in kennis van het percentage dat zij volgens hun ramingen nodig hebben voor de financiering van deze betaling.

De lidstaten mogen dit geraamde percentage uiterlijk op 1 augustus van elk jaar herzien en deze herziening wordt van toepassing met ingang van het daaropvolgende jaar. Zij stellen de Commissie uiterlijk op 1 augustus van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin dat herziene percentage wordt toegepast, daarvan in kennis.

2.   Onverminderd het in lid 1 vastgestelde maximum van 2 % en indien het totaalbedrag van de betaling voor jonge landbouwers dat in een lidstaat in een bepaald jaar wordt aangevraagd, hoger is dan het uit hoofde van lid 4 van dit artikel vastgestelde maximum, en wanneer dat maximum lager is dan het eerstgenoemde maximum, financiert die lidstaat het verschil door in het betrokken jaar artikel 30, lid 7, eerste alinea, onder f), toe te passen, een lineaire verlaging toe te passen op alle betalingen die overeenkomstig artikel 32 of artikel 36, lid 2, aan alle landbouwers moeten worden toegekend of door beide methoden toe te passen.

3.   Indien het totaalbedrag van de betaling voor jonge landbouwers die in een lidstaat in een bepaald jaar wordt aangevraagd, hoger is dan het uit hoofde van lid 4 vastgestelde maximum, en dat maximum 2 % bedraagt van het in bijlage II vermelde jaarlijkse nationale maximum, passen de lidstaten op alle uit hoofde van artikel 50 te betalen bedragen een lineaire verlaging toe om dat maximum in acht te nemen.

4.   De Commissie stelt jaarlijks uitvoeringshandelingen vast waarin de maxima voor de betaling voor jonge landbouwers wordt vastgelegd op basis van het percentage waarvan de lidstaten uit hoofde van lid 1 hebben kennisgegeven.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 71, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

TITEL IV

GEKOPPELDE STEUN

HOOFDSTUK 1

Vrijwillige gekoppelde steun

Artikel 52

Algemene voorschriften

1.   De lidstaten kunnen landbouwers onder de in dit hoofdstuk gestelde voorwaarden gekoppelde steun verlenen (in dit hoofdstuk "gekoppelde steun" genoemd).

2.   Gekoppelde steun kan worden verleend voor de volgende sectoren en teelten: granen, oliehoudende zaden, eiwithoudende gewassen, zaaddragende leguminosen, vlas, hennep, rijst, noten, zetmeelaardappelen, melk en zuivelproducten, zaaizaad, schapen- en geitenvlees, rundvlees, olijfolie, zijderupsen, gedroogde voedergewassen, hop, suikerbieten, suikerriet en cichorei, groenten en fruit, en hakhout met korte omlooptijd.

3.   Gekoppelde steun mag alleen worden verleend in die sectoren of in die regio's van een lidstaat waar specifieke soorten landbouw of specifieke landbouwsectoren die om economische, sociale of ecologische redenen van groot belang zijn, bepaalde problemen ondervinden.

4.   In afwijking van lid 3 mag gekoppelde steun ook worden verleend aan landbouwers, die:

a)

op 31 december 2014 beschikken over betalingsrechten die overeenkomstig titel III, hoofdstuk 3, afdeling 2, en artikel 71 quaterdecies van Verordening (EG) nr. 1782/2003 en overeenkomstig artikel 60 en artikel 65, vierdelid, van Verordening (EG) nr. 73/2009 waren toegekend; en

b)

geen subsidiabele hectaren ter beschikking hebben voor de activering van betalingsrechten in het kader van de in titel III, hoofdstuk 1, van deze verordening bedoelde basisbetalingsregeling.

5.   Gekoppelde steun mag alleen worden verleend voor zover dat noodzakelijk is als stimulans om de huidige productie in de betrokken sectoren of regio's op peil te houden.

6.   Gekoppelde steun wordt verleend in de vorm van een jaarlijkse betaling, binnen afgebakende kwantitatieve grenzen en op basis van vaste arealen en opbrengsten of een vast aantal dieren.

7   In het geval van een rechtspersoon of een groep van natuurlijke of rechtspersonen kunnen de lidstaten de in lid 6 bedoelde kwantitatieve grenzen toepassen op het niveau van de leden van die rechtspersonen of groepen, indien het nationale recht bepaalt dat de individuele leden rechten en verplichtingen hebben die vergelijkbaar zijn met die van individuele landbouwers die de status van bedrijfshoofd hebben, met name wat hun economische, sociale en belastingsstatus betreft, mits zij hebben bijgedragen tot de versterking van de landbouwstructuren van de betrokken rechtspersonen of groepen.

8.   Gekoppelde steun die op grond van dit artikel wordt verleend, is verenigbaar met andere maatregelen en -beleidslijnen van de Unie.

9.   Teneinde een efficiënt en gericht gebruik van de middelen van de Unie te waarborgen en dubbele financiering in het kader van andere, soortgelijke steuninstrumenten te voorkomen, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 70 gedelegeerde handelingen vast te stellen waarin het volgende wordt vastgelegd:

a)

de voorwaarden voor de verlening van gekoppelde steun;

b)

de samenhang met andere maatregelen van de Unie, alsmede de cumulatie van steun.

Artikel 53

Financiële bepalingen

1.   De lidstaten kunnen uiterlijk op 1 augustus van het jaar voorafgaande aan het eerste jaar van toepassing van gekoppelde steun, besluiten om ten hoogste 8 % van hun in bijlage II vermelde jaarlijkse nationale maximum te gebruiken voor de financiering van deze steun.

2.   In afwijking van lid 1 kunnen de lidstaten besluiten om ten hoogste 13 % van het in bijlage II vermelde jaarlijkse nationale maximum te gebruiken, mits zij:

a)

tot en met 31 december 2014:

i)

de bij titel V van Verordening (EG) nr. 73/2009 ingestelde regeling inzake een enkele areaalbetaling toepassen,

ii)

maatregelen op grond van artikel 111 van die verordening financieren; of

iii)

onder de afwijking vallen die was vastgesteld bij artikel 69, lid 5, of in het geval van Malta bij artikel 69, lid 1, van die verordening, en/of;

b)

in de periode 2010-2014 ten minste één jaar meer dan 5 % van hun bedrag dat beschikbaar is voor de toekenning van de rechtstreekse betalingen waarin was voorzien in de titel III, titel IV, met uitzondering van hoofdstuk 1, afdeling 6 daarvan en in titel V, van Verordening (EG) nr. 73/2009 in totaal toewijzen voor de financiering van:

i)

de maatregelen die waren vastgesteld bij titel III, hoofdstuk 2, afdeling 2, van Verordening (EG) nr. 73/2009;

ii)

de steun waarin was voorzien in artikel 68, lid 1, onder a), punten i) tot en met iv), en lid 1, onder b) en e), van die verordening; of

iii)

de maatregelen op grond van titel IV, hoofdstuk 1, met uitzondering van afdeling 6, van die verordening.

3.   De percentages van het in de leden 1 en 2 bedoelde jaarlijkse nationale maximum kunnen met ten hoogste twee procentpunten worden verhoogd voor de lidstaten die besluiten om minstens 2 % van hun in bijlage II vermelde jaarlijkse nationale maximum te gebruiken om krachtens dit hoofdstuk de productie van eiwithoudende gewassen te bevorderen.

4.   In afwijking van lid 1 en 2 kunnen de lidstaten die in de periode 2010-2014 ten minste één jaar meer dan 10 % van hun bedrag dat beschikbaar isde toekenning van de rechtstreekse betalingen waarin was voorzien in de titel III, titel IV, met uitzondering van hoofdstuk 1, afdeling 6 daarvan en titel V, van Verordening (EG) nr. 73/2009 in totaal toewijzen voor de financiering van

a)

de maatregelen die waren vastgesteld bij titel III, hoofdstuk 2, afdeling 2, van Verordening (EG) nr. 73/2009;

b)

de steun waarin was voorzien in artikel 68, lid 1, onder a), i) tot en met iv), en lid 1, onder b) en e), van die verordening; of

c)

de maatregelen op grond van titel IV, hoofdstuk 1, met uitzondering van afdeling 6 van die verordening,

besluiten om meer dan 13 % van het in bijlage II bij deze verordening vermelde jaarlijkse nationale maximum te gebruiken nadat de Commissie daarvoor overeenkomstig artikel 55 goedkeuring heeft verleend.

5.   In afwijking van de in de leden 1 tot en met 4 genoemde percentages kunnen de lidstaten ervoor kiezen om 3 miljoen EUR per jaar te gebruiken voor de financiering van gekoppelde steun.

6.   De lidstaten kunnen uiterlijk op 1 augustus 2016 hun uit hoofde van de leden 1 tot en met 4 genomen besluit herzien en besluiten om met ingang van 2017:

a)

het uit hoofde van de leden 1, 2 en 3 vastgestelde percentage ongewijzigd te laten, te verhogen of te verlagen, in voorkomend geval met inachtneming van de daarin vastgestelde grenzen, of het uit hoofde van lid 4 vastgestelde percentage ongewijzigd te laten of te verlagen;

b)

de voorwaarden voor het verlenen van de steun te wijzigen;

c)

de verlening van de steun in het kader van dit hoofdstuk stop te zetten.

7.   De Commissie stelt jaarlijks uitvoeringshandelingen vast waarin op basis van het door elke lidstaat uit hoofde van de leden 1 tot en met 6 van dit artikel genomen besluit de overeenkomstige maxima voor de gekoppelde steun wordt vastgelegd. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 71, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 54

Kennisgeving

1.   De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op de in dat artikel genoemde data in kennis van de in artikel 53 bedoelde besluiten. Deze kennisgeving bevat, behalve in het geval van het in artikel 53, lid 6, onder c), bedoelde besluit, informatie over de beoogde regio's, de gekozen soorten landbouw of sectoren en de hoogte van de te verlenen steun.

2.   De in artikel 53, leden 2 en 4, of in voorkomend geval in artikel 53, lid 6, onder a), bedoelde besluiten bevatten een uitgebreide beschrijving van de bijzondere situatie in de beoogde regio en van de bijzondere kenmerken van de soorten landbouw of specifieke landbouwsectoren, waardoor het in artikel 53, lid 1, genoemde percentage ontoereikend is om de in artikel 52 lid 3, bedoelde problemen aan te pakken, en een verhoging van het steunniveau gerechtvaardigd is.

Artikel 55

Goedkeuring door de Commissie

1.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast waarin het in artikel 53, lid 4, of in voorkomend geval in artikel 53, lid 6, onder a), bedoelde besluit wordt goedgekeurd, zonder toepassing van de in artikel 71, lid 2 of lid 3, bedoelde procedure indien voor de betrokken regio of sector een van de volgende behoeften wordt aangetoond:

a)

de noodzaak om een bepaalde productie vanwege het gebrek aan alternatieven op een bepaald niveau te houden en de kans op stopzetting van de productie met alle sociale en/of milieuproblemen van dien te beperken;

b)

de noodzaak van een stabiele voorziening van de lokale verwerkende industrie teneinde de sociale en economische weerslag van een eventuele herstructurering te voorkomen;

c)

de noodzaak tot compensatie van de nadelen voor landbouwers in een specifieke sector welke het gevolg zijn van voortdurende verstoringen op de desbetreffende markt;

d)

de noodzaak om in te grijpen wanneer andere steun die in het kader van deze verordening, Verordening (EU) nr. 1305/2013 of een goedgekeurde staatssteunregeling beschikbaar is, ontoereikend wordt geacht om in de onder a), b) en c) van dit lid bedoelde behoeften te voorzien.

2.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast waarin voorschriften worden vastgelegd voor de procedure volgens welke de in lid 1 van dit artikel bedoelde besluiten worden beoordeeld en goedgekeurd. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 71, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

HOOFDSTUK 2

Gewasspecifieke betaling voor katoen

Artikel 56

Toepassingsgebied

Aan landbouwers die katoen van GN-code 5201 00 produceren, wordt onder de in dit hoofdstuk gestelde voorwaarden steun verleend ("gewasspecifieke betaling voor katoen").

Artikel 57

Subsidiabiliteit

1.   De gewasspecifieke betaling voor katoen wordt toegekend per hectare subsidiabel katoenareaal. Het areaal is enkel subsidiabel wanneer het bestaat uit landbouwgrond waarvoor de lidstaat een vergunning voor de katoenproductie heeft verleend, die is ingezaaid met door de lidstaat toegelaten rassen en die daadwerkelijk is afgeoogst in normale teeltomstandigheden.

De gewasspecifieke betaling voor katoen wordt uitgekeerd voor katoen van gezonde handelskwaliteit.

2.   De lidstaten verlenen de vergunning voor de in lid 1 bedoelde grond en rassen overeenkomstig de uit hoofde van lid 3 vast te stellen regels en voorwaarden.

3.   Met het oog op een efficiënt beheer van de gewasspecifieke betaling voor katoen wordt de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 70 gedelegeerde handelingen vast te stellen inzake de voorschriften en voorwaarden voor de vergunningverlening voor grond en rassen in het kader van de gewasspecifieke betaling voor katoen.

4.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast waarin voorschriften worden vastgelegd inzake de procedure voor de vergunningverlening voor grond en rassen in het kader van de gewasspecifieke betaling voor katoen en inzake de kennisgevingen aan de producenten in verband met deze vergunningverlening. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 71, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 58

Basisarealen, vaste opbrengsten en referentiebedragen

1.   De volgende nationale basisarealen worden vastgesteld:

Bulgarije: 3 342 ha,

Griekenland: 250 000 ha,

Spanje: 48 000 ha,

Portugal: 360 ha.

2.   Voor de referentieperiode worden de volgende vaste opbrengsten vastgesteld:

Bulgarije: 1,2 ton/ha,

Griekenland: 3,2 ton/ha,

Spanje: 3,5 ton/ha,

Portugal 2,2 ton/ha.

3.   Het bedrag van de gewasspecifieke betaling voor katoen per hectare subsidiabel areaal wordt berekend door de in lid 2 vastgestelde opbrengsten te vermenigvuldigen met de volgende referentiebedragen:

Bulgarije: 584,88 EUR in 2015; en 649,45 EUR voor 2016 en daarna,

Griekenland: 234,18 EUR,

Spanje: 362,15 EUR,

Portugal: 228,00 EUR.

4.   Indien het subsidiabele katoenareaal in een bepaalde lidstaat het in lid 1 vastgestelde basisareaal in een bepaald jaar overschrijdt, wordt het in lid 3 voor die lidstaat vastgestelde bedrag verlaagd in verhouding tot de overschrijding van het basisareaal.

5.   Teneinde de toepassing van de gewasspecifieke betaling voor katoen mogelijk te maken, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 70 gedelegeerde handelingen vast te stellen inzake de voorwaarden voor de toekenning van die betaling, de subsidiabiliteitseisen en de agronomische praktijken.

6.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarin voorschriften worden vastgelegd voor de berekening van de in lid 4 bedoelde verlaging. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 71, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 59

Erkende brancheorganisaties

1.   Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder "erkende brancheorganisatie" verstaan een rechtspersoon die bestaat uit katoenproducerende landbouwers en ten minste één egreneringsbedrijf en die activiteiten verricht zoals:

a)

het bijdragen tot een betere coördinatie van de wijze waarop katoen op de markt wordt gebracht, met name door middel van onderzoeks- en marktstudies;

b)

standaardcontracten opstellen die verenigbaar zijn met de Unievoorschriften;

c)

sturen van de productie in de richting van producten die beter zijn afgestemd op de behoeften van de markt en op de vraag van de consument, met name op het gebied van kwaliteit en consumentenbescherming;

d)

de actualisering van methoden en middelen ter verbetering van de productkwaliteit;

e)

de ontwikkeling van marketingstrategieën om de afzet van katoen te bevorderen door middel van kwaliteitscertificeringsregelingen.

2.   De lidstaat waar de egreneringsbedrijven zijn gevestigd, erkent de brancheorganisaties die voldoen aan de uit hoofde van lid 3 vast te stellen criteria.

3.   Teneinde te zorgen voor een efficiënte toepassing van de gewasspecifieke betaling voor katoen, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 70 gedelegeerde handelingen vast te stellen waarin het volgende wordt vastgelegd:

a)

de erkenningscriteria voor brancheorganisaties;

b)

de verplichtingen waaraan de producenten moeten voldoen;

c)

de voorschriften betreffende de situatie waarin de erkende brancheorganisatie niet voldoet aan de criteria bedoeld onder a).

Artikel 60

Toekenning van de betaling

1.   De gewasspecifieke betaling voor katoen per subsidiabele hectare wordt aan de landbouwers toegekend zoals vastgesteld in artikel 58.

2.   Voor de bij een erkende brancheorganisatie aangesloten landbouwers wordt de toe te kennen gewasspecifieke betaling voor katoen per subsidiabele hectare die binnen het in artikel 58, lid 1, vastgestelde basisareaal valt, verhoogd met 2 EUR.

TITEL V

REGELING VOOR KLEINE LANDBOUWBEDRIJVEN

Artikel 61

Algemene voorschriften

1.   De lidstaten mogen volgens de in deze titel vastgestelde voorwaarden een regeling opstellen voor kleine landbouwbedrijven ("regeling voor kleine landbouwbedrijven").

Landbouwers die in 2015 over in eigendom of gehuurde toegewezen betalingsrechten beschikken of, in lidstaten die artikel 36 toepassen, een aanvraag indienen in het kader van de regeling inzake een enkele areaalbetaling, en die voldoen aan de in artikel 10, lid 1, vastgestelde minimumeisen, kunnen kiezen voor deelname aan de regeling voor kleine landbouwbedrijven.

2.   De betalingen in het kader van de regeling voor kleine landbouwbedrijven treden in de plaats van de betalingen die uit hoofde van de titels III en IV worden toegekend.

De eerste alinea is niet van toepassing indien een lidstaat opteert voor de in artikel 63, lid 2, eerste alinea, onder a), vastgestelde betalingsmethode. In dat geval is de betaling afhankelijk van de respectieve voorwaarden van titel III en titel IV, onverminderd lid 3 van dit artikel.

3.   Landbouwers die aan de regeling voor kleine landbouwbedrijven deelnemen, worden vrijgesteld van de landbouwpraktijken waarin titel III, hoofdstuk 3, voorziet.

4.   De voordelen waarin krachtens deze titel wordt voorzien, kunnen niet worden toegekend aan landbouwers van wie vast komt te staan dat zij na 18 oktober 2011 kunstmatig de voorwaarden hebben gecreëerd om in aanmerking te komen voor de regeling voor kleine landbouwbedrijven.

Artikel 62

Deelname

1.   Landbouwers die aan de regeling voor kleine landbouwbedrijven willen deelnemen, dienen daarvoor ten laatste op een door de lidstaten te bepalen datum, maar uiterlijk op 15 oktober 2015 een aanvraag in. De door de lidstaten vast te stellen datum mag echter niet vroeger vallen dan de laatste dag voor het indienen van een aanvraag in het kader van de basisbetalingsregeling of de regeling inzake een enkele areaalbetaling.

Landbouwers die op de door de lidstaat vastgestelde datum geen aanvraag voor deelname aan de regeling voor kleine landbouwbedrijven hebben ingediend of die besluiten om er na die datum uit te stappen of die op grond van artikel 19, lid 1, onder c), van Verordening (EU) nr. 1305/2013 voor steun zijn geselecteerd, hebben geen recht meer op deelname aan deze regeling.

2.   In afwijking van lid 1 kunnen de lidstaten bepalen dat landbouwers van wie het bedrag aan rechtstreekse betalingen uit hoofde van titel III en titel IV lager is dan het overeenkomstig artikel 63 door de lidstaat vastgestelde maximumbedrag, automatisch moeten worden opgenomen in de regeling voor kleine landbouwbedrijven, tenzij zij zich uitdrukkelijk uit de regeling terugtrekken op de door de lidstaat overeenkomstig lid 1 vastgestelde datum of in een daaropvolgend jaar. De lidstaten die van deze mogelijkheid gebruik maken, stellen de betrokken landbouwers tijdig in kennis van hun recht om zich uit de regeling terug te trekken.

3.   Elke lidstaat ziet erop toe dat een raming van het in artikel 63 bedoelde bedrag van de betaling tijdig vóór de door de lidstaat vastgestelde datum voor de indiening van een aanvraag of voor terugtrekking aan de landbouwers wordt meegedeeld.

Artikel 63

Bedrag van de betaling

1.   De lidstaten stellen het bedrag van de jaarlijkse betaling voor iedere landbouwer die deelneemt aan de regeling voor kleine landbouwbedrijven vast op een van de volgende niveaus:

a)

een bedrag van ten hoogste 25 % van de nationale gemiddelde betaling per begunstigde, dat door de lidstaten wordt vastgesteld op basis van het nationale maximum dat in bijlage II voor het kalenderjaar 2019 isvermeld, en het aantal landbouwers dat in 2015 uit hoofde van artikel 33, lid 1, of artikel 36, lid 2, subsidiabele hectaren heeft aangegeven;

b)

een bedrag bestaande uit de nationale gemiddelde betaling per hectare, vermenigvuldigd met een door de lidstaten vast te stellen aantal hectaren, maar ten hoogste met vijf. De lidstaten stellen de nationale gemiddelde betaling per hectare vast op basis van het nationale maximum dat in bijlage II voor het kalenderjaar 2019 is vermeld, en het aantal subsidiabele hectaren dat in 2015 overeenkomstig artikel 33, lid 1 of artikel 36, lid 2, is aangegeven.

De in de eerste alinea, onder a) of b), bedoelde bedragen zijn niet lager dan 500 EUR en niet hoger dan 1 250 EUR.

Indien de toepassing van de de eerste alinea, onder a) en b), resulteert in een bedrag dat lager is dan 500 EUR of hoger is dan 1 250 EUR, wordt het bedrag respectievelijk naar boven of naar beneden afgerond op het minimum- of het maximumbedrag.

2.   In afwijking van lid 1 kan een lidstaat besluiten om deelnemende landbouwers:

a)

een bedrag toe te kennen dat gelijk is aan de totale waarde van de betalingen die elk jaar uit hoofde van titel III en titel IV aan de landbouwer moeten worden toegewezen; of

b)

een bedrag toe te kennen dat gelijk is aan de totale waarde van de betalingen die in 2015 uit hoofde van titel III en titel IV aan de landbouwer moeten worden toegewezen, en dat in volgende jaren door de lidstaten kan worden aangepast om evenredig rekening te houden met de wijzigingen in het nationale maximum vermeld in bijlage II.

Het bedrag bedoeld in de eerste alinea, onder a) of b) is niet hoger dan een door die lidstaat vastgesteld bedrag tussen 500 EUR en 1 250 EUR.

Indien de aanvraag bedoeld in de eerste alinea, onder a) of b), resulteert in een bedrag dat lager is dan 500 EUR, kunnen de lidstaten besluiten het bedrag af te ronden naar 500 EUR.

3.   In afwijking van de leden 1 en 2, mag het in die leden bedoelde bedrag in Cyprus, Kroatië, Malta en Slovenië worden vastgesteld op minder dan 500 EUR, maar niet minder dan 200 EUR, respectievelijk 50 EUR voor Malta.

Artikel 64

Bijzondere voorwaarden

1.   Tijdens de deelname aan de regeling voor kleine landbouwbedrijven wordt door de betrokken landbouwers:

a)

ten minste een aantal subsidiabele hectaren aangehouden dat overeenstemt met het aantal in eigenodm of gehuurde betalingsrechten waarover zij beschikken, of met het aantal subsidiabele hectaren dat zij in 2015 overeenkomstig artikel 36, lid 2 aangeven;

b)

voldaan aan de in artikel 10, lid 1, onder b), vastgestelde minimumeis.

2.   Betalingsrechten die uit hoofde van de artikelen 32 en 33 in 2015 zijn geactiveerd door een landbouwer die aan de regeling voor kleine landbouwbedrijven deelneemt, worden beschouwd als geactiveerde betalingsrechten zolang de landbouwer aan deze regeling deelneemt.

De in eigendom of gehuurde betalingsrechten waarover de landbouwer gedurende de deelname aan deze regeling beschikt, worden niet beschouwd als niet-gebruikte betalingsrechten die overeenkomstig artikel 31, lid 1, onder b), aan de nationale reserve of regionale reserves moeten vervallen.

In de lidstaten die artikel 36 toepassen, worden de subsidiabele hectaren die in 2015 overeenkomstig artikel 36, lid 2, worden aangegeven door een landbouwer die aan de regeling voor kleine landbouwbedrijven deelneemt, beschouwd als aangegeven voor de duur van de deelneming van de landbouwer aan die regeling.

3.   In afwijking van artikel 34 zijn betalingsrechten van landbouwers die aan de regeling voor kleine landbouwbedrijven deelnemen niet overdraagbaar, behalve bij vererving en verwachte vererving.

Landbouwers die door middel van vererving of verwachte vererving betalingsrechten ontvangen van een landbouwer die aan de regeling voor kleine landbouwbedrijven deelneemt, komen voor deelname aan deze regeling in aanmerking mits zij voldoen aan de eisen van de basisbetalingsregeling en zij alle betalingsrechten erven van de landbouwer van wie zij de betalingsrechten ontvangen.

4.   De leden 1 en 2 alsmede lid 3, eerste alinea, zijn niet van toepassing indien een lidstaat opteert voor de in artikel 63, lid 2, eerste alinea, onder a), vastgestelde betalingsmethode zonder artikel 63, lid 2, derde alinea, toe te passen.

5.   Ter wille van de rechtszekerheid is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 70 gedelegeerde handelingen vast te stellen waarin de voorwaarden voor deelname aan de regeling bij verandering van de situatie van de deelnemende landbouwer worden vastgelegd.

Artikel 65

Financiële bepalingen

1.   Voor de financiering van de in deze titel bedoelde betaling brengen de lidstaten op de totaalbedragen die voor de desbetreffende betalingen beschikbaar zijn, de bedragen in mindering waarop de kleine landbouwbedrijven recht zouden hebben gehad:

a)

uit hoofde van de basisbetalingsregeling of de regeling inzake een enkele areaalbetaling als bedoeld in titel III, hoofdstuk 1;

b)

als herverdelingsbetalings bedoeld in titel III, hoofdstuk 2;

c)

als betaling voor klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken bedoeld in titel III, hoofdstuk 3;

d)

als betaling voor gebieden met natuurlijke beperkingen bedoeld in titel III, hoofdstuk 4;

e)

als betaling voor jonge landbouwers bedoeld in titel III, hoofdstuk 5, en

f)

als gekoppelde steun bedoeld in titel IV.

In de lidstaten die ervoor hebben gekozen het bedrag van de betaling overeenkomstig artikel 63, lid 2, eerste alinea, onder a), te berekenen, wordt, indien de som van deze bedragen voor een individuele landbouwer het door hen vastgestelde maximumbedrag overschrijdt, elk bedrag proportioneel verlaagd.

2.   Het verschil tussen de som van alle betalingen die in het kader van de regeling voor kleine landbouwbedrijven verschuldigd zijn, en het totale bedrag dat overeenkomstig de eerste alinea wordt gefinancierd, wordt op een of meer van de volgende wijzen gefinancierd:

a)

door in het betreffende jaar artikel 30, lid 7, toe te passen;

b)

door de middelen voor de financiering van de in titel III, hoofdstuk 5, vastgestelde betaling voor jonge landbouwers te gebruiken die onbenut zijn gebleven in het desbetreffende jaar;

c)

door een lineaire verlaging toe te passen op alle betalingen die overeenkomstig artikel 32 of artikel 36 moeten worden toegekend.

3.   Behalve indien de lidstaat ervoor heeft gekozen om het bedrag van de jaarlijkse betaling overeenkomstig artikel 63, lid 2, eerste alinea, onder a), vast te stellen, blijven de elementen op basis waarvan de in lid 1 van dit artikel bedoelde bedragen worden vastgesteld, dezelfde voor de gehele duur van de deelneming van de landbouwer aan de regeling voor kleine landbouwbedrijven.

4.   Indien het totale bedrag aan betalingen dat in het kader van de regeling voor kleine landbouwbedrijven verschuldigd is, meer dan 10 % van het in bijlage II vermelde jaarlijkse nationale maximum beloopt, passen de lidstaten op de overeenkomstig deze titel te betalen bedragen een lineaire verlaging toe om ervoor te zorgen dat dit percentage in acht wordt genomen, tenzij zij het bedrag van de betaling overeenkomstig artikel 63, lid 2, eerste alinea, onder a), hebben vastgesteld zonder de derde alinea van artikel 63, lid 2, toe te passen.

Dezelfde uitzondering geldt voor de lidstaten die het bedrag van de betaling overeenkomstig artikel 63, lid 2, eerste alinea, onder b), hebben vastgesteld zonder de derde alinea van artikel 63, lid 2, toe te passen, wier nationaal maximum zoals vermeld in bijlage II voor het jaar 2019 hoger is dan voor het jaar 2015, en die de in artikel 25, lid 1, of in artikel 36, lid 2, bedoelde berekeningsmethode toepassen.

TITEL VI

NATIONALE HERSTRUCTURERINGSPROGRAMMA'S VOOR DE KATOENSECTOR

Artikel 66

Gebruik van de jaarlijkse begroting voor herstructureringsprogramma's

1.   Bij de lidstaten die artikel 4, lid 1, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 637/2008 hebben toegepast, wordt de desbetreffende jaarlijkse begroting die uit hoofde van artikel 5, lid 1, van die verordening beschikbaar is, met ingang van 1 januari 2014 overgebracht en vormt zij aanvullende EU-middelen voor maatregelen in het kader van plattelandsontwikkelingsprogramma's die in het kader van Verordening (EU) nr. 1305/2013 worden gefinancierd.

2.   Bij de lidstaten die artikel 4, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 637/2008 hebben toegepast, wordt het desbetreffende jaarlijkse bedrag dat uit hoofde van artikel 5, lid 1, van die verordening beschikbaar is, met ingang van 1 januari 2017 opgenomen in hun nationale maximum zoals vermeld in bijlage II bij de onderhavige verordening.

TITEL VII

SLOTBEPALINGEN

HOOFDSTUK 1

Kennisgevingen en noodsituaties

Artikel 67

Meldingseisen

1.   Teneinde ervoor te zorgen dat de voorschriften in deze verordening correct worden toegepast, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 70 gedelegeerde handelingen vast te stellen inzake de maatregelen die nodig zijn met betrekking tot de kennisgevingen die de lidstaten aan de Commissie moeten doen voor de toepassing van deze verordening of voor de controle, monitoring, evaluatie en audit van rechtstreekse betalingen en voor het voldoen aan de eisen van bij besluit van de Raad gesloten internationale overeenkomsten, waaronder kennisgevingseisen in het kader van deze overeenkomsten. Hierbij houdt de Commissie rekening met de gegevensbehoeften en de synergieën tussen potentiële gegevensbronnen.

De verkregen informatie kan zo nodig worden doorgezonden naar of beschikbaar worden gesteld aan internationale organisaties en aan de bevoegde autoriteiten van derde landen en kan openbaar worden gemaakt, zulks met inachtneming van de bescherming van persoonsgegevens en het rechtmatige belang van de ondernemingen bij de bescherming van hun zakengeheimen.

2.   Teneinde de in lid 1 bedoelde kennisgevingen snel, efficiënt, nauwkeurig en kosteneffectief te doen, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 70 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot vaststelling van nadere voorschriften inzake:

a)

de soort en de aard van de te melden informatie;

b)

de categorieën te verwerken gegevens en de maximale bewaartermijnen;

c)

de rechten van toegang tot de beschikbaar gestelde informatie of informatiesystemen;

d)

de voorwaarden voor bekendmaking van de informatie.

3.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast inzake:

a)

de wijze van kennisgeving;

b)

voorschriften voor de verstrekking van de informatie die voor de toepassing van dit artikel vereist is;

c)

de regelingen voor het beheer van de te melden informatie, alsmede voorschriften betreffende de inhoud, de vorm, de planning, de frequentie en de termijnen van de kennisgevingen;

d)

regelingen voor het doorzenden naar of het beschikbaar stellen van informatie en documenten aan de lidstaten, internationale organisaties, de bevoegde autoriteiten van derde landen of het publiek, zulks met inachtneming van de bescherming van persoonsgegevens en het rechtmatige belang van de ondernemingen bij de bescherming van hun zakengeheimen.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 71, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 68

Verwerking en bescherming van persoonsgegevens

1.   De lidstaten en de Commissie verzamelen persoonsgegevens voor de in artikel 67, lid 1, bedoelde doeleinden. Zij verwerken deze gegevens op geen enkele wijze die onverenigbaar is met deze doeleinden.

2.   Indien persoonsgegevens worden verwerkt voor de monitorings- en evaluatiedoeleinden bedoeld in artikel 67, lid 1, worden zij geanonimiseerd en uitsluitend in geaggregeerde vorm verwerkt.

3.   Persoonsgegevens worden verwerkt overeenkomstig Richtlijn 95/46/EG en Verordening (EG) nr. 45/2001. Met name mogen die gegevens in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkenen te identificeren, niet langer worden bewaard dan noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doeleinden waarvoor zij worden verzameld of vervolgens worden verwerkt, rekening houdend met de minimumtermijnen voor bewaring die in het toepasselijke nationale recht en het Unierecht zijn vastgesteld.

4.   De lidstaten stellen de betrokkenen ervan in kennis dat hun persoonsgegevens door nationale en uniale instanties overeenkomstig lid 1 kunnen worden verwerkt, en dat zij in dit verband de rechten genieten die zijn vastgesteld in respectievelijk Richtlijn 95/46/EG en Verordening (EG) nr. 45/2001.

5.   Op dit artikel zijn de artikelen 111 tot en met 114 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van toepassing.

Artikel 69

Maatregelen om specifieke problemen op te lossen

1.   Om specifieke problemen op te lossen, stelt de Commissie uitvoeringshandelingen vast die in een spoedeisende situatie noodzakelijk en te rechtvaardigen zijn. Deze uitvoeringshandelingen mogen van deze verordening afwijken, doch slechts voor zover en zolang dat strikt noodzakelijk is. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 71, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

2.   Indien naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie dit vereisen, en om specifieke problemen op te lossen en daarbij de continuïteit van het systeem van rechtstreekse betalingen te waarborgen, stelt de Commissie onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast overeenkomstig de in artikel 71, lid 3, bedoelde procedure.

3.   Uit hoofde van lid 1 of lid 2 vastgestelde maatregelen blijven gedurende een periode van ten hoogste twaalf maanden van kracht. Indien de in lid 1 of lid 2 bedoelde specifieke problemen na afloop van deze periode voortduren, kan de Commissie met het oog op een definitieve oplossing passende wetgevingsvoorstellen indienen.

4.   De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad uiterlijk twee werkdagen na de vaststelling in kennis van iedere uit hoofde van lid 1 of lid 2 vastgestelde maatregel.

HOOFDSTUK 2

Delegatie van bevoegdheden en uitvoeringsbepalingen

Artikel 70

Uitoefening van de delegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 2, artikel 4, lid 3, artikel 6, lid 3, artikel 7, lid 3, artikel 8, lid 3, artikel 9, lid 5, artikel 20, lid 6, artikel 35, artikel 36, lid 6, artikel 39, lid 3, artikel 43, lid 12, artikel 44, lid 5, artikel 45, leden 5 en 6, artikel 46, lid 9, artikel 50, lid 11, artikel 52, lid 9, artikel 57, lid 3, artikel 58, lid 5, artikel 59, lid 3, artikel 64, lid 5, artikel 67, leden 1 en 2, en artikel 73 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van zeven jaar met ingang van 1 januari 2014. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van zeven jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.   Het europees Parlement of de Raad kan de in artikel 2, artikel 4, lid 3, artikel 6, lid 3, artikel 7, lid 3, artikel 8, lid 3, artikel 9, lid 5, artikel 20, lid 6, artikel 35, artikel 36, lid 6, artikel 39, lid 3, artikel 43, lid 12, artikel 44, lid 5, artikel 45, leden 5 en 6, artikel 46, lid 9, artikel 50, lid 11, artikel 52, lid 9, artikel 57, lid 3, artikel 58, lid 5, artikel 59, lid 3, artikel 64, lid 5, artikel 67, leden 1 en 2, en artikel 73 bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het besluit wordt van kracht op de dag na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie in werking of op daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.   Een uit hoofde van artikel 2, artikel 4, lid 3, artikel 6, lid 3, artikel 7, lid 3, artikel 8, lid 3, artikel 9, lid 5, artikel 20, lid 6, artikel 35, artikel 36, lid 6, artikel 39, lid 3, artikel 43, lid 12, artikel 44, lid 5, artikel 45, leden 5 en 6, artikel 46, lid 9, artikel 50, lid 11, artikel 52, lid 9, artikel 57, lid 3, artikel 58, lid 5, artikel 59, lid 3, artikel 64, lid 5, artikel 67, leden 1 en 2, en artikel 73 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of van de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 71

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité met de naam "Comité voor rechtstreekse betalingen". Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Voor de in artikel 24, lid 11, artikel 31, lid 2, en artikel 67, lid 3, bedoelde handelingen stelt de Commissie, indien door het comité geen advies wordt uitgebracht, de ontwerpuitvoeringshandeling niet vast en is artikel 5, lid 4, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 8 van Verordening (EU) nr. 182/2011, in samenhang met artikel 5 daarvan, van toepassing.

HOOFDSTUK 3

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 72

Intrekkingen

1.   Verordening (EG) nr. 637/2008 wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2014.

Zij blijft evenwel tot en met 31 december 2017 van toepassing voor de lidstaten die gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid die in artikel 4, lid 1, tweede alinea, van die verordening wordt geboden.

2.   Verordening (EG) nr. 73/2009 wordt ingetrokken.

Onverminderd lid 3 gelden verwijzingen naar de ingetrokken verordening als verwijzingen naar de onderhavige verordening of Verordening (EU) nr. 1306/2013 en worden deze gelezen volgens de concordantietabel in bijlage XI bij deze verordening.

3.   De verwijzingen in deze verordening naar Verordening (EG) nr. 73/2009 en Verordening (EG) nr. 1782/2003 worden gelezen als verwijzingen naar die verordeningen zoals die golden tot de intrekking ervan.

Artikel 73

Overgangsbepalingen

Teneinde een vlotte overgang van de bij Verordening (EG) nr. 73/2009 ingestelde regelingen naar die van de onderhavige verordening te waarborgen, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 70 gedelegeerde handelingen vast te stellen inzake de maatregelen die nodig zijn om verworven rechten en gewettigd vertrouwen van landbouwers te beschermen.

Artikel 74

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2015.

Artikel 8, artikel 9, lid 6, artikel 11, lid 6, artikel 14, artikel 16, artikel 21, leden 2 en 3, artikel 22, lid 2, artikel 23, lid 1, eerste alinea, artikel 23, lid 6, artikel 24, lid 10, artikel 29, artikel 36, lid 1, eerste alinea, artikel 41, lid 1, artikel 42, lid 1, artikel 43, lid 8 en 13, artikel 45, lid 2, vijfde alinea, artikel 46, leden 2 en 8, artikel 49, lid 1, artikel 51, lid 1, artikel 53, artikel 54, artikel 66, lid 1, de artikelen 67 en 70 en artikel 72, lid 1, zijn evenwel van toepassing vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 december 2013.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

V. JUKNA


(1)  Advies van 8 maart 2012 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  PB C 191 van 29.6.2012, blz. 116 en PB C 44 van 15.2.2013, blz. 159.

(3)  PB C 225 van 27.7.2012, blz. 174.

(4)  Standpunt van het Europees Parlement van 20 november 2013 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad)

(5)  Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1290/2005, (EG) nr. 247/2006, (EG) nr. 378/2007 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1782/2003 (PB L 30 van 31.1.2009, blz. 16).

(6)  Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (Zie bladzijde 549 van dit Publicatieblad).

(7)  Verordening (EU) nr. 228/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 13 maart 2013 houdende specifieke maatregelen op landbouwgebied ten behoeve van de ultraperifere gebieden van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 247/2006 van de Raad (PB L 78 van 20.3.2013, blz. 23).

(8)  Verordening (EU) nr. 229/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 13 maart 2013 houdende vaststelling van specifieke maatregelen voor de landbouw ten behoeve van de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1405/2006 van de Raad (PB L 78 van 20.3.2013, blz. 41).

(9)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(10)  Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en houdende wijziging van de Verordeningen (EEG) nr. 2019/93, (EG) nr. 1452/2001, (EG) nr. 1453/2001, (EG) nr. 1454/2001, (EG) nr. 1868/94, (EG) nr. 1251/1999, (EG) nr. 1254/1999, (EG) nr. 1673/2000, (EEG) nr. 2358/71 en (EG) nr. 2529/2001 (PB L 270 van 21.10.2003, blz. 1). Verordening ingetrokken bij en vervangen door Verordening (EG) nr. 73/2009.

(11)  Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) (PB L 277 van 21.10.2005, blz. 1).

(12)  Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (Zie bladzijde 487 van dit Publicatieblad).

(13)  Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7).

(14)  Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7).

(15)  Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).

(16)  Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad van 28 juni 2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2092/91 (PB L 189 van 20.7.2007, blz. 1).

(17)  Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad van 23 juni 2008 houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1782/2003 houdende vaststelling van nationale herstructureringsprogramma's voor de katoensector (PB L 178 van 5.7.2008, blz. 1).

(18)  Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31).

(19)  Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).

(20)  PB L 35 van 9.2.2012, blz. 1.

(21)  Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1601/96, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 (Zie bladzijde 671 van dit Publicatieblad).

(22)  Verordening (EG) nr. 1122/2009 van de Commissie van 30 november 2009 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem in het kader van de bij verordening ingestelde regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers en ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden in het kader van de steunregeling voor de wijnsector (PB L 316 van 2.12.2009, blz. 65).


BIJLAGE I

Lijst van steunregelingen

Sector

Rechtsgrondslag

Opmerkingen

Basisbetalingsregeling

Titel III, hoofdstuk 1, afdelingen 1,2, 3 en 5 van deze verordening

Ontkoppelde betaling

Regeling inzake een enkele areaalbetaling

Artikel 36 van deze verordening

Ontkoppelde betaling

Herverdelingsbetaling

Titel III, hoofdstuk 2, van deze verordening

Ontkoppelde betaling

Betaling voor klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken

Titel III, hoofdstuk 3, van deze verordening

Ontkoppelde betaling

Betaling voor gebieden met natuurlijke beperkingen

Titel III, hoofdstuk 4, van deze verordening

Ontkoppelde betaling

Betaling voor jonge landbouwers

Titel III, hoofdstuk 5, van deze verordening

Ontkoppelde betaling

Vrijwillige gekoppelde steun

Titel IV, hoofdstuk 1, van deze verordening

 

Gewasspecifieke betaling voor katoen

Titel IV, hoofdstuk 2, van deze verordening

Areaalsteun

Regelingvoor kleine landbouwbedrijven

Titel V van deze verordening

Ontkoppelde betaling

Posei

Hoofdstuk IV van Verordening (EU) nr. 228/2013

Rechtstreekse betalingen in het kader van in de programma's vastgestelde maatregelen

Eilanden in de Egeïsche Zee

Hoofdstuk IV van Verordening (EU) nr. 229/2013

Rechtstreekse betalingen in het kader van in de programma's vastgestelde maatregelen


BIJLAGE II

Nationale maxima bedoeld in artikel 6

(in duizenden EUR)

Kalenderjaar

 

2015

2016

2017

2018

2019 en het daaropvolgende jaar

België

 

536 076

528 124

520 170

512 718

505 266

Bulgarije

 

721 251

792 449

793 226

794 759

796 292

Tsjechië

 

874 484

873 671

872 830

872 819

872 809

Denemarken

 

916 580

907 108

897 625

889 004

880 384

Duitsland

 

5 144 264

5 110 446

5 076 522

5 047 458

5 018 395

Estland

 

121 870

133 701

145 504

157 435

169 366

Ierland

 

1 215 003

1 213 470

1 211 899

1 211 482

1 211 066

Griekenland

 

2 039 122

2 015 116

1 991 083

1 969 129

1 947 177

Spanje

 

4 842 658

4 851 682

4 866 665

4 880 049

4 893 433

Frankrijk

 

7 553 677

7 521 123

7 488 380

7 462 790

7 437 200

Kroatië (1)

 

130 550

149 200

186 500

223 800

261 100

Italië

 

3 902 039

3 850 805

3 799 540

3 751 937

3 704 337

Cyprus

 

50 784

50 225

49 666

49 155

48 643

Letland

 

195 649

222 363

249 020

275 887

302 754

Litouwen

 

417 890

442 510

467 070

492 049

517 028

Luxemburg

 

33 603

33 545

33 486

33 459

33 431

Hongarije

 

1 271 593

1 270 410

1 269 187

1 269 172

1 269 158

Malta

 

5 127

5 015

4 904

4 797

4 689

Nederland

 

780 815

768 340

755 862

744 116

732 370

Oostenrijk

 

693 065

692 421

691 754

691 746

691 738

Polen

 

2 987 267

3 004 501

3 021 602

3 041 560

3 061 518

Portugal

 

565 816

573 954

582 057

590 706

599 355

Roemenië

 

1 629 889

1 813 795

1 842 446

1 872 821

1 903 195

Slovenië

 

137 987

136 997

136 003

135 141

134 278

Slowakije

 

380 680

383 938

387 177

390 781

394 385

Finland

 

523 333

523 422

523 493

524 062

524 631

Zweden

 

696 890

697 295

697 678

698 723

699 768

Verenigd Koninkrijk

 

3 555 915

3 563 262

3 570 477

3 581 080

3 591 683


(1)  Voor Kroatië is het nationale maximum voor kalenderjaar 2020 vastgesteld op 298 400 000 EUR, voor 2021 op 335 700 000 EUR en voor 2022 op 373 000 000 EUR.


BIJLAGE III

Nationale maxima bedoeld in artikel 7

(in miljoenen EUR)

Kalenderjaar

 

2015

2016

2017

2018

2019 en het daaropvolgende jaar

België

 

536,1

528,1

520,2

512,7

505,3

Bulgarije

 

723,6

795,1

795,8

797,4

798,9

Tsjechië

 

874,5

873,7

872,8

872,8

872,8

Denemarken

 

916,6

907,1

897,6

889,0

880,4

Duitsland

 

5 144,3

5 110,4

5 076,5

5 047,5

5 018,4

Estland

 

121,9

133,7

145,5

157,4

169,4

Ierland

 

1 215,0

1 213,5

1 211,9

1 211,5

1 211,1

Griekenland

 

2 227,0

2 203,0

2 178,9

2 157,0

2 135,0

Spanje

 

4 903,6

4 912,6

4 927,6

4 941,0

4 954,4

Frankrijk

 

7 553,7

7 521,1

7 488,4

7 462,8

7 437,2

Kroatië (1)

 

130,6

149,2

186,5

223,8

261,1

Italië

 

3 902,0

3 850,8

3 799,5

3 751,9

3 704,3

Cyprus

 

50,8

50,2

49,7

49,2

48,6

Letland

 

195,6

222,4

249,0

275,9

302,8

Litouwen

 

417,9

442,5

467,1

492,0

517,0

Luxemburg

 

33,6

33,5

33,5

33,5

33,4

Hongarije

 

1 271,6

1 270,4

1 269,2

1 269,2

1 269,2

Malta

 

5,1

5,0

4,9

4,8

4,7

Nederland

 

780,8

768,3

755,9

744,1

732,4

Oostenrijk

 

693,1

692,4

691,8

691,7

691,7

Polen

 

2 987,3

3 004,5

3 021,6

3 041,6

3 061,5

Portugal

 

566,0

574,1

582,2

590,9

599,5

Roemenië

 

1 629,9

1 813,8

1 842,4

1 872,8

1 903,2

Slovenië

 

138,0

137,0

136,0

135,1

134,3

Slowakije

 

380,7

383,9

387,2

390,8

394,4

Finland

 

523,3

523,4

523,5

524,1

524,6

Zweden

 

696,9

697,3

697,7

698,7

699,8

Verenigd Koninkrijk

 

3 555,9

3 563,3

3 570,5

3 581,1

3 591,7


(1)  Voor Kroatië is het nettomaximum voor kalenderjaar 2020 vastgesteld op 298 400 000 EUR, voor 2021 op 335 700 000 EUR en voor 2022 op 373 000 000 EUR.


BIJLAGE IV

Limieten voor de aanpassing van de drempels bedoeld in artikel 10, lid 2

Lidstaat

Limiet voor de drempel in EUR

(artikel 10, lid 1, onder a))

Limiet voor de drempel in hectare

(artikel 10, lid 1, onder b))

België

400

2

Bulgarije

200

0,5

Tsjechië

200

5

Denemarken

300

5

Duitsland

300

4

Estland

100

3

Ierland

200

3

Griekenland

400

0,4

Spanje

300

2

Frankrijk

300

4

Kroatië

100

1

Italië

400

0,5

Cyprus

300

0,3

Letland

100

1

Litouwen

100

1

Luxemburg

300

4

Hongarije

200

0,3

Malta

500

0,1

Nederland

500

2

Oostenrijk

200

2

Polen

200

0,5

Portugal

200

0,3

Roemenië

200

0,3

Slovenië

300

0,3

Slowakije

200

2

Finland

200

3

Zweden

200

4

Verenigd Koninkrijk

200

5


BIJLAGE V

Financiële bepalingen die van toepassing zijn op Bulgarije en Roemenië, als bedoeld in de artikelen 10, 16 en 18

A.

Bedragen voor de toepassing van artikel 10, lid 1, onder a) en ter berekening van de nationale maxima voor betalingen, als bedoeld in artikel 16 in 2015:

Bulgarije

:

790 909 000 EUR

Roemenië

:

1 783 426 000 EUR

B.

Totaal bedrag aan aanvullende nationale rechtstreekse betalingen bovenop de basisbetalingsregeling, als bedoeld in artikel 18, lid 1 in 2015:

Bulgarije

:

69 657 000 EUR

Roemenië

:

153 536 000 EUR

C.

Totaal bedrag aan aanvullende nationale rechtstreekse betalingen bovenop de gewasspecifieke betaling voor katoen, als bedoeld in artikel 18, lid 2 in 2015:

Bulgarije

:

258 952 EUR


BIJLAGE VI

Financiële bepalingen die van toepassing zijn op Kroatië, als bedoeld in de artikelen 10 en 19

A.

Bedrag voor de toepassing van artikel 10, lid, onder a):

373 000 000 EUR

B.

Totaal bedrag aan aanvullende nationale rechtstreekse betalingen, als bedoeld in artikel 19, lid 3:

(in duizenden EUR)

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

242 450

223 800

186 500

149 200

111 900

74 600

37 300


BIJLAGE VII

Maximumbedragen waarmee de in bijlage II vermelde bedragen overeenkomstig artikel 20, lid 2, moeten worden aangevuld

(in duizenden EUR)

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

3 360

3 840

4 800

5 760

6 720

7 680

8 640

9 600


BIJLAGE VIII

Gemiddelde omvang van een landbouwbedrijf bedoeld in artikel 41, lid 4

Lidstaat

Gemiddelde omvang van een landbouwbedrijf

(in hectare)

België

29

Bulgarije

6

Tsjechië

89

Denemarken

60

Duitsland

46

Estland

39

Ierland

32

Griekenland

5

Spanje

24

Frankrijk

52

Kroatië

5,9

Italië

8

Cyprus

4

Letland

16

Litouwen

12

Luxemburg

57

Hongarije

7

Malta

1

Nederland

25

Oostenrijk

19

Polen

6

Portugal

13

Roemenië

3

Slovenië

6

Slowakije

28

Finland

34

Zweden

43

Verenigd Koninkrijk

54


BIJLAGE IX

Lijst van gelijkwaardige praktijken als bedoeld in artikel 43, lid 3

I.

Aan gewasdiversificatie gelijkwaardige praktijken:

1)

Gewasdiversificatie

Vereiste: ten minste drie gewassen, maximaal 75 % voor het belangrijkste gewas, en toepassing van een of meer van de volgende praktijken:

ten minste vier gewassen,

lagere maximumgrenzen,

een passender selectie van gewassen, zoals peulvruchten, eiwithoudende gewassen, gewassen die geen irrigatie of bestrijdingsmiddelen behoeven, waar passend

regionale rassen van oude/traditionele/bedreigde gewassoorten zijn inbegrepen op ten minste 5 % van het voor wisselbouw gebruikte areaal.

2)

Vruchtwisseling

Vereiste: ten minste drie gewassen, maximaal 75 % voor het belangrijkste gewas, en toepassing van één van of allebei de volgende praktijken:

een milieuvriendelijker opeenvolging gedurende meerdere jaren van gewassen en/of braakland,

ten minste vier gewassen

3)

Bodembedekking in de winter (1)

4)

Vanggewassen (1)

II.

Aan instandhouding van blijvend grasland gelijkwaardige praktijken

1)

Beheer van grasland

Vereiste: instandhouding van blijvend grasland en een of meer van de volgende praktijken:

maairegeling of geschikte maaitechnieken (data, methoden, beperkingen),

instandhouding van landschapselementen op blijvend grasland en controle van struikgewas,

specifieke grassoorten en/of zaairegeling voor vernieuwing afhankelijk van het graslandtype (zonder vernietiging van hoge natuurwaarde),

ophaling van voedergewassen ofhooi,

passend beheer van steile hellingen,

meststoffenregeling,

beperkingen op bestrijdingsmiddelen.

2)

Extensieve graassystemen

Vereiste: instandhouding van blijvend grasland en een of meer van de volgende praktijken:

extensief graassysteem (tijdstip, maximale bezettingsdichtheid),

schapenhoeden of nomadische veeteelt in de bergen,

gebruik van lokale of traditionele rassen voor het begrazen van blijvend grasland.

III.

Aan het ecologisch aandachtsgebied gelijkwaardige praktijken:

Vereiste: toepassing van één van de volgende praktijken op ten minste het overeenkomstig artikel 46, lid 1, vastgestelde percentage van het bouwland

1)

Ecologische braaklegging

2)

Instelling van "bufferzones" voor gebieden met een hoge natuurwaarde, Natura 2000-gebieden of andere gebieden waar de biodiversiteit moet worden beschermd, ook langs hagen en waterlopen

3)

Beheer van braakliggende bufferstroken en akkerranden (maairegeling, lokale of specifieke grassoorten en/of zaaíregeling, opnieuw inzaaien met regionale rassen, geen gebruik van bestrijdingsmiddelen, geen gebruik van mest en/of minerale meststoffen), geen irrigatie, geen bodemafdekking

4)

Inrichting op de velden van stroken voor in het wild levende diersoorten of specifieke fauna (stroken met kruidachtigen, bescherming van nesten, stroken met wilde bloemen, mengsel van lokale zaden, niet-geoogste gewassen)

5)

Instandhouding (snoeien, beknotten, data, methoden, herstel) van landschapselementen (bomen, hagen, houtachtige vegetatie aan oevers, stenen muren (terrassen), dijken, vijvers)

6)

Instandhouding van gras op venige of vochtige bodems (zonder gebruik te maken van meststoffen en zonder gebruik te maken bestrijdingsmiddelen)

7)

Productie op bouwland zonder gebruik te maken van (minerale) meststoffen en/of bestrijdingsmiddelen, en zonder irrigatie, waarbij eenzelfde gewas niet gedurende twee opeenvolgende jaren op een vaste plaats wordt ingezaaid (1)

8)

Omschakeling van bouwland naar extensief gebruikt blijvend grasland


(1)  Praktijken krachtens de in artikel 43, lid 12, onder c), bedoelde berekening.


BIJLAGE X

Omzettings- en wegingsfactoren als bedoeld in artikel 46, lid 3

Kenmerken

Omzettings-factor

Wegings-factor

Ecologisch aandachts-gebied

Braakliggend land

 

 

 

Terrassen

 

 

 

Landschapselementen

 

 

 

Bufferstroken

 

 

 

Hectaren van agro-bosbouw

 

 

 

Stroken subsidiabele hectaren langs bosranden

 

 

 

Areaal met hakhout met korte omlooptijd

 

 

 

Beboste gebieden als bedoeld in artikel 32, lid 2, onder b), ii)

 

 

 

Arealen met tussenteelten of groenbedekking

 

 

 

Arealen met stikstofbindende gewassen

 

 

 


BIJLAGE XI

Concordantietabel

waarnaar verwezen wordt in artikel 72, lid 2

Verordening (EG) nr. 73/2009

Deze verordening

Verordening (EU) nr. 1306/2013

Artikel 1

Artikel 1

Artikel 2

Artikel 4

Artikel 3

Artikel 5

Artikel 4, lid 1

Artikel 91

Artikel 4, lid 2

Artikel 95

Artikel 5

Artikel 93

Artikel 6, lid 1

Artikel 94

Artikel 6, lid 2

Artikel 7

Artikel 8

Artikel 7

Artikel 9

Artikel 10

Artikel 10 bis

Artikel 10 ter

Artikel 10 quater

 

Artikel 10,quinquies

Artikel 11

Artikel 8

Artikel 26, leden 1 en 2

Artikel 11, lid 3

Artikel 8, lid 2

Artikel 11 bis

Artikel 8, lid 3

Artikel 12, leden 1 en 2

Artikel 12

Artikel 12, lid 3

Artikel 14

Artikel 12, lid 4

Artikel 13

Artikel 13, lid 2

Artikel 14

Artikel 67

Artikel 15

Artikel 68, leden 1 en 2

Artikel 16

Artikel 69

Artikel 17

Artikel 70

Artikel 18

Artikel 71

Artikel 19

Artikel 72

Artikel 20

Artikel 74, leden 1,2 en 3

Artikel 21

Artikel 74, lid 4

Artikel 22

Artikel 96

Artikel 23

Artikel 97

Artikel 24

Artikel 99

Artikel 25

Artikel 100

Artikel 26

Artikel 61

Artikel 27, lid 1

Artikel 102, lid 3

Artikel 27, lid 2

Artikel 47

Artikel 27, lid 3

Artikel 68, lid 3

Artikel 28, lid 1

Artikel 10

Artikel 28, lid 2

Artikel 9, lid 3

Artikel 28, lid 3

Artikel 31, lid 1, onder a), i) en ii)

Artikel 29

Artikel 75

Artikel 30

Artikel 60

Artikel 31

Artikel 2, lid 2

Artikel 32

Artikel 15

Artikel 33

Artikel 34, lid 2

Artikel 32, leden 2 en 4

Artikel 35

Artikel 33

Artikel 36

Artikel 37

Artikel 12

Artikel 38

Artikel 39, lid 1

Artikel 32, lid 6

Artikel 39, lid 2

Artikel 35, lid 3

Artikel 40, lid 1

Artikel 6, lid 1

Artikel 41, lid 1

Artikel 30, lid 1

Artikel 41, lid 2

Artikel 30, leden 3 en 6

Artikel 41, lid 3

Artikel 30, leden 3 en 7, onder a)

Artikel 41, lid 4

Artikel 41, lid 5

Artikel 30, lid 10

Artikel 41, lid 6

Artikel 42

Artikel 31, lid 1, onder b)

Artikel 43, lid 1

Artikel 34, leden 1, 2 en 3

Artikel 43, lid 2

 

Artikel 43, lid 3

Artikel 34, lid 4

Artikel 44

Artikel 45

Artikel 46

Artikel 47

Artikel 48

Artikel 49

Artikel 50

Artikel 51

Artikel 52

Artikel 53

Artikel 54

Artikel 55

Artikel 56

Artikel 57

Artikel 57 bis

Artikel 20 en Bijlage VII

Artikel 58

Artikel 59

Artikel 60

Artikel 61

Artikel 62

Artikel 63

Artikel 64

Artikel 65

Artikel 66

Artikel 67

Artikel 68

Artikel 69

Artikel 70

Artikel 71

Artikel 72

Artikel 73

Artikel 74

Artikel 75

Artikel 76

Artikel 77

Artikel 78

Artikel 79

Artikel 80

Artikel 81

Artikel 82

Artikel 83

Artikel 84

Artikel 85

Artikel 86

Artikel 87

Artikel 88

Artikel 56

Artikel 89

Artikel 57

Artikel 90

Artikel 58

Artikel 91

Artikel 59

Artikel 92

Artikel 60

Artikel 93

Artikel 94

Artikel 95

Artikel 96

Artikel 97

Artikel 98

Artikel 99

Artikel 100

Artikel 101

Artikel 102

Artikel 103

Artikel 104

Artikel 105

Artikel 106

Artikel 107

Artikel 108

Artikel 109

Artikel 110

Artikel 111

Artikel 112

Artikel 113

Artikel 114

Artikel 115

Artikel 116

Artikel 117

Artikel 118

Artikel 119

Artikel 120

Artikel 121

Artikelen 16 en 17

Artikel 121 bis

Artikel 98, tweede alinea

Artikel 122

Artikel 123

Artikel 124, leden 1 t/m 5, leden 7 en 8

Artikel 124, lid 6

Artikel 98, eerste alinea

Artikel 125

Artikel 126

Artikel 127

Artikel 128

Artikel 129

Artikel 130

Artikel 131

Artikel 132

Artikelen 18 en 19

Artikel 133

Artikel 133 bis

Artikel 37

Artikel 134 (geschrapt)

Artikel 135 (geschrapt)

Artikel 136

Artikel 137

Artikel 138

Artikel 3

Artikel 139

Artikel 13

Artikel 140

Artikel 67

Artikel 141

Artikel 71

Artikel 142, onder a) t/m q) en s)

Artikel 70

Artikel 142, onder r)

Artikel 69

Artikel 143

Artikel 144

Artikel 145

Artikel 146

Artikel 72

Artikel 146 bis

Artikel 147

Artikel 73

Artikel 148

Artikel 149

Artikel 74

Bijlage I

Bijlage I

Bijlage II

Bijlage II

Bijlage III

Bijlage II

Bijlage IV

Bijlage III

Bijlage V

Bijlage VI

Bijlage VII

Bijlage IV

Bijlage VIII

Bijlage II

Bijlage IX

Bijlage X

Bijlage XI

Bijlage XII

Bijlage XIII

Bijlage XIV

Bijlage XV

Bijlage XVI

Bijlage XVII

Bijlage XVII bis


Top