Help Print this page 

Document 32013R0575

Title and reference
Verordening (EU) Nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 Voor de EER relevante tekst
  • In force
OJ L 176, 27.6.2013, p. 1–337 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
Special edition in Croatian: Chapter 06 Volume 013 P. 3 - 339

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/575/oj
Languages, formats and link to OJ
BG ES CS DA DE ET EL EN FR GA HR IT LV LT HU MT NL PL PT RO SK SL FI SV
HTML html BG html ES html CS html DA html DE html ET html EL html EN html FR html GA html HR html IT html LV html LT html HU html MT html NL html PL html PT html RO html SK html SL html FI html SV
PDF pdf BG pdf ES pdf CS pdf DA pdf DE pdf ET pdf EL pdf EN pdf FR pdf GA pdf HR pdf IT pdf LV pdf LT pdf HU pdf MT pdf NL pdf PL pdf PT pdf RO pdf SK pdf SL pdf FI pdf SV
Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal
 To see if this document has been published in an e-OJ with legal value, click on the icon above (For OJs published before 1st July 2013, only the paper version has legal value).
Multilingual display
Dates
  • Date of document: 26/06/2013
  • Date of effect: 28/06/2013; in werking datum publicatie +1 zie art 521.1
  • Date of effect: 01/01/2014; Toepassing zie art 521.2
  • Date of effect: 31/12/2014; Toepassing Gedeeltelijke toepassing zie art 521.2.c
  • Date of effect: 01/01/2015; Toepassing Gedeeltelijke toepassing zie art 521.2.a
  • Date of effect: 01/01/2016; Toepassing Gedeeltelijke toepassing zie art 521.2.b
  • Date of end of validity: 31/12/9999
Miscellaneous information
  • Author: Europees Parlement, Raad van de Europese Unie
  • Form: Verordening
  • Additional information: relevant voor de EER, COD 2011/0202
Relationship between documents
Text

27.6.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 176/1


VERORDENING (EU) Nr. 575/2013 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 26 juni 2013

betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank (1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In de G-20-verklaring "Strengthening the Financial System" van 2 april 2009 werd opgeroepen tot een internationaal samenhangende inspanning om de transparantie, de verantwoording en de regulering van de bankensector te versterken door het kapitaal in de bankensector kwantitatief en kwalitatief te verbeteren zodra het economisch herstel verzekerd is. In die verklaring werd er ook toe opgeroepen een aanvullende niet-risicogebaseerde maatstaf in te voeren om het overmatig gebruik van hefboomfinanciering in het bankwezen aan banden te leggen en een raamwerk voor sterkere liquiditeitsbuffers te ontwikkelen. Op grond van het door de G-20 verleende mandaat bereikte de Group of Central Bank Governors and Heads of Supervision (GHOS) overeenstemming over een aantal maatregelen om de regulering van het bankwezen aan te scherpen. Die maatregelen werden bekrachtigd door de leiders van de G-20 op de top van Pittsburgh van 24 en 25 september 2009 en werden in detail uitgewerkt in december 2009. In juli en september 2010 deed de GHOS twee nieuwe mededelingen over het ontwerp en de kalibratie van die nieuwe maatregelen en in december 2010 publiceerde het Bazels Comité voor bankentoezicht (Basel Committee on Banking Supervision - BCBS) de definitieve maatregelen, die bekend staan als het Bazel III-raamwerk.

(2)

De Groep op hoog niveau inzake financieel toezicht in de EU, onder voorzitterschap van Jacques de Larosière (de "de Larosière-groep"), verzocht de Unie een sterker geharmoniseerd pakket financiële regulering te ontwikkelen. In het kader van de toekomstige Europese toezichtarchitectuur onderstreepte de Europese Raad van 18 en 19 juni 2009 ook dat er één Europees "rulebook" moet worden opgesteld dat toepasselijk is voor alle kredietinstellingen en beleggingsondernemingen van de interne markt.

(3)

In het rapport van de de Larosière-groep van 25 februari 2009 (het de Larosière-rapport) is opgemerkt dat een lidstaat strengere nationale maatregelen moet kunnen vaststellen die in het betreffende land als geschikt worden beschouwd om de financiële stabiliteit te waarborgen, zolang de beginselen van de interne markt en de overeengekomen minimale basisnormen in acht worden genomen.

(4)

Richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (3) en Richtlijn 2006/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen (4) zijn herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd. Tal van bepalingen van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG zijn op zowel kredietinstellingen als beleggingsondernemingen van toepassing. Ter wille van de duidelijkheid en om een coherente toepassing van deze bepalingen te verzekeren, moeten zij worden samengevoegd in nieuwe wetgevingshandelingen die zowel op kredietinstellingen als op beleggingsondernemingen van toepassing zijn, namelijk deze verordening en Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van … (5). Ten behoeve van een grotere toegankelijkheid dienen de bepalingen van de bijlagen bij de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG in het dispositief van Richtlijn 2013/36/EU en deze verordening te worden opgenomen.

(5)

Deze verordening en Richtlijn 2013/36/EU moeten samen het juridische kader vormen dat van toepassing is op de toegang tot de werkzaamheden, het toezichtskader en de prudentiële voorschriften voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (gezamenlijk "instellingen" genoemd). Om die reden moet deze verordening in onderlinge samenhang worden gelezen met die Richtlijn.

(6)

Richtlijn 2013/36/EU, die gebaseerd is op artikel 53, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), dient onder meer te bevatten de bepalingen betreffende de toegang tot de werkzaamheden van instellingen, de nadere regels voor de governance van die instellingen en het toepasselijke toezichtskader, zoals bepalingen betreffende de vergunningverlening voor de bedrijfsuitoefening, de verwerving van gekwalificeerde deelnemingen, de uitoefening van de vrijheid van vestiging en van het recht op het vrij verrichten van diensten, en de bevoegdheden van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en de lidstaat van ontvangst in dit verband, alsook de bepalingen inzake het aanvangskapitaal en de toetsing van de kapitaalvereisten (Supervisory Review) van instellingen.

(7)

Deze verordening moet onder meer de prudentiële vereisten voor instellingen bevatten die strikt verband houden met de werking van de bancaire markt en de markt voor financiële diensten en bedoeld zijn om de financiële stabiliteit van de marktexploitanten alsook een hoge mate van bescherming van beleggers en deposanten te garanderen. Deze verordening beoogt een doorslaggevende bijdrage te leveren aan de goede werking van de interne markt en dient bijgevolg te worden gebaseerd op de bepalingen van artikel 114 VWEU, uitgelegd conform de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie.

(8)

Hoewel de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG de voorschriften van de lidstaten op het gebied van prudentieel toezicht tot op zekere hoogte hebben geharmoniseerd, bieden zij de lidstaten toch aanzienlijke keuzevrijheid en mogelijkheden om voorschriften vast te stellen die strenger zijn dan de voorschriften van die richtlijnen. Dit resulteert in dusdanige verschillen tussen nationale voorschriften dat zij het grensoverschrijdend verrichten van diensten en de vrijheid van vestiging zouden kunnen belemmeren, en zodoende een goede werking van de interne markt zouden kunnen belemmeren.

(9)

Ter wille van de rechtszekerheid en om in de Unie gelijke mededingingsvoorwaarden te kunnen garanderen, is een voor alle marktdeelnemers geldend uniform pakket regels van cruciaal belang voor de werking van de interne markt. Om marktverstoringen en regelgevingsarbitrage tegen te gaan, moet derhalve door middel van prudentiële minimumvereisten voor maximale harmonisatie worden gezorgd. Dit brengt met zich mee dat de overgangsperioden waarin deze verordening voorziet onontbeerlijk zijn voor de probleemloze uitvoering van deze verordening en om onzekerheid voor de markten te voorkomen.

(10)

Gelet op het werk dat de Standards Implementation Group (werkgroep implementatie van standaarden) van het Bazels Comité voor bankentoezicht ("Bazels Comité") verricht met betrekking tot monitoring en evaluatie van de implementatie van het Bazel III-raamwerk voor toetsingsvermogen door de landen die lid zijn van het Comité, moet de Commissie, doorlopend of althans na de publicatie van elk voortgangsverslag door het Bazels Comité, actuele informatie verstrekken over de implementatie en omzetting in nationale wetgeving van het Bazel III-raamwerk in andere belangrijke rechtsgebieden, inclusief een beoordeling van de consistentie van de wetgeving of regulering van andere landen met de internationale minimumstandaard, om verschillen op te sporen die gelijke mededingingsvoorwaarden in het gedrang zouden kunnen brengen.

(11)

Om de belemmeringen voor het handelsverkeer en de concurrentieverstoringen die voortvloeien uit verschillen tussen nationale wetgevingen weg te nemen en te voorkomen dat er nog meer belemmeringen voor het handelsverkeer en aanzienlijke concurrentieverstoringen zouden ontstaan, is het bijgevolg nodig een verordening vast te stellen ter bepaling van uniforme voorschriften die in alle lidstaten toepasselijk zijn.

(12)

Door de prudentiële vereisten in de vorm van een verordening vast te stellen, zou ervoor worden gezorgd dat deze vereisten rechtstreeks van toepassing zijn. Dit zou voor uniforme voorwaarden zorgen doordat wordt voorkomen dat nationale vereisten onderling verschillen als gevolg van de omzetting van een richtlijn. Deze verordening zou ertoe leiden dat alle instellingen in de hele Unie dezelfde voorschriften volgen, hetgeen ook zou bijdragen aan het vertrouwen in de stabiliteit van instellingen, in het bijzonder in stresssituaties. Een verordening zou ook de regulering minder complex maken en de nalevingskosten van bedrijven verminderen, in het bijzonder voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen met grensoverschrijdende werkzaamheden, en concurrentieverstoringen helpen terugdringen. Gelet op het eigen karakter van de vastgoedmarkten, die gekenmerkt worden door economische ontwikkelingen en rechtsmachtverschillen die specifiek zijn voor lidstaten, regio's en lokale gebieden, moeten de bevoegde autoriteiten op basis van de wanbetalingservaring en verwachte marktontwikkelingen in bepaalde gebieden hogere risicogewichten kunnen vaststellen of striktere criteria kunnen toepassen voor blootstellingen gedekt met zekerheid in de vorm van vastgoed.

(13)

Op gebieden die niet door deze verordening worden bestreken, zoals dynamische voorzieningen, voorschriften inzake nationale regelingen voor gedekte obligaties die geen verband houden met de behandeling van gedekte obligaties volgens de voorschriften van deze verordening, het verwerven en houden van deelnemingen binnen en buiten de financiële sector voor doeleinden die geen verband houden met de prudentiële vereisten van deze verordening, dienen de bevoegde autoriteiten of de lidstaten nationale voorschriften te kunnen opleggen, voor zover die niet onverenigbaar zijn met deze verordening.

(14)

De voornaamste in de Unie opgevolgde aanbevelingen van het rapport Larosière waren de opstelling van één "rulebook" en de schepping van een Europees kader voor macroprudentieel toezicht, die tot doel hadden in combinatie de financiële stabiliteit te waarborgen. Het "rulebook" staat in voor een robuust en uniform regelgevingskader ter bevordering van de werking van de interne markt en belet dat zich mogelijkheden tot regelgevingsarbitrage voordoen. Binnen de interne markt voor financiële diensten kunnen macroprudentiële risico's echter op tal van manieren van elkaar verschillen, met een scala van nationale specifieke factoren, waardoor er variaties kunnen optreden bijvoorbeeld inzake de structuur en de omvang van de bancaire sector in vergelijking met de algehele economie en de kredietcyclus.

(15)

Deze verordening en Richtlijn 2013/36/EU zijn uitgerust met tal van instrumenten ter voorkoming en limitering van macroprudentiële en systeemrisico's, en zorgen aldus voor flexibiliteit terwijl zij tevens garanderen dat het gebruik van die instrumenten adequaat wordt gecontroleerd zodat het functioneren van de interne markt niet belemmerd wordt, en er voorts voor zorgen dat die instrumenten op transparante en samenhangende wijze worden gebruikt.

(16)

Naast het in Richtlijn 2013/36/EU opgenomen instrument van de systeemrisicobuffer, moeten, indien macroprudentiële of systeemrisico's een lidstaat aangaan, de aangewezen autoriteiten van de betrokken lidstaat de mogelijkheid hebben die risico's met bepaalde specifieke individuele maatregelen te ondervangen wanneer dat voor de bestrijding van dat risico doeltreffender wordt geacht. Het Europees comité voor systeemrisico's ("ESRB") dat is opgericht bij Verordening (EU) nr. 1092/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 (6) en de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit) ("EBA") die is opgericht bij Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 (7) moeten in de gelegenheid worden gesteld adviezen te verstrekken waarin wordt beoordeeld of de voorwaarden voor dergelijke nationale macroprudentiële maatregelen vervuld zijn, en er moet worden voorzien in een mechanisme van de Unie waarmee wordt belet dat de nationale maatregelen worden genomen indien er zeer sterke aanwijzingen zijn dat niet aan de toepasselijke voorwaarden is voldaan. Hoewel bij deze verordening uniforme microprudentiële voorschriften voor instellingen worden vastgesteld, blijft voor de lidstaten een aansturende rol in het macroprudentieel toezicht weggelegd, vanwege hun deskundigheid en hun bestaande verantwoordelijkheden met betrekking tot financiële stabiliteit. In dit specifieke geval moet, nu het besluit tot vaststelling van nationale macroprudentiële maatregelen bepaalde beoordelingen omvat met betrekking tot risico's die uiteindelijk van invloed kunnen zijn op de macro-economische, fiscale en budgettaire situatie van de lidstaat in kwestie, de bevoegdheid tot afwijzing van de voorgenomen nationale macroprudentiële maatregelen overeenkomstig artikel 291 VWEU worden toegekend aan de Raad, die besluit op voorstel van de Commissie.

(17)

Indien de Commissie bij de Raad een voorstel tot afwijzing van nationale macroprudentiële maatregelen heeft ingediend, moet de Raad dat voorstel onverwijld bestuderen en besluiten of de nationale maatregelen al dan niet worden afgewezen. Overeenkomstig het reglement van orde van de Raad (8) kan door een lidstaat of door de Commissie een stemming worden gevraagd. Overeenkomstig artikel 296 VWEU dient de Raad zijn besluit met betrekking tot de in deze verordening aan zijn optreden gestelde voorwaarden met redenen te omkleden. Gezien het belang van het macroprudentiële en het systeemrisico voor de financiële markt van de lidstaat in kwestie en de daaruit voortvloeiende noodzaak snel te reageren, is het belangrijk dat de termijn waarbinnen de Raad moet besluiten op één maand wordt bepaald. Indien de Raad, na uitvoerige bestudering van het door de Commissie ingediende voorstel tot afwijzing van de voorgenomen nationale maatregelen, tot de conclusie komt dat de in deze verordening neergelegde voorwaarden voor het afwijzen van de nationale maatregelen niet vervuld zijn, dient hij zijn besluit steeds op duidelijke en ondubbelzinnige wijze met redenen te omkleden.

(18)

Tot aan de harmonisatie van de liquiditeitsvereisten in 2015 en van de hefboomratio in 2018 kunnen de lidstaten deze maatregelen naar eigen goeddunken toepassen, met inbegrip van maatregelen tot limitering van macroprudentiële of systeemrisico's in een bepaalde lidstaat.

(19)

Systeemrisicobuffers of individuele maatregelen van lidstaten om systeemrisico's voor die lidstaten te ondervangen, moeten kunnen worden toegepast op de bankensector in het algemeen of op een of meer onderverdelingen van de sector, d.w.z. onderverdelingen van instellingen met gelijksoortige risicoprofielen in hun bedrijfsactiviteiten, dan wel op risicoblootstellingen met betrekking tot een of meer binnenlandse economische of geografische sectoren van de bankensector als geheel.

(20)

Indien de aangewezen autoriteiten van twee of meer lidstaten dezelfde veranderingen in de intensiteit van de systeemrisico's of de macroprudentiële risico's constateren die in elke lidstaat op nationaal niveau een risico voor de financiële stabiliteit inhouden en die naar het oordeel van de aangewezen autoriteiten beter door middel van nationale maatregelen kunnen worden ondervangen, kunnen de lidstaten een gezamenlijke kennisgeving doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het ESRB en de EBA. Samen met die kennisgeving aan de Raad, de Commissie, het ESRB en de EBA moeten de lidstaten relevant bewijs indienen, mede omvattende de met bewijs onderbouwde argumenten voor de gezamenlijke kennisgeving.

(21)

De Commissie moet voorts gemachtigd worden een gedelegeerde handeling tot tijdelijke verhoging van het niveau van eigenvermogensvereisten,vereisten voor grote risicoblootstellingen en openbaarmakingvereisten vast te stellen. Dergelijke bepalingen moeten één jaar van toepassing zijn, tenzij het Europees Parlement of de Raad binnen drie maanden bezwaar heeft aangetekend tegen de gedelegeerde handeling. De Commissie moet vermelden om welke redenen zij van deze urgentieprocedure gebruikmaakt. De Commissie moet slechts gemachtigd worden strengere prudentiële vereisten op te leggen voor blootstellingen die voortvloeien uit marktontwikkelingen in de Unie of daarbuiten met gevolgen voor alle lidstaten.

(22)

Een toetsing van de macroprudentiële regels is op haar plaats opdat de Commissie onder meer kan beoordelen of het macroprudentiële instrumentarium in deze verordening of in Richtlijn 2013/36/EU doeltreffend, doelmatig en transparant is, of er nieuwe instrumenten moeten worden voorgesteld, of de bestaande macroprudentiële instrumenten van deze verordening of van Richtlijn 2013/36/EU voor het ondervangen van soortgelijke risico's elkaar naar behoren dekken en mogelijk in zekere mate overlappen, en wat voor wisselwerking er bestaat tussen internationaal overeengekomen standaarden voor systeemrelevante instellingen en deze verordening casu quo Richtlijn 2013/36/EU.

(23)

Wanneer de lidstaten richtsnoeren van algemene strekking aannemen, in het bijzonder op gebieden waar de vaststelling van ontwerpen van technische normen door de Commissie ophanden is, mogen deze richtsnoeren niet indruisen tegen het Unierecht noch de toepassing ervan in het gedrang brengen.

(24)

Deze verordening belet de lidstaten niet om, in voorkomend geval, gelijkwaardige vereisten op te leggen aan ondernemingen die niet binnen haar toepassingsgebied vallen.

(25)

De in deze verordening vastgelegde algemene prudentiële vereisten worden aangevuld met individuele regelingen die door de bevoegde autoriteiten worden getroffen naar aanleiding van hun doorlopende toetsing van elke instelling afzonderlijk. In Richtlijn 2013/36/EU zou onder meer moeten worden aangegeven welke regelingen toezichthouders kunnen treffen. De bevoegde autoriteiten moeten immers in staat zijn naar eigen inzicht regelingen op te leggen.

(26)

Deze verordening mag geen negatieve invloed hebben op het vermogen van bevoegde autoriteiten om specifieke vereisten vast te stellen in het kader van het in Richtlijn 2013/36/EU beschreven proces van toetsing en evaluatie door de toezichthouder (Supervisory Review and Evaluation Process), dat moet worden toegesneden op het specifieke risicoprofiel van instellingen.

(27)

Verordening (EU) nr. 1093/2010 strekt tot het verbeteren van de kwaliteit en de consistentie van het nationale toezicht en het versterken van het toezicht op grensoverschrijdende groepen.

(28)

Met het oog op de toename van het aantal door deze verordening en Richtlijn 2013/36/EU aan EBA toevertrouwde taken, dienen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie erop toe te zien dat passende personele en financiële middelen beschikbaar worden gesteld.

(29)

Overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1093/2010 dient de EBA op te treden binnen het toepassingsgebied van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG. De EBA dient ook op te treden op het werkterrein van instellingen met betrekking tot zaken die niet rechtstreeks onder genoemde richtlijnen vallen, voor zover haar optreden noodzakelijk is om de effectieve en consistente toepassing van die richtlijnen te waarborgen. In deze verordening dient rekening te worden gehouden met de rol en functie van de EBA en moet worden bijgedragen aan de uitoefening van de in Verordening (EU) nr. 1093/2010 omschreven bevoegdheden van de EBA.

(30)

Na de waarnemingsperiode en de volledige uitvoering van een liquiditeitsdekkingsvereiste overeenkomstig deze verordening, moet de Commissie nagaan of de praktische totstandkoming en werking van enkele liquiditeitssubgroepen, alsook de vaststelling of is voldaan aan de criteria inzake een specifieke intragroepbehandeling voor grensoverschrijdende instellingen, kunnen worden vergemakkelijkt door aan de EBA de bevoegdheid toe te kennen om op eigen initiatief een bindende bemiddeling te verrichten met het oog op het bereiken van gezamenlijke beslissingen van de bevoegde autoriteiten uit hoofde van de artikelen 20 en 21 van deze verordening. Derhalve moet de Commissie op dat moment, als onderdeel van een van de algemene verslagen over de werkzaamheden van de EBA krachtens artikel 81 van Verordening (EU) nr. 1093/2010, specifiek onderzoeken of aan de EBA een dergelijke bevoegdheid moet worden toegekend, en moet zij de resultaten van dit onderzoek opnemen in haar verslag dat in voorkomend geval vergezeld gaat van passende wetgevingsvoorstellen.

(31)

In het rapport de Larosière werd de conclusie getrokken dat microprudentieel toezicht de financiële stabiliteit niet doeltreffend kan waarborgen zonder rekening te houden met ontwikkelingen op macroniveau, terwijl macroprudentieel toezicht niet zinvol is tenzij dit op een of andere manier van invloed kan zijn op het toezicht op microniveau. Nauwe samenwerking tussen de EBA en het ESRB is van fundamenteel belang voor een volkomen doeltreffende werking van het ESRB en de follow-up van zijn waarschuwingen en aanbevelingen. De EBA moet meer bepaald in staat zijn om alle door de bevoegde autoriteiten vergaarde relevante informatie aan het ESRB te bezorgen overeenkomstig de in deze verordening neergelegde rapportageverplichtingen.

(32)

Gezien de desastreuze gevolgen van de recente financiële crisis zijn de algemene doelstellingen van deze verordening de economisch nuttige bankactiviteiten die het algemeen belang dienen te stimuleren en onhoudbare financiële speculatie zonder echte toegevoegde waarde te ontmoedigen. Dit impliceert een algemene hervorming van de wijze waarop spaargeld in de richting van productieve investeringen wordt gekanaliseerd. Om een duurzame en diverse banksector in de Unie te waarborgen, moeten de bevoegde autoriteiten de bevoegdheid krijgen om hogere kapitaalvereisten op te leggen aan systeemrelevante instellingen die ten gevolge van hun bedrijfsactiviteiten een bedreiging kunnen vormen voor de wereldeconomie.

(33)

Voor instellingen die aan hun cliënten toebehorende gelden en/of effecten aanhouden, moeten gelijkwaardige financiële vereisten gelden in het belang van gelijke waarborgen voor spaarders en eerlijke concurrentieverhoudingen tussen vergelijkbare groepen instellingen.

(34)

Aangezien instellingen op de interne markt rechtstreeks met elkaar concurreren, moeten de vereisten inzake monitoring in de gehele Unie gelijkwaardig zijn, rekening houdend met de verschillende risicoprofielen van de instellingen.

(35)

Wanneer het ten behoeve van het toezicht nodig is de omvang van het geconsolideerde eigen vermogen van een groep instellingen te bepalen, dient deze berekening te geschieden overeenkomstig deze verordening.

(36)

Volgens deze verordening zijn eigenvermogensvereisten van toepassing op individuele en op geconsolideerde basis, tenzij de bevoegde autoriteiten in door hen passend geachte gevallen geen toezicht op individuele basis toepassen. Individueel, geconsolideerd en grensoverschrijdend geconsolideerd toezicht zijn waardevolle instrumenten bij het toezicht op instellingen.

(37)

Om een toereikende solvabiliteit van instellingen binnen een groep te waarborgen, is het van essentieel belang dat de kapitaalvereisten worden toegepast op basis van de geconsolideerde situatie van deze instellingen in de groep. Om te waarborgen dat het eigen vermogen op de juiste wijze binnen de groep wordt verdeeld en waar nodig kan worden ingezet voor de bescherming van spaargelden, dienen de kapitaalvereisten te gelden voor de individuele instellingen binnen een groep, tenzij dit doel op een andere, effectieve wijze kan worden gerealiseerd.

(38)

De minderheidsbelangen van financiële tussenholdings die aan de vereisten van deze verordening moeten voldoen op gesubconsolideerde basis, kunnen ook in aanmerking komen, binnen de toepasselijke grenzen, voor het tier 1-kernkapitaal van de groep op geconsolideerde basis, omdat het tier 1-kernkapitaal van een financiële tussenholding dat aan minderheidsbelangen kan worden toegerekend en het gedeelte van datzelfde kapitaal dat aan de moedermaatschappij kan worden toegerekend, in voorkomend geval de verliezen van hun dochterondernemingen in gelijke mate opvangen.

(39)

Ten aanzien van de bij de berekening van het eigen vermogen en van de toereikendheid ervan voor het risico waaraan een instelling is blootgesteld, en ten aanzien van de bij de risicobepaling te gebruiken boekhoudkundige techniek dient rekening te worden gehouden met de bepalingen van Richtlijn 86/635/EEG van de Raad van 8 december 1986 betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van banken en andere financiële instellingen (9), waarin enkele aanpassingen van de bepalingen van de Zevende Richtlijn 83/349/EEG van de Raad van 13 juni 1983 betreffende de geconsolideerde jaarrekening (10) zijn vervat, of met Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (11), naargelang welke voorschriften in het kader van de nationale wetgeving op de boekhouding van instellingen van toepassing zijn.

(40)

Omwille van een toereikende solvabiliteit moeten er kapitaalvereisten worden vastgesteld waarbij actiefposten en posten buiten de balanstelling naar risicograad worden gewogen.

(41)

Op 26 juni 2004 heeft het BCBS een kaderovereenkomst gesloten over de internationale convergentie van kapitaalmeting en kapitaalvereisten ("het Bazel II-raamwerk"). De bepalingen van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG die in deze verordening zijn overgenomen, komen overeen met de bepalingen van het Bazel II-kapitaalraamwerk. Doordat de aanvullende elementen van het Bazel III-kapitaalraamwerk in deze verordening zijn opgenomen, komt deze bijgevolg overeen met het bepaalde in de Bazel II- en Bazel III-kapitaalraamwerken.

(42)

Het is van essentieel belang rekening te houden met de diversiteit van de instellingen in de Unie; daartoe moeten zij kunnen kiezen uit verschillende berekeningsmethoden voor de kapitaalvereisten ten aanzien van het kredietrisico, waarin de risicogevoeligheidsniveaus en de mate van verfijning variëren. Door het gebruik van externe ratings en van door de instellingen zelf opgestelde ramingen van individuele kredietrisicoparameters worden de risicogevoeligheid en de prudentiële soliditeit van de kredietrisicovoorschriften aanzienlijk verbeterd. Instellingen moeten worden aangemoedigd om over te stappen op de risicogevoeliger methoden. Bij de opstelling van de ramingen die nodig zijn voor de toepassing van de in deze verordening vervatte kredietrisicobenaderingen moeten instellingen de door hen gehanteerde processen voor meting en beheer van het kredietrisico verbeteren om over methoden ter bepaling van de voor instellingen geldende wettelijke eigenvermogensvereisten te kunnen beschikken die de aard, de omvang en de complexiteit van de processen van de afzonderlijke instellingen weerspiegelen. In dat opzicht moet de gegevensverwerking in verband met het innemen en beheren van blootstellingen met betrekking tot cliënten worden geacht tevens de ontwikkeling en de validatie van systemen voor beheer en meting van kredietrisico te omvatten. Dit dient niet alleen de rechtmatige belangen van instellingen, maar ook het doel van deze verordening, namelijk verbeterde methoden tot meting en beheer van risico's toe te passen en die tevens voor de wettelijke eigenvermogensvereisten te gebruiken. Desalniettemin vergen risicogevoeliger benaderingen aanzienlijke deskundigheid en middelen, naast een toereikend volume van kwalitatief hoogwaardige gegevens. Instellingen moeten derhalve aan hoge normen voldoen alvorens die benaderingen in het kader van de wettelijke vereisten inzake eigen vermogen toe te passen. In het licht van het lopende werk om te voorzien in achtervangmechanismen voor interne modellen, moet de Commissie een verslag indienen, in voorkomend geval vergezeld van een afzonderlijk wetgevingsvoorstel, over de mogelijkheid de Bazel I-vloer langer toe te passen, in voorkomend geval samen met een wetgevingsvoorstel.

(43)

De kapitaalvereisten moeten evenredig zijn aan de te ondervangen risico's. De vereisten moeten met name het risicoverlagende effect van een groot aantal relatief beperkte blootstellingen weerspiegelen.

(44)

Kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) vormen een van de pijlers van de economie van de Unie door de fundamentele rol die zij spelen bij het creëren van groei en werkgelegenheid. Het herstel en de toekomstige groei van de economie van de Unie zijn in hoge mate afhankelijk van de beschikbaarheid van kapitaal en financiering waarmee in de Unie gevestigde kmo's de investeringen in nieuwe technologie en apparatuur kunnen verrichten die nodig zijn om hun concurrentiekracht te verbeteren. Doordat alternatieve financieringsbronnen slechts in beperkte mate beschikbaar zijn, wegen de gevolgen van de bankencrisis extra door op in de Unie gevestigde kmo's. In de huidige context is het dan ook zaak de financieringskloof voor kmo's te dichten en ervoor te zorgen dat een passende stroom van bankkredieten de kmo's bereikt. Op de kapitaalopslagen voor blootstellingen aan in kmo's belichaamd risico moet een ondersteuningsfactor van 0,7619 in mindering worden gebracht om instellingen in staat te stellen hun kredietverlening aan kmo's te verruimen. Te dien einde moeten de kredietinstellingen de uit de toepassing van de ondersteuningsfactor voortvloeiende vermindering van hun toetsingsvermogen effectief en uitsluitend aanwenden om in een toereikende stroom van kredieten naar in de Unie gevestigde kmo's te voorzien. De bevoegde autoriteiten moeten het totale bedrag aan kmo-blootstellingen bij kredietinstellingen en het totale op het toetsingsvermogen in mindering gebrachte bedrag periodiek bezien.

(45)

Overeenkomstig het op 10 januari 2011 door de GHOS bekrachtigde besluit van het BCBS moeten alle aanvullend-tier 1- en tier 2-instrumenten van een instelling volledig en permanent kunnen worden afgeschreven of volledig in tier 1-kernkapitaal kunnen worden omgezet wanneer het punt van niet-levensvatbaarheid van de instelling wordt bereikt. In het Unierecht moet, als onderdeel van de vereisten in verband met het herstel en de afwikkeling van instellingen, de nodige wetgeving worden opgenomen om ervoor te zorgen dat eigenvermogensinstrumenten onder het mechanisme voor additionele verliesabsorptie vallen. Indien er op 31 december 2015 nog geen wetgeving van de Unie is aangenomen die voorschrijft dat kapitaalinstrumenten volledig en permanent worden afgeschreven of in tier 1-kernkapitaalinstrumenten worden omgezet wanneer een instelling niet langer als levensvatbaar wordt beschouwd, moet de Commissie onderzoeken en rapporteren of een dergelijke bepaling in deze verordening moet worden opgenomen, en moet zij in het licht van dat onderzoek passende wetgevingsvoorstellen voorleggen.

(46)

De bepalingen van deze verordening beantwoorden aan het evenredigheidsbeginsel, met name wat betreft de verschillen in omvang en schaal van de transacties en in het scala van de werkzaamheden van instellingen. Eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel houdt tevens in dat voor blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen zo eenvoudig mogelijke ratingprocedures worden erkend, ook in het kader van de interneratingbenadering ("IRB-benadering"). De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat de in deze verordening vastgelegde vereisten evenredig zijn met de aard, de omvang en de complexiteit van de risico's die voortvloeien uit het bedrijfsmodel en de door de instelling verrichte activiteiten. De Commissie dient ervoor te zorgen dat gedelegeerde en uitvoeringshandelingen en technische regulerings- en uitvoeringsnormen stroken met het evenredigheidsbeginsel, zodat de evenredige toepassing van deze verordening gewaarborgd wordt. De EBA dient er daarom voor te zorgen dat alle technische regulerings- en uitvoeringsnormen zodanig geformuleerd zijn dat het evenredigheidsbeginsel in acht genomen en gehandhaafd wordt.

(47)

De bevoegde autoriteiten moeten passende aandacht besteden aan gevallen waar zij vermoeden dat informatie als beschermd of vertrouwelijk wordt aangemerkt om de openbaarmaking van die informatie te voorkomen. Een instelling kan er weliswaar voor kiezen om informatie niet openbaar te maken omdat deze als beschermd of vertrouwelijk wordt beschouwd, maar het feit dat informatie als beschermd of vertrouwelijk wordt beschouwd, moet de instelling niet bevrijden van haar aansprakelijkheid die voortvloeit uit de niet-openbaarmaking van die informatie indien deze niet-openbaarmaking wordt geacht een wezenlijk effect te sorteren.

(48)

Door het "evolutionaire" karakter van deze verordening kunnen instellingen kiezen uit drie benaderingen van kredietrisico van uiteenlopende complexiteit. Om in het bijzonder kleine instellingen in staat te stellen voor de meer risicogevoelige IRB-benadering te kiezen, moeten de desbetreffende bepalingen zo worden opgevat dat de blootstellingscategorieën alle blootstellingen omvatten die in deze verordening direct of indirect met de in deze categorieën ondergebrachte blootstellingen worden gelijkgesteld. Bij wijze van algemene regel dienen de bevoegde autoriteiten met betrekking tot het proces van toezicht door de toezichthouder (Supervisory Review Process) geen onderscheid maken tussen de drie benaderingen, d.w.z. dat instellingen die de standaardbenadering aanwenden, niet louter en alleen daarom aan een strenger toezicht worden onderworpen.

(49)

Kredietrisicolimiteringstechnieken moeten in sterkere mate in aanmerking worden genomen binnen een raamwerk van voorschriften dat ervoor zorgt dat de solvabiliteit niet wordt ondermijnd door onterechte inaanmerkingneming. De relevante momenteel in de lidstaten in de bankensector gebruikelijke zekerheden voor kredietrisicolimitering moeten in de mate van het mogelijke in de standaardbenadering, maar ook in de andere benaderingen, in aanmerking worden genomen.

(50)

Om ervoor te zorgen dat de risico's en risicobeperkingen als gevolg van securitisatieactiviteiten en beleggingen van instellingen naar behoren worden weerspiegeld in hun kapitaalvereisten, zijn er ook voorschriften nodig die een risicogevoelige en vanuit prudentieel oogpunt deugdelijke behandeling van dergelijke activiteiten en beleggingen garanderen. Daartoe is er een duidelijke en alomvattende definitie van securitisatie nodig waaronder elke transactie of regeling valt waarbij het kredietrisico dat verbonden is aan een blootstelling of pool van blootstellingen, in tranches wordt onderverdeeld. Een blootstelling die aanleiding geeft tot een directe betalingsverplichting voor een transactie of regeling die wordt gebruikt om materiële activa te financieren of te beheren, moet niet worden beschouwd als een blootstelling in het kader van een securitisatie, zelfs als de transactie of regeling betalingsverplichtingen met een verschillende rangorde inhoudt.

(51)

Naast toezicht om financiële stabiliteit te waarborgen, is er behoefte aan mechanismen die zijn ontwikkeld met het oog op de verbetering en ontwikkeling van een doeltreffende bewaking en voorkoming van mogelijke zeepbellen, teneinde te zorgen voor een optimale toewijzing van kapitaal in het licht van de macro-economische uitdagingen en doelstellingen, in het bijzonder met betrekking tot langetermijninvestering in de reële economie.

(52)

Operationeel risico is een significant risico waaraan instellingen blootstaan en dat met eigen vermogen moet worden gedekt. Het is van essentieel belang dat rekening wordt gehouden met de diversiteit van de instellingen in de Unie; daartoe moeten zij kunnen kiezen uit verschillende berekeningsmethoden voor de vereisten ten aanzien van het operationeel risico, waarin de risicogevoeligheidsniveaus en de mate van verfijning variëren. Er moeten passende prikkels zijn om instellingen ertoe te bewegen over te stappen op de risicogevoeligere methoden. Omdat de technieken voor meting en beheer van het operationele risico nog niet helemaal zijn uitgerijpt, moeten de voorschriften regelmatig worden geëvalueerd en zo nodig worden bijgewerkt; dit geldt ook voor de vereisten ten aanzien van verschillende bedrijfsonderdelen en de erkenning van risicolimiteringstechnieken. Bijzondere aandacht dient hierbij uit te gaan naar het in aanmerking nemen van verzekeringen in de eenvoudige benaderingen ter berekening van de kapitaalvereisten voor het operationele risico.

(53)

De bewaking en de beheersing van de blootstellingen van instellingen dienen integraal deel uit te maken van het toezicht op deze instellingen. Een overmatige concentratie van blootstellingen met betrekking tot één cliënt of groep verbonden cliënten kan derhalve tot een onaanvaardbaar risico op verlies leiden. Een dergelijke situatie kan worden geacht nadelig te zijn voor de solvabiliteit van een instelling.

(54)

Om uit te maken of er sprake is van een groep verbonden cliënten en daarmee van blootstellingen die vanuit een risico-oogpunt één geheel vormen, is het ook van belang dat rekening wordt gehouden met risico's die voortvloeien uit een gemeenschappelijke bron van significante financiering die wordt verstrekt door de instelling zelf, de financiële groep waartoe zij behoort of met haar verbonden partijen.

(55)

Hoewel het wenselijk is om bij de berekening van de waarde van blootstellingen uit te gaan van hetgeen bepaald is voor de berekening van de eigenvermogensvereisten, moeten voor de bewaking van grote risicoblootstellingen voorschriften zonder toepassing van risicogewichten of risicograden worden vastgesteld. Bovendien berusten de in de solvabiliteitsregeling gehanteerde technieken voor kredietrisicolimitering op de aanname dat het kredietrisico goed gespreid is. Bij grote risicoblootstellingen waarbij sprake is van een concentratierisico jegens één grote tegenpartij ("single name") is het kredietrisico niet goed gespreid. Daarom moeten er prudentiële voorzorgsmaatregelen gelden ten aanzien van het effect van die technieken. In dit verband moet bij grote risicoblootstellingen worden voorzien in een effectieve uitwinning van de kredietprotectie.

(56)

Aangezien een verlies op een blootstelling met betrekking tot een instelling even ernstig kan zijn als een verlies op enig andere blootstelling, moeten dergelijke blootstellingen op dezelfde wijze worden behandeld en gerapporteerd als elke andere blootstelling. Er is voorzien in een alternatieve kwantitatieve limiet om de onevenredig zware impact van die benadering op kleinere instellingen te beperken. Daarnaast wordt voorzien in een vrijstelling voor zeer kortstondige blootstellingen in verband met geldtransfers, waaronder de uitvoering van betalingsopdrachten, clearing, afwikkeling en bewaring van financiële instrumenten ten behoeve van cliënten, en dit ten bate van de soepele werking van de financiële markten en de daaraan gerelateerde infrastructuur. Onder deze diensten vallen bijvoorbeeld de clearing en afwikkeling van geldposities en andere activiteiten die de afwikkeling vergemakkelijken. De bedoelde blootstellingen omvatten onder meer blootstellingen die mogelijk niet voorspelbaar zijn en dus niet onder de volledige controle van een kredietinstelling vallen, onder meer saldo's op interbancaire rekeningen die voortvloeien uit betalingen van cliënten, met inbegrip van overgemaakte of afgeboekte honoraria en rente, en andere betalingen voor cliëntendiensten, alsmede gegeven of ontvangen zekerheden.

(57)

Het is van belang de belangen van ondernemingen die leningen in verhandelbare effecten en andere financiële instrumenten "herverpakken" (initiators of sponsors), en die van de ondernemingen die in deze effecten of instrumenten beleggen (beleggers), gelijk te laten lopen. Om dit te bereiken, moet de initiator of sponsor verplicht worden een significant belang in de onderliggende activa te behouden. Daarom is het van belang dat de initiators of de sponsors ten aanzien van de leningen in kwestie risico blijven dragen. Meer in het algemeen mogen securitisatietransacties niet zo worden opgezet dat de toepassing van de vereisten voor het aanhouden wordt ontweken, met name door middel van een vergoedings- en/of een tariefstructuur. Dit aanhouden moet gelden in alle situaties waarin de belangrijkste economische kenmerken van een securitisatie van toepassing zijn, ongeacht de juridische structuren of instrumenten die worden aangewend om deze economische kenmerken te verkrijgen. Met name bij een overdracht van het kredietrisico door middel van securitisatie zouden beleggers hun beslissingen pas na het betrachten van due diligence mogen nemen en daarvoor hebben zij deugdelijke informatie over de securitisaties nodig.

(58)

Deze verordening voorziet er tevens in dat meervoudige toepassing van de vereisten voor het aanhouden niet is toegestaan. Voor een bepaalde securitisatie volstaat het als hetzij de initiator, hetzij de sponsor, hetzij de oorspronkelijke kredietverstrekker onder het vereiste valt. Evenzo dienen, wanneer securitisatietransacties andere securitisaties als onderliggende waarde hebben, de vereisten voor het aanhouden alleen te gelden voor de securitisatie waarop de belegging van toepassing is. Voor gekochte kortlopende vorderingen gelden de vereisten voor het aanhouden niet als deze voortvloeien uit bedrijfsactiviteiten in het kader waarvan zij met korting worden overgedragen of verkocht om deze activiteiten te financieren. De bevoegde autoriteiten dienen het risicogewicht met betrekking tot het niet-naleven van de verplichtingen inzake due diligence en risicobeheer in verband met de securitisatie toe te passen bij ongewone overtredingen van gedragslijnen en procedures die relevant zijn voor de beoordeling van de onderliggende risico's. Daarnaast moet de Commissie evalueren of voorkoming van het meervoudig toepassen van de vereisten voor het aanhouden praktijken in de hand kan werken waarbij de vereiste voor het aanhouden worden omzeild, en of de securitisatievoorschriften doeltreffend worden gehandhaafd door de bevoegde autoriteiten.

(59)

Om de risico's van gesecuritiseerde blootstellingen in zowel de handelsportefeuille als de niet-handelsportefeuille naar behoren te kunnen beoordelen, moet due diligence worden betracht. Bovendien moeten de due-diligenceverplichtingen evenredig zijn. Due-diligenceprocedures moeten bijdragen tot een groter vertrouwen tussen initiators, sponsors en beleggers. Daarom is het wenselijk dat relevante informatie over de due-diligenceprocedures naar behoren openbaar wordt gemaakt.

(60)

Wanneer een instelling een blootstelling met betrekking tot haar eigen moederonderneming of andere dochterondernemingen van die moederonderneming inneemt, is bijzondere voorzichtigheid geboden. Het beheer van dergelijke door instellingen ingenomen blootstellingen moet volledig zelfstandig worden gevoerd, met inachtneming van de beginselen van goed beheer, en los van elke andere overweging. Dat is met name van belang bij grote risicoblootstellingen en in gevallen die niet eenvoudig verband houden met intragroepsbeheer of gebruikelijke intragroepstransacties. De bevoegde autoriteiten moeten bijzondere aandacht schenken aan dergelijke blootstellingen binnen groepen. Dergelijke normen behoeven echter niet te worden toegepast wanneer de moederonderneming een financiële holding of een kredietinstelling is, of wanneer de andere dochterondernemingen kredietinstellingen, financiële instellingen, of ondernemingen die nevenactiviteiten verrichten, zijn, mits al deze ondernemingen onder het toezicht op geconsolideerde basis op de kredietinstelling vallen.

(61)

Gezien de risicogevoeligheid van de voorschriften voor de kapitaalvereisten moet regelmatig worden nagegaan of deze een significante impact op de conjunctuurcyclus hebben. De Commissie dient, rekening houdende met het standpunt van de Europese Centrale Bank (ECB), over deze aspecten verslag uit te brengen aan het Europees Parlement en de Raad.

(62)

De kapitaalvereisten voor handelaren in grondstoffen, ook handelaren die thans vrijstelling van de vereisten van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten (12) genieten, moeten opnieuw worden onderzocht.

(63)

De liberalisering van de elektriciteits- en de gasmarkten is zowel uit economisch als uit politiek oogpunt een belangrijke doelstelling voor de Unie. In het licht daarvan moeten de kapitaalvereisten en andere prudentiële voorschriften die gelden voor ondernemingen die op die markten actief zijn, evenredig zijn en dienen zij de liberaliseringsdoelstelling niet onnodig te doorkruisen. Deze doelstelling moet in het bijzonder voor ogen worden gehouden wanneer deze verordening wordt getoetst.

(64)

Instellingen die in hersecuritisaties beleggen, moeten due diligence betrachten, ook ten aanzien van de onderliggende securitisaties en de niet-gesecuritiseerde blootstellingen die er uiteindelijk aan ten grondslag liggen. Instellingen moeten beoordelen of blootstellingen in het kader van programma's van door activa gedekte bedrijfsobligaties gehersecuritiseerde blootstellingen zijn, inclusief blootstellingen in het kader van programma's die tranches in de hoogste rang van afzonderlijke pools van globale leningen verwerven wanneer geen van die leningen een gesecuritiseerde of gehersecuritiseerde blootstelling is, en wanneer de protectie voor het eerste verlies voor elke belegging van de verkoper van de leningen komt. In laatstgenoemde situatie dient een poolspecifieke liquiditeitsfaciliteit over het algemeen niet als een gehersecuritiseerde blootstelling te worden beschouwd, omdat het een tranche is van één pool van activa (d.w.z. de relevante pool van globale leningen) waarin geen gesecuritiseerde blootstellingen zitten. Daarentegen zou een kredietverbetering voor het gehele programma die slechts enkele van de verliezen dekt boven de door de verkoper verstrekte protectie in de diverse pools, over het algemeen een onderverdeling van het risico van een pool van meerdere activa met ten minste één gesecuritiseerde blootstelling vormen en bijgevolg een gehersecuritiseerde blootstelling zijn. Niettemin dienen, indien een dergelijk programma zichzelf volledig met één categorie bedrijfsobligaties financiert, en indien de kredietverbetering voor het gehele programma geen hersecuritisatie is of de bedrijfsobligaties volledig worden gedragen door de instelling die als sponsor optreedt, waarbij de belegger in bedrijfsobligaties daadwerkelijk bloot staat aan het wanbetalingsrisico van de sponsor en niet de onderliggende pools of activa, die bedrijfsobligaties over het algemeen niet als een gehersecuritiseerde blootstelling te worden beschouwd.

(65)

De bepalingen betreffende voorzichtige waardering voor de handelsportefeuille moeten gelden voor alle instrumenten die tegen reële waarde worden gewaardeerd, ongeacht of zij deel uitmaken van de handelsportefeuille of de niet-handelsportefeuille van instellingen. Er moet worden verduidelijkt dat, wanneer voorzichtige waardering tot een lagere boekwaarde leidt dan die welke feitelijk in de rekeningen is opgevoerd, de absolute waarde van het verschil in mindering dient te worden gebracht op het eigen vermogen.

(66)

Instellingen dienen, naar keuze, ofwel een kapitaalvereiste toe te passen op de gesecuritiseerde blootstellingen die krachtens deze verordening een risicogewicht van 1 250 % krijgen, ofwel deze blootstellingen af te trekken van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen, ongeacht of ze deel uitmaken van haar handelsportefeuille of haar niet-handelsportefeuille.

(67)

Het dient voor instellingen die als initiator of sponsor optreden niet mogelijk te zijn het verbod op stilzwijgende steun te omzeilen door voor zulke steun hun handelsportefeuille te gebruiken.

(68)

Onverminderd de openbaarmakingsverplichtingen die uitdrukkelijk in deze verordening zijn neergelegd, dienen de openbaarmakingsverplichtingen tot doel te hebben dat marktdeelnemers correcte en volledige informatie ontvangen over het risicoprofiel van individuele instellingen. Instellingen dienen derhalve te worden verplicht om niet uitdrukkelijk in deze verordening vermelde aanvullende informatie openbaar te maken indien dit nodig is om aan deze doelstelling te voldoen. Tegelijkertijd moeten de bevoegde autoriteiten passende aandacht besteden aan gevallen waar zij vermoeden dat informatie door een instelling als beschermd of vertrouwelijk wordt aangemerkt om de openbaarmaking van die informatie te voorkomen.

(69)

Wanneer in een externe kredietbeoordeling van een gesecuritiseerde blootstelling het effect van de door de beleggende instelling zelf verstrekte kredietprotectie is meegenomen, dient de instelling geen aanspraak te kunnen maken op het lagere risicogewicht dat uit die protectie voortvloeit. De securitisatiepositie dient niet van het kapitaal te worden afgetrokken als er andere manieren zijn om een risicogewicht te bepalen dat overeenstemt met het werkelijke risico van de positie, waarbij die kredietprotectie buiten beschouwing blijft.

(70)

Aangezien de normen voor interne modellen voor de berekening van de kapitaalvereisten voor marktrisico's recentelijk niet goed blijken te hebben gefunctioneerd, moeten zij worden versterkt. Met name wat de weergave van de kredietrisico's in de handelsportefeuille betreft, dienen deze normen te worden vervolledigd. Daarenboven dienen kapitaalopslagen een component die stressomstandigheden weergeeft te omvatten ter versterking van de kapitaalvereisten bij verslechterende marktomstandigheden en ter vermindering van het mogelijke optreden van procyclische effecten. Instellingen moeten voorts reverse stresstests uitvoeren om te onderzoeken in welke scenario's de levensvatbaarheid van instellingen bedreigd zou kunnen worden, tenzij zij kunnen aantonen dat een dergelijke test niet noodzakelijk is. Gezien de specifieke problemen die zich recent bij het gebruik van op interne modellen gebaseerde benaderingen voor de behandeling van securitisatieposities hebben voorgedaan, zouden de modellen voor securitisatierisico's die instellingen hanteren om kapitaalvereisten in de handelsportefeuille te berekenen nog slechts in beperkte mate erkend mogen worden en dient ten aanzien van securitisatieposities in de handelsportefeuille automatisch een gestandaardiseerd kapitaalvereiste te gelden.

(71)

In deze verordening worden beperkte uitzonderingen voor bepaalde activiteiten inzake correlatiehandel vastgelegd, volgens welke een instelling van haar toezichthouder toestemming kan krijgen om een kapitaalopslag voor het algehele risico te berekenen, met inachtneming van strenge vereisten. In dergelijke gevallen moet de instelling verplicht worden op die activiteiten een kapitaalopslag toe te passen die gelijk is aan het hogere van twee bedragen, namelijk de kapitaalopslag overeenkomstig die intern ontwikkelde benadering of 8 % van de kapitaalopslag voor specifiek risico overeenkomstig de gestandaardiseerde meetmethode. De instelling dient er niet toe te worden verplicht die blootstellingen aan de opslag voor additioneel risico te onderwerpen, maar die blootstellingen moeten zowel in de value-at-risk (risicowaarde) als in de stressed value-at-risk-maatstaf worden opgenomen.

(72)

Gelet op de aard en de omvang van de onverwachte verliezen die instellingen tijdens de financiële en economische crisis hebben geleden, is het noodzakelijk de kwaliteit en de harmonisering van het eigen vermogen dat instellingen moeten aanhouden, verder te verbeteren. Dit houdt onder meer in dat er een nieuwe definitie moet worden vastgesteld van de kernbestanddelen van kapitaal die beschikbaar zijn om onverwachte verliezen op te vangen wanneer die zich voordoen, dat de definitie van hybride kapitaal moet worden bijgesteld en dat er uniforme prudentiële aanpassingen moeten worden aangebracht aan het eigen vermogen. Voorts moet het niveau van het eigen vermogen aanzienlijk worden opgetrokken, inclusief nieuwe kapitaalratio's die toegespitst zijn op de kernbestanddelen van het eigen vermogen welke beschikbaar zijn voor het opvangen van verliezen wanneer die zich voordoen. Van instellingen waarvan de aandelen tot de handel op een gereglementeerde markt toegelaten zijn, wordt verwacht dat zij alleen met die aandelen die beantwoorden aan een reeks strenge criteria voor de kernkapitaalinstrumenten en de openbaar gemaakte reserves van de instelling, aan hun kapitaalvereisten met betrekking tot de kernbestanddelen van kapitaal voldoen. Om naar behoren rekening te houden met de verscheidenheid aan rechtsvormen waarbinnen instellingen in de Unie opereren, moet de reeks strenge criteria voor de kernbestanddelen van de kapitaalinstrumenten er voor instaan dat de kernbestanddelen van de kapitaalinstrumenten voor instellingen die niet tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten, van de hoogste kwaliteit zijn. Dit zou de instellingen niet mogen beletten om op aandelen waaraan gedifferentieerde stemrechten of geen stemrechten verbonden zijn, uitkeringen te doen die een veelvoud zijn van de uitkeringen op aandelen waaraan een proportioneel hoger aantal stemrechten verbonden is, op voorwaarde dat, ongeacht het aantal stemrechten, de strenge criteria voor tier 1-kernkapitaalinstrumenten worden nageleefd, met inbegrip van de criteria betreffende de flexibiliteit van betalingen, en dat, indien er een uitkering plaatsvindt, die uitkering wordt gedaan op alle door de instelling uitgegeven aandelen.

(73)

Blootstellingen aan het risico inzake handelsfinancieringen zijn uiteenlopend van aard, maar hebben bepaalde kenmerken gemeen, zoals het feit dat het om beperkte, kortlopende kredieten gaat en dat na te trekken valt wie voor de terugbetaling verantwoordelijk is. Er liggen goederen- en dienstentransacties aan ten grondslag die de reële economie ondersteunen en in de meeste gevallen dienen om in de dagelijkse behoeften van kleine bedrijven te voorzien, en op die manier economische groei en werkgelegenheid helpen creëren. De instroom en de uitstroom van goederen en diensten houden elkaar meestal in evenwicht en het liquiditeitsrisico is dan ook beperkt.

(74)

Het is passend dat de EBA een lijst bijhoudt en actualiseert van de vormen van kapitaalinstrumenten die in iedere lidstaat als tier 1-kernkapitaalinstrumenten worden aangemerkt. De EBA dient instrumenten die geen staatssteuninstrumenten zijn, die zijn uitgegeven na de inwerkingtreding van deze verordening en die niet voldoen aan de in deze verordening bepaalde criteria, uit de lijst te verwijderen en die verwijdering aan het publiek bekend te maken. Indien instrumenten die door de EBA uit de lijst zijn verwijderd, na de bekendmaking door de EBA toch nog als tier 1-kernkapitaalinstrumenten worden aangemerkt, dient de EBA ten volle gebruik te maken van haar bevoegdheden, met name die welke haar zijn verleend bij artikel 17 van Verordening (EU) nr. 1093/2010, betreffende inbreuken op het Unierecht. Gememoreerd zij dat, om een evenredige reactie op gevallen van onjuiste of ontoereikende toepassing van Unierecht mogelijk te maken, een drietrapsmechanisme van toepassing is, waarbij in eerste instantie de EBA bevoegd is gevallen waarin nationale autoriteiten in hun toezichtpraktijk verplichtingen van Unierecht op onjuiste of ontoereikende wijze zouden hebben toegepast, te onderzoeken en te besluiten met een aanbeveling. In tweede instantie is, indien een bevoegde nationale autoriteit geen gevolg geeft aan de aanbeveling, de Commissie bevoegd om, rekening houdend met de aanbeveling van de EBA, een formeel advies uit te brengen waarin zij de bevoegde autoriteit opdraagt de nodige actie te ondernemen om ervoor te zorgen dat het Unierecht wordt nageleefd. Om te voorzien in uitzonderlijke situaties waarin maatregelen van de betrokken bevoegde autoriteit uitblijven, is de EBA in derde instantie bevoegd besluiten te nemen die tot individuele financiële instellingen worden gericht. Daarnaast zij gememoreerd dat de Commissie op grond van artikel 258 VWEU bevoegd is om, indien zij van oordeel is dat een lidstaat een van de krachtens de Verdragen op hem rustende verplichting niet is nagekomen, de zaak aanhangig te maken bij het Hof van Justitie van de Europese Unie.

(75)

Deze verordening dient geen afbreuk te doen aan het vermogen van bevoegde autoriteiten om voorafgaande goedkeuringsprocessen in stand te houden met betrekking tot contracten betreffende aanvullend-tier 1- en tier 2-kapitaalinstrumenten. In deze gevallen mogen die kapitaalinstrumenten alleen worden toegerekend aan aanvullend-tier 1- of tier 2-kapitaal van de instellingen die deze goedkeuringsprocessen succesvol hebben doorlopen.

(76)

Met het oog op een betere marktdiscipline en een grotere financiële stabiliteit, moeten er meer gedetailleerde vereisten worden ingevoerd inzake de openbaarmaking van de vorm en de aard van toetsingsvermogen, en moeten er prudentiële aanpassingen worden aangebracht om ervoor te zorgen dat beleggers en deposanten voldoende worden geïnformeerd over de solvabiliteit van instellingen.

(77)

Voorts is het nodig dat de bevoegde autoriteiten kennis hebben van het niveau, ten minste in geaggregeerde vorm, van retrocessieovereenkomsten, het uitlenen van effecten en alle vormen van lasten op activa. Dergelijke informatie moet aan de bevoegde autoriteiten worden gerapporteerd. Teneinde de marktdiscipline te verbeteren, moeten er meer gedetailleerde voorschriften worden ingevoerd voor de openbaarmaking van retrocessieovereenkomsten en gewaarborgde financiering.

(78)

De nieuwe definitie van kapitaal en de nieuwe toetsingsvermogensvereisten moeten op dusdanige wijze worden ingevoerd dat rekening wordt gehouden met de verschillende nationale uitgangspunten en omstandigheden en dat de aanvankelijke verschillen met betrekking tot de nieuwe normen gedurende de overgangsperiode afnemen. Om de passende continuïteit van het niveau van het eigen vermogen te garanderen, zal gedurende de overgangsperiode worden voorzien in grandfatheringbepalingen voor instrumenten die vóór de datum van toepassing van deze verordening zijn uitgegeven in de context van een herkapitalisatiemaatregel op grond van de regels voor staatssteun. Afhankelijkheid van staatssteun moet in de toekomst zo veel mogelijk worden beperkt. Voor zover staatssteun in bepaalde omstandigheden noodzakelijk blijkt, dient deze verordening een raamwerk te bieden om dergelijke omstandigheden te ondervangen. Meer bepaald moet in deze verordening worden bepaald welke behandeling dient te gelden voor eigenvermogensinstrumenten die zijn uitgegeven in de context van een herkapitalisatiemaatregel op grond van de regels voor staatssteun. Aan de mogelijkheid voor instellingen om voor die behandeling in aanmerking te komen, moeten strikte voorwaarden worden verbonden. Voor zover die behandeling de mogelijkheid biedt om van de nieuwe criteria betreffende de kwaliteit van eigenvermogensinstrumenten af te wijken, dienen die afwijkingen zo veel mogelijk te worden beperkt. In de behandeling voor bestaande kapitaalinstrumenten die in de context van een herkapitalisatiemaatregel op grond van de regels voor staatssteun zijn uitgegeven, moet een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen kapitaalinstrumenten die wél en kapitaalinstrumenten die niet aan de vereisten van deze verordening voldoen. In deze verordening moeten derhalve passende overgangsbepalingen voor het laatstgenoemde geval worden opgenomen.

(79)

Op grond van Richtlijn 2006/48/EG moeten kredietinstellingen tot en met 31 december 2011 een eigen vermogen hebben dat ten minste gelijk is aan gespecificeerde minimumbedragen. Gezien de aanhoudende impact van de financiële crisis op de bankensector en de verlenging van de door het BCBS goedgekeurde overgangsregelingen voor kapitaalvereisten, is het passend voor een beperkte periode opnieuw een lagere limiet vast te stellen tot er voldoende eigen vermogen wordt aangehouden overeenkomstig de bij deze verordening vastgestelde overgangsregelingen voor eigen vermogen, die vanaf de datum van uitvoering van deze verordening tot 2019 stapsgewijs zullen worden ingevoerd.

(80)

Voor groepen die significante bank- of beleggingsactiviteiten alsook verzekeringsactiviteiten omvatten, voorziet Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende het aanvullende toezicht op kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen en beleggingsondernemingen in een financieel conglomeraat (13) in specifieke voorschriften die een dergelijke "dubbeltelling" van kapitaal ondervangen. Richtlijn 2002/87/EG is gebaseerd op internationaal overeengekomen beginselen voor de omgang met sectordoorsnijdende risico's. Deze verordening versterkt de manier waarop deze voorschriften voor financiële conglomeraten van toepassing zijn op groepen van banken en beleggingsondernemingen, door te zorgen voor een degelijke en consistente toepassing ervan. Verdere wijzigingen die eventueel nodig mochten blijken, zullen aan bod komen bij de in 2015 verwachte toetsing van Richtlijn 2002/87/EG.

(81)

De financiële crisis heeft aangetoond dat instellingen het tegenpartijkredietrisico dat verbonden is aan otc-derivaten schromelijk onderschat hebben. Daarom heeft de G-20 in september 2009 ertoe opgeroepen meer otc-derivaten via een centrale tegenpartij (CTP) te laten clearen. Daarnaast vroegen zij otc-derivaten die niet centraal kunnen worden gecleard, aan hogere eigenvermogensvereisten te onderwerpen, opdat er naar behoren rekening wordt gehouden met de hogere risico's die eraan verbonden zijn.

(82)

Naar aanleiding van de oproep van de G-20 heeft het BCBS als onderdeel van het Bazel III-raamwerk de regeling voor tegenpartijkredietrisico wezenlijk veranderd. Naar verwachting zal het Bazel III-raamwerk de eigenvermogensvereisten met betrekking tot de otc-derivaten en financieringstransacties voor effecten van instellingen significant verhogen en voorzien in sterke prikkels om instellingen gebruik te doen maken van CTP's. Naar verwachting zal het Bazel III-raamwerk ook voorzien in verdere prikkels om het risicobeheer van tegenpartijkredietblootstellingen te versterken en de huidige regeling voor de behandeling van blootstellingen aan het kredietrisico met betrekking tot CTP's te herzien.

(83)

De instellingen moeten aanvullend eigen vermogen aanhouden vanwege het uit otc-derivaten voortvloeiend risico van aanpassing van de kredietwaardering. Instellingen moeten voorts een hogere correlatie van de waarde van activa toepassen bij de berekening van de eigenvermogensvereisten voor tegenpartijkredietrisicoblootstellingen die voortvloeien uit otc-derivaten en effectenfinancieringstransacties ten aanzien van bepaalde financiële instellingen. Instellingen moeten er ook toe worden verplicht, de meting en het beheer van het tegenpartijkredietrisico aanzienlijk te verbeteren door beter om te gaan met wrong-way risk, tegenpartijen met een hoge hefboomfinanciering en zekerheden, in combinatie met dienovereenkomstige verbeteringen op het gebied van back testing en stress testing.

(84)

Blootstellingen aan het transactierisico met betrekking tot CTP's hebben doorgaans baat bij het door CTP's verschafte mechanisme voor multilaterale verrekening en verliesverdeling. Bijgevolg houden zij een zeer laag tegenpartijkredietrisico in en hoeven zij dan ook maar aan een zeer laag eigenvermogensvereiste te worden onderworpen. Tegelijk zou dit vereiste positief moeten zijn om ervoor te zorgen dat instellingen hun blootstellingen met betrekking tot CTP's volgen en bewaken in het kader van een goed risicobeheer en om te weerspiegelen dat zelfs blootstellingen aan het transactierisico met betrekking tot CTP's niet zonder risico zijn.

(85)

Een wanbetalingsfonds van een CTP is een mechanisme dat voorziet in de onderlinge verdeling (omslag) van verliezen onder de clearingleden van de CTP. Het wordt gebruikt wanneer de door de CTP na wanbetaling van een clearinglid geleden verliezen groter zijn dan de marges en de bijdragen van dat clearinglid aan het wanbetalingsfonds en enige andere verdediging die de CTP kan gebruiken alvorens een beroep te doen op de bijdragen aan het wanbetalingsfonds van de overige clearingleden. Bijgevolg is het verliesrisico dat voortvloeit uit blootstellingen met betrekking tot bijdragen aan een wanbetalingsfonds hoger dan het verliesrisico in verband met transactieblootstellingen. Daarom moet deze soort blootstellingen aan een hoger eigenvermogensvereiste onderworpen worden.

(86)

Het hypothetische kapitaal van een CTP moet een variabele zijn die nodig is om het eigenvermogensvereiste te bepalen voor de blootstellingen van een clearinglid in verband met zijn bijdragen aan een wanbetalingsfonds van een CTP. Het mag uitsluitend als zodanig worden gezien. Met name mag het niet worden gezien als het kapitaal dat een CTP door zijn bevoegde autoriteit verplicht wordt aan te houden.

(87)

De toetsing van de behandeling van tegenpartijkredietrisico en met name het invoeren van hogere eigenvermogensvereisten voor bilaterale derivatencontracten om het hogere risico te weerspiegelen dat dergelijke contracten voor het financiële stelsel inhouden, heeft een vaste plaats in het streven van de Commissie naar efficiënte, veilige en degelijke derivatenmarkten. Bijgevolg completeert deze verordening Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters (14).

(88)

De Commissie dient uiterlijk op 31 december 2015 de relevante vrijstellingen inzake grote risicoblootstellingen te toetsen. In afwachting van de uitkomst van deze toetsing moet het de lidstaten gedurende een voldoende lange overgangperiode toegestaan blijven te besluiten om bepaalde grote risicoblootstellingen van die voorschriften vrij te stellen. In aansluiting op de besprekingen in het kader van het voorstel met betrekking tot Richtlijn 2009/111/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot wijziging van de Richtlijnen 2006/48/EG, 2006/49/EG en 2007/64/EG wat betreft banken die zijn aangesloten bij centrale instellingen, bepaalde eigenvermogensbestanddelen, grote posities, het toezichtkader en het crisisbeheer (15) en gelet op internationale en ontwikkelingen in de Unie terzake, dient de Commissie te toetsen of deze vrijstellingen op discretionaire wijze dan wel op een meer algemene wijze moeten blijven worden toegepast, alsook over de vraag of de aan die blootstellingen verbonden risico's met andere in deze verordening vastgestelde effectieve middelen worden ondervangen.

(89)

Teneinde ervoor te zorgen dat de door de bevoegde autoriteiten verleende vrijstellingen voor risicoblootstellingen de samenhang van de uniforme voorschriften van deze verordening niet permanent in gevaar brengen, moeten de bevoegde autoriteiten, na een overgangsperiode en wanneer de bovengenoemde toetsing geen resultaat oplevert, de EBA raadplegen over de vraag of het al dan niet passend is van de mogelijkheid sommige blootstellingen vrij te stellen gebruik te blijven maken.

(90)

De jaren die aan de financiële crisis voorafgingen, werden gekenmerkt door een buitensporige toename van de blootstellingen van instellingen in verhouding tot hun eigen vermogen (hefboomfinanciering). Tijdens de financiële crisis werden instellingen door verliezen en een tekort aan financiering gedwongen hun hefboomfinanciering in korte tijd aanzienlijk terug te dringen. Dit verhoogde de neerwaartse druk op de prijzen van activa, met nog meer verliezen voor instellingen tot gevolg, hetgeen wederom leidde tot een verdere vermindering van hun eigen vermogen. Deze negatieve spiraal had uiteindelijk tot gevolg dat er minder krediet beschikbaar kwam voor de reële economie en dat de crisis dieper werd en langer zou gaan duren.

(91)

Op risico gebaseerde eigenvermogensvereisten zijn van essentieel belang om ervoor te zorgen dat er voldoende eigen vermogen is om onverwachte verliezen te dekken. De crisis heeft echter laten zien dat deze vereisten op zich niet volstaan om instellingen te beletten buitensporige en onhoudbare hefboomrisico's te nemen.

(92)

In september 2009 heeft de G-20 afgesproken internationaal overeengekomen regels te zullen ontwikkelen ter ontmoediging van buitensporige hefboomfinanciering. Daartoe onderschreven zij de invoering van een hefboomratio ter aanvulling van het Bazel II-raamwerk.

(93)

In december 2010 heeft het BCBS richtsnoeren betreffende de berekeningsmethode voor de hefboomratio gepubliceerd. Deze voorschriften bepalen dat de hefboomratio, de onderdelen en het verloop ervan ten aanzien van het op risico gebaseerde vereiste zullen worden bewaakt gedurende een waarnemingsperiode van 1 januari 2013 tot 1 januari 2017. Het BCBS is voornemens in de eerste helft van 2017 op grond van de resultaten van de waarnemingsperiode eventuele definitieve aanpassingen aan te brengen aan de definitie en de kalibratie van de hefboomratio met het oog op een migratie naar een bindend vereiste op 1 januari 2018 op basis van een passende toetsing en kalibratie. De richtsnoeren van het BCBS voorzien ook in de bekendmaking van de hefboomratio en de onderdelen ervan per 1 januari 2015.

(94)

Een hefboomratio is een nieuw regulerings- en toezichtsinstrument voor de Unie. Conform internationale overeenkomsten moet de hefboomratio eerst als een additioneel element worden ingevoerd dat naar inzicht van de toezichthoudende autoriteiten op individuele instellingen kan worden toegepast. De rapportageverplichtingen voor instellingen zouden de mogelijkheid bieden tot een passende toetsing en kalibratie met het oog op migratie naar een bindend vereiste in 2018.

(95)

Bij het toetsen van de impact van de hefboomratio op de verschillende bedrijfsmodellen moet er bijzondere aandacht uitgaan naar bedrijfsmodellen die geacht worden een laag risico in te houden, zoals hypothecaire leningen en gespecialiseerde kredietverlening aan regionale overheden, lagere overheden of publiekrechtelijke lichamen. Op basis van de ontvangen gegevens en de bevindingen van de toetsing door de toezichthouder gedurende een waarnemingsperiode dient de EBA in samenwerking met de bevoegde autoriteiten een indeling van bedrijfsmodellen en risico's te ontwikkelen. Op basis van een passende analyse, waarin tevens historische gegevens of stressscenario's worden meegenomen, moet worden beoordeeld welke niveaus van de hefboomwerkingsratio passend zijn om de veerkracht van de respectieve bedrijfsmodellen te waarborgen, alsmede of deze niveaus als drempels dan wel als bandbreedtes moeten worden vastgesteld. Nadat de waarnemingsperiode en de kalibratie van de respectieve niveaus van de hefboomratio hebben plaatsgevonden, kan de EBA, op basis van de beoordeling, een passende statistische evaluatie, inclusief gemiddelden en standaarddeviaties, van de hefboomratio bekend maken. Nadat de hefboomratiovereisten zijn vastgesteld, moet de EBA een passende statistische evaluatie, inclusief gemiddelden en standaarddeviaties, van de hefboomratio met betrekking tot de onderscheiden categorieën instellingen bekend maken.

(96)

Instellingen moeten in het kader van het interne beoordelingsproces van de kapitaaltoereikendheid (internal capital adequacy assessment process - ICAAP) het niveau en de ontwikkeling van de hefboomratio en het hefboomrisico bewaken. Die bewaking moet in het kader van het proces van toetsing door de toezichthouder plaatsvinden. Na de inwerkingtreding van de vereisten inzake de hefboomratio dienen de bevoegde autoriteiten met name de ontwikkelingen in het bedrijfsmodel en het corresponderende risicoprofiel in het oog te houden, om ervoor te zorgen dat de indeling van de instellingen actueel en accuraat blijft.

(97)

Goede bestuursstructuren, transparantie en openbaarmaking zijn van cruciaal belang voor een degelijk beloningsbeleid. Teneinde ten behoeve van de markt een adequate transparantie van hun beloningsstructuren en het daaraan verbonden risico te verzekeren, dienen instellingen gedetailleerde informatie openbaar te maken over hun beloningsbeleid en -praktijk, alsook de uit vertrouwelijkheidsoverwegingen geaggregeerde bedragen voor die personeelsleden wier beroepsactiviteiten het risicoprofiel van de instelling wezenlijk beïnvloeden. Deze informatie moet beschikbaar worden gesteld voor alle belanghebbenden. Deze bijzondere vereisten mogen geen afbreuk doen aan meer algemene openbaarmakingsvereisten betreffende het beloningsbeleid dat horizontaal in verschillende sectoren wordt toegepast. Voorts moeten de lidstaten instellingen kunnen voorschrijven meer gedetailleerde informatie over beloning ter beschikking te stellen.

(98)

De erkenning van een ratingbureau als externe kredietbeoordelingsinstelling (EKBI) dient niet te leiden tot verdere afscherming van een markt die nu reeds door drie belangrijke ondernemingen wordt gedomineerd. De EBA en de centrale banken van het ESCB dienen ervoor te zorgen dat meer ratingbureaus als EKBI worden erkend, om zo de markt open te stellen voor andere ondernemingen, evenwel zonder dat de eisen voor erkenning worden verlaagd of afgezwakt.

(99)

Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (16) en Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (17) dienen geheel van toepassing te zijn op de verwerking van persoonsgegevens voor de doeleinden van deze verordening.

(100)

Instellingen moeten een gediversifieerde buffer van liquide activa aanhouden, die zij kunnen gebruiken om te voorzien in liquiditeitsbehoeften in kortstondige situaties van liquiditeitsstress. Aangezien het niet mogelijk is vooraf met zekerheid te bepalen welke specifieke activa binnen iedere categorie activa achteraf aan schokken onderhevig zouden kunnen zijn, is het gepast het aanhouden te propageren van een gediversifieerde liquiditeitsbuffer van hoge kwaliteit die is samengesteld uit verschillende categorieën activa. Een concentratie van activa en een te grote afhankelijkheid van marktliquiditeit leidt tot een systeemrisico voor de financiële sector en dient te worden voorkomen. Gedurende een initiële waarnemingsperiode moet daarom een uitgebreide set activa van hoge kwaliteit in aanmerking worden genomen, die vervolgens zal worden gebruikt om een liquiditeitsdekkingsvereiste te definiëren. Bij het opstellen van een uniforme definitie van liquide activa zouden ten minste overheidsobligaties en gedekte obligaties die worden verhandeld op transparante markten met een doorlopende omzet geacht worden als activa met een uiterst hoge liquiditeit en kredietkwaliteit te worden aangemerkt. Ook zou het passend zijn dat activa die in overeenstemming zijn met artikel 416, lid 1, punten a) tot en met c), zonder beperkingen in de buffer worden opgenomen. Wanneer instellingen de liquiditeitsvoorraad aanspreken, moeten zij een plan opstellen voor het weer op niveau brengen van de door hen aangehouden liquide activa. De bevoegde autoriteiten moeten zich ervan vergewissen dat het plan toereikend is en tot uitvoering wordt gebracht.

(101)

De voorraad liquide activa moet te allen tijde beschikbaar zijn om de uitstroom aan liquiditeit te kunnen opvangen. Het niveau van de liquiditeitsbehoeften in een kortstondige situatie van liquiditeitsstress moet op gestandaardiseerde wijze worden bepaald zodat er wordt voorzien in een uniforme deugdelijkheidsnorm en een gelijk speelveld. Er moet voor worden gezorgd dat die gestandaardiseerde bepaling geen onbedoelde gevolgen heeft voor financiële markten, kredietverstrekking en economische groei, mede rekening houdend met de uiteenlopende bedrijfs- en beleggingsmodellen en financieringsomgevingen van instellingen in de gehele Unie. Daartoe moet er een waarnemingsperiode voor het liquiditeitsdekkingsvereiste gelden. Op basis van de waarnemingen en met verslagen van de EBA ter onderbouwing moet de Commissie worden gemachtigd een gedelegeerde handeling vast te stellen tot tijdige invoering van een gedetailleerd en geharmoniseerd liquiditeitsdekkingsvereiste voor de Unie. Met het oog op de wereldwijde harmonisatie inzake liquiditeitsregulering dient een eventuele gedelegeerde handeling tot invoering van het liquiditeitsdekkingsvereiste vergelijkbaar te zijn met de liquiditeitsdekkingsratio als bepaald in het definitief internationaal raamwerk voor de meting en de bewaking van en voor standaarden betreffende het liquiditeitsrisico (final international framework for liquidity risk measurement, standards and monitoring) van het BCBS, rekening houdend met specicifieke aspecten in de Unie en Europese en nationale specifieke aspecten.

(102)

Te dien einde dient de EBA gedurende de waarnemingsperiode onder meer te toetsen en na te gaan of het passend is een drempel te hanteren van 60 % voor liquide activa van niveau 1, een instroomplafond dat 75 % van de uitstromen dekt en infasering van het liquiditeitsdekkingsvereiste, te beginnen met 60 % per 1 januari 2015 en stapsgewijs toenemend tot 100 %. Bij het beoordelen van en het rapporteren over de uniforme definities betreffende de voorraad liquide activa dient de EBA de door het BCBS opgestelde definitie van liquide activa van hoge kwaliteit (High Quality Liquid Assets - HQLA) in aanmerking te nemen, rekening houdend met specifieke aspecten in de Unie en nationale specifieke aspecten. De EBA moet nagaan voor welke valuta's de behoeften van in de Unie gevestigde instellingen aan liquide activa de beschikbaarheid van deze liquide activa in die valuta's overschrijden, en zij moet ook jaarlijks nagaan of afwijkingen, waaronder die welke in deze verordening zijn omschreven, moeten worden toegepast. Voorts moet de EBA jaarlijks nagaan of er aan de toepassing door in de Unie gevestigde instellingen van die afwijkingen en in deze verordening vastgestelde afwijkingen eventuele aanvullende voorwaarden moeten worden gekoppeld, dan wel of bestaande voorwaarden moeten worden herzien. De EBA moet de resultaten van haar analyse voorleggen in een jaarverslag aan de Commissie.

(103)

Ten behoeve van de efficiëntie en om administratieve lasten te beperken, dient de EBA te voorzien in een samenhangend rapportagekader dat gebaseerd is op een geharmoniseerd pakket van normen voor liquiditeitsvereisten die in de gehele Unie dienen te worden toegepast. Te dien einde moet de EBA uniforme rapportageformats en IT-oplossingen ontwikkelen waarbij de bepalingen van deze verordening en van Richtlijn 2013/36/EU in aanmerking worden genomen. Tot de datum waarop de liquiditeitsvereisten volledig van toepassing zijn, dienen instellingen de nationale rapportagevereisten te blijven naleven.

(104)

De EBA dient in samenwerking met het ESRB richtsnoeren af te geven over de beginselen die moeten worden gehanteerd bij het aanspreken van de voorraad liquide activa in stresssituaties.

(105)

Er mag niet zonder meer op worden gerekend dat instellingen liquiditeitssteun zullen ontvangen van andere instellingen die tot dezelfde groep behoren wanneer zij moeilijkheden ondervinden om hun betalingsverplichtingen na te komen. Onder strikte voorwaarden en met de individuele toestemming van alle betrokken bevoegde autoriteiten, moeten de bevoegde autoriteiten echter individuele instellingen van de toepassing van het liquiditeitsvereiste kunnen ontheffen en deze instellingen aan een geconsolideerd vereiste kunnen onderwerpen teneinde hen toe te staan hun liquiditeitsbeheer centraal op het niveau van de groep of een subgroep te verrichten.

(106)

Volgens dezelfde logica zouden, zodra het liquiditeitsvereiste een bindende maatregel wordt en indien geen ontheffing wordt verleend, liquiditeitsstromen tussen twee instellingen die tot dezelfde groep behoren en die aan geconsolideerd toezicht zijn onderworpen, alleen preferentiële instroom- en uitstroompercentages mogen krijgen in gevallen waarin de instellingen over alle nodige waarborgen beschikken. Dergelijke specifieke preferentiële behandelingen moeten nauwkeurig worden omschreven en aan de vervulling van een aantal strenge, objectieve voorwaarden worden gekoppeld. De specifieke behandeling die van toepassing is op een bepaalde stroom binnen een groep dient te worden bepaald aan de hand van een methodiek waarbij gebruik wordt gemaakt van objectieve criteria en parameters om de specifieke niveaus van de instroom en de uitstroom tussen de instelling en de tegenpartij te bepalen. Op basis van de waarnemingen en met het verslag van de EBA ter onderbouwing moet de Commissie, voor zover passend, worden gemachtigd om, als onderdeel van de gedelegeerde handeling die zij krachtens deze verordening vaststelt om het liquiditeitsdekkingsvereiste te specificeren, gedelegeerde handelingen vast te stellen tot nadere bepaling van deze specifieke intragroepbehandelingen, alsook van de methodiek en de objectieve criteria waaraan die behandelingen gekoppeld worden, evenals de modaliteiten van de gemeenschappelijke besluitvorming met betrekking tot de beoordeling van die criteria.

(107)

De door het nationaal agentschap voor het beheer van activa (National Asset Management Agency - NAMA) in Ierland uitgegeven obligaties zijn bijzonder belangrijk voor het herstel van Ierse bankensector; voor die uitgifte is vooraf toestemming verleend door de lidstaten en de uitgifte is door de Commissie goedgekeurd als staatssteunmaatregel om probleemactiva van de balansen van bepaalde kredietinstellingen af te voeren. De uitgifte van deze obligaties maakt, als overgangsmaatregel die de steun van de Commissie en de ECB heeft gekregen, integraal deel uit van de herstructurering van het Ierse bankwezen. Deze door de Ierse regering gegarandeerde obligaties zijn aangemerkt als beleenbaar onderpand voor monetaire beleidstransacties. De Commissie dient zich te buigen over specifieke mechanismen voor de toepassing van grandfathering op overdraagbare activa, uitgegeven of gegarandeerd door entiteiten overeenkomstig de Unie-regels voor staatssteun, als onderdeel van de gedelegeerde handeling die zij krachtens deze verordening vaststelt om het liquiditeitsdekkingsvereiste te specificeren. In die optiek moet de Commissie ermee rekening houden dat instellingen die de liquiditeitsdekkingsvereisten overeenkomstig deze verordening berekenen, toestemming moeten krijgen om door het NAMA uitgegeven senior obligaties tot en met december 2019 als activa met een uiterst hoge liquiditeit en kredietkwaliteit te beschouwen.

(108)

Evenzo zijn de obligaties die door het nationaal agentschap voor het beheer van activa in Spanje worden uitgegeven bijzonder belangrijk voor het herstel van de Spaanse bankensector; de uitgifte van die obligaties maakt, als overgangsmaatregel die de steun van de Commissie en de ECB heeft gekregen, integraal deel uit van de herstructurering van het Spaanse bankwezen. De uitgifte van deze obligaties is onderdeel van de specifieke voorwaarden die betrekking hebben op de financiële sector, zoals bepaald in het op 23 juli 2012 tussen de Spaanse autoriteiten en de Commissie gesloten memorandum van overeenstemming, en de overdracht van activa vergt de goedkeuring van de Commissie als zijnde een staatssteunmaatregel om probleemactiva van de balansen van bepaalde kredietinstellingen af te voeren; voorzover deze obligaties door de Spaanse regering worden gegarandeerd en aan te merken zijn als beleenbaar onderpand voor monetaire beleidstransacties, De Commissie dient zich te buigen over specifieke mechanismen voor de toepassing van grandfathering op overdraagbare activa, uitgegeven of gegarandeerd door entiteiten overeenkomstig de Unie-regels voor staatssteun, als onderdeel van de gedelegeerde handeling die zij krachtens deze verordening vaststelt om het liquiditeitsdekkingsvereiste te specificeren. In die optiek moet de Commissie ermee rekening houden dat instellingen die de liquiditeitsdekkingsvereisten overeenkomstig deze verordening berekenen, toestemming moeten krijgen om door het nationale agentschap voor het beheer van activa in Spanje uitgegeven senior obligaties ten minste tot en met december 2023 als activa met een uiterst hoge liquiditeit en kredietkwaliteit te beschouwen.

(109)

Op basis van de door de EBA in te dienen verslagen en bij de opstelling van het voorstel voor een gedelegeerde handeling inzake liquiditeitsvereisten dient de Commissie tevens te bezien of die behandeling eveneens moet gelden voor senior obligaties, uitgegeven door juridische entiteiten die vergelijkbaar zijn met de nationale agentschappen voor het beheer van activa in Ierland en Spanje, die met hetzelfde oogmerk zijn opgericht en die bijzonder belangrijk zijn voor het herstel van de bankensector in enige andere lidstaat, in zoverre die obligaties door de centrale overheid van de lidstaat in kwestie zijn gegarandeerd en als beleenbaar onderpand voor monetaire beleidstransacties zijn aangemerkt.

(110)

Bij het ontwikkelen van de ontwerpen van technische reguleringsnormen voor het bepalen van methoden voor het meten van de additionele uitstroom dient de EBA een gestandaardiseerde benadering op basis van historische gegevens te overwegen.

(111)

In afwachting van de invoering van de nettostabielefinancieringsratio (NSFR) als bindende minimumnorm, moeten instellingen een algemene financieringsverplichting in acht nemen. De algemene financieringsverplichting dient geen ratiovereiste te zijn. Indien er, in afwachting van de invoering van de NSFR, door middel van een nationale bepaling een stabielefinancieringsratio als minimumnorm wordt ingevoerd, moeten instellingen daaraan voldoen.

(112)

Afgezien van liquiditeitsbehoeften op korte termijn moeten instellingen ook financieringsstructuren instellen die op langere termijn stabiel zijn. In december 2010 kwam het BCBS overeen dat de nettostabielefinancieringsratio (Net Stable Funding Ratio - NSFR) uiterlijk op 1 januari 2018 een minimumnorm zou worden en dat het BCBS strenge rapportageprocessen zou instellen voor de bewaking van de ratio gedurende de overgangsperiode, de gevolgen van deze normen voor financiële markten, kredietverstrekking en economische groei zou blijven nagaan, en zo nodig onbedoelde gevolgen zou ondervangen. Het BCBS is daarbij overeengekomen dat er voor de NSFR een waarnemingsperiode zou gelden en dat in een toetsingsclausule zou worden voorzien. In dat verband moet de EBA op basis van de bij deze verordening voorgeschreven rapportage onderzoeken hoe aan een stabielefinancieringsvereiste gestalte kan worden gegeven. Op basis van dat onderzoek moet de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag indienen, voor zover passend vergezeld van voorstellen voor de invoering van een dergelijk vereiste uiterlijk in 2018.

(113)

Tekortkomingen in de corporate governance van een aantal instellingen hebben ertoe bijgedragen dat er in de bankensector buitensporige en onverantwoorde risico's zijn genomen die hebben geleid tot de ondergang van individuele instellingen en tot systeemproblemen.

(114)

Om de bewaking van de praktijken inzake corporate governance van instellingen te vergemakkelijken en de marktdiscipline te verbeteren, moeten instellingen hun regelingen inzake corporate governance openbaar maken. Hun leidinggevende organen moeten een verklaring goedkeuren en openbaar maken waarin het publiek de verzekering wordt gegeven dat deze regelingen toereikend en efficiënt zijn.

(115)

Om rekening te houden met de diversiteit van de bedrijfsmodellen van instellingen in de interne markt moeten bepaalde structurele vereisten voor de lange termijn, zoals de NSFR en de hefboomratio, nauwkeurig worden bestudeerd met het oog op het bevorderen van een verscheidenheid aan deugdelijke bankstructuren die een bijdrage hebben geleverd en moeten blijven leveren aan de economie van de Unie.

(116)

Om huishoudens en bedrijven doorlopend te voorzien van financiële diensten is een stabiele financieringsstructuur nodig. De kenmerken van de langetermijnfinancieringsstromen in op banken gebaseerde financiële stelsels in veel lidstaten verschillen doorgaans wellicht van die op andere internationale markten. Daarnaast kunnen in de lidstaten specifieke financieringsstructuren tot ontwikkeling zijn gekomen ter waarborging van een stabiele financiering voor langetermijninvesteringen, waaronder gedecentraliseerde bankstructuren voor het kanaliseren van liquiditeit of gespecialiseerde door hypotheek gedekte waardepapieren die worden verhandeld op zeer liquide markten of een welkome vorm van belegging vormen voor langetermijnbeleggers. Met deze structurele factoren moet terdege rekening worden gehouden. Te dien einde is het van essentieel belang dat de EBA en het ESRB, zodra de laatste hand is gelegd aan internationale normen, op basis van de bij deze verordening voorgeschreven rapportage onderzoeken hoe aan een stabielefinancieringsvereiste gestalte moet worden gegeven, ten volle rekening houdend met de verscheidenheid aan financieringsstructuren op de bankenmarkt in de Unie.

(117)

Teneinde ervoor te zorgen dat er gedurende een overgangsperiode een geleidelijke convergentie ontstaat tussen het niveau van het eigen vermogen en de prudentiële aanpassingen die worden aangebracht in de definitie van eigen vermogen overal in de Unie alsook in de in deze verordening vastgestelde definitie van eigen vermogen, moeten de eigenvermogensvereisten van deze verordening stapsgewijs worden ingevoerd. Het is van essentieel belang ervoor te zorgen dat deze geleidelijke invoering spoort met de verbeteringen die de lidstaten recent hebben aangebracht aan de vereiste eigenvermogensniveaus en aan de in de lidstaten geldende definitie van eigen vermogen. Te dien einde moeten de bevoegde autoriteiten tijdens de overgangsperiode binnen bepaalde onder- en bovengrenzen bepalen hoe snel zij het vereiste eigenvermogensniveau en de prudentiële aanpassingen die in deze verordening zijn vastgesteld, zullen invoeren.

(118)

Teneinde een vlotte overgang te faciliteren van de uiteenlopende prudentiële aanpassingen die momenteel in de lidstaten worden aangebracht, naar het pakket prudentiële aanpassingen dat in deze verordening wordt vastgesteld, moeten de bevoegde autoriteiten gedurende een overgangsperiode in zekere mate kunnen blijven voorschrijven dat instellingen prudentiële aanpassingen in het eigen vermogen aanbrengen die een afwijking van deze verordening vormen.

(119)

Teneinde ervoor te zorgen dat instellingen over voldoende tijd beschikken om te voldoen aan de nieuwe vereiste niveaus en de nieuwe definitie van het eigen vermogen, moeten bepaalde kapitaalinstrumenten die niet stroken met de in deze verordening vastgestelde definitie van eigen vermogen, tussen 1 januari 2013 en 31 december 2021 geleidelijk worden afgeschaft. Voorts moeten bepaalde instrumenten met staatsinbreng gedurende een beperkte periode ten volle in het eigen vermogen in aanmerking worden genomen. Daarnaast moeten agiorekeningen gerelateerd aan bestanddelen die overeenkomstig de nationale omzettingsmaatregelen voor Richtlijn 2006/48/EG als eigen vermogen werden aangemerkt, in bepaalde omstandigheden als tier 1-kernkapitaal worden aangemerkt.

(120)

Teneinde te zorgen voor een geleidelijke convergentie naar uniforme voorschriften inzake openbaarmaking door instellingen om marktdeelnemers te voorzien van nauwkeurige en brede informatie betreffende het risicoprofiel van individuele instellingen, moeten openbaarmakingsvereisten geleidelijk worden ingevoerd.

(121)

Teneinde in te spelen op marktontwikkelingen en rekening te houden met de ervaring die met de toepassing van deze verordening is opgedaan, moet de Commissie ertoe worden verplicht bij het Europees Parlement en bij de Raad verslagen in te dienen, in voorkomend geval vergezeld van wetgevingsvoorstellen, betreffende de mogelijke impact van kapitaalvereisten op de conjunctuur, de minimumeigenvermogensvereisten voor blootstellingen in de vorm van gedekte obligaties, grote risicoblootstellingen, liquiditeitsvereisten, hefboomfinanciering, blootstellingen aan overgedragen kredietrisico, tegenpartijkredietrisico en de oorspronkelijkeblootstellingsmethode, blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen, betreffende de definitie van in aanmerking komend kapitaal en het toepassingsniveau van deze verordening.

(122)

De belangrijkste functie van het juridisch kader voor kredietinstellingen moet erin bestaan essentiële diensten voor de reële economie te waarborgen en moreel risico te beperken. De structurele scheiding tussen de nutsactiviteiten en de zakenactiviteiten binnen een bankgroep kan een belangrijk instrument zijn om deze doelstelling te ondersteunen. Geen enkel voorschrift in het vigerende regelgevende kader zou daarom de invoering van maatregelen die een dergelijke scheiding tot stand brengen, mogen voorkomen. De Commissie moet ertoe worden verplicht de kwestie van een dergelijke structurele scheiding in de Unie te onderzoeken en bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in te dienen, in voorkomend geval vergezeld van wetgevingsvoorstellen.

(123)

Evenzo met het oog op het beschermen van deposanten en het vrijwaren van financiële stabiliteit, moet een lidstaat ook structurele maatregelen kunnen vaststellen die voorschrijven dat kredietinstellingen waaraan in die lidstaat een vergunning is verleend, hun blootstellingen met betrekking tot verschillende juridische entiteiten verminderen afhankelijk van hun activiteiten, ongeacht waar deze activiteiten zijn gesitueerd. Omdat dergelijke maatregelen echter een negatief effect kunnen hebben doordat zij de interne markt versnipperen, mogen zij enkel onder strikte voorwaarden worden goedgekeurd in afwachting van de inwerkingtreding van een toekomstige rechtshandeling die dergelijke maatregelen expliciet harmoniseert.

(124)

Om de in deze verordening vastgestelde vereisten nader in te vullen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden gedelegeerd overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen betreffende technische aanpassingen aan deze verordening ter verduidelijking van definities om te zorgen voor een uniforme toepassing van deze verordening of om in te spelen op ontwikkelingen op de financiële markten, ter aanpassing van de terminologie en van de formulering van de definities aan latere desbetreffende handelingen, ter aanpassing van de bepalingen van deze verordening betreffende het eigen vermogen, als gevolg van ontwikkelingen op het gebied van standaarden voor jaarrekeningen of Unierecht, of met het oog op de convergentie van toezichtspraktijken, ter uitbreiding van de lijst van blootstellingscategorieën voor de standaard- of de IRB-benadering om in te spelen op de ontwikkelingen op de financiële markten, ter aanpassing van bepaalde bedragen die betrekking hebben op die blootstellingscategorieën, om in te spelen op de gevolgen van inflatie, ter aanpassing van de lijst en de indeling van de posten buiten de balanstelling, en ter aanpassing van specifieke bepalingen en technische criteria voor de omgang met het tegenpartijkredietrisico, de standaard- of de IRB-benadering, kredietrisicolimitering, securitisatie, operationele risico's, marktrisico, liquiditeit, hefboomfinanciering en openbaarmaking, om in te spelen op de ontwikkelingen op de financiële markten of op het gebied van standaarden voor jaarrekeningen of Unierecht, of met het oog op de convergentie van toezichtspraktijken en risicometing en de rapportage van de resultaten van de evaluatie van diverse kwesties met betrekking tot het toepassingsgebied van Richtlijn 2004/39/EG.

(125)

Aan de Commissie moet ook de bevoegdheid worden gedelegeerd om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ter bepaling van een tijdelijke verlaging van het in deze verordening vastgestelde niveau van het eigen vermogen of van risicogewichten, om rekening te houden met bijzondere omstandigheden, ter verduidelijking van de vrijstelling van bepaalde blootstellingen van de toepassing van bepalingen van deze verordening inzake grote risicoblootstellingen, ter nadere invulling van bedragen die relevant zijn voor de berekening van de kapitaalvereisten voor de handelsportefeuille om in te spelen op economische en monetaire ontwikkelingen, ter aanpassing van de categorieën beleggingsondernemingen die in aanmerking komen voor bepaalde afwijkingen met betrekking tot vereiste eigenvermogensniveaus, teneinde in te spelen op ontwikkelingen op de financiële markten, ter verduidelijking van het vereiste dat beleggingsondernemingen eigen vermogen dienen te hebben dat gelijk is aan een vierde van hun vaste kosten in het voorgaande jaar om ervoor te zorgen dat deze verordening op uniforme wijze wordt toegepast, ter bepaling van de bestanddelen van het eigen vermogen waarvan de door een instelling aangehouden instrumenten van relevante entiteiten moeten worden afgetrokken, ter invoering van aanvullende overgangsbepalingen met betrekking tot de behandeling van actuariële winsten en verliezen bij het meten van de op vaste toezeggingen gebaseerde pensioenverplichtingen van instellingen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie tijdens haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op passende wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad.

(126)

Overeenkomstig verklaring (nr. 39) ad artikel 290 van het VWEU dient de Commissie de door de lidstaten aangewezen deskundigen te blijven raadplegen bij de voorbereiding van haar ontwerpen van gedelegeerde handelingen op het gebied van financiële diensten, overeenkomstig haar vaste praktijk.

(127)

De uitvaardiging van technische normen op het gebied van financiële diensten moet resulteren in een harmonisatie, uniforme voorwaarden en degelijke bescherming van deposanten, beleggers en consumenten in de gehele Unie. Het zou efficiënt en passend zijn om de EBA, als orgaan met hooggespecialiseerde expertise, te belasten met de opstelling van aan de Commissie voor te leggen ontwerpen van technische reguleringsnormen en van technische uitvoeringsnormen die geen beleidskeuzen inhouden. De EBA moet bij de ontwikkeling van ontwerpen van technische normen voor doeltreffende administratieve en rapportageprocessen zorgen. De rapportageformats dienen in verhouding te staan tot de aard, de omvang en de complexiteit van de activiteiten van de instellingen.

(128)

De Commissie dient door middel van gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 290 VWEU en overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 de door de EBA ontwikkelde ontwerpen van technische reguleringsnormen vast te stellen met betrekking tot onderlinge maatschappijen, coöperatieve verenigingen, spaarinstellingen of soortgelijke entiteiten, bepaalde eigenvermogensinstrumenten, prudentiële aanpassingen, aftrekkingen van het eigen vermogen, aanvullende eigenvermogensinstrumenten, minderheidsbelangen, nevendiensten van het bankbedrijf, de behandeling van kredietrisicoaanpassing, de kans op wanbetaling, verlies bij wanbetaling, benaderingen van de risicoweging van activa, convergentie van toezichtspraktijken, liquiditeit en overgangsregelingen voor het eigen vermogen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie tijdens haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie en de EBA moeten ervoor zorgen dat die normen en vereisten door alle betrokken instellingen kunnen worden toegepast op een wijze die in verhouding staat tot de aard, de omvang en de complexiteit van deze instellingen en hun activiteiten.

(129)

De uitvoering van bepaalde gedelegeerde handelingen waarin deze verordening voorziet, zoals de gedelegeerde handeling met betrekking tot het liquiditeitsdekkingsvereiste, zou een substantieel effect kunnen hebben op instellingen waarop toezicht wordt uitgeoefend en op de reële economie. De Commissie moet ervoor zorgen dat het Europees Parlement en de Raad reeds vóór de bekendmaking van gedelegeerde handelingen altijd goed geïnformeerd zijn over relevante ontwikkelingen op internationaal niveau en gangbare opvattingen in de Commissie.

(130)

Aan de Commissie moet ook de bevoegdheid worden verleend om overeenkomstig artikel 291 VWEU en overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 door middel van uitvoeringshandelingen door de EBA ontwikkelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen met betrekking tot consolidatie, gezamenlijke beslissingen, rapportage, openbaarmaking, door hypotheken gedekte risicoblootstellingen, risicobeoordeling, benaderingen van risicoweging van activa, risicogewichten en specificatie van bepaalde risicoblootstellingen, de behandeling van opties en warrants, posities in aandeleninstrumenten en vreemde valuta, het gebruik van interne modellen, hefboomfinanciering en posten buiten de balanstelling.

(131)

Gelet op de specifieke kenmerken en de hoeveelheid van technische reguleringsnormen die overeenkomstig deze verordening moeten worden vastgesteld, moet, ingeval de Commissie een technische reguleringsnorm vaststelt die identiek is aan het door de EBA ingediende ontwerp van technische reguleringsnorm, de termijn waarbinnen het Europees Parlement en de Raad bezwaar tegen een technische reguleringsnorm kunnen maken, waar dat passend is verlengd worden met een extra maand. Voorts moet de Commissie ernaar streven dat de technische reguleringsnormen tijdig worden aangenomen opdat het Europees Parlement en de Raad volledige toetsing kunnen verrichten, rekening houdend met het volume en de complexiteit van technische reguleringsnormen en de specifieke kenmerken van het reglement van orde van het Europees Parlement en de Raad, hun agenda van de werkzaamheden en hun samenstelling.

(132)

Teneinde een hoge mate van transparantie te waarborgen, dient de EBA raadplegingen betreffende de in deze verordening bedoelde ontwerpen van technische normen te houden. De EBA en de Commissie dienen zo snel mogelijk met de opstelling van de in deze verordening bedoelde verslagen inzake liquiditeitsvereisten en hefboomfinanciering te beginnen.

(133)

Teneinde uniforme voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden verleend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (18).

(134)

In overeenstemming met artikel 345 VWEU, waarin staat dat de Verdragen de regeling van het eigendomsrecht in de lidstaten onverlet laten, dient deze verordening geen van de onder deze verordening vallende vormen van eigendom te bevoordelen of te discrimineren.

(135)

De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming werd geraadpleegd overeenkomstig artikel 28, lid 2, van Verordening (EG) 45/2001 en heeft advies uitgebracht (19).

(136)

Verordening (EU) nr. 648/2012 moet dienovereenkomstig gewijzigd worden,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

DEEL EEN

ALGEMENE BEPALINGEN

TITEL I

ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1

Toepassingsgebied

In deze verordening worden uniforme regels vastgesteld betreffende algemene prudentiële vereisten waaraan instellingen waarop overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU toezicht wordt uitgeoefend, moeten voldoen op de volgende gebieden:

a)

eigenvermogensvereisten met betrekking tot volledig kwantificeerbare, uniforme en gestandaardiseerde elementen van kredietrisico, marktrisico, operationeel risico en afwikkelingsrisico;

b)

vereisten ter beperking van grote risicoblootstellingen;

c)

na de inwerkingtreding van de in artikel 460 bedoelde gedelegeerde handeling, liquiditeitsvereisten met betrekking tot volledig kwantificeerbare, uniforme en gestandaardiseerde elementen van liquiditeitsrisico;

d)

rapportagevereisten met betrekking tot de punten a), b) en c) en met betrekking tot hefboomfinanciering;

e)

openbaarmakingsvereisten.

Deze verordening beheerst niet de in Richtlijn 2013/36/EU bepaalde bekendmakingsvereisten voor bevoegde autoriteiten op het gebied van prudentiële regelgeving voor en bedrijfseconomisch toezicht op instellingen.

Artikel 2

Toezichthoudende bevoegdheden

Teneinde de naleving van deze verordening te waarborgen, beschikken de bevoegde autoriteiten over de bevoegdheden en volgen zij de procedures die in Richtlijn 2013/36/EU zijn bepaald.

Artikel 3

Toepassing van striktere vereisten door instellingen

Deze verordening belet instellingen niet hogere bedragen aan eigen vermogen en bestanddelen ervan aan te houden dan, of maatregelen toe te passen die strikter zijn dan die welke bij deze verordening worden voorgeschreven.

Artikel 4

Definities

1.   Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

(1)   "kredietinstelling": een onderneming waarvan de werkzaamheden bestaan in het bij het publiek aantrekken van deposito’s of van andere terugbetaalbare gelden en het verlenen van kredieten voor eigen rekening;

(2)   "beleggingsonderneming": een persoon als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 1, van Richtlijn 2004/39/EG, waarop de vereisten uit hoofde van die richtlijn van toepassing zijn, met uitzondering van:

a)

kredietinstellingen;

b)

plaatselijke ondernemingen;

c)

ondernemingen die geen vergunning hebben om de in bijlage I, deel B, punt (1) van Richtlijn 2004/39/EG, bedoelde nevendienst te verrichten en die slechts een of meer van de in bijlage I, deel A, punten (1), (2), (4) en (5) van die richtlijn bedoelde beleggingsdiensten en -activiteiten verrichten, en die geen toestemming hebben om aan hun cliënten toebehorende gelden en/of effecten aan te houden, waardoor zij jegens hun cliënten nooit in een debiteurspositie kunnen verkeren;

(3)   "instelling": een kredietinstelling of een beleggingsonderneming;

(4)   "plaatselijke onderneming": een onderneming die op de markten voor financiële futures, voor opties of voor andere afgeleide instrumenten en op de contante markten, uitsluitend om posities op markten voor afgeleide instrumenten af te dekken, voor eigen rekening of voor rekening van andere leden van die markten handelt, en die door clearing members van dezelfde markten wordt gegarandeerd, waarbij de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de door dergelijke ondernemingen gesloten contracten berust bij clearing members van dezelfde markten;

(5)   "verzekeringsonderneming": een verzekeringsonderneming als gedefinieerd in artikel 13, punt 1, van Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (20);

(6)   "herverzekeringsonderneming": een herverzekeringsonderneming als gedefinieerd in artikel 13, punt 4, van Richtlijn 2009/138/EG;

(7)   "instelling voor collectieve belegging" of "icb": een icbe als gedefinieerd in artikel 1, lid 2, van Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's) (21), met inbegrip, tenzij anders bepaald, van entiteiten uit derde landen die soortgelijke werkzaamheden verrichten en die onderworpen zijn aan toezicht uit hoofde van het Unierecht of het recht van een derde land dat toezicht- en reguleringsvereisten toepast die ten minste gelijkwaardig zijn aan die welke in de Unie worden toegepast, een abi als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt a), van Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen (22), of een niet-EU-abi als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt a bis), van die richtlijn;

(8)   "publiekrechtelijk lichaam": een administratief orgaan zonder winstoogmerk dat verantwoording moet afleggen aan de centrale, regionale of lokale overheid of aan overheden die dezelfde verantwoordelijkheden dragen als de regionale en lokale overheden, ofeen niet-commerciële onderneming die in handen is van of is opgericht en wordt gefinancierd door centrale, regionale of lokale overheden en uitdrukkelijke waarborgregelingen heeft; hieronder kunnenbij wet geregelde organen met zelfbestuur die onder openbaar toezicht staan vallen;

(9)   "leidinggevend orgaan": leidinggevend orgaan als gedefinieerd in artikel 4, lid 2, onder e), van Richtlijn 2013/36/EU;

(10)   "directie": directie als gedefinieerd in artikel 4, lid 2, onder f), van Richtlijn 2013/36/EU;

(11)   "systeemrisico": systeemrisico als gedefinieerd in artikel 4, lid 2, onder h), van Richtlijn 2013/36/EU;

(12)   "modelrisico": modelrisico als gedefinieerd in artikel 4, lid 2, onder i), van Richtlijn 2013/36/EU;

(13)   "initiator": een entiteit die:

a)

zelf of via verwante ondernemingen direct of indirect betrokken is geweest bij de oorspronkelijke overeenkomst waarmee de verplichtingen of de potentiële verplichtingen van de debiteur of potentiële debiteur zijn ontstaan die tot securitisatie van de blootstelling hebben geleid; of

b)

blootstellingen van een derde voor eigen rekening koopt en daarna securitiseert;

(14)   "sponsor": een niet-initiërende instelling die een door activa gedekt commercieelpapierprogramma of een andere securitisatieregeling waarbij blootstellingen van derden worden gekocht, uitgeeft en beheert;

(15)   "moederonderneming":

a)

een moederonderneming in de zin van de artikelen 1 en 2 van Richtlijn 83/349/EEG;

b)

voor de toepassing van titel VII, hoofdstuk 3, afdeling II, en hoofdstuk 4, afdeling II, en van titel VIII van Richtlijn 2013/36/EU, alsook van deel vijf van deze verordening: een moederonderneming in de zin van artikel 1, lid 1, van Richtlijn 83/349/EEG, alsmede iedere onderneming die feitelijk een overheersende invloed op een andere onderneming uitoefent;

(16)   "dochteronderneming":

a)

een dochteronderneming in de zin van de artikelen 1 en 2 van Richtlijn 83/349/EEG;

b)

een dochteronderneming in de zin van artikel 1, lid 1, van Richtlijn 83/349/EEG, alsmede iedere onderneming waarop een moederonderneming feitelijk een overheersende invloed uitoefent.

(17)   "bijkantoor": een bedrijfszetel welke een deel zonder juridische zelfstandigheid vormt van een instelling en welke rechtstreeks, geheel of gedeeltelijk de handelingen verricht die eigen zijn aan de werkzaamheden van een instelling;

(18)   "onderneming die nevendiensten verricht": een onderneming waarvan de hoofdactiviteit bestaat uit het bezit of het beheer van onroerend goed, het beheer van gegevensverwerkingsdiensten of uit een andere soortgelijke activiteit welke ten opzichte van de hoofdactiviteit van een of meer instellingen het karakter van een ondersteunende activiteit heeft;

(19)   "vermogensbeheerder": een vermogensbeheerder als gedefinieerd in artikel 2, punt 5, van Richtlijn 2002/87/EG en een abi-beheerder als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, onder b),van Richtlijn 2011/61/EU, met inbegrip, tenzij anders bepaald, van entiteiten van derde landen, die soortgelijke werkzaamheden verrichten, die onderworpen zijn aan het recht van een derde land dat toezicht- en reguleringsvereisten toepast die ten minste gelijkwaardig zijn aan die welke in de Unie worden toegepast;

(20)   "financiële holding": een financiële instelling waarvan de dochterondernemingen uitsluitend of hoofdzakelijk instellingen of financiële instellingen zijn, van welke dochterondernemingen er ten minste één een instelling is, en die geen gemengde financiële holding is;

(21)   "gemengde financiële holding": gemengde financiële holding artikel 2, punt 15, van Richtlijn 2002/87/EG;

(22)   "gemengde holding": een moederonderneming die geen financiële holding en evenmin een instelling of een gemengde financiële holding is, en die onder haar dochterondernemingen ten minste één instelling telt;

(23)   "verzekeringsonderneming van een derde land": verzekeringsonderneming van een derde land als gedefinieerd in artikel 13, punt 3, van Richtlijn 2009/138/EG;

(24)   "herverzekeringsonderneming van een derde land": herverzekeringsonderneming van een derde land als gedefinieerd in artikel 13, punt 6, van Richtlijn 2009/138/EG;

(25)   "erkende beleggingsonderneming van een derde land": onderneming die aan alle volgende voorwaarden voldoet:

a)

indien zij in de Unie was gevestigd, zou zij onder de definitie van een beleggingsonderneming vallen;

b)

haar is vergunning verleend in een derde land;

c)

zij is onderworpen en houdt zich aan prudentiële vereisten welke door de bevoegde autoriteiten als minstens even strikt als de vereisten van deze verordening of van Richtlijn 2013/36/EU worden beschouwd;

(26)   "financiële instelling": een onderneming die geen instelling is en waarvan de hoofdwerkzaamheid bestaat in het verwerven van deelnemingen of in het uitoefenen van een of meer van de in de punten 2 tot en met 12 en punt 15 van bijlage I bij Richtlijn 2013/36/EU genoemde werkzaamheden, met inbegrip van een financiële holding, een gemengde financiële holding, een betalingsinstelling in de zin van Richtlijn 2007/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 betreffende betalingsdiensten in de interne markt (23) en een vermogensbeheerder, maar met uitsluiting van verzekeringsholdings en gemengde verzekeringsholdings als gedefinieerd in artikel 212, lid 1, onder g) van Richtlijn 2009/138/EG;

(27)   "entiteit uit de financiële sector": een van de volgende entiteiten:

a)

een instelling;

b)

een financiële instelling;

c)

een onderneming die nevendiensten verricht en die is opgenomen in de geconsolideerde financiële situatie van een instelling;

d)

een verzekeringsonderneming;

e)

een verzekeringsonderneming uit een derde land;

f)

een herverzekeringsonderneming;

g)

een herverzekeringsonderneming uit een derde land;

h)

een verzekeringsholding;

i)

een gemengde holding;

j)

een gemengde verzekeringsholding als gedefinieerd in artikel 212, lid 1, onder g) van Richtlijn 2009/138/EG;

k)

een van het toepassingsgebied van Richtlijn 2009/138/EG uitgesloten onderneming overeenkomstig artikel 4 van die richtlijn;

l)

een onderneming van een derde land waarvan het hoofdbedrijf vergelijkbaar is met dat van een van de in de punten a) tot en met k) vermelde entiteiten;

(28)   "moederinstelling in een lidstaat": een instelling in een lidstaat die een instelling of een financiële instelling als dochteronderneming heeft, of die een deelneming heeft in een dergelijke instelling of financiële instelling en zelf geen dochteronderneming is van een andere instelling waaraan in dezelfde lidstaat vergunning is verleend, of van een in dezelfde lidstaat opgerichte financiële holding of gemengde financiële holding;

(29)   "EU-moederinstelling": een moederinstelling in een lidstaat die geen dochteronderneming is van een andere instelling waaraan in een van de lidstaten vergunning is verleend, of van een in een van de lidstaten opgerichte financiële holding of gemengde financiële holding;

(30)   "financiële moederholding in een lidstaat": een financiële holding die zelf geen dochteronderneming is van een instelling waaraan in dezelfde lidstaat vergunning is verleend, of van een in dezelfde lidstaat opgerichte financiële holding of gemengde financiële holding;

(31)   "financiële EU-moederholding": een financiële holding in een lidstaat die geen dochteronderneming is van een instelling waaraan in een van lidstaten vergunning is verleend, of van een in een van de lidstaten opgerichte financiële holding of gemengde financiële holding;

(32)   "gemengde financiële moederholding in een lidstaat": een gemengde financiële holding die zelf geen dochteronderneming is van een instelling waaraan in dezelfde lidstaat een vergunning is verleend, of van een in dezelfde lidstaat opgerichte financiële holding of gemengde financiële holding;

(33)   "gemengde financiële EU-moederholding": een gemengde financiële holding in een lidstaat die geen dochteronderneming is van een instelling waaraan in een van de lidstaten een vergunning is verleend, of van een in een van de lidstaten opgerichte financiële holding of gemengde financiële holding;

(34)   "centrale tegenpartij" of "CTP": een CTP als omschreven in artikel 2, punt 1), van Verordening (EU) nr. 648/2012;

(35)   "deelneming": een deelneming in de zin van artikel 17, eerste zin, van Vierde Richtlijn 78/660/EEG van de Raad van 25 juli 1978 betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen (24), of de rechtstreekse of middellijke eigendom van 20 % of meer van de stemrechten of van het kapitaal van een onderneming;

(36)   "gekwalificeerde deelneming": het in een onderneming, rechtstreeks of onrechtstreeks, bezitten van 10 % of meer van het kapitaal of van de stemrechten, dan wel van een percentage dat het mogelijk maakt een invloed van betekenis op de bedrijfsvoering van die onderneming uit te oefenen;

(37)   "zeggenschap": de betrekking die bestaat tussen een moederonderneming en een dochteronderneming, als bepaald in artikel 1 van Richtlijn 83/349/EEG, of de standaarden voor jaarrekeningen waaraan een instelling uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1606/2002 moet voldoen, of enig ander toepasselijk kader voor financiële verslaggeving, of een soortgelijke betrekking tussen een natuurlijke of rechtspersoon en een onderneming;

(38)   "nauwe banden": een situatie waarbij twee of meer natuurlijke of rechtspersonen op een van de volgende wijzen zijn verbonden:

a)

een deelneming in de vorm van het rechtstreeks of door middel van een zeggenschapsband houden van ten minste 20 % van de stemrechten of het kapitaal van een onderneming;

b)

door een zeggenschapsband;

c)

door een duurzame band van beiden of allen met dezelfde derde persoon door middel van een verhouding van zeggenschap;

(39)   "groep verbonden cliënten": een van de volgende omschrijvingen:

a)

twee of meer natuurlijke of rechtspersonen die, behoudens bewijs van het tegendeel, uit een oogpunt van risico een geheel vormen omdat een van hen rechtstreeks of onrechtstreeks zeggenschap heeft over de andere persoon of personen;

b)

twee of meer natuurlijke of rechtspersonen tussen wie geen zeggenschapsband als beschreven in punt a) bestaat, maar die uit een oogpunt van risico als een geheel moeten worden beschouwd omdat zij zodanig onderling verbonden zijn dat, indien een van hen financiële problemen zou ondervinden, en met name financierings- of betalingsmoeilijkheden, de andere of alle anderen waarschijnlijk ook in financierings- of betalingsmoeilijkheden zouden komen.

(40)   "bevoegde autoriteit": een bij nationale wetgeving officieel erkende overheidsinstantie of lichaam die/dat bij nationale wetgeving gemachtigd is toezicht op instellingen uit te oefenen als onderdeel van het in de betrokken lidstaat geldende toezichtstelsel;

(41)   "consoliderend toezichthouder": een bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op geconsolideerde basis op EU-moederinstellingen en op instellingen die onder de zeggenschap staan van financiële EU-moederholdings of gemengde financiële EU-moederholdings;

(42)   "vergunning": een door de overheid afgegeven akte, ongeacht haar vorm, waaruit de bevoegdheid voortvloeit om de werkzaamheden uit te oefenen;

(43)   "lidstaat van herkomst": de lidstaat waarin aan een instelling een vergunning is verleend;

(44)   "lidstaat van ontvangst": de lidstaat waarin een instelling een bijkantoor heeft of diensten verricht;

(45)   "centrale banken van het ESCB": de nationale centrale banken die lid zijn van het Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB) en de Europese Centrale Bank (ECB);

(46)   "centrale banken": de centrale banken van het ESCB en de centrale banken van derde landen;

(47)   "geconsolideerde situatie": situatie die voortvloeit uit het toepassen van de vereisten van deze verordening overeenkomstig deel één, titel II, hoofdstuk 2, op een instelling alsof deze instelling samen met een of meer andere entiteiten één enkele instelling vormt;

(48)   "geconsolideerde basis": op basis van de geconsolideerde situatie;

(49)   "op gesubconsolideerde basis": op basis van de geconsolideerde situatie van een moederinstelling, financiële moederholding of gemengde financiële moederholding met uitzondering van een subgroep van entiteiten, of op basis van de geconsolideerde situatie van een moederinstelling, financiële moederholding of gemengde financiële moederholding die niet de uiteindelijke moederinstelling, financiële moederholding of gemengde financiële moederholding is;

(50)   "financieel instrument": een van de volgende instrumenten:

a)

een overeenkomst die leidt tot zowel een financieel actief bij een partij als een financiële verplichting of eigenvermogensinstrument bij een andere partij;

b)

een instrument genoemd in deel C van bijlage I bij Richtlijn 2004/39/EG;

c)

een afgeleid financieel instrument;

d)

een primair financieel instrument;

e)

een kasinstrument.

De in de punten a), b) en c) bedoelde instrumenten zijn uitsluitend financiële instrumenten als hun waarde afgeleid is van de prijs van een onderliggend financieel instrument of een andere onderliggende post, een rentevoet of een index;

(51)   "aanvangskapitaal": de hoeveelheid en de soorten eigen vermogen die in artikel 12 van Richtlijn 2013/36/EU voor kredietinstellingen en in titel IV van die richtlijn voor beleggingsondernemingen zijn vastgesteld;

(52)   "operationeel risico": het risico van verliezen als gevolg van ongeschikte of falende interne processen, personen en systemen of als gevolg van externe gebeurtenissen. Juridische risico's worden er ook toe gerekend;

(53)   "verwateringsrisico": het risico dat een kortlopende vordering afneemt door geldelijke of niet-geldelijke kredieten aan de debiteur;

(54)   "kans op wanbetaling (probability of default - PD)": de kans dat een tegenpartij over een periode van een jaar in gebreke blijft;

(55)   "verlies bij wanbetaling (loss given default - LGD)": de verhouding tussen het verlies op een positie als gevolg van wanbetaling door een tegenpartij en het uitstaande bedrag bij wanbetaling;

(56)   "omrekeningsfactor": de verhouding tussen het momenteel niet-opgenomen bedrag van een kredietlijn dat zou kunnen worden opgenomen en daardoor zou openstaan bij wanbetaling, en het momenteel niet-opgenomen bedrag van de kredietlijn, waarbij de omvang van de kredietlijn wordt bepaald door de toegestane limiet, tenzij de niet-toegestane limiet hoger ligt;

(57)   "kredietrisicolimitering": een door een instelling gehanteerde techniek ter beperking van het kredietrisico dat verbonden is aan een positie of aan posities die de instelling blijft houden;

(58)   "volgestorte kredietprotectie": een techniek van kredietrisicolimitering waarbij het kredietrisico dat verbonden is aan de blootstelling van een instelling, wordt beperkt dankzij het recht van de instelling om, bij wanbetaling van de tegenpartij of bij andere specifieke kredietgebeurtenissen in verband met de tegenpartij, bepaalde activa of posten te liquideren, over te nemen, daarvan het eigendom te verwerven of te behouden dan wel het bedrag van de blootstelling te verlagen tot of die te vervangen door het verschil tussen het bedrag van de blootstelling zelf en het bedrag van een vordering op de instelling;

(59)   "niet-volgestorte kredietprotectie": een techniek van kredietrisicolimitering waarbij de beperking van het kredietrisico betreffende de blootstelling van een instelling voortvloeit uit de verplichting van een derde om een bepaald bedrag uit te keren bij wanbetaling van de kredietnemer of bij het plaatsvinden van andere specifieke kredietgebeurtenissen;

(60)   "met contanten vergelijkbaar instrument": een certificaat van deposito, een obligatie met inbegrip van een gedekte obligatie of enig ander niet-achtergesteld instrument dat door een instelling wordt uitgegeven, waarvoor de instelling reeds de volledige betaling heeft ontvangen en dat onvoorwaardelijk door de instelling tegen de nominale waarde wordt terugbetaald;

(61)   "securitisatie": transactie of regeling waarbij het kredietrisico dat verbonden is aan een blootstelling of pool van blootstellingen, wordt onderverdeeld en die de beide volgende kenmerken vertoont:

a)

de in het kader van de transactie of regeling verrichte betalingen hangen af van de prestaties van de blootstelling of pool van blootstellingen;

b)

de rangorde van de tranches is bepalend voor de verdeling van de verliezen tijdens de looptijd van de transactie of regeling.

(62)   "securitisatiepositie": een blootstelling in het kader van een securitisatie;

(63)   "hersecuritisatie": een securitisatie waarbij het risico dat is verbonden aan een onderliggende pool van blootstellingen, in tranches is onderverdeeld en ten minste één van de onderliggende blootstellingen een securitisatiepositie is;

(64)   "hersecuritisatiepositie": een blootstelling in het kader van een hersecuritisatie;

(65)   "kredietverbetering": een contractuele regeling waarbij de kredietkwaliteit van een securitisatiepositie verbetert ten opzichte van een situatie waarin van een dergelijke regeling geen sprake zou zijn geweest; daartoe worden ook verbeteringen gerekend die worden gerealiseerd door meer achtergestelde tranches in de securitisatie en door andere soorten kredietprotectie;

(66)   "special purpose entity voor securitisatiedoeleinden (securitisation special purpose entity - SSPE)": een vennootschap, trust of een ander soort entiteit die geen instelling is, die is opgericht voor een of meer securitisaties, waarvan de activiteiten beperkt blijven tot hetgeen noodzakelijk is voor de realisatie van dit doel, waarvan de constructie bedoeld is om de SSPE-verplichtingen te scheiden van die van de initiërende instelling, en waarvan de economische eigenaars hun deelneming in pand mogen geven of mogen verkopen zonder dat daar voorwaarden aan verbonden zijn;

(67)   "tranche": een contractueel vastgesteld segment van het kredietrisico dat verbonden is aan een blootstelling of een aantal blootstellingen, waarbij een positie in dit segment een groter of kleiner verliesrisico meebrengt dan een positie van dezelfde omvang in elk ander segment, als geen rekening wordt gehouden met de kredietprotectie die door derden rechtstreeks aan de houders van de posities in dit segment of in andere segmenten wordt geboden;

(68)   "waardering tegen marktwaarde": het bepalen van de waarde van posities op basis van direct beschikbare afwikkelingsprijzen, afkomstig van onafhankelijke bronnen, waaronder beurskoersen, prijzen in de schermenhandel of noteringen van een aantal onafhankelijke gereputeerde effectenmakelaars;

(69)   "waardering op basis van een modellenbenadering": het door middel van benchmarking, extrapolatie of een andere berekeningswijze bepalen van de waarde op basis van een of meerdere inputs uit de markt;

(70)   "onafhankelijke prijsverificatie": een proces waarbij marktprijzen of modelinputs op regelmatige basis op hun nauwkeurigheid en onafhankelijkheid worden gecontroleerd;

(71)   "in aanmerking komend kapitaal": de som van:

a)

tier 1-kapitaal als bedoeld in artikel 25;

b)

tier 2-kapitaal als bedoeld in artikel 71, dat één derde of minder van het tier 1-kapitaal vertegenwoordigt;

(72)   "erkende beurs": beurs die aan elk van de volgende voorwaarden voldoet:

a)

ze is een gereglementeerde markt;

b)

ze beschikt over een clearingregeling waarbij de in bijlage II vermelde contracten onderworpen zijn aan dagelijkse margevereisten die naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten een adequate bescherming bieden;

(73)   "uitkeringen uit hoofde van discretionair pensioen": verhoogde pensioenuitkeringen die een instelling aan een medewerker op discretionaire basis verleent als onderdeel van een variabele beloning van deze medewerker. Tot deze uitkeringen worden niet gerekend verhoogde uitkeringen die aan een medewerker worden verleend op grond van de voorwaarden van het bedrijfspensioenfonds;

(74)   "hypotheekwaarde": de waarde van vastgoed die is vastgesteld op grond van een voorzichtige prognose van de toekomstige verhandelbaarheid van het goed, rekening houdend met duurzame langetermijnaspecten van het goed, de normale en plaatselijke marktvoorwaarden, het gebruik dat op dit ogenblik van het goed wordt gemaakt en eventueel andere doeleinden waarvoor het geschikt is;

(75)   "niet-zakelijk onroerend goed": een woning die wordt bewoond door de eigenaar of de leasenemer van de woning, met inbegrip van rechten inzake bewoning van een appartement in woningcoöperaties die zich in Zweden bevinden;

(76)   "marktwaarde": met betrekking tot vastgoed het geraamde bedrag waartegen het goed op de dag van de taxatie door een willige verkoper op marktconforme wijze zou kunnen worden verkocht aan een willige koper na een deugdelijke verkoopprocedure waarbij elk van de partijen met kennis van zaken, voorzichtig en zonder dwang heeft gehandeld;

(77)   "toepasselijk kader voor financiële verslaggeving": de standaarden voor jaarrekeningen waaraan de instelling onderworpen is uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1606/2002 of Richtlijn 86/635/EEG;

(78)   "jaarlijkse wanbetalingsgraad": de verhouding tussen het aantal wanbetalingen dat zich heeft voorgedaan tijdens een periode die loopt vanaf één jaar vóór datum T en het aantal debiteuren dat één jaar vóór die datum aan die klasse of groep is toegewezen;

(79)   "speculatieve vastgoedfinanciering": leningen die gericht zijn op het verwerven van, het ontwikkelen op of het bouwen op land met betrekking tot onroerend goed, of van en met betrekking tot dergelijk onroerend goed, met het oog op het doorverkopen ervan met winst;

(80)   "handelsfinanciering": financiering, garanties daaronder begrepen, in verband met de handel in goederen en diensten door middel van financiële producten met een vaste korte looptijd, gewoonlijk van minder dan 1 jaar, zonder automatisch doorrollen;

(81)   "door de overheid gesteunde exportkredieten": leningen of kredieten ter financiering van de export van goederen en diensten waarvoor een officiële exportkredietinstelling garanties, verzekering of directe financiering verstrekt;

(82)   "retrocessieovereenkomst" en "omgekeerde retrocessieovereenkomst": een overeenkomst waarbij een instelling of haar tegenpartij effecten of grondstoffen, dan wel gegarandeerde rechten overdraagt met betrekking tot:

a)

hetzij de eigendom van effecten of grondstoffen wanneer deze garantie is gegeven door een erkende beurs die houder is van de rechten betreffende de effecten of grondstoffen en de overeenkomst een instelling niet toestaat een bepaald effect of een bepaalde grondstof aan meer dan één tegenpartij tegelijk over te dragen of in pand te geven, met de verbintenis deze terug te kopen;

b)

hetzij vervangende effecten of grondstoffen met dezelfde kenmerken, tegen een vastgestelde prijs op een door de overdragende instelling bepaald of te bepalen tijdstip in de toekomst terug te kopen; het betreft een "retrocessieovereenkomst" voor de instelling die de effecten of grondstoffen verkoopt, en een "omgekeerde retrocessieovereenkomst" voor de instelling die de effecten of grondstoffen koopt;

(83)   "retrocessietransactie": een transactie in het kader van een "retrocessieovereenkomst" of een "omgekeerde retrocessieovereenkomst";

(84)   "eenvoudige retrocessieovereenkomst": een retrocessietransactie betreffende een afzonderlijk activabestanddeel of soortgelijke niet-complexe activa, in tegenstelling tot een basket van activa;

(85)   "posities die met de intentie om te handelen worden ingenomen": een van de volgende posities:

a)

de eigen posities van de instelling en de posities uit hoofde van de dienstverlening aan cliënten en van het onderhouden van een markt;

b)

posities die bedoeld zijn om op korte termijn weder te verkopen;

c)

posities die worden ingenomen met de bedoeling profijt te trekken van feitelijke of verwachte kortetermijnverschillen tussen de aankoop- en verkoopprijzen, of van andere prijs- of renteschommelingen;

(86)   "handelsportefeuille": alle posities in financiële instrumenten en grondstoffen die door een instelling worden ingenomen, hetzij met de intentie om te handelen, hetzij ter afdekking van posities die worden ingenomen met de intentie om te handelen;

(87)   "multilaterale handelsfaciliteit": een multilaterale handelsfaciliteit als gedefinieerd in artikel 4, punt 15, van Richtlijn 2004/39/EG;

(88)   "gekwalificeerde centrale tegenpartij": een centrale tegenpartij die beschikt over een vergunning overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EU) nr. 648/2012 of over een erkenning overeenkomstig artikel 25 van die verordening;

(89)   "wanbetalingsfonds": een fonds dat door een CTP is opgericht overeenkomstig artikel 42 van Verordening (EU) nr. 648/2012 en dat wordt gebruikt overeenkomstig artikel 45 van die verordening;

(90)   "voorgefinancierde bijdrage aan het wanbetalingsfonds van een CTP": een bijdrage aan het wanbetalingsfonds van een CTP die door een instelling wordt gestort;

(91)   "CTP-transactieblootstelling": een actuele blootstelling, met inbegrip van een door het clearinglid te ontvangen maar nog niet ontvangen variatiemarge, en een potentiële toekomstige blootstelling van een clearinglid of een cliënt aan een uit in artikel 301, lid 1, punten a) tot en met e), bedoelde overeenkomsten en transacties voortvloeiend risico van een CTP, alsmede de initiële marge;

(92)   "gereglementeerde markt": een gereglementeerde markt als gedefinieerd in artikel 4, punt 14, van Richtlijn 2004/39/EG;

(93)   "hefboomfinanciering": de relatieve omvang van de activa van een instelling, plus haar verplichtingen buiten balanstelling en voorwaardelijke verplichtingen tot betalen, tot leveren of tot het stellen van zekerheden, met inbegrip van verplichtingen vanwege ontvangen financiering, aangegane verbintenissen, derivaten of retrocessieovereenkomsten, maar met uitsluiting van verplichtingen die enkel bij liquidatie van een instelling kunnen worden afgedwongen, in verhouding tot het eigen vermogen van deze instelling;

(94)   "risico van buitensporige hefboomwerking": het risico dat voortvloeit uit de kwetsbaarheid van een instelling als gevolg van een hefboomwerking of mogelijke hefboomwerking die onbedoelde corrigerende maatregelen in haar bedrijfsplan kan vereisen, met inbegrip van noodverkopen van activa die in verliezen of waarderingsaanpassingen in haar resterende activa kunnen resulteren;

(95)   "kredietrisicoaanpassing": het bedrag van de voorziening voor specifieke en algemene verliezen op leningen voor kredietrisico's die overeenkomstig het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving in de financiële overzichten van de instelling worden opgevoerd;

(96)   "interne afdekking": een positie die de risicocomponenten tussen een positie of reeks posities in de handelsportefeuille en een positie of reeks posities in de niet-handelsportefeuille in wezenlijke mate compenseert;

(97)   "referentieverplichting": een verplichting waarvan gebruik wordt gemaakt voor het bepalen van de waarde van de afwikkeling in contanten van een kredietderivaat.

(98)   "externe kredietbeoordelingsinstelling" of "EKBI": een ratingbureau dat overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 inzake ratingbureaus (25) geregistreerd of gecertificeerd is, of een centrale bank die kredietbeoordelingen afgeeft die van de toepassing van Verordening (EG) nr. 1060/2009 zijn ontheven;

(99)   "Aangewezen EKBI": een door een instelling aangewezen EKBI;

(100)   "gecumuleerde niet-gerealiseerde resultaten": hetzelfde als in International Accounting Standard (IAS) 1, als toepasselijk uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1606/2002;

(101)   "kernvermogen": kernvermogen in de zin van artikel 88 van Richtlijn 2009/138/EG;

(102)   "tier 1-eigenvermogensbestanddelen van verzekeringsondernemingen": kernvermogensbestanddelen van ondernemingen die onderworpen zijn aan de vereisten van Richtlijn 2009/138/EG, indien deze bestanddelen worden ingedeeld bij tier 1 in de zin van Richtlijn 2009/138/EG overeenkomstig artikel 94, lid 1, van die Richtlijn;

(103)   "aanvullend-tier 1-eigenvermogensbestanddelen van verzekeringsondernemingen": kernvermogensbestanddelen van ondernemingen die onderworpen zijn aan de vereisten van Richtlijn 2009/138/EG, indien deze bestanddelen worden ingedeeld bij tier 1 in de zin van Richtlijn 2009/138/EG overeenkomstig artikel 94, lid 1, van deze Richtlijn en het opnemen van dergelijke bestanddelen beperkt wordt door de overeenkomstig artikel 99 van die richtlijn vastgestelde gedelegeerde handelingen;

(104)   "tier 2-eigenvermogensbestanddelen van verzekeringsondernemingen": kernvermogensbestanddelen van ondernemingen die onderworpen zijn aan de vereisten van Richtlijn 2009/138/EG, indien deze bestanddelen worden ingedeeld bij tier 2 in de zin van Richtlijn 2009/138/EG overeenkomstig artikel 94, lid 2, van die Richtlijn;

(105)   "tier 3-eigenvermogensbestanddelen van verzekeringsondernemingen": kernvermogensbestanddelen van ondernemingen die onderworpen zijn aan de vereisten van Richtlijn 2009/138/EG, indien deze bestanddelen worden ingedeeld bij tier 3 in de zin van Richtlijn 2009/138/EG overeenkomstig artikel 94, lid 3, van die Richtlijn;

(106)   "uitgestelde belastingvorderingen": hetzelfde als in het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving;

(107)   "uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten": uitgestelde belastingvorderingen waarvan de toekomstige waarde enkel kan worden gerealiseerd indien de instelling in de toekomst belastbare winst maakt;

(108)   "uitgestelde belastingverplichtingen": hetzelfde als in het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving;

(109)   "activa van een op vaste toezeggingen gebaseerd pensioenfonds": de activa van een pensioenfonds dat, respectievelijk een pensioenregeling die op vaste toezeggingen gebaseerd is, berekend nadat op die activa het bedrag van de verplichtingen uit hoofde van dat fonds, respectievelijk die regeling in mindering is gebracht;

(110)   "uitkeringen": de betaling van dividenden of van interest in welke vorm ook;

(111)   "financiële onderneming": hetzelfde als in artikel 13, punt 25, punten b) en d), van Richtlijn 2009/138/EG;

(112)   "fondsen voor algemene bankrisico's": hetzelfde als in artikel 38 van Richtlijn 86/635/EEG;

(113)   "goodwill": hetzelfde als in het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving;

(114)   "indirect bezit": elke blootstelling met betrekking tot een intermediaire entiteit die een blootstelling heeft met betrekking tot kapitaalinstrumenten uitgegeven door een entiteit uit de financiële sector, indien, ingeval de door de entiteit uit de financiële sector uitgegeven kapitaalinstrumenten permanent zouden worden afgeschreven, het verlies dat de instelling ten gevolge daarvan zou lijden, niet wezenlijk verschillend zou zijn van het verlies dat de instelling zou lijden vanwege een direct bezit van die door de entiteit uit de financiële sector uitgegeven kapitaalinstrumenten;

(115)   "immateriële activa": hetzelfde als in het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving; daaronder wordt tevens goodwill begrepen;

(116)   "andere kapitaalinstrumenten": kapitaalinstrumenten die zijn uitgegeven door entiteiten uit de financiële sector en die niet worden aangemerkt als tier 1-kernkapitaalinstrumenten, aanvullend-tier 1-instrumenten of tier 2-instrumenten of tier 1-eigenvermogensbestanddelen van verzekeringsondernemingen, aanvullend-tier 1-eigenvermogensbestanddelen van verzekeringsondernemingen, tier 2-eigenvermogensbestanddelen van verzekeringsondernemingen of tier 3-eigenvermogensbestanddelen van verzekeringsondernemingen;

(117)   "andere reserves": reserves in de zin van het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving die overeenkomstig de toepasselijke standaard voor financiële verslaggeving openbaar moeten worden gemaakt, met uitzondering van bedragen die reeds zijn opgenomen in gecumuleerde niet-gerealiseerde resultaten of ingehouden winsten.

(118)   "eigen vermogen": de som van tier 1- en tier 2-kapitaal;

(119)   "eigenvermogensinstrumenten": door de instelling uitgegeven kapitaalinstrumenten die worden aangemerkt als tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- of tier 2-instrumenten;

(120)   "minderheidsbelang": het bedrag van tier 1-kernkapitaal van een dochteronderneming van een instelling dat kan worden toegerekend aan andere natuurlijke of rechtspersonen dan die welke onder de prudentiële consolidatie van de instelling vallen;

(121)   "winst": hetzelfde als in het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving;

(122)   "wederzijdse deelneming": het door een instelling bezitten van door entiteiten uit de financiële sector uitgegeven eigenvermogensinstrumenten of andere kapitaalinstrumenten waarbij deze entiteiten ook door de instelling uitgegeven eigenvermogensinstrumenten bezitten;

(123)   "ingehouden winsten": de resultaten van het voorgaande jaar die zijn overgedragen door definitieve bestemming van het resultaat overeenkomstig het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving;

(124)   "agiorekening": hetzelfde als in het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving;

(125)   "tijdelijke verschillen": hetzelfde als in het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving;

(126)   "synthetisch bezit": belegging door een instelling in een financieel instrument waarvan de waarde rechtstreeks verband houdt met de waarde van de door een entiteit uit de financiële sector uitgegeven kapitaalinstrumenten;

(127)   "kruislingse garantieregeling": een regeling die aan alle volgende voorwaarden voldoet:

a)

de instellingen vallen onder hetzelfde in artikel 113, lid 7, bedoelde institutioneel protectiestelsel;

b)

de instellingen zijn volledig geconsolideerd overeenkomstig artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), of artikel 1, lid 2, van Richtlijn 83/349/EEG en vallen onder het toezicht op geconsolideerde basis van een instelling die in een lidstaat een moederinstelling is in overeenstemming met deel 1, titel II, hoofdstuk 2, van deze verordening en die onderworpen is aan een eigenvermogensvereiste;

c)

de moederinstelling in een lidstaat en de dochterondernemingen zijn gevestigd in dezelfde lidstaat, zijn vergunningplichtig en onderworpen aan toezicht door dezelfde bevoegde autoriteit;

d)

de moederinstelling in een lidstaat en de dochterinstellingen zijn een contractuele of wettelijke aansprakelijkheidsregeling aangegaan waardoor deze instellingen beschermd worden en waardoor, zo nodig, met name hun liquiditeit en solventie beschermd worden om faillissement te voorkomen;

e)

er zijn regelingen getroffen om in termen van kapitaal en liquiditeit onmiddellijk in de nodige financiële middelen te voorzien indien dat volgens de contractuele of wettelijke aansprakelijkheidsregeling als bedoeld in punt d) noodzakelijk is;

f)

de toereikendheid van de onder de punten d) en e) bedoelde regelingen wordt regelmatig door de bevoegde autoriteit gecontroleerd;

g)

de minimale opzegtermijn die een dochteronderneming in acht moet nemen om vrijwillig uit de aansprakelijkheidsregeling te kunnen stappen bedraagt 10 jaar;

h)

de bevoegde autoriteit is gemachtigd een dochteronderneming te verbieden vrijwillig uit de aansprakelijkheidsregeling te stappen;

(128)   "uitkeerbare bestanddelen": de som van de winsten aan het eind van het laatste boekjaar, vermeerderd met eventuele overgedragen winsten en voor dat doel beschikbare reserves vóór uitkeringen aan houders van eigenvermogensinstrumenten, verminderd met eventuele overgedragen verliezen, winsten die overeenkomstig wettelijke bepalingen of de statuten van de instelling niet uitkeerbaar zijn en sommen die overeenkomstig de toepasselijke nationale wetgeving of de statuten van de instelling in niet-uitkeerbare reserves zijn geplaatst, waarbij deze verliezen en reserves worden bepaald aan de hand van de individuele jaarrekeningen van de instelling en niet aan de hand van de geconsolideerde jaarrekeningen.

2.   Wanneer in deze verordening verwezen wordt naar onroerend goed of niet-zakelijk of zakelijk onroerend goed of daarop rustende hypotheken, wordt daaronder mede verstaan de aandelen in Finse woningbouwverenigingen die te werk gaan overeenkomstig de Finse wet op woningbouwverenigingen van 1991 of latere gelijkwaardige wetgeving. De lidstaten en hun bevoegde autoriteiten kunnen toestaan dat aandelen die een gelijkwaardig indirect bezit van onroerend goed vertegenwoordigen, als direct bezit van onroerend goed worden behandeld mits dergelijk indirect bezit specifiek geregeld is in het nationale recht van de betrokken lidstaat en dat, indien dit indirect bezit als zekerheid in pand is gegeven, het crediteuren een gelijkwaardige bescherming biedt.

3.   Handelsfinanciering als bedoeld in lid 1, punt 80, is gewoonlijk niet-gecommitteerd en vereist bevredigende bewijsstukken ter staving van de transactie voor elke aanvraag tot kredietopname, zodat de financiering kan worden geweigerd in geval van twijfel omtrent de kredietwaardigheid of omtrent de bewijsstukken ter staving van de transactie. De terugbetaling van blootstellingen in het kader van handelsfinanciering is gewoonlijk onafhankelijk van de leningnemer; in plaats daarvan worden de middelen terugbetaald uit contanten die van importeurs worden ontvangen of uit de opbrengst van de verkoop van de onderliggende goederen.

Artikel 5

Specifieke definities voor kapitaalvereisten voor kredietrisico

Voor de toepassing van deel 3, titel II, zijn de volgende definities van toepassing:

(1)   "blootstelling": een actiefpost of een post buiten de balanstelling;

(2)   "verlies": economisch verlies, met inbegrip van substantiële disconteringseffecten, en substantiële directe en indirecte incassokosten met betrekking tot het instrument;

(3)   "verwacht verlies (expected loss - EL)": de verhouding tussen het verlies op een positie dat bij een eventuele wanbetaling van een tegenpartij of bij verwatering over een periode van een jaar te verwachten is, en het uitstaande bedrag bij wanbetaling;

TITEL II

TOEPASSINGSNIVEAU VAN DE VEREISTEN

HOOFDSTUK 1

Toepassing van de vereisten op individuele basis

Artikel 6

Algemene beginselen

1.   De instellingen voldoen op individuele basis aan de in de delen 2 tot en met 5 en 8 bepaalde verplichtingen.

2.   Als een instelling een dochteronderneming is in de lidstaat waar zij een vergunning heeft gekregen en onder toezicht staat, dan wel een moederonderneming is, of als een instelling ingevolge artikel 19 in de consolidatie wordt betrokken, wordt van haar niet vereist dat zij op individuele basis aan de in de artikelen 89 tot en met 91 bepaalde verplichtingen voldoet

3.   Als een instelling een moederonderneming of een dochteronderneming is, of als een instelling ingevolge artikel 19 in de consolidatie wordt betrokken, wordt van haar niet vereist dat zij op individuele basis aan de in deel 8 bepaalde verplichtingen voldoet.

4.   Kredietinstellingen en beleggingsondernemingen die een vergunning hebben om de in de punten 3 en 6 van bijlage I, afdeling A, bij Richtlijn 2004/39/EG opgesomde beleggingsdiensten en -activiteiten te verstrekken, voldoen op individuele basis aan de in deel 6 bepaalde verplichtingen. In afwachting van het verslag van de Commissie overeenkomstig artikel 508, lid 3, kunnen de bevoegde autoriteiten beleggingsondernemingen van de naleving van de in de deel 6 bepaalde verplichtingen vrijstellen, waarbij zij rekening houden met de aard, de omvang en de complexiteit van de activiteiten van de beleggingsonderneming.

5.   Instellingen, met uitzondering van beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 95, lid 1, en artikel 96, lid 1, en instellingen waarvoor door bevoegde autoriteiten de bij artikel 7, lid 1 of lid 3, bepaalde afwijking is toegepast, voldoen op individuele basis aan de in deel 7 bepaalde verplichtingen.

Artikel 7

Afwijking van de toepassing van prudentiële vereisten op individuele basis

1.   De bevoegde autoriteiten kunnen ontheffing van de toepassing van artikel 6, lid 1, op een dochteronderneming van een instelling verlenen als de betrokken lidstaat een vergunning heeft verleend aan en toezicht houdt op zowel de dochteronderneming als de instelling, de dochteronderneming betrokken is in het toezicht op geconsolideerde basis van de instelling die de moederonderneming is en er met het oog op een adequate verdeling van het eigen vermogen tussen de moederonderneming en de dochteronderneming voldaan is aan alle volgende voorwaarden:

a)

er is geen feitelijke of juridische belemmering van wezenlijk belang aanwezig of te voorzien die een onmiddellijke overdracht van eigen vermogen of terugbetaling van passiva door de moederonderneming kan verhinderen;

b)

ofwel verstrekt de moederonderneming de bevoegde autoriteit waarborgen ten aanzien van het zorgvuldige beheer van de dochteronderneming en verklaart zij, met toestemming van de bevoegde autoriteit, dat zij garant staat voor de door de dochtermaatschappij aangegane verplichtingen, ofwel zijn de risico's ten aanzien van de dochteronderneming verwaarloosbaar;

c)

de dochteronderneming wordt in de risicobeoordelings-, meet- en controleprocedures van de moederonderneming betrokken;

d)

de moederonderneming bezit meer dan 50 % van de stemrechten die verbonden zijn aan aandelen in het kapitaal van de dochteronderneming of heeft het recht om het grootste deel van de leden van het leidinggevend orgaan van de dochteronderneming aan te stellen of te ontslaan.

2.   De bevoegde autoriteiten kunnen van de in lid 1 genoemde mogelijkheid gebruik maken als het bij de moederonderneming om een financiële holding of een gemengde financiële holding gaat die in dezelfde lidstaat is opgericht als de instelling en aan hetzelfde toezicht onderworpen is als dat welke op instellingen wordt uitgeoefend. Dit geldt met name voor de in artikel 11, lid 1, vastgelegde normen.

3.   De bevoegde autoriteiten kunnen ontheffing van de toepassing van artikel 6, lid 1, op een moederonderneming in een lidstaat verlenen als de betrokken lidstaat een vergunning heeft verleend aan en toezicht houdt op de instelling, de instelling betrokken is in het toezicht op geconsolideerde basis en er met het oog op een adequate verdeling van het eigen vermogen tussen de moederonderneming en de dochterondernemingen voldaan is aan alle volgende voorwaarden:

a)

er zijn geen feitelijke of juridische belemmeringen van wezenlijk belang aanwezig of te voorzien die een onmiddellijke overdracht van eigen vermogen of terugbetaling van passiva aan de moederinstelling in een lidstaat kunnen verhinderen;

b)

de moederinstelling in een lidstaat wordt in de risicobeoordelings-, meet- en controleprocedures die relevant zijn voor het geconsolideerde toezicht betrokken.

De bevoegde autoriteit die van dit lid gebruik maakt, stelt de bevoegde autoriteiten van alle andere lidstaten op de hoogte.

Artikel 8

Afwijking van de toepassing van liquiditeitsvereisten op individuele basis

1.   De bevoegde autoriteiten kunnen volledig of ten dele ontheffing verlenen van de toepassing van deel 6 op een instelling en op alle of sommige van haar dochterondernemingen in de Unie, en daarop toezicht uitoefenen als op één enkele liquiditeitssubgroep, zolang zij aan alle volgende voorwaarden voldoen:

a)

de moederinstelling voldoet op geconsolideerde basis of een dochteronderneming op gesubconsolideerde basis aan de in deel 6 bepaalde verplichtingen;

b)

de moederinstelling houdt op geconsolideerde basis of een dochteronderneming op gesubconsolideerde basis voortdurend toezicht op de liquiditeitsposities van alle instellingen binnen de groep of subgroep die onder de ontheffing vallen, en staat garant voor een toereikend liquiditeitsniveau van al deze instellingen;

c)

de instellingen zijn ten genoegen van de bevoegde autoriteiten overeenkomsten aangegaan die voorzien in het vrije verkeer van middelen tussen hen onderling om hen in staat te stellen aan hun individuele en gezamenlijke verplichtingen te voldoen wanneer deze komen te vervallen;

d)

er is geen feitelijke of juridische belemmering van wezenlijk belang aanwezig of te voorzien die het uitvoeren van de in punt c) bedoelde overeenkomsten kan verhinderen.

De Commissie brengt uiterlijk op 1 januari 2014 aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over eventuele juridische obstakels die de toepassing van punt c) van de eerste alinea onmogelijk kunnen maken, en zij wordt verzocht om in voorkomend geval uiterlijk op 31 december 2015 een passend wetgevingsvoorstel in te dienen over te verwijderen obstakels.

2.   De bevoegde autoriteiten kunnen volledig of ten dele ontheffing van de toepassing van deel 6 op een instelling en op alle of sommige van haar dochterondernemingen verlenen als aan alle instellingen van die enkele liquiditeitssubgroep in dezelfde lidstaat een vergunning is verleend en mits er aan de voorwaarden in lid 1 wordt voldaan.

3.   Indien aan de instellingen van die enkele liquiditeitssubgroep in verschillende lidstaten een vergunning is verleend, wordt lid 1 uitsluitend toegepast nadat de in artikel 21 vastgestelde procedure is gevolgd en alleen ten aanzien van de instellingen waarvan de bevoegde autoriteiten over de volgende punten overeenstemming hebben bereikt:

a)

hun beoordeling van de mate waarin de organisatie en de behandeling van het liquiditeitsrisico voldoen aan de voorwaarden van artikel 86 van Richtlijn 2013/36/EU, in die enkele liquiditeitssubgroep;

b)

de verdeling van de bedragen, de locatie en de eigendom van de liquide activa die binnen die enkele liquiditeitssubgroep moeten worden aangehouden;

c)

de bepaling van de minimumbedragen aan liquide activa die moeten worden aangehouden door de instellingen waaraan ontheffing van de toepassing van deel 6 zal worden verleend;

d)

de noodzaak van strengere parameters dan die welke in deel 6 zijn beschreven;

e)

onbeperkte uitwisseling van volledige informatie tussen de bevoegde autoriteiten.

f)

de volledige inschatting van de gevolgen van een dergelijke ontheffing.

4.   De bevoegde autoriteiten kunnen de leden 1, 2 en 3 ook toepassen op instellingen die aangesloten zijn bij hetzelfde, in artikel 113, lid 7, punt b), bedoelde institutioneel protectiestelsel, mits zij aan alle voorwaarden van artikel 113, lid 7 voldoen, alsook op andere instellingen waarmee een band bestaat in de zin van artikel 113, lid 6, mits zij aan alle in dat artikel gestelde voorwaarden voldoen. In dat geval wijzen de bevoegde autoriteiten een van de instellingen aan als ontheven van de toepassing van deel 6 op basis van de geconsolideerde situatie van alle instellingen van de enkele liquiditeitssubgroep.

5.   Als er uit hoofde van lid 1 of lid 2 ontheffing is verleend, kunnen de bevoegde autoriteiten tevens artikel 86 van Richtlijn 2013/36/EU of delen daarvan op het niveau van de enkele liquiditeitssubgroep toepassen, en op individuele basis ontheffing van de toepassing van artikel 86 van Richtlijn 2013/36/EU of delen daarvan verlenen.

Artikel 9

Individuele consolidatiemethode

1.   Onder voorbehoud van de leden 2 en 3 van dit artikel en van artikel 144, lid 3, van Richtlijn 2013/36/EU kunnen de bevoegde autoriteiten aan moederinstellingen op ad-hocbasis toestaan om bij de berekening van hun vereisten in het kader van artikel 6, lid 1, dochterondernemingen in aanmerking te nemen die voldoen aan de voorwaarden van artikel 7, lid 1, punten c) en d), en die aanzienlijke blootstellingen of aanzienlijke verplichtingen hebben ten aanzien van die moederinstelling.

2.   De in lid 1 vervatte behandeling 1 is alleen toegestaan indien de moederinstelling, met opgaaf van alle omstandigheden en regelingen, ook de wettelijke regelingen, ten genoegen van de bevoegde autoriteiten aantoont dat er geen feitelijke of juridische belemmering van wezenlijke betekenis aanwezig of te voorzien is die een onmiddellijke overdracht van eigen vermogen of terugbetaling van passiva op de vervaldag door de dochteronderneming aan haar moederonderneming, kan verhinderen.

3.   Wanneer een bevoegde autoriteit de keuzemogelijkheid van lid 1 uitoefent, brengt zij regelmatig en ten minste eenmaal per jaar aan de bevoegde autoriteiten van de overige lidstaten verslag uit over het gebruik van lid 1 en over de in lid 2 bedoelde omstandigheden en regelingen. Indien de dochteronderneming in een derde land is gelegen, verstrekken de bevoegde autoriteiten dezelfde informatie aan de bevoegde autoriteiten van dat derde land.

Artikel 10

Ontheffing voor kredietinstellingen die blijvend zijn aangesloten bij een centraal orgaan

1.   De bevoegde autoriteiten kunnen overeenkomstig het nationale recht geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van de toepassing van de vereisten van de delen 2 tot en met 8 op een of meer kredietinstellingen die in dezelfde lidstaat gevestigd zijn en die blijvend zijn aangesloten bij een centraal orgaan dat toezicht op hen uitoefent en dat in dezelfde lidstaat gevestigd is, mits er aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

de verbintenissen van het centrale orgaan en die van de aangesloten instellingen zijn solidaire verplichtingen, of de verbintenissen van de aangesloten instellingen worden volledig door het centrale orgaan gewaarborgd;

b)

de solvabiliteit en de liquiditeit van het centrale orgaan en van alle aangesloten instellingen worden in hun totaliteit bewaakt op basis van de geconsolideerde jaarrekening van deze instellingen;

c)

de leiding van het centrale orgaan is bevoegd om instructies te geven aan de leiding van de aangesloten instellingen.

De lidstaten kunnen bestaande nationale wetgeving betreffende de toepassing van de in de eerste alinea bedoelde ontheffing in stand houden en gebruiken voor zover die wetgeving niet in strijd is met deze verordening en Richtlijn 2013/36/EU.

2.   Indien de bevoegde autoriteiten zich ervan hebben vergewist dat er aan de in lid 1 beschreven voorwaarden wordt voldaan en mits de verplichtingen of de verbintenissen van het centrale orgaan volledig door de aangesloten instellingen worden gewaarborgd, kunnen de bevoegde autoriteiten het centrale orgaan op individuele basis ontheffing verlenen van de toepassing van de vereisten van de delen 2 tot en met 8.

HOOFDSTUK 2

Prudentiële consolidatie

Afdeling 1

Toepassing van de vereisten op geconsolideerde basis

Artikel 11

Algemene behandeling

1.   Moederinstellingen in een lidstaat voldoen, in de mate en op de wijze als bepaald in artikel 18, aan de in de delen 2 tot en met 4 en deel 7 vastgestelde verplichtingen op basis van hun geconsolideerde situatie. De moederondernemingen en hun dochterondernemingen die onder deze verordening vallen, zetten een deugdelijke organisatiestructuur op en stellen passende mechanismen voor interne controle in om ervoor te zorgen dat de voor de consolidatie vereiste gegevens naar behoren worden verwerkt en doorgeleid. Zij dragen er meer in het bijzonder zorg voor dat niet onder deze verordening vallende dochterondernemingen regelingen, processen en mechanismen hanteren die een deugdelijke consolidatie garanderen.

2.   De instellingen die onder de zeggenschap staan van een financiële moederholding of een gemengde financiële moederholding in een lidstaat, voldoen, in de mate en op de wijze als bepaald in artikel 18, aan de in de delen 2 tot en met 4 en deel 7 vastgestelde verplichtingen op basis van de geconsolideerde situatie van deze financiële moederholding of gemengde financiële moederholding.

Als er meerdere instellingen onder de zeggenschap van een financiële moederholding of een gemengde financiële moederholding in een lidstaat staan, is de eerste alinea alleen van toepassing op de instelling die overeenkomstig artikel 111 van Richtlijn 2013/36/EU onderworpen is aan toezicht op geconsolideerde basis.

3.   EU-moederinstellingen, instellingen die onder zeggenschap staan van een EU-moederholding en instellingen die onder zeggenschap staan van een gemengde financiële EU-moederholding voldoen aan de in deel 6 bepaalde verplichtingen op basis van de geconsolideerde situatie van die moederinstelling, financiële holding of gemengde financiële holding, als de groep uit een of meer kredietinstellingen of beleggingsondernemingen bestaat waaraan een vergunning is verleend voor het verstrekken van de in de punten 3 en 6 van bijlage I, afdeling A, bij Richtlijn 2004/39/EG vermelde beleggingsdiensten en -activiteiten. In afwachting van het verslag van de Commissie overeenkomstig artikel 508, lid 2, en op voorwaarde dat de groep uitsluitend beleggingsondernemingen omvat, kunnen de bevoegde autoriteiten beleggingsondernemingen van de naleving van de in de deel 6 bepaalde verplichtingen op geconsolideerde basis vrijstellen, waarbij zij rekening houden met de aard, de omvang en de complexiteit van de activiteiten van de beleggingsonderneming.

4.   Wanneer artikel 10 wordt toegepast, voldoet het in dat artikel bedoelde centrale orgaan aan de vereisten van de delen 2 tot en met 8 op basis van de geconsolideerde situatie van het geheel dat door het centrale orgaan en de daarbij aangesloten instellingen wordt gevormd.

5.   Naast de vereisten van de leden 1 tot en met 4, en onverminderd andere bepalingen van deze verordening en Richtlijn 2013/36/EU, kunnen de bevoegde autoriteiten, indien zulks voor toezichtsdoeleinden vanwege de specifieke kenmerken van het risico of van de kapitaalstructuur van een instelling gerechtvaardigd is, of wanneer lidstaten nationale wetgeving vaststellen op grond waarvan activiteiten binnen een bankgroep structureel moeten worden gescheiden, van de structureel gescheiden instellingen verlangen dat zij op gesubconsolideerde basis voldoen aan de verplichtingen van deel 2 tot en met 4 en deel 6 tot en met 8 van deze verordening en van titel VII van Richtlijn 2013/36/EU.

De toepassing van de in de eerste alinea vervatte benadering doet geen afbreuk aan het effectieve toezicht op geconsolideerde basis en heeft evenmin onevenredige negatieve gevolgen voor het geheel of delen van het financiële stelsel van andere lidstaten of van de Unie als geheel, noch de werking van de interne markt belemmeren.

Artikel 12

Financiële holding of gemengde financiële holding met zowel een dochterkredietinstelling als een dochterbeleggingsonderneming

Indien een financiële holding of een gemengde financiële holding ten minste één kredietinstelling en één beleggingsonderneming onder zijn dochterondernemingen telt, gelden de vereisten die van toepassing zijn op basis van de geconsolideerde situatie van de financiële holding of van de gemengde financiële holding, voor de kredietinstelling.

Artikel 13

Toepassing van openbaarmakingsvereisten op geconsolideerde basis

1.   EU-moederinstellingen voldoen op basis van hun geconsolideerde situatie aan de in deel 8 bepaalde verplichtingen.

Belangrijke dochterondernemingen van EU-moederinstellingen en dochterondernemingen met aanzienlijke betekenis voor hun plaatselijke markt maken de in de artikelen 437, 438, 440, 442, 450, 451 en 453 genoemde informatie openbaar op individuele of gesubconsolideerde basis.

2.   De instellingen die onder de zeggenschap staan van een financiële EU-moederholding of van een gemengde financiële EU-moederholding, voldoen op basis van de geconsolideerde situatie van deze financiële holding of gemengde financiële holding aan de in deel 8 bepaalde verplichtingen.

Belangrijke dochterondernemingen van financiële EU-moederholdings of gemengde EU-moederholdings en dochterondernemingen met aanzienlijke betekenis voor hun plaatselijke markt maken de in de artikelen 437, 438, 440, 442, 450, 451 en 453 genoemde informatie openbaar op individuele of gesubconsolideerde basis.

3.   De leden 1 en 2 zijn volledig noch ten dele van toepassing op EU-moederinstellingen, instellingen die onder de zeggenschap van een financiële EU-moederholding of een gemengde financiële EU-moederholding staan, voor zover zij worden betrokken bij gelijkwaardige openbaarmakingen die door een in een derde land gevestigde moederonderneming op een geconsolideerde basis worden verstrekt.

4.   Wanneer artikel 10 wordt toegepast, voldoet het in dat artikel bedoelde centrale orgaan aan de vereisten van deel 8 op basis van de geconsolideerde situatie van het centrale orgaan. Artikel 18, lid 1, is van toepassing op het centrale orgaan en de aangesloten instellingen worden behandeld als de dochterondernemingen van het centrale orgaan.

Artikel 14

Toepassing van de vereisten van deel 5 op geconsolideerde basis

1.   Moederondernemingen en hun dochterondernemingen die onder deze verordening vallen, voldoen op geconsolideerde of gesubconsolideerde basis aan de in deel 5 bepaalde verplichtingen, zodat hun bij deze bepalingen voorgeschreven regelingen, processen en mechanismen samenhang vertonen en goed geïntegreerd zijn, en alle gegevens en informatie die voor het toezicht van belang zijn, kunnen worden verkregen. Zij dragen er meer in het bijzonder zorg voor dat niet onder deze verordening vallende dochterondernemingen regelingen, processen en mechanismen hanteren die de inachtneming van deze bepalingen garanderen.

2.   De instellingen passen overeenkomstig artikel 407 een extra risicogewicht toe wanneer zij artikel 92 op een geconsolideerde of gesubconsolideerde basis toepassen als de vereisten van de artikelen 405 of 406 niet zijn nageleefd op het niveau van een in een derde land gevestigde entiteit die overeenkomstig artikel 18 in de consolidatie betrokken is, en de niet-naleving een wezenlijke invloed heeft op het algehele risicoprofiel van de groep.

3.   Voor dochterondernemingen die zelf niet onder deze verordening vallen, zijn de uit deel 5 voortvloeiende verplichtingen niet van toepassing indien de EU-moederinstelling of de instellingen die onder de zeggenschap staan van een financiële EU-moederholding of van een gemengde financiële EU-moederholding, aan de bevoegde autoriteiten kunnen aantonen dat de toepassing van deel 5 niet is toegestaan volgens de wetten van het derde land waar de dochteronderneming is gevestigd.

Artikel 15

Afwijking van de toepassing van eigenvermogensvereisten op geconsolideerde basis voor groepen van beleggingsondernemingen

1.   De consoliderend toezichthouder kan op ad-hocbasis ontheffing van de toepassing van deel 3 van deze verordening en titel VII, hoofdstuk 4, van Richtlijn 2013/36/EU op geconsolideerde basis verlenen, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

elke EU-beleggingsonderneming in de groep hanteert de alternatieve berekening van het in artikel 95, lid 2, bedoelde totaal van de risicoposten;

b)

alle beleggingsondernemingen in de groep behoren tot de in artikel 95, lid 1, en artikel 96, lid 1, bedoelde categorieën;

c)

elke EU-beleggingsonderneming in de groep voldoet op individuele basis aan de bij artikel 95 gestelde vereisten en brengt alle voorwaardelijke verplichtingen ten aanzien van beleggingsondernemingen, financiële instellingen, vermogensbeheerders en ondernemingen die nevendiensten verrichten, die normaliter geconsolideerd zouden worden, in mindering op haar tier 1-kernkapitaalbestanddelen;

d)

elke financiële holding die in een lidstaat de financiële moederholding is van een beleggingsonderneming in de groep houdt ten minste zoveel kapitaal, hier gedefinieerd als de som van de in de artikelen 26, lid 1, artikel 51, lid 1, en artikel 62, lid 1, bedoelde posten, aan dat de som van de volgende bestanddelen gedekt is:

i)

de som van de volledige boekwaarde van alle in artikel 36, lid 1, punten h en i, artikel 56, lid 1, punten c) en d), en artikel 66, lid 1, punten c) en d), bedoelde deelnemingen in, achtergestelde vorderingen op en instrumenten van beleggingsondernemingen, financiële instellingen, vermogensbeheerders en ondernemingen die nevendiensten verrichten, die normaliter geconsolideerd zouden worden; en

ii)

het totaal van alle voorwaardelijke verplichtingen ten aanzien van beleggingsondernemingen, financiële instellingen, vermogensbeheerders en ondernemingen die nevendiensten verrichten, die normaliter geconsolideerd zouden worden;

e)

er behoren geen kredietinstellingen tot de groep.

Elke EU-beleggingsonderneming die aan de criteria van de eerste alinea voldoet, beschikt over systemen om de bronnen van eigen en vreemd vermogen van alle tot de groep behorende financiële holdings, beleggingsondernemingen, financiële instellingen, vermogensbeheerders en ondernemingen die nevendiensten verrichten, te bewaken en te beheersen.

2.   De bevoegde autoriteiten kunnen de ontheffing ook toepassen als de financiële moederholding minder eigen vermogen aanhoudt dan de overeenkomstig lid 1, onder d, berekende hoeveelheid, maar niet minder dan de som van de eigenvermogensvereisten die op individuele basis gelden voor beleggingsondernemingen, financiële instellingen, vermogensbeheerders en ondernemingen die nevendiensten verrichten, die normaliter geconsolideerd zouden worden, plus het totaal van alle voorwaardelijke verplichtingen ten aanzien van beleggingsondernemingen, financiële instellingen, vermogensbeheerders en ondernemingen die nevendiensten verrichten, die normaliter geconsolideerd zouden worden. Voor de toepassing van dit lid dienen beleggingsondernemingen uit derde landen, financiële instellingen, vermogensbeheerders en de ondernemingen die nevendiensten verrichten, aan een notioneel eigenvermogensvereiste te worden onderworpen.

Artikel 16

Afwijking van de toepassing van de hefboomratiovereisten op geconsolideerde basis voor groepen van beleggingsondernemingen

Indien alle entiteiten in een groep van beleggingsondernemingen, inclusief de moederentiteit, beleggingsondernemingen zijn die zijn vrijgesteld van het overeenkomstig artikel 6, lid 5, toepassen van de vereisten van deel 7 op individuele basis, kan de moederbeleggingsonderneming ervoor kiezen de vereisten van deel 7 op geconsolideerde basis toe te passen.

Artikel 17

Toezicht op beleggingsondernemingen waaraan ontheffing is verleend van de toepassing van eigenvermogensvereisten op geconsolideerde basis

1.   Beleggingsondernemingen in een groep waarvoor de in artikel 15 bedoelde ontheffing geldt, stellen de bevoegde autoriteiten in kennis van de risico's, met inbegrip van die welke samenhangen met de samenstelling en de bronnen van hun eigen vermogen, intern kapitaal en financiering, die hun financiële posities in gevaar kunnen brengen.

2.   Indien de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het prudentiële toezicht op de beleggingsonderneming, overeenkomstig artikel 15 ontheffing van de verplichting van toezicht op geconsolideerde basis verlenen, nemen zij andere passende maatregelen voor het toezicht op de risico's, met name de grote risicoblootstellingen, van de gehele groep, met inbegrip van ondernemingen die niet in een lidstaat zijn gevestigd.

3.   Indien de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het prudentiële toezicht op de beleggingsonderneming, overeenkomstig artikel 15 ontheffing van de toepassing van eigenvermogensvereisten op geconsolideerde basis verlenen, zijn de vereisten van deel 8 op individuele basis van toepassing.

Afdeling 2

Methoden voor prudentiële consolidatie

Artikel 18

Methoden voor prudentiële consolidatie

1.   Instellingen die moeten voldoen aan de in afdeling 1 genoemde vereisten op basis van hun geconsolideerde situatie, voeren een volledige consolidatie uit van alle instellingen en financiële instellingen die hun dochterondernemingen zijn, of, in voorkomend geval, de dochterondernemingen van dezelfde financiële moederholding of gemengde financiële moederholding. De leden 2 tot en met 8 van dit artikel zijn niet van toepassing indien deel 6 van toepassing is op basis van de geconsolideerde situatie van een instelling.

2.   De bevoegde autoriteiten kunnen echter op ad-hocbasis proportionele consolidatie toestaan naar gelang van het aandeel van de moederonderneming in het kapitaal van de dochteronderneming. Proportionele consolidatie mag alleen worden toegestaan als aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de aansprakelijkheid van de moederonderneming is beperkt tot het aandeel van de moederonderneming in het kapitaal van de dochteronderneming, op grond van de aansprakelijkheid van de overige aandeelhouders of vennoten;

b)

de solvabiliteit van die overige aandeelhouders of vennoten is toereikend;

c)

de aansprakelijkheid van de overige aandeelhouders en vennoten is duidelijk op een juridisch bindende manier aangetoond.

3.   Indien ondernemingen verbonden zijn door een band in de zin van artikel 12, lid 1, van Richtlijn 83/349/EEG, bepalen de bevoegde autoriteiten hoe de consolidatie moet worden uitgevoerd.

4.   De consoliderend toezichthouder verlangt de proportionele consolidatie naar gelang van het aandeel in het kapitaal van deelnemingen in instellingen en financiële instellingen welke gezamenlijk door een bij de consolidatie betrokken onderneming en een of meer daarin niet betrokken ondernemingen worden geleid, wanneer daaruit een beperking van de aansprakelijkheid van deze ondernemingen voortvloeit die afhangt van hun aandeel in het kapitaal.

5.   In het geval van deelnemingen of van andere vormen van kapitaalbinding dan bedoeld in de leden 1 en 2 bepalen de bevoegde autoriteiten of en in welke vorm consolidatie moet plaatsvinden. Zij kunnen met name de toepassing van de vermogensmutatiemethode toestaan of voorschrijven. Deze methode houdt evenwel niet in dat de betrokken ondernemingen in het toezicht op geconsolideerde basis worden betrokken.

6.   De bevoegde autoriteiten bepalen in de volgende gevallen of en in welke vorm consolidatie moet plaatsvinden:

a)

een instelling oefent naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten een aanzienlijke invloed uit op een of meer instellingen of financiële instellingen, zonder daarin evenwel een deelneming te houden of daarmee andere vormen van kapitaalbinding te hebben; en

b)

twee of meer instellingen of financiële instellingen staan onder centrale leiding zonder dat dit in een overeenkomst of statutaire bepalingen vastgelegd hoeft te zijn.

De bevoegde autoriteiten kunnen in het bijzonder het gebruik van de in artikel 12 van Richtlijn 83/349/EEG bedoelde methode toestaan of voorschrijven. Deze methode houdt evenwel niet in dat de betrokken ondernemingen in het toezicht op geconsolideerde basis worden betrokken.

7.   De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de voorwaarden waaronder consolidatie in de in de leden 2 tot en met 6 van dit artikel bedoelde gevallen wordt uitgevoerd.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 31 december 2016 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

8.   Indien het toezicht op geconsolideerde basis op grond van artikel 111 van Richtlijn 2013/36/EU is voorgeschreven, worden de ondernemingen die nevendiensten verrichten, alsmede vermogensbeheerders in de zin van artikel 2, punt 5, van Richtlijn 2002/87/EG in de consolidatie betrokken in de gevallen en volgens de methoden die in dit artikel zijn omschreven.

Afdeling 3

Reikwijdte van de prudentiële consolidatie

Artikel 19

Entiteiten die van de prudentiële consolidatie worden uitgesloten

1.   Een instelling, financiële instelling of onderneming die nevendiensten verricht, die een dochteronderneming is of een onderneming waarin een deelneming wordt gehouden, hoeft niet in de consolidatie te worden betrokken indien het totale bedrag van de actiefposten en de posten buiten de balanstelling van de betrokken onderneming lager is dan het laagste van de twee volgende bedragen:

a)

10 miljoen EUR;

b)

1 % van het totale bedrag van de actiefposten en de posten buiten de balanstelling van de moederonderneming of van de onderneming die de deelneming houdt.

2.   De bevoegde autoriteiten die overeenkomstig artikel 111 van Richtlijn 2013/36/EU verantwoordelijk zijn voor het toezicht op geconsolideerde basis, mogen op ad-hocbasis besluiten dat een instelling, financiële instelling of onderneming die nevendiensten verricht, die een dochteronderneming is of waarin een deelneming wordt gehouden, buiten de consolidatie mag worden gelaten indien:

a)

de betrokken onderneming gevestigd is in een derde land waar er juridische belemmeringen bestaan voor het doorgeven van de benodigde inlichtingen;

b)

de betrokken onderneming enkel in het licht van de doelstellingen van het toezicht op de kredietinstellingen van te verwaarlozen betekenis is;

c)

de consolidatie van de financiële situatie van de betrokken onderneming, naar de mening van de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op geconsolideerde basis, in het licht van de doelstellingen van het toezicht op kredietinstellingen niet wenselijk of misleidend zou zijn.

3.   Indien in de in lid 1 en in lid 2, onder b), bedoelde gevallen verscheidene ondernemingen aan de daarin genoemde voorwaarden voldoen, worden zij toch in de consolidatie betrokken indien het geheel van deze ondernemingen in het licht van de vermelde doelstellingen, van niet te verwaarlozen betekenis is.

Artikel 20

Gezamenlijke beslissingen over prudentiële vereisten

1.   De bevoegde autoriteiten werken in nauw overleg samen:

a)

als een EU-moederinstelling met haar dochterondernemingen of de gezamenlijke dochterondernemingen van een financiële EU-moederholding of een gemengde financiële EU-moederholding een aanvraag indienen voor de in artikel 143, lid 1, artikel 151, leden 4 en 9, artikel 283, artikel 312, lid 2, en artikel 363 bedoelde toestemmingen, om te beslissen of de aanvraag al dan niet wordt ingewilligd en welke voorwaarden er eventueel aan een dergelijke toestemming moeten worden verbonden;

b)

om vast te stellen of er wordt voldaan aan de criteria voor een specifieke intragroepbehandeling als bedoeld in artikel 422, lid 9, en artikel 425, lid 5, aangevuld met de in artikel 422, lid 10, en artikel 425, lid 6, bedoelde technische reguleringsnormen van de EBA.

Aanvragen worden alleen bij de consoliderend toezichthouder ingediend.

De in artikel 312, lid 2, bedoelde aanvraag omvat een beschrijving van de methode die wordt gehanteerd voor het toewijzen van operationeel risicokapitaal tussen de verschillende entiteiten van de groep. In de aanvraag wordt vermeld of en op welke wijze diversificatie-effecten in het risicometingssysteem zullen worden verwerkt.

2.   De bevoegde autoriteiten stellen alles in het werk om binnen zes maanden een gezamenlijke beslissing te nemen betreffende:

a)

de in lid 1, punt a), bedoelde aanvraag;

b)

de beoordeling van de criteria en de vaststelling van de specifieke behandeling bedoeld in lid 1, punt b).

De in lid 1 bedoelde bevoegde autoriteit doet deze gezamenlijke beslissing schriftelijk, met volledige opgaaf van redenen, aan de aanvrager toekomen.

3.   De in lid 2 bedoelde termijn vangt aan:

a)

op de datum waarop de consoliderend toezichthouder de in lid 1, punt a), bedoelde volledige aanvraag ontvangt. De consoliderend toezichthouder doet de volledige aanvraag onverwijld aan de andere bevoegde autoriteiten toekomen;

b)

op de datum waarop de bevoegde autoriteiten een door de consoliderend toezichthouder opgesteld verslag ontvangen, waarin de intragroepverplichtingen binnen de groep worden geanalyseerd.

4.   Indien er binnen zes maanden geen gezamenlijke beslissing van de bevoegde autoriteiten is, neemt de consoliderend toezichthouder op eigen gezag een beslissing betreffende lid 1, punt a). De beslissing van de consoliderend toezichthouder leidt niet tot een beperking van de bevoegdheden van de bevoegde autoriteiten uit hoofde van artikel 105 van 2013/36/EU.

De beslissing wordt op schrift gesteld met volledige opgave van redenen en met inachtneming van de gedurende de termijn van zes maanden door de andere bevoegde autoriteiten te kennen gegeven standpunten en voorbehouden.

De beslissing wordt door de consoliderend toezichthouder toegezonden aan de EU-moederinstelling, financiële EU-moederholding of gemengde financiële EU-moederholding en de andere bevoegde autoriteiten.

Indien een van de betrokken bevoegde autoriteiten aan het einde van de termijn van zes maanden de zaak heeft doorverwezen naar de EBA overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1093/2010, stelt de consoliderend toezichthouder zijn beslissing betreffende lid 1, punt a), van dit artikel uit en wacht hij een eventueel door de EBA overeenkomstig artikel 19, lid 3, van die verordening genomen besluit over zijn beslissing af en neemt hij een beslissing in overeenstemming met het besluit van de EBA. De termijn van zes maanden wordt beschouwd als de verzoeningsfase in de zin van die verordening. De EBA neemt haar besluit binnen één maand. De zaak wordt niet meer doorverwezen naar de EBA na het einde van de termijn van zes maanden of nadat een gezamenlijke beslissing is genomen.

5.   Indien er binnen zes maanden geen gezamenlijke beslissing van de bevoegde autoriteiten is, neemt de bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor het toezicht op de dochteronderneming op individuele basis op eigen gezag een beslissing betreffende lid 1, punt b).

De beslissing wordt op schrift gesteld met volledige opgave van redenen en met inachtneming van de gedurende de termijn van zes maanden door de andere bevoegde autoriteiten te kennen gegeven standpunten en voorbehouden.

De beslissing wordt toegezonden aan de consoliderend toezichthouder, die de EU-moederinstelling, financiële EU-moederholding of gemengde financiële EU-moederholding ervan in kennis stelt.

Indien de consoliderend toezichthouder aan het einde van de termijn van zes maanden de zaak heeft doorverwezen naar de EBA overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1093/2010, stelt de bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor het toezicht op de dochteronderneming op individuele basis zijn beslissing betreffende lid 1, punt b), van deze verordening uit en wacht hij een eventueel door de EBA overeenkomstig artikel 19, lid 3, van die verordening genomen besluit over zijn beslissing af en neemt hij een beslissing in overeenstemming met het besluit van de EBA. De termijn van zes maanden wordt beschouwd als de verzoeningsfase in de zin van die verordening. De EBA neemt haar besluit binnen één maand. De zaak wordt niet meer doorverwezen naar de EBA na het einde van de termijn van zes maanden of nadat een gezamenlijke beslissing is genomen.

6.   Indien een EU-moederinstelling en haar dochterondernemingen, de dochterondernemingen van een financiële EU-moederholding of een gemengde financiële EU-moederholding een in artikel 312, lid 2, bedoelde geavanceerde meetbenadering of een in artikel 143 bedoelde interneratingbenadering centraal toepassen, staan de bevoegde autoriteiten toe dat de moederonderneming en haar dochterondernemingen samen voldoen aan de criteria die respectievelijk in artikel 321 en 322 of in deel 3, titel II, hoofdstuk 3, afdeling 6, worden genoemd, op een wijze die samenhang vertoont met de structuur van de groep en haar systemen, processen en methoden voor risicobeheer.

7.   De in de leden 2, 4 en 5 bedoelde beslissingen worden door de bevoegde autoriteiten in de betrokken lidstaten als definitief erkend en toegepast.

8.   De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen tot nadere bepaling van het in lid 1, onder a), bedoelde gezamenlijke besluitvormingsproces met betrekking tot de aanvragen voor toestemming zoals bedoeld in artikel 143, lid 1, artikel 151, leden 4 en 9, artikel 283, artikel 312, lid 2, en artikel 363 met het oog op het faciliteren van de gezamenlijke beslissingen.

De EBA legt die ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op 31 december 2014 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 21

Gezamenlijke beslissingen over het toepassingsniveau van liquiditeitsvereisten

1.   Na de aanvraag van een EU-moederonderneming, een financiële EU-moederholding of een gemengde financiële EU-moederholding, dan wel een gesubconsolideerde dochteronderneming van een EU-moederinstelling of van een financiële EU-moederholding of een gemengde financiële EU-moederholding stellen de consoliderend toezichthouder en de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op dochterondernemingen van een EU-moederinstelling, een financiële EU-moederholding of een gemengde financiële EU-moederholding in een lidstaat alles in het werk om tot een gezamenlijke beslissing te komen over de vraag of is voldaan aan de voorwaarden van artikel 8, lid 1, punt a) tot en met d), en tot het bepalen van één enkele liquiditeitssubgroep voor de toepassing van artikel 8.

De gezamenlijke beslissing wordt genomen binnen zes maanden nadat de consoliderend toezichthouder een verslag met vaststelling van de enkele liquiditeitssubgroepen op basis van de in artikel 8 vastgelegde criteria heeft ingediend. Bij een geschil gedurende de periode van zes maanden raadpleegt de consoliderend toezichthouder de EBA op verzoek van een van de andere betrokken bevoegde autoriteiten. De consoliderend toezichthouder kan de EBA ook op eigen initiatief raadplegen.

De gezamenlijke beslissing kan ook beperkingen op de locatie en eigendom van liquide activa opleggen en voorschrijven dat instellingen die vrijgesteld zijn van de toepassing van deel 6, minimale bedragen aan liquide activa moeten aanhouden.

Deze gezamenlijke beslissing wordt op schrift gesteld en wordt met volledige opgaaf van redenen door de consoliderend toezichthouder aan de moederinstelling van de liquiditeitssubgroep toegezonden.

2.   Als er binnen zes maanden geen gezamenlijke beslissing is, neemt elke bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor het toezicht op individuele basis, zijn eigen beslissing.

Eender welke van de bevoegde autoriteiten kan de vraag of aan de voorwaarden van artikel 8, lid 1, punten a) tot en met d), is voldaan, evenwel binnen de termijn van zes maanden aan de EBA voorleggen. In dat geval kan de EBA overeenkomstig artikel 31, punt c), van Verordening (EU) nr. 1093/2010 haar niet-bindende bemiddeling verrichten en alle betrokken bevoegde autoriteiten stellen hun beslissingen uit in afwachting van de conclusie van de niet-bindende bemiddeling. Als er tijdens de bemiddeling binnen drie maanden door de bevoegde autoriteiten geen gezamenlijke beslissing wordt bereikt, neemt elke bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor het toezicht op individuele basis, haar eigen beslissing, rekening houdend met de evenredigheid van baten en risico's op het niveau van de lidstaat van de moederinstelling en de evenredigheid van baten en risico's op het niveau van de lidstaat van de dochteronderneming. De zaak wordt niet meer doorverwezen naar de EBA na het einde van de termijn van zes maanden of nadat een gezamenlijke beslissing is genomen.

De in lid 1 bedoelde gezamenlijke beslissing en de in de tweede alinea van dit lid bedoelde beslissingen zijn bindend.

3.   Eender welke van de betrokken bevoegde autoriteiten kan ook binnen de termijn van zes maanden de EBA raadplegen in geval van een geschil over de voorwaarden van artikel 8, lid 3, punten a) tot en met d). In dat geval kan de EBA overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1093/2010 haar niet-bindende bemiddeling verrichten en alle betrokken bevoegde autoriteiten stellen hun beslissingen uit in afwachting van de conclusie van de niet-bindende bemiddeling. Als er tijdens de bemiddeling binnen drie maanden door de bevoegde autoriteiten geen gezamenlijke beslissing wordt bereikt, neemt elke bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor het toezicht op individuele basis, haar eigen beslissing.

Artikel 22

Subconsolidatie in geval van entiteiten in derde landen

Instellingen die een dochteronderneming zijn, passen de vereisten van de artikelen 89 tot en met 91, en delen 3 en 5 op basis van hun gesubconsolideerde situatie toe als deze instellingen of de moederonderneming, als deze een financiële holding of een gemengde financiële moederholding is, in een derde land een instelling of een financiële instelling als dochteronderneming hebben of een deelneming in een dergelijke onderneming hebben.

Artikel 23

Ondernemingen in derde landen

Voor de uitoefening van het toezicht op geconsolideerde basis overeenkomstig dit hoofdstuk zijn de begrippen "beleggingsonderneming", "kredietinstelling", "financiële instelling" en "instelling" ook van toepassing op in derde landen gevestigde ondernemingen die, indien zij in de Unie zouden zijn gevestigd, aan de definities van deze begrippen in artikel 4 zouden voldoen.

Artikel 24

Waardering van actiefposten en posten buiten de balansstelling

1.   De actiefposten en de posten buiten de balansstelling worden gewaardeerd overeenkomstig het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving.

2.   In afwijking van lid 1 kunnen de bevoegde autoriteiten verlangen dat instellingen de actiefposten en de posten buiten de balanstelling waarderen en het eigen vermogen bepalen overeenkomstig de internationale standaarden voor jaarrekeningen die van toepassing zijn krachtens Verordening (EG) nr. 1606/2002.

DEEL TWEE

EIGEN VERMOGEN

TITEL I

BESTANDDELEN VAN HET EIGEN VERMOGEN

HOOFDSTUK 1

Tier 1-kapitaal

Artikel 25

Tier 1-kapitaal

Het tier 1-kapitaal van een instelling bestaat uit de som van het tier 1-kernkapitaal en het aanvullend-tier 1-kapitaal van de instelling.

HOOFDSTUK 2

Tier 1-kernkapitaal

Afdeling 1

Tier 1-kernkapitaalbestanddelen en -instrumenten

Artikel 26

Tier 1-kernkapitaalbestanddelen

1.   Tier 1-kernkapitaalbestanddelen van instellingen bestaan uit het volgende:

a)

kapitaalinstrumenten, mits voldaan is aan de voorwaarden van artikel 28 of, naar gelang het geval, van artikel 29;

b)

de agiorekeningen gerelateerd aan de in punt a) bedoelde instrumenten;

c)

ingehouden winsten;

d)

gecumuleerde niet-gerealiseerde resultaten;

e)

andere reserves;

f)

fondsen voor algemene bankrisico's.

De in de punten c) tot en met f) bedoelde bestanddelen worden enkel als tier 1-kernkapitaal erkend indien zij onbeperkt en onmiddellijk door de instelling kunnen worden gebruikt voor het dekken van risico's of verliezen zodra deze zich voordoen.

2.   Voor de toepassing van lid 1, punt c), kunnen de instellingen, uitsluitend met de voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit, de tussentijdse of eindejaarsresultaten opnemen in het tier 1-kernkapitaal voordat de instelling een formeel besluit heeft genomen ter bevestiging van het uiteindelijke resultaat van de instelling voor dat jaar. De bevoegde autoriteit verleent toestemming indien de volgende voorwaarden vervuld zijn:

a)

deze resultaten zijn getoetst door personen die onafhankelijk zijn van de instelling en verantwoordelijk zijn voor de controle van de rekeningen van die instelling;

b)

de instelling heeft ten genoegen van de bevoegde autoriteit aangetoond dat alle te verwachten lasten en voorzieningen voor dividenden van het bedrag van deze resultaten zijn afgetrokken.

Een toetsing van de tussentijdse of eindejaarsresultaten van de instelling wijst op bevredigende wijze uit dat deze resultaten beoordeeld zijn overeenkomstig de in het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving beschreven beginselen.

3.   De bevoegde autoriteiten gaan na of uitgiften van tier 1-kernkapitaalinstrumenten voldoen aan de criteria in artikel 28 of, naar gelang het geval, van artikel 29. Met betrekking tot uitgiften na 31 december 2014 worden kapitaalinstrumenten door de instellingen slechts als tier 1-kernkapitaalinstrumenten aangemerkt nadat daarvoor toestemming is gegeven door de bevoegde autoriteiten, die de EBA kunnen raadplegen.

Voor kapitaalinstrumenten, uitgezonderd staatssteun, die door de bevoegde autoriteiten zijn goedgekeurd als in aanmerking komend voor indeling als tier 1-kernkapitaalinstrumenten, maar waarvoor het naar het oordeel van de EBA wezenlijk moeilijk is om na te gaan of de criteria in artikel 28 of, naar gelang het geval, van artikel 29, zijn vervuld, doen de bevoegde autoriteiten een motivering aan de EBA toekomen.

Op basis van de door iedere bevoegde autoriteit verstrekte informatie wordt door de EBA een lijst opgesteld, geactualiseerd en gepubliceerd van alle vormen van kapitaalinstrumenten in elke lidstaat die als tier 1-kernkapitaalinstrumenten worden aangemerkt. Deze lijst wordt door de EBA voor het eerst opgesteld en gepubliceerd uiterlijk 1 februari 2015.

De EBA kan, na het in artikel 80 bedoelde proces van toetsing, indien er significante bewijzen bestaan dat deze instrumenten niet aan de criteria van artikel 28 of, naar gelang het geval, van artikel 29 voldoen, beslissen om na 31 december 2014 uitgegeven kapitaalinstrumenten die geen staatssteun zijn, te schrappen van de lijst en daarvan mededeling te doen.

4.   De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van hetgeen moet worden verstaan onder "te verwachten" bij het bepalen of alle te verwachten opslagen en dividenden zijn afgetrokken.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk 1 februari 2015 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 27

Kapitaalinstrumenten van onderlinge maatschappijen, coöperaties, spaarinstellingen en soortgelijke instellingen in tier 1-kernkapitaalbestanddelen

1.   Tier 1-kernkapitaalbestanddelen omvatten eender welk door een instelling overeenkomstig haar statutaire bepalingen uitgegeven kapitaalinstrument op voorwaarde dat er aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

de instelling behoort tot een categorie die in het toepasselijk nationaal recht is gedefinieerd en die volgens de bevoegde autoriteiten is aan te merken als:

i)

een onderlinge maatschappij;

ii)

een coöperatie;

iii)

een spaarinstelling;

iv)

een soortgelijke instelling;

v)

een kredietinstelling die volledig in handen is van één van de instellingen als bedoeld onder i) tot en met iv) en van de betrokken bevoegde autoriteit de toestemming heeft gekregen om gebruik te maken van de bepalingen van dit artikel, voor zover en zolang 100 % van de uitgegeven gewone aandelen in de kredietinstelling rechtstreeks of onrechtstreeks in het bezit is van een instelling als bedoeld onder die punten;

b)

de voorwaarden als gesteld in artikel 28 of, naar gelang het geval, in artikel 29, zijn vervuld.

Deze onderlinge maatschappijen, coöperaties of spaarinstellingen die als dusdanig uit hoofde van vóór 31 december 2012 toepasselijke nationale wetgeving zijn erkend, blijven voor de toepassing van dit deel zo aangemerkt zolang de criteria waarop die erkenning is gebaseerd, zijn vervuld.

2.   De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de voorwaarden waaronder de bevoegde autoriteiten kunnen bepalen dat een categorie ondernemingen die in het toepasselijk nationaal recht is erkend, voor de toepassing van dit deel kan worden aangemerkt als onderlinge maatschappij, coöperatie, spaarinstelling of soortgelijke instelling.

De EBA legt deze ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk 1 februari 2015 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 28

Tier 1-kernkapitaalinstrumenten

1.   Kapitaalinstrumenten worden uitsluitend als tier 1-kernkapitaalinstrumenten aangemerkt indien de volgende voorwaarden zijn vervuld:

a)

de instrumenten worden rechtstreeks door de instelling uitgegeven met de voorafgaande goedkeuring van de eigenaars van de instelling of, indien toegestaan volgens het toepasselijke nationaal recht, het leidinggevende orgaan van de instelling;

b)

de instrumenten zijn volgestort en de aankoop ervan wordt niet direct of indirect door de instelling gefinancierd;

c)

de instrumenten voldoen aan alle volgende voorwaarden wat hun indeling betreft:

i)

zij worden aangemerkt als kapitaal in de zin van artikel 22 van Richtlijn 86/635/EEG;

ii)

zij worden ingedeeld als gewone aandelen in de zin van het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving;

iii)

zij worden ingedeeld als aandelenkapitaal voor het bepalen van balansmatige insolventie, indien toepasselijk uit hoofde van het nationaal insolventierecht;

d)

de instrumenten worden duidelijk en afzonderlijk vermeld op de balans in de financiële overzichten van de instelling;

e)

de instrumenten zijn doorlopend;

f)

de hoofdsom van de instrumenten mag niet worden verminderd of terugbetaald, behalve in een van de volgende gevallen:

i)

de liquidatie van de instelling;

ii)

discretionaire wederinkopen van de instrumenten of andere discretionaire manieren om het kapitaal te verminderen, waarbij de instelling overeenkomstig artikel 77 de voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit heeft gekregen;

g)

de bepalingen betreffende de instrumenten geven niet expliciet of impliciet aan dat de hoofdsom van de instrumenten in een andere situatie dan de liquidatie van de instelling zou worden of zou kunnen worden verminderd of terugbetaald, en de instelling geeft dit niet anderszins aan vóór of bij de uitgifte van de instrumenten, behalve in het geval van in artikel 27 bedoelde instrumenten waarbij de weigering van de instelling om dergelijke instrumenten af te lossen door het toepasselijk nationaal recht verboden wordt;

h)

de instrumenten voldoen aan de volgende voorwaarden wat uitkeringen betreft:

i)

er zijn geen preferentiële behandelingen voor de volgorde van betaling van uitkeringen, evenmin voor andere tier 1-kernkapitaalinstrumenten, en de voor de instrumenten geldende voorwaarden voorzien niet in preferentiële rechten op de betaling van uitkeringen;

ii)

uitkeringen aan houders van de instrumenten mogen alleen geschieden uit uitkeerbare bestanddelen;

iii)

de voor de instrumenten geldende voorwaarden bevatten geen maximum of een andere beperking op het maximumniveau van de uitkeringen, behalve in het geval van in artikel 27 bedoelde instrumenten;

iv)

het niveau van de uitkeringen wordt niet bepaald op basis van het bedrag waarvoor de instrumenten bij de uitgifte werden gekocht, behalve in het geval van de in artikel 27 bedoelde instrumenten;

v)

de voor de instrumenten geldende voorwaarden bevatten geen verplichting voor de instelling om uitkeringen aan hun houders te verrichten en de instelling is niet anderszins aan een dergelijke verplichting onderworpen;

vi)

niet-betaling van uitkeringen vormt geen wanbetaling door de instelling;

vii)

het schrappen van uitkeringen legt de instelling geen beperkingen op;

i)

vergeleken met alle door de instelling uitgegeven kapitaalinstrumenten vangen de instrumenten het eerste en naar verhouding grootste deel van de verliezen op wanneer deze zich voordoen, en vangt elk instrument de verliezen in dezelfde mate op als alle andere tier 1-kernkapitaalinstrumenten;

j)

bij insolventie of liquidatie van de instelling komen de instrumenten na alle andere vorderingen in de rangorde;

k)

de instrumenten verlenen de eigenaars ervan een vordering op de resterende activa van de instelling, die bij liquidatie en na de betaling van alle niet-achtergestelde vorderingen evenredig is aan het bedrag van dergelijke uitgegeven instrumenten en niet vastgesteld is en evenmin onderworpen aan een maximum, behalve in het in artikel 27 bedoelde geval van kapitaalinstrumenten;

l)

de instrumenten zijn niet gedekt door een zekerheid of onderworpen aan een garantie die de rangordepositie van de vordering verbetert en die verstrekt is door een van de volgende entiteiten:

i)

de instelling of haar dochterondernemingen;

ii)

de moederonderneming van de instelling of de dochterondernemingen ervan;

iii)

de financiële moederholding of de dochterondernemingen ervan;

iv)

de gemengde holding of de dochterondernemingen ervan;

v)

de gemengde financiële holding en de dochterondernemingen ervan;

vi)

een onderneming die nauwe banden heeft met de in de onder i) tot en met onder v) bedoelde entiteiten;

m)

de instrumenten zijn niet onderworpen aan enige regeling, hetzij contractueel hetzij anderszins, die de rangordepositie van vorderingen uit hoofde van de instrumenten bij insolventie of liquidatie verbetert.

Aan de in lid 1, punt j), gestelde voorwaarde wordt geacht te zijn voldaan, zelfs indien de instrumenten zijn opgenomen in aanvullend tier 1- of tier 2-kapitaal op grond van artikel 484, lid 3, mits zij dezelfde rangorde hebben.

2.   Zelfs bij een permanente afwaardering van de hoofdsom van aanvullend tier 1- of tier 2-instrumenten worden de in lid 1, punt i), vastgestelde voorwaarden geacht te zijn vervuld.

Aan de in lid 1, punt f), gestelde voorwaarde wordt geacht te zijn voldaan, zelfs bij een vermindering van de hoofdsom van het kapitaalinstrument in het kader van een afwikkelingsprocedure of als gevolg van een door de voor de instelling verantwoordelijke afwikkelingsautoriteit vereiste afwaardering van kapitaalinstrumenten.

Aan de in lid 1, punt g), gestelde voorwaarde wordt geacht te zijn voldaan, zelfs indien in de bepalingen inzake het kapitaalinstrument expliciet of impliciet wordt aangegeven dat de hoofdsom zal of zou kunnen worden verminderd in het kader van een afwikkelingsprocedure of als gevolg van een door de voor de instelling verantwoordelijke afwikkelingsautoriteit vereiste afwaardering van kapitaalinstrumenten.

3.   Aan de in lid 1, punt h), onder iii), gestelde voorwaarde wordt geacht te zijn voldaan, zelfs indien het instrument een veelvoud van de dividenden uitbetaalt, op voorwaarde dat dit veelvoud van de dividenden niet resulteert in een uitkering die een onevenredige belasting van het eigen vermogen veroorzaakt.

4.   Ten behoeve van lid 1, punt h), onder i), mogen gedifferentieerde uitkeringen enkel een afspiegeling zijn van gedifferentieerde stemrechten. In dit verband zijn hogere uitkeringen enkel van toepassing op tier 1-kernkapitaalinstrumenten met minder of geen stemrechten.

5.   De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van:

a)

de toepasselijke vormen en aard van indirecte financiering van eigenvermogensinstrumenten;

b)

of en wanneer meerdere uitkeringen een onevenredige belasting zouden vormen op het eigen vermogen;

c)

de betekenis van preferentiële uitkeringen.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk 1 februari 2015 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 29

Door onderlinge maatschappijen, coöperaties, spaarinstellingen en soortgelijke instellingen uitgegeven kapitaalinstrumenten

1.   Door onderlinge maatschappijen, coöperaties, spaarinstellingen en soortgelijke instellingen uitgegeven kapitaalinstrumenten worden uitsluitend als tier 1-kernkapitaalinstrumenten aangemerkt als er aan de voorwaarden van artikel 28 of, naar gelang het geval, van artikel 29 wordt voldaan.

2.   Wat de aflossing van de kapitaalinstrumenten betreft, wordt aan de volgende voorwaarden voldaan:

a)

de instelling is in staat de aflossing van de instrumenten te weigeren, tenzij dit door het toepasselijke nationale recht verboden is;

b)

indien het toepasselijke nationale recht de instelling verbiedt de aflossing van de instrumenten te weigeren, bieden de voor de instrumenten geldende bepalingen de instelling de mogelijkheid de aflossing ervan te beperken;

c)

de weigering de instrumenten af te lossen of, in voorkomend geval, de beperking van de aflossing van de instrumenten, mag geen wanbetaling door de instelling vormen.

3.   De kapitaalinstrumenten mogen uitsluitend een maximum of een beperking op het maximumniveau van de uitkeringen bevatten wanneer dat maximum of die beperking in het toepasselijk nationaal recht of in de statuten van de instelling is vastgelegd.

4.   Indien de kapitaalinstrumenten de eigenaar ervan bij insolventie of liquidatie rechten verlenen op de reserves van de instelling die beperkt zijn tot de nominale waarde van de instrumenten, is een dergelijke beperking in dezelfde mate van toepassing op de houders van alle andere tier 1-kernkapitaalinstrumenten die door die instelling zijn uitgegeven.

De in de eerste alinea gestelde voorwaarde laat de mogelijkheid voor een onderlinge maatschappij, coöperatie, spaarinstelling of soortgelijke instelling onverlet om binnen het tier 1-kernkapitaal instrumenten te erkennen die de houder geen stemrechten verlenen en die aan beide onderstaande voorwaarden voldoen:

a)

de vordering van de houders van de instrumenten zonder stemrechten bij de insolventie of liquidatie van de instelling is evenredig met het aandeel van de totale tier 1-kernkapitaalinstrumenten die door die instrumenten zonder stemrechten worden vertegenwoordigd;

b)

de instrumenten worden anderszins als tier 1-kernkapitaalinstrumenten aangemerkt.

5.   Indien de kapitaalinstrumenten de eigenaar ervan bij insolventie of liquidatie een vaste of aan een maximum onderworpen vordering op de activa van de instelling verlenen, is een dergelijke beperking in dezelfde mate van toepassing op alle houders van alle tier 1-kernkapitaalinstrumenten die door die instelling zijn uitgegeven.

6.   De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de aard van de noodzakelijke beperkingen op aflossing indien het toepasselijke nationale recht de instelling verbiedt de aflossing van de instrumenten te weigeren.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk 1 februari 2015 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 30

Gevolgen van het niet langer voldoen aan de voorwaarden voor tier 1-kernkapitaalinstrumenten

Het volgende geldt wanneer in het geval van tier 1-kernkapitaalinstrumenten de voorwaarden van artikel 28, in voorkomend geval met aanpassingen die voortvloeien uit de toepassing van artikel 29, niet langer zijn vervuld:

a)

dat instrument wordt met onmiddellijke ingang niet langer aangemerkt als een tier 1-kernkapitaalinstrument;

b)

de aan dat instrument gerelateerde agiorekeningen worden met onmiddellijke ingang niet langer aangemerkt als tier 1-kernkapitaalbestanddelen.

Artikel 31

In noodsituaties bij overheden geplaatste kapitaalinstrumenten

1.   In noodsituaties kunnen de bevoegde autoriteiten instellingen toestaan om in tier 1-kernkapitaal kapitaalinstrumenten op te nemen die ten minste voldoen aan de in artikel 28, lid 1, punten b) tot en met e), gestelde voorwaarden als aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de kapitaalinstrumenten zijn uitgegeven na 1 januari 2014;

b)

de kapitaalinstrumenten worden door de Commissie als staatssteun beschouwd;

c)

de kapitaalinstrumenten worden uitgegeven in de context van herkapitalisatiemaatregelen overeenkomstig op dat ogenblik bestaande voorschriften inzake staatssteun;

d)

de kapitaalinstrumenten worden volledig geplaatst en aangehouden door de staat of een betrokken overheid of een entiteit in overheidshanden;

e)

de kapitaalinstrumenten kunnen verliezen opvangen;

f)

behalve voor de in artikel 27 bedoelde kapitaalinstrumenten geven de kapitaalinstrumenten de eigenaars ervan het recht om bij liquidatie de resterende activa van de instelling te vorderen nadat alle niet-achtergestelde vorderingen zijn betaald;

g)

er is voorzien in passende uitstapmechanismen van de staat of in voorkomend geval een betrokken overheid of entiteit in overheidshanden;

h)

de bevoegde autoriteit heeft voorafgaandelijk toestemming verleend en heeft haar beslissing, samen met de motivering daarvan, bekendgemaakt.

2.   Op een met redenen omkleed verzoek van en in samenwerking met de betrokken bevoegde autoriteit, stelt de EBA voor de toepassing van deze verordening de in lid 1 bedoelde kapitaalinstrumenten gelijk aan tier 1-kernkapitaainstrumenten.

Afdeling 2

Prudentiële filters

Artikel 32

Gesecuritiseerde activa

1.   Een instelling neemt in geen enkel eigenvermogensbestanddeel enige toename op van haar aandelenkapitaal volgens het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving als die toename uit gesecuritiseerde activa voortvloeit, zoals bijvoorbeeld:

a)

een dergelijke toename in verband met toekomstige marge-inkomsten die voor de instelling resulteren in een winst bij verkoop ("gain on sale");

b)

indien de instelling de initiator van een securitisatie is, de nettowinsten die voortvloeien uit de kapitalisatie van toekomstige inkomsten uit de gesecuritiseerde activa die als kredietverbetering voor de securitisatieposities dienen.

2.   De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van het in lid 1, onder a), vermelde begrip "winst bij verkoop".

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk 1 februari 2015 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 33

Kasstroomafdekkingen en veranderingen in de waarde van eigen verplichtingen

1.   De instellingen nemen de volgende posten niet op in enig eigenvermogensbestanddeel:

a)

de reserves voor de reële waarde in verband met winsten of verliezen op kasstroomafdekkingen van financiële instrumenten die niet tegen reële waarde zijn gewaardeerd, met inbegrip van voorgenomen kasstromen;

b)

tegen reële waarde gewaardeerde winsten of verliezen op verplichtingen van de instelling die voortvloeien uit veranderingen in de eigen kredietwaardigheid van de instelling;

c)

alle tegen reële waarde gewaardeerde winsten en verliezen die voortvloeien uit het eigen kredietrisico van de instelling in verband met afgeleide verplichtingen.

2.   Voor de toepassing van lid 1, punt c), worden de tegen reële waarde gewaardeerde winsten en verliezen die voortvloeien uit het eigen kredietrisico van de instelling, door de instellingen niet gecompenseerd met winsten en verliezen die voortvloeien uit het tegenpartijkredietrisico.

3.   Onverminderd lid 1, punt b), kunnen instellingen de som van winsten en verliezen op hun verplichtingen in het eigen vermogen opnemen als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

de verplichtingen zijn in de vorm van obligaties als bedoeld in artikel 52, lid 4, van Richtlijn 2009/65/EG;

b)

de wijzigingen in de waarde van de activa en passiva van de instelling zijn het gevolg van identieke wijzigingen in de eigen kredietwaardigheid van de instelling;

c)

er is nauwe overeenstemming tussen de waarde van de onder a) bedoelde obligaties en de waarde van de activa van de instelling;

d)

de hypotheekleningen kunnen worden afgelost door de obligaties ter financiering van de hypotheekleningen terug te kopen tegen markt- of nominale waarde.

4.   De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van wat moet worden verstaan onder nauwe overeenstemming tussen de waarde van de obligaties en de waarde van de activa als bedoeld in lid 3, punt c).

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk 30 september 2013 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 34

Aanvullende waardeaanpassingen

De instellingen passen bij de berekening van het bedrag aan eigen vermogen de vereisten van artikel 105 toe op al hun tegen reële waarde gewaardeerde activa en trekken van het tier 1-kernkapitaal het bedrag van noodzakelijke aanvullende waardeaanpassingen af.

Artikel 35

Tegen reële waarde gemeten niet-gerealiseerde winsten en verliezen

Behalve in het geval van in artikel 33 bedoelde posten doen de instellingen geen aanpassingen ter verwijdering uit hun eigen vermogen van tegen reële waarde gewaardeerde niet-gerealiseerde winsten of verliezen op hun activa of verplichtingen.

Afdeling 3

Aftrekkingen van tier 1-kernkapitaalbestanddelen, vrijstellingen en alternatieven

Onderafdeling 1

Aftrekkingen van tier 1-kernkapitaalbestanddelen

Artikel 36

Aftrekkingen van tier 1-kernkapitaalbestanddelen

1.   De instellingen trekken het volgende van tier 1-kernkapitaalbestanddelen af:

a)

het verlies van het lopende boekjaar;

b)

de immateriële activa;

c)

de uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten;

d)

voor instellingen die risicogewogen posten met behulp van de interneratingbenadering berekenen, de negatieve bedragen die de uitkomst zijn van de berekening van de verwachte verliesposten op basis van de artikelen 158 en 159;

e)

de activa van een op vaste toezeggingen gebaseerd pensioenfonds op de balans van de instelling;

f)

direct, indirect en synthetisch bezit door een instelling van eigen tier 1-kernkapitaalinstrumenten, met inbegrip van eigen tier 1-kernkapitaalinstrumenten die een instelling krachtens een bestaande contractuele verplichting feitelijk of op bepaalde voorwaarden moet kopen;

g)

direct, indirect en synthetisch bezit van tier 1-kernkapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector indien deze entiteiten een wederzijdse deelneming hebben in de instelling, die volgens de bevoegde autoriteit bedoeld is om het eigen vermogen van de instelling kunstmatig te verhogen;

h)

het toepasselijke bedrag van het directe, indirecte en synthetische bezit door de instelling van tier 1-kernkapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector indien de instelling geen aanzienlijke deelneming in deze entiteiten heeft;

i)

het toepasselijke bedrag van het directe, indirecte en synthetische bezit door de instelling van tier 1-kernkapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector indien de instelling een aanzienlijke deelneming in deze entiteiten heeft;

j)

het bedrag van de posten dat overeenkomstig artikel 56 van de aanvullend-tier 1-bestanddelen moet worden afgetrokken, dat het aanvullend-tier 1-kapitaal van de instelling overschrijdt;

k)

het blootstellingsbedrag van de volgende posten die in aanmerking komen voor een risicogewicht van 1 250 %, waarbij de instelling dat blootstellingsbedrag in mindering brengt op het bedrag van tier 1-kernkapitaalbestanddelen als een alternatief voor het toepassen van een risicogewicht van 1 250 %:

i)

gekwalificeerde deelnemingen buiten de financiële sector;

ii)

securitisatieposities overeenkomstig artikel 243, lid 1, onder b), artikel 244, lid 1, onder b), en artikel 258;

iii)

niet-afgewikkelde transacties overeenkomstig artikel 379, lid 3;

iv)

posities in een basket waarvoor een instelling het risicogewicht met de interneratingbenadering niet kan bepalen, overeenkomstig artikel 153, lid 8;

v)

blootstellingen in aandelen met een internemodellenbenadering, overeenkomstig artikel 155, lid 4.

l)

elke belasting in verband met tier 1-kernkapitaalbestanddelen die op het ogenblik van de berekening te verwachten is, behalve wanneer de instelling het bedrag van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen corrigeert voor zover deze belastingen het bedrag verlagen ten belope waarvan deze bestanddelen aangewend kunnen worden voor het dekken van risico's of verliezen.

2.   De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de toepassing van de in lid 1, punten a), c), e), f), h), i) en l), van dit artikel bedoelde aftrekkingen en de daarmee verband houdende aftrekkingen als bedoeld in de punten a), c), d) en f) van artikel 56 en de punten a), c) en d) van artikel 66.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk 1 februari 2015 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

3.   De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de soorten kapitaalinstrumenten van financiële instellingen en, in overleg met de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen) (European Supervisory Authority (European Insurance and Occupational Pensions Authority — EIOPA)), zoals opgericht bij Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 (26), van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen uit derde landen, alsmede van ondernemingen die uitgesloten zijn van het toepassingsgebied van Richtlijn 2009/138/EG overeenkomstig artikel 4 van die richtlijn, die van de volgende eigenvermogensbestanddelen worden afgetrokken:

a)

tier 1-kernkapitaalbestanddelen;

b)

aanvullend-tier 1-bestanddelen;

c)

tier 2-bestanddelen.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk 1 februari 2015 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 37

Aftrek van immateriële activa

De instellingen bepalen welk bedrag aan immateriële activa er moet worden afgetrokken aan de hand van het volgende:

a)

het af te trekken bedrag wordt verminderd met het bedrag aan daaraan gerelateerde uitgestelde belastingverplichtingen dat zou worden opgeheven als de immateriële activa overeenkomstig het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving dubieus zouden worden of zouden worden afgestoten;

b)

het af te trekken bedrag omvat de goodwill die vervat zit in de waardering van aanzienlijke deelnemingen van de instelling.

Artikel 38

Aftrek van uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten

1.   De instellingen bepalen overeenkomstig dit artikel welk bedrag aan uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten, moet worden afgetrokken.

2.   Behalve wanneer de voorwaarden van lid 3 zijn vervuld, wordt het bedrag aan uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten, berekend zonder het te verminderen met het bedrag aan daaraan gerelateerde uitgestelde belastingverplichtingen van de instelling.

3.   Het bedrag aan uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten, mag worden verminderd met het bedrag aan daaraan gerelateerde uitgestelde belastingverplichtingen van de instelling, mits:

a)

de entiteit een krachtens het toepasselijke nationale recht een in rechte afdwingbaar recht heeft om die actuele belastingvorderingen te salderen met actuele belastingverplichtingen;

b)

de uitgestelde belastingvorderingen en de uitgestelde belastingverplichtingen betrekking hebben op belastingen die door dezelfde belastingautoriteit worden geheven en op dezelfde belastbare entiteit.

4.   Gerelateerde uitgestelde belastingverplichtingen van de instelling die voor de toepassing van lid 3 worden gebruikt, mogen geen uitgestelde belastingverplichtingen omvatten die het af te trekken bedrag van de immateriële activa of de activa van een op vaste toezeggingen gebaseerd pensioenfonds verminderen.

5.   Het in lid 4 bedoelde bedrag aan gerelateerde uitgestelde belastingverplichtingen wordt als volgt ingedeeld:

a)

uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten en voortvloeien uit verschillen in de tijd die overeenkomstig artikel 48, lid 1, niet worden afgetrokken;

b)

alle andere uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten.

De instellingen delen de gerelateerde uitgestelde belastingverplichtingen in naar gelang van het aandeel dat de in de punten a) en b) genoemde posten vertegenwoordigen in de uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten.

Artikel 39

Te veel betaalde belastingen, achterwaartse belastingverliescompensaties en uitgestelde belastingvorderingen die niet op toekomstige winstgevendheid berusten

1.   De volgende bestanddelen worden niet van het eigen vermogen afgetrokken en krijgen een risicogewicht overeenkomstig deel 3, titel II, hoofdstuk 2 of 3, naar gelang van het geval:

a)

door de instelling te veel betaalde belastingen voor het lopende jaar;

b)

fiscale verliezen van de instelling van het lopende jaar die achterwaarts op vorige jaren worden gecompenseerd en aanleiding geven tot een vordering of kortlopende vordering van een centrale of regionale overheid of een lokale belastingautoriteit;

2.   Uitgestelde belastingvorderingen die niet op toekomstige winstgevendheid berusten, zijn beperkt tot uitgestelde belastingvorderingen die voortvloeien uit tijdelijke verschillen, als alle onderstaande voorwaarden zijn vervuld:

a)

zij worden automatisch en verplicht onverwijld door een belastingkrediet vervangen ingeval de instelling bij de formele goedkeuring van de financiële overzichten van de instelling een verlies meldt, of in geval van liquidatie of insolventie van de instelling;

b)

een instelling moet in staat zijn om krachtens het toepasselijke nationale belastingrecht een belastingkrediet als bedoeld onder a) te verrekenen met een eventuele belastingverplichting van de instelling of van elke andere onderneming die voor belastingdoeleinden krachtens dat recht in dezelfde consolidatie als de instelling is opgenomen, dan wel van elke andere onderneming die overeenkomstig deel 1, titel II, hoofdstuk 2, aan het toezicht op geconsolideerde basis is onderworpen;

c)

indien het onder b) bedoelde bedrag aan belastingkredieten hoger is dan de eveneens onder b) bedoelde belastingverplichtingen, wordt het overschot onverwijld vervangen door een rechtstreekse vordering op de centrale overheid van de lidstaat waar de instelling haar statutaire zetel heeft.

De instellingen passen op uitgestelde belastingvorderingen een risicogewicht van 100 % toe, als de in de punten a), b) en c) bepaalde voorwaarden zijn vervuld.

Artikel 40

Aftrek van negatieve bedragen die voortvloeien uit de berekening van de verwachte verliesposten

Het overeenkomstig artikel 36, lid 1, punt d), af te trekken bedrag wordt niet verminderd met een stijging van de uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten, of andere aanvullende belastingeffecten die zich zouden kunnen voordoen als de voorzieningen zouden stijgen tot het in titel I, hoofdstuk 3, afdeling 3, bedoelde niveau van de verwachte verliezen.

Artikel 41

Aftrek van de activa van een op vaste toezeggingen gebaseerd pensioenfonds

1.   Voor de toepassing van artikel 36, lid 1, punt e), wordt het af te trekken bedrag van de activa van een op vaste toezeggingen gebaseerd pensioenfonds met het volgende verminderd:

a)

het bedrag van enige gerelateerde uitgestelde belastingverplichting die zou kunnen komen te vervallen als de activa overeenkomstig het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving dubieus zouden worden of zouden worden afgestoten;

b)

het bedrag aan activa in het op vaste toezeggingen gebaseerde pensioenfonds waarvan de instelling onbeperkt gebruik kan maken, mits de instelling de voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit heeft gekregen. Op deze activa die gebruikt worden om het af te trekken bedrag te verminderen wordt overeenkomstig deel 3, titel II, hoofdstuk 2, respectievelijk hoofdstuk 3, als toepasselijk, een risicogewicht toegepast.

2.   De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de criteria volgens welke een bevoegde autoriteit een instelling kan toestaan het in lid 1, punt b), bepaalde bedrag van de activa in het op vaste toezeggingen gebaseerde pensioenfonds te verminderen.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk 1 februari 2015 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 42

Aftrek van het bezit van eigen tier 1-kernkapitaalinstrumenten

Voor de toepassing van artikel 36, lid 1, punt f), berekenen de instellingen het bezit van eigen tier 1-kernkapitaalinstrumenten op basis van bruto lange posities, onder voorbehoud van de volgende vrijstellingen:

a)

de instellingen kunnen het bedrag van het bezit van eigen tier 1-kernkapitaalinstrumenten berekenen op basis van de netto lange positie mits aan beide volgende voorwaarden wordt voldaan:

i)

de lange en korte posities hebben betrekking op dezelfde onderliggende blootstelling en de korte posities houden geen tegenpartijrisico in;

ii)

ofwel worden zowel de lange als de korte posities in de handelsportefeuille aangehouden of beide worden in de niet-handelsportefeuille aangehouden;

b)

de instellingen bepalen het af te trekken bedrag voor direct, indirect en synthetisch bezit van indexeffecten door de onderliggende blootstelling met betrekking tot de in de indices vervatte eigen tier 1-kernkapitaalinstrumenten te berekenen;

c)

de instellingen kunnen bruto lange posities in eigen tier 1-kernkapitaalinstrumenten die voortvloeien uit bezit van indexeffecten, verrekenen met korte posities in eigen tier 1-kernkapitaalinstrumenten die voortvloeien uit korte posities in de onderliggende indices, ook wanneer deze korte posities een tegenpartijrisico inhouden, mits aan beide volgende voorwaarden wordt voldaan:

i)

de lange en de korte posities hebben betrekking op dezelfde onderliggende indices;

ii)

ofwel worden zowel de lange als de korte posities in de handelsportefeuille aangehouden of beide worden in de niet-handelsportefeuille aangehouden;

Artikel 43

Aanzienlijke deelneming in een entiteit uit de financiële sector

Voor de toepassing van aftrekkingen wordt een instelling geacht een aanzienlijke deelneming in een entiteit uit de financiële sector te hebben indien er aan een van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

de instelling bezit meer dan 10 % van de door die entiteit uitgegeven tier 1-kernkapitaalinstrumenten;

b)

de instelling heeft nauwe banden met deze entiteit en bezit door die entiteit uitgegeven tier 1-kernkapitaalinstrumenten;

c)

de instelling bezit door die entiteit uitgegeven tier 1-kernkapitaalinstrumenten en de entiteit is niet opgenomen in de consolidatie overeenkomstig deel 1, titel II, hoofdstuk 2, maar is ten behoeve van de financiële verslaggeving overeenkomstig het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving opgenomen in dezelfde consolidatie van jaarrekeningen als de instelling.

Artikel 44

Aftrek van bezit van tier 1-kernkapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector indien een instelling een wederzijdse deelneming heeft die bedoeld is om het eigen vermogen kunstmatig te verhogen

De instellingen verrichten de in artikel 36, lid 1, punten g), h), en i), bedoelde aftrekkingen met inachtneming van het volgende:

a)

het bezit van tier 1-kernkapitaalinstrumenten en andere kapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector wordt berekend op basis van de bruto lange posities;

b)

voor de toepassing van aftrekkingen worden de tier 1-vermogensbestanddelen van verzekeringsondernemingen als bezit van tier 1-kernkapitaalinstrumenten behandeld.

Artikel 45

Aftrek van het bezit van tier 1-kernkapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector

De instellingen verrichten de in artikel 36, lid 1, punten h) en i), bedoelde aftrekkingen met inachtneming van het volgende:

a)

zij kunnen het direct, indirect en synthetisch bezit van tier 1-kernkapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector berekenen op basis van de netto lange positie in dezelfde onderliggende blootstelling mits aan beide volgende voorwaarden wordt voldaan:

i)

de looptijd van de korte positie komt overeen met de looptijd van de lange positie of heeft een resterende looptijd van ten minste één jaar;

ii)

hetzij worden zowel de lange als de korte positie in de handelsportefeuille aangehouden of beide worden in de niet-handelsportefeuille aangehouden;

b)

zij bepalen het af te trekken bedrag voor direct, indirect en synthetisch bezit van indexeffecten door de onderliggende blootstelling met betrekking tot de in die indices vervatte kapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector te berekenen.

Artikel 46

Aftrek van bezit van tier 1-kernkapitaalinstrumenten waarbij een instelling geen aanzienlijke deelneming in een entiteit uit de financiële sector bezit

1.   Voor de toepassing van artikel 36, lid 1, punt h), berekenen de instellingen het toepasselijke af te trekken bedrag door het in dit lid, onder a), bedoelde bedrag te vermenigvuldigen met de factor die wordt afgeleid uit de in dit lid, onder b), bedoelde berekening:

a)

het totaalbedrag waarmee het direct, indirect en synthetisch bezit door de instelling van tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- en tier 2-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft, 10 % overschrijdt van het totaalbedrag van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen van de instelling, berekend na toepassing van het volgende op de tier 1-kernkapitaalbestanddelen:

i)

de artikelen 32 tot en met 35;

ii)

de in artikel 36, lid 1, punten a) tot en met g), punt k), onder ii) tot en met v) en punt l), bedoelde aftrekkingen, exclusief het af te trekken bedrag voor uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten en voortvloeien uit tijdelijke verschillen;

iii)

de artikelen 44 en 45

b)

het bedrag van het direct, indirect en synthetisch bezit door de instelling van tier 1- kernkapitaalinstrumenten van die entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft, gedeeld door het totaalbedrag van het direct, indirect en synthetisch bezit door de instelling van eigenvermogensinstrumenten van die entiteiten uit de financiële sector.

2.   De instellingen houden de voor vijf of minder werkdagen ingenomen overnemingsposities buiten het in lid 1, onder a), bedoelde bedrag en buiten de berekening van de in lid 1, onder b), bedoelde factor.

3.   Het overeenkomstig lid 1 af te trekken bedrag wordt omgeslagen over alle aangehouden tier 1-kernkapitaalinstrumenten. De instellingen bepalen het overeenkomstig lid 1 af te trekken gedeelte van het bezit van tier 1-kernkapitaalinstrumenten door het in dit lid, onder a), gespecificeerde bedrag te vermenigvuldigen met het in dit lid, onder b), gespecificeerde gedeelte:

a)

het bedrag van het bezit dat overeenkomstig lid 1 moet worden afgetrokken;

b)

het gedeelte van het totaalbedrag van het direct, indirect en synthetisch bezit door de instelling van tier 1-kernkapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft, vertegenwoordigd door elk aangehouden tier 1-kernkapitaalinstrument.

4.   Het bedrag van het in artikel 36, lid 1, onder h), bedoelde bezit dat gelijk is aan of minder dan 10 % van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen van de instelling na toepassing van de bepalingen van lid 1, punt a), onder i) tot en met iii), wordt niet afgetrokken en is onderworpen aan de toepasselijke risicogewichten overeenkomstig deel 3, titel II, hoofdstuk 2 of 3, en de in deel 3, titel IV, vastgestelde vereisten, naar gelang van het geval.

5.   De instellingen bepalen het deel van het bezit van eigenvermogensinstrumenten dat naar risico wordt gewogen door het in punt a) bepaalde bedrag te delen door het in punt b) bepaalde bedrag:

a)

het bedrag van het bezit aan instrumenten dat overeenkomstig lid 4 naar risico moet worden gewogen;

b)

het onder i) gespecificeerde bedrag gedeeld door het onder ii) gespecificeerde bedrag;

i)

het totaalbedrag van tier 1-kernkapitaalinstrumenten;

ii)

het totaalbedrag van het directe, indirecte en synthetische bezit door de instelling van de tier 1-kernkapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft.

Artikel 47

Aftrek van bezit van tier 1-kernkapitaalinstrumenten indien een instelling een aanzienlijke deelneming in een entiteit uit de financiële sector bezit

Voor de toepassing van artikel 36, lid 1, punt i), worden de voor vijf werkdagen of minder ingenomen overnemingsposities niet opgenomen in het toepasselijke, van tier 1-kernkapitaalbestanddelen af te trekken bedrag en wordt dit bedrag bepaald overeenkomstig de artikelen 44 en 45 en onderafdeling 2.

Onderafdeling 2

Vrijstellingen van en alternatieven voor aftrek van tier 1-kernkapitaalbestanddelen

Artikel 48

Vrijstellingsdrempels voor aftrek van tier 1-kernkapitaalbestanddelen

1.   Bij het verrichten van de bij artikel 36, lid 1, punten c) en i), voorgeschreven aftrekkingen zijn de instellingen niet verplicht de bedragen af te trekken van de in dit lid, onder a) en b), vermelde bestanddelen die in totaal gelijk zijn aan of minder bedragen dan het in lid 2 bedoelde drempelbedrag:

a)

uitgestelde belastingvorderingen die afhankelijk zijn van toekomstige winstgevendheid en voortvloeien uit tijdelijke verschillen, en in totaal gelijk zijn aan of minder bedragen dan 10 % van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen van de instelling, berekend na toepassing van het volgende:

i)

de artikelen 32 tot en met 35;

ii)

artikel 36, lid 1, punten a) tot en met h), punt k), onder ii) tot en met v), en punt l), exclusief uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten en voortvloeien uit tijdelijke verschillen;

b)

indien een instelling een aanzienlijke deelneming in een entiteit uit de financiële sector heeft, het direct, indirect en synthetisch bezit door de instelling van tier 1-kernkapitaalinstrumenten van die entiteiten die in totaal gelijk zijn aan of minder bedragen dan 10 % van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen van de instelling, berekend na toepassing van het volgende:

i)

de artikelen 32 tot en met 35;

ii)

artikel 36, lid 1, punten a) tot en met h), punt k), onder ii) tot en met v), en punt l), exclusief uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten en voortvloeien uit tijdelijke verschillen.

2.   Voor de toepassing van lid 1 is het drempelbedrag gelijk aan het in dit lid, onder a), bedoelde, vermenigvuldigd met het in dit lid, onder b), bedoelde percentage:

a)

het resterende bedrag van tier 1-kernkapitaalbestanddelen na de onverkorte toepassing van de aanpassingen en aftrekkingen in de artikelen 32 tot en met 36 en voorafgaand aan de toepassing van de bewerkingen van dit artikel;

b)

17,65 %.

3.   Voor de toepassing van lid 1 bepaalt een instelling het deel uitgestelde belastingvorderingen in het totaalbedrag van bestanddelen dat niet hoeft te worden afgetrokken, door het in dit lid, onder a), gespecificeerde bedrag te delen door het in dit lid, onder b), gespecificeerde bedrag:

a)

het bedrag van uitgestelde belastingvorderingen die afhankelijk zijn van toekomstige winstgevendheid en voortvloeien uit tijdelijke verschillen, en in totaal gelijk zijn aan of minder bedragen dan 10 % van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen van de instelling;

b)

de som van:

i)

het in punt a) bedoelde bedrag;

ii)

het bedrag van het direct, indirect en synthetisch bezit door de instelling van de eigenvermogensinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft, die in totaal gelijk zijn aan of minder bedragen dan 10 % van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen van de instelling.

Het deel aanzienlijke deelnemingen in het totaalbedrag van bestanddelen dat niet hoeft te worden afgetrokken, is gelijk aan één min het in de eerste alinea bedoelde deel.

4.   Op de bedragen van de bestanddelen die niet overeenkomstig lid 1 worden afgetrokken, wordt een risicogewicht toegepast van 250 %.

Artikel 49

Vereisten voor aftrek indien er consolidatie, aanvullend toezicht of een institutioneel protectiestelsel van toepassing is

1.   Voor het berekenen van het eigen vermogen op individuele basis, op gesubconsolideerde basis en op geconsolideerde basis, kunnen de bevoegde autoriteiten, indien zij verlangen of toestaan dat instellingen methode 1, 2 of 3 van bijlage I bij Richtlijn 2002/87/EG toepassen, die instellingen toestaan het bezit van eigenvermogensinstrumenten van een entiteit uit de financiële sector waarin de moederinstelling, de financiële moederholding of de gemengde financiële moederholding of de instelling een aanzienlijke deelneming heeft, niet af te trekken, mits er aan de voorwaarden van dit lid, onder a) tot en met e), wordt voldaan:

a)

de entiteit uit de financiële sector is een verzekeringsonderneming, een herverzekeringsonderneming of een verzekeringsholding;

b)

die verzekeringsonderneming, herverzekeringsonderneming of verzekeringsholding valt onder hetzelfde aanvullend toezicht uit hoofde van Richtlijn 2002/87/EG als de moederinstelling, de financiële moederholding of de gemengde financiële moederholding of de instelling die de holding bezit;

c)

de instelling heeft de voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteiten ontvangen;

d)

alvorens de onder c) bedoelde toestemming te verlenen, vergewissen de bevoegde autoriteiten zich ervan dat het geïntegreerd beheer, het risicobeheer en de interne controle van de entiteiten die onder de consolidatie uit hoofde van methode 1, 2 of 3 zouden vallen, doorlopend een toereikend niveau hebben;

e)

de deelnemingen in de entiteit behoren toe aan een van de volgende entiteiten:

i)

de moederkredietinstelling;

ii)

de financiële moederholding;

iii)

de gemengde financiële moederholding;

iv)

de instelling;

v)

een dochteronderneming van een van de in de onder i) tot en met iv) bedoelde entiteiten, die onder de consolidatie krachtens deel 1, titel II, hoofdstuk 2, valt.

De gekozen methode wordt in de loop van de tijd consequent toegepast.

2.   Voor het berekenen van het eigen vermogen op individuele basis en op gesubconsolideerde basis trekken instellingen die onderworpen zijn aan toezicht op geconsolideerde basis overeenkomstig deel 1, titel II, hoofdstuk 2, het bezit van eigenvermogensinstrumenten die worden uitgegeven door onder het geconsolideerde toezicht vallende entiteiten uit de financiële sector niet af, tenzij de bevoegde autoriteiten voor specifieke doeleinden, met name met het oog op structurele scheiding van bankactiviteiten en afwikkelingsplanning, bepalen dat die aftrekkingen uit het oogpunt van toezicht op individuele basis of op gesubconsolideerde basis noodzakelijk zijn.

De toepassing van de in de eerste alinea bedoelde benadering heeft geen onevenredige negatieve gevolgen voor het geheel of delen van het financiële stelsel van andere lidstaten of van de Unie als geheel, noch de werking van de interne markt belemmeren.

3.   De bevoegde autoriteiten kunnen, voor de berekening van eigen vermogen op individuele basis of gesubconsolideerde basis, in de volgende gevallen instellingen toestaan het bezit van eigenvermogensinstrumenten niet af te trekken:

a)

een instelling heeft een bezit in een andere instelling en de voorwaarden bedoeld in de punten i) tot en met v) zijn vervuld:

i)

de instellingen vallen onder hetzelfde in artikel 113, lid 7, bedoelde institutioneel protectiestelsel;

ii)

de bevoegde autoriteiten hebben de in artikel 113, lid 7, bedoelde toestemming gegeven;

iii)

de in artikel 113, lid 7, gestelde voorwaarden zijn vervuld;

iv)

het institutionele protectiestelsel voorziet in een geconsolideerde balans als bedoeld in artikel 113, lid 7, punt e) of, indien het niet verplicht is geconsolideerde rekeningen op te stellen, in een uitgebreide geaggregeerde berekening ten genoegen van de bevoegde autoriteiten, welke gelijkwaardig is aan de bepalingen van Richtlijn 86/635/EEG, waarin enkele aanpassingen zijn opgenomen van de bepalingen van Richtlijn 83/349/EEG, of van Verordening (EG) nr. 1606/2002 die op de geconsolideerde jaarrekening van groepen van kredietinstellingen van toepassing zijn. De gelijkwaardigheid van deze uitgebreide geaggregeerde berekening wordt door een extern accountant gecontroleerd; met name wordt nagegaan of het meervoudige gebruik van elementen die in aanmerking komen voor de berekening van het eigen vermogen, alsook het op enigerlei wijze ongepast creëren van eigen vermogen tussen de leden van het institutioneel protectiestelsel, in de berekening zijn weggelaten. De geconsolideerde balans of de uitgebreide geaggregeerde berekening wordt met ten minste de in artikel 99 vastgelegde frequentie ter kennis van de bevoegde autoriteiten gebracht.

v)

de onder een institutioneel protectiestelsel vallende instellingen voldoen tezamen op geconsolideerde basis of op uitgebreide geaggregeerde basis aan de vereisten van artikel 92 en rapporteren overeenkomstig artikel 99 over de naleving van die vereisten. Binnen een institutioneel protectiestelsel is de aftrek van de interest van coöperatieve leden of juridische entiteiten die geen lid van het institutioneel protectiestelsel zijn, niet verplicht, op voorwaarde dat het meervoudige gebruik van elementen die in aanmerking komen voor de berekening van het eigen vermogen, alsook het op enigerlei wijze ongepast creëren van eigen vermogen tussen de leden van het institutioneel protectiestelsel en de minderheidsaandeelhouder, als deze een instelling is, achterwege worden gelaten;

b)

een regionale kredietinstelling heeft een deelneming in een centrale of in een andere regionale kredietinstelling, en er wordt aan de in punt a), onder i) tot en met v), gestelde voorwaarden voldaan.

4.   Het bezit ten aanzien waarvan er geen aftrek overeenkomstig lid 1, 2 of 3 wordt verricht, wordt als blootstelling aangemerkt en er wordt een risicogewicht op toegepast overeenkomstig deel 3, titel II, hoofdstuk 2 of 3, als toepasselijk.

5.   Indien een instelling methode 1 of 2 van bijlage I bij Richtlijn 2002/87/EG toepast, zorgt zij voor openbaarmaking van de aanvullende kapitaaltoereikendheidsvereisten en de kapitaalratio van het financieel conglomeraat als berekend overeenkomstig artikel 6 van, en bijlage I bij die richtlijn.

6.   De EBA, de EIOPA en de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten) (European Securities and Markets Authority - ESMA), opgericht bij Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 (27) stellen door middel van het Gemengd Comité ontwerpen van technische reguleringsnormen op tot nadere bepaling, voor de toepassing van dit artikel, van de toepassingsvoorwaarden van de in bijlage I, deel II, van Richtlijn 2002/87/EG vermelde berekeningsmethoden met betrekking tot de in dit artikel, lid 1, bedoelde alternatieven voor aftrek.

De EBA, de EAVB en de ESMA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk 1 februari 2015 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van respectievelijk Verordening (EU) nr. 1093/2010, Verordening (EU) nr. 1094/2010 en Verordening (EU) nr. 1095/2010.

Afdeling 4

Tier 1-kernkapitaal

Artikel 50

Tier 1-kernkapitaal

Het tier 1-kernkapitaal van een instelling omvat tier 1-kernkapitaalbestanddelen na toepassing van de bij de artikelen 32 tot en met 35 voorgeschreven aanpassingen, de aftrekkingen overeenkomstig artikel 36 en de in de artikelen 48, 49 en 79 bepaalde vrijstellingen en alternatieven.

HOOFDSTUK 3

Aanvullend tier 1-kapitaal

Afdeling 1

Aanvullend-tier 1-bestanddelen en -instrumenten

Artikel 51

Aanvullend-tier 1-bestanddelen

Aanvullend-tier 1-bestanddelen bestaan uit het volgende:

a)

kapitaalinstrumenten, mits er wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 52, lid 1;

b)

de agiorekeningen die gerelateerd zijn aan de in punt a) bedoelde instrumenten.

Onder punt a) vallende instrumenten worden niet als tier 1-kernkapitaal- of tier 2-bestanddelen aangemerkt.

Artikel 52

Aanvullend-tier 1-instrumenten

1.   Kapitaalinstrumenten worden alleen als aanvullend-tier 1-instrumenten aangemerkt indien de volgende voorwaarden zijn vervuld:

a)

de instrumenten worden uitgegeven en volgestort;

b)

de instrumenten worden niet gekocht door een van de volgende entiteiten:

i)

de instelling of haar dochterondernemingen;

ii)

een onderneming waarin de instelling een deelneming heeft in de vorm van de eigendom, rechtstreeks of door middel van een zeggenschapsrelatie, van 20 % of meer van de stemrechten of van het kapitaal van die onderneming;

c)

de aankoop van de instrumenten wordt niet direct of indirect door de instelling gefinancierd;

d)

bij insolventie van de instelling komen de instrumenten na tier 2-instrumenten in de rangorde;

e)

de instrumenten zijn niet gedekt door een zekerheid of onderworpen aan een garantie die de rangordepositie van de vordering verbetert en die verstrekt is door een van de volgende entiteiten:

i)

de instelling of haar dochterondernemingen;

ii)

de moederonderneming van de instelling of de dochterondernemingen ervan;

iii)

de financiële moederholding of de dochterondernemingen ervan;

iv)

de gemengde holding of de dochterondernemingen ervan;

v)

de gemengde financiële holding en de dochterondernemingen ervan;

vi)

een onderneming die nauwe banden heeft met de in de onder i) tot en met v) bedoelde entiteiten;

f)

de instrumenten zijn niet onderworpen aan enige regeling, hetzij contractueel of anderszins, die de rangordepositie van de vordering uit hoofde van de instrumenten bij insolventie of liquidatie verbetert;

g)

de instrumenten hebben een onbepaalde looptijd en de bepalingen die erop van toepassing zijn, houden voor de instelling geen aflossingsprikkel in;

h)

indien de voor de instrumenten geldende bepalingen een of meer callopties bevatten, mag de calloptie uitsluitend naar het oordeel van de uitgevende instelling worden uitgeoefend;

i)

de instrumenten kunnen uitsluitend worden opgevraagd, afgelost of weder ingekocht indien de voorwaarden van artikel 77 vervuld zijn, en ten vroegste vijf jaar na de datum van uitgifte, tenzij de voorwaarden van artikel 78, lid 4, vervuld zijn;

j)

de voor de instrumenten geldende bepalingen vermelden expliciet noch impliciet dat de instrumenten opgevraagd, afgelost of weder ingekocht zouden worden of zouden kunnen worden en de instelling vermeldt dit niet anderszins, behalve in de volgende gevallen:

i)

de liquidatie van de instelling;

ii)

discretionaire wederinkopen van de instrumenten of andere discretionaire manieren om het bedrag van aanvullend-tier 1-kapitaal te verminderen, waarbij de instelling overeenkomstig artikel 77 de voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit heeft gekregen;

k)

de instelling vermeldt expliciet noch impliciet dat de bevoegde autoriteit zou instemmen met een verzoek tot opvraging, aflossing of wederinkoop van de instrumenten;

l)

uitkeringen uit hoofde van de instrumenten voldoen aan de volgende voorwaarden:

i)

zij geschieden uit uitkeerbare bestanddelen;

ii)

het niveau van de uit hoofde van de instrumenten verrichte uitkeringen zal niet worden aangepast op grond van de kredietwaardigheid van de instelling of haar moederonderneming;

iii)

de voor de instrumenten geldende bepalingen verlenen de instelling de bevoegdheid om geheel naar eigen inzicht te allen tijde de uitkeringen op de instrumenten voor een onbeperkte periode en op niet-cumulatieve basis te schrappen en de instelling mag dergelijke geschrapte betalingen zonder beperking gebruiken om aan haar verplichtingen te voldoen wanneer deze vervallen;

iv)

het schrappen van uitkeringen vormt geen wanbetaling door de instelling;

v)

het schrappen van uitkeringen legt de instelling geen beperkingen op;

m)

de instrumenten dragen niet bij aan de vaststelling dat de verplichtingen van een instelling haar activa overschrijden indien een dergelijke vaststelling op grond van het toepasselijke nationale recht een insolventietoets vormt;

n)

de voor de instrumenten geldende bepalingen schrijven voor dat bij een triggergebeurtenis de hoofdsom van de instrumenten permanent of tijdelijk wordt afgeschreven of dat de instrumenten worden omgezet in tier 1-kernkapitaalinstrumenten;

o)

de bepalingen betreffende de instrumenten vertonen geen kenmerk dat de herkapitalisatie van de instelling in de weg zou kunnen staan;

p)

indien de instrumenten niet rechtstreeks zijn uitgegeven door een instelling, worden beide volgende voorwaarden vervuld:

i)

de instrumenten worden uitgegeven door een entiteit binnen de consolidatie overeenkomstig deel 1, titel II, hoofdstuk 2;

ii)

de opbrengsten zijn onmiddellijk en zonder beperking beschikbaar voor die instelling in een vorm die voldoet aan de in dit lid gestelde voorwaarden.

Aan de in lid 1, punt d), gestelde voorwaarde wordt geacht te zijn voldaan, zelfs indien de instrumenten zijn opgenomen in aanvullend tier 1- of tier 2-kapitaal op grond van artikel 484, lid 3, mits zij dezelfde rangorde hebben.

2.   De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van:

a)

de vorm en de aard van de prikkels tot aflossing;

b)

de aard van een eventuele opwaardering van de hoofdsom van een aanvullend-tier 1 instrument naar aanleiding van de tijdelijke afwaardering van de hoofdsom ervan;

c)

de procedures en de tijdsplanning voor het volgende:

i)

het constateren dat zich een triggergebeurtenis heeft voorgedaan;

ii)

het opwaarderen van de hoofdsom van een aanvullend-tier 1-instrument naar aanleiding van de tijdelijke afwaardering van de hoofdsom ervan;

d)

kenmerken van de instrumenten die de herkapitalisatie van de instelling in de weg zouden kunnen staan;

e)

het gebruik van special purpose entities voor het indirect uitgeven van eigenvermogensinstrumenten.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk 1 februari 2015 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 53

Beperkingen op het staken van uitkeringen op aanvullend-tier 1-instrumenten en kenmerken die de herkapitalisatie van de instelling in de weg zouden kunnen staan

Voor de toepassing van artikel 52, lid 1, punt l), onder v), en punt o), behelzen de voor de aanvullend-tier 1-instrumenten geldende bepalingen met name niet het volgende:

a)

een verplichting dat er uitkeringen op de instrumenten worden gedaan wanneer er een uitkering plaatsvindt op een door de instelling uitgegeven instrument dat dezelfde of een lagere rangorde heeft als een aanvullend-tier 1-instrument, met inbegrip van een tier 1-kernkapitaalinstrument;

b)

een verplichting dat de betaling van uitkeringen op tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- of tier 2-instrumenten wordt gestaakt indien op die aanvullend-tier 1-instrumenten geen uitkeringen worden gedaan;

c)

een verplichting om de uitkering van interest of dividend te vervangen door een betaling in welke andere vorm ook. De instelling wordt niet anderszins aan een dergelijke verplichting onderworpen.

Artikel 54

Afwaardering of omzetting van aanvullend-tier 1-kapitaalinstrumenten

1.   Voor de toepassing van artikel 52, lid 1, punt n), gelden de volgende bepalingen voor aanvullend-tier 1-instrumenten:

a)

een triggergebeurtenis doet zich voor wanneer de in artikel 92, lid 1, onder a), bedoelde tier 1-kernkapitaalratio van de instelling een van de volgende waarden onderschrijdt:

i)

5,125 %;

ii)

een waarde die hoger ligt dan 5,125 %, indien die door de instelling is bepaald en in de voor de instrumenten geldende bepalingen is gespecificeerd;

b)

de instellingen kunnen in de voor de instrumenten geldende bepalingen een of meer triggergebeurtenissen naast de in punt a) bedoelde specificeren;

c)

indien de voor de instrumenten geldende bepalingen voorschrijven dat bij een triggergebeurtenis de instrumenten worden omgezet in tier 1-kernkapitaalinstrumenten, vermelden die bepalingen:

i)

de omzettingsvoet en een maximaal toegestaan omzettingsbedrag; of

ii)

een marge waarbinnen de instrumenten zullen worden omgezet in tier 1-kernkapitaalinstrumenten;

d)

indien de voor de instrumenten geldende bepalingen voorschrijven dat wanneer zich een triggergebeurtenis voordoet, de hoofdsom moet worden afgewaardeerd, wordt bij de afwaardering al het volgende verlaagd:

i)

de vordering van de houder van het instrument in de insolventie of liquidatie van de instelling;

ii)

het bedrag dat moet worden betaald ingeval het instrument wordt opgevraagd of afgelost;

iii)

de op het instrument verrichte uitkeringen.

2.   Het afwaarderen of omzetten van een aanvullend-tier 1-instrument genereert volgens het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving bestanddelen die als tier 1-kernkapitaalbestanddelen worden aangemerkt.

3.   Het bedrag van de in aanvullend-tier 1-bestanddelen erkende aanvullend-tier 1-instrumenten is beperkt tot het minimumbedrag van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen die gegenereerd zouden worden als de hoofdsom van de aanvullend-tier 1-instrumenten volledig zou worden afgewaardeerd of zou worden omgezet in tier 1-kernkapitaalinstrumenten.

4.   Het totaalbedrag aan aanvullend-tier 1-instrumenten dat naar aanleiding van een triggergebeurtenis moet worden afgewaardeerd of omgezet, mag niet minder zijn dan het laagste van de volgende bedragen:

a)

het bedrag dat nodig is om de tier 1-kernkapitaalratio van de instelling weer volledig op 5,125 % te brengen;

b)

de volledige hoofdsom van het instrument.

5.   Wanneer zich een triggergebeurtenis voordoet, doen de instellingen het volgende:

a)

zij stellen de bevoegde autoriteiten daarvan onverwijld in kennis;

b)

zij stellen de houders van aanvullend-tier 1-instrumenten daarvan in kennis;

c)

zij waarderen de hoofdsom van de instrumenten af of zetten de instrumenten onverwijld, maar uiterlijk binnen één maand, om in tier 1-kernkapitaalinstrumenten, overeenkomstig het bepaalde in dit artikel.

6.   Een instelling die aanvullend-tier 1-instrumenten uitgeeft die bij een triggergebeurtenis in tier 1-kernkapitaal worden omgezet, zorgt ervoor dat haar maatschappelijk kapitaal te allen tijde volstaat om alle dergelijke converteerbare aanvullend-tier 1-instrumenten in aandelen om te zetten als zich een triggergebeurtenis voordoet. Alle nodige vergunningen worden verkregen op de datum van uitgifte van dergelijke converteerbare aanvullend-tier 1-instrumenten. De instelling behoudt te allen tijde de noodzakelijke voorafgaande vergunning voor de uitgifte van tier 1-kernkapitaalinstrumenten waarin de aanvullend-tier 1-instrumenten bij een triggergebeurtenis zouden worden omgezet.

7.   Een instelling die aanvullend-tier 1-instrumenten uitgeeft die bij een triggergebeurtenis in tier 1-kernkapitaal worden omgezet, zorgt ervoor dat er uit hoofde van haar oprichtingsakte of statuten of van contractuele regelingen geen procedurele belemmeringen voor die omzetting bestaan.

Artikel 55

Gevolgen van het niet langer voldoen aan de voorwaarden voor aanvullend-tier 1 instrumenten

Het volgende geldt wanneer in het geval van een aanvullend-tier 1-instrument de voorwaarden van artikel 52, lid 1, niet langer zijn vervuld:

a)

dat instrument wordt met onmiddellijke ingang niet langer aangemerkt als aanvullend-tier 1-instrument;

b)

het aan dat instrument gerelateerde gedeelte van de agiorekeningen wordt met onmiddellijke ingang niet langer aangemerkt als een aanvullend-tier 1-bestanddeel.

Afdeling 2

Aftrekkingen van aanvullend-tier 1-bestanddelen

Artikel 56

Aftrekkingen van aanvullend-tier 1-bestanddelen

De instellingen trekken het volgende van aanvullend-tier 1-bestanddelen af:

a)

direct, indirect en synthetisch bezit door een instelling van eigen aanvullend-tier 1-instrumenten, met inbegrip van eigen aanvullend-tier 1-instrumenten die een instelling krachtens bestaande contractuele verplichtingen mogelijk moet kopen;

b)

direct, indirect en synthetisch bezit van aanvullend-tier 1-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling wederzijdse deelnemingen heeft, die volgens de bevoegde autoriteit bedoeld zijn om het eigen vermogen van de instelling kunstmatig te verhogen;

c)

het overeenkomstig artikel 60 bepaalde toepasselijke bedrag van direct, indirect en synthetisch bezit door een instelling van aanvullend-tier 1-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector, indien de instelling geen aanzienlijke deelneming in deze entiteiten heeft;

d)

direct, indirect en synthetisch bezit door de instelling van aanvullend-tier 1-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector, indien de instelling een aanzienlijke deelneming in deze entiteiten heeft, met uitsluiting van voor vijf werkdagen of minder ingenomen overnemingsposities;

e)

het bedrag aan bestanddelen dat overeenkomstig artikel 66 van de aanvullend-tier 2-bestanddelen moet worden afgetrokken, dat het tier 2-kapitaal van de instelling overschrijdt;

f)

elke belasting in verband met aanvullend-tier 1-bestanddelen die op het ogenblik van de berekening te verwachten is, behalve indien de instelling het bedrag van de aanvullend-tier 1-bestanddelen corrigeert voor zover deze belastingen het bedrag verlagen ten belope waarvan deze bestanddelen aangewend kunnen worden voor het dekken van risico's of verliezen.

Artikel 57

Aftrekkingen van bezit van eigen aanvullend-tier 1-instrumenten

Voor de toepassing van artikel 56, punt a), berekenen de instellingen hun bezit van eigen aanvullend-tier 1-instrumenten op basis van bruto lange posities, onder voorbehoud van de volgende uitzonderingen:

a)

de instellingen kunnen het bedrag van het bezit van eigen aanvullend-tier 1-instrumenten berekenen op basis van de netto lange positie mits aan beide volgende voorwaarden wordt voldaan:

i)

de lange en korte posities hebben betrekking op dezelfde onderliggende blootstelling en de korte posities houden geen tegenpartijrisico in;

ii)

hetzij worden zowel de lange als de korte posities in de handelsportefeuille aangehouden of beide worden in de niet-handelsportefeuille aangehouden;

b)

de instellingen bepalen het af te trekken bedrag voor direct, indirect of synthetisch bezit van indexeffecten door de onderliggende blootstelling met betrekking tot de in die indices vervatte eigen aanvullend-tier 1-instrumenten te berekenen;

c)

de instellingen kunnen bruto lange posities in eigen aanvullend-tier 1-instrumenten die voortvloeien uit bezit van indexeffecten, verrekenen met korte posities in eigen aanvullend-tier 1-instrumenten die voortvloeien uit korte posities in de onderliggende indices, ook wanneer deze korte posities een tegenpartijrisico inhouden, mits aan beide volgende voorwaarden wordt voldaan:

i)

de lange en de korte posities hebben betrekking op dezelfde onderliggende indices;

ii)

hetzij worden zowel de lange als de korte posities in de handelsportefeuille aangehouden of beide worden in de niet-handelsportefeuille aangehouden;

Artikel 58

Aftrek van bezit van aanvullend-tier 1-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector indien een instelling een wederzijdse deelneming heeft die bedoeld is om het eigen vermogen kunstmatig te verhogen

De instellingen verrichten de in artikel 56, punten b), c) en d), voorgeschreven aftrekkingen met inachtneming van het volgende:

a)

bezit van aanvullend-tier 1-instrumenten wordt berekend op basis van de bruto lange posities;

b)

voor de toepassing van de aftrek worden aanvullend-tier 1 eigenvermogensbestanddelen van verzekeringsondernemingen behandeld als aangehouden aanvullend-tier 1-instrumenten.

Artikel 59

Aftrek van het bezit van aanvullend-tier 1-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector

De instellingen verrichten de in artikel 56, punten c) en d), voorgeschreven aftrekkingen met inachtneming van het volgende:

a)

zij kunnen het direct, indirect en synthetisch bezit van aanvullend-tier 1-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector berekenen op basis van de netto lange positie in dezelfde onderliggende blootstelling mits aan beide volgende voorwaarden wordt voldaan:

i)

de looptijd van de korte positie komt overeen met de looptijd van de lange positie of heeft een resterende looptijd van ten minste één jaar;

ii)

hetzij worden zowel de lange als de korte positie in de handelsportefeuille aangehouden of beide worden in de niet-handelsportefeuille aangehouden;

b)

zij bepalen het af te trekken bedrag voor direct, indirect en synthetisch bezit van indexeffecten door de onderliggende blootstelling met betrekking tot de in die indices vervatte kapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector te berekenen.

Artikel 60

Aftrek van bezit van aanvullend-tier 1-instrumenten indien een instelling geen aanzienlijke deelneming in een entiteit uit de financiële sector heeft

1.   Voor de toepassing van artikel 56, punt c), berekenen de instellingen het toepasselijke af te trekken bedrag door het in dit lid, onder a), bedoelde bedrag te vermenigvuldigen met de factor die wordt afgeleid uit de in dit lid, onder b), bedoelde berekening:

a)

het totaalbedrag waarmee het direct, indirect en synthetisch bezit door de instelling van tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- en tier 2-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector 10 % overschrijdt van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen van de instelling, berekend na toepassing van het volgende:

i)

de artikelen 32 tot en met 35;

ii)

artikel 36, lid 1, punten a) tot en met g), punt k), onder ii) tot en met v), en punt l), exclusief uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten en voortvloeien uit tijdelijke verschillen;

iii)

de artikelen 44 en 45;

b)

het bedrag van het direct, indirect en synthetisch bezit door de instelling van aanvullend-tier 1- instrumenten van die entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft, gedeeld door het totaalbedrag van alle direct, indirect en synthetisch bezit door de instelling van tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- en tier 2-instrumenten van die entiteiten uit de financiële sector.

2.   De instellingen houden de voor vijf of minder werkdagen ingenomen overnemingsposities buiten het in lid 1, onder a), bedoelde bedrag en buiten de berekening van de in lid 1, onder b), bedoelde factor.

3.   Het overeenkomstig lid 1 af te trekken bedrag wordt omgeslagen over alle aangehouden aanvullend-tier 1-instrumenten. Het bedrag dat overeenkomstig lid 1 van elk aanvullend-tier 1-instrument moet worden afgetrokken, wordt berekend door het in dit lid, onder a), gespecificeerde bedrag te vermenigvuldigen met het in dit lid, onder b), gespecificeerde gedeelte:

a)

het bedrag van het bezit dat overeenkomstig lid 1 moet worden afgetrokken;

b)

het onder i) gespecificeerde bedrag gedeeld door het onder ii) gespecificeerde bedrag:

i)

het totaalbedrag van aanvullend-tier 1-instrumenten;

ii)

het totaalbedrag van het directe, indirecte en synthetische bezit door de instelling van de aanvullend-tier 1-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft;

4.   Het bedrag van het in artikel 56, punt c), bedoelde bezit dat gelijk is aan of minder dan 10 % van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen van de instelling na toepassing van de bepalingen van lid 1, punt a), onder i), ii) en iii), wordt niet afgetrokken en is onderworpen aan de toepasselijke risicogewichten overeenkomstig deel 3, titel II, hoofdstuk 2 of 3, en de in deel 3, titel IV, vastgestelde vereisten, naar gelang van het geval.

5.   De instellingen bepalen het deel van het bezit van eigenvermogensinstrumenten dat naar risico wordt gewogen door het in punt a) bepaalde bedrag te delen door het in punt b) bepaalde bedrag:

a)

het bedrag van het bezit aan instrumenten dat overeenkomstig lid 4 naar risico moet worden gewogen;

b)

het onder i) gespecificeerde bedrag gedeeld door het onder ii) gespecificeerde bedrag;

i)

het totaalbedrag van tier 1-kernkapitaalinstrumenten;

ii)

het totaalbedrag van het directe, indirecte en synthetische bezit door de instelling van de tier 1-kernkapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft.

Afdeling 3

Aanvullend tier 1-kapitaal

Artikel 61

Aanvullend tier 1-kapitaal

Het aanvullend-tier 1-kapitaal van een instelling bestaat uit de aanvullend-tier 1-bestanddelen na aftrek van de in artikel 56 bedoelde bestanddelen en na toepassing van artikel 79.

HOOFDSTUK 4

Tier 2-kapitaal

Afdeling 1

Tier 2-bestanddelen en -instrumenten

Artikel 62

Tier 2-bestanddelen

De tier 2-bestanddelen bestaan uit het volgende:

a)

kapitaalinstrumenten en achtergestelde leningen, indien er wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 63;

b)

de agiorekeningen gerelateerd aan de in punt a) bedoelde instrumenten;

c)

voor instellingen die de risicogewogen posten berekenen overeenkomstig deel 3, titel II, hoofdstuk 2, de algemene kredietrisicoaanpassingen, exclusief belastingeffecten, van maximaal 1,25 % van de risicogewogen posten, berekend overeenkomstig deel 3, titel II, hoofdstuk 2;

d)

voor instellingen die de risicogewogen posten berekenen overeenkomstig deel 3, titel II, hoofdstuk 3, de positieve bedragen, exclusief belastingeffecten, die de uitkomst zijn van de in de artikelen 158 en 159 vastgestelde berekening, tot maximaal 0,6 % van de risicogewogen posten, berekend overeenkomstig deel 3, titel II, hoofdstuk 3.

Bestanddelen die onder punt a) vallen, worden niet als tier 1-kernkapitaal- of als aanvullend-tier 1-bestanddelen aangemerkt.

Artikel 63

Tier 2-instrumenten

Kapitaalinstrumenten en achtergestelde leningen worden als tier 2-instrumenten aangemerkt indien er aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

de instrumenten zijn uitgegeven of de achtergestelde leningen zijn opgenomen, naar gelang van het geval, en volgestort;

b)

de instrumenten worden niet gekocht of de achtergestelde leningen worden niet toegekend, naar gelang van het geval, door een van de volgende entiteiten:

i)

de instelling of haar dochterondernemingen;

ii)

een onderneming waarin de instelling een deelneming heeft in de vorm van de eigendom, rechtstreeks of door middel van een zeggenschapsrelatie, van 20 % of meer van de stemrechten of van het kapitaal van die onderneming;

c)

de aankoop van de instrumenten of de toekenning van de achtergestelde leningen, naar gelang van het geval, wordt niet direct of indirect door de instelling gefinancierd;

d)

de vordering op de hoofdsom van de instrumenten overeenkomstig de bepalingen betreffende de instrumenten of de vordering op de hoofdsom van de achtergestelde leningen overeenkomstig de bepalingen betreffende de achtergestelde leningen, naar gelang van het geval, is volledig achtergesteld bij de vorderingen van alle niet-achtergestelde crediteuren;

e)

de instrumenten of achtergestelde leningen, naar gelang van het geval, zijn niet gedekt door een zekerheid of onderworpen aan een garantie die de rangordepositie van de vordering verbetert en die verstrekt is door een van de volgende entiteiten:

i)

de instelling of haar dochterondernemingen;

ii)

de moederonderneming van de instelling of de dochterondernemingen ervan;

iii)

de financiële moederholding of de dochterondernemingen ervan;

iv)

de gemengde holding of de dochterondernemingen ervan;

v)

de gemengde financiële holding of de dochterondernemingen ervan;

vi)

een onderneming die nauwe banden heeft met de in de onder i) tot en met v) bedoelde entiteiten;

f)

de instrumenten of achtergestelde leningen, naar gelang van het geval, zijn niet onderworpen aan enige regeling die de rangorde van de vordering uit hoofde van de instrumenten of de achtergestelde leningen verhoogt;

g)

de instrumenten of achtergestelde leningen, naar gelang van het geval, hebben een oorspronkelijke looptijd van ten minste vijf jaar;

h)

de bepalingen die gelden voor de instrumenten of de achtergestelde leningen, naar gelang van het geval, bevatten geen prikkel voor het aflossen of terugbetalen, naar gelang van het geval, van de hoofdsom ervan door de instelling vóór hun vervaldatum;

i)

indien de instrumenten of achtergestelde leningen, naar gelang van het geval, een of meer callopties of opties tot vervroegde terugbetaling, naar gelang van het geval, bevatten, mogen de opties naar eigen inzicht van de uitgevende instelling of de debiteur naar gelang van het geval, worden uitgeoefend;

j)

de instrumenten of achtergestelde leningen, naar gelang van het geval, kunnen uitsluitend worden opgevraagd, afgelost of weder ingekocht of vervroegd terugbetaald indien de voorwaarden van artikel 77 vervuld zijn, en ten vroegste vijf jaar na de datum van uitgifte of opname, naar gelang van het geval, tenzij de voorwaarden van artikel 78, lid 4, vervuld zijn;

k)

de bepalingen die gelden voor de instrumenten of achtergestelde leningen, naar gelang van het geval, vermelden expliciet noch impliciet dat de instrumenten of achtergestelde leningen, naar gelang van het geval, door de instelling zouden kunnen worden opgevraagd, afgelost, weder ingekocht of vervroegd terugbetaald, naar gelang van het geval, behalve bij insolventie of liquidatie van de instelling, en de instelling vermeldt dit niet anderszins;

l)

de bepalingen die gelden voor de instrumenten of achtergestelde leningen, naar gelang van het geval, verlenen de houder ervan niet het recht de voor de toekomst geplande betaling van de interest of van de hoofdsom te versnellen, behalve bij insolventie of liquidatie van de instelling;

m)

het niveau van de interest of dividenduitkeringen, naar gelang van het geval, die uit hoofde van de instrumenten of achtergestelde leningen, naar gelang van het geval, verschuldigd is c.q. zijn, zal niet worden gewijzigd op grond van de kredietwaardigheid van de instelling of haar moederonderneming;

n)

indien de instrumenten niet rechtstreeks door een instelling zijn uitgegeven, of indien de achtergestelde leningen niet rechtstreeks door een instelling zijn opgenomen, naar gelang van het geval, worden beide volgende voorwaarden vervuld:

i)

de instrumenten worden uitgegeven of de achtergestelde leningen worden opgenomen, naar gelang van het geval, door een entiteit binnen de consolidatie overeenkomstig deel 1, titel II, hoofdstuk 2;

ii)

de opbrengsten zijn onmiddellijk en zonder beperking in een vorm die voldoet aan de in dit lid gestelde voorwaarden, beschikbaar voor die instelling.

Artikel 64

Afschrijving van tier 2-instrumenten

De mate waarin tier 2-instrumenten gedurende de laatste vijf jaar van de looptijd van de instrumenten als tier 2-bestanddelen worden aangemerkt, wordt berekend door het resultaat van de onder a) bedoelde berekening te vermenigvuldigen met het onder b) bedoelde cijfer:

a)

het nominale bedrag van de instrumenten of achtergestelde leningen op de eerste dag van de laatste vijf jaar van hun contractuele looptijd gedeeld door het aantal kalenderdagen in die periode;

b)

het aantal resterende kalenderdagen van de contractuele looptijd van de instrumenten of achtergestelde leningen.

Artikel 65

Gevolgen van het niet langer voldoen aan de voorwaarden voor tier 2 instrumenten

Het volgende geldt wanneer er in het geval van een tier 2-instrument niet langer aan de voorwaarden van artikel 63 wordt voldaan:

a)

dat instrument wordt met onmiddellijke ingang niet langer aangemerkt als een tier 2-instrument;

b)

het aan dat instrument gerelateerde gedeelte van de agiorekeningen wordt met onmiddellijke ingang niet langer aangemerkt als tier 2-bestanddeel.

Afdeling 2

Aftrekkingen van tier 2-bestanddelen

Artikel 66

Aftrekkingen van tier 2-bestanddelen

Het volgende wordt afgetrokken van tier 2-bestanddelen:

a)

het direct, indirect en synthetisch bezit door een instelling van eigen tier 2-instrumenten, met inbegrip van eigen tier 2-instrumenten die een instelling krachtens bestaande contractuele verplichtingen mogelijk moet kopen;

b)

het direct, indirect en synthetisch bezit van tier 2-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling wederzijdse deelnemingen heeft, die volgens de bevoegde autoriteit bedoeld zijn om het eigen vermogen van de instelling kunstmatig te verhogen;

c)

het overeenkomstig artikel 70 bepaalde toepasselijke bedrag van het direct, indirect en synthetisch bezit van tier 2-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector, indien de instelling geen aanzienlijke deelneming in deze entiteiten heeft;

d)

het direct, indirect en synthetisch bezit door de instelling van tier 2-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector, indien de instelling een aanzienlijke deelneming in deze entiteiten heeft, exclusief de voor minder dan vijf werkdagen ingenomen overnemingsposities.

Artikel 67

Aftrekkingen van bezit van eigen tier 2-instrumenten

Voor de toepassing van artikel 66, punt a), berekenen de instellingen hun bezit van instrumenten op basis van de bruto lange posities, onder voorbehoud van de volgende uitzonderingen:

a)

de instellingen kunnen het bedrag van hun bezit van instrumenten berekenen op basis van de netto lange positie mits aan beide volgende voorwaarden wordt voldaan:

i)

de lange en korte posities hebben betrekking op dezelfde onderliggende blootstelling en de korte posities houden geen tegenpartijrisico in;

ii)

hetzij worden zowel de lange als de korte posities in de handelsportefeuille aangehouden of beide worden in de niet-handelsportefeuille aangehouden;

b)

de instellingen bepalen het af te trekken bedrag voor direct, indirect en synthetisch bezit van indexeffecten door de onderliggende blootstelling met betrekking tot de in die indices vervatte eigen tier 2-instrumenten te berekenen;

c)

de instellingen kunnen bruto lange posities in eigen tier 2-instrumenten die voortvloeien uit bezit van indexeffecten verrekenen met korte posities in eigen tier 2-instrumenten die voortvloeien uit korte posities in de onderliggende indices, ook indien die korte posities tegenpartijrisico inhouden, mits aan beide volgende voorwaarden wordt voldaan:

i)

de lange en korte posities zijn in dezelfde onderliggende indices;

ii)

hetzij worden zowel de lange als de korte posities in de handelsportefeuille aangehouden of beide worden in de niet-handelsportefeuille aangehouden.

Artikel 68

Aftrek van bezit van tier 2-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector indien een instelling een wederzijdse deelneming heeft die bedoeld is om het eigen vermogen kunstmatig te verhogen

De instellingen verrichten de in artikel 66, punten b), c) en d), voorgeschreven aftrekkingen met inachtneming van de volgende bepalingen:

a)

het bezit van tier 2-instrumenten wordt berekend op basis van de bruto lange posities;

b)

voor de toepassing van de aftrek wordt het bezit van tier 2-vermogensbestanddelen van verzekeringsondernemingen en tier 3-vermogensbestanddelen van verzekeringsondernemingen behandeld als bezit van tier 2-instrumenten.

Artikel 69

Aftrek van bezit van tier 2-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector

De instellingen verrichten de in artikel 66, punten c) en d), voorgeschreven aftrekkingen met inachtneming van het volgende:

a)

zij kunnen het direct, indirect en synthetisch bezit van tier 2-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector berekenen op basis van de netto lange positie in dezelfde onderliggende blootstelling mits aan beide volgende voorwaarden wordt voldaan:

i)

de looptijd van de korte positie komt overeen met de looptijd van de lange positie of heeft een resterende looptijd van ten minste één jaar;

ii)

hetzij worden zowel de lange als de korte positie in de handelsportefeuille aangehouden of beide worden in de niet-handelsportefeuille aangehouden;

b)

zij bepalen het af te trekken bedrag voor direct, indirect en synthetisch bezit van indexeffecten door ook de onderliggende blootstelling met betrekking tot de in die indices vervatte kapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector te bekijken.

Artikel 70

Aftrek van tier 2-instrumenten indien een instelling geen aanzienlijke deelneming in een relevante entiteit bezit

1.   Voor de toepassing van artikel 66, punt c), berekenen de instellingen het toepasselijke af te trekken bedrag door het in dit lid, onder a), bedoelde bedrag te vermenigvuldigen met de factor die wordt afgeleid uit de in dit lid, onder b), bedoelde berekening:

a)

het totaalbedrag waarmee het direct, indirect en synthetisch bezit door de instelling van tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- en tier 2-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector 10 % overschrijdt van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen van de instelling, berekend na toepassing van het volgende:

i)

de artikelen 32 tot en met 35;

ii)

artikel 36, lid 1, punten a) tot en met g), punt k), onder ii) tot en met v) en punt l), exclusief het af te trekken bedrag voor uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten en voortvloeien uit tijdelijke verschillen;

iii)

de artikelen 44 en 45;

b)

het bedrag van het direct, indirect en synthetisch bezit door de instelling van tier 2-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector, gedeeld door het totaalbedrag van alle direct, indirect en synthetisch bezit door de instelling van tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- en tier 2-instrumenten van die entiteiten uit de financiële sector.

2.   De instellingen houden de voor vijf of minder werkdagen ingenomen overnemingsposities buiten het in lid 1, onder a), bedoelde bedrag en buiten de berekening van de in lid 1, onder b), bedoelde factor.

3.   Het overeenkomstig lid 1 af te trekken bedrag wordt omgeslagen over alle aangehouden tier 2-instrumenten. De instellingen bepalen het deel van het bezit van tier 2-instrumenten dat wordt afgetrokken door het in dit lid, onder a), bepaalde bedrag te vermenigvuldigen met het in dit lid, onder b), bepaalde gedeelte:

a)

het totaalbedrag van het bezit dat overeenkomstig lid 1 moet worden afgetrokken;

b)

het onder i) gespecificeerde bedrag gedeeld door het onder ii) gespecificeerde bedrag:

i)

het totaalbedrag van de tier 2-instrumenten;

ii)

het totaalbedrag van het directe, indirecte en synthetische bezit door de instelling van de tier 2-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft.

4.   Het bedrag van het in artikel 66, lid 1, onder c, bedoelde bezit dat gelijk is aan of minder dan 10 % van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen van de instelling na toepassing van de bepalingen van lid 1, punt a), onder i) tot en met iii), wordt niet afgetrokken en is onderworpen aan de toepasselijke risicogewichten overeenkomstig deel 3, titel II, hoofdstuk 2 of 3, en de in deel 3, titel IV, vastgestelde vereisten, naar gelang van het geval.

5.   De instellingen bepalen het deel van het bezit van eigenvermogensinstrumenten dat naar risico wordt gewogen door het in punt a) bepaalde bedrag te delen door het in punt b) bepaalde bedrag:

a)

het bedrag van het bezit aan instrumenten dat overeenkomstig lid 4 naar risico moet worden gewogen;

b)

het onder i) gespecificeerde bedrag gedeeld door het onder ii) gespecificeerde bedrag;

i)

het totaalbedrag van tier 1-kernkapitaalinstrumenten;

ii)

het totaalbedrag van het directe, indirecte en synthetische bezit door de instelling van de tier 1-kernkapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft.

Afdeling 3

Tier 2-kapitaal

Artikel 71

Tier 2-kapitaal

Het tier 2-kapitaal van een instelling bestaat uit de tier 2-bestanddelen van de instelling na de in artikel 66 bedoelde aftrekkingen en na toepassing van artikel 79.

HOOFDSTUK 5

Eigen vermogen

Artikel 72

Eigen vermogen

Het eigen vermogen van een instelling bestaat uit de som van haar tier 1-kapitaal en haar tier 2-kapitaal.

HOOFDSTUK 6

Algemene vereisten

Artikel 73

Uitkeringen op eigenvermogensinstrumenten

1.   Kapitaalinstrumenten waarvoor het volledig ter beoordeling van een instelling staat om te besluiten uitkeringen in een andere vorm uit te betalen dan in contanten of als een eigenvermogensinstrument, mogen niet als tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- of tier 2-instrumenten worden aangemerkt, tenzij de instelling de voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteiten heeft gekregen.

2.   De bevoegde autoriteiten verlenen de in lid 1 bedoelde toestemming uitsluitend indien er naar hun oordeel aan elk van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

het vermogen van de instelling om uitkeringen uit hoofde van het instrument te staken zou niet nadelig worden beïnvloed door de in lid 1 bedoelde beoordelingsbevoegdheid of door de vorm waarin de uitkeringen zouden kunnen worden gedaan;

b)

het vermogen van de instelling om verliezen op te vangen zou niet nadelig worden beïnvloed door de in lid 1 bedoelde beoordelingsbevoegdheid of door de vorm waarin de uitkeringen zouden kunnen worden gedaan;

c)

de kwaliteit van het kapitaalinstrument zou in geen enkel ander opzicht worden beperkt door de in lid 1 bedoelde beoordelingsbevoegdheid of door de vorm waarin de uitkeringen zouden kunnen worden gedaan.

3.   Kapitaalinstrumenten waarvoor het een andere rechtspersoon dan de instelling die ze uitgeeft, ter beoordeling staat om te besluiten of te verlangen dat de uitkeringen op het instrument in een andere vorm dan in contanten of als een eigenvermogensinstrument worden gedaan, kunnen niet als tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- of tier 2-instrumenten worden aangemerkt.

4.   De instellingen kunnen zich voor het vaststellen van het niveau van de uitkeringen op aanvullend-tier 1- en tier 2-instrumenten onder meer op een brede marktindex baseren.

5.   Lid 4 is niet van toepassing wanneer de instelling een referentie-entiteit in die brede marktindex is, tenzij aan elk van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

naar het oordeel van de instelling vertonen de bewegingen in die brede marktindex geen significante correlatie met de kredietwaardigheid van de instelling, haar moederinstelling of financiële moederholding, dan wel haar gemengde financiële moederholding of gemengde moederholding;

b)

de bevoegde autoriteit is niet gekomen tot een andere vaststelling dan de onder a) bedoelde.

6.   De instellingen melden de brede marktindices waarop hun kapitaalinstrumenten berusten en maken deze openbaar.

7.   De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de voorwaarden waaronder de indices voor de toepassing van lid 4 worden geacht als brede marktindices te worden aangemerkt.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk 1 februari 2015 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 74

Bezit van kapitaalinstrumenten die zijn uitgegeven door entiteiten uit de gereglementeerde financiële sector die niet als toetsingsvermogen worden aangemerkt

De instellingen passen op geen enkel eigenvermogensbestanddeel een aftrekking toe van direct, indirect of synthetisch bezit van kapitaalinstrumenten die zijn uitgegeven door een entiteit uit de gereglementeerde financiële sector dat niet als toetsingsvermogen van die entiteit wordt aangemerkt. Op dit bezit worden door de instellingen overeenkomstig deel 3, titel II, hoofdstuk 2 of 3, als toepasselijk, risicogewichten toegepast.

Artikel 75

Aftrek- en looptijdvereisten voor korte posities

Aan de looptijdvereisten voor korte posities bedoeld in artikel 45, punt a), artikel 59, punt a), en artikel 69, punt a), wordt geacht te zijn voldaan voor aangehouden posities indien de volgende voorwaarden zijn vervuld:

a)

de instelling heeft het contractuele recht om op een welbepaalde datum in de toekomst de afgedekte lange positie, te verkopen aan de tegenpartij die de afdekking bewerkstelligt;

b)

de tegenpartij die de afdekking aan de instelling verstrekt, is contractueel gehouden de punt a) bedoelde lange positie op die welbepaalde datum in de toekomst van de instelling te kopen.

Artikel 76

In indices opgenomen kapitaalinstrumenten

1.   Voor de toepassing van artikel 42, punt a), artikel 45, punt a), artikel 57, punt a), artikel 59, punt a), artikel 67, punt a) en artikel 69, punt a), kunnen de instellingen het bedrag van een lange positie in een kapitaalinstrument verminderen met het gedeelte van een index dat is samengesteld uit dezelfde onderliggende blootstelling die wordt afgedekt, mits er aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

hetzij worden zowel de lange positie die wordt afgedekt en de korte positie die wordt gebruikt in een index om die lange positie af te dekken, in de handelsportefeuille aangehouden of beide worden in de niet-handelsportefeuille aangehouden;

b)

de onder a) bedoelde posities worden tegen reële waarde aangehouden op de balans van de instelling;

c)

de onder a) bedoelde korte positie wordt in het kader van de internecontroleprocessen van de instelling als een effectieve afdekking aangemerkt;

d)

de bevoegde autoriteiten toetsen de onder c) bedoelde controleprocessen ten minste eenmaal per jaar op adequaatheid en vergewissen zich ervan dat die processen nog steeds naar behoren functioneren.

2.   Indien de bevoegde autoriteit haar voorafgaande toestemming heeft verleend, mag een instelling uitgaan van een voorzichtige raming van haar onderliggende blootstelling met betrekking tot in indices opgenomen kapitaalinstrumenten in plaats van haar blootstelling aan de volgende in punt a) en/of punt b) bedoelde bestanddelen te berekenen:

a)

eigen tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- en tier 2-instrumenten die in indices zijn opgenomen;

b)

tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- en tier 2-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector die in indices zijn opgenomen.

3.   De bevoegde autoriteiten verlenen de in lid 2 bedoelde toestemming uitsluitend indien de instelling ten genoegen van die bevoegde autoriteiten heeft aangetoond dat het bewaken van haar onderliggende blootstelling aan de bestanddelen bedoeld in lid 2 punt a) of punt b), naargelang van het geval, voor de instelling in operationeel opzicht belastend zou zijn.

4.   De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van:

a)

wanneer de ramingen die worden gemaakt als alternatief voor het berekenen van de onderliggende positie als bedoeld in lid 2 voldoende voorzichtig zijn;

b)

de betekenis van "in operationeel opzicht belastend" voor de toepassing van lid 3.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk 1 februari 2015 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 77

Voorwaarden voor het verminderen van het eigen vermogen

Een instelling heeft de voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit nodig, wil zij een van beide of elk van beide volgende handelingen doen:

a)

de door de instelling uitgegeven, tier 1-kernkapitaalinstrumenten verminderen, aflossen of wederinkopen op een wijze die bij het toepasselijk nationaal recht is toegestaan;

b)

aanvullend-tier 1-instrumenten of tier 2-instrumenten vóór de contractuele vervaldatum opvragen, aflossen, terugbetalen of wederinkopen, naar gelang van het geval.

Artikel 78

Toestemming van de toezichthouder voor het verminderen van het eigen vermogen

1.   De bevoegde autoriteit verleent een instelling toestemming voor het verminderen, wederinkopen, opvragen of aflossen van tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- of tier 2-instrumenten indien er aan een van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

vroeger dan of op hetzelfde ogenblik als de in artikel 77 bedoelde handeling vervangt de instelling de in artikel 77 bedoelde instrumenten door eigenvermogensinstrumenten van gelijke of hogere kwaliteit tegen voorwaarden die houdbaar zijn voor de inkomstencapaciteit van de instelling;

b)

de instelling heeft ten genoegen van de bevoegde autoriteit aangetoond dat het eigen vermogen van de instelling na de desbetreffende handeling de in artikel 92, lid 1, van deze verordening vastgestelde vereisten en de gecombineerde buffervereiste als gedefinieerd in artikel 128, punt 6, van Richtlijn 2013/36/EU zou overschrijden met een marge die de bevoegde autoriteit noodzakelijk kan achten op grond van artikel 104, lid 3, van die richtlijn.

2.   Bij het uit hoofde van lid 1, punt a), beoordelen van de houdbaarheid van de vervangingsinstrumenten voor de inkomstencapaciteit van de instelling, houden de bevoegde autoriteiten rekening met de mate waarin die vervangende kapitaalinstrumenten kostbaarder voor de instelling zouden zijn dan de instrumenten die zij zouden vervangen.

3.   Indien een instelling een in artikel 77, onder a), bedoelde handeling verricht en het toepasselijke nationale recht verbiedt het aflossen van de in artikel 27 bedoelde tier 1-kernkapitaalinstrumenten te weigeren, kan de bevoegde autoriteit ontheffing verlenen van de in lid 1 gestelde voorwaarden, mits de bevoegde autoriteit van de instelling verlangt dat zij de aflossing van deze instrumenten op een passende basis beperkt.

4.   De bevoegde autoriteiten kunnen de instellingen toestaan aanvullend-tier 1- of tier 2-instrumenten vóór vijf jaar na de datum van uitgifte af te lossen, en wel uitsluitend indien de in lid 1 en onder a) of b) gestelde voorwaarden zijn vervuld:

a)

de indeling van die instrumenten volgens de regelgeving ondergaat een wijziging, ten gevolge waarvan zij waarschijnlijk zouden worden uitgesloten van het eigen vermogen of worden heringedeeld als een lagere kwaliteit eigen vermogen, en de beide onderstaande voorwaarden zijn vervuld:

i)

de bevoegde autoriteit acht een dergelijke wijziging voldoende zeker;

ii)

de instelling toont ten genoegen van de bevoegde autoriteiten aan dat de herindeling van die instrumenten volgens de regelgeving redelijkerwijs niet was te voorzien op het tijdstip van uitgifte ervan;

b)

de toepasselijke fiscale behandeling van die instrumenten ondergaat een wijziging waarvan de instelling ten genoegen van de bevoegde autoriteiten aantoont dat zij wezenlijk is en redelijkerwijs niet was te voorzien op het tijdstip van uitgifte van die instrumenten.

5.   De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van:

a)

wat moet worden verstaan onder "houdbaar voor de inkomstencapaciteit van de instelling";

b)

de in lid 2 bedoelde passende basis voor de beperking van aflossing;

c)

de proces- en gegevensvereisten voor het verzoek van een instelling om de toestemming van de bevoegde autoriteit voor het uitvoeren van een in artikel 77 vermelde handeling, met inbegrip van het proces dat bij aflossing van aan leden van coöperaties uitgegeven aandelen moet worden toegepast, en van de termijn voor de behandeling van een dergelijk verzoek.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk 1 februari 2015 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 79

Tijdelijke ontheffing van de aftrek van het eigen vermogen

1.   Indien een instelling tijdelijk houder is van kapitaalinstrumenten of achtergestelde leningen heeft toegestaan, naar gelang van het geval, die worden aangemerkt als tier 1-kernkapitaal, aanvullend-tier 1- of tier 2-instrumenten in een entiteit uit de financiële sector, en de bevoegde autoriteit van oordeel is dat dit bezit bedoeld is voor een financiëlebijstandsoperatie om die entiteit te saneren en te redden, kan de bevoegde autoriteit tijdelijk ontheffing verlenen van de bepalingen inzake aftrek die anders op die instrumenten van toepassing zouden zijn.

2.   De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van het begrip "tijdelijk" voor de toepassing van lid 1 en van de voorwaarden waaronder de bevoegde autoriteit van oordeel mag zijn dat dat tijdelijke bezit van instrumenten bedoeld is voor een financiëlebijstandsoperatie om een relevante entiteit te saneren en te redden.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk 1 februari 2015 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 80

Doorlopende toetsing van de kwaliteit van het eigen vermogen

1.   De EBA bewaakt de kwaliteit van de eigenvermogensinstrumenten die door instellingen waar ook in de Unie worden uitgegeven en stelt de Commissie onmiddellijk in kennis wanneer er significante aanwijzingen zijn dat deze instrumenten niet voldoen aan de criteria van artikel 28 of, naar gelang het geval, vanartikel 29.

De bevoegde autoriteiten doen onverwijld, op verzoek van de EBA, alle informatie toekomen die de EBA met betrekking tot nieuwe uitgegeven kapitaalinstrumenten relevant acht, teneinde de EBA in staat te stellen de kwaliteit te bewaken van de eigenvermogensinstrumenten die door instellingen waar ook in de Unie worden uitgegeven.

2.   Een kennisgeving bevat:

a)

een gedetailleerde toelichting bij de aard en de omvang van het geconstateerde tekort;

b)

technisch advies betreffende de door de Commissie te nemen maatregelen die de EBA noodzakelijk acht;

c)

significante ontwikkelingen in de methodiek van de EBA voor het stresstesten van de solvabiliteit van instellingen.

3.   De EBA verstrekt technisch advies aan de Commissie betreffende alle belangrijke wijzigingen die volgens haar in de definitie van het eigen vermogen moeten worden aangebracht naar aanleiding van een van de volgende gevallen:

a)

relevante ontwikkelingen in marktstandaarden of -praktijken;

b)

wijzigingen in relevante wetgeving of standaarden voor jaarrekeningen;

c)

significante ontwikkelingen in de methodiek van de EBA voor het stresstesten van de solvabiliteit van instellingen.

4.   De EBA verstrekt uiterlijk op 1 januari 2014 technisch advies aan de Commissie betreffende mogelijke andere behandelingen van tegen reële waarde gewaardeerde niet-gerealiseerde winsten dan het opnemen ervan in het tier 1-kernkapitaal zonder aanpassingen. In dergelijke aanbevelingen wordt rekening gehouden met relevante ontwikkelingen in de internationale standaarden voor jaarrekeningen en in de internationale overeenkomsten over prudentiële normen voor banken.

TITEL II

MINDERHEIDSBELANG EN DOOR DOCHTERONDERNEMINGEN UITGEGEVEN AANVULLEND-TIER 1- EN TIER 2-INSTRUMENTEN

Artikel 81

Minderheidsbelangen die in aanmerking komen voor opname in het geconsolideerde tier 1-kernkapitaal

1.   Minderheidsbelangen omvatten de som van de tier 1-kernkapitaalinstrumenten, de daaraan gerelateerde agiorekeningen, ingehouden winsten en andere reserves van een dochteronderneming, mits er aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

de dochteronderneming is een van de volgende entiteiten:

i)

een instelling;

ii)

een onderneming die krachtens het toepasselijke nationale recht onderworpen is aan de vereisten van deze verordening en Richtlijn 2013/36/EU;

b)

de dochteronderneming is volledig in de consolidatie betrokken overeenkomstig deel 1, titel II, hoofdstuk 2;

c)

de tier 1-kernkapitaalbestanddelen als bedoeld in de aanhef van dit lid, zijn eigendom van andere personen dan de overeenkomstig deel 1, titel II, hoofdstuk 2, in de consolidatie betrokken ondernemingen.

2.   Minderheidsbelangen die direct of indirect, door middel van een special purpose entity of anderszins, worden gefinancierd door de moederonderneming van de instelling of door haar dochterondernemingen, worden niet aangemerkt als geconsolideerd tier 1-kernkapitaal.

Artikel 82

In aanmerking komend aanvullend-tier 1-, tier 1- en tier 2-kapitaal en in aanmerking komend eigen vermogen

Het in aanmerking komend aanvullend-tier 1-, tier 1- en tier 2-kapitaal en het in aanmerking komend eigen vermogen omvatten het minderheidsbelang, aanvullend-tier 1- of tier 2-instrumenten, naargelang van het geval, en de daaraan gerelateerde ingehouden winsten en agiorekeningen van een dochteronderneming, mits er aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

de dochteronderneming is een van de volgende entiteiten:

i)

een instelling;

ii)

een onderneming die krachtens het toepasselijke nationale recht onderworpen is aan de vereisten van deze verordening en Richtlijn 2013/36/EU;

b)

de dochteronderneming is volledig in de consolidatie betrokken overeenkomstig deel 1, titel II, hoofdstuk 2;

c)

de instrumenten zijn eigendom van andere personen dan de overeenkomstig deel 1, titel II, hoofdstuk 2, in de consolidatie betrokken ondernemingen.

Artikel 83

In aanmerking komend aanvullend-tier 1- en tier 2-kapitaal dat door een special purpose entity wordt uitgegeven

1.   Aanvullend-tier 1- en tier 2-instrumenten die door een special purpose entity worden uitgegeven en de daaraan gerelateerde agiorekeningen worden uitsluitend in het in aanmerking komend aanvullend-tier 1-, tier 1- of tier 2-kapitaal of eigen vermogen, naar gelang van het geval, opgenomen indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de special purpose entity die deze instrumenten uitgeeft, is overeenkomstig deel 1, titel II, hoofdstuk 2, volledig in de consolidatie betrokken;

b)

de instrumenten en de daaraan gerelateerde agiorekeningen worden uitsluitend in het in aanmerking komend aanvullend-tier 1-kapitaal opgenomen indien de in artikel 52, lid 1, gestelde voorwaarden zijn vervuld;

c)

de instrumenten en de daaraan gerelateerde agiorekeningen worden uitsluitend in het in aanmerking komend tier 2-kapitaal opgenomen indien de in artikel 63 gestelde voorwaarden zijn vervuld;

d)

het enige actief van de special purpose entity is haar deelneming in het eigen vermogen van de moederonderneming of een dochteronderneming daarvan, die volledig in de consolidatie is betrokken overeenkomstig deel 1, titel II, hoofdstuk 2, en waarvan de vorm voldoet aan de in artikel 52, lid 1, of in artikel 63, naar gelang van het geval, gestelde relevante voorwaarden.

Indien de bevoegde autoriteit de bestanddelen van een special purpose entity, met uitzondering van haar belegging in het eigen vermogen van de moederonderneming of een dochteronderneming daarvan die onder de consolidatie krachtens deel 1, titel II, hoofdstuk 2, valt, minimaal en onbelangrijk acht voor deze entiteit, kan zij ontheffing verlenen van de in de eerste alinea, punt d), gestelde voorwaarde.

2.   De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de soorten activa die verband kunnen houden met de werking van special purpose entities, alsmede van de in lid 1, tweede alinea, vermelde begrippen "minimaal" en "onbelangrijk".

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk 1 februari 2015 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 84

Minderheidsbelangen die in het geconsolideerde tier 1-kernkapitaal worden opgenomen

1.   De instellingen bepalen het bedrag aan minderheidsbelangen van een dochteronderneming dat in het geconsolideerde tier 1-kernkapitaal wordt opgenomen door het onder a) bedoelde bedrag vermenigvuldigd met het onder b) bedoelde percentage af te trekken van de minderheidsbelangen van die onderneming:

a)

het tier 1-kernkapitaal van de dochteronderneming verminderd met het laagste van de volgende twee bedragen:

i)

het bedrag van het tier 1-kernkapitaal van die dochteronderneming dat nodig is om te voldoen aan de som van het in artikel 92, lid 1, punt a), vastgestelde vereiste, de in de artikelen 458 en 459 ter bedoelde vereisten, de specifieke eigenvermogensvereisten van artikel 104 van Richtlijn 2013/36/EU, het in artikel 128, punt 6, van Richtlijn 2013/36/EU gedefinieerde gecombineerde buffervereiste, de in artikel 500 bedoelde vereisten, en eventuele aanvullende lokale toezichtsvereisten in derde landen voor zover het tier 1-kernkapitaal daaraan moet voldoen;

ii)

het bedrag van het geconsolideerde tier 1-kernkapitaal dat op die dochteronderneming betrekking heeft en dat op geconsolideerde basis nodig is om te voldoen aan de som van het in artikel 92, lid 1, punt a), vastgestelde vereiste, de in de artikelen 458 en 459 ter bedoelde vereisten, de specifieke eigenvermogensvereisten van artikel 104 van Richtlijn 2013/36/EU, het in artikel 128, punt 6, van Richtlijn 2013/36/EU gedefinieerde gecombineerde buffervereiste, de in artikel 500 bedoelde vereisten, en eventuele aanvullende lokale toezichtsvereisten in derde landen voor zover het tier 1-kernkapitaal daaraan moet voldoen;

b)

de minderheidsbelangen van de dochteronderneming, uitgedrukt als percentage van alle tier 1-kernkapitaalinstrumenten van die onderneming plus de daaraan gerelateerde agiorekeningen, ingehouden winsten en andere reserves.

2.   De in lid 1 bedoelde berekening wordt op gesubconsolideerde basis verricht voor elke dochteronderneming als bedoeld in artikel 81, lid 1.

Een instelling kan besluiten deze berekening voor een dochteronderneming als bedoeld in artikel 81, lid 1, niet te verrichten. Indien een instelling een dergelijk besluit neemt, mag het minderheidsbelang van die dochteronderneming niet in het geconsolideerde tier 1-kernkapitaal worden opgenomen.

3.   Indien een bevoegde autoriteit afwijkt van de toepassing van prudentiële vereisten op individuele basis als bedoeld in artikel 7, wordt een minderheidsbelang in de dochterondernemingen waarop de ontheffing van toepassing is, niet erkend als eigen vermogen op gesubconsolideerde basis of op geconsolideerde basis, naar gelang van het geval.

4.   De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de overeenkomstig lid 2 en de artikelen 85 en 87 vereiste subconsolidatieberekening.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk 1 februari 2015 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

5.   De bevoegde autoriteiten kunnen ontheffing van de toepassing van dit artikel verlenen aan een financiële moederholding die aan alle onderstaande voorwaarden voldoet:

a)

haar hoofdactiviteit is het verwerven van deelnemingen;

b)

zij is onderworpen aan prudentieel toezicht op geconsolideerde basis;

c)

zij consolideert een dochteronderneming waarin zij slechts een minderheidsdeelneming heeft uit hoofde van de zeggenschapsband als omschreven in artikel 1 van Richtlijn 83/349/EEG;

d)

meer dan 90 % van het geconsolideerde vereiste tier 1-kernkapitaal, berekend op gesubconsolideerde basis, vloeit voort uit de in punt c) bedoelde dochteronderneming.

Indien een financiële moederholding die aan de in de eerste alinea gestelde voorwaarden voldoet, na 31 december 2014 een gemengde financiële moederholding wordt, kunnen de bevoegde autoriteiten de in de eerste alinea bedoelde ontheffing aan die gemengde financiële moederholding verlenen mits deze aan de in die alinea gestelde voorwaarden voldoet.

6.   Indien kredietinstellingen die blijvend in een netwerk zijn aangesloten bij een centraal orgaan, alsook instellingen die deel uitmaken van een institutioneel protectiestelsel waarop de voorwaarden van artikel 113, lid 7, van toepassing zijn, een kruiselingse garantieregeling hebben ingesteld waarin geen feitelijke of juridische belemmering van wezenlijk belang aanwezig of te voorzien is om het bedrag aan eigen vermogen boven de reguleringsvereisten over te dragen van de tegenpartij naar de kredietinstelling, worden deze instellingen ontheven van de bepalingen van dit artikel betreffende aftrekkingen en kunnen zij een minderheidsbelang dat ontstaat in het kader van de kruislingse garantieregeling ten volle erkennen.

Artikel 85

In aanmerking komende tier 1-instrumenten die in het geconsolideerde tier 1-kapitaal worden opgenomen

1.   De instellingen bepalen het bedrag aan in aanmerking komend tier 1-kapitaal van een dochteronderneming dat in het geconsolideerde eigen vermogen wordt opgenomen, door het onder a) bedoelde bedrag vermenigvuldigd met het onder b) bedoelde percentage af te trekken van het eigen vermogen van die onderneming:

a)

het tier 1-kapitaal van de dochteronderneming verminderd met het laagste van de volgende twee bedragen:

i)

het bedrag van het tier 1-kapitaal van die dochteronderneming dat nodig is om te voldoen aan de som van het in artikel 92, lid 1, punt b), vastgestelde vereiste, de in de artikelen 458 en 459 ter bedoelde vereisten, de specifieke eigenvermogensvereisten van artikel 104 van Richtlijn 2013/36/EU, het in artikel 128, punt 6, van Richtlijn 2013/36/EU gedefinieerde gecombineerde buffervereiste, de in artikel 500 bedoelde vereisten, en eventuele aanvullende lokale toezichtsvereisten in derde landen voor zover het tier 1-kapitaal daaraan moet voldoen;

ii)

het bedrag van het geconsolideerde tier 1-kapitaal dat op die dochteronderneming betrekking heeft en dat op geconsolideerde basis nodig is om te voldoen aan de som van het in artikel92, lid 1, punt b), vastgestelde vereiste, de in de artikelen 458 en 459 bedoelde vereisten, de specifieke eigenvermogensvereisten van artikel 104 van Richtlijn 2013/36/EU, het in artikel 128, punt 6, van Richtlijn 2013/36/EU gedefinieerde gecombineerde buffervereiste, de in artikel 500 bedoelde vereisten, en eventuele aanvullende lokale toezichtsvereisten in derde landen voor zover het tier 1-kapitaal daaraan moet voldoen;

b)

het in aanmerking komend tier 1-kapitaal van de dochteronderneming, uitgedrukt als percentage van alle tier 1-instrumenten van die onderneming plus de daaraan gerelateerde agiorekeningen, ingehouden winsten en andere reserves.

2.   De in lid 1 bedoelde berekening wordt op gesubconsolideerde basis verricht voor elke dochteronderneming als bedoeld in artikel 81, lid 1.

Een instelling kan besluiten deze berekening voor een dochteronderneming als bedoeld in artikel 81, lid 1, niet te verrichten. Indien een instelling een dergelijk besluit neemt, mag het in aanmerking komend tier 1-kapitaal van die dochteronderneming niet in het geconsolideerde tier 1-kapitaal worden opgenomen.

3.   Indien een bevoegde autoriteit afwijkt van de toepassing van prudentiële vereisten op individuele basis als bedoeld in artikel 7, worden eigenvermogensinstrumenten in de dochterondernemingen waarop de ontheffing van toepassing is, niet erkend als eigen vermogen op gesubconsolideerde basis of op geconsolideerde basis, naar gelang van het geval.

Artikel 86

In aanmerking komend tier 1-kapitaal dat in het geconsolideerde aanvullend-tier 1-kapitaal wordt opgenomen

Onverminderd artikel 84, leden 5 en 6, bepalen de instellingen het bedrag aan in aanmerking komend tier 1-kapitaal van een dochteronderneming dat in het geconsolideerde aanvullend-tier 1-kapitaal wordt opgenomen, door de in het geconsolideerde tier 1-kernkapitaal opgenomen minderheidsbelangen van die onderneming af te trekken van het in het geconsolideerde tier 1-kapitaal opgenomen in aanmerking komend tier 1-kapitaal van die onderneming.

Artikel 87

In aanmerking komend eigen vermogen dat in het geconsolideerde eigen vermogen wordt opgenomen

1.   De instellingen bepalen het bedrag aan in aanmerking komend eigen vermogen van een dochteronderneming dat in het geconsolideerde eigen vermogen wordt opgenomen, door het onder a) bedoelde bedrag vermenigvuldigd met het onder b) bedoelde percentage af te trekken van het in aanmerking komend eigen vermogen van die onderneming:

a)

het eigen vermogen van de dochteronderneming, verminderd met het laagste van de volgende twee bedragen:

i)

het bedrag van het eigen vermogen van de dochteronderneming dat nodig is om te voldoen aan de som van het in artikel 92, lid 1, punt c), vastgestelde vereiste, de in de artikelen 458 en 459 bedoelde vereisten, de specifieke eigenvermogensvereisten van artikel 104 van Richtlijn 2013/36/EU, het in artikel 128, punt 6, van Richtlijn 2013/36/EU gedefinieerde gecombineerde buffervereiste, de in artikel 500 bedoelde vereisten en eventuele aanvullende lokale toezichtsvereisten in derde landen;

ii)

het bedrag van het eigen vermogen dat op de dochteronderneming betrekking heeft en dat nodig is om op geconsolideerde basis te voldoen aan de som van het in artikel 92, lid 1, punt c), vastgestelde vereiste, de in de artikelen 458 en 459 bedoelde vereisten, de specifieke eigenvermogensvereisten van artikel 104 van Richtlijn 2013/36/EU, het in artikel 128, punt 6, van Richtlijn 2013/36/EU gedefinieerde gecombineerde buffervereiste, de in artikel 500 bedoelde vereisten en eventuele aanvullende lokale toezichtgerelateerde eigenvermogensvereisten in derde landen;

b)

het in aanmerking komend eigen vermogen van de onderneming, uitgedrukt als percentage van alle eigenvermogensinstrumenten van de dochteronderneming die in de tier 1-kernkapitaal-, aanvullend tier 1- en tier 2-bestanddelen zijn opgenomen, en de daaraan gerelateerde agiorekeningen, ingehouden winsten en andere reserves.

2.   De in lid 1 bedoelde berekening wordt op gesubconsolideerde basis verricht voor elke dochteronderneming als bedoeld in artikel 81, lid 1.

Een instelling kan besluiten deze berekening voor een dochteronderneming als bedoeld in artikel 81, lid 1, niet te verrichten. Indien een instelling een dergelijk besluit neemt, mag het in aanmerking komend eigen vermogen van die dochteronderneming niet in het geconsolideerde eigen vermogen worden opgenomen.

3.   Indien een bevoegde autoriteit afwijkt van de toepassing van prudentiële vereisten op individuele basis als bedoeld in artikel 7, worden eigenvermogensinstrumenten in de dochterondernemingen waarop de ontheffing van toepassing is, niet erkend als eigen vermogen op gesubconsolideerde basis of op geconsolideerde basis, naar gelang van het geval.

Artikel 88

In aanmerking komende eigenvermogensinstrumenten die in het geconsolideerde tier 2-kapitaal worden opgenomen

Onverminderd artikel 84, leden 5 en 6, bepalen de instellingen het bedrag aan in aanmerking komend eigen vermogen van een dochteronderneming dat in het geconsolideerde tier 2-kapitaal wordt opgenomen, door het in aanmerking komend tier 1-kapitaal van die onderneming dat wordt opgenomen in het geconsolideerde tier 1-kapitaal, af te trekken van het in aanmerking komend eigen vermogen van die onderneming dat wordt opgenomen in het geconsolideerde eigen vermogen.

TITEL IV

IN AANMERKING KOMENDE DEELNEMINGEN BUITEN DE FINANCIËLE SECTOR

Artikel 89

Risicoweging van en verbod op in aanmerking komende deelnemingen buiten de financiële sector

1.   Een in aanmerking komende deelneming ten belope van een bedrag dat hoger is dan 15 % van het in aanmerking komende kapitaal van de instelling, in een onderneming die niet een van de volgende is, is onderworpen aan het bepaalde in lid 3:

a)

een entiteit uit de financiële sector;

b)

een onderneming die geen entiteit uit de financiële sector is en naar het oordeel van de bevoegde autoriteit een van de volgende activiteiten uitvoert:

i)

werkzaamheden die rechtstreeks in het verlengde van het bankbedrijf liggen;

ii)

nevendiensten van het bankbedrijf;

iii)

leasing, factoring, beheer van beleggingsfondsen, beheer van diensten op het gebied van gegevensverwerking, of andere, soortgelijke werkzaamheden.

2.   Het totale bedrag van de in aanmerking komende deelnemingen van een instelling in andere dan de in lid 1, punten a) en b), bedoelde ondernemingen dat hoger is dan 60 % van het in aanmerking komende kapitaal van de instelling, is onderworpen aan het bepaalde in lid 3.

3.   De bevoegde autoriteiten passen het in punt a) of het in punt b) bepaalde vereiste toe op de in lid 1 en lid 2 bedoelde in aanmerking komende deelnemingen van instellingen:

a)

voor het berekenen van de kapitaalvereisten overeenkomstig deel 3 passen de instellingen een risicogewicht van 1 250 % toe op het hoogste van de volgende twee bedragen:

i)

het bedrag van de in lid 1 bedoelde in aanmerking komende deelnemingen dat hoger is dan 15 % van het in aanmerking komend kapitaal;

ii)

het totale bedrag van de in lid 2 bedoelde in aanmerking komende deelnemingen dat hoger is dan 60 % van het in aanmerking komend kapitaal van de instelling;

b)

de bevoegde autoriteiten verbieden de instellingen om in aanmerking komende deelnemingen als bedoeld in lid 1 en lid 2 aan te houden ten belope van een bedrag dat hoger is dan de in die leden bepaalde percentages van het in aanmerking komend kapitaal.

De bevoegde autoriteiten maken hun keuze voor punt a) of punt b) bekend.

4.   Voor de toepassing van lid 1, punt b), vaardigt de EBA richtsnoeren uit tot nadere bepaling van de volgende begrippen:

a)

werkzaamheden die rechtstreeks in het verlengde van het bankbedrijf liggen;

b)

nevenactiviteiten van het bankbedrijf;

c)

soortgelijke werkzaamheden.

Die richtsnoeren worden vastgesteld overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 90

Alternatief voor een risicogewicht van 1 250 %

In plaats van een risicogewicht van 1 250 % toe te passen op de bedragen die de in artikel 89, leden 1 en 2, vermelde limieten overschrijden, kunnen de instellingen deze bedragen overeenkomstig artikel 36, lid 1, punt k), aftrekken van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen.

Artikel 91

Uitzonderingen

1.   Aandelen van andere dan de in artikel 89, lid 1, punten a) en b), bedoelde ondernemingen worden niet meegenomen in de berekening van de in dat artikel bepaalde limieten van het in aanmerking komend kapitaal indien er aan een van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

die aandelen worden tijdelijk gehouden tijdens een financiële bijstandsoperatie als bedoeld in artikel 79;

b)

het bezit van die aandelen is een overnemingspositie die gedurende vijf werkdagen of minder wordt ingenomen;

c)

die aandelen worden door de instelling gehouden in eigen naam en namens anderen.

2.   Aandelen die niet het karakter van financiële vaste activa als bedoeld in artikel 35, lid 2, van Richtlijn 86/635/EEG hebben, worden niet meegenomen in de in artikel 89 bepaalde berekening.

DEEL DRIE

KAPITAALVEREISTEN

TITEL I

ALGEMENE VEREISTEN, WAARDERING EN RAPPORTAGE

HOOFDSTUK 1

Vereist niveau van het eigen vermogen

Afdeling 1

Eigenvermogensvereisten voor instellingen

Artikel 92

Eigenvermogensvereisten

1.   Onverminderd de artikelen 93 en 94 voldoen de instellingen te allen tijde aan de volgende eigenvermogensvereisten:

a)

een tier 1-kernkapitaalratio van 4,5 %;

b)

een tier 1-kapitaalratio van 6 %;

c)

een totale kapitaalratio van 8 %.

2.   De instellingen berekenen hun kapitaalratio's als volgt:

a)

de tier 1-kernkapitaalratio is het tier 1-kernkapitaal van de instelling uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten;

b)

de tier 1-kapitaalratio is het tier 1-kapitaal van de instelling uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten;

c)

de totale kapitaalratio is het eigen vermogen van de instelling uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten.

3.   Het totaal van de risicoposten wordt berekend als de som van de punten a) tot en met f) van dit lid, met inachtneming van het bepaalde in lid 4:

a)

de risicogewogen posten voor kredietrisico en verwateringsrisico, berekend overeenkomstig titel II, en artikel 379, met betrekking tot alle bedrijfsactiviteiten van een instelling, met uitsluiting van risicogewogen posten in verband met de handelsportefeuilleactiviteiten van de instelling;

b)

de eigenvermogensvereisten, bepaald overeenkomstig titel IV van dit deel of deel 4, naar gelang van het geval, voor de handelsportefeuilleactiviteiten van een instelling, voor het volgende:

i)

het positierisico;

ii)

grote risicoblootstellingen die de in de artikelen 395 tot en met 401 bepaalde limieten overschrijden, voor zover een instelling die limieten mag overschrijden;

c)

de eigenvermogensvereisten, bepaald overeenkomstig titel IV of titel V, met uitzondering van artikel 379, naar gelang van het geval, voor het volgende:

i)

valutarisico;

ii)

het afwikkelingsrisico;

iii)

het grondstoffenrisico;

d)

de eigenvermogensvereisten, berekend overeenkomstig titel VI voor het risico van aanpassing van de kredietwaardering van andere otc-derivaten dan kredietderivaten waarvan erkend wordt dat zij de risicogewogen posten voor kredietrisico verlagen;

e)

de eigenvermogensvereisten, bepaald overeenkomstig titel III, voor het operationeel risico;

f)

de risicogewogen posten, bepaald overeenkomstig titel II, voor het tegenpartijrisico dat voortvloeit uit de handelsportefeuilleactiviteiten van de instelling, voor de volgende soorten transacties en overeenkomsten:

i)

in de lijst in bijlage II vermelde contracten en kredietderivaten;

ii)

retrocessietransacties, transacties inzake opgenomen of verstrekte effecten- of grondstoffenleningen op basis van effecten of grondstoffen;

iii)

margeleningstransacties op basis van effecten of grondstoffen;

iv)

transacties met afwikkeling op lange termijn.

4.   De volgende bepalingen zijn van toepassing voor de berekening van het in lid 3 bedoelde totaal van de posten:

a)

tot de in lid 3, onder c), d) en e), bedoelde eigenvermogensvereisten behoren ook die welke voortvloeien uit alle bedrijfsactiviteiten van een instelling;

b)

de instellingen vermenigvuldigen de in lid 3, onder b) tot en met e), vermelde eigenvermogensvereisten met 12,5.

Artikel 93

Aanvangskapitaalvereiste op continuïteitsbasis

1.   Het eigen vermogen van een instelling mag niet kleiner worden dan het bij het verlenen van de vergunning vereiste niveau van aanvangskapitaal.

2.   Kredietinstellingen die reeds op 1 januari 1993 bestonden en waarvan het bedrag aan eigen vermogen niet voldoet aan het vereiste aanvangskapitaal, mogen hun activiteiten blijven uitoefenen. In dat geval mag het bedrag aan eigen vermogen van die instellingen niet kleiner worden dan het hoogste niveau dat het sinds 22 december 1989 heeft bereikt.

3.   Vergunninghoudende beleggingsondernemingen en ondernemingen waarop artikel 6 van Richtlijn 2006/49/EG van toepassing was, die vóór 31 december 1995 bestonden en waarvan het bedrag van het eigen vermogen niet voldoet aan het vereiste aanvangskapitaal, mogen hun activiteiten voortzetten. Het eigen vermogen van al deze ondernemingen mag niet kleiner worden dan het hoogste referentieniveau dat sinds de datum van kennisgeving van Richtlijn 93/6/EEG van de Raad van 15 maart 1993 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen (28) is berekend. Het referentieniveau is het daggemiddelde van het eigen vermogen, berekend over de zes maanden voorafgaande aan de datum van berekening. Dit referentieniveau wordt om de zes maanden berekend voor de overeenkomstige voorafgaande periode.

4.   Indien de zeggenschap over een instelling die tot de in lid 2 of 3 bedoelde categorie behoort, wordt overgenomen door een andere natuurlijke of rechtspersoon dan die welke voordien de zeggenschap over deze instelling uitoefende, dient het bedrag van het eigen vermogen van deze instelling ten minste gelijk te zijn aan het vereiste aanvangskapitaal.

5.   Bij fusie tussen twee of meer tot de in lid 2 of 3 bedoelde categorie behorende instellingen mag het bedrag van het eigen vermogen van de instelling die het resultaat van de fusie is, niet minder bedragen dan het totaal van de eigen vermogens van de gefuseerde instellingen op de datum van de fusie, zolang het vereiste aanvangskapitaal niet is bereikt.

6.   Indien de bevoegde autoriteiten het nodig achten dat voldaan wordt aan het in lid 1 vastgestelde vereiste om de solvabiliteit van de instelling te garanderen, zijn de bepalingen van de leden 2 tot en met 5 niet van toepassing.

Artikel 94

Afwijking voor kleine handelsportefeuilleactiviteiten

1.   De instellingen kunnen met betrekking tot hun handelsportefeuilleactiviteiten het in artikel 92, lid 3, punt b), bedoelde kapitaalvereiste vervangen door een kapitaalvereiste dat berekend wordt overeenkomstig punt a) van dat lid, mits de omvang van hun handelsportefeuilleactiviteiten in en buiten de balanstelling aan de twee volgende voorwaarden voldoet:

a)

deze bedraagt normalerwijze minder dan 5 % van de totale activa en 15 miljoen EUR;

b)

deze bedraagt nooit meer dan 6 % van de totale activa en 20 miljoen EUR.

2.   Bij de berekening van de omvang van de activiteiten in en buiten balanstelling passen instellingen het volgende toe

a)

schuldinstrumenten worden gewaardeerd tegen marktprijs of tegen nominale waarde, aandelen tegen marktprijs en afgeleide instrumenten tegen de nominale waarde of de marktwaarde van de onderliggende instrumenten;

b)

de absolute waarde van lange posities wordt samengevoegd met de absolute waarde van korte posities.

3.   Als een instelling niet voldoet aan de voorwaarde van lid 1, punt b), brengt zij de bevoegde autoriteit daarvan onmiddellijk op de hoogte. Wanneer de bevoegde autoriteit na een evaluatie bepaalt en de instelling ervan in kennis stelt dat niet aan het vereiste van lid 1, punt a), is voldaan, maakt de instelling vanaf de volgende verslagdatum niet langer gebruik van lid 1.

Afdeling 2

Eigenvermogensvereisten voor beleggingsondernemingen met beperkte vergunning voor het verstrekken van beleggingsdiensten

Artikel 95

Eigenvermogensvereisten voor beleggingsondernemingen met beperkte vergunning voor het verstrekken van beleggingsdiensten

1.   Voor de toepassing van artikel 92, lid 3, gebruiken beleggingsondernemingen die geen vergunning hebben om de in Richtlijn 2004/39/EG, bijlage I, deel A, punten 3 en 6, vermelde beleggingsdiensten en -activiteiten te verrichten, de in lid 2 bepaalde berekening van het totaal van de risicoposten.

2.   In lid 1 van dit artikel bedoelde beleggingsondernemingen en in artikel 4, lid 1, punt 2, onder c), bedoelde ondernemingen die de in bijlage I, deel A, punten 2 en 4, bij Richtlijn 2004/39/EG vermelde beleggingsdiensten en -activiteiten verrichten, berekenen het totaal van de risicoposten als het hoogste van de volgende bedragen:

a)

de som van de in artikel 92, lid 3, onder a) tot en met d) en f), bedoelde bedragen na toepassing van artikel 92, lid 4;

b)

12,5 vermenigvuldigd met het in artikel 97 bepaalde bedrag.

In artikel 4, lid 1, punt 2, onder c), bedoelde ondernemingen die de in bijlage I, deel A, punten 2 en 4, bij Richtlijn 2004/39/EG vermelde beleggingsdiensten en -activiteiten verrichten, voldoen aan de vereisten van artikel 92, leden 1 en 2, op basis van het in de eerste alinea bedoelde totaal van de risicoposten.

De bevoegde autoriteiten kunnen bepalen dat de eigenvermogensvereisten voor in artikel 4,lid 1, punt 2, onder c), bedoelde ondernemingen die de in bijlage I, deel A, punten 2 en 4, bij Richtlijn 2004/39/EG vermelde beleggingsdiensten en -activiteiten verrichten, de eigenvermogensvereisten zijn welke voor die ondernemingen bindend zijn uit hoofde van de nationale omzettingsmaatregelen die op 31 december 2013 voor de Richtlijnen 2006/49/EG en gelden.

3.   Ten aanzien van de in lid 1 bedoelde beleggingsondernemingen gelden alle andere bepalingen betreffende operationele risico's van titel VII, hoofdstuk 3, afdeling II, onderafdeling 1, van Richtlijn 2013/36/EU.

Artikel 96

Eigenvermogensvereisten voor beleggingsondernemingen die aanvangskapitaal aanhouden als bepaald in artikel 28, lid 2, van Richtlijn 2013/36/EU

1.   Voor de toepassing van artikel 92, lid 3, gebruiken de volgende beleggingsondernemingen die aanvangskapitaal aanhouden als bepaald in artikel 28, lid 2, van Richtlijn 2013/36/EU, de in lid 2 van dit artikel bepaalde berekening van het totaal van de risicoposten:

a)

beleggingsondernemingen die voor eigen rekening uitsluitend handelen om orders van cliënten in te willigen of uit te voeren, of om toegang te verkrijgen tot een clearing- en afwikkelingssysteem of een erkende beurs in de hoedanigheid van gemachtigde of uitvoerder van een order van een cliënt;

b)

beleggingsondernemingen die aan alle volgende voorwaarden voldoen:

i)

zij houden geen gelden of effecten van cliënten aan;

ii)

zij handelen uitsluitend voor eigen rekening;

iii)

zij hebben geen externe cliënten;

iv)

de uitvoering en afwikkeling van hun transacties vindt plaats onder verantwoordelijkheid en garantie van een clearinginstelling.

2.   Voor in lid 1 bedoelde beleggingsondernemingen wordt het totaal van de risicoposten berekend als de som van de volgende bedragen:

a)

de punten a) tot en met d) en f) van artikel 92, lid 3, na toepassing van artikel 92, lid 4;

b)

het in artikel 97 bedoelde bedrag vermenigvuldigd met 12,5.

3.   Ten aanzien van de in lid 1 bedoelde beleggingsondernemingen gelden alle andere bepalingen betreffende operationele risico's van titel VII, hoofdstuk 3, afdeling II, onderafdeling 1, van Richtlijn 2013/36/EU.

Artikel 97

Eigen vermogen op basis van vaste kosten

1.   Overeenkomstig de artikelen 95 en 96 houden beleggingsondernemingen en in artikel 4, lid 1, punt 2, onder c), bedoelde ondernemingen die de in bijlage I, deel A, punten 2 en 4, bij Richtlijn 2004/39/EG vermelde beleggingsdiensten en -activiteiten verrichten, in aanmerking komend kapitaal aan van ten minste een kwart van de vaste kosten voor het voorgaande jaar.

2.   Indien er sprake is van een verandering in de activiteiten van een beleggingsonderneming sinds het voorgaande jaar die de bevoegde autoriteit van wezenlijk belang acht, kan de bevoegde autoriteit het vereiste van lid 1 aanpassen.

3.   Indien de onderneming haar werkzaamheden niet gedurende een volledig jaar heeft uitgeoefend (met inbegrip van de dag van bedrijfsaanvang) houdt de beleggingsonderneming in aanmerking komend kapitaal aan van ten minste een kwart van het in haar programma van werkzaamheden begrote cijfer voor vaste kosten, tenzij de bevoegde autoriteit een aanpassing van dit programma verlangt.

4.   De EBA ontwikkelt in overleg met de ESMA ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van:

a)

de berekening van het vereiste om in aanmerking komen kapitaal van ten minste één kwart van de vaste kosten van het voorgaande jaar aan te houden;

b)

de voorwaarden voor de aanpassing door de bevoegde autoriteit van het vereiste om in aanmerking komen kapitaal van ten minste één kwart van de vaste kosten van het voorgaande jaar aan te houden;

c)

de berekening van geraamde vaste kosten in het geval van een beleggingsonderneming die haar werkzaamheden niet gedurende een volledig jaar heeft uitgeoefend.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 1 maart 2014 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 98

Eigen vermogen voor beleggingsondernemingen op geconsolideerde basis

1.   Voor in artikel 95, lid 1, bedoelde beleggingsondernemingen in een groep, indien er geen kredietinstellingen tot deze groep behoren, past een moederbeleggingsonderneming in een lidstaat artikel 92 op geconsolideerd niveau als volgt toe:

a)

berekening van het totaal van de risicoposten op basis van artikel 95, lid 2;

b)

berekening van het eigen vermogen op basis van de geconsolideerde situatie van de moederbeleggingsonderneming of die van de financiële holding of de gemengde financiële holding, naar gelang het geval.

2.   Voor in artikel 96, lid 1, bedoelde beleggingsondernemingen in een groep, indien er geen kredietinstellingen tot deze groep behoren, passen een moederbeleggingsonderneming in een lidstaat en een beleggingsonderneming die onder zeggenschap van een financiële holding of een gemengde financiële holding staat, artikel 92 op geconsolideerde basis als volgt toe:

a)

berekening van het totaal van de risicoposten op basis van artikel 96, lid 2;

b)

berekening van het eigen vermogen op basis van de geconsolideerde situatie van de moederbeleggingsonderneming of van die van de financiële holding of de gemengde financiële holding, naargelang van het geval, en overeenkomstig deel 1, titel II, hoofdstuk 2.

HOOFDSTUK 2

Vereisten voor berekening en rapportage

Artikel 99

Rapportage inzake eigenvermogensvereisten en financiële informatie

1.   De rapportage door instellingen aan de bevoegde autoriteiten inzake de in artikel 92 vastgestelde verplichtingen vindt ten minste halfjaarlijks plaats.

2.   Instellingen waarop artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1606/2002 van toepassing is, alsmede andere dan in dat artikel 4 van die verordening bedoelde kredietinstellingen die hun geconsolideerde jaarrekening opstellen overeenkomstig de volgens de procedure van artikel 6, lid 2, van die verordening goedgekeurde internationale standaarden voor jaarrekeningen, voorzien eveneens in rapportage inzake financiële informatie.

3.   De bevoegde autoriteiten kunnen kredietinstellingen die internationale standaarden voor jaarrekeningen toepassen welke krachtens Verordening (EG) nr. 1606/2002 gelden voor rapportage over eigen vermogen op geconsolideerde basis krachtens artikel 24, lid 2, van deze verordening verplichten om eveneens te voorzien in rapportage inzake financiële informatie als bepaald in lid 2 van dit artikel.

4.   De rapportage verstrekt de in lid 2 en in de eerste alinea van lid 3 bedoelde financiële informatie voor zover dat noodzakelijk is om een volledig beeld te krijgen van het risicoprofiel van de activiteiten van de instelling, alsmede om een beeld te krijgen van de systeemrisico's die instellingen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1093/2010 vormen voor de financiële sector of de reële economie.

5.   De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen tot nadere bepaling van de uniforme formats, de rapportagefrequenties, de rapportagedata, de definities en de IT-oplossingen die in de Unie voor de in de leden 1 tot en met 4 bedoelde rapportage moeten worden toegepast.

De rapportagevereisten dienen in verhouding te staan tot de aard, de omvang en de complexiteit van de activiteiten van de instellingen.

De EBA legt die ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk 1 februari 2015 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

6.   Indien een bevoegde autoriteit van oordeel is dat voor andere dan de in de leden 2 en 3 bedoelde instellingen die onderworpen zijn aan een kader voor financiële verslaglegging op grond van Richtlijn 86/635/EEG, de overeenkomstig lid 2 vereiste financiële informatie noodzakelijk is om een volledig beeld te krijgen van het risicoprofiel van de activiteiten van die instellingen, alsmede om een beeld te krijgen van de systeemrisico's die die instellingen vormen voor de financiële sector of de reële economie, raadpleegt zij de EBA over de uitbreiding van de rapportagevereisten inzake financiële informatie op geconsolideerde basis tot die instellingen, mits die instellingen niet reeds op geconsolideerde basis rapporteren.

De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen tot nadere bepaling van de formats die moeten worden gebruikt door instellingen tot welke de bevoegde autoriteiten de rapportagevereisten overeenkomstig de eerste alinea kunnen uitbreiden.

De EBA legt die ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk 1 februari 2015 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend om de in de tweede alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

7.   Indien een bevoegde autoriteit van oordeel is dat informatie die niet wordt bestreken door de in lid 5 bedoelde technische uitvoeringsnormen noodzakelijk is voor de in lid 4 bedoelde doeleinden, brengt zij de EBA en het ESRB op de hoogte van de bijkomende informatie die volgens haar in de in lid 5 bedoelde technische uitvoeringsnormen moet worden opgenomen.

Artikel 100

Aanvullende rapportagevereisten

De instellingen rapporteren aan de bevoegde autoriteiten over het niveau, ten minste in geaggregeerde vorm, van de retrocessieovereenkomsten, het uitlenen van effecten en alle vormen van lasten op activa.

De EBA neemt deze informatie op in de in artikel 99, lid 5, bedoelde technische uitvoeringsnormen inzake rapportage.

Artikel 101

Specifieke rapportageverplichtingen

1.   De instellingen rapporteren eenmaal per halfjaar de volgende gegevens aan de bevoegde autoriteiten voor elke nationale onroerendgoedmarkt ten aanzien waarvan zij zijn blootgesteld:

a)

verliezen die voortvloeien uit blootstellingen waarvoor een instelling niet-zakelijk onroerend goed als zekerheid heeft aangemerkt, tot het laagste van het in zekerheid gegeven bedrag en 80 % van de marktwaarde of tot 80 % van de waarde van de hypothecaire lening, tenzij anders besloten overeenkomstig artikel 124, lid 2;

b)

de totale verliezen die voortvloeien uit blootstellingen waarvoor een instelling niet-zakelijk onroerend goed als zekerheid heeft aangemerkt, tot het deel van de blootstelling dat in overeenstemming met artikel 124, lid 1, wordt behandeld als zijnde volledig gedekt door niet-zakelijk onroerend goed;

c)

de blootstellingswaarde van alle onderliggende blootstellingen waarvoor een instelling niet-zakelijk onroerend goed als zekerheid heeft aangemerkt, beperkt tot het deel dat in overeenstemming met artikel 124, lid 1, wordt behandeld als zijnde volledig gedekt door niet-zakelijk onroerend goed;

d)

verliezen die voortvloeien uit blootstellingen waarvoor een instelling zakelijk onroerend goed als zekerheid heeft aangemerkt, tot het laagste van het in zekerheid gegeven bedrag en 50 % van de marktwaarde of tot 60 % van de waarde van de hypothecaire lening, tenzij anders besloten overeenkomstig artikel 124, lid 2;

e)

de totale verliezen die voortvloeien uit blootstellingen waarvoor een instelling zakelijk onroerend goed als zekerheid heeft aangemerkt, tot het deel van de blootstelling dat in overeenstemming met artikel 124, lid 1, wordt behandeld als zijnde volledig gedekt door zakelijk onroerend goed;

f)

de blootstellingswaarde van alle onderliggende blootstellingen waarvoor een instelling zakelijk onroerend goed als zekerheid heeft aangemerkt, beperkt tot het deel dat in overeenstemming met artikel 124, lid 1, wordt behandeld als zijnde volledig gedekt door zakelijk onroerend goed.

2.   De in lid 1 bedoelde gegevens worden verstrekt aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de betrokken instelling. Wanneer een instelling een bijkantoor in een andere lidstaat heeft, worden de gegevens met betrekking tot dat bijkantoor tevens aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst verstrekt. De gegevens worden verstrekt afzonderlijk voor elke onroerendgoedmarkt binnen de Unie ten aanzien waarvan de betrokken instelling is blootgesteld.

3.   De bevoegde autoriteiten publiceren jaarlijks op geaggregeerde basis de in lid 1, onder a) tot en met f), bepaalde gegevens, samen met historische gegevens, indien deze beschikbaar zijn. Een bevoegde autoriteit verstrekt op verzoek van een andere bevoegde autoriteit in een lidstaat of van de EBA aan die bevoegde autoriteit of de EBA nadere informatie over de staat van de markten voor niet-zakelijk en zakelijk onroerend goed in die lidstaat.

4.   De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen tot nadere bepaling van:

a)

de uniforme formats, de definities, de rapportagefrequenties en -data, alsmede de IT-oplossingen, van de in lid 1 bedoelde elementen;

b)

de uniforme formats, de definities, de rapportagefrequenties en -data, alsmede de IT-oplossingen voor de in lid 2 bedoelde geaggregeerde gegevens.

De EBA legt die ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk 1 februari 2015 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

HOOFDSTUK 3

Handelsportefeuille

Artikel 102

Vereisten voor de handelsportefeuille

1.   Posities in de handelsportefeuille zijn ofwel vrij van beperkingen op de verhandelbaarheid ervan, ofwel afdekbaar.

2.   De intentie om te handelen blijkt uit de strategieën, beleidslijnen en procedures die door de instelling in het leven zijn geroepen om de positie of de portefeuille overeenkomstig artikel 103 te beheren.

3.   De instellingen zorgen voor de inrichting en instandhouding van systemen en controles om hun handelsportefeuille overeenkomstig de artikelen 104 en 105 te beheren.

4.   De instellingen mogen interne afdekkingsinstrumenten betrekken in de berekening van kapitaalvereisten voor positierisico mits deze worden aangehouden met de intentie om te handelen en aan de vereisten van de artikelen 103 tot en met 106 is voldaan.

Artikel 103

Beheer van de handelsportefeuille

Bij het beheer van haar posities of groepen van posities in de handelsportefeuille voldoet de instelling aan alle volgende vereisten:

a)

ten aanzien van de betrokken posities, instrumenten of portefeuilles beschikt de instelling over een naar behoren in documentatie vastgelegde en door de directie goedgekeurde handelsstrategie, in het kader waarvan onder andere een verwachte periode voor het innemen van posities of het aanhouden van instrumenten of portefeuilles is vastgesteld;

b)

voor het actieve beheer van de posities die door een tradingafdeling worden ingenomen, beschikt de instelling over duidelijk omschreven beleidslijnen en procedures. Deze beleidslijnen en procedures bepalen onder meer:

i)

welke posities door welke tradingafdeling mogen worden ingenomen;

ii)

welke positielimieten gelden en hoe de adequaatheid ervan wordt bewaakt;

iii)

dat handelaars met inachtneming van de vastgestelde strategie autonoom posities kunnen innemen en beheren binnen de overeengekomen limieten;

iv)

dat in het kader van het risicobeheerproces van de instelling aan de directie wordt gerapporteerd over de ingenomen posities;

v)

dat de ingenomen posities actief worden bewaakt op basis van marktinformatiebronnen en er een beoordeling wordt gemaakt van de verhandelbaarheid of de afdekbaarheid van de positie of de risicocomponenten ervan, met inbegrip van de beoordeling, de kwaliteit en de beschikbaarheid van inputs vanuit de markt voor het waarderingsproces, de op de markt gerealiseerde omzet en de omvang van de op de markt verhandelde posities;

vi)

actieve procedures en controles ter bestrijding van fraude.

c)

de instelling beschikt over duidelijk omschreven beleidslijnen en procedures voor toetsing van posities aan de handelsstrategie van de instelling, die onder meer voorzien in het bewaken van de omzet en van posities waarvoor de oorspronkelijk beoogde periode voor het aanhouden van de positie overschreden is.

Artikel 104

Opneming in de handelsportefeuille

1.   De instellingen beschikken over duidelijk omschreven beleidslijnen en procedures om te bepalen welke posities in de handelsportefeuille worden opgenomen voor de berekening van hun kapitaalvereisten, overeenkomstig de vereisten van artikel 102 en de definitie van handelsportefeuille in artikel 4, lid 1, punt 86, rekening houdend met het vermogen en de praktijk van de instelling op het gebied van risicobeheer. De naleving van deze beleidslijnen en van deze procedures wordt volledig door de instelling in documentatie vastgelegd en periodiek aan een interne controle onderworpen.

2.   De instellingen beschikken over duidelijk omschreven beleidslijnen en procedures voor het algemene beheer van de handelsportefeuille. Deze beleidslijnen en procedures regelen ten minste:

a)

de werkzaamheden die de instelling met het oog op de eigenvermogensvereisten als commercieel en deel uitmakend van de handelsportefeuille beschouwt;

b)

de mate waarin een positie dagelijks tegen marktprijs gewaardeerd kan worden onder verwijzing naar een actieve, liquide tweerichtingsmarkt;

c)

voor posities die op basis van een modellenbenadering worden gewaardeerd, de mate waarin de instelling in staat is:

i)

alle wezenlijke risico's van de positie te bepalen;

ii)

alle wezenlijke risico's van de positie af te dekken door middel van instrumenten waarvoor een actieve, liquide tweerichtingsmarkt bestaat;

iii)

betrouwbare ramingen af te leiden voor de voornaamste in het model gebruikte aannames en parameters;

d)

de mate waarin een instelling in staat en verplicht is voor de positie waarderingen te produceren die extern op samenhangende wijze kunnen worden gevalideerd;

e)

de mate waarin de wettelijke beperkingen of andere operationele vereisten het vermogen van de instelling aantasten om op korte termijn liquidatie of afdekking van de positie te bewerkstelligen;

f)

de mate waarin een instelling in staat en verplicht is om de risico's van de posities in het kader van haar commerciële werkzaamheden actief te beheren;

g)

de mate waarin de instelling risico's of posities kan overdragen tussen de handelsportefeuille en de niet-handelsportefeuille, en de criteria voor dergelijke overdrachten.

Artikel 105

Vereisten voor prudente waardering

1.   Op alle posities in de handelsportefeuille worden de in dit artikel bepaalde normen voor prudente waardering toegepast. De instellingen dragen er in het bijzonder zorg voor dat de prudente waardering van hun posities in de handelsportefeuille een passende mate van zekerheid bereikt, rekening houdende met het dynamische karakter van de posities van de handelsportefeuille, de vereisten inzake prudentiële soliditeit en de werkingswijze en doelstellingen van de kapitaalvereisten met betrekking tot de posities in de handelsportefeuille.

2.   De instellingen zorgen voor de inrichting en instandhouding van toereikende systemen en controles voor het verstrekken van prudente en betrouwbare waarderamingen. Deze systemen en controles bestaan minimaal uit:

a)

in documentatie vastgelegde beleidslijnen en procedures voor het waarderingsproces die onder meer de volgende aspecten omvatten: duidelijke afbakening van de bevoegdheden van de verschillende terreinen die bij de waardering betrokken zijn, marktinformatiebronnen en beoordeling van de deugdelijkheid ervan, richtsnoeren voor de gebruikmaking van niet-waarneembare inputs die de aannames van de instelling weerspiegelen met betrekking tot de vraag wat marktdeelnemers voor de prijsbepaling van de positie zouden gebruiken, frequentie van onafhankelijke waardering, timing van slotkoersen, procedures voor het aanpassen van waarderingen, verificatieprocedures (einde maand en ad hoc);

b)

duidelijke, van de handelsafdeling onafhankelijke rapportagelijnen voor de afdeling die verantwoordelijk is voor het waarderingsproces.

Aan het einde van de rapportagelijn staat het leidinggevend orgaan.

3.   De instellingen herwaarderen de posities in de handelsportefeuille ten minste dagelijks.

4.   De instellingen waarderen hun posities zoveel mogelijk tegen marktwaarde, ook bij het toepassen van de kapitaalvereisten voor de handelsportefeuille.

5.   Bij waardering tegen marktwaarde maakt een instelling gebruik van de bied- of de laatprijs, naar gelang van wat het prudentst is, tenzij de instelling kan afwikkelen tegen de middenkoers. Indien instellingen gebruik maken van deze afwijking, stellen zij om de zes maanden hun bevoegde autoriteiten in kennis van de betrokken posities en leveren zij het bewijs dat zij tegen de middenkoers kunnen afwikkelen.

6.   Indien waardering tegen marktwaarde niet mogelijk is, waarderen instellingen hun posities en portefeuilles op voorzichtige wijze op basis van een modellenbenadering; dat geldt ook voor het berekenen van eigenvermogensvereisten voor in de handelsportefeuille ingenomen posities.

7.   Bij waardering op basis van een modellenbenadering nemen de instellingen de volgende vereisten in acht:

a)

de directie draagt kennis van de bestanddelen van de handelsportefeuille of van andere tegen reële waarde gewaardeerde posities waarvoor waardering op basis van een modellenbenadering wordt toegepast, en is bekend met de belangrijkheid van de onzekerheid die zulks met zich meebrengt voor de rapportage over de bedrijfsrisico's en de bedrijfsresultaten;

b)

de instellingen halen inputs uit de markt die voor zover mogelijk in overeenstemming zijn met de marktprijzen en evalueren geregeld de relevantie van de marktinputs voor de positie die wordt gewaardeerd en de parameters van het model;

c)

de instellingen gebruiken waarderingsmethoden die voor bepaalde financiële instrumenten of grondstoffen als vaste marktpraktijk worden beschouwd, indien deze beschikbaar zijn;

d)

modellen die door de instelling zelf worden ontwikkeld, berusten op deugdelijke hypothesen, die zijn geanalyseerd en beproefd door voldoende gekwalificeerde partijen die niet bij het ontwikkelingsproces betrokken zijn;

e)

de instellingen beschikken over formele controleprocedures voor veranderingen en bewaren een veilig exemplaar van het model, dat zij periodiek gebruiken om waarderingen te verifiëren;

f)

de met het risicobeheer belaste personen zijn op de hoogte van de tekortkomingen van de gebruikte modellen en weten hoe de impact ervan op het waarderingsresultaat maximaal kan worden beperkt; en

g)

de modellen van de instellingen worden periodiek onderzocht op hun nauwkeurigheid, onder meer door de blijvende relevantie van de aannames te beoordelen, winst en verlies in verhouding tot risicofactoren te analyseren en daadwerkelijke afwikkelingsprijzen met de modeluitkomsten te vergelijken.

In verband met punt d) geldt dat de tradingafdeling niet mag worden betrokken bij de ontwikkeling en erkenning van het model, dat op onafhankelijke wijze wordt getoetst. Dit omvat het valideren van de wiskundige formules, de aannames en de implementatie van de computerprogrammatuur.

8.   Naast de dagelijkse waardering tegen marktprijzen of op basis van een modellenbenadering verrichten de instellingen ook onafhankelijke prijsverificatie. Verificatie van marktprijzen en modelinputs wordt minstens maandelijks of, afhankelijk van de aard van de markt of de handelsactiviteit, met een grotere frequentie verricht door een persoon of een eenheid die onafhankelijk is van personen of eenheden die baat hebben bij de handelsportefeuilleactiviteiten. Indien er geen onafhankelijke bronnen van prijsinformatie beschikbaar zijn of de bronnen van prijsinformatie een veeleer subjectief karakter vertonen, kunnen prudente maatregelen zoals aanpassing van de waarderingen wenselijk zijn.

9.   De instellingen zorgen voor de instelling en instandhouding van procedures ter beoordeling van de noodzaak van waarderingsaanpassingen.

10.   De instellingen beoordelen formeel de noodzaak van waarderingsaanpassingen voor de volgende elementen: niet benutte kredietspreidingswinsten, afwikkelingskosten, operationele risico's, onzekerheid van de marktprijzen, vervroegde beëindiging, beleggings- en financieringskosten, toekomstige administratiekosten en, indien van toepassing, het modelrisico.

11.   De instellingen zorgen voor de instelling en instandhouding van procedures voor de berekening van een aanpassing van een lopende waardering van elke minder liquide positie, die in het bijzonder kan voortvloeien uit marktgebeurtenissen of instellingsgerelateerde situaties, bijvoorbeeld geconcentreerde posities en/of posities waarvoor de oorspronkelijk beoogde periode voor het aanhouden van de positie overschreden is. De instellingen brengen waar nodig dergelijke aanpassingen aan bovenop eventuele voor financiële verslaggevingsdoeleinden vereiste wijzigingen in de waarde van de positie en ontwerpen deze aanpassing dusdanig dat de illiquiditeit van de positie wordt weergegeven. In het kader van deze procedures houden de instellingen bij de beoordeling of een waarderingsaanpassing voor minder liquide posities noodzakelijk is, rekening met een aantal verschillende factoren. Deze betreffen onder meer:

a)

de termijn die nodig is om de positie of risicobestanddelen binnen de positie af te dekken;

b)

de volatiliteit en het gemiddelde van de spread tussen bied- en laatprijzen;

c)

de beschikbaarheid van marktnoteringen (aantal marktmakers en hun identiteit) en de volatiliteit en het gemiddelde van de handelsvolumes, met inbegrip van handelsvolumes in perioden van marktspanningen;

d)

marktconcentraties;

e)

de veroudering van posities;

f)

de mate waarin de waardering berust op een modellenbenadering;

g)

het effect van andere modelrisico's.

12.   Indien de instellingen gebruik maken van externe waarderingen of waardering op basis van een modellenbenadering, beoordelen zij of het noodzakelijk is een waarderingsaanpassing te verrichten. Tevens beoordelen zij op continue basis of aanpassingen voor minder liquide posities noodzakelijk zijn. De instellingen maken daarnaast een expliciete raming van de noodzaak van waarderingsaanpassingen in verband met de onzekerheid van de parameterinputs in de modellen.

13.   Met betrekking tot complexe producten, inclusief gesecuritiseerde blootstellingen en kredietderivaten voor de n-de wanbetaling, beoordelen de instellingen expliciet de noodzaak van waarderingsaanpassingen die het modelrisico verbonden aan het gebruik van een mogelijk onjuiste taxatiemethode en het modelrisico verbonden aan het gebruik van niet-waarneembare (en mogelijk onjuiste) kalibratiesparameters in het waarderingsmodel weergeven.

14.   De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de voorwaarden waaronder de vereisten van artikel 105 met betrekking tot lid 1 van dit artikel moeten worden toegepast.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk 1 februari 2015 aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 106

Interne afdekking

1.   Een intern afdekkingsinstrument voldoet in het bijzonder aan de volgende vereisten:

a)

het heeft niet in de eerste plaats tot doel om kapitaalvereisten te ontlopen of te verminderen;

b)

het wordt naar behoren in documentatie vastgelegd en onderworpen aan bijzondere interne procedures ten aanzien van goedkeuring en controle;

c)

het wordt afgewikkeld tegen marktvoorwaarden;

d)

het aan het interne afdekkingsinstrument verbonden marktrisico wordt, met inachtneming van de toegestane limieten, dynamisch beheerd in de handelsportefeuille;

e)

het wordt zorgvuldig bewaakt.

De deugdelijkheid van de bewaking wordt gewaarborgd door middel van adequate procedures.

2.   De vereisten van lid 1 zijn van toepassing onverminderd de vereisten die van toepassing zijn op de afgedekte positie in de niet-handelsportefeuille.

3.   Indien een instelling een kredietrisicoblootstelling of een tegenpartijrisicoblootstelling in de niet-handelsportefeuille afdekt met een kredietderivaat dat in haar handelsportefeuille is opgenomen met behulp van een intern afdekkingsinstrument, dan mag in afwijking van de leden 1 en 2 de kredietrisicoblootstelling in de niet-handelsportefeuille of de tegenpartijrisicoblootstelling voor de berekening van de risicogewogen posten niet als afgedekt worden beschouwd, tenzij de instelling van een in aanmerking komende derde protectiegever een daarmee overeenstemmend kredietderivaat koopt dat voldoet aan de vereisten voor niet-volgestorte kredietprotectie in de niet-handelsportefeuille. Indien een dergelijke protectie van een derde wordt gekocht en voor de berekening van kapitaalvereisten als een afdekkingsinstrument van een blootstelling in de niet-handelsportefeuille wordt erkend, wordt onverminderd artikel 299, lid 2, punt h), voor de berekening van kapitaalvereisten noch het interne, noch het externe afdekkingsinstrument in de vorm van een kredietderivaat in de handelsportefeuille opgenomen.

TITEL II

KAPITAALVEREISTEN VOOR KREDIETRISICO

HOOFDSTUK 1

Algemene beginselen

Artikel 107

Benaderingen van het kredietrisico

1.   Voor de berekening van de risicogewogen posten met het oog op de toepassing van artikel 92, lid 3, onder a) en f), volgen de instellingen ofwel de standaardbenadering als beschreven in hoofdstuk 2, ofwel - mits de bevoegde autoriteiten daarvoor overeenkomstig artikel 143 toestemming hebben verleend - de interneratingbenadering als beschreven in hoofdstuk 3.

2.   Voor transactieblootstellingen en voor bijdragen aan het wanbetalingsfonds met betrekking tot een centrale tegenpartij passen de instellingen de in hoofdstuk 6, afdeling 9, vervatte behandeling toe om hun risicogewogen posten te berekenen voor de toepassing van artikel 92, lid 3, punten a) en f). Alle andere soorten blootstellingen met betrekking tot een centrale tegenpartij worden door instellingen als volgt behandeld:.

a)

als blootstellingen met betrekking tot een instelling voor andere soorten blootstellingen met betrekking tot een gekwalificeerde centrale tegenpartij;

b)

als blootstellingen met betrekking tot een onderneming voor andere soorten blootstellingen met betrekking tot een niet-gekwalificeerde centrale tegenpartij;

3.   Voor de toepassing van deze verordening behandelen instellingen blootstellingen met betrekking tot uit een derde land afkomstige beleggingsondernemingen en blootstellingen met betrekking tot uit een derde land afkomstige kredietinstellingen alleen dan als blootstellingen met betrekking tot een instelling, voor zover het derde land op die entiteittoezicht- en reguleringsvereisten toepast die ten minste gelijkwaardig zijn aan die welke in de Unie worden toegepast.

4.   Voor de toepassing van lid 3 kan de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen en volgens de in artikel 464, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure besluiten of een derde land toezicht- en reguleringsvereisten toepast die ten minste gelijkwaardig zijn aan die welke in de Unie worden toegepast. Bij gebreke van een dergelijk besluit kunnen instellingen tot 1 januari 2015 blootstellingen met betrekking tot de in lid 3 bedoelde entiteiten als blootstellingen met betrekking tot een instelling blijven behandelen mits de relevante bevoegde autoriteiten het derde land vóór 1 januari 2014 als voor deze behandeling in aanmerking komend hadden aangemerkt.

Artikel 108

Gebruik van een kredietrisicolimiteringstechniek in het kader van de standaardbenadering en de interneratingbenadering

1.   Voor een blootstelling waarop een instelling de standaardbenadering op basis van hoofdstuk 2 of de interneratingbenadering op basis van hoofdstuk 3 toepast, maar niet gebruik maakt van eigen ramingen van LGD's en omrekeningsfactoren op basis van artikel 151, kan de instelling conform hoofdstuk 4 kredietrisicolimitering gebruiken bij de berekening van de risicogewogen posten voor de toepassing van artikel 92, lid 3, onder a) en f), of - indien van toepassing - bij de berekening van de verwachte verliesposten met het oog op de in artikel 36, lid 1, onder d), en in artikel 62, onder c), bedoelde berekening.

2.   Voor een blootstelling waarop een instelling de interneratingbenadering toepast door haar eigen LGD-ramingen of omrekeningsfactoren op basis van artikel 151 te gebruiken, kan de instelling kredietrisicolimitering op basis van hoofdstuk 3 gebruiken.

Artikel 109

Behandeling van gesecuritiseerde blootstellingen in het kader van de standaardbenadering en de interneratingbenadering

1.   Als een instelling de standaardbenadering op basis van hoofdstuk 2 hanteert voor de berekening van risicogewogen posten voor de categorie blootstellingen waarin de gesecuritiseerde blootstellingen op basis van artikel 112 zouden zijn ondergebracht, berekent zij de risicogewogen post voor een securitisatiepositie overeenkomstig de artikelen 245, 246 en 251 tot en met 258. Instellingen die de standaardbenadering gebruiken, mogen ook de internebeoordelingsbenadering gebruiken wanneer dit op basis van artikel 259, lid 3, is toegestaan.

2.   Als een instelling de interneratingbenadering op basis van hoofdstuk 3 hanteert voor de berekening van risicogewogen posten voor de categorie blootstellingen waarin de gesecuritiseerde blootstelling op basis van artikel 147 zou zijn ondergebracht, berekent zij de risicogewogen post overeenkomstig de artikelen 245, 246 en 259 tot en met 266.

Behalve voor de internebeoordelingsbenadering, waarbij de interneratingbenadering uitsluitend wordt gebruikt voor een deel van de onderliggende gesecuritiseerde blootstellingen van een securitisatie, gebruikt de instelling de benadering die overeenstemt met het belangrijkste deel van de onderliggende gesecuritiseerde blootstellingen van deze securitisatie.

Artikel 110

Behandeling van kredietrisicoaanpassing

1.   Instellingen die de standaardbenadering toepassen, behandelen algemene kredietrisicoaanpassingen overeenkomstig artikel 62, onder c).

2.   Instellingen die de interneratingbenadering toepassen, behandelen algemene kredietrisicoaanpassingen overeenkomstig artikel 159, artikel 62, punt d), en artikel 36, lid 1, punt d).

Voor de toepassing van dit artikel en de hoofdstukken 2 en 3 vallen fondsen voor algemene bankrisico's buiten de algemene en specifieke kredietrisicoaanpassingen.

3.   Instellingen die de interneratingbenadering volgen en de standaardbenadering toepassen voor een deel van hun blootstellingen op geconsolideerde of individuele basis, bepalen overeenkomstig de artikelen 148 en 150 het deel van de algemene kredietrisicoaanpassing dat wordt toegewezen aan de behandeling van de algemene kredietrisicoaanpassing op basis van de standaardbenadering en aan de behandeling van de algemene kredietrisicoaanpassing op basis van de interneratingbenadering en gaan daarbij als volgt te werk:

a)

in voorkomend geval, wanneer een instelling die in de consolidatie is betrokken, uitsluitend de interneratingbenadering toepast, worden de algemene kredietrisicoaanpassingen van deze instelling toegewezen aan de in lid 2 vermelde behandeling;

b)

in voorkomend geval, wanneer een instelling die in de consolidatie is betrokken, uitsluitend de standaardbenadering toepast, wordt de algemene kredietrisicoaanpassing van deze instelling toegewezen aan de in lid 1 vermelde behandeling;

c)

de rest van de kredietrisicoaanpassing wordt op pro-ratabasis toegewezen naar gelang van de verhouding risicogewogen posten die respectievelijk aan de standaardbenadering en aan de interneratingbenadering onderworpen zijn.

4.   De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de berekening van specifieke kredietrisicoaanpassingen en algemene kredietrisicoaanpassingen op basis van het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving voor het volgende:

a)

de blootstellingswaarde op basis van de standaardbenadering bedoeld in artikel 111;

b)

de blootstellingswaarde op basis van de interneratingbenadering als bedoeld in de artikelen 166 tot en met 168;

c)

de behandeling van de in artikel 159 bedoelde verwachte verliesposten;

d)

de blootstellingswaarde voor de berekening van de risicogewogen posten voor de in de artikelen 246 en 266 bedoelde securitisatiepositie;

e)

de vaststelling van wanbetaling overeenkomstig artikel 178;

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk 1 februari 2015 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

HOOFDSTUK 2

Standaardbenadering

Afdeling 1

Algemene beginselen

Artikel 111

Blootstellingswaarde

1.   De blootstellingswaarde van een actiefpost bestaat uit de boekwaarde die er overblijft na toepassing van specifieke kredietrisicoaanpassingen, aanvullende waardeaanpassingen overeenkomstig de artikelen 34 en 110, en andere eigenvermogensverlagingen in samenhang met een actiefpost. De blootstellingswaarde van een in bijlage I vermelde post buiten balanstelling is het volgende percentage van zijn nominale waarde na aftrek van specifieke kredietrisicoaanpassingen:

a)

100 % bij een post met een volledig risico;

b)

50 % bij een post met middelgroot risico;

c)

20 % bij een post met middelgroot/laag risico; en

d)

0 % bij een post met laag risico.

De in de tweede zin van de eerste alinea genoemde posten buiten de balanstelling worden ondergebracht in de risicocategorieën als aangegeven in bijlage I.

Als een instelling krachtens artikel 223 de uitgebreide benadering van financiële zekerheden (financial collateral comprehensive method) hanteert, wordt de blootstellingswaarde van effecten of grondstoffen die in het kader van een retrocessietransactie, een transactie inzake opgenomen of verstrekte effecten- of grondstoffenleningen of een margeleningstransactie worden verkocht, gedeponeerd of verstrekt, verhoogd met de volatiliteitsaanpassing die op die effecten of grondstoffen is afgestemd overeenkomstig de artikelen 223 tot en met 225.

2.   Voor de bepaling van de blootstellingswaarde van een in bijlage II vermeld afgeleid instrument wordt hoofdstuk 6 gehanteerd, waarbij voor de toepassing van deze methoden op basis van hoofdstuk 6 rekening wordt gehouden met het effect van schuldvernieuwingsovereenkomsten en andere verrekeningsovereenkomsten. De blootstellingswaarde van retrocessietransacties, transacties inzake verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen, transacties met afwikkeling op lange termijn en margeleningstransacties kan worden bepaald overeenkomstig hoofdstuk 6 of hoofdstuk 4.

3.   Als een blootstelling door volgestorte kredietprotectie wordt gegarandeerd, kan de blootstellingswaarde van die post op basis van hoofdstuk 4 worden gewijzigd.

Artikel 112

Categorieën blootstellingen

Elke blootstelling wordt ondergebracht in een van de volgende categorieën:

a)

blootstellingen met betrekking tot centrale overheden of centrale banken;

b)

blootstellingen met betrekking tot regionale of lokale overheden;

c)

blootstellingen met betrekking tot publiekrechtelijke lichamen;

d)

blootstellingen met betrekking tot multilaterale ontwikkelingsbanken;

e)

blootstellingen met betrekking tot internationale organisaties;

f)

blootstellingen met betrekking tot instellingen;

g)

blootstellingen met betrekking tot ondernemingen;

h)

blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen;

i)

blootstellingen die gedekt zijn door hypotheken op onroerend goed;

j)

blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling;

k)

blootstellingen met een bijzonder hoog risico;

l)

blootstellingen in de vorm van gedekte obligaties;

m)

posten die securitisatieposities vertegenwoordigen;

n)

blootstellingen met betrekking tot instellingen en ondernemingen met een kredietbeoordeling voor de korte termijn;

o)

blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in instellingen voor collectieve belegging (icb's);

p)

blootstellingen in aandelen;

q)

overige posten.

Artikel 113

Berekening van risicogewogen posten

1.   Voor de berekening van de risicogewogen posten worden risicogewichten toegepast op alle blootstellingen, tenzij zij overeenkomstig het bepaalde in afdeling 2 van het eigen vermogen worden afgetrokken. Het toegepast risicogewicht hangt af van de categorie waarin de blootstelling is ondergebracht, en, in de mate als bepaald in afdeling 2, van de kredietkwaliteit ervan. Voor de bepaling van de kredietkwaliteit mogen de kredietbeoordelingen van EKBI's of de kredietbeoordelingen van exportkredietverzekeringsmaatschappijen overeenkomstig afdeling 3 worden gebruikt.

2.   Voor de toepassing van een risicogewicht als bedoeld in lid 1, wordt de blootstellingswaarde vermenigvuldigd met het risicogewicht dat op basis van afdeling 2 is voorgeschreven of vastgesteld.

3.   Als een blootstelling door kredietprotectie is gegarandeerd, mag het op deze post toepasselijke risicogewicht op basis van hoofdstuk 4 worden gewijzigd.

4.   Bij gesecuritiseerde blootstellingen worden de risicogewogen posten berekend op basis van hoofdstuk 5.

5.   Blootstellingen waarvoor in afdeling 2 geen voorschriften voor de berekening zijn vastgesteld, krijgen een risicogewicht van 100 %.

6.   Met uitzondering van blootstellingen die aanleiding geven tot tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- of tier 2-bestanddelen, kan een instelling, met de voorafgaande goedkeuring van de bevoegde autoriteiten, besluiten de vereisten van lid 1 van dit artikel niet toe te passen op de blootstellingen van die instelling op een tegenpartij die haar moederonderneming, dochteronderneming of een dochteronderneming van haar moederonderneming is, dan wel een onderneming die verbonden is door een band als bedoeld in artikel 12, lid 1, van Richtlijn 83/349/EEG. De bevoegde autoriteiten worden gemachtigd een dergelijke alternatieve methode goed te keuren mits er aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

de tegenpartij is een instelling, een financiële holding of een gemengde financiële holding, financiële instelling, vermogensbeheerder of een nevendiensten verrichtende onderneming waarop prudentiële vereisten van toepassing zijn;

b)

de tegenpartij en de instelling zijn opgenomen in dezelfde volledige consolidatie;

c)

de tegenpartij is onderworpen aan dezelfde risicobeoordelings-, meet- en controleprocedures als de instelling;

d)

de tegenpartij is gevestigd in dezelfde lidstaat als de instelling;

e)

er is geen feitelijke of juridische belemmering van wezenlijk belang aanwezig of te voorzien die een onmiddellijke overdracht van eigen vermogen of terugbetaling van passiva door de tegenpartij aan de instelling kan verhinderen.

Indien het de instelling overeenkomstig dit lid is toegestaan de vereisten van lid 1 niet toe te passen, kan zij een risicogewicht van 0 % toekennen.

7.   Met uitzondering van blootstellingen die aanleiding geven tot tier 1-kernkapitaal-, aanvullend tier 1- of tier 2-bestanddelen, kunnen de instellingen, met de voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteiten, besluiten de vereisten van lid 1 van dit artikel niet toe te passen op de blootstellingen met betrekking tot tegenpartijen die aangesloten zijn bij hetzelfde institutioneel protectiestelsel, namelijk een contractuele of wettelijke aansprakelijkheidsregeling waardoor de instellingen beschermd worden en waardoor, zo nodig, met name hun liquiditeit en solventie beschermd worden om faillissement te voorkomen. De bevoegde autoriteiten worden gemachtigd toestemming te verlenen voor een dergelijke alternatieve methode mits er aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

er wordt voldaan aan de vereisten van lid 6, punten a), d) en e);

b)

door de regelingen wordt gewaarborgd dat het institutioneel protectiestelsel in staat is uit fondsen waarover het vrijelijk kan beschikken, de steun te verlenen die noodzakelijk is in het kader van zijn verbintenis;

c)

het institutioneel protectiestelsel beschikt over geschikte en in uniforme regels voorgeschreven systemen voor het toezicht op en de classificatie van risico's, die een compleet overzicht bieden van de risicosituaties van de individuele leden en van het institutioneel protectiestelsel als geheel, met dienovereenkomstige mogelijkheden tot ingrijpen; met behulp van deze systemen worden overeenkomstig artikel 178, lid 1, blootstellingen ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan, op passende wijze bewaakt;

d)

het institutioneel protectiestelsel voert zijn eigen risico-onderzoek uit waarvan de resultaten aan de individuele leden worden medegedeeld;

e)

het institutioneel protectiestelsel formuleert en publiceert eenmaal per jaar een geconsolideerd verslag met de balans, de resultatenrekening, het verslag over de situatie en het risicoverslag van het institutioneel protectiestelsel als geheel, dan wel een verslag met de geaggregeerde balans, de geaggregeerde resultatenrekening, het verslag over de situatie en het risicoverslag van het institutioneel protectiestelsel als geheel;

f)

indien de leden van het institutioneel protectiestelsel voornemens zijn het institutioneel protectiestelsel te beëindigen, moeten zij dit ten minste 24 maanden van tevoren kenbaar maken;

g)

het meervoudige gebruik van elementen die in aanmerking komen voor de berekening van het eigen vermogen (hierna "multiple gearing" genoemd), alsook het op enigerlei wijze ongepast creëren van eigen vermogen tussen de leden van het institutioneel protectiestelsel, wordt afgeschaft;

h)

het institutioneel protectiestelsel is gebaseerd op breed lidmaatschap van kredietinstellingen met een voornamelijk homogeen bedrijfsprofiel; en

i)

de toereikendheid van de onder c) en d) bedoelde systemen wordt goedgekeurd en regelmatig gecontroleerd door de ter zake bevoegde autoriteiten.

Indien de instelling overeenkomstig dit lid besluit de vereisten van lid 1 niet toe te passen, kan zij een risicogewicht van 0 % toepassen.

Afdeling 2

Risicogewichten

Artikel 114

Blootstellingen met betrekking tot centrale overheden of centrale banken

1.   Aan blootstellingen met betrekking tot centrale overheden en centrale banken wordt een risicogewicht van 100 % toegekend, tenzij de in de leden 2 tot en met 7 vermelde behandelingen van toepassing zijn.

2.   Aan blootstellingen met betrekking tot centrale overheden en centrale banken waarvoor een kredietbeoordeling van een aangewezen externe kredietbeoordelingsinstelling (EKBI) beschikbaar is, wordt conform tabel 1 een risicogewicht toegekend dat overeenstemt met de kredietbeoordeling van de EKBI overeenkomstig artikel 136.

Tabel 1

Kredietkwaliteitscategorie

1

2

3

4

5

6

Risicogewicht

0 %

20 %

50 %

100 %

100 %

150 %

3.   Aan blootstellingen met betrekking tot de ECB wordt een risicogewicht van 0 % toegekend.

4.   Aan blootstellingen met betrekking tot de centrale overheden en de centrale banken van de lidstaten die luiden in de nationale valuta en die gefinancierd zijn in de nationale valuta van die centrale overheid en centrale bank, wordt een risicogewicht van 0 % toegekend.

5.   Tot 31 december 2017 wordt aan blootstellingen met betrekking tot centrale regeringen of centrale banken van de lidstaten die luiden en gefinancierd zijn in de nationale valuta van een lidstaat hetzelfde risicogewicht toegekend als zou worden toegepast op dergelijke blootstellingen die luiden en gefinancierd zijn in hun nationale valuta.

6.   Voor de in lid 5 vermelde blootstellingen:

a)

bedragen de berekende risicogewogen posten in 2018 20 % van het overeenkomstig artikel 114, lid 2, aan die blootstellingen toegekende risicogewicht;

b)

bedragen de berekende risicogewogen posten in 2019 50 % van het overeenkomstig artikel 114, lid 2, aan die blootstellingen toegekende risicogewicht;

c)

bedragen de berekende risicogewogen posten vanaf 2020 100 % van het overeenkomstig artikel 114, lid 2, aan die blootstellingen toegekende risicogewicht.

7.   Indien de bevoegde autoriteiten van een derde land met een toezicht- en reguleringsstelsel dat ten minste gelijkwaardig is aan de stelsels die in de Unie worden toegepast, aan in de nationale valuta luidende en gefinancierde blootstellingen met betrekking tot hun centrale overheid en centrale bank een lager risicogewicht toekennen dan in de leden 1 en 2 is vermeld, kunnen de instellingen het risicogewicht van dergelijke blootstellingen op dezelfde wijze vaststellen.

Voor de toepassing van dit lid kan de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen en met inachtneming van de in artikel 464, lid 2, genoemde onderzoeksprocedure besluiten of een derde land een toezicht- en regelgevingsstelsel toepast dat ten minste gelijkwaardig is aan het stelsel dat in de Unie worden toegepast. Zolang een dergelijk besluit niet is genomen, kunnen de instellingen tot 1 januari 2015 blootstellingen met betrekking tot de centrale overheid of de centrale bank van het derde land op de in dit lid beschreven wijze blijven behandelen indien de ter zake bevoegde autoriteiten het derde land vóór 1 januari 2014 hadden aangemerkt als in aanmerking komend voor deze behandeling.

Artikel 115

Blootstellingen met betrekking tot regionale of lokale overheden

1.   Aan blootstellingen met betrekking tot regionale of lokale overheden wordt hetzelfde risicogewicht toegekend als aan blootstellingen met betrekking tot instellingen, tenzij zij worden behandeld als blootstellingen met betrekking tot centrale overheden overeenkomstig lid 2 of 4, of hun een risicogewicht wordt toegekend als vermeld in lid 5. De preferentiële behandeling van de in artikel 119, lid 2, en artikel 120, lid 2, gespecificeerde kortlopende blootstellingen wordt niet toegepast.

2.   Blootstellingen met betrekking tot regionale of lokale overheden worden behandeld als blootstellingen met betrekking tot de centrale overheid in het rechtsgebied waarvan zij gevestigd zijn indien er tussen die blootstellingen geen verschil in risico bestaat vanwege de specifieke bevoegdheden van de regionale en lagere overheden om inkomsten te verkrijgen en het bestaan van specifieke institutionele regels waardoor de kans dat genoemde overheden in gebreke blijven, wordt verminderd.

De EBA onderhoudt een voor het publiek toegankelijke gegevensbank van alle lokale en regionale overheden in de Unie die door de betrokken bevoegde autoriteiten worden behandeld als blootstellingen met betrekking tot hun centrale overheden.

3.   Blootstellingen met betrekking tot kerken of godsdienstige gemeenschappen die een rechtspersoon van publiek recht zijn, worden, voor zover deze instellingen belastingen heffen overeenkomstig de wetgeving die hun daartoe het recht verleent, behandeld als blootstellingen met betrekking tot regionale en lokale overheden. In dit geval is lid 2 niet van toepassing en wordt voor de toepassing van artikel 150, lid 1, punt a), de toestemming tot toepassing van de standaardbenadering niet uitgesloten.

4.   Indien de bevoegde autoriteiten van een derde land met een toezicht- en reguleringsstelsel dat ten minste gelijkwaardig is aan het stelsel dat in de Unie wordt toegepast, blootstellingen met betrekking tot regionale of lokale overheden behandelen als blootstellingen met betrekking tot hun centrale overheid en er geen verschil in risico bestaat tussen dergelijke blootstellingen vanwege de specifieke bevoegdheden van de regionale of lokale overheden om inkomsten te verwerven en het bestaan van specifieke institutionele regels om de kans op in gebreke blijven te verminderen, mogen de instellingen het risicogewicht van blootstellingen met betrekking tot de betrokken regionale en lokale overheden op dezelfde wijze vaststellen.

Voor de toepassing van dit lid kan de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen en met inachtneming van de in artikel 464, lid 2, genoemde onderzoeksprocedure besluiten of een derde land een toezicht- en regelgevingsstelsel toepast dat ten minste gelijkwaardig is aan het stelsel dat in de Unie worden toegepast. Zolang een dergelijk besluit niet is genomen, kunnen de instellingen tot 1 januari 2015 de in dit lid beschreven behandeling op het derde land blijven toepassen indien de ter zake bevoegde autoriteiten het derde land vóór 1 januari 2014 hadden aangemerkt als in aanmerking komend voor deze behandeling.

5.   Aan andere dan in de leden 2 tot en met 4 bedoelde blootstellingen met betrekking tot regionale of lokale overheden van de lidstaten die luiden en gefinancierd zijn in de nationale valuta van deze regionale en lokale overheid, wordt een risicogewicht van 20 % toegekend.

Artikel 116

Blootstellingen met betrekking tot publiekrechtelijke lichamen

1.   Aan blootstellingen met betrekking tot publiekrechtelijke lichamen waarvoor geen kredietbeoordeling door een aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt een risicogewicht toegekend op basis van de kredietkwaliteitscategorie waarin de blootstellingen met betrekking tot de centrale overheid in het rechtsgebied waarvan het publiekrechtelijke lichaam zijn statutaire zetel heeft, overeenkomstig de onderstaande tabel 2 zijn ondergebracht.

Tabel 2

Kredietkwaliteitscategorie waarin de centrale overheid is ondergebracht

1

2

3

4

5

6

Risicogewicht

20 %

50 %

100 %

100 %

100 %

150 %

Het risicogewicht van blootstellingen met betrekking tot publiekrechtelijke lichamen die hun statutaire zetel hebben in landen waarvan de centrale overheid geen externe rating heeft, bedraagt 100 %.

2.   Blootstellingen met betrekking tot publiekrechtelijke lichamen waarvoor geen kredietbeoordeling van een aangewezen EKBI beschikbaar is, worden behandeld overeenkomstig artikel 120. De preferentiële behandeling van kortlopende blootstellingen als bedoeld in artikel 119, lid 2, en artikel 120, lid 2, wordt niet op deze publiekrechtelijke lichamen toegepast.

3.   Aan blootstellingen met betrekking tot publiekrechtelijke lichamen met een oorspronkelijke looptijd van drie maanden of minder wordt een risicogewicht van 20 % toegekend.

4.   In uitzonderlijke omstandigheden kunnen blootstellingen met betrekking tot publiekrechtelijke lichamen worden behandeld als blootstellingen met betrekking tot de centrale overheid, de regionale overheid of de lokale overheid in het rechtsgebied waarvan zij gevestigd zijn, indien er, naar de mening van de bevoegde autoriteiten van dat rechtsgebied, tussen die blootstellingen geen verschil in risico bestaat wegens het bestaan van een passende garantie van de centrale overheid, de regionale overheid of de lokale overheid.

5.   Indien de bevoegde autoriteiten van een derde land met een toezicht- en regelgevingsstelsel dat ten minste gelijkwaardig is aan het stelsel dat in de Unie worden toegepast, blootstellingen met betrekking tot publiekrechtelijke lichamen behandelen overeenkomstig lid 1 of lid 2, kunnen de instellingen het risicogewicht van de betrokken publiekrechtelijke lichamen op dezelfde wijze vaststellen. Anders passen de instellingen een risicogewicht van 100 % toe.

Voor de toepassing van dit lid kan de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen en met inachtneming van de in artikel 464, lid 2, genoemde onderzoeksprocedure besluiten of een derde land een toezicht- en regelgevingsstelsel toepast dat ten minste gelijkwaardig is aan het stelsel dat in de Unie worden toegepast. Zolang een dergelijk besluit niet is genomen, kunnen de instellingen tot 1 januari 2015 de in dit lid beschreven behandeling op het derde land blijven toepassen indien de ter zake bevoegde autoriteiten het derde land vóór 1 januari 2014 hadden aangemerkt als in aanmerking komend voor deze behandeling.

Artikel 117

Blootstellingen met betrekking tot multilaterale ontwikkelingsbanken

1.   Blootstellingen met betrekking tot andere dan de in lid 2 genoemde multilaterale ontwikkelingsbanken, worden op dezelfde wijze behandeld als blootstellingen met betrekking tot instellingen. De preferentiële behandeling van de in artikel 119, lid 2, artikel 120, lid 2, en artikel 121, lid 3, nader bepaalde kortlopende blootstellingen wordt niet toegepast.

De Inter-Amerikaanse Investeringsmaatschappij, de Zwarte Zee-Handels- en ontwikkelingsbank, de Midden-Amerikaanse Bank voor economische integratie en de CAF-Ontwikkelingsbank van Latijns-Amerika worden als een multilaterale ontwikkelingsbank aangemerkt.

2.   Aan blootstellingen met betrekking tot de volgende multilaterale ontwikkelingsbanken wordt een risicogewicht van 0 % toegekend:

a)

de Internationale Bank voor Herstel en Ontwikkeling;

b)

de Internationale Financieringsmaatschappij;

c)

de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank;

d)

de Aziatische Ontwikkelingsbank;

e)

de Afrikaanse Ontwikkelingsbank;

f)

de Ontwikkelingsbank van de Raad van Europa;

g)

de Nordic Investment Bank;

h)

de Caraïbische Ontwikkelingsbank;

i)

de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling;

j)

de Europese Investeringsbank;

k)

het Europees Investeringsfonds;

l)

het Multilateraal Agentschap voor Investeringsgaranties;

m)

de Internationale Financieringsfaciliteit voor Inenting;

n)

de Islamitische Ontwikkelingsbank.

3.   Aan het niet-gestorte gedeelte van het geplaatst kapitaal van het Europees Investeringsfonds wordt een risicogewicht van 20 % toegekend.

Artikel 118

Blootstellingen met betrekking tot internationale organisaties

Aan blootstellingen met betrekking tot de volgende internationale organisaties wordt een risicogewicht van 0 % toegekend:

a)

de Unie;

b)

het Internationaal Monetair Fonds;

c)

de Bank voor Internationale Betalingen;

d)

de Europese faciliteit voor financiële stabiliteit;

e)

het Europees stabiliteitsmechanisme;

f)

een internationale financiële instelling die door twee of meer lidstaten is opgericht, die als doel heeft middelen bijeen te brengen en financiële bijstand te verlenen ten behoeve van leden die ernstige financieringsproblemen ondervinden of daardoor bedreigd worden.

Artikel 119

Blootstellingen met betrekking tot instellingen

1.   Op blootstellingen met betrekking tot instellingen waarvoor een kredietbeoordeling van een aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt een risicogewicht op basis van artikel 120 toegepast. Op blootstellingen met betrekking tot instellingen waarvoor geen kredietbeoordeling van een aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt een risicogewicht op basis van artikel 121 toegepast.

2.   Aan in de nationale valuta van de kredietnemer luidende en gefinancierde blootstellingen met betrekking tot instellingen met een resterende looptijd van ten hoogste drie maanden wordt een risicogewicht toegekend dat één klasse slechter is dan het in artikel 114, leden 4 tot en met 7, beschreven preferentiële risicogewicht dat wordt toegekend aan blootstellingen met betrekking tot de centrale overheid van de lidstaat waar de instelling haar statutaire zetel heeft.

3.   Het risicogewicht van in de nationale valuta van de kredietnemer luidende en gefinancierde blootstellingen met een resterende looptijd van ten hoogste drie maanden bedraagt ten minste 20 %.

4.   Aan een blootstelling met betrekking tot een instelling die de vorm heeft van door de ECB of door de centrale bank van een lidstaat voorgeschreven, door de instelling aan te houden minimumreserves, kan het risicogewicht worden toegekend dat zou worden toegekend aan blootstellingen met betrekking tot de centrale bank van de betrokken lidstaat, mits:

a)

de reserves worden aangehouden overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1745/2003 van de Europese Centrale Bank van 12 september 2003 inzake de toepassing van reserveverplichtingen (29), of overeenkomstig nationale vereisten die in alle wezenlijke opzichten gelijkwaardig zijn aan de vereisten van die verordening;

b)

de reserves in geval van faillissement of insolventie van de instelling waar ze worden aangehouden tijdig en volledig aan de instelling worden terugbetaald, en niet beschikbaar zijn om aan andere verplichtingen van de instelling te voldoen.

5.   Blootstellingen met betrekking tot financiële instellingen waaraan een vergunning is verleend door en die onder toezicht staan van de bevoegde autoriteiten, en die onderworpen zijn aan prudentiële vereisten die qua degelijkheid vergelijkbaar zijn met die welke op instellingen worden toegepast, worden behandeld als blootstellingen met betrekking tot instellingen.

Artikel 120

Blootstellingen met betrekking tot instellingen met een rating

1.   Aan blootstellingen met betrekking tot instellingen met een resterende looptijd van meer dan drie maanden waarvoor een kredietbeoordeling van een aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt conform tabel 3 een risicogewicht toegekend dat overeenstemt met de kredietbeoordeling van de EKBI overeenkomstig artikel 136.

Tabel 3

Kredietkwaliteitscategorie

1

2

3

4

5

6

Risicogewicht

20 %

50 %

50 %

100 %

100 %

150 %

2.   Aan blootstellingen met betrekking tot een instelling met een resterende looptijd van maximaal drie maanden waarvoor een kredietbeoordeling van een aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt conform tabel 4 een risicogewicht toegekend dat overeenstemt met de kredietbeoordeling van de EKBI overeenkomstig artikel 136.

Tabel 4

Kredietkwaliteitscategorie

1

2

3

4

5

6

Risicogewicht

20 %

20 %

20 %

50 %

50 %

150 %

3.   De interactie tussen de behandeling van kredietbeoordelingen voor de korte termijn op basis van artikel 131 en de in lid 2 beschreven algemene preferentiële behandeling voor kortlopende blootstellingen verloopt als volgt:

a)

indien er voor de blootstelling geen kredietbeoordeling voor de korte termijn bestaat, dan is de in lid 2 gespecificeerde algemene preferentiële behandeling van kortlopende blootstellingen van toepassing op alle blootstellingen met betrekking tot instellingen met een resterende looptijd van ten hoogste drie maanden;

b)

indien er een kredietbeoordeling voor de korte termijn bestaat en indien deze leidt tot de toepassing van een risicogewicht dat gunstiger is dan of gelijk aan het risicogewicht dat voortvloeit uit de toepassing van de in lid 2 gespecificeerde algemene preferentiële behandeling van kortlopende blootstellingen, dan wordt uitsluitend voor die specifieke blootstelling van deze kredietbeoordeling gebruik gemaakt; voor andere kortlopende blootstellingen wordt de in lid 2 gespecificeerde algemene preferentiële behandeling toegepast;

c)

indien er een kredietbeoordeling voor de korte termijn bestaat en indien deze leidt tot de toepassing van een risicogewicht dat minder gunstig is dan het risicogewicht dat voortvloeit uit de toepassing van de in lid 2 gespecificeerde algemene preferentiële behandeling van kortlopende blootstellingen, dan wordt geen gebruik gemaakt van de algemene preferentiële behandeling van kortlopende blootstellingen en wordt aan alle kortlopende blootstellingen zonder externe rating hetzelfde risicogewicht toegekend als het risicogewicht dat voortvloeit uit de toepassing van de desbetreffende kredietbeoordeling voor de korte termijn.

Artikel 121

Blootstellingen met betrekking tot instellingen zonder rating

1.   Aan blootstellingen met betrekking tot instellingen waarvoor geen kredietbeoordeling door een aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt een risicogewicht toegekend op basis van de kredietkwaliteitscategorie waarin de blootstellingen met betrekking tot de centrale overheid in het rechtsgebied waarvan de instelling haar statutaire zetel heeft, overeenkomstig tabel 5 zijn ondergebracht.

Tabel 5

Kredietkwaliteitscategorie waarin de centrale overheid is ondergebracht

1

2

3

4

5

6

Risicogewicht van de blootstelling

20 %

50 %

100 %

100 %

100 %

150 %

2.   Het risicogewicht van blootstellingen met betrekking tot instellingen zonder rating die hun statutaire zetel hebben in landen waarvan de centrale overheid geen externe rating heeft, bedraagt 100 %.

3.   Aan blootstellingen met betrekking tot instellingen zonder rating met een oorspronkelijke effectieve looptijd van drie maanden of minder wordt een risicogewicht van 20 % toegekend.

4.   Onverminderd de leden 2 en 3 wordt aan blootstellingen aan het risico inzake handelsfinancieringen als bedoeld in artikel 162, lid 3, tweede alinea, onder b), met betrekking tot instellingen zonder rating een risicogewicht van 50 % toegekend; indien de resterende looptijd van deze blootstellingen aan het risico inzake handelsfinancieringen met betrekking tot instellingen zonder rating drie maanden of korter is, wordt hieraan een risicogewicht van 20 % toegekend.

Artikel 122

Blootstellingen met betrekking tot ondernemingen

1.   Aan blootstellingen waarvoor een kredietbeoordeling van een aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt conform tabel 6 een risicogewicht toegekend dat overeenstemt met de kredietbeoordeling van de EKBI overeenkomstig artikel 136.

Tabel 6

Kredietkwaliteitscategorie

1

2

3

4

5

6

Risicogewicht

20 %

50 %

100 %

100 %

150 %

150 %

2.   Aan blootstellingen waarvoor een dergelijke kredietbeoordeling niet beschikbaar is, wordt een risicogewicht van 100 % toegekend of het risicogewicht van blootstellingen met betrekking tot de centrale overheid van de lidstaat in het rechtsgebied waarvan de onderneming haar statutaire zetel heeft, indien dit laatste hoger is.

Artikel 123

Blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen

Aan blootstellingen die aan de volgende criteria voldoen, wordt een risicogewicht van 75 % toegekend:

a)

de blootstelling heeft betrekking op een natuurlijk persoon of natuurlijke personen dan wel op een kleine of middelgrote onderneming (kmo);

b)

de blootstelling maakt deel uit van een groot pakket blootstellingen met ongeveer dezelfde kenmerken zodat het risico dat aan dergelijke leningen verbonden is, aanzienlijk wordt beperkt;

c)

het totale bedrag dat de debiteur of groep van verbonden cliënten aan de instelling en moederondernemingen en haar dochterondernemingen verschuldigd is, inclusief blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling maar exclusief blootstellingen die geheel en volledig zijn gedekt door zekerheden in de vorm van niet-zakelijk onroerend goed en die zijn ondergebracht in de categorie blootstellingen van artikel 112, punt i), mag, voor zover de instelling weet, niet meer dan 1 miljoen EUR bedragen. De instelling onderneemt redelijke stappen om dit inzicht te verwerven.

Effecten kunnen niet in de categorie blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen worden ondergebracht.

Blootstellingen die niet aan de in de punten a) tot en met c) van de eerste alinea bedoelde criteria voldoen, kunnen niet in de categorie blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen worden ondergebracht.

De actuele waarde van de minimale leasebetalingen in verband met leasing aan particulieren en kleine partijen kan bij de categorie blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen worden ingedeeld.

Artikel 124

Blootstellingen die gedekt zijn door hypotheken op onroerend goed

1.   Aan blootstellingen of delen van blootstellingen die volledig zijn gedekt door hypotheken op onroerend goed, wordt een risicogewicht van 100 % toegekend indien de voorwaarden van de artikelen 125 en 126 niet zijn vervuld, behalve voor delen van de blootstellingen die bij een andere categorie blootstellingen zijn ingedeeld. Aan het deel van de blootstelling dat de hypotheekwaarde van het onroerend goed te boven gaat, wordt het risicogewicht toegekend dat van toepassing is op de niet-gedekte blootstellingen van de betrokken tegenpartij.

Het deel van een blootstelling dat wordt behandeld als zijnde volledig door onroerend goed gedekt, is niet hoger dan het in zekerheid gegeven bedrag van de marktwaarde of, in de lidstaten die bij wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen strikte criteria voor de beoordeling van de hypotheekwaarde hebben vastgesteld, de hypotheekwaarde van het betrokken onroerend goed.

2.   Op basis van de overeenkomstig artikel 101 vergaarde gegevens en eventuele andere relevante indicatoren beoordelen de bevoegde autoriteiten periodiek en ten minste jaarlijks of het risicogewicht van 35 % voor de in artikel 125 bedoelde blootstellingen die gedekt zijn door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed dat op hun grondgebied is gesitueerd, en het risicogewicht van 50 % voor in artikel 126 bedoelde blootstellingen die gedekt zijn door hypotheken op zakelijk onroerend goed dat op hun grondgebied is gesitueerd, geschikt zijn op basis van:

a)

de ervaring met verliezen op blootstellingen die door onroerend goed zijn gedekt;

b)

de toekomstige ontwikkelingen op de markten voor onroerend goed;

De bevoegde autoriteiten kunnen in voorkomend geval op basis van overwegingen in verband met financiële stabiliteit een hoger risicogewicht of strengere criteria dan die van artikel 125, lid 2, en van artikel 126, lid 2, vaststellen.

Voor blootstellingen die door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed zijn gedekt, stelt de bevoegde autoriteit het risicogewicht vast op een percentage gelijk aan of groter dan 35 % en kleiner dan of gelijk aan 150 %.

Voor blootstellingen die door hypotheken op zakelijk onroerend goed zijn gedekt, stelt de bevoegde autoriteit het risicogewicht vast op een percentage gelijk aan of groter dan 50 % en kleiner dan of gelijk aan 150 %.

Binnen die grenzen wordt het hogere risicogewicht vastgesteld op basis van ervaring met verliezen en rekening houdend met toekomstige marktontwikkelingen en overwegingen in verband met financiële stabiliteit. Indien uit de beoordeling blijkt dat de in artikel 125, lid 2, en artikel 126, lid 2, vermelde risicogewichten geen goede afspiegeling vormen van de werkelijke risico's die verbonden zijn aan een of meer eigendomsegmenten van die blootstellingen, die volledig zijn gedekt door hypotheken op niet-zakelijk of op zakelijk onroerend goed dat in een of meer delen van het eigen grondgebied is gesitueerd, stellen de bevoegde autoriteiten voor die segmenten van de blootstellingen een hoger risicogewicht vast dat met de werkelijke risico's overeenstemt.

De bevoegde autoriteiten raadplegen de EBA over de aanpassingen aan de toegepaste risicogewichten en criteria, die zullen worden berekend volgens de in dit lid vermelde criteria, zoals nader bepaald bij de in lid 4 bedoelde technische reguleringsnormen. De EBA publiceert de door de bevoegde autoriteiten voor de in de artikelen 125, 126 en 199 bedoelde blootstellingen vastgestelde risicogewichten en criteria.

3.   Wanneer de bevoegde autoriteiten een hoger risicogewicht of striktere criteria vaststellen, moeten de instellingen kunnen beschikken over een overgangsperiode van zes maanden om het nieuwe risicogewicht toe te passen.

4.   De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van:

a)

de strikte criteria voor het beoordelen van de in lid 1 bedoelde hypotheekwaarde;

b)

de in lid 2 bedoelde voorwaarden die de bevoegde autoriteiten in aanmerking moeten nemen bij het vaststellen van hogere risicogewichten, met name het begrip "overwegingen in verband met financiële stabiliteit".

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 31 december 2014 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

5.   De instellingen van een lidstaat passen de door de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat vastgestelde risicogewichten en criteria toe op blootstellingen die gedekt zijn door hypotheken op zakelijk en niet-zakelijk onroerend goed dat in die lidstaat gelegen is.

Artikel 125

Blootstellingen die geheel en volledig door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed zijn gedekt

1.   Tenzij de bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 124, lid 2 anders beslissen, worden blootstellingen die geheel en volledig door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed zijn gedekt, als volgt behandeld:

a)

aan blootstellingen of delen van blootstellingen die geheel en volledig zijn gedekt door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed dat wordt of zal worden bewoond of verhuurd door de eigenaar of de uiteindelijk gerechtigde in het geval van een particuliere beleggingsonderneming, wordt een risicogewicht van 35 % toegekend;

b)

aan blootstellingen ten aanzien van een huurder in het kader van leasingtransacties met betrekking tot niet-zakelijk onroerend goed, waarbij de instelling de leasegever is en de huurder een koopoptie heeft, wordt een risicogewicht van 35 % toegekend mits de blootstelling van de instelling geheel en volledig is gedekt door haar eigendom van het onroerend goed.

2.   Voor de toepassing van lid 1 beschouwen de instellingen een blootstelling of deel van een blootstelling uitsluitend als geheel en volledig gedekt indien er aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

de waarde van het onroerend goed hangt niet in wezenlijke mate af van de kredietkwaliteit van de kredietnemer. De instellingen kunnen van de bepaling van het wezenlijke karakter van deze afhankelijkheid situaties uitsluiten waarin louter macro-economische factoren een negatief effect hebben op zowel de waarde van het onroerend goed als het betalingsgedrag van de kredietnemer;

b)

het risico van de kredietnemer hangt niet in wezenlijke mate af van het rendement van het onderliggend onroerend goed of project, maar veeleer van het onderliggende vermogen van de kredietnemer om de schuld uit andere bronnen terug te betalen, en de terugbetaling van de faciliteit hangt bijgevolg niet in wezenlijke mate af van enigerlei kasstroom die wordt gegenereerd door het onderliggend onroerend goed dat als zekerheid fungeert. Voor deze andere bronnen bepalen de instellingen in het kader van hun leningsbeleid de maximale loan-to-income ratio's en verkrijgen zij bij het verstrekken van de lening passende informatie over het betrokken inkomen;

c)

er wordt voldaan aan de vereisten van artikel 208 en aan de waarderingsregels van artikel 229, lid 1;

d)

tenzij overeenkomstig artikel 124, lid 2, anders is bepaald, bedraagt het deel van de lening waaraan het risicogewicht van 35 % is toegekend niet meer dan 80 % van de marktwaarde van het betrokken onroerend goed, of 80 % van de hypotheekwaarde van het betrokken onroerend goed, in lidstaten die bij wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen strenge criteria voor de beoordeling van de hypotheekwaarde hebben vastgesteld.

3.   Voor blootstellingen die geheel en volledig gedekt zijn door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed dat op het grondgebied van een lidstaat gelegen is, kunnen de instellingen afwijken van lid 2, onder b), indien de bevoegde autoriteit van die lidstaat informatie heeft gepubliceerd waaruit blijkt dat er op dat grondgebied sprake is van een goed ontwikkelde en reeds geruime tijd bestaande markt voor niet-zakelijk onroerend goed met verliescijfers die de volgende maxima niet overschrijden:

a)

verliezen die voortvloeien uit leningen die gegarandeerd worden door niet-zakelijk onroerend goed tot 80 % van de marktwaarde of tot 80 % van de hypotheekwaarde, tenzij overeenkomstig artikel 124, lid 2, anders is bepaald, bedragen in een gegeven jaar niet meer dan 0,3 % van de uitstaande leningen die gegarandeerd worden door niet-zakelijk onroerend goed;

b)

de totale verliezen die voortvloeien uit leningen die gegarandeerd worden door niet-zakelijk onroerend goed, bedragen in een gegeven jaar niet meer dan 0,5 % van de uitstaande leningen die gegarandeerd worden door niet-zakelijk onroerend goed.

4.   Indien in een gegeven jaar niet aan een van beide in lid 3 genoemde maxima is voldaan, kan niet langer gebruik worden gemaakt van lid 3 en geldt de in lid 2, onder b), gestelde voorwaarde totdat er in een volgend jaar aan de in lid 3 gestelde voorwaarden wordt voldaan.

Artikel 126

Blootstellingen die geheel en volledig gedekt zijn door hypotheken op zakelijk onroerend goed

1.   Tenzij de bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 124, lid 2, anders hebben besloten, worden blootstellingen die geheel en volledig door hypotheken op zakelijk onroerend goed zijn gedekt, als volgt behandeld:

a)

aan blootstellingen of delen van blootstellingen die geheel en volledig gedekt zijn door hypotheken op kantoorgebouwen of andere zakelijke panden, kan een risicogewicht van 50 % worden toegekend;

b)

aan blootstellingen in het kader van leasingtransacties met betrekking tot kantoren of andere zakelijke panden waarbij de instelling de leasegever is en de huurder een koopoptie heeft, kan een risicogewicht van 50 % worden toegekend, mits de blootstelling van de instelling geheel en volledig is gedekt door haar eigendom van het onroerend goed.

2.   Voor de toepassing van lid 1 beschouwen de instellingen een blootstelling of deel van een blootstelling uitsluitend als geheel en volledig gedekt indien er aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

de waarde van het onroerend goed hangt niet in wezenlijke mate af van de kredietkwaliteit van de kredietnemer. De instellingen kunnen van de bepaling van het wezenlijke karakter van deze afhankelijkheid situaties uitsluiten waarin louter macro-economische factoren een negatief effect hebben op zowel de waarde van het onroerend goed als het betalingsgedrag van de kredietnemer;

b)

het risico van de kredietnemer hangt niet in wezenlijke mate af van het rendement van het onderliggend onroerend goed of project, maar veeleer van het onderliggende vermogen van de kredietnemer om de schuld uit andere bronnen terug te betalen, en de terugbetaling van de faciliteit hangt bijgevolg niet in wezenlijke mate af van enigerlei kasstroom die wordt gegenereerd door het onderliggend onroerend goed dat als zekerheid fungeert;

c)

er wordt voldaan aan de vereisten van artikel 208 en aan de waarderingsregels van artikel 229, lid 1;

d)

in lidstaten die bij wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen strenge criteria hebben vastgesteld voor de beoordeling van de hypotheekwaarde, wordt het risicogewicht van 50 %, tenzij overeenkomstig artikel 124, lid 2, anders is bepaald, toegekend aan het deel van de lening dat niet meer dan 50 % van de marktwaarde van het onroerend goed bedraagt of 60 %, tenzij overeenkomstig artikel 124, lid 2, anders is bepaald, van de hypotheekwaarde van het betrokken onroerend goed.

3.   Voor blootstellingen die geheel en volledig gedekt zijn door hypotheken op zakelijk onroerend goed dat op het grondgebied van een lidstaat gelegen is, kunnen de instellingen afwijken van lid 2, punt b), indien de bevoegde autoriteit van die lidstaat informatie heeft gepubliceerd waaruit blijkt dat er op dat grondgebied sprake is van een goed ontwikkelde en reeds geruime tijd bestaande markt voor zakelijk onroerend goed met verliescijfers die de volgende maxima niet overschrijden:

a)

verliezen die voortvloeien uit leningen die gegarandeerd worden door zakelijk onroerend goed tot 50 % van de marktwaarde of tot 60 % van de hypotheekwaarde, tenzij overeenkomstig artikel 124, lid 2, anders is bepaald,) bedragen niet meer dan 0,3 % van de uitstaande leningen die gegarandeerd worden door zakelijk onroerend goed;

b)

de totale verliezen die voortvloeien uit leningen die gegarandeerd worden door zakelijk onroerend goed, bedragen niet meer dan 0,5 % van de uitstaande leningen die gegarandeerd worden door zakelijk onroerend goed.

4.   Indien in een gegeven jaar niet aan één van beide in lid 3 genoemde maxima wordt voldaan, kan niet langer gebruik worden gemaakt van lid 3 en is de in lid 2, onder b), gestelde voorwaarde van toepassing totdat in een volgend jaar aan de in lid 3 gestelde voorwaarden wordt voldaan.

Artikel 127

Blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling

1.   Aan het niet-gedekte gedeelte van enige post ten aanzien waarvan zich met betrekking tot een debiteur een wanbetaling overeenkomstig artikel 178 heeft voorgedaan of, bij blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen, aan het ongedekte gedeelte van een kredietfaciliteit ten aanzien waarvan zich een wanbetaling overeenkomstig artikel 178 heeft voorgedaan, wordt een risicogewicht toegekend van:

a)

150 % indien de specifieke kredietrisicoaanpassingen minder bedragen dan 20 % van het niet-gedekte gedeelte van de blootstellingswaarde als deze specifieke kredietrisicoaanpassingen niet werden toegepast;

b)

100 % indien de specifieke kredietrisicoaanpassingen niet minder bedragen dan 20 % van het niet-gedekte gedeelte van de blootstellingswaarde als deze specifieke kredietrisicoaanpassingen niet werden toegepast.

2.   Voor de bepaling van het gedekte gedeelte van het bestanddeel ten aanzien waarvan een debiteur achterstallig is, zijn de toelaatbare zekerheden en garanties die welke toelaatbaar zijn voor de kredietrisicolimitering in het kader van hoofdstuk 4.

3.   Aan de resterende blootstellingswaarde na specifieke kredietrisicoaanpassingen van blootstellingen die overeenkomstig artikel 125 geheel en volledig gedekt zijn door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed, wordt een risicogewicht toegekend van 100 %, indien er zich een wanbetaling overeenkomstig artikel 178 heeft voorgedaan.

4.   Aan de resterende blootstellingswaarde na specifieke kredietrisicoaanpassingen van blootstellingen die overeenkomstig artikel 126 geheel en volledig gedekt zijn door hypotheken op zakelijk onroerend goed, wordt een risicogewicht toegekend van 100 %, indien er zich een wanbetaling overeenkomstig artikel 178 heeft voorgedaan.

Artikel 128

Posten met een bijzonder hoog risico

1.   De instellingen kennen in voorkomend geval een risicogewicht van 150 % toe aan blootstellingen waaraan bijzonder hoge risico's verbonden zijn, met inbegrip van blootstellingen in de vorm van aandelen of rechten van deelneming in een instelling voor collectieve belegging.

2.   Onder blootstellingen met bijzonder hoge risico's vallen de volgende blootstellingen:

a)

beleggingen in durfkapitaalfondsen;

b)

beleggingen in abi's als omschreven in artikel 4, lid 1, punt a), van Richtlijn 2011/61/EU, tenzij het mandaat van de beleggingsinstelling geen hogere hefboomwerking toestaat dan degene die krachtens artikel 51, lid 3, van Richtlijn 2009/65/EG is vereist;

c)

beleggingen in particulier risicokapitaal;

d)

speculatieve financiering van onroerend goed.

3.   Bij de beoordeling of aan andere dan de in lid 2 bedoelde blootstellingen bijzonder hoge risico's verbonden zijn, houden de instellingen rekening met de volgende risicokenmerken:

a)

er bestaat een hoog risico op verlies als gevolg van wanbetaling door de debiteur;

b)

het is onmogelijk juist in te schatten of de blootstelling onder punt a) valt.

De EBA vaardigt richtsnoeren uit om te bepalen aan welke soorten blootstellingen en in welke omstandigheden een bijzonder hoog risico verbonden is.

Deze richtsnoeren worden vastgesteld overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 129

Blootstellingen in de vorm van gedekte obligaties

1.   Om in aanmerking te komen voor de in de leden 4 en 5 beschreven preferentiële behandeling moeten obligaties als bedoeld in artikel 52, lid 4, van Richtlijn 2009/65/EG (gedekte obligaties) voldoen aan de vereisten van lid 7 en gegarandeerd zijn door een van de volgende toelaatbare activa:

a)

blootstellingen met betrekking tot of gegarandeerd door centrale overheden, centrale banken van het ESCB, publiekrechtelijke lichamen, regionale of lokale overheden in de Unie;

b)

blootstellingen met betrekking tot of gegarandeerd door centrale overheden van derde landen, centrale banken van derde landen, multilaterale ontwikkelingsbanken, internationale organisaties welke in aanmerking komen voor kredietkwaliteitscategorie 1 overeenkomstig dit hoofdstuk, en blootstellingen met betrekking tot of gegarandeerd door publiekrechtelijke lichamen van derde landen, regionale overheden van derde landen of lokale overheden van derde landen, welke overeenkomstig respectievelijk artikel 115, lid 1 of lid 2, of artikel 116, leden 1, 2 of 4, eenzelfde risicogewicht hebben als blootstellingen met betrekking tot instellingen of centrale overheden en centrale banken en welke in aanmerking komen voor kredietkwaliteitscategorie 1 overeenkomstig dit hoofdstuk, en blootstellingen in de zin van dit punt welke ten minste in aanmerking komen voor kredietkwaliteitscategorie 2 overeenkomstig dit hoofdstuk, mits zij niet hoger liggen dan 20 % van het nominale bedrag van de uitstaande gedekte obligaties van de uitgevende instellingen;

c)

blootstellingen met betrekking tot instellingen welke in aanmerking komen voor kredietkwaliteitscategorie 1 overeenkomstig dit hoofdstuk. Het totaalbedrag van dergelijke blootstellingen mag niet hoger liggen dan 15 % van het nominale bedrag van de uitstaande gedekte obligaties van de uitgevende instelling. Blootstellingen met betrekking tot instellingen in de Unie met een looptijd van maximaal 100 dagen vallen niet onder het vereiste van categorie 1, maar die instellingen komen ten minste in aanmerking voor kredietkwaliteitscategorie 2 overeenkomstig dit hoofdstuk.

d)

leningen die gedekt zijn door:

i)

niet-zakelijk onroerend goed tot aan een waarde die de laagste is van de hoofdsom van de pandrechten in combinatie met eerder verleende pandrechten, en 80 % van de waarde van de in pand gegeven goederen, of

ii)

preferente aandelen die worden uitgegeven door Franse "Fonds Communs de Titrisation" of door gelijkwaardige securitisatie-entiteiten die onder de wetgeving van een lidstaat ressorteren en die door niet-zakelijk onroerend goed gedekte blootstellingen securitiseren. Indien dergelijke preferente aandelen als dekking worden gebruikt, zorgt het bijzonder overheidstoezicht ter bescherming van obligatiehouders als bedoeld in artikel 52, lid 4, van Richtlijn 2009/65/EG ervoor dat de onderliggende activa van deze aandelen, op ieder moment dat zij deel uitmaken van de cover pool, voor ten minste 90 % bestaat uit hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed die gecombineerd zijn met eventueel eerder verleende pandrechten tot aan een waarde die de laagste is van de hoofdsommen die krachtens de preferente aandelen verschuldigd zijn, de hoofdsommen van de pandrechten en 80 % van de waarde van de in pand gegeven goederen, dat de aandelen in aanmerking komen voor de kredietkwaliteitscategorie 1 overeenkomstig dit hoofdstuk en dat deze aandelen niet meer bedragen dan 10 % van het nominale bedrag van de uitstaande uitgifte.

e)

woonkredieten die volledig gedekt zijn door een toelaatbare protectiegever als bedoeld in artikel 201, die in aanmerking komen voor kredietkwaliteitscategorie 2 of hoger als bepaald in dit hoofdstuk, mits het gedeelte van elk van de kredieten dat wordt aangewend om te voldoen aan het in dit lid gestelde vereiste voor de zekerheidsstelling van de gedekte obligaties ten hoogste 80 % bedraagt van de waarde van het overeenkomstige in Frankrijk gelegen niet-zakelijk onroerend goed en mits de verhouding tussen hypotheekschuld en inkomen (loan-to-income ratio) hooguit 33 % bedroeg bij de toekenning van het krediet. Op het niet-zakelijk onroerend goed zijn ten tijde van de kredietverlening geen hypothecaire pandrechten gevestigd en voor de kredieten die vanaf 1 januari 2014 worden verleend, dient de kredietnemer zich er contractueel toe te verplichten dergelijke rechten niet te vestigen zonder de toestemming van de kredietinstelling die het krediet heeft verleend. De loan-to-income ratio komt overeen met het gedeelte van het bruto-inkomen van de kredietnemer dat de terugbetaling van het krediet dekt, met inbegrip van de rente. De protectiegever is hetzij een financiële instelling waaraan een vergunning is verleend door en die onder toezicht staat van de bevoegde autoriteiten, en die onderworpen is aan prudentiële vereisten die qua degelijkheid vergelijkbaar zijn met die welke op instellingen worden toegepast, hetzij een verzekeringsonderneming. De protectiegever voorziet in een onderling garantiefonds of in vergelijkbare bescherming voor verzekeringsondernemingen om verliezen door kredietrisico op te vangen, waarvan de kalibratie regelmatig door de bevoegde autoriteiten wordt getoetst. Zowel de kredietinstelling als de protectiegever beoordelen de kredietwaardigheid van de kredietnemer;

f)

leningen die gedekt zijn door:

i)

zakelijk onroerend goed tot aan een waarde die de laagste is van de hoofdsom van de pandrechten in combinatie met eerder verleende pandrechten, en 60 % van de waarde van de in pand gegeven goederen; of

ii)

preferente aandelen die worden uitgegeven door Franse "Fonds Communs de Titrisation" of door gelijkwaardige securitisatie-instellingen die onder de wetgeving van een lidstaat ressorteren en die door zakelijk onroerend goed gedekte posities securitiseren. Indien dergelijke preferente aandelen als dekking worden gebruikt, zorgt het bijzonder overheidstoezicht ter bescherming van obligatiehouders als bedoeld in artikel 52, lid 4, van Richtlijn 2009/65/EG ervoor dat de onderliggende activa van deze aandelen op ieder moment dat zij deel uitmaken van de cover pool, voor ten minste 90 % bestaan uit commerciële hypotheken die gecombineerd zijn met eventueel eerder verleende pandrechten tot aan een waarde die de laagste is van de hoofdsommen die krachtens de preferente aandelen verschuldigd zijn, de hoofdsommen van de pandrechten en 60 % van de waarde van de in pand gegeven goederen, dat de aandelen in aanmerking komen voor de kredietkwaliteitscategorie 1 overeenkomstig dit hoofdstuk en dat deze aandelen niet meer bedragen dan 10 % van het nominale bedrag van de uitstaande uitgifte.

Door zakelijk onroerend goed gedekte leningen zijn ook toelaatbaar wanneer de ratio van de lening ten opzichte van de waarde meer dan 60 % maar niet meer dan 70 % bedraagt, op voorwaarde dat de totale waarde van de als zekerheid voor de gedekte obligaties in pand gegeven activa ten minste 10 % hoger is dan het nominale bedrag van de gedekte obligatie, en de rechten van de obligatiehouders voldoen aan de rechtszekerheidsvoorschriften van hoofdstuk 4. De rechten van de obligatiehouders hebben voorrang op alle andere zekerheidsrechten

g)

leningen die gedekt zijn door pandrechten op schepen tot aan het verschil tussen 60 % van de waarde van het in pand gegeven schip en de waarde van enige eerder verleende pandrechten op schepen.

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt c), punt d) onder ii), en punt f), onder ii), worden blootstellingen die het gevolg zijn van de overdracht en het beheer van betalingen of liquidatieopbrengsten van de debiteur van leningen die gedekt zijn door in pand gegeven goederen, preferente aandelen dan wel zekerheden van terugbetaling van de schuld, niet in aanmerking genomen bij de berekening van de in die punten bedoelde grenswaarden;

De bevoegde autoriteiten kunnen na raadpleging van de EBA gedeeltelijke ontheffing van de toepassing van de eerste alinea, punt c,) verlenen en kredietkwaliteitscategorie 2 toestaan voor maximaal 10 % van de totale blootstelling van het nominale bedrag van de uitstaande gedekte obligaties van de uitgevende instelling, mits kan worden aangetoond dat de toepassing van het in dat punt vermelde vereiste betreffende kredietkwaliteitscategorie 1 in de betrokken lidstaten mogelijk tot ernstige concentratieproblemen kan leiden;

2.   Onder de in lid 1, punten a) tot en met f), bedoelde situaties vallen ook zekerheden die bij wetgeving uitsluitend bestemd zijn om de houders van de obligaties tegen verliezen te beschermen.

3.   Voor onroerend goed dat in pand is gegeven voor gedekte obligaties, voldoen de instellingen aan de vereisten van artikel 208 en aan de waarderingsregels van artikel 229, lid 1.

4.   Aan gedekte obligaties waarvoor een kredietbeoordeling van een aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt conform tabel 6 bis een risicogewicht toegekend dat overeenstemt met de kredietbeoordeling van de EKBI overeenkomstig artikel 136.

Tabel 6 bis

Kredietkwaliteitscategorie

1

2

3

4

5

6

Risicogewicht

10 %

20 %

20 %

50 %

50 %

100 %

5.   Bij de toekenning van een risicogewicht aan gedekte obligaties waarvoor geen kredietbeoordeling van een aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt uitgegaan van het risicogewicht dat is toegekend aan preferente niet-gedekte blootstellingen met betrekking tot de instelling die deze obligaties uitgeeft. Daarbij geldt tussen de betrokken risicogewichten het volgende verband:

a)

indien aan de blootstellingen met betrekking tot de instelling een risicogewicht van 20 % wordt toegekend, wordt aan de gedekte obligatie een risicogewicht van 10 % toegekend;

b)

indien aan de blootstellingen met betrekking tot de instelling een risicogewicht van 50 % wordt toegekend, wordt aan de gedekte obligatie een risicogewicht van 20 % toegekend;

c)

indien aan de blootstellingen met betrekking tot de instelling een risicogewicht van 100 % wordt toegekend, wordt aan de gedekte obligatie een risicogewicht van 50 % toegekend;

d)

indien aan de blootstellingen met betrekking tot de instelling een risicogewicht van 150 % wordt toegekend, wordt aan de gedekte obligatie een risicogewicht van 100 % toegekend.

6.   Gedekte obligaties die vóór 31 december 2007 zijn uitgegeven, vallen niet onder de vereisten van de leden 1 en 3. Zij komen tot hun vervaldatum in aanmerking voor de in de leden 4 en 5 beschreven preferentiële behandeling.

7.   Blootstellingen in de vorm van gedekte obligaties komen in aanmerking voor preferentiële behandeling op voorwaarde dat de instelling die in de gedekte obligaties belegt, ten genoegen van de bevoegde autoriteiten het volgende kan aantonen:

a)

zij ontvangt portefeuillegegevens betreffende ten minste de volgende elementen:

i)

de waarde van de cover pool en de uitstaande gedekte obligaties;

ii)

de geografische verdeling en de soort van dekkingsactiva, de omvang van de lening, de rente en de valutarisico's;

iii)

de looptijdstructuur van dekkingsactiva en gedekte obligaties;, en

iv)

het percentage leningen met meer dan negentig achterstallige dagen;

b)

de uitgevende instelling stelt de onder a) bedoelde gegevens ten minste halfjaarlijks ter beschikking van de instelling.

Artikel 130

Posten die securitisatieposities vertegenwoordigen

Bij securitisatieposities worden de risicogewogen posten bepaald op basis van hoofdstuk 5.

Artikel 131

Blootstellingen met betrekking tot instellingen en ondernemingen met een kredietbeoordeling voor de korte termijn

Aan blootstellingen met betrekking tot instellingen en aan blootstellingen met betrekking tot ondernemingen waarvoor een kredietbeoordeling voor de korte termijn van een aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt conform tabel 7 een risicogewicht toegekend dat overeenstemt met de kredietbeoordeling van de EKBI overeenkomstig artikel 136.

Tabel 7

Kredietkwaliteitscategorie

1

2

3

4

5

6

Risicogewicht

20 %

50 %

100 %

150 %

150 %

150 %

Artikel 132

Blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in icb's

1.   Aan blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in icb's wordt een risicogewicht van 100 % toegekend, tenzij de instelling de kredietrisicobeoordelingsmethode op basis van lid 2, de doorkijkbenadering van lid 4 of de benadering van het gemiddelde risicogewicht van lid 5 toepast indien de voorwaarden van lid 3 zijn vervuld.

2.   Aan blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in icb's waarvoor een kredietbeoordeling van een aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt conform tabel 8 een risicogewicht toegekend dat overeenstemt met de kredietbeoordeling van de EKBI overeenkomstig artikel 136.

Tabel 8

Kredietkwaliteitscategorie

1

2

3

4

5

6

Risicogewicht

20 %

50 %

100 %

100 %

150 %

150 %

3.   De instellingen mogen het risicogewicht voor een icb in overeenstemming met de leden 4 en 5 bepalen indien aan de volgende toelaatbaarheidscriteria wordt voldaan:

a)

de icb wordt beheerd door een onderneming waarop in een lidstaat toezicht wordt uitgeoefend of, in het geval van een icb in een derde land, indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

i)

de icb wordt beheerd door een onderneming die onderworpen is aan toezicht dat gelijkwaardig wordt geacht aan het toezicht waarin het Unierecht voorziet;

ii)

de samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten is genoegzaam gewaarborgd;

b)

het prospectus of daarmee gelijk te stellen document van de icb bevat het volgende:

i)

de categorieën activa waarin de icb mag beleggen;

ii)

als er beleggingsbeperkingen gelden, wat deze zijn en hoe zij berekend worden;

c)

over de bedrijfsactiviteiten van de icb wordt ten minste jaarlijks op zodanige wijze verslag uitgebracht dat de activa en passiva, alsmede de inkomsten en transacties over de verslagperiode kunnen worden beoordeeld.

Voor de toepassing van punt a) kan de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen en met inachtneming van de in artikel 464, lid 2, genoemde onderzoeksprocedure besluiten of een derde land een toezicht- en regelgevingsstelsel toepast dat ten minste gelijkwaardig is aan het stelsel dat in de Unie wordt toegepast. Zolang een dergelijk besluit niet is genomen, kunnen de instellingen tot 1 januari 2015 de in dit lid beschreven behandeling blijven toepassen op posities in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in icb's van derde landen indien de ter zake bevoegde autoriteiten het derde land vóór 1 januari 2014 als in aanmerking komend hadden aangemerkt.

4.   Indien de instelling op de hoogte is van de onderliggende blootstellingen van een icb, kan zij naar die onderliggende blootstellingen kijken om een gemiddeld risicogewicht te berekenen voor haar blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in de icb's volgens de in dit hoofdstuk beschreven methoden. Indien een onderliggende blootstelling van de icb zelf een blootstelling in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in een andere icb is die voldoet aan de criteria van lid 3, kan de instelling naar de onderliggende blootstellingen van die andere icb kijken.

5.   Indien de instelling niet op de hoogte is van de onderliggende blootstellingen van een icb, kan zij een gemiddeld risico berekenen voor haar blootstellingen in de vorm van een recht van deelneming of aandeel in de icb volgens de in dit hoofdstuk beschreven methoden, vanuit de aanname dat de icb eerst tot de op basis van haar mandaat toegestane grens belegt in de categorieën blootstellingen waarvoor het hoogste kapitaalvereiste geldt, en vervolgens blijft beleggen in blootstellingen waarvoor een steeds verder afnemend kapitaalvereiste geldt totdat de maximale totale beleggingsgrens is bereikt.

De instellingen mogen een beroep doen op de volgende derden om volgens de in de leden 4 en 5 beschreven methoden een risicogewicht voor de icb te berekenen en te rapporteren:

a)

de effectenbewaarinstelling of de financiële effectenbewaarinstelling van de icb op voorwaarde dat de icb uitsluitend in effecten belegt en alle effecten bij de effectenbewaarinstelling of de financiële instelling in bewaring geeft;

b)

voor icb's die niet onder punt a) vallen, de icb-beheermaatschappij, op voorwaarde dat de icb-beheermaatschappij voldoet aan de in lid 3, onder a), genoemde criteria.

De juistheid van de in de eerste alinea bedoelde berekening wordt door een externe auditor bevestigd.

Artikel 133

Blootstellingen in aandelen

1.   De volgende blootstellingen worden als blootstellingen in aandelen aangemerkt:

a)

andere blootstellingen dan schulden die een achtergestelde restvordering op de activa of de inkomsten van de uitgevende instelling vormen;

b)

blootstellingen in de vorm van schulden, en andere effecten, partnerschappen, derivaten of andere vehikels waarvan de belangrijkste economische kenmerken overeenkomen met die van de onder a) genoemde blootstellingen.

2.   Aan blootstellingen in aandelen wordt een risicogewicht van 100 % toegekend tenzij zij overeenkomstig deel 2 moeten worden afgetrokken, wordt een risicogewicht van 250 % toegekend overeenkomstig artikel 48, lid 4, wordt een risicogewicht van 1 250 % toegekend overeenkomstig artikel 89, lid 3, of deze blootstellingen worden behandeld als posten met een hoog risico overeenkomstig artikel 128.

3.   Beleggingen in door instellingen uitgegeven aandeleninstrumenten of toetsingsvermogensinstrumenten worden aangemerkt als vorderingen in aandelen, tenzij zij van het eigen vermogen worden afgetrokken of een risicogewicht van 250 % krijgen op basis van artikel 48, lid 4, of als posten met een hoog risico worden behandeld overeenkomstig artikel 128.

Artikel 134

Andere posten

1.   Aan materiële activa in de zin van artikel 4, punt 10, van Richtlijn 86/635/EEG wordt een risicogewicht van 100 % toegekend.

2.   Aan overlopende posten waarvoor de instelling niet in staat is om overeenkomstig Richtlijn 86/635/EEG uit te maken wie de tegenpartij is, wordt een risicogewicht van 100 % toegekend.

3.   Aan liquide middelen in de inningsfase wordt een risicogewicht van 20 % toegekend. Aan kasmiddelen en gelijkwaardige posten wordt een risicogewicht van 0 % toegekend.

4.   Aan het goud dat in eigen kluizen wordt bewaard of is toegewezen voor zover daar verplichtingen in de vorm van goud tegenover staan, wordt een risicogewicht van 0 % toegekend.

5.   Bij overeenkomsten inzake cessie en retrocessie van activa en bij koop op termijn zonder rugdekking, zijn de risicogewichten die welke toegekend zijn aan de betrokken activa en niet die welke gelden voor de tegenpartijen bij de transacties.

6.   Indien een instelling voor een reeks blootstellingen kredietprotectie biedt onder voorwaarde dat de n-de wanbetaling op de blootstellingen aanleiding geeft tot betaling en dat die kredietgebeurtenis de beëindiging van het contract met zich meebrengt, worden de in hoofdstuk 5 voorgeschreven risicogewichten toegekend indien voor het product een externe kredietbeoordeling van een EKBI beschikbaar is. Indien er voor het product geen externe kredietbeoordeling van een EKBI beschikbaar is, worden de risicogewichten van alle blootstellingen, op n-1 blootstellingen na, geaggregeerd tot een maximum van 1 250 % en vermenigvuldigd met het nominale bedrag van de door het kredietderivaat geboden protectie om de risicogewogen actiefpost te verkrijgen. De n-1 posities die bij de aggregatie buiten beschouwing worden gelaten, worden op de volgende wijze geselecteerd: het betreft elke blootstelling waarvoor de risicogewogen post lager is dan de risicogewogen post voor alle blootstellingen die in de aggregatie zijn opgenomen.

7.   Bij lease-overeenkomsten is de blootstellingswaarde gelijk aan de gedisconteerde minimumleasebetalingen. De minimumleasebetalingen zijn de betalingen gedurende de leasetermijn die de leasenemer moet betalen of kan worden verplicht te betalen alsmede alle gunstige koopopties die naar alle waarschijnlijkheid worden uitgeoefend. Als een andere partij dan de leasenemer verplicht kan worden een betaling te verrichten in verband met de restwaarde van een geleased goed en deze betalingsverplichting voldoet aan de reeks voorwaarden van artikel 201 betreffende de toelaatbaarheid van protectiegevers alsook de vereisten van de artikelen 213 tot en met 215 voor de erkenning van andere soorten garanties, kan deze betalingsverplichting op basis van hoofdstuk 4 in aanmerking worden genomen als niet-volgestorte kredietprotectie. Deze blootstellingen worden overeenkomstig artikel 112 in de desbetreffende categorie blootstellingen ondergebracht. Indien de blootstelling een restwaarde van geleasede activa is, wordt de risicogewogen post als volgt berekend: 1/t * 100 % * restwaarde, waarbij t gelijk is aan 1 jaar of aan het dichtstbijzijnde aantal resterende volle jaren van de leaseovereenkomst, indien het laatste hoger is.

Afdeling 3

Erkenning en mapping van kredietrisicobeoordeling

Onderafdeling 1

Erkenning van EKBI's

Artikel 135

Gebruik van kredietbeoordelingen door EKBI's

1.   Een externe kredietbeoordeling mag voor de bepaling van het risicogewicht van een blootstelling op basis van dit hoofdstuk alleen worden gebruikt als deze is afgegeven door een EKBI of bekrachtigd is door een EKBI overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1060/2009.

2.   De EBA publiceert op haar website de lijst van EKBI's overeenkomstig artikel 2, lid 4, en artikel 18, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1060/2009.

Onderafdeling 2

Mapping van kredietbeoordelingen van EKBI’S

Artikel 136

Mapping van kredietbeoordelingen van EKBI’s

1.   De EBA, de EIOPA en de ESMA ontwikkelen, via hun Gemengd Comité van de ETA's ontwikkelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen om voor alle erkende EKBI's te bepalen in welke kredietkwaliteitscategorie van afdeling 2 de betrokken kredietbeoordelingen van de erkende EKBI's worden ondergebracht ("mapping"). Daarbij gaan zij objectief en consequent te werk.

De EBA, de EIOPA en de ESMA leggen die ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op 1 juli 2014 voor aan de Commissie en dient zo nodig herziene ontwerpen van technische uitvoeringsnormen in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van respectievelijk Verordening (EU) nr. 1093/2010, van Verordening (EU) nr. 1094/2010 en van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

2.   Bij het mappen van kredietbeoordelingen voldoen de EBA, de EIOPA en de ESMA aan de volgende vereisten:

a)

om onderscheid te maken tussen de relatieve risicograden waaraan door elke kredietbeoordeling uitdrukking wordt gegeven, gaan de EBA, de EIOPA en de ESMA uit van kwantitatieve factoren zoals de wanbetalingsgraad op lange termijn in verband met alle posten waaraan dezelfde kredietbeoordeling is toegekend. Voor recent opgerichte EKBI's en voor EKBI's die over nog maar weinig wanbetalinggegevens beschikken, vragen de EBA, de EIOPA en de ESMA de betrokken EKBI welke wanbetalingsgraad op lange termijn volgens haar overeenkomt met alle posten waaraan dezelfde kredietbeoordeling is toegekend;

b)

om onderscheid te maken tussen de relatieve risicograden waaraan door elke kredietbeoordeling uitdrukking wordt gegeven, gaan de EBA, de EIOPA en de ESMA uit van kwalitatieve factoren zoals de groep uitgevende instellingen die door de EKBI wordt bestreken, het spectrum van kredietbeoordelingen die door de EKBI worden toegekend, de betekenis van elke kredietbeoordeling en de door de EKBI gehanteerde definitie van wanbetaling;

c)

De EBA, de EIOPA en de ESMA vergelijken de voor elke kredietbeoordeling van een specifieke EKBI geconstateerde wanbetalingsgraden en vergelijken deze met een referentiewaarde die is opgesteld op basis van de wanbetalingsgraden die door andere EKBI's zijn geconstateerd bij een populatie van uitgevende instellingen waaraan een gelijkwaardig kredietrisico verbonden is;

d)

wanneer de voor de kredietbeoordeling van een specifieke EKBI geconstateerde wanbetalingsgraden systematisch wezenlijk hoger zijn dan de referentiewaarde, brengen de EBA, de EIOPA en de ESMA de kredietbeoordeling van de betrokken EKBI onder in een hogere kredietkwaliteitscategorie van de kredietkwaliteitbeoordelingsschaal;

e)

wanneer de EBA, de EIOPA en de ESMA het met een specifieke kredietbeoordeling van een EKBI overeenkomende risicogewicht hebben verhoogd en de voor de kredietbeoordeling van die EKBI geconstateerde wanbetalingsgraden niet langer systematisch wezenlijk hoger zijn dan de referentiewaarde, kunnen de EBA, de EIOPA en de ESMA de kredietbeoordeling van de EKBI wederom in de oorspronkelijke kredietkwaliteitscategorie van de kredietkwaliteitbeoordelingsschaal onderbrengen.

3.   De EBA, de EIOPA en de ESMA ontwikkelen ontwerpen van technische uitvoeringsnormen tot nadere bepaling van de in lid 2, onder a), bedoelde kwantitatieve factoren, van de in lid 2, onder b), bedoelde kwalitatieve factoren en van de in lid 2, onder c), bedoelde referentiewaarde.

De EBA, de EIOPA en de ESMA leggen die ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op 1 juli 2014 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van respectievelijk Verordening (EU) nr. 1093/2010, van Verordening (EU) nr. 1094/2010 en van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

Onderafdeling 3

Gebruik van kredietbeoordelingen van exportkredietverzekeringsmaatschappijen

Artikel 137

Gebruik van kredietbeoordelingen van exportkredietverzekeringsmaatschappijen

1.   Voor de toepassing van artikel 114 mag een instelling gebruik maken van de kredietbeoordelingen van een door die instelling aangewezen exportkredietverzekeringsmaatschappij, mits aan een van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

het is een via een consensus tot stand gekomen risicoscore van exportkredietverzekeringsmaatschappijen die deelnemen aan de OESO-regeling inzake richtsnoeren op het gebied van door de overheid gesteunde exportkredieten;

b)

de exportkredietverzekeringsmaatschappij publiceert haar kredietbeoordelingen en houdt zich aan de OESO-methode; de kredietbeoordeling is gekoppeld aan een van de acht minimumexportverzekeringspremies (MEVP) waarin de OESO-methode voorziet. Een instelling mag haar aanwijzing van een exportkredietverzekeringsmaatschappij intrekken. De instelling omkleedt de intrekking met redenen wanneer er concrete aanwijzingen bestaan dat met de intrekking wordt beoogd de kapitaaltoereikendheidsvereisten te versoepelen.

2.   Aan blootstellingen waarvoor een kredietbeoordeling van een exportkredietverzekeringsmaatschappij voor risicowegingsdoeleinden wordt erkend, wordt conform tabel 9 een risicogewicht toegekend.

Tabel 9

MEVP

0

1

2

3