Help Print this page 

Document 32011R1176

Title and reference
Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden
  • In force
OJ L 306, 23.11.2011, p. 25–32 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
Special edition in Croatian: Chapter 10 Volume 005 P. 186 - 193

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2011/1176/oj
Multilingual display
Dates
  • Date of document: 16/11/2011
  • Date of effect: 13/12/2011; in werking datum publicatie +20 zie art 17
  • Date of end of validity: 31/12/9999
Miscellaneous information
  • Author: Europees Parlement, Raad van de Europese Unie
  • Form: Verordening
  • Additional information: COD 2010/0281
Text

23.11.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 306/25


VERORDENING (EU) Nr. 1176/2011 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 16 november 2011

betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 121, lid 6,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank (1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De coördinatie van het economische beleid van de lidstaten binnen de Unie moet worden ontwikkeld in het kader van de globale richtsnoeren voor het economisch beleid en de richtsnoeren voor werkgelegenheid, zoals bepaald in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en moet de naleving van de volgende grondbeginselen met zich mee te brengen: stabiele prijzen, gezonde en houdbare overheidsfinanciën en monetaire condities, en ook een houdbare betalingsbalans.

(2)

Er moet de nodige lering worden getrokken uit het eerste decennium van de economische en monetaire unie, en in het bijzonder voor een beter economisch bestuur in de Unie op basis van sterkere nationale betrokkenheid.

(3)

Het tot stand brengen en het handhaven van een dynamische interne markt moet worden beschouwd als een onderdeel van de goede en soepele werking van de economische en monetaire unie.

(4)

Het verbeterde kader voor economisch bestuur moet berusten op verschillende met elkaar verbonden en coherente beleidsmaatregelen voor duurzame groei en werkgelegenheid, in het bijzonder een strategie van de Unie voor groei en banen, met bijzondere aandacht voor het ontwikkelen en versterken van de interne markt, het bevorderen van internationale handel en concurrentievermogen, een Europees semester voor betere coördinatie van het economisch en het begrotingsbeleid (Europees semester), een effectief kader voor het voorkomen en corrigeren van buitensporige overheidstekorten (het stabiliteits- en groeipact, SGP), een robuust kader voor het voorkomen en het corrigeren van macro-economische onevenwichtigheden, minimumeisen voor de nationale begrotingskaders, en een betere regulering van en toezicht op de financiële markten, waaronder macroprudentieel toezicht door het Europees Comité voor systeemrisico's (European Systemic Risk Board, ESRB).

(5)

De versterking van het economisch bestuur moet een nauwere en meer tijdige betrokkenheid van het Europees Parlement en de nationale parlementen behelzen. Erkennend dat in het kader van de dialoog de desbetreffende instellingen van de Unie en hun vertegenwoordigers de tegenhangers van het Europees Parlement zijn, kan de bevoegde commissie van het Europees Parlement een lidstaat die het onderwerp is van een aanbeveling of een besluit van de Raad overeenkomstig artikel 7, lid 2, artikel 8, lid 2, of artikel 10, lid 4, van deze verordening, de gelegenheid bieden deel te nemen aan een gedachtewisseling. Deelname van de lidstaat aan een dergelijke gedachtewisseling geschiedt op vrijwillige basis.

(6)

De Commissie moet een krachtiger rol spelen in de verscherpte toezichtprocedure voor wat betreft de voor elke lidstaat specifieke beoordelingen, monitoring, bezoeken ter plaatse, aanbevelingen en waarschuwingen.

(7)

In het bijzonder moet het toezicht op het economisch beleid van de lidstaten worden verruimd tot meer dan louter budgettair toezicht, zodat het een meer gedetailleerd en formeel kader omvat waarmee buitensporige macro-economische onevenwichtigheden kunnen worden voorkomen en de betrokken lidstaten kunnen worden geholpen om corrigerende plannen op te stellen, voordat de afwijkingen een blijvend karakter krijgen. Een dergelijke verruiming van het toezicht op het economisch beleid moet gepaard gaan met een verdieping van het begrotingstoezicht.

(8)

Om dergelijke buitensporige macro-economische onevenwichtigheden te helpen corrigeren, is een gedetailleerde, wettelijk vastgelegde procedure noodzakelijk.

(9)

Het is passend om het in artikel 121, leden 3 en 4, VWEU bedoelde multilaterale toezicht aan te vullen met specifieke bepalingen voor het opsporen van macro-economische onevenwichtigheden en ook voor het voorkomen en het corrigeren van buitensporige macro-economische onevenwichtigheden binnen de Unie. Het is essentieel dat de procedure in lijn wordt gebracht met de jaarlijkse cyclus voor multilateraal toezicht.

(10)

Die procedure dient een waarschuwingsmechanisme in te stellen voor vroegtijdige detectie van opkomende macro-economische onevenwichtigheden. Daarbij moet gebruik worden gemaakt van een indicatief en transparant „scorebord” dat voorziet in indicatieve drempelwaarden, in combinatie met economische oordeelsvorming. Bij deze oordeelsvorming worden onder meer de nominale en de reële convergentie binnen en buiten het eurogebied betrokken.

(11)

Om effectief als onderdeel van het waarschuwingsmechanisme te functioneren, moet het scorebord bestaan uit een beperkte reeks economische, financiële en structurele indicatoren die relevant zijn voor de detectie van macro-economische onevenwichtigheden, met overeenkomstige indicatieve drempelwaarden. De indicatoren en de drempelwaarden moeten indien nodig worden bijgesteld om deze aan te passen aan de veranderende aard van de macro-economische onevenwichtigheden, onder meer doordat de bedreigingen voor de macro-economische stabiliteit evolueren, en om rekening te houden met de verbeterde beschikbaarheid van relevante gegevens. De indicatoren moeten niet worden beschouwd als economische beleidsdoeleinden op zichzelf maar als instrumenten om het evoluerende karakter van de macro-economische onevenwichtigheden binnen de Europese Unie in beschouwing te nemen.

(12)

De Commissie moet nauw samenwerken met het Europees Parlement en de Raad bij het opstellen van het scorebord en de reeks van macro-economische en macrofinanciële indicatoren voor de lidstaten. De Commissie moet suggesties voor commentaar aan de bevoegde commissies van het Europees Parlement en de bevoegde comités van de Raad met betrekking tot de plannen om indicatoren en drempelwaarden vast te stellen en aan te passen. De Commissie moet het Europees Parlement en de Raad op de hoogte stellen van wijzigingen aan de indicatoren en drempelwaarden en de redenen voor het suggereren van deze wijzigingen toelichten.

(13)

Bij de ontwikkeling van het scorebord moet ook naar behoren rekening worden gehouden met heterogene economische omstandigheden, met inbegrip van inhaaleffecten.

(14)

De overschrijding van een of meer indicatieve drempelwaarden hoeft niet noodzakelijkerwijs in te houden dat macro-economische onevenwichtigheden zich aandienen, aangezien bij economische beleidsvorming rekening moet worden gehouden met de verwevenheid van macro-economische variabelen. Aan de gegevens van het scorebord moeten geen automatische conclusies worden verbonden: economische oordeelsvorming moet ervoor zorgen dat alle stukken informatie, al dan niet afkomstig van het scorebord, in perspectief worden geplaatst en deel gaan uitmaken van een brede analyse.

(15)

Op basis van de procedure voor het multilaterale toezicht en het waarschuwingsmechanisme, of in geval van onverwachte, significante economische ontwikkelingen die voor de toepassing van deze verordening een urgente analyse vergen, moet de Commissie vaststellen welke lidstaten aan een diepgaande evaluatie moeten worden onderworpen. De diepgaande evaluatie moet worden verricht zonder ervan uit te gaan dat er van een onevenwichtigheid sprake is en moet een grondige analyse van bronnen van onevenwichtigheden in de onder evaluatie staande lidstaat omvatten, waarbij terdege rekening wordt gehouden met de landspecifieke economische voorwaarden en omstandigheden en met een breder scala van analytische instrumenten, indicatoren en kwalitatieve informatie die specifiek zijn voor dat land. Wanneer de Commissie een diepgaande evaluatie uitvoert, moet de lidstaat samenwerken om te zorgen dat de aan de Commissie verstrekte informatie zo volledig en correct mogelijk is. Voorts moet de Commissie naar behoren rekening houden met alle andere informatie die volgens de betrokken lidstaat relevant is, en die de lidstaat aan de Commissie en de Raad heeft verstrekt.

(16)

De diepgaande evaluatie moet worden besproken in de Raad, en in de Eurogroep voor de lidstaten die de euro als munt hebben. Bij de diepgaande evaluatie moet in voorkomend geval rekening worden gehouden met de aanbevelingen of verzoeken van de Raad die in overeenstemming met de artikelen 121, 126 en 148 VWEU en de artikelen 6, 7, 8 en 10 van deze verordening aan de onder evaluatie staande lidstaten gericht zijn, en met de beleidsintenties van de onder evaluatie staande lidstaat, zoals weergegeven in de zijn nationale hervormingsprogramma's, als ook met de beste internationale praktijken op het gebied van indicatoren en methoden. Wanneer de Commissie besluit een diepgaand onderzoek te starten naar aanleiding van significante of onverwachte economische ontwikkelingen die een dringende analyse vergen, moet zij de betrokken lidstaten hiervan in kennis stellen.

(17)

Bij het beoordelen van macro-economische onevenwichtigheden moet rekening worden gehouden met de ernst ervan en met de mogelijke negatieve economische en financiële overloopeffecten ervan, welke de kwetsbaarheid van de economie van de Unie vergroten en een bedreiging vormen voor de soepele werking van de economische en monetaire unie. In alle lidstaten, vooral in het eurogebied, zijn maatregelen nodig om macro-economische onevenwichtigheden en verschillen in het concurrentievermogen het hoofd te bieden. De aard, de omvang en de urgentie van de beleidsuitdagingen kunnen, afhankelijk van de betrokken lidstaten, evenwel sterk verschillen. Gelet op de zwakke punten en de omvang van de vereiste aanpassing is actie vooral urgent in de lidstaten met aanhoudende grote tekorten op de lopende rekening en met een tanend concurrentievermogen. Bovendien moet het beleid in lidstaten die grote overschotten op de lopende rekening opbouwen, erop gericht zijn maatregelen vast te stellen en uit te voeren die de binnenlandse vraag stimuleren en het groeipotentieel doen toenemen.

(18)

Ook het economische aanpassingsvermogen en de staat van dienst van de betrokken lidstaat wat betreft de naleving van eerdere, krachtens deze verordening gedane aanbevelingen en andere krachtens artikel 121 VWEU in het kader van het multilaterale toezicht gedane aanbevelingen, in het bijzonder de globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten en van de Unie, moeten in overweging worden genomen.

(19)

Een procedure voor toezicht op en correctie van ongunstige macro-economische onevenwichtigheden, met preventieve en corrigerende elementen, vereist verbeterde instrumenten voor toezicht, die gebaseerd zijn op die welke worden gebruikt in de procedure voor multilateraal toezicht. Dit kan onder meer omvatten: missies voor verscherpt toezicht naar de lidstaten door de Commissie, in samenwerking met de Europese Centrale Bank (ECB) voor lidstaten die de euro als munt hebben of voor lidstaten die deelnemen aan de Overeenkomst van 16 maart 2006 tussen de Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken van de lidstaten buiten het eurogebied waarin de operationele procedures voor een wisselkoersmechanisme in de derde fase van de Economische en Monetaire Unie zijn neergelegd (4) (WKM2), en aanvullende rapportages door de lidstaten in geval van ernstige onevenwichtigheden, waaronder onevenwichtigheden die de goede werking van de economische en monetaire unie in gevaar brengen. De sociale partners en andere nationale belanghebbenden moeten in voorkomend geval bij de dialoog worden betrokken.

(20)

Indien macro-economische onevenwichtigheden worden vastgesteld, moeten, waar passend met betrokkenheid van de bevoegde comités, aanbevelingen aan de betrokken lidstaat worden gericht om richtsnoeren te geven inzake passende beleidsreacties. De beleidsreactie van de betrokken lidstaat moet tijdig zijn en moet gebruikmaken van alle beleidsinstrumenten waarover overheidsinstanties beschikken. Indien nodig moeten ook relevante nationale belanghebbenden, met inbegrip van de sociale partners, hierbij worden betrokken overeenkomstig het VWEU en de nationale wettelijke en politieke regelingen. De beleidsreactie moet toegesneden zijn op de specifieke omgeving en omstandigheden van de betrokken lidstaat en de belangrijkste economische beleidsterreinen bestrijken, waaronder mogelijkerwijs begrotings- en loonbeleid, arbeidsmarkten, producten- en dienstenmarkten en regulering van de financiële sector. De verplichtingen in het kader van WKM2 moeten in acht worden genomen.

(21)

De waarschuwingen en aanbevelingen van het Europees Comité voor systeemrisico's (European Systemic Risk Board, ESRB) aan lidstaten of aan de Unie hebben betrekking op risico's van macrofinanciële aard. Deze moeten indien nodig ook passende vervolgmaatregelen van de Commissie vergen in het kader van het toezicht op macro-economische onevenwichtigheden. De onafhankelijkheid en de vertrouwelijkheid van het ESRB moeten strikt worden geëerbiedigd.

(22)

Indien ernstige macro-economische onevenwichtigheden worden geïdentificeerd, waaronder wordt begrepen onevenwichtigheden die de goede werking van de economische en monetaire unie in gevaar brengen, moet een procedure bij buitensporige onevenwichtigheden worden ingeleid, welke het uitbrengen van aanbevelingen aan de lidstaat kan omvatten alsook verscherpte vereisten voor toezicht en monitoring, en, ten aanzien van de lidstaten die de euro als munt hebben, de mogelijkheid tot handhaving overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1174/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende handhavingsmaatregelen voor de correctie van buitensporige macro-economische onevenwichtigheden in het eurogebied (5) in geval van aanhoudend verzuim om corrigerende maatregelen te nemen.

(23)

Een lidstaat ten aanzien waarvan een procedure bij buitensporige onevenwichtigheden loopt, moet een plan met corrigerende maatregelen opstellen, waarin zijn beleid tot uitvoering van de aanbevelingen van de Raad wordt beschreven. Het plan met corrigerende maatregelen moet een tijdschema voor de tenuitvoerlegging van de beoogde maatregelen bevatten. Het plan moet worden onderschreven door een aanbeveling van de Raad. Die aanbeveling moet worden toegezonden aan het Europees Parlement.

(24)

Aan de Raad moet de bevoegdheid worden verleend afzonderlijke besluiten vast te stellen waarin de niet-naleving wordt geconstateerd van de aanbevelingen die de Raad in het kader van het plan met corrigerende maatregelen heeft geformuleerd. In het kader van de binnen de Raad gevoerde coördinatie van het economische beleid van de lidstaten als bedoeld in artikel 121, lid 1, VWEU, vormen die individuele besluiten een integrerend vervolg op de op grond van artikel 121, lid 4, VWEU door de Raad geformuleerde aanbevelingen in het kader van het plan met corrigerende maatregelen.

(25)

Bij de toepassing van deze verordening moeten de Raad en de Commissie ten volle recht doen aan de rol van de nationale parlementen en de sociale partners en moeten zij de verschillen tussen de nationale economische stelsels, bijvoorbeeld wat betreft loonvorming, in acht nemen.

(26)

Indien de Raad van oordeel is dat een lidstaat niet langer met een buitensporige onevenwichtigheid te kampen heeft, dient hij zijn desbetreffende aanbevelingen op aanbeveling van de Commissie in te trekken en dient de procedure bij buitensporige onevenwichtigheden te worden afgesloten. Deze intrekking is gebaseerd op een brede analyse van de Commissie waaruit blijkt dat de lidstaat gevolg heeft gegeven aan de aanbevelingen van de Raad en dat de onderliggende oorzaken en bijbehorende risico's die in de aanbeveling van de Raad tot opening van de procedure bij buitensporige onevenwichtigheden worden beschreven, niet langer bestaan; daarbij wordt onder meer rekening gehouden met macro-economische ontwikkelingen, vooruitzichten en overloopeffecten. De afsluiting van de procedure bij buitensporige onevenwichtigheden dient openbaar te worden gemaakt.

(27)

Aangezien de doelstelling van deze verordening, namelijk de instelling van een effectief kader voor de detectie van macro-economische onevenwichtigheden en de preventie en de correctie van macro-economische onevenwichtigheden, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt vanwege de sterke commerciële en financiële verwevenheid tussen de lidstaten en de overloopeffecten van nationaal economisch beleid op de Unie en het eurogebied als geheel, en daarom beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in dat artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ONDERWERP EN DEFINITIES

Artikel 1

Onderwerp

1.   Deze verordening omvat nadere bepalingen voor de detectie van macro-economische onevenwichtigheden, en voor de preventie en correctie van buitensporige macro-economische onevenwichtigheden binnen de Unie.

2.   Deze verordening wordt toegepast in het kader van het Europees semester als bedoeld in Verordening (EU) nr. 1175/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1466/97 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid (6).

3.   Bij toepassing van deze verordening wordt artikel 152 VWEU ten volle in acht genomen, en eerbiedigen de onder deze verordening vastgestelde aanbevelingen de nationale praktijken en de instellingen voor loonvorming. Deze verordening houdt rekening met artikel 28 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en doet bijgevolg geen afbreuk aan het recht om over collectieve arbeidsovereenkomsten te onderhandelen en deze te sluiten en naleving ervan af te dwingen, of om collectieve actie te voeren overeenkomstig de nationale wetgeving en praktijken.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1.   „onevenwichtigheden”: elke trend die macro-economische ontwikkelingen in de hand werkt, welke een ongunstige invloed uitoefenen of kunnen uitoefenen op de goede werking van de economie van een lidstaat dan wel van de economische en monetaire unie of van de Unie als geheel;

2.   „buitensporige onevenwichtigheden”: ernstige onevenwichtigheden, waaronder onevenwichtigheden die de goede werking van de economische en monetaire unie in gevaar brengen of dreigen te brengen.

HOOFDSTUK II

DETECTIE VAN ONEVENWICHTIGHEDEN

Artikel 3

Waarschuwingsmechanisme

1.   Een waarschuwingsmechanisme wordt ingesteld als hulpmiddel voor het vroegtijdig identificeren van en het toezicht op onevenwichtigheden. De Commissie stelt jaarlijks een rapport op dat een kwalitatieve economische en financiële beoordeling bevat op basis van een scorebord, als bedoeld in artikel 4, met een reeks indicatoren waarvan de waarden worden vergeleken met hun indicatieve drempelwaarden. Het jaarlijkse rapport met de waarden van de indicatoren van het scorebord wordt openbaar gemaakt.

2.   Het jaarlijkse rapport van de Commissie bevat een economische en financiële beoordeling waarbij de verschuivingen in de indicatoren in een perspectief worden geplaatst, en waarbij indien nodig andere economische en financiële indicatoren die relevant zijn voor de beoordeling van de ontwikkeling van onevenwichtigheden, worden betrokken. Aan de gegevens van het scorebord mogen geen automatische conclusies worden verbonden. Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met de ontwikkeling van onevenwichtigheden in de Unie en het eurogebied. In het rapport wordt eveneens aangegeven of de overschrijding van de drempelwaarden door een of meer lidstaten erop wijst dat zich mogelijk onevenwichtigheden aandienen. De beoordeling van lidstaten met grote tekorten op de lopende rekening kan verschillen van die van lidstaten die grote overschotten op de lopende rekening opbouwen.

3.   In het jaarlijkse rapport worden de lidstaten aangewezen, die naar het oordeel van de Commissie door onevenwichtigheden geraakt kunnen zijn of het risico daardoor geraakt te worden.

4.   De Commissie stuurt het jaarlijkse rapport tijdig aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité.

5.   De Raad bespreekt, in het kader van het multilaterale toezicht overeenkomstig artikel 121, lid 3, VWEU het jaarlijkse rapport van de Commissie en voert een algehele evaluatie ervan uit. De Eurogroep bespreekt het rapport voor zover het betrekking heeft op lidstaten die de euro als munt hebben.

Artikel 4

Scorebord

1.   Het scorebord met de reeks indicatoren wordt ingezet als een instrument om de vroegtijdige identificatie van en het toezicht op onevenwichtigheden te vergemakkelijken.

2.   Het scorebord bevat een klein aantal relevante, praktische, eenvoudige, meetbare en beschikbare macro-economische en macrofinanciële indicatoren met betrekking tot de lidstaten. Het maakt de vroegtijdige identificatie mogelijk van macro-economische onevenwichtigheden die op de korte termijn optreden en van onevenwichtigheden die het gevolg zijn van structurele trends en langetermijntrends.

3.   Het scorebord bevat, onder andere, indicatoren die nuttig zijn bij de vroegtijdige identificatie van:

a)

interne onevenwichtigheden, met inbegrip van deze die het gevolg kunnen zijn van de schuldpositie van de overheid en de particuliere sector, ontwikkelingen op de financiële en activamarkten met inbegrip van de vastgoedmarkt, de ontwikkeling van kredietstromen in de particuliere sector en de ontwikkeling van de werkloosheid;

b)

externe onevenwichtigheden, met inbegrip van deze die het gevolg kunnen zijn van de ontwikkeling van de lopende rekening en de netto-investeringen van de lidstaten, reële toepasselijke wisselkoersen, exportmarktaandelen, veranderingen in de ontwikkeling van prijzen en kosten, en niet-prijsgebonden concurrentievermogen, waarbij rekening moet worden gehouden met de verschillende productiviteitscomponenten.

4.   Bij de economische interpretatie van het scorebord in het kader van het waarschuwingsmechanisme besteedt de Commissie nauwgezet aandacht aan ontwikkelingen in de reële economie, onder meer de economische groei, de ontwikkeling van de werkgelegenheid en de werkloosheid, de nominale en de reële convergentie binnen en buiten het eurogebied, de ontwikkeling van de productiviteit en de relevante sturende krachten daarachter zoals onderzoek en ontwikkeling en buitenlandse en binnenlandse investeringen, alsook sectorale ontwikkelingen, waaronder energie, die het bbp en de ontwikkeling van de lopende rekening beïnvloeden.

Het scorebord bevat tevens indicatieve drempelwaarden voor de indicatoren, die als waarschuwingsniveaus dienen. De keuze van de indicatoren en drempelwaarden moet bijdragen aan het bevorderen van het concurrentievermogen in de Unie.

Het scorebord van de indicatoren bevat voor het waarschuwingsniveau boven- en onderdrempelwaarden, tenzij niet passend, waarbij een onderscheid gemaakt tussen lidstaten in en buiten het eurogebied indien dit door specifieke kenmerken van de monetaire unie en relevante economische omstandigheden wordt gerechtvaardigd. Bij het ontwikkelen van het scorebord wordt naar behoren rekening gehouden met heterogene economische omstandigheden, met inbegrip van inhaaleffecten.

5.   Bij het vaststellen van indicatoren die voor de stabiliteit van de financiële markt relevant zijn, wordt naar behoren rekening gehouden met de inbreng van het ESRB. De Commissie nodigt het ESRB uit om zijn mening te geven over de ontwerpindicatoren die voor de stabiliteit van de financiële markt relevant zijn.

6.   De Commissie maakt de reeks van indicatoren en de drempelwaarden van het scorebord openbaar.

7.   De Commissie beoordeelt op regelmatige basis de geschiktheid van het scorebord, met inbegrip van de samenstelling van indicatoren, de vastgestelde drempelwaarden en de aangewende methodologie, en stelt deze indien nodig bij of brengt wijzigingen aan. De Commissie maakt wijzigingen in de onderliggende methodologie en de samenstelling van het scorebord en de bijbehorende drempelwaarden openbaar.

8.   De Commissie actualiseert de waarden van de indicatoren op het scorebord ten minste eenmaal per jaar.

Artikel 5

Diepgaande evaluatie

1.   Na de besprekingen in de Raad en de Eurogroep, als bedoeld in artikel 3, lid 5, op een behoorlijke wijze in acht te hebben genomen, of in het geval van onverwachte, significante economische ontwikkelingen die voor de toepassing van deze verordening een dringende analyse vergen, voert de Commissie een diepgaande evaluatie uit voor elke lidstaat waarvan zij vermoedt dat deze geraakt is, of het risico loopt geraakt te worden, door onevenwichtigheden.

De diepgaande evaluatie moet gebaseerd zijn op een gedetailleerde analyse van landspecifieke omstandigheden, met inbegrip van de verschillen in uitgangspositie tussen de lidstaten; zij strekt zich uit over een breed scala van economische variabelen en maakt gebruik van analytische instrumenten en kwalitatieve informatie die landspecifiek zijn. Zij doet recht aan de specifieke nationale kenmerken op het gebied van arbeidsverhoudingen en sociale dialoog.

De Commissie houdt voorts naar behoren rekening met alle andere informatie die de betrokken lidstaat als relevant beschouwt en aan de Commissie heeft verstrekt.

De Commissie voert de diepgaande evaluatie uit in combinatie met toezichtmissies in de betrokken lidstaat in overeenstemming met artikel 13.

2.   De diepgaande evaluatie van de Commissie omvat een beoordeling van de vraag of de betrokken lidstaat door onevenwichtigheden geraakt is, en of deze onevenwichtigheden buitensporig zijn. Zij onderzoekt de oorzaak van de gedetecteerde onevenwichtigheden tegen de achtergrond van de heersende economische omstandigheden, met inbegrip van de dieperliggende handels- en financiële relaties tussen de lidstaten en de overloopeffecten van nationaal economisch beleid. De diepgaande evaluatie analyseert relevante ontwikkelingen in verband met de strategie van de Unie voor groei en banen. Zij gaat ook na in welke mate economische ontwikkelingen in de Unie en het eurogebied als geheel relevant zijn. Zij houdt in het bijzonder rekening met:

a)

in voorkomend geval, de aanbevelingen of verzoeken van de Raad aan de onder evaluatie staande lidstaat, overeenkomstig de artikelen 121, 126 en 148 VWEU en krachtens de artikelen 6, 7, 8 en 10 van deze verordening;

b)

de beleidsintenties van de onder evaluatie staande lidstaat, zoals deze blijken uit zijn nationale hervormingsprogramma's en in voorkomend geval uit zijn stabiliteits- of convergentieprogramma;

c)

eventuele waarschuwingen of aanbevelingen van het ESRB over systeemrisico's, gericht aan of relevant voor de onder evaluatie staande lidstaat. De regeling omtrent vertrouwelijkheid van het ESRB wordt in acht genomen.

3.   De Commissie stelt de Raad en het Europees Parlement in kennis van de resultaten van de diepgaande evaluatie en maakt deze openbaar.

Artikel 6

Preventieve maatregelen

1.   Indien de Commissie aan de hand van de in artikel 5 bedoelde diepgaande evaluatie van oordeel is dat er in een lidstaat van onevenwichtigheden sprake is, stelt zij het Europees Parlement, de Raad en de Eurogroep dienovereenkomstig in kennis. De Raad richt, op aanbeveling van de Commissie, de nodige aanbevelingen tot de betrokken lidstaat, overeenkomstig de procedure van artikel 121, lid 2, VWEU.

2.   De Raad stelt het Europees Parlement van deze aanbeveling in kennis en maakt deze openbaar.

3.   De aanbevelingen van de Raad en van de Commissie eerbiedigen ten volle artikel 152 VWEU en nemen artikel 28 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie in acht.

4.   De Raad beziet de aanbeveling jaarlijks opnieuw in het kader van het Europees semester en kan deze indien nodig aanpassen overeenkomstig lid 1.

HOOFDSTUK III

PROCEDURE BIJ BUITENSPORIGE ONEVENWICHTIGHEDEN

Artikel 7

Inleiding van de procedure bij buitensporige onevenwichtigheden

1.   Indien de Commissie aan de hand van de in artikel 5 bedoelde diepgaande evaluatie van oordeel is dat er in de betrokken lidstaat van buitensporige onevenwichtigheden sprake is, stelt zij het Europees Parlement, de Raad en de Eurogroep dienovereenkomstig in kennis.

De Commissie informeert ook de ter zake bevoegde Europese toezichthoudende autoriteiten en het ESRB. Het ESRB wordt verzocht de stappen te ondernemen die het noodzakelijk acht.

2.   De Raad kan, op aanbeveling van de Commissie, in overeenstemming met artikel 121, lid 4, VWEU een aanbeveling vaststellen, waarbij de aanwezigheid van een buitensporige onevenwichtigheid wordt vastgesteld en waarbij de betrokken lidstaat wordt aanbevolen corrigerende maatregelen te nemen.

In de aanbeveling van de Raad worden de aard en de gevolgen van de onevenwichtigheden uiteengezet en wordt een reeks op te volgen beleidsaanbevelingen gespecificeerd, en wordt een termijn bepaald, waarbinnen de lidstaat een plan met corrigerende maatregelen moet voorleggen. De Raad kan, zoals bepaald in artikel 121, lid 4, VWEU, zijn aanbeveling openbaar maken.

Artikel 8

Plan met corrigerende maatregelen

1.   Een lidstaat waarvoor een procedure bij buitensporige onevenwichtigheden is ingeleid, legt op basis van, en binnen de termijn vermeld in, de aanbeveling van de Raad als bedoeld in artikel 7, lid 2, een plan met corrigerende maatregelen voor aan de Raad en de Commissie. Het plan met corrigerende maatregelen zet de specifieke beleidsmaatregelen uiteen die de betrokken lidstaat heeft uitgevoerd of voornemens is uit te voeren, en bevat een tijdschema voor de tenuitvoerlegging van die maatregelen. Het plan met corrigerende maatregelen moet rekening houden met de economische en sociale gevolgen van de beleidsmaatregelen en moet in overeenstemming zijn met de globale richtsnoeren voor het economisch beleid en de richtsnoeren voor werkgelegenheid.

2.   De Raad beoordeelt, aan de hand van een rapport van de Commissie, het plan met corrigerende maatregelen binnen twee maanden nadat het is voorgelegd. Indien de Raad, op basis van een aanbeveling van de Commissie, het plan toereikend acht, bekrachtigt de Raad het door middel van een aanbeveling waarin de vereiste specifieke maatregelen en de termijnen voor het nemen daarvan worden opgesomd, en stelt hij een tijdschema voor toezicht vast, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met de transmissiekanalen en wordt erkend dat tijd kan verstrijken tussen de vaststelling van de corrigerende maatregel en het feitelijk oplossen van de onevenwichtigheden.

3.   Indien de Raad, op basis van een aanbeveling van de Commissie, de maatregelen of het tijdschema, zoals uiteengezet in het plan met corrigerende maatregelen, ontoereikend acht, stelt de Raad een tot de lidstaat gerichte aanbeveling vast om een nieuw plan met corrigerende maatregelen in te dienen binnen in de regel twee maanden. De Raad onderzoekt het nieuwe plan met corrigerende maatregelen in overeenstemming met de in dit artikel vastgestelde procedure.

4.   Het plan met corrigerende maatregelen, het verslag van de Commissie en de in de leden 2 en 3 bedoelde aanbeveling van de Raad worden openbaar gemaakt.

Artikel 9

Toezicht op corrigerende maatregelen

1.   De Commissie ziet toe op de tenuitvoerlegging van de krachtens artikel 8, lid 2, vastgestelde aanbeveling van de Raad. Te dien einde legt de lidstaat regelmatig aan de Raad en de Commissie voortgangsverslagen voor, waarvan de frequentie door de Raad wordt bepaald in de in artikel 8, lid 2, bedoelde aanbeveling.

2.   De Raad maakt voortgangsverslagen van de lidstaten openbaar.

3.   De Commissie kan in de betrokken lidstaat missies voor verscherpt toezicht uitvoeren om toe te zien op de tenuitvoerlegging van het plan met corrigerende maatregelen; in samenwerking met de ECB wanneer deze missies betrekking hebben op lidstaten die de euro als munt hebben of deel uitmaken van WKM2. De Commissie betrekt, in voorkomend geval, de sociale partners en andere nationale belanghebbenden bij een dialoog tijdens die missies.

4.   In geval van relevante aanzienlijke veranderingen in de economische omstandigheden, kan de Raad, op aanbeveling van de Commissie, de krachtens artikel 8, lid 2, vastgestelde aanbevelingen wijzigen in overeenstemming met de procedure van dat artikel. De Raad verzoekt indien nodig de betrokken lidstaat een herzien plan met corrigerende maatregelen voor te leggen en beoordeelt dat herzien plan met corrigerende maatregelen overeenkomstig de procedure van artikel 8.

Artikel 10

Beoordeling van corrigerende maatregelen

1.   De Raad beoordeelt op basis van een verslag van de Commissie of de betrokken lidstaat de aanbevolen corrigerende maatregelen heeft genomen in overeenstemming met de krachtens artikel 8, lid 2, genomen aanbeveling van de Raad.

2.   De Commissie maakt haar verslag openbaar.

3.   De Raad maakt zijn beoordeling binnen de termijn die de Raad heeft gesteld in zijn krachtens artikel 8, lid 2, vastgestelde aanbevelingen.

4.   Wanneer de Raad van oordeel is dat de lidstaat de aanbevolen corrigerende maatregelen niet heeft genomen, stelt hij, op aanbeveling van de Commissie, een besluit vast, waarin de niet-naleving wordt vastgesteld, samen met een aanbeveling waarin nieuwe termijnen voor corrigerende maatregelen worden vastgesteld. In dit geval brengt de Raad de Europese Raad op de hoogte en maakt hij de conclusies van de in artikel 9, lid 3, bedoelde missies openbaar.

De aanbeveling van de Commissie betreffende het vaststellen van de niet-naleving wordt geacht door de Raad te zijn vastgesteld, tenzij de Raad binnen tien dagen na de vaststelling ervan door de Commissie met gekwalificeerde meerderheid besluit de aanbeveling te verwerpen. De betrokken lidstaat kan verzoeken dat binnen die termijn een zitting van de Raad bijeen wordt geroepen om over dit besluit te stemmen.

5.   Wanneer de Raad op grond van het in lid 1 bedoelde verslag van de Commissie van oordeel is, dat de lidstaat de overeenkomstig artikel 8, lid 2, corrigerende maatregelen heeft genomen, wordt de procedure bij buitensporige onevenwichtigheden geacht op het goede spoor te zitten en wordt zij opgeschort. Niettemin wordt het toezicht voortgezet overeenkomstig het tijdschema zoals vastgesteld in de krachtens artikel 8, lid 2, genomen aanbeveling. De Raad maakt de redenen openbaar voor het opschorten van de procedure en voor het erkennen van de corrigerende beleidsmaatregelen die de betrokken lidstaat heeft genomen.

Artikel 11

Afsluiting van de procedure bij buitensporige onevenwichtigheden

De Raad trekt, op basis van een aanbeveling van de Commissie, de krachtens de artikelen 7, 8 of 10 vastgestelde aanbevelingen in, zodra hij van oordeel is dat er in de betrokken lidstaat niet langer sprake is van buitensporige onevenwichtigheden als omschreven in de aanbeveling als bedoeld in artikel 7, lid 2. De Raad legt hierover een openbare verklaring af.

Artikel 12

Stemming binnen de Raad

Met betrekking tot de in de artikelen 7 tot en met 11 bedoelde maatregelen besluit de Raad zonder rekening te houden met de stem van het lid van de Raad dat de betrokken lidstaat vertegenwoordigt.

HOOFDSTUK IV

SLOTBEPALINGEN

Artikel 13

Toezichtmissies

1.   De Commissie zorgt in overeenstemming met de doelstellingen van deze verordening voor een permanente dialoog met de autoriteiten van de lidstaten. Hiertoe voert de Commissie in het bijzonder missies uit ter evaluatie van de economische situatie in de lidstaten en ter identificatie van eventuele risico's of moeilijkheden bij de naleving van de doelstellingen van deze verordening.

2.   De Commissie kan missies voor verscherpt toezicht ondernemen voor die lidstaten die het onderwerp zijn van een aanbeveling met betrekking tot het bestaan van buitensporige onevenwichtigheden als bedoeld in artikel 7, lid 2, van deze verordening, met als doel monitoring ter plaatste.

3.   Wanneer de betrokken lidstaat de euro als munt heeft of deel uitmaakt van WKM2, kan de Commissie indien wenselijk vertegenwoordigers van de Europese Centrale Bank verzoeken deel te nemen aan toezichtmissies.

4.   De Commissie brengt bij de Raad verslag uit over het resultaat van het in lid 2 bedoelde missies en kan indien nodig besluiten haar bevindingen openbaar te maken.

5.   Bij het organiseren van de in lid 2 bedoelde missies deelt de Commissie haar voorlopige bevindingen voor commentaar mee aan de betrokken lidstaten.

Artikel 14

Economische dialoog

1.   Om de dialoog tussen de instellingen van de Unie, in het bijzonder het Europees Parlement, de Raad en de Commissie te bevorderen en te zorgen voor meer transparantie en verantwoordelijkheid, kan de bevoegde commissie van het Europees Parlement de voorzitter van de Raad, de Commissie en indien nodig de voorzitter van de Europese Raad of de voorzitter van de Eurogroep in de commissie uitnodigen om het volgende te bespreken:

a)

de informatie over de globale richtsnoeren voor het economisch beleid die de Raad overeenkomstig artikel 121, lid 2, VWEU heeft verstrekt;

b)

de algemene richtsnoeren voor de lidstaten die de Commissie aan het begin van de jaarlijkse toezichtcyclus uitvaardigt;

c)

de conclusies van de Europese Raad met betrekking tot richtsnoeren voor het economisch beleid in het kader van het Europees semester;

d)

de resultaten van het multilaterale toezicht dat op grond van deze verordening is uitgeoefend;

e)

de conclusies van de Europese Raad met betrekking tot de richtsnoeren voor en de resultaten van het multilaterale toezicht;

f)

een beoordeling van de uitoefening van het multilaterale toezicht aan het einde van het Europees semester;

g)

de aanbevelingen die overeenkomstig artikel 7, lid 2, artikel 8, lid 2, en artikel 10, lid 4, van deze verordening zijn gedaan.

2.   De bevoegde commissie van het Europees Parlement kan de lidstaat die het onderwerp is van een aanbeveling of besluit van de Raad overeenkomstig artikel 7, lid 2, artikel 8, lid 2, of artikel 10, lid 4, de gelegenheid bieden om deel te nemen aan een gedachtewisseling.

3.   De Raad en de Commissie informeren op regelmatige basis het Europees Parlement over de resultaten van de toepassing van deze verordening.

Artikel 15

Jaarlijkse rapportage

De Commissie stelt jaarlijks een rapport op over de toepassing van deze verordening, met inbegrip van het actualiseren van het scorebord als bedoeld in artikel 4 en legt haar bevindingen voor aan het Europees Parlement en aan de Raad in het kader van het Europees semester.

Artikel 16

Verslagen en evaluaties

1.   Uiterlijk 14 december 2014, en daarna elke vijf jaar, beoordeelt de Commissie en brengt zij verslag uit over de toepassing van deze verordening.

In die verslagen wordt onder meer het volgende beoordeeld:

a)

de doeltreffendheid van deze verordening;

b)

de vooruitgang die is geboekt bij het waarborgen van een nauwere coördinatie van het economisch beleid en aanhoudende convergentie van de economische prestaties van de lidstaten overeenkomstig het VWEU.

Deze verslagen gaan in voorkomend geval vergezeld van een voorstel tot wijziging van deze verordening.

2.   De Commissie stuurt de in lid 1 bedoelde verslagen toe aan het Europees Parlement en de Raad.

Artikel 17

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 16 november 2011.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

J. BUZEK

Voor de Raad

De voorzitter

W. SZCZUKA


(1)  PB C 150 van 20.5.2011, blz. 1.

(2)  PB C 218 van 23.7.2011, blz. 53.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 28 september 2011 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 8 november 2011.

(4)  PB C 73 van 25.3.2006, blz. 21.

(5)  Zie bladzijde 8 van dit Publicatieblad.

(6)  Zie bladzijde 12 van dit Publicatieblad.


Top