Help Print this page 

Document 32012R1215

Title and reference
Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken

OJ L 351, 20.12.2012, p. 1–32 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
Special edition in Croatian: Chapter 19 Volume 011 P. 289 - 320

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2012/1215/oj
Languages, formats and link to OJ
BG ES CS DA DE ET EL EN FR GA HR IT LV LT HU MT NL PL PT RO SK SL FI SV
HTML html BG html ES html CS html DA html DE html ET html EL html EN html FR html GA html HR html IT html LV html LT html HU html MT html NL html PL html PT html RO html SK html SL html FI html SV
PDF pdf BG pdf ES pdf CS pdf DA pdf DE pdf ET pdf EL pdf EN pdf FR pdf GA pdf HR pdf IT pdf LV pdf LT pdf HU pdf MT pdf NL pdf PL pdf PT pdf RO pdf SK pdf SL pdf FI pdf SV
Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal
 To see if this document has been published in an e-OJ with legal value, click on the icon above (For OJs published before 1st July 2013, only the paper version has legal value).
Multilingual display
Dates
  • Date of document: 12/12/2012
  • Date of effect: 09/01/2013; in werking datum publicatie +20 zie art 81
  • Date of effect: 10/01/2014; Toepassing Gedeeltelijke toepassing zie art 81
  • Date of effect: 10/01/2015; Toepassing zie art 81
  • Date of end of validity: 31/12/9999
Miscellaneous information
  • Author: Europees Parlement, Raad van de Europese Unie
  • Form: Verordening
  • Additional information: COD 2010/0383
Relationship between documents
Text

20.12.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 351/1


VERORDENING (EU) Nr. 1215/2012 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 12 december 2012

betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken

(herschikking)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name artikel 67, lid 4, en artikel 81, lid 2, onder a), c) en e),

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 21 april 2009 heeft de Commissie een verslag vastgesteld over de toepassing van Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (3). In het verslag is geconcludeerd dat in het algemeen de werking van deze verordening bevredigend is, maar dat het wenselijk is de toepassing van bepaalde bepalingen te verbeteren, het vrije verkeer van beslissingen verder te vergemakkelijken en de toegang tot de rechter verder te verbeteren. Aangezien die verordening op een aantal punten gewijzigd dient te worden, moet zij voor de duidelijkheid worden herschikt.

(2)

Tijdens zijn bijeenkomst van 10 en 11 december 2009 te Brussel heeft de Europese Raad een nieuw meerjarenprogramma aangenomen, getiteld „Het programma van Stockholm — Een open en veilig Europa ten dienste en ter bescherming van de burger” (4). In het programma van Stockholm is de Europese Raad van oordeel dat de afschaffing van alle intermediaire maatregelen (exequatur) tijdens de looptijd van dat programma moet worden voortgezet. Tegelijkertijd moet de afschaffing van het exequatur vergezeld gaan van een aantal waarborgen.

(3)

De Unie heeft zich ten doel gesteld een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te handhaven en te ontwikkelen en de toegang tot de rechter te vergemakkelijken, onder meer door het beginsel van wederzijdse erkenning van gerechtelijke en buitengerechtelijke beslissingen in burgerlijke zaken. Met het oog op de geleidelijke totstandbrenging van die ruimte dient de Unie maatregelen te nemen op het gebied van de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken met grensoverschrijdende gevolgen, met name wanneer dat nodig is voor de goede werking van de interne markt.

(4)

Sommige verschillen in de nationale regels inzake de rechterlijke bevoegdheid en de erkenning van beslissingen bemoeilijken de goede werking van de interne markt. Bepalingen die de eenvormigheid van de regels inzake jurisdictiegeschillen in burgerlijke en handelszaken mogelijk maken alsook zorgen voor een snelle en eenvoudige erkenning en tenuitvoerlegging van in een lidstaat gegeven beslissing, zijn onontbeerlijk.

(5)

Dergelijke bepalingen behoren tot het gebied van de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken in de zin van artikel 81 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

(6)

Met het oog op het vrije verkeer van beslissingen in burgerlijke en handelszaken is het nodig en passend de regels inzake de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in een verbindend en rechtsreeks toepasselijk besluit van de Unie neer te leggen.

(7)

Op 27 september 1968 hebben de toenmalige lidstaten van de Europese Gemeenschappen op grond van artikel 220, vierde streepje, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap het Verdrag van Brussel betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken gesloten, dat nadien is gewijzigd bij de verdragen inzake de toetreding van nieuwe lidstaten tot dit verdrag (5) („het Verdrag van Brussel van 1968”). Op 16 september 1988 hebben de toenmalige lidstaten van de Europese Gemeenschappen en enkele EVA-staten het Verdrag van Lugano betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (6) („het Verdrag van Lugano van 1988”) gesloten, dat een nevenverdrag is van het Verdrag van Brussel van 1968. Het Verdrag van Lugano van 1988 werd in Polen op 1 februari 2000 van kracht.

(8)

Op 22 december 2000 heeft de Raad Verordening (EG) nr. 44/2001 vastgesteld, die in de plaats is gekomen van het Verdrag van Brussel van 1968, voor wat betreft het grondgebied van de lidstaten zoals bestreken door het VWEU, met uitzondering van Denemarken. Bij Besluit 2006/325/EG van de Raad (7), heeft de Gemeenschap een overeenkomst met Denemarken gesloten, die de toepassing van Verordening (EG) nr. 44/2001 in Denemarken verzekert. Het Verdrag van Lugano van 1988 werd herzien door het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (8), op 30 oktober 2007 ondertekend te Lugano door de Gemeenschap, Denemarken, IJsland, Noorwegen en Zwitserland („het Verdrag van Lugano van 2007”).

(9)

Het Verdrag van Brussel van 1968 blijft van toepassing op de grondgebieden van de lidstaten die onder de territoriale werkingssfeer van dat verdrag vallen en die krachtens artikel 355 VWEU van deze verordening uitgesloten zijn.

(10)

Het is van belang dat alle belangrijke burgerlijke en handelszaken onder de werkingssfeer van deze verordening worden gebracht, met uitzondering van bepaalde duidelijk omschreven aangelegenheden, met name onderhoudsverplichtingen, die moeten worden uitgesloten van het toepassingsgebied van deze verordening gezien de vaststelling van Verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen (9).

(11)

Onder gerecht van een lidstaat in de zin van deze verordening moet ook worden begrepen, een gerecht dat aan verscheidene lidstaten gemeenschappelijk is, zoals het Benelux-Gerechtshof voor zover dit bevoegd is voor binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallende zaken. Een door een dergelijk gerecht gegeven beslissing moet derhalve overeenkomstig deze verordening worden erkend en ten uitvoer gelegd.

(12)

Deze verordening dient niet van toepassing te zijn op arbitrage. Niets in deze verordening belet de gerechten van een lidstaat, wanneer aangezocht in een zaak waarin partijen een arbitragebeding zijn overeengekomen, de zaak te verwijzen voor arbitrage, het geding aan te houden dan wel te beëindigen, of om te onderzoeken of het arbitragebeding vervallen is, niet van kracht is of niet kan worden toegepast, een en ander in overeenstemming met zijn nationale recht.

De beslissing van de rechter van een lidstaat over de vraag of een arbitragebeding vervallen is, niet van kracht is of niet kan worden toegepast, dient niet onderworpen te zijn aan de bij deze verordening bepaalde regels inzake erkenning en tenuitvoerlegging, ongeacht of de rechter ten gronde of op een incidentele vordering uitspraak doet.

Indien evenwel een op grond van deze verordening of van het nationale recht bevoegde rechter van een lidstaat heeft beslist dat een arbitrageovereenkomst vervallen is, niet van kracht is of niet kan worden toegepast, mag dit er niet aan in de weg staan dat de ten gronde gegeven beslissing, naargelang van het geval, in overeenstemming met deze verordening wordt erkend of ten uitvoer wordt gelegd, onverminderd de bevoegdheid van de gerechten van de lidstaten om over de erkenning en tenuitvoerlegging van scheidsrechterlijke uitspraken te beslissen, in overeenstemming met het Verdrag van New York van 10 juni 1958 over de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse scheidsrechterlijke uitspraken („het Verdrag van New York van 1958”), dat voorrang heeft boven deze verordening.

Deze verordening dient niet van toepassing te zijn op vorderingen of accessoire procedures die in het bijzonder betrekking hebben op de instelling van een scheidsgerecht, de bevoegdheden van arbiters, het verloop van een arbitrageprocedure, of elk ander aspect van deze procedure, noch op enige vordering of beslissing inzake nietigverklaring, herziening, hoger beroep, erkenning en tenuitvoerlegging met betrekking tot een scheidsrechterlijke uitspraak.

(13)

Er moet een band bestaan tussen de procedures waarop deze verordening van toepassing is en het grondgebied van de lidstaten. De gemeenschappelijke regels inzake rechterlijke bevoegdheid moeten derhalve in beginsel van toepassing zijn wanneer de verweerder woonplaats in een van die lidstaten heeft.

(14)

Ten aanzien van verweerders die geen woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, gelden als regel de nationale bevoegdheidsregels die worden toegepast op het grondgebied van de lidstaat van het gerecht waarbij de zaak is aangebracht.

Met het oog op de bescherming van consumenten en werknemers, en teneinde de bevoegdheid van de gerechten van de lidstaten in gevallen waarin deze exclusieve bevoegdheid hebben, zeker te stellen en de autonomie van de partijen te eerbiedigen, dienen bepaalde bevoegdheidsregels in deze verordening te gelden, ongeacht de woonplaats van de verweerder.

(15)

De bevoegdheidsregels moeten in hoge mate voorspelbaar zijn, waarbij als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder. De bevoegdheid moet altijd op die grond kunnen worden gevestigd, behalve in een gering aantal duidelijk omschreven gevallen waarin het voorwerp van het geschil of de autonomie van de partijen een ander aanknopingspunt wettigt. Voor rechtspersonen moet de woonplaats autonoom worden bepaald om de gemeenschappelijke regels doorzichtiger te maken en jurisdictiegeschillen te voorkomen.

(16)

Naast de woonplaats van de verweerder moeten er alternatieve bevoegdheidsgronden mogelijk zijn, gebaseerd op de nauwe band tussen het gerecht en de vordering of de noodzaak een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken. Het bestaan van een nauwe band moet zorgen voor rechtszekerheid en de mogelijkheid vermijden dat de verweerder wordt opgeroepen voor een gerecht van een lidstaat dat door hem redelijkerwijs niet voorzienbaar was. Dat is met name belangrijk bij geschillen betreffende niet-contractuele verbintenissen die voortvloeien uit een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer of op de persoonlijkheidsrechten, met inbegrip van smaad.

(17)

De eigenaar van een cultuurgoed in de zin van artikel 1, punt 1, van Richtlijn 93/7/EEG van de Raad van 15 maart 1993 betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat zijn gebracht (10) moet uit hoofde van deze verordening de mogelijkheid hebben om zijn op eigendom gebaseerde vordering tot teruggave van een zodanig goed aanhangig te maken voor het gerecht van de plaats waar de goederen zich bevinden op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Een dergelijke vordering laat onverlet een procedure die ingevolge Richtlijn 93/7/EEG kan worden ingesteld.

(18)

In het geval van verzekerings-, consumenten- en arbeidsovereenkomsten moet de zwakke partij worden beschermd door bevoegdheidsregels die gunstiger zijn voor haar belangen dan de algemene regels.

(19)

De autonomie van de partijen bij een andere overeenkomst dan een verzekerings-, consumenten- of arbeidsovereenkomst, waarvoor slechts een beperkte autonomie geldt met betrekking tot de keuze van het bevoegde gerecht, moet worden geëerbiedigd, behoudens de exclusieve bevoegdheidsgronden die in deze verordening zijn neergelegd.

(20)

Of een forumkeuzebeding ten gunste van het gerecht of de gerechten van een bepaalde lidstaat nietig is wat haar materiële geldigheid betreft, dient te worden bepaald door het recht van die lidstaat, met inbegrip van het conflictenrecht van die lidstaat.

(21)

Met het oog op een harmonische rechtsbedeling moeten parallel lopende processen zoveel mogelijk worden beperkt en moet worden voorkomen dat in verschillende lidstaten onverenigbare beslissingen worden gegeven. Er moet een duidelijke en afdoende regeling zijn om problemen op het gebied van aanhangigheid en samenhang op te lossen, alsook om problemen te verhelpen die voortvloeien uit de tussen de lidstaten bestaande verschillen ten aanzien van de datum waarop een zaak als aanhangig wordt beschouwd. Voor de toepassing van deze verordening moet die datum autonoom worden bepaald.

(22)

Om evenwel de doeltreffendheid van overeenkomsten inzake exclusieve forumkeuze te verbeteren en misbruik van procesrecht te voorkomen, moet een uitzondering op de algemene litispendentieregel worden getroffen met het oog op een bevredigende oplossing voor bepaalde situaties waarin zich een samenloop van procedures kan voordoen. Dat is het geval wanneer een ander dan het bij exclusieve forumkeuze aangewezen gerecht is aangezocht, en vervolgens tussen dezelfde partijen vorderingen voor het aangewezen gerecht worden aangebracht die hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten. In een dergelijk geval moet het eerst aangezochte gerecht de procedure aanhouden zodra het aangewezen gerecht wordt aangezocht, en wel totdat dit laatste gerecht verklaart geen bevoegdheid te ontlenen aan de exclusieve forumkeuze. Dit dient om ervoor te zorgen dat het aangewezen gerecht in een dergelijke situatie voorrang krijgt om te beslissen over de geldigheid van het forumkeuzebeding en de mate waarin het beding geldt voor het voor hem dienende geschil. Het aangewezen gerecht moet aan de behandeling van de zaak kunnen beginnen, ongeacht of het niet-aangewezen gerecht al heeft besloten over aanhouding van de zaak.

Deze uitzondering dient niet te gelden voor situaties waarin partijen tegenstrijdige forumkeuzebedingen zijn overeengekomen, of waarin een in een forumkeuzebeding aangewezen rechter het eerst is benaderd. In die gevallen geldt de litispendentieregel van deze verordening.

(23)

Deze verordening moet een flexibel mechanisme bieden dat de gerechten van de lidstaten in staat stelt rekening te houden met procedures die aanhangig zijn voor de gerechten van derde landen, waarbij in het bijzonder wordt overwogen of een in een derde land gegeven beslissing in de desbetreffende lidstaat, en volgens het recht van die lidstaat en naar de goede rechtsbedeling vatbaar zal zijn voor erkenning en tenuitvoerlegging.

(24)

Het gerecht van de betrokken lidstaat dat beoordeelt of er sprake is van goede rechtsbedeling, moet alle omstandigheden in overweging nemen. Dergelijke omstandigheden kunnen omvatten de verbanden tussen de feiten van de zaak en de partijen en de derde staat in kwestie, de stand waarin de procedure in de derde staat zich bevindt op het tijdstip waarop de procedure bij het gerecht in de lidstaat wordt ingeleid, en de vraag of van het gerecht in de derde staat kan worden verwacht dat het binnen een redelijke termijn uitspraak doet.

Die beoordeling kan tevens een overweging van de vraag omvatten of het gerecht van de derde staat in een bepaalde zaak exclusief bevoegd is in omstandigheden waarin een gerecht van een lidstaat exclusief bevoegd zou zijn.

(25)

Onder het begrip van voorlopige en bewarende maatregelen dient bijvoorbeeld te worden begrepen conservatoire bevelen ter verkrijging van informatie of ter bescherming van bewijsmateriaal zoals bedoeld in de artikelen 6 en 7 van Richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten (11). Onder dit begrip mogen niet worden begrepen maatregelen die geen conservatoir karakter hebben, zoals maatregelen waarbij het verhoor van een getuige wordt gelast. Dit laat de toepassing onverlet van Verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken (12).

(26)

Op grond van het wederzijdse vertrouwen in de rechtsbedeling in de Unie is het in beginsel gerechtvaardigd dat in een lidstaat gegeven beslissingen worden erkend in alle lidstaten zonder dat daarvoor een speciale procedure nodig is. Bovendien rechtvaardigt het doel, namelijk de grensoverschrijdende geschillenbeslechting minder tijdrovend en goedkoper te maken, dat de verklaring van uitvoerbaarheid die vóór de tenuitvoerlegging in de aangezochte lidstaat moet worden gevraagd, wordt afgeschaft. Bijgevolg moet een beslissing die door de gerechten van een lidstaat is gegeven, op dezelfde manier worden behandeld als een beslissing die in de aangezochte lidstaat is gegeven.

(27)

Met het oog op het vrije verkeer van rechterlijke beslissingen moet een beslissing die door een gerecht van een lidstaat is gegeven, in een andere lidstaat worden erkend en ten uitvoer gelegd, ook indien het is gewezen tegen een verweerder die geen woonplaats heeft in een lidstaat.

(28)

Indien een beslissing maatregelen of bevelen bevat die in het recht van de aangezochte lidstaat onbekend zijn, wordt de maatregel of het bevel, inclusief een eventueel daarin vervat recht, zoveel als mogelijk in overeenstemming gebracht met een maatregel die of bevel dat wel in dat rechtsstelsel bestaat, gelijkwaardige gevolgen heeft en dezelfde doelstellingen en belangen beoogt. Hoe en door wie de aanpassing dient te geschieden wordt door elke lidstaat zelf bepaald.

(29)

De rechtstreekse tenuitvoerlegging in de aangezochte lidstaat van een in een andere lidstaat gegeven beslissing zonder verklaring van uitvoerbaarheid mag de eerbiediging van het recht van verweer niet in gevaar brengen. Daarom moet de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevorderd, in staat worden gesteld om weigering van erkenning of tenuitvoerlegging van een vonnis te verzoeken als hij meent dat er een grond voor weigering van erkenning aanwezig is. Een van die gronden is dat hij geen gelegenheid heeft gehad zijn verweer voor te bereiden ingeval van een bij verstek gewezen beslissing op een civiele vordering in verband met een strafzaak. Ook behoren hiertoe de gronden waarop een beroep kan worden gedaan krachtens een overeenkomst ex artikel 59 van het Verdrag van Brussel van 1968 tussen de aangezochte lidstaat en een derde staat.

(30)

De partij die zich verzet tegen de tenuitvoerlegging van een in een andere lidstaat gegeven beslissing, moet zich, zoveel mogelijk en overeenkomstig het rechtsstelsel van de aangezochte lidstaat, in dezelfde procedure, naast op de in deze verordening bepaalde gronden voor weigering, ook kunnen beroepen op de gronden voor weigering die bij het nationale recht zijn bepaald en binnen de in dat recht gestelde termijnen.

De erkenning van een beslissing moet echter alleen geweigerd kunnen worden op een van de in deze verordening bepaalde gronden voor weigering.

(31)

Hangende het verzet tegen tenuitvoerlegging van een beslissing, moet het voor het gerecht van de aangezochte lidstaat mogelijk zijn, gedurende de gehele procedure inclusief eventueel hoger beroep, de tenuitvoerlegging te laten doorgaan op voorwaarde van een beperking op die tenuitvoerlegging of van een zekerheidsstelling.

(32)

Om de persoon tegen wie om tenuitvoerlegging wordt verzocht, in kennis te stellen van de tenuitvoerlegging van een in een andere lidstaat gegeven beslissing, moet het op grond van deze verordening opgestelde certificaat, indien nodig vergezeld van de beslissing, een redelijke termijn vóór de eerste tenuitvoerleggingsmaatregel aan de betrokkene worden betekend. De eerste tenuitvoerleggingsmaatregel betekent in dit verband de eerste tenuitvoerleggingsmaatregel na de betekening.

(33)

Wanneer voorlopige en bewarende maatregelen zijn gelast door een gerecht dat bevoegd is om van het bodemgeschil kennis te nemen, moet het vrije verkeer ervan worden gewaarborgd krachtens deze verordening. Voorlopige en bewarende maatregelen die door een gerecht als hierboven bedoeld zijn gelast zonder dat verweerder is gedaagd te verschijnen, mogen evenwel niet worden erkend en ten uitvoer gelegd, tenzij de beslissing waarin de maatregel is vervat, vóór de tenuitvoerlegging aan de verweerder is betekend. Dit laat de erkenning en tenuitvoerlegging van dergelijke maatregelen krachtens nationaal recht onverlet. Wanneer voorlopige en bewarende maatregelen zijn gelast door een gerecht van een lidstaat dat niet bevoegd is om van het bodemgeschil kennis te nemen, moeten de gevolgen van de maatregelen krachtens deze verordening worden beperkt tot het grondgebied van die lidstaat.

(34)

De continuïteit tussen het Verdrag van Brussel van 1968, Verordening (EG) nr. 44/2001 en deze verordening moet gewaarborgd worden; daartoe zijn overgangsbepalingen nodig. Deze continuïteit moet ook gelden voor de uitleg door het Hof van Justitie van de Europese Unie van het Verdrag van Brussel van 1968 en de verordeningen ter vervanging daarvan.

(35)

De eerbiediging van de internationale verplichtingen van de lidstaten houdt in dat deze verordening de verdragen en internationale overeenkomsten waarbij de lidstaten partij zijn en die bijzondere onderwerpen bestrijken, onverlet laat.

(36)

Onverminderd de verplichtingen van de lidstaten op grond van de Verdragen, moet de toepassing van bilaterale verdragen en overeenkomsten die vóór de datum van inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 44/2001 tussen een derde staat en een lidstaat zijn gesloten en betrekking hebben op de bij deze verordening geregelde onderwerpen, door deze verordening onverlet worden gelaten.

(37)

Om erop toe te zien dat de in verband met de erkenning of tenuitvoerlegging van beslissingen, authentieke akten en gerechtelijke schikkingen in de zin van deze verordening te gebruiken certificaten, steeds worden bijgehouden, moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 VWEU aan de Commissie worden gedelegeerd ten aanzien van de wijzigingen in de bijlagen I en II bij deze verordening. Het is van bijzonder belang dat de Commissie tijdens haar voorbereidende werkzaamheden passend overleg pleegt, ook op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en het opstellen van gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig, gelijktijdig en op passende wijze aan het Europees Parlement en aan de Raad worden toegezonden.

(38)

Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn erkend, met name het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht zoals gewaarborgd in artikel 47 van het Handvest.

(39)

Aangezien de doelstelling van deze verordening niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om de doelstelling ervan te verwezenlijken.

(40)

Overeenkomstig artikel 3 van het Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, gehecht aan het VEU en aan het toenmalige Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, nemen het Verenigd Koninkrijk en Ierland deel aan de aanneming en toepassing van Verordening (EG) nr. 44/2001. Het Verenigd Koninkrijk en Ierland hebben, overeenkomstig artikel 3 van Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, gehecht aan het VEU en het VWEU, kennis gegeven van hun wens deel te nemen aan de aanneming en toepassing van deze verordening.

(41)

Denemarken neemt, overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het VEU en het VWEU, niet deel aan de aanneming van deze verordening en deze verordening is derhalve niet verbindend voor, noch van toepassing in Denemarken, onverminderd de mogelijkheid voor Denemarken om, overeenkomstig artikel 3 van de Overeenkomst van 19 oktober 2005 tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Denemarken betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (13), de wijzigingen in Verordening (EG) nr. 44/2001 toe te passen,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1

1.   Deze verordening wordt toegepast in burgerlijke en handelszaken, ongeacht de aard van het gerecht. Zij heeft met name geen betrekking op fiscale zaken, douanezaken en administratiefrechtelijke zaken, noch op de aansprakelijkheid van de staat wegens een handeling of nalaten in de uitoefening van het openbaar gezag (acta jure imperii).

2.   Deze verordening is niet van toepassing op:

a)

de staat en de bevoegdheid van natuurlijke personen, het huwelijkvermogensrecht of het vermogensrecht ter zake van relatievormen waaraan volgens het hierop toepasselijke recht gevolgen worden verbonden welke vergelijkbaar zijn met die van het huwelijk;

b)

het faillissement, akkoorden en andere soortgelijke procedures;

c)

de sociale zekerheid;

d)

arbitrage;

e)

onderhoudsverplichtingen die voortvloeien uit familiebetrekkingen, bloedverwantschap, huwelijk of aanverwantschap;

f)

testamenten en erfenissen, met inbegrip van onderhoudsverplichtingen die ontstaan als gevolg van overlijden.

Artikel 2

In deze verordening wordt verstaan onder:

a)

„beslissing”, elke door een gerecht van een lidstaat gegeven beslissing, ongeacht de daaraan gegeven benaming, zoals arrest, vonnis, beschikking of rechterlijk dwangbevel, alsmede de vaststelling van het bedrag van de proceskosten door de griffier.

Voor de toepassing van hoofdstuk III omvat het begrip „beslissing” voorlopige en bewarende maatregelen die zijn gelast door een gerecht dat overeenkomstig deze verordening bevoegd is om van het bodemgeschil kennis te nemen. Het omvat niet een voorlopige of een bewarende maatregel die door een dergelijk gerecht wordt bevolen zonder dat de verweerder is opgeroepen te verschijnen, tenzij de beslissing die de maatregel bevat vóór de tenuitvoerlegging aan de verweerder is betekend;

b)

„gerechtelijke schikking”, een schikking die door een gerecht van een lidstaat is goedgekeurd of tijdens een procedure voor een gerecht van een lidstaat is getroffen;

c)

„authentieke akte”, een akte die als authentieke akte is verleden of geregistreerd in de lidstaat van herkomst en waarvan de authenticiteit:

i)

betrekking heeft op de ondertekening en de inhoud van de akte, en

ii)

is vastgesteld door een overheidsinstantie of een andere daartoe bevoegd verklaarde autoriteit;

d)

„lidstaat van herkomst”, de lidstaat waar, naargelang van het geval, de beslissing is gegeven, de gerechtelijke schikking is goedgekeurd of getroffen, of de authentieke akte is verleden of geregistreerd;

e)

„aangezochte lidstaat”, de lidstaat waar de erkenning van de beslissing wordt ingeroepen of waar de tenuitvoerlegging van de beslissing, de gerechtelijke schikking of de authentieke akte wordt gevorderd;

f)

„gerecht van herkomst”, het gerecht dat de beslissing heeft gegeven waarvan de erkenning wordt ingeroepen of de tenuitvoerlegging wordt gevorderd.

Artikel 3

Voor de toepassing van deze verordening omvat „gerecht” de volgende autoriteiten, voor zover zij bevoegd zijn voor binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallende zaken:

a)

in Hongarije, in het kader van een summiere procedure betreffende een aanmaning tot betaling („fizetési meghagyásos eljárás”): notarissen („közjegyző”);

b)

in Zweden, in het kader van een summiere procedure betreffende een aanmaning tot betaling („betalningsföreläggande”) en bijstandszaken („handräckning”): gerechtsdeurwaarderinstanties („Kronofogdemyndigheten”).

HOOFDSTUK II

BEVOEGDHEID

AFDELING 1

Algemene bepalingen

Artikel 4

1.   Onverminderd deze verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat.

2.   Voor degenen die niet de nationaliteit bezitten van de lidstaat waar zij woonplaats hebben, gelden de regels voor de rechterlijke bevoegdheid die op de eigen onderdanen van die lidstaat van toepassing zijn.

Artikel 5

1.   Degenen die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats hebben, kunnen slechts voor het gerecht van een andere lidstaat worden opgeroepen krachtens de in de afdelingen 2 tot en met 7 van dit hoofdstuk gegeven regels.

2.   In het bijzonder zijn de nationale bevoegdheidsregels waarvan de lidstaten de Commissie krachtens artikel 76, lid 1, onder a), in kennis hebben gesteld, niet van toepassing op personen als bedoeld in lid 1 van dit artikel.

Artikel 6

1.   Indien de verweerder geen woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, wordt de bevoegdheid in elke lidstaat geregeld door de wetgeving van die lidstaat, onverminderd artikel 18, lid 1, artikel 21, lid 2, en de artikelen 24 en 25.

2.   Tegen een dergelijke verweerder kan eenieder, ongeacht zijn nationaliteit, die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats heeft, zich aldaar op gelijke voet met de onderdanen van die staat, beroepen op de aldaar geldende nationale bevoegdheidsregels, en in het bijzonder de regels waarvan de lidstaten de Commissie krachtens artikel 76, lid 1, onder a), in kennis hebben gesteld.

AFDELING 2

Bijzondere bevoegdheid

Artikel 7

Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:

1.

a)

ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst, voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;

b)

voor de toepassing van deze bepaling is, tenzij anders is overeengekomen, de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt:

voor de koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken, de plaats in een lidstaat waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten worden;

voor de verstrekking van diensten, de plaats in een lidstaat waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden;

c)

punt a) is van toepassing indien punt b) niet van toepassing is;

2.

ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad, voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen;

3.

ten aanzien van een op een strafbaar feit gegronde rechtsvordering tot schadevergoeding of tot teruggave, voor het gerecht waarbij de strafvervolging is ingesteld, voor zover dit gerecht volgens de interne wetgeving van de burgerlijke vordering kennis kan nemen;

4.

ten aanzien van een op eigendom gebaseerde vordering tot teruggave van een cultuurgoed in de zin van artikel 1, punt 1, van Richtlijn 93/7/EEG, ingesteld door degene die een eigendomsrecht op een zodanig goed stelt te hebben, voor het gerecht van de plaats waar het goed zich bevindt op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt;

5.

ten aanzien van een geschil betreffende de exploitatie van een filiaal, van een agentschap of enige andere vestiging, voor het gerecht van de plaats waar het filiaal, het agentschap of andere vestiging gelegen zijn;

6.

ten aanzien van een geschil dat aanhangig wordt gemaakt tegen een oprichter, trustee of begunstigde van een trust die in het leven is geroepen op grond van de wet of bij geschrifte dan wel bij een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst, voor de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de trust woonplaats heeft;

7.

ten aanzien van een geschil betreffende de betaling van de beloning wegens de hulp en berging die aan een lading of vracht ten goede is gekomen, voor het gerecht in het rechtsgebied waarvan op deze lading of de daarop betrekking hebbende vracht:

a)

beslag is gelegd tot zekerheid van deze betaling, of

b)

daartoe beslag had kunnen worden gelegd, maar borgtocht of andere zekerheid is gesteld,

met dien verstande dat bepaling slechts van toepassing is indien wordt beweerd dat de verweerder een recht heeft op de lading of de vracht, of dat hij daarop een zodanig recht had op het tijdstip van deze hulp of berging.

Artikel 8

Een persoon die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats heeft, kan ook worden opgeroepen:

1.

indien er meer dan één verweerder is: voor het gerecht van de woonplaats van een hunner, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven;

2.

bij een vordering tot vrijwaring of bij een vordering tot voeging of tussenkomst: voor het gerecht waarvoor de oorspronkelijke vordering aanhangig is gemaakt, tenzij de vorderingen slechts zijn ingesteld om hem te onttrekken aan de bevoegdheid van de rechter die bevoegd zou zijn in zijn zaak;

3.

ten aanzien van een tegenvordering die voortspruit uit de overeenkomst of uit het rechtsfeit waarop de oorspronkelijke vordering gegrond is: voor het gerecht waar deze laatste aanhangig is;

4.

ten aanzien van een verbintenis uit overeenkomst, indien de vordering vergezeld kan gaan van een zakelijke vordering betreffende een onroerend goed tegen dezelfde verweerder: voor de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het onroerend goed gelegen is.

Artikel 9

Indien een gerecht van een lidstaat krachtens deze verordening bevoegd is kennis te nemen van vorderingen ter zake van aansprakelijkheid voortvloeiend uit het gebruik of de exploitatie van een schip, neemt dit gerecht, of elk ander gerecht dat volgens het interne recht van deze lidstaat in zijn plaats treedt, tevens kennis van de vorderingen tot beperking van dergelijke aansprakelijkheid.

AFDELING 3

Bevoegdheid in verzekeringszaken

Artikel 10

De bevoegdheid in verzekeringszaken is in deze afdeling geregeld, onverminderd artikel 6 en artikel 7, punt 5.

Artikel 11

1.   De verzekeraar met woonplaats op het grondgebied van een lidstaat, kan worden opgeroepen:

a)

voor de gerechten van de lidstaat waar hij zijn woonplaats heeft;

b)

in een andere lidstaat, indien het een vordering van de verzekeringnemer, de verzekerde of een begunstigde betreft, voor het gerecht van de woonplaats van de eiser, of

c)

indien het een medeverzekeraar betreft, voor het gerecht van een lidstaat waar de vordering tegen de eerste verzekeraar is ingesteld.

2.   Wanneer de verzekeraar geen woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, maar in een lidstaat een filiaal, een agentschap of enige andere vestiging heeft, wordt hij voor de geschillen betreffende de exploitatie daarvan geacht woonplaats te hebben op het grondgebied van die lidstaat.

Artikel 12

De verzekeraar kan bovendien worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, indien het geschil een aansprakelijkheidsverzekering of een verzekering van onroerend goed betreft. Hetzelfde geldt voor het geval dat de verzekering zowel betrekking heeft op roerende als op onroerende goederen die door eenzelfde polis gedekt zijn en door hetzelfde onheil getroffen zijn.

Artikel 13

1.   Ter zake van aansprakelijkheidsverzekering kan de verzekeraar ook in vrijwaring worden opgeroepen voor het gerecht waar de rechtsvordering van de getroffene tegen de verzekerde aanhangig is, indien de voor dit gerecht geldende wetgeving het toelaat.

2.   De artikelen 10, 11 en 12 zijn van toepassing op de vordering die door de getroffene rechtstreeks tegen de verzekeraar wordt ingesteld, indien de rechtstreekse vordering mogelijk is.

3.   Indien de wettelijke bepalingen betreffende deze rechtstreekse vordering het in het geding roepen van de verzekeringnemer of de verzekerde regelen, is hetzelfde gerecht ook te hunnen opzichte bevoegd.

Artikel 14

1.   Onverminderd artikel 13, lid 3, kan de vordering van de verzekeraar slechts worden gebracht voor de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de verweerder woonplaats heeft, ongeacht of deze laatste verzekeringnemer, verzekerde of begunstigde is.

2.   Deze afdeling laat het recht om een tegenvordering in te stellen bij het gerecht waarvoor met inachtneming van deze afdeling de oorspronkelijke vordering is gebracht, onverlet.

Artikel 15

Van deze afdeling kan slechts worden afgeweken door overeenkomsten:

1.

gesloten na het ontstaan van het geschil;

2.

die aan de verzekeringnemer, de verzekerde of de begunstigde de mogelijkheid geven de zaak bij andere gerechten dan de in deze afdeling genoemde aanhangig te maken;

3.

waarbij een verzekeringnemer en een verzekeraar die op het tijdstip waarop de overeenkomst wordt gesloten, hun woonplaats of hun gewone verblijfplaats in dezelfde lidstaat hebben, zelfs als het schadebrengende feit zich in het buitenland heeft voorgedaan, de gerechten van die lidstaat bevoegd verklaren, tenzij de wetgeving van die lidstaat dergelijke overeenkomsten verbiedt;

4.

gesloten door een verzekeringnemer die zijn woonplaats niet in een lidstaat heeft, behalve wanneer het gaat om een verplichte verzekering of een verzekering van een in een lidstaat gelegen onroerend goed, of

5.

betreffende een verzekeringsovereenkomst, voor zover daarmee een of meer van de risico’s bedoeld in artikel 16 worden gedekt.

Artikel 16

De in artikel 15, punt 5, bedoelde risico’s zijn de volgende:

1.

elk verlies van of elke schade aan:

a)

zeeschepen, vaste installaties in de kustwateren of in volle zee, of luchtvaartuigen, die wordt veroorzaakt door gebeurtenissen in verband met het gebruik daarvan voor handelsdoeleinden;

b)

andere goederen dan de bagage van passagiers, toegebracht tijdens het vervoer met deze schepen of luchtvaartuigen of tijdens gemengd vervoer waarbij mede met deze schepen of luchtvaartuigen wordt vervoerd;

2.

elke aansprakelijkheid, met uitzondering van die voor lichamelijk letsel van passagiers of schade aan hun bagage:

a)

voortvloeiend uit het gebruik of de exploitatie van de schepen, installaties of luchtvaartuigen overeenkomstig punt 1, onder a), voor zover, wat luchtvaartuigen betreft, voor de verzekering van zulke risico’s overeenkomsten tot aanwijzing van een bevoegd gerecht niet verboden zijn bij de wet van de lidstaat waar de luchtvaartuigen zijn ingeschreven;

b)

veroorzaakt door de goederen gedurende vervoer als bedoeld in punt 1, onder b);

3.

de geldelijke verliezen in verband met het gebruik of de exploitatie van de schepen, installaties of luchtvaartuigen overeenkomstig punt 1, onder a), met name verlies van vracht of verlies van opbrengst van vervrachting;

4.

elk risico of belang dat komt bij een van de in punt 1 tot en met punt 3 genoemde risico’s;

5.

behoudens de punten 1 tot en met 4, alle „grote risico’s” zoals omschreven in Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (14).

AFDELING 4

Bevoegdheid voor door consumenten gesloten overeenkomsten

Artikel 17

1.   Voor overeenkomsten gesloten door een persoon, de consument, voor een gebruik dat als niet bedrijfs- of beroepsmatig kan worden beschouwd, wordt de bevoegdheid geregeld door deze afdeling, onverminderd artikel 6 en artikel 5, punt 7, wanneer:

a)

het gaat om koop en verkoop op afbetaling van roerende lichamelijke zaken;

b)

het gaat om leningen op afbetaling of andere krediettransacties ter financiering van de verkoop van zulke zaken, of

c)

in alle andere gevallen, de overeenkomst is gesloten met een persoon die commerciële of beroepsactiviteiten ontplooit in de lidstaat waar de consument woonplaats heeft, of dergelijke activiteiten met ongeacht welke middelen richt op die lidstaat, of op meerdere staten met inbegrip van die lidstaat, en de overeenkomst onder die activiteiten valt.

2.   Wanneer de wederpartij van de consument geen woonplaats heeft op het grondgebied van die lidstaat maar in een lidstaat een filiaal, een agentschap of enige andere vestiging heeft, wordt hij voor de geschillen betreffende de exploitatie daarvan geacht woonplaats te hebben op het grondgebied van die lidstaat.

3.   Deze afdeling is niet van toepassing op vervoerovereenkomsten, behoudens overeenkomsten waarbij voor één enkele prijs zowel vervoer als verblijf worden aangeboden.

Artikel 18

1.   De rechtsvordering die door een consument wordt ingesteld tegen de wederpartij bij de overeenkomst, kan worden gebracht hetzij voor de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan die partij woonplaats heeft, hetzij, ongeacht de woonplaats van de wederpartij, voor het gerecht van de plaats waar de consument woonplaats heeft.

2.   De rechtsvordering die tegen de consument wordt ingesteld door de wederpartij bij de overeenkomst kan slechts worden gebracht voor de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de consument woonplaats heeft.

3.   Dit artikel laat het recht om een tegenvordering in te stellen bij het gerecht waarvoor met inachtneming van deze afdeling de oorspronkelijke vordering is gebracht, onverlet.

Artikel 19

Van deze afdeling kan slechts worden afgeweken door overeenkomsten:

1.

gesloten na het ontstaan van het geschil;

2.

die aan de consument de mogelijkheid geven de zaak bij andere gerechten dan de in deze afdeling genoemde aanhangig te maken, of

3.

waarbij een consument en zijn wederpartij, die op het tijdstip waarop de overeenkomst wordt gesloten woonplaats of hun gewone verblijfplaats in dezelfde lidstaat hebben, de gerechten van die lidstaat bevoegd verklaren, tenzij het recht van die lidstaat dergelijke overeenkomsten verbiedt.

AFDELING 5

Bevoegdheid voor individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomst

Artikel 20

1.   Voor individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomst wordt de bevoegdheid geregeld door deze afdeling, onverminderd artikel 6, artikel 7, punt 5, en in het geval van een tegen de werkgever ingestelde vordering, artikel 8, punt 1.

2.   Wanneer een werknemer een individuele arbeidsovereenkomst aangaat met een werkgever die geen woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, maar in een lidstaat een filiaal, agentschap of andere vestiging heeft, wordt de werkgever voor geschillen betreffende de exploitatie daarvan geacht zijn woonplaats te hebben op het grondgebied van die lidstaat.

Artikel 21

1.   De werkgever met woonplaats op het grondgebied van een lidstaat kan voor de volgende gerechten worden opgeroepen:

a)

voor de gerechten van de lidstaat waar hij zijn woonplaats heeft, of

b)

in een andere lidstaat:

i)

voor het gerecht van de plaats waar of van waaruit de werknemer gewoonlijk werkt of voor het gerecht van de laatste plaats waar of van waaruit hij gewoonlijk heeft gewerkt, of

ii)

wanneer de werknemer niet in eenzelfde land gewoonlijk werkt of heeft gewerkt, voor het gerecht van de plaats waar zich de vestiging bevindt of bevond die de werknemer in dienst heeft genomen.

2.   Een werkgever die geen woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat kan in overeenstemming met lid 1, onder b), worden opgeroepen voor het gerecht van een lidstaat.

Artikel 22

1.   De vordering van de werkgever kan slechts worden gebracht voor de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de werknemer woonplaats heeft.

2.   Deze afdeling laat het recht om een tegenvordering in te stellen bij het gerecht waarvoor met inachtneming van deze afdeling de oorspronkelijke vordering is gebracht, onverlet.

Artikel 23

Van deze afdeling kan slechts worden afgeweken door overeenkomsten:

1.

gesloten na het ontstaan van het geschil, of

2.

die aan de werknemer de mogelijkheid geven de zaak bij andere gerechten dan de in deze afdeling genoemde aanhangig te maken.

AFDELING 6

Exclusieve bevoegdheid

Artikel 24

Ongeacht de woonplaats van partijen zijn bij uitsluiting bevoegd:

1.

voor zakelijke rechten op en huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen: de gerechten van de lidstaat waar het onroerend goed gelegen is.

Voor huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen voor tijdelijk particulier gebruik voor ten hoogste zes opeenvolgende maanden zijn evenwel ook bevoegd de gerechten van de lidstaat waar de verweerder woonplaats heeft, mits de huurder of pachter een natuurlijke persoon is en de eigenaar en de huurder of pachter woonplaats in dezelfde lidstaat hebben;

2.

voor de geldigheid, de nietigheid of de ontbinding van vennootschappen of rechtspersonen met een plaats van vestiging in een lidstaat, dan wel van de besluiten van hun organen: de gerechten van die lidstaat. Om deze plaats van vestiging vast te stellen, past het gerecht de regels van het voor hem geldende internationaal privaatrecht toe;

3.

voor de geldigheid van inschrijvingen in openbare registers: de gerechten van de lidstaat waar deze registers worden gehouden;

4.

voor de registratie of de geldigheid van octrooien, merken, tekeningen en modellen van nijverheid, en andere soortgelijke rechten die aanleiding geven tot deponering of registratie, ongeacht of de kwestie bij wege van rechtsvordering dan wel exceptie wordt opgeworpen: de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de deponering of registratie is verzocht, heeft plaatsgehad of geacht wordt te hebben plaatsgehad in de zin van een besluit van de Unie of een internationale overeenkomst.

Onverminderd de bevoegdheid van het Europees octrooibureau krachtens het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien, ondertekend te München op 5 oktober 1973, zijn de gerechten van elke lidstaat bij uitsluiting bevoegd voor de registratie of de geldigheid van een voor die lidstaat verleend Europees octrooi;

5.

voor de tenuitvoerlegging van beslissingen: de gerechten van de lidstaat van de plaats van tenuitvoerlegging.

AFDELING 7

Door partijen aangewezen bevoegd gerecht

Artikel 25

1.   Indien de partijen, ongeacht hun woonplaats, een gerecht of de gerechten van een lidstaat hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, is dit gerecht of zijn de gerechten van die lidstaat bevoegd, tenzij de overeenkomst krachtens het recht van die lidstaat nietig is wat haar materiële geldigheid betreft. Deze bevoegdheid is exclusief, tenzij de partijen anders zijn overeengekomen. De overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht wordt gesloten:

a)

hetzij bij een schriftelijke overeenkomst of bij een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst;

b)

hetzij in een vorm die wordt toegelaten door de handelwijzen die tussen de partijen gebruikelijk zijn geworden;

c)

hetzij, in de internationale handel, in een vorm die overeenstemt met een gewoonte waarvan de partijen op de hoogte zijn of hadden behoren te zijn en die in de internationale handel algemeen bekend is en door partijen bij dergelijke overeenkomsten in de betrokken handelsbranche doorgaans in acht wordt genomen.

2.   Als „schriftelijk” wordt tevens elke elektronische mededeling aangemerkt, waardoor de overeenkomst duurzaam geregistreerd wordt.

3.   Het gerecht of de gerechten van een lidstaat waaraan in de akte tot oprichting van een trust bevoegdheid is toegekend, is of zijn bij uitsluiting bevoegd kennis te nemen van een vordering tegen een oprichter, een trustee of een begunstigde van een trust, als het gaat om de betrekkingen tussen die personen of om hun rechten of verplichtingen in het kader van de trust.

4.   Overeenkomsten tot aanwijzing van een bevoegd gerecht en soortgelijke bedingen in akten tot oprichting van een trust hebben geen rechtsgevolg indien zij strijdig zijn met de artikelen 15, 19 of 23, of indien de gerechten op welker bevoegdheid inbreuk wordt gemaakt, krachtens artikel 24 bij uitsluiting bevoegd zijn.

5.   Een beding tot aanwijzing van een bevoegd gerecht dat deel uitmaakt van een overeenkomst, wordt aangemerkt als een beding dat los staat van de overige bepalingen van de overeenkomst.

De geldigheid van het beding tot aanwijzing van een bevoegd gerecht kan niet worden bestreden op grond van het enkele feit dat de overeenkomst niet geldig is.

Artikel 26

1.   Buiten de gevallen waarin zijn bevoegdheid voortvloeit uit andere bepalingen van deze verordening, is het gerecht van een lidstaat waarvoor de verweerder verschijnt bevoegd. Dit voorschrift is niet van toepassing indien de verschijning ten doel heeft de bevoegdheid te betwisten, of indien er een ander gerecht bestaat dat krachtens artikel 24 bij uitsluiting bevoegd is.

2.   In aangelegenheden als bedoeld in afdelingen 3, 4 of 5, waarin de polishouder, de verzekerde, een begunstigde van een verzekeringsovereenkomst, de benadeelde partij, de consument of de werknemer verweerder is, vergewist het gerecht zich ervan, alvorens bevoegdheid op grond van lid 1 te aanvaarden, dat de verweerder op de hoogte is gebracht van zijn recht de bevoegdheid van het gerecht te betwisten en van de gevolgen van verschijnen of niet-verschijnen.

AFDELING 8

Toetsing van de bevoegdheid en de ontvankelijkheid

Artikel 27

Het gerecht van een lidstaat waarbij een geschil aanhangig is gemaakt met als inzet een vordering waarvoor krachtens artikel 24 een gerecht van een andere lidstaat bij uitsluiting bevoegd is, verklaart zich ambtshalve onbevoegd.

Artikel 28

1.   Wanneer de verweerder die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats heeft, voor een gerecht van een andere lidstaat wordt opgeroepen en niet verschijnt, verklaart het gerecht zich ambtshalve onbevoegd indien zijn bevoegdheid niet berust op de bepalingen van deze verordening.

2.   Het gerecht is verplicht zijn uitspraak aan te houden zolang niet vaststaat dat de verweerder in de gelegenheid is gesteld het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk, zo tijdig als met het oog op zijn verdediging nodig was, te ontvangen, of dat daartoe al het nodige is gedaan.

3.   Artikel 19 van Verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken („de betekening en de kennisgeving van stukken”) (15) is van toepassing in plaats van lid 2 van dit artikel, indien de toezending van een lidstaat naar een andere lidstaat van het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk, overeenkomstig die verordening moest plaatsvinden.

4.   Indien Verordening (EG) nr. 1393/2007 niet van toepassing is, is artikel 15 van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 15 november 1965 inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of handelszaken van toepassing, indien de toezending naar het buitenland van het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk, overeenkomstig dat verdrag moest plaatsvinden.

AFDELING 9

Aanhangigheid en samenhang

Artikel 29

1.   Wanneer voor gerechten van verschillende lidstaten tussen dezelfde partijen vorderingen aanhangig zijn, die hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, houdt het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, onverminderd artikel 31, lid 2, zijn uitspraak ambtshalve aan totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat.

2.   In de in lid 1 bedoelde gevallen wordt op verzoek van een gerecht waarbij de zaak is aangebracht door een ander aangezocht gerecht onverwijld aan het eerstbedoelde gerecht meegedeeld op welke datum het in overeenstemming met artikel 32 is aangezocht.

3.   Wanneer de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat, verklaart het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zich onbevoegd.

Artikel 30

1.   Wanneer samenhangende vorderingen aanhangig zijn voor gerechten van verschillende lidstaten, kan het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zijn uitspraak aanhouden.

2.   Indien de vordering bij het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht in eerste aanleg aanhangig is, kan elk ander gerecht, op verzoek van een der partijen, ook tot verwijzing overgaan mits het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht bevoegd is van de betreffende vorderingen kennis te nemen en zijn wetgeving de voeging ervan toestaat.

3.   Samenhangend in de zin van dit artikel zijn vorderingen waartussen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven.

Artikel 31

1.   Wanneer voor de vorderingen meer dan één gerecht bij uitsluiting bevoegd is, worden partijen verwezen naar het gerecht waarbij de zaak het eerst aanhangig is gemaakt.

2.   Wanneer een zaak aanhangig wordt gemaakt bij een gerecht van een lidstaat dat op grond van een in artikel 25 bedoelde overeenkomst bij uitsluiting bevoegd is, houdt elk gerecht van de andere lidstaten, onverminderd artikel 26, de uitspraak aan totdat het krachtens de overeenkomst aangezochte gerecht verklaart geen bevoegdheid aan de overeenkomst te ontlenen.

3.   Indien het in de overeenkomst aangewezen gerecht zijn bevoegdheid in overeenstemming met de overeenkomst heeft vastgesteld, verklaart elk gerecht van de overige lidstaten zich onbevoegd ten gunste van dat gerecht.

4.   De leden 2 en 3 zijn niet van toepassing op aangelegenheden als bedoeld in de afdelingen 3, 4 of 5, indien een polishouder, een verzekerde, een begunstigde van de verzekeringsovereenkomst, een benadeelde partij, een consument of een werknemer de eiser is en de overeenkomst niet geldig is krachtens deze afdelingen.

Artikel 32

1.   Voor de toepassing van deze afdeling wordt een zaak geacht te zijn aangebracht bij een gerecht:

a)

op het tijdstip waarop het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk bij het gerecht wordt ingediend, mits de eiser vervolgens niet heeft nagelaten te doen wat hij met het oog op de betekening of de kennisgeving van het stuk aan de verweerder moest doen, of

b)

indien het stuk betekend of meegedeeld moet worden voordat het bij het gerecht wordt ingediend, op het tijdstip waarop de autoriteit die verantwoordelijk is voor de betekening of de kennisgeving het stuk ontvangt, mits de eiser vervolgens niet heeft nagelaten te doen wat hij met het oog op de indiening van het stuk bij het gerecht moest doen.

De onder b) bedoelde autoriteit die verantwoordelijk is voor de betekening of de kennisgeving is de eerste autoriteit die de te betekenen of mee te delen stukken ontvangt.

2.   Het gerecht dat, of de autoriteit die belast is met de betekening als bedoeld in lid 1, noteert, respectievelijk, de datum van indiening van het gedinginleidende stuk of het gelijkwaardige stuk, of de datum van ontvangst van de te betekenen of mee te delen stukken.

Artikel 33

1.   Wanneer bevoegdheid voortvloeit uit artikel 4 of de artikelen 7, 8 of 9, en op het moment dat een vordering wordt aangebracht bij een gerecht in een lidstaat tussen dezelfde partijen een vordering aanhangig is voor een gerecht van een derde land die op dezelfde oorzaak berust en hetzelfde onderwerp betreft, kan het gerecht van de lidstaat de uitspraak aanhouden indien:

a)

wordt verwacht dat het gerecht van het derde land een beslissing zal geven die kan worden erkend en, in voorkomend geval, ten uitvoer kan worden gelegd in die lidstaat, en tevens

b)

het gerecht van de lidstaat ervan overtuigd is dat aanhouding nodig is voor een goede rechtsbedeling.

2.   Het gerecht van de lidstaat kan de procedure op elk moment voortzetten indien:

a)

de procedure voor het gerecht van het derde land zelf wordt aangehouden of beëindigd;

b)

het volgens het gerecht van de lidstaat niet waarschijnlijk is dat de procedure bij het gerecht van het derde land binnen een redelijke termijn zal worden afgerond, of

c)

de voortzetting van de procedure vereist is voor een goede rechtsbedeling.

3.   Het gerecht van de lidstaat beëindigt het geding indien de procedure bij het gerecht van het derde land is afgerond en heeft geleid tot een beslissing die kan worden erkend en, in voorkomend geval, ten uitvoer gelegd in die lidstaat.

4.   Het gerecht van de lidstaat past dit artikel op verzoek van een der partijen of, indien het nationale recht dit toestaat, ambtshalve toe.

Artikel 34

1.   Wanneer de bevoegdheid voortvloeit uit artikel 4 of de artikelen 7, 8 of 9, en op het moment dat een vordering wordt aangebracht voor een gerecht van een lidstaat een samenhangende vordering aanhangig is voor een gerecht van een derde land, kan het gerecht van de lidstaat de uitspraak aanhouden indien:

a)

gezamenlijke behandeling van en beslissing op de samenhangende vorderingen passend is, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke behandeling van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven;

b)

te verwachten is dat het gerecht van het derde land een beslissing zal geven die kan worden erkend en, in voorkomend geval, ten uitvoer gelegd in die lidstaat, en

c)

het gerecht van de lidstaat van mening is dat het aanhouden nodig is voor een goede rechtsbedeling.

2.   Het gerecht van de lidstaat kan het geding op elk moment voortzetten indien:

a)

het gerecht van de lidstaat blijkt dat het risico op onverenigbare beslissingen zich niet langer voordoet;

b)

de procedure bij het gerecht van het derde land zelf wordt aangehouden of beëindigd;

c)

het volgens het gerecht van de lidstaat niet waarschijnlijk is dat de procedure bij het gerecht van het derde land binnen een redelijke termijn zal worden afgerond, of

d)

de voortzetting van de procedure vereist is voor een goede rechtsbedeling.

3.   Het gerecht van de lidstaat kan het geding beëindigen indien de procedure bij het gerecht van het derde land is afgerond en heeft geleid tot een beslissing die kan worden erkend en, in voorkomend geval, ten uitvoer gelegd in die lidstaat.

4.   Het gerecht van de lidstaat past dit artikel op verzoek van een der partijen of, indien het nationale recht dit toestaat, ambtshalve toe.

AFDELING 10

Voorlopige maatregelen en bewarende maatregelen

Artikel 35

In de wetgeving van een lidstaat vastgestelde voorlopige of bewarende maatregelen kunnen bij de gerechten van die staat worden aangevraagd, zelfs indien een gerecht van een andere lidstaat bevoegd is om van het bodemgeschil kennis te nemen.

HOOFDSTUK III

ERKENNING EN TENUITVOERLEGGING

AFDELING 1

Erkenning

Artikel 36

1.   Een in een lidstaat gegeven beslissing wordt in de overige lidstaten erkend zonder vorm van proces.

2.   Iedere belanghebbende partij kan overeenkomstig de procedure als voorzien in afdeling 3, onderafdeling 2, om een beslissing verzoeken, dat er geen gronden voor weigering van de erkenning als bedoeld in artikel 45 zijn.

3.   Wordt voor een gerecht van een lidstaat de weigering van erkenning bij wege van tussenvordering gevraagd, dan is dit gerecht bevoegd om van de vordering kennis te nemen.

Artikel 37

1.   Een partij die in een lidstaat een in een andere lidstaat gegeven beslissing wenst in te roepen, legt de volgende stukken over:

a)

een afschrift van de beslissing dat aan de voorwaarden voldoet om de echtheid ervan te kunnen vaststellen, en

b)

het krachtens artikel 53 afgegeven certificaat.

2.   In voorkomend geval kan het gerecht of de autoriteit waarvoor een in een andere lidstaat gegeven beslissing wordt ingeroepen, de partij die de beslissing inroept, verzoeken een vertaling of een transliteratie van de inhoud van het in lid 1, onder b), bedoelde certificaat te verstrekken, in overeenstemming met artikel 57. Het gerecht of de autoriteit kan de partij verzoeken om in plaats van een vertaling van de inhoud van het certificaat een vertaling van de beslissing te verstrekken, indien het gerecht of de autoriteit de procedure niet kan voortzetten zonder een dergelijke vertaling.

Artikel 38

Het gerecht of de autoriteit waarvoor een in een andere lidstaat gegeven beslissing wordt ingeroepen, kan de procedure geheel of gedeeltelijk schorsen indien:

a)

de beslissing in de lidstaat van herkomst wordt aangevochten, of

b)

om een beslissing is verzocht dat er geen gronden voor weigering van erkenning in de zin van artikel 45 zijn, dan wel om een beslissing dat de erkenning op een van die gronden geweigerd moet worden.

AFDELING 2

Tenuitvoerlegging

Artikel 39

Een in een lidstaat gegeven beslissing die in die lidstaat uitvoerbaar is, is in andere lidstaten uitvoerbaar zonder dat een verklaring van uitvoerbaarheid is vereist.

Artikel 40

Een uitvoerbare beslissing houdt van rechtswege de bevoegdheid in bewarende maatregelen te treffen die zijn voorzien in het recht van de aangezochte lidstaat.

Artikel 41

1.   Onder voorbehoud van het bepaalde in deze afdeling, wordt de procedure voor tenuitvoerlegging van in een andere lidstaat gegeven beslissingen beheerst door het recht van de aangezochte lidstaat. Een in een lidstaat gegeven beslissing die in de aangezochte lidstaat uitvoerbaar is, wordt er onder dezelfde voorwaarden ten uitvoer gelegd als een in de aangezochte lidstaat gegeven beslissing.

2.   Niettegenstaande het bepaalde in lid 1, zijn de in de aangezochte lidstaat wettelijk vastgestelde gronden voor weigering of voor schorsing van de tenuitvoerlegging van toepassing voor zover zij niet onverenigbaar zijn met de in artikel 45 genoemde gronden.

3.   De partij die om de tenuitvoerlegging van een in een andere lidstaat gegeven beslissing verzoekt, behoeft in de aangezochte lidstaat niet te beschikken over een postadres. Zij behoeft evenmin over een gemachtigde vertegenwoordiger in de aangezochte lidstaat te beschikken tenzij een dergelijke vertegenwoordiger ongeacht de nationaliteit of de woonplaats van de partijen verplicht is.

Artikel 42

1.   Met het oog op de tenuitvoerlegging in een lidstaat van een in een andere lidstaat gegeven beslissing, verstrekt de verzoeker aan de voor de tenuitvoerlegging bevoegde autoriteit:

a)

een afschrift van de beslissing dat aan de voorwaarden voldoet om de echtheid ervan te kunnen vaststellen, en

b)

het in overeenstemming met artikel 53 afgegeven certificaat, waaruit blijkt dat de beslissing uitvoerbaar is en dat een uittreksel van de beslissing bevat, alsook, in voorkomend geval, relevante informatie over de invorderbare kosten van de procedure en de berekening van rente.

2.   Met het oog op de tenuitvoerlegging in een lidstaat van een in een andere lidstaat gegeven beslissing waarbij voorlopige en bewarende maatregelen zijn gelast, verstrekt de verzoeker aan de voor de tenuitvoerlegging bevoegde autoriteit:

a)

een afschrift van de beslissing dat aan de voorwaarden voldoet om de echtheid ervan te kunnen vaststellen;

b)

het overeenkomstig artikel 53 afgegeven certificaat, dat een beschrijving van de maatregel bevat en waaruit blijkt dat:

i)

het gerecht bevoegd is om van het bodemgeschil kennis te nemen;

ii)

de beslissing in de lidstaat van herkomst uitvoerbaar is, en

c)

indien de maatregel werd gelast zonder dat de verweerder was opgeroepen, het bewijs dat de beslissing hem is betekend.

3.   Indien nodig kan de voor de tenuitvoerlegging bevoegde autoriteit, overeenkomstig artikel 57, van de verzoeker een vertaling of een transliteratie van de inhoud van het certificaat verlangen.

4.   De voor de tenuitvoerlegging bevoegde autoriteit kan van de verzoeker alleen een vertaling van de beslissing verlangen indien deze autoriteit de procedure niet kan voortzetten zonder een dergelijke vertaling.

Artikel 43

1.   Indien wordt verzocht om tenuitvoerlegging van een beslissing die in een andere lidstaat is gegeven, moet het krachtens artikel 53 afgegeven certificaat, voorafgaand aan de eerste uitvoeringsmaatregel, worden betekend aan de persoon jegens wie om de tenuitvoerlegging wordt verzocht. Het certificaat wordt vergezeld van de beslissing, indien de betekening aan die persoon nog niet heeft plaatsgevonden.

2.   Indien de persoon jegens wie om tenuitvoerlegging wordt verzocht zijn woonplaats heeft in een andere lidstaat dan de lidstaat van herkomst, kan hij, teneinde de tenuitvoerlegging aan te vechten, om een vertaling van de beslissing verzoeken indien de beslissing niet luidt in, noch vergezeld gaat van een vertaling in een van de volgende talen:

a)

een taal die hij begrijpt, of

b)

de officiële taal van de lidstaat waar hij zijn woonplaats heeft of, indien er in die lidstaat verscheidene officiële talen zijn, de officiële taal of een van de officiële talen van de plaats waar hij woonachtig is.

Indien op grond van de eerste alinea om vertaling van de beslissing wordt verzocht, mogen geen andere tenuitvoerleggingsmaatregelen dan bewarende maatregelen worden genomen totdat de vertaling beschikbaar is gesteld aan de persoon jegens wie tenuitvoerlegging is verzocht.

Dit lid is niet van toepassing indien de beslissing reeds in een van de in de eerste alinea bedoelde talen is betekend aan de persoon jegens wie om tenuitvoerlegging wordt verzocht, of vergezeld gaat van een vertaling in een van die talen.

3.   Dit artikel is niet van toepassing op de tenuitvoerlegging van een in een beslissing vervatte bewarende maatregel of indien degene die om de tenuitvoerlegging verzoekt, een bewarende maatregel in overeenstemming met artikel 40 vordert.

Artikel 44

1.   In het geval van een verzoek om weigering van tenuitvoerlegging van een beslissing op grond van afdeling 3, onderafdeling 2, kan het gerecht in de aangezochte lidstaat, op verzoek van de persoon jegens wie om tenuitvoerlegging wordt verzocht:

a)

de tenuitvoerleggingsprocedure tot bewarende maatregelen beperken;

b)

de tenuitvoerlegging afhankelijk maken van een door dat gerecht te bepalen zekerheid, of

c)

de tenuitvoerleggingsprocedure geheel of gedeeltelijk schorsen.

2.   De voor de tenuitvoerlegging bevoegde autoriteit in de aangezochte lidstaat schorst op verzoek van de persoon tegen wie om tenuitvoerlegging wordt verzocht, de tenuitvoerleggingsprocedure indien de uitvoerbaarheid van de beslissing in de lidstaat van herkomst is geschorst.

AFDELING 3

Weigering van erkenning en tenuitvoerlegging

Onderafdeling 1

Weigering van erkenning

Artikel 45

1.   De erkenning van een beslissing wordt op verzoek van een belanghebbende partij geweigerd indien:

a)

de erkenning kennelijk strijdig is met de openbare orde (ordre public) van de aangezochte lidstaat;

b)

het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk niet zo tijdig en op zodanige wijze is betekend aan de verweerder tegen wie verstek werd verleend, als met het oog op zijn verdediging nodig was, tenzij de verweerder tegen de beslissing geen rechtsmiddel heeft aangewend terwijl hij daartoe in staat was;

c)

de beslissing onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen in de aangezochte lidstaat gegeven beslissing;

d)

de beslissing onverenigbaar is met een eerdere beslissing die in een andere lidstaat of in een derde land tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits de eerdere beslissing voldoet aan de voorwaarden voor erkenning in de aangezochte lidstaat;

e)

de beslissing in strijd is met:

i)

afdelingen 3, 4 of 5 van hoofdstuk II, in het geval dat de verweerder in de zaak de polishouder, de verzekerde, een begunstigde van de verzekeringsovereenkomst, de benadeelde partij, de consument of de werknemer is, of

ii)

afdeling 6 van hoofdstuk II.

2.   Bij de toetsing aan de in lid 1, onder e), genoemde bevoegdheidsregels is het aangezochte gerecht gebonden aan de feitelijke overwegingen op grond waarvan het gerecht van herkomst zijn bevoegdheid heeft aangenomen.

3.   Onverminderd lid 1, onder e), mag de bevoegdheid van het gerecht van herkomst niet worden getoetst. De bevoegdheidsregels betreffen niet de openbare orde als bedoeld in lid 1, onder a).

4.   Het verzoek tot weigering van erkenning wordt gedaan overeenkomstig de procedures van onderafdeling 2, en, waar passend, afdeling 4.

Onderafdeling 2

Weigering van tenuitvoerlegging

Artikel 46

Op verzoek van de persoon jegens wie om tenuitvoerlegging wordt verzocht, wordt de tenuitvoerlegging van een beslissing geweigerd wanneer een van de in artikel 45 genoemde gronden zich voordoet.

Artikel 47

1.   Het verzoek tot weigering van de tenuitvoerlegging wordt ingediend bij het gerecht dat de desbetreffende lidstaat overeenkomstig artikel 75, onder a), aan de Commissie heeft meegedeeld als het gerecht waar het verzoek dient te worden ingediend.

2.   De procedure inzake de weigering van tenuitvoerlegging wordt, voor zover deze niet onder de onderhavige verordening valt, beheerst door het recht van de aangezochte lidstaat.

3.   De verzoeker legt aan het gerecht een afschrift van de beslissing en, indien nodig, een vertaling of transliteratie ervan over.

Indien het gerecht daar reeds over beschikt of het onredelijk acht dit van de verzoeker te verlangen, kan het afzien van het doen overleggen van de in de eerste alinea vermelde documenten door de verzoeker. In dat geval kan het gerecht de andere partij gelasten de documenten over te leggen.

4.   De partij die om de weigering van tenuitvoerlegging van een in een andere lidstaat gegeven beslissing verzoekt, behoeft in de aangezochte lidstaat niet over een postadres te beschikken. Zij behoeft evenmin over een gemachtigde vertegenwoordiger in de aangezochte lidstaat te beschikken tenzij een dergelijke vertegenwoordiger ongeacht de nationaliteit of de woonplaats van de partijen verplicht is.

Artikel 48

Het gerecht neemt onverwijld een besluit over het verzoek tot weigering van de tenuitvoerlegging.

Artikel 49

1.   Elke partij kan een rechtsmiddel instellen tegen de beslissing op het verzoek tot weigering van tenuitvoerlegging.

2.   Het rechtsmiddel wordt ingesteld bij het gerecht dat de desbetreffende lidstaat overeenkomstig artikel 75, onder b), aan de Commissie heeft meegedeeld als het gerecht waar dit rechtsmiddel dient te worden ingediend.

Artikel 50

Tegen de op het rechtsmiddel gegeven beslissing kan slechts een rechtsmiddel worden ingesteld als de betrokken lidstaat de Commissie overeenkomstig artikel 75, onder c), in kennis heeft gesteld van de gerechten waar een volgend rechtsmiddel moet worden ingesteld.

Artikel 51

1.   Het gerecht waar een verzoek tot weigering van tenuitvoerlegging is ingediend of een gerecht waarbij een rechtsmiddel in de zin van de artikelen 49 en 50 is ingesteld, kan de uitspraak aanhouden indien in de lidstaat van herkomst een gewoon rechtsmiddel tegen de beslissing is ingesteld of indien de termijn daarvoor nog niet is verstreken. In het laatste geval kan het gerecht een termijn stellen, waarbinnen het rechtsmiddel moet worden ingesteld.

2.   Indien de beslissing in Cyprus, Ierland of het Verenigd Koninkrijk is gegeven, wordt elk rechtsmiddel dat in de lidstaat van oorsprong kan worden ingesteld, voor de toepassing van lid 1 beschouwd als een gewoon rechtsmiddel.

AFDELING 4

Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 52

In geen geval wordt in de aangezochte lidstaat overgegaan tot een onderzoek van de juistheid van de in een lidstaat gegeven beslissing.

Artikel 53

Het gerecht van oorsprong geeft op verzoek van een belanghebbende partij het certificaat af en gebruikt daarvoor het formulier in bijlage I.

Artikel 54

1.   Indien een beslissing maatregelen of bevelen bevat die in het recht van de aangezochte lidstaat onbekend zijn, wordt de maatregel of het bevel zoveel als mogelijk in overeenstemming gebracht met een maatregel die of een bevel dat in het rechtsstelsel van die lidstaat bestaat, gelijkwaardige gevolgen heeft en dezelfde doelstellingen en belangen beoogt.

Een dergelijke aanpassing heeft geen rechtsgevolgen die verder gaan dan die waarin het recht van de lidstaat van oorsprong voorziet.

2.   Elke partij kan de aanpassing van de maatregel of bevel voor het gerecht aanvechten.

3.   Indien nodig, kan van de partij die de beslissing inroept of om de tenuitvoerlegging ervan verzoekt een vertaling of een transliteratie van de beslissing worden verlangd.

Artikel 55

De in een lidstaat gegeven beslissingen die een veroordeling tot betaling van een dwangsom inhouden, kunnen in de aangezochte lidstaat slechts ten uitvoer worden gelegd wanneer het bedrag ervan door het gerecht van herkomst definitief is bepaald.

Artikel 56

Aan de partij die in een lidstaat de tenuitvoerlegging vraagt van een in een andere lidstaat gegeven beslissing, kan geen enkele zekerheid of depot, onder welke benaming ook, worden opgelegd wegens de hoedanigheid van vreemdeling dan wel wegens het ontbreken van een woonplaats of verblijfplaats in de aangezochte lidstaat.

Artikel 57

1.   Indien op grond van deze verordening een vertaling of een transliteratie is vereist, wordt deze vertaling of transliteratie gesteld in de officiële taal van de betrokken lidstaat, of, als er in die lidstaat meerdere officiële talen bestaan, in de officiële taal of een der officiële talen van het gerecht van de plaats waar de in een andere lidstaat gegeven beslissing wordt ingeroepen of het verzoek wordt ingediend, in overeenstemming met het recht van die lidstaat.

2.   Wat de in de artikelen 53 en 60 bedoelde formulieren betreft, kunnen vertalingen of transliteraties ook worden gesteld in een van de andere officiële talen van de instellingen van de Unie die de betrokken lidstaat heeft aangegeven te aanvaarden.

3.   Elke vertaling op grond van deze verordening wordt gemaakt door een persoon die in een van de lidstaten daartoe gemachtigd is.

HOOFDSTUK IV

AUTHENTIEKE AKTEN EN GERECHTELIJKE SCHIKKINGEN

Artikel 58

1.   Authentieke akten die uitvoerbaar zijn in de lidstaat van herkomst, zijn uitvoerbaar in de andere lidstaten, zonder dat enige verklaring van uitvoerbaarheid is vereist. De tenuitvoerlegging van een authentieke akte kan slechts worden geweigerd indien de tenuitvoerlegging kennelijk strijdig is met de openbare orde (ordre public) van de aangezochte lidstaat.

Het bepaalde in afdeling 2, onderafdeling 2 van afdeling 3, en afdeling 4 van hoofdstuk III is op authentieke akten van overeenkomstige toepassing.

2.   De overgelegde authentieke akte moet voldoen aan de voorwaarden om de echtheid in de lidstaat van herkomst te kunnen vaststellen.

Artikel 59

Gerechtelijke schikkingen die uitvoerbaar zijn in de lidstaat van herkomst, worden onder dezelfde voorwaarden als authentieke akten ten uitvoer gelegd in de andere lidstaten.

Artikel 60

De bevoegde autoriteit of het gerecht van de lidstaat van oorsprong verstrekt op verzoek van een belanghebbende partij het certificaat waarvoor zij het formulier in bijlage II gebruikt; het certificaat bevat een samenvatting van de in de authentieke akte opgenomen verplichting die ten uitvoer kan worden gelegd of van de overeenkomst tussen de partijen als vervat in de gerechtelijke schikking.

HOOFDSTUK V

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 61

Geen enkele legalisatie of soortgelijke formaliteit mag worden geëist ten aanzien van de in het kader van deze verordening in een lidstaat afgegeven documenten.

Artikel 62

1.   Om vast te stellen of een partij woonplaats heeft op het grondgebied van de lidstaat bij een van welks gerechten een zaak aanhangig is, past het gerecht zijn intern recht toe.

2.   Indien een partij geen woonplaats heeft in de lidstaat bij een van welks gerechten een zaak aanhangig is, past het gerecht voor de vaststelling of zij een woonplaats heeft in een andere lidstaat, het recht van die lidstaat toe.

Artikel 63

1.   Voor de toepassing van deze verordening hebben vennootschappen en rechtspersonen woonplaats op de plaats van:

a)

hun statutaire zetel,

b)

hun hoofdbestuur, of

c)

hun hoofdvestiging.

2.   In Cyprus, Ierland en het Verenigd Koninkrijk wordt onder het „registered office” de statutaire zetel verstaan of, indien dat nergens bestaat, de „place of incorporation” (plaats van oprichting) of, indien die nergens bestaat, de plaats krachtens het recht waarvan de „formation” (vorming) is geschied.

3.   Om vast te stellen of een trust woonplaats heeft op het grondgebied van de lidstaat bij welks gerechten de zaak aanhangig is gemaakt, past het gerecht de regels van het voor hem geldende internationaal privaatrecht toe.

Artikel 64

Zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat en wegens een onopzettelijk gepleegd strafbaar feit vervolgd worden voor de gerechten van een andere lidstaat, waarvan zij geen onderdaan zijn, zijn, onverminderd aldaar geldende gunstigere bepalingen, bevoegd zich te doen verdedigen door daartoe bevoegde personen, zelfs indien zij niet persoonlijk verschijnen. Het gerecht dat de zaak berecht, kan echter de persoonlijke verschijning bevelen; indien deze niet heeft plaatsgevonden, behoeft de beslissing, op de burgerlijke rechtsvordering gewezen zonder dat de betrokkene de gelegenheid heeft gehad zich te doen verdedigen, in de overige lidstaten niet te worden erkend, noch ten uitvoer te worden gelegd.

Artikel 65

1.   De rechterlijke bevoegdheid, bepaald in artikel 8, punt 2, en artikel 13 ten aanzien van de vordering tot vrijwaring of de vordering tot voeging of tussenkomst kan worden ingeroepen in de lidstaten die zijn opgenomen op de lijst die door de Commissie uit hoofde van artikel 76, lid 1, en artikel 76, lid 2, is opgesteld, doch slechts voor zover het nationale recht dit toestaat. Een persoon die woonplaats heeft in een andere lidstaat, kan worden verzocht deel te nemen aan de procedures voor gerechten van deze lidstaten overeenkomstig de in die lijst vermelde regels betreffende het in het geding roepen van een derde.

2.   In een lidstaat krachtens artikel 8, punt 2, en artikel 13 gegeven beslissingen worden in overeenstemming met hoofdstuk III in alle andere lidstaten erkend en ten uitvoer gelegd. Wanneer beslissingen die gegeven worden in de lidstaten die opgenomen zijn op de in lid 1 bedoelde lijst, in overeenstemming met het recht van die lidstaten gevolgen teweegbrengen voor derden bij toepassing van lid 1, worden deze gevolgen in alle lidstaten erkend.

3.   De lidstaten die zijn opgenomen in de lijst als bedoeld in lid 1, verschaffen, in het kader van het Europees justitieel netwerk in burgerlijke en handelszaken, zoals opgericht bij Beschikking 2001/470/EG van de Raad (16) („het Europese justitiële netwerk”), informatie over de wijze waarop overeenkomstig hun nationale recht de gevolgen van de in de tweede volzin van lid 2 genoemde beslissingen worden vastgesteld.

HOOFDSTUK VI

OVERGANGSBEPALINGEN

Artikel 66

1.   Deze verordening is slechts van toepassing op rechtsvorderingen die zijn ingesteld, authentieke akten die zijn verleden of geregistreerd, en gerechtelijke schikkingen die zijn goedgekeurd of getroffen op of na 10 januari 2015.

2.   Niettegenstaande artikel 80 blijft Verordening (EG) nr. 44/2001 van toepassing op beslissingen gegeven inzake rechtsvorderingen die zijn ingesteld, op authentieke akten die zijn verleden of geregistreerd, en op gerechtelijke schikkingen die zijn goedgekeurd of getroffen vóór 10 januari 2015 en die onder die verordening vallen.

HOOFDSTUK VII

VERHOUDING TOT ANDERE REGELGEVING

Artikel 67

Deze verordening laat onverlet de toepassing van de bepalingen die, voor bijzondere onderwerpen, de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen regelen en die opgenomen zijn of zullen worden in de besluiten van de Unie of in de nationale wetgevingen die ter uitvoering van deze besluiten geharmoniseerd zijn.

Artikel 68

1.   Deze verordening komt, in de betrekkingen tussen de lidstaten, in de plaats van het Verdrag van Brussel van 1968, uitgezonderd ten aanzien van de grondgebieden van de lidstaten die onder de territoriale werkingssfeer van dat verdrag vallen en die krachtens artikel 355 VWEU van deze verordening uitgesloten zijn.

2.   Voor zover deze verordening in de betrekkingen tussen de lidstaten in de plaats komt van het Verdrag van Brussel van 1968, geldt elke verwijzing naar dat verdrag als een verwijzing naar deze verordening.

Artikel 69

Onder voorbehoud van de artikelen 70 en 71 komt deze verordening in de betrekkingen tussen de lidstaten in de plaats van de verdragen die hetzelfde onderwerp bestrijken als deze verordening. In het bijzonder worden de verdragen vervangen die zijn opgenomen op de door de Commissie uit hoofde van artikel 76, lid 1, onder c), en artikel 76, lid 2, vastgestelde lijst.

Artikel 70

1.   De in artikel 69 bedoelde verdragen blijven van kracht voor aangelegenheden waarop deze verordening niet van toepassing is.

2.   Zij blijven voorts van kracht met betrekking tot beslissingen die zijn gegeven, authentieke akten die zijn verleden of geregistreerd en gerechtelijke schikkingen die zijn goedgekeurd of gesloten vóór de datum van inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 44/2001.

Artikel 71

1.   Deze verordening laat onverlet verdragen waarbij de lidstaten partij zijn en die, voor bijzondere onderwerpen, de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen regelen.

2.   Teneinde de eenvormige uitlegging van lid 1 te waarborgen wordt dat lid als volgt toegepast:

a)

deze verordening belet niet dat een gerecht van een lidstaat die partij is bij een verdrag of overeenkomst over een bijzonder onderwerp, overeenkomstig dat verdrag of die overeenkomst kennisneemt van een zaak, ook indien de verweerder zijn woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat die geen partij is bij dat verdrag of die overeenkomst. Het gerecht past in ieder geval artikel 28 van deze verordening toe;

b)

beslissingen die een gerecht van een lidstaat heeft gegeven uit hoofde van rechterlijke bevoegdheid die ontleend wordt aan een verdrag of overeenkomst over een bijzonder onderwerp, worden in de andere lidstaten overeenkomstig de onderhavige verordening erkend en ten uitvoer gelegd.

Indien een verdrag of overeenkomst over een bijzonder onderwerp, waarbij zowel de lidstaat van herkomst als de aangezochte lidstaat partij is, voorwaarden vaststelt voor de erkenning of de tenuitvoerlegging van beslissingen vinden die voorwaarden toepassing. In elk geval kunnen de bepalingen van deze verordening betreffende erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen worden toegepast.

Artikel 72

Deze verordening laat onverlet de overeenkomsten waarbij de lidstaten zich krachtens artikel 59 van het Verdrag van Brussel van 1968 vóór de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 44/2001 ertoe hebben verbonden om beslissingen die, met name in een andere staat die partij is bij dat verdrag, zijn gegeven tegen een verweerder met woonplaats of gewone verblijfplaats in een derde staat, niet te erkennen indien in een geval bedoeld in artikel 4 van genoemd verdrag de beslissing slechts gegrond kon worden op een bevoegdheid in de zin van artikel 3, tweede alinea, van dat verdrag.

Artikel 73

1.   Deze verordening laat onverlet de toepassing van het Verdrag van Lugano van 2007.

2.   Deze verordening laat onverlet de toepassing van het Verdrag van New York van 1958.

3.   Deze verordening laat onverlet de toepassing van bilaterale verdragen en overeenkomsten tussen een derde land en een lidstaat, die zijn gesloten vóór de datum van inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 44/2001 en die betrekking hebben op door de onderhavige verordening geregelde aangelegenheden.

HOOFDSTUK VIII

SLOTBEPALINGEN

Artikel 74

De lidstaten verstrekken in het kader van het Europees justitieel netwerk en teneinde deze gegevens openbaar te maken, een beschrijving van de nationale voorschriften en procedures betreffende tenuitvoerlegging, met inbegrip van informatie over de voor tenuitvoerlegging bevoegde autoriteiten en over de op dat gebied geldende beperkingen, met name de voorschriften ter bescherming van de schuldenaar en informatie over verval- en verjaringstermijnen.

Deze informatie wordt door de lidstaten voortdurend bijgewerkt.

Artikel 75

Uiterlijk op 10 januari 2014 delen de lidstaten de Commissie mee:

a)

bij welke gerechten overeenkomstig artikel 47, lid 1, het verzoek tot weigering van tenuitvoerlegging moet worden ingesteld;

b)

bij welke gerechten overeenkomstig artikel 49, lid 2, een rechtsmiddel tegen de beslissing op het verzoek om een weigering van tenuitvoerlegging moet worden ingesteld;

c)

bij welke gerechten eventuele hogere voorziening overeenkomstig artikel 50 moet worden ingesteld, en

d)

welke talen worden aanvaard voor de vertaling van de formulieren, conform artikel 57, lid 2.

De Commissie maakt de informatie met alle passende middelen openbaar, met name via het Europees justitieel netwerk.

Artikel 76

1.   De lidstaten stellen de Commissie in kennis van:

a)

de in artikel 5, lid 2, en artikel 6, lid 2, vermelde bevoegdheidsregels;

b)

de in artikel 65 vermelde regels ten aanzien van het in het geding roepen van een derde, en

c)

de in artikel 69 vermelde overeenkomsten.

2.   De Commissie stelt op basis van de door de lidstaten gegeven mededelingen als bedoeld in lid 1 de desbetreffende lijsten op.

3.   De lidstaten stellen de Commissie in kennis van elke daaropvolgende wijziging die in deze lijsten moet worden doorgevoerd. De Commissie wijzigt deze lijsten dienovereenkomstig.

4.   De Commissie maakt de lijsten en elke daaropvolgende doorgevoerde wijziging, bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.

5.   De Commissie maakt alle krachtens lid 1 en lid 3 medegedeelde informatie met andere passende middelen openbaar, in het bijzonder via het Europees justitieel netwerk.

Artikel 77

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 78 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de wijziging van bijlagen I en II.

Artikel 78

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 77 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van 9 januari 2013.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 77 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.   Een overeenkomstig artikel 77 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van deze termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 79

Uiterlijk op 11 januari 2022 dient de Commissie bij het Europees Parlement, bij de Raad en bij het Europees Economisch en Sociaal Comité een verslag in over de toepassing van deze verordening. In haar verslag beoordeelt de Commissie onder meer of de bevoegdheidsregels ook moeten worden uitgebreid tot verweerders die geen woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, rekening houdend met de tenuitvoerlegging van deze verordening en mogelijke internationale ontwikkelingen. Het verslag gaat zo nodig vergezeld van een voorstel tot wijziging van deze verordening.

Artikel 80

Verordening (EG) nr. 44/2001 wordt ingetrokken bij deze verordening. Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage III.

Artikel 81

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 10 januari 2015, met uitzondering van de artikelen 75 en 76 die van toepassing zijn met ingang van 10 januari 2014.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te Straatsburg, 12 december 2012.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

A. D. MAVROYIANNIS


(1)  PB C 218 van 23.7.2011, blz. 78.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 20 november 2012 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 6 december 2012.

(3)  PB L 12 van 16.1.2001, blz. 1.

(4)  PB C 115 van 4.5.2010, blz. 1.

(5)  PB L 299 van 31.12.1972, blz. 32; PB L 304 van 30.10.1978, blz. 1; PB L 388 van 31.12.1982, blz. 1; PB L 285 van 3.10.1989, blz. 1; PB C 15 van 15.1.1997, blz. 1. Voor een geconsolideerde versie, zie PB C 27 van 26.1.1998, blz. 1.

(6)  PB L 319 van 25.11.1988, blz. 9.

(7)  PB L 120 van 5.5.2006, blz. 22.

(8)  PB L 147 van 10.6.2009, blz. 5.

(9)  PB L 7 van 10.1.2009, blz. 1.

(10)  PB L 74 van 27.3.1993, blz. 74.

(11)  PB L 157 van 30.4.2004, blz. 45.

(12)  PB L 174 van 27.6.2001, blz. 1.

(13)  PB L 299 van 16.11.2005, blz. 62.

(14)  PB L 335 van 17.12.2009, blz. 1.

(15)  PB L 324 van 10.12.2007, blz. 79.

(16)  PB L 174 van 27.6.2001, blz. 25.


BIJLAGE I

Image

Image

Image

Image


BIJLAGE II

Image

Image

Image


BIJLAGE III

CONCORDANTIETABEL

Verordening (EG) nr. 44/2001

Deze verordening

Artikel 1, lid 1

Artikel 1, lid 1

Artikel 1, lid 2, inleidende formule

Artikel 1, lid 2, inleidende formule

Artikel 1, lid 2, onder a)

Artikel 1, lid 2, onder a) en f)

Artikel 1, lid 2, onder b) tot en met d)

Artikel 1, lid 2, onder b) tot en met d)

Artikel 1, lid 2, onder e)

Artikel 1, lid 3

Artikel 2

Artikel 2

Artikel 4

Artikel 3

Artikel 5

Artikel 4

Artikel 6

Artikel 5, inleidende formule

Artikel 7, inleidende formule

Artikel 5, punt 1

Artikel 7, punt 1

Artikel 5, punt 2

Artikel 5, punten 3 en 4

Artikel 7, punten 2 en 3

Artikel 7, punt 4

Artikel 5, punten 5 tot en met 7

Artikel 7, punten 5 tot en met 7

Artikel 6

Artikel 8

Artikel 7

Artikel 9

Artikel 8

Artikel 10

Artikel 9

Artikel 11

Artikel 10

Artikel 12

Artikel 11

Artikel 13

Artikel 12

Artikel 14

Artikel 13

Artikel 15

Artikel 14

Artikel 16

Artikel 15

Artikel 17

Artikel 16

Artikel 18

Artikel 17

Artikel 19

Artikel 18

Artikel 20

Artikel 19, punten 1 en 2

Artikel 21, lid 1

Artikel 21, lid 2

Artikel 20

Artikel 22

Artikel 21

Artikel 23

Artikel 22

Artikel 24

Artikel 23, leden 1 en 2

Artikel 25, leden 1 en 2

Artikel 23, lid 3

Artikel 23, leden 4 en 5

Artikel 25, leden 3 en 4

Artikel 25, lid 5

Artikel 24

Artikel 26, lid 1

Artikel 26, lid 2

Artikel 25

Artikel 27

Artikel 26

Artikel 28

Artikel 27, lid 1

Artikel 29, lid 1

Artikel 29, lid 2

Artikel 27, lid 2

Artikel 29, lid 3

Artikel 28

Artikel 30

Artikel 29

Artikel 31, lid 1

Artikel 31, lid 2

Artikel 31, lid 3

Artikel 31, lid 4

Artikel 30

Artikel 32, lid 1, onder a) en b)

Artikel 32, lid 1, tweede alinea

Artikel 32, lid 2

Artikel 33

Artikel 34

Artikel 31

Artikel 35

Artikel 32

Artikel 2, onder a)

Artikel 33

Artikel 36

Artikel 37

Artikel 39

Artikel 40

Artikel 41

Artikel 42

Artikel 43

Artikel 44

Artikel 34

Artikel 45, lid 1, onder a) tot en met d)

Artikel 35, lid 1

Artikel 45, lid 1, onder e)

Artikel 35, lid 2

Artikel 45, lid 2

Artikel 35, lid 3

Artikel 45, lid 3

 

Artikel 45, lid 4

Artikel 36

Artikel 52

Artikel 37, lid 1

Artikel 38, onder a)

Artikel 38

Artikel 39

Artikel 40

Artikel 41

Artikel 42

Artikel 43

Artikel 44

Artikel 45

Artikel 46

Artikel 47

Artikel 48

Artikel 46

Artikel 47

Artikel 48

Artikel 49

Artikel 50

Artikel 51

Artikel 54

Artikel 49

Artikel 55

Artikel 50

Artikel 51

Artikel 56

Artikel 52

Artikel 53

Artikel 54

Artikel 53

Artikel 55, lid 1

Artikel 55, lid 2

Artikel 37, lid 2, artikel 47, lid 3, en artikel 57

Artikel 56

Artikel 61

Artikel 57, lid 1

Artikel 58, lid 1

Artikel 57, lid 2

Artikel 57, lid 3

Artikel 58, lid 2

Artikel 57, lid 4

Artikel 60

Artikel 58

Artikel 59 en artikel 60

Artikel 59

Artikel 62

Artikel 60

Artikel 63

Artikel 61

Artikel 64

Artikel 62

Artikel 3

Artikel 63

Artikel 64

Artikel 65

Artikel 65, leden 1 en 2

Artikel 65, lid 3

Artikel 66

Artikel 66

Artikel 67

Artikel 67

Artikel 68

Artikel 68

Artikel 69

Artikel 69

Artikel 70

Artikel 70

Artikel 71

Artikel 71

Artikel 72

Artikel 72

Artikel 73

Artikel 73

Artikel 79

Artikel 74, lid 1

Artikel 75, lid 1, onder a), b) en c) en artikel 76, lid 1, onder a)

Artikel 74, lid 2

Artikel 77

Artikel 78

Artikel 80

Artikel 75

Artikel 76

Artikel 81

Bijlage I

Artikel 76, lid 1, onder a)

Bijlage II

Artikel 75, onder a)

Bijlage III

Artikel 75, onder b)

Bijlage IV

Artikel 75, onder c)

Bijlage V

Bijlage I en bijlage II

Bijlage VI

Bijlage II

Bijlage III


Top