Help Print this page 

Document 32006R1013

Title and reference
Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen
  • In force
OJ L 190, 12.7.2006, p. 1–98 (ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, SK, SL, FI, SV)
Special edition in Bulgarian: Chapter 15 Volume 016 P. 172 - 270
Special edition in Romanian: Chapter 15 Volume 016 P. 172 - 270
Special edition in Croatian: Chapter 15 Volume 016 P. 86 - 183

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2006/1013/oj
Multilingual display
Authentic language
  • Authentic language: Spaans, Tsjechisch, Deens, Duits, Estisch, Grieks, Engels, Frans, Italiaans, Lets, Litouws, Hongaars, Maltees, Nederlands, Pools, Portugees, Slowaaks, Sloveens, Fins, Zweeds, IJslands, Noors
Dates
  • Date of document: 14/06/2006
  • Date of effect: 15/07/2006; in werking datum publicatie + 3 zie art 64.1
  • Date of effect: 12/07/2007; Toepassing zie art 64.1
  • Date of effect: 01/08/2012; Toepassing Gedeeltelijke toepassing zie 32011R0664
  • Date of end of validity: 31/12/9999
Miscellaneous information
  • Author: Europees Parlement, Raad van de Europese Unie
  • Form: Verordening
  • Additional information: COD 2003/0139, uitbreiding naar de EER door 22008D0073
Relationship between documents
Text

12.7.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 190/1


VERORDENING (EG) Nr. 1013/2006 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 14 juni 2006

betreffende de overbrenging van afvalstoffen

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 175, lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Hoofddoel en belangrijkste onderdeel van deze verordening is de bescherming van het milieu; de effecten van de verordening op de internationale handel zijn van bijkomend belang.

(2)

Verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (3) is al herhaaldelijk ingrijpend gewijzigd en behoeft wederom aanpassing. Het is in het bijzonder noodzakelijk de inhoud van Beschikking 94/774/EG van de Commissie van 24 november 1994 betreffende het model van een uniform begeleidend document, bedoeld in Verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad (4), en de inhoud van Beschikking 1999/412/EG van de Commissie van 3 juni 1999 betreffende een vragenlijst in verband met de verslagplicht van de lidstaten overeenkomstig artikel 41, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad (5) erin op te nemen. Verordening (EEG) nr. 259/93 dient derhalve omwille van de duidelijkheid te worden vervangen.

(3)

Besluit 93/98/EEG van de Raad (6) betrof de sluiting namens de Gemeenschap van het Verdrag van Bazel van 22 maart 1989 inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan (7), waarbij de Gemeenschap sinds 1994 partij is. Met de aanneming van Verordening (EEG) nr. 259/93 heeft de Raad voorschriften vastgesteld om dergelijke overbrenging aan banden te leggen en te controleren teneinde onder meer het bestaande stelsel van de Gemeenschap betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen in overeenstemming te brengen met de eisen van het Verdrag van Bazel.

(4)

Besluit 97/640/EG van de Raad (8) betrof de goedkeuring namens de Gemeenschap van de wijziging van het Verdrag van Bazel, vastgelegd in Besluit III/I van de Conferentie van de partijen. Met die wijziging werd alle uitvoer van gevaarlijke afvalstoffen met het oog op verwijdering uit in bijlage VII bij dat verdrag opgenomen landen naar niet in die bijlage opgenomen landen verboden, evenals, per 1 januari 1998, al dergelijke uitvoer van de in artikel 1, lid 1, onder a), van dat verdrag bedoelde afvalstoffen met het oog op nuttige toepassing. Verordening (EEG) nr. 259/93 werd dienovereenkomstig gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 120/97 van de Raad (9).

(5)

Aangezien de Gemeenschap haar goedkeuring heeft gehecht aan Besluit C(2001) 107 def. van de OESO-Raad inzake de herziening van Besluit C(1992) 39 def. van de OESO-Raad betreffende het toezicht op de grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen bestemd voor handelingen ter nuttige toepassing teneinde de afvalstoffenlijsten in overeenstemming te brengen met het Verdrag van Bazel en bepaalde andere voorschriften te herzien, is het noodzakelijk de inhoud van dat besluit in de wetgeving van de Gemeenschap te verwerken.

(6)

De Gemeenschap heeft het Verdrag van Stockholm van 22 mei 2001 inzake persistente organische verontreinigende stoffen ondertekend.

(7)

Het is van belang het toezicht en de controle op de overbrenging van afvalstoffen te organiseren en te reguleren op een wijze die rekening houdt met de noodzaak de kwaliteit van het milieu en de gezondheid van de mens in stand te houden, te beschermen en te verbeteren en die bevorderlijk is voor een uniformere toepassing van de verordening in de gehele Gemeenschap.

(8)

Het is eveneens van belang rekening te houden met het voorschrift van artikel 4, lid 2, onder d), van het Verdrag van Bazel, dat overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen tot een minimum moet worden beperkt zodat een milieuhygiënisch verantwoord en efficiënt beheer van dergelijke afvalstoffen mogelijk is.

(9)

In gedachten moet bovendien worden gehouden het recht van iedere partij bij het Verdrag van Bazel, overeenkomstig artikel 4, lid 1, van dat verdrag, om de invoer van gevaarlijke afvalstoffen of van afvalstoffen die zijn opgenomen in bijlage II van het verdrag, te verbieden.

(10)

Overbrengingen van afvalstoffen van strijdkrachten of hulporganisaties vallen niet onder deze verordening, indien deze afvalstoffen in bijzondere omstandigheden in de Gemeenschap worden ingevoerd (met inbegrip van doorvoer in de Gemeenschap van de afvalstoffen de Gemeenschap binnenkomen); voor deze overbrengingen dienen de voorschriften van het internationale recht en de internationale overeenkomsten te worden nageleefd. In zulke gevallen wordt iedere bevoegde autoriteit van doorvoer en de bevoegde autoriteit van bestemming in de Gemeenschap vooraf geïnformeerd over de overbrenging en de bestemming ervan.

(11)

Het is noodzakelijk in de procedures doublures te voorkomen met Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten (10), die al bepalingen bevat met betrekking tot het gehele proces van verzending, doorvoer en vervoer (inzameling, vervoer, hanteren, verwerking, gebruik, nuttige toepassing of verwijdering, bewaren van gegevens, begeleidende documenten en traceerbaarheid) van dierlijke bijproducten binnen, naar en uit de Gemeenschap.

(12)

De Commissie dient uiterlijk op de laatste dag voor de datum van inwerkingtreding van deze verordening verslag uit te brengen over de samenhang tussen de bestaande sectorale wetgeving inzake de gezondheid van dieren en de volksgezondheid en de bepalingen van deze verordening, en voor die datum, zo nodig, voorstellen in te dienen om die wetgeving in overeenstemming te brengen met deze verordening teneinde een gelijkwaardig controleniveau te bewerkstelligen.

(13)

Ofschoon het toezicht en de controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen een lidstaat een zaak van de betrokken lidstaat is, dient er in de nationale stelsels voor de overbrenging van afvalstoffen rekening mee te worden gehouden dat er samenhang moet zijn met het communautaire stelsel, zodat een hoog niveau van bescherming van het milieu en de gezondheid van de mens wordt gewaarborgd.

(14)

In het geval van overbrenging van voor verwijdering bestemde afvalstoffen en van niet in de bijlagen III, III A en III B vermelde, voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen is het wenselijk het toezicht en de controle optimaal te maken door voor die overbrenging voorafgaande schriftelijke toestemming te vereisen. Een dergelijke procedure dient ook te voorzien in een voorafgaande kennisgeving, zodat de bevoegde autoriteiten zich goed op de hoogte kunnen stellen en alle nodige maatregelen kunnen treffen ter bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu. Voorts dienen deze autoriteiten de mogelijkheid te krijgen op goede gronden bezwaar te maken tegen de overbrenging.

(15)

In het geval van overbrenging van in de bijlagen III, III A en III B vermelde, voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen is het wenselijk te voorzien in een minimumniveau van toezicht en controle door te vereisen dat de overbrenging van bepaalde informatie vergezeld gaat.

(16)

Met het oog op een uniforme toepassing van de verordening en de goede werking van de interne markt is het omwille van de efficiëntie noodzakelijk te vereisen dat de kennisgevingen worden verwerkt via de bevoegde autoriteit van verzending.

(17)

Het is tevens van belang duidelijkheid te verschaffen over het stelsel van borgsommen of gelijkwaardige verzekeringen.

(18)

Aangezien afvalproducenten verantwoordelijk zijn voor een milieuhygiënisch afvalbeheer, moeten de kennisgevings‐ en vervoersdocumenten voor overbrenging van afvalstoffen waar mogelijk door de afvalproducenten worden ingevuld.

(19)

Er dient te worden voorzien in procedurele waarborgen voor de kennisgever, die enerzijds de rechtszekerheid verhogen en anderzijds voor een uniforme toepassing van de verordening en een goede werking van de interne markt zorgen.

(20)

In het geval van overbrenging van voor verwijdering bestemde afvalstoffen houden de lidstaten rekening met de beginselen van nabijheid, prioriteit voor hergebruik, terugwinning en zelfvoorziening op communautair en nationaal niveau overeenkomstig Richtlijn 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 inzake afvalstoffen (11), door conform het Verdrag maatregelen te treffen om de overbrenging geheel of gedeeltelijk te verbieden of er stelselmatig bezwaar tegen te maken. Voorts dient rekening te worden gehouden met het voorschrift van Richtlijn 2006/12/EG, zoals gewijzigd, dat de lidstaten een geïntegreerd en toereikend net van verwijderingsinrichtingen moeten opzetten, om de Gemeenschap als geheel zelfverzorgend op het gebied van afvalverwijdering te maken en de lidstaten in staat te stellen dit doel ook zelfstandig te bereiken, waarbij rekening wordt gehouden met geografische omstandigheden of met de behoefte aan speciale inrichtingen voor bepaalde soorten afval. De lidstaten moeten er tevens voor kunnen zorgen dat de afvalbeheersinstallaties die onder Richtlijn 96/61/EG van de Raad van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (12) vallen, de in die richtlijn gedefinieerde beste beschikbare technieken toepassen overeenkomstig de vergunning van de installatie en dat afvalstoffen in overeenstemming met de door de wetgeving van de Gemeenschap voorgeschreven en juridisch verbindende milieubeschermingsnormen voor verwijderingshandelingen worden behandeld.

(21)

In het geval van overbrenging van voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen, moeten de lidstaten ervoor kunnen zorgen dat de afvalbeheersinstallaties die onder Richtlijn 96/61/EG vallen, de in die richtlijn gedefinieerde beste beschikbare technieken toepassen overeenkomstig de vergunning van de installatie. De lidstaten moeten er ook voor kunnen zorgen dat afvalstoffen worden behandeld conform de in de wetgeving van de Gemeenschap opgenomen juridisch bindende milieubeschermingsnormen voor handelingen die tot nuttige toepassing leiden en, gelet op artikel 7, lid 4, van Richtlijn 2006/12/EG, in overeenstemming met de afvalbeheersplannen die zijn opgesteld overeenkomstig die richtlijn, teneinde de in de wetgeving van de Gemeenschap opgenomen juridisch bindende verplichtingen inzake nuttige toepassing of hergebruik na te komen.

(22)

De ontwikkeling van bindende voorschriften voor afvalstoffeninrichtingen en de behandeling van specifieke afvalmaterialen op communautair niveau kan, als aanvulling op de bestaande bepalingen van het Gemeenschapsrecht, bijdragen tot een hoog niveau van milieubescherming in de gehele Gemeenschap, het ontstaan van gelijke mededingingsvoorwaarden voor recycling bevorderen en er mede voor zorgen dat de ontwikkeling van een economisch levensvatbare interne markt voor recycling niet wordt belemmerd. Er moeten in de Gemeenschap derhalve gelijke spelregels voor recycling tot stand worden gebracht door zo nodig op bepaalde gebieden gemeenschappelijke recyclingnormen toe te passen, teneinde de kwaliteit van de recycling te verbeteren, ook met betrekking tot secundaire materialen. De Commissie moet in voorkomend geval, met betrekking tot bepaalde soorten afval en bepaalde recyclinginrichtingen, zo spoedig als praktisch mogelijk is voorstellen voor zulke normen indienen die gebaseerd zijn op verder onderzoek in het kader van de afvalstrategie en waarin rekening wordt gehouden met de bestaande communautaire wetgeving en de wetgeving in de lidstaten. Ondertussen moet het mogelijk zijn om onder bepaalde omstandigheden bezwaar aan te tekenen tegen geplande overbrenging indien de daarmee verbonden nuttige toepassing niet zou stroken met de wetten en voorschriften van het land van verzending over de nuttige toepassing van afval. Ondertussen moet de Commissie ook toezicht houden op mogelijke ongewenste afvalstromen naar de nieuwe lidstaten en doet zij zo nodig passende voorstellen om die situaties aan te pakken.

(23)

Van de lidstaten moet worden geëist ervoor te zorgen dat in overeenstemming met het Verdrag van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (UNECE) betreffende de toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden van 25 juni 1998 (Verdrag van Aarhus), de desbetreffende bevoegde autoriteiten met passende middelen informatie openbaar maken betreffende kennisgevingen van overbrengingen, indien deze informatie niet vertrouwelijk is krachtens nationale of Gemeenschapswetgeving.

(24)

Er dient een verplichting te komen om afvalstoffen, die afkomstig zijn van een overbrenging die niet op de geplande wijze kan worden voltooid, terug te brengen naar het land van verzending dan wel op alternatieve wijze te verwijderen of nuttig toe te passen.

(25)

Ook dient te worden voorzien in de verplichting, voor degene wiens optreden oorzaak van de illegale overbrenging was, om de afvalstoffen terug te nemen en/of op alternatieve wijze te verwijderen of nuttig toe te passen; indien hij hieraan niet voldoet, moeten de bevoegde autoriteiten van het land van verzending of, naar gelang van het geval, bestemming, zelf ingrijpen.

(26)

De reikwijdte van het verbod op uitvoer van voor verwijdering bestemde afvalstoffen uit de Gemeenschap naar derde landen die geen lid zijn van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA), dat op grond van het Verdrag van Bazel is ingevoerd om het milieu in de betrokken landen te beschermen, dient te worden verduidelijkt.

(27)

Landen die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte mogen de controleprocedures voor overbrenging binnen de Gemeenschap hanteren.

(28)

De reikwijdte van het verbod op de uitvoer van voor nuttige toepassing bestemde gevaarlijke afvalstoffen naar landen waarop het OESO-besluit niet van toepassing is, dat eveneens op grond van het Verdrag van Bazel is ingevoerd om het milieu in de betrokken landen te beschermen, dient eveneens te worden verduidelijkt. In het bijzonder is het noodzakelijk de lijst van afvalstoffen waarop dat verbod van toepassing is te verduidelijken en ervoor te zorgen dat hierin ook de afvalstoffen van bijlage II bij het Verdrag van Bazel worden opgenomen, te weten huishoudelijk afval en residuen afkomstig van de verbranding van huishoudelijk afval.

(29)

Voor de uitvoer van voor nuttige toepassing bestemde, ongevaarlijke afvalstoffen naar landen waarop het OESO-besluit niet van toepassing is, dienen specifieke regelingen te worden gehandhaafd, die op een later tijdstip verder moeten kunnen worden gestroomlijnd.

(30)

De invoer van voor verwijdering bestemde afvalstoffen in de Gemeenschap dient te worden toegestaan wanneer het land van uitvoer partij is bij het Verdrag van Bazel. De invoer van voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen in de Gemeenschap dient te worden toegestaan wanneer het OESO-besluit van toepassing is op het land van uitvoer of wanneer dit land partij is bij het Verdrag van Bazel. In andere gevallen dient de invoer evenwel enkel te worden toegestaan indien het land van uitvoer gebonden is door een bilaterale of multilaterale overeenkomst of regeling die verenigbaar is met de wetgeving van de Gemeenschap en in overeenstemming is met artikel 11 van het Verdrag van Bazel, behalve indien dit in crisissituaties, tijdens operaties voor het tot stand brengen of handhaven van vrede of tijdens oorlogssituaties, niet mogelijk is.

(31)

De toepassing van deze verordening dient in overeenstemming te zijn met het internationaal maritiem recht.

(32)

In deze verordening dient rekening te worden gehouden met de voorschriften inzake uitvoer naar en invoer uit de landen en gebieden overzee van afvalstoffen, die zijn neergelegd in Besluit 2001/822/EG van de Raad van 27 november 2001 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Economische Gemeenschap (13).

(33)

De nodige maatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat, in overeenstemming met Richtlijn 2006/12/EG en andere communautaire wetgeving inzake afval, binnen de Gemeenschap overgebrachte en in de Gemeenschap ingevoerde afvalstoffen gedurende de overbrenging, met inbegrip van de nuttige toepassing of verwijdering in het land van bestemming, worden behandeld zonder dat er sprake is van gevaar voor de gezondheid van de mens en zonder dat procédés of methoden worden aangewend die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Bij niet verboden uitvoer uit de Gemeenschap moet getracht worden ervoor te zorgen dat gedurende de overbrenging, met inbegrip van de nuttige toepassing of verwijdering in het land van bestemming buiten de Gemeenschap, op milieuhygiënisch verantwoorde wijze wordt omgegaan met de afvalstoffen. De ontvangstinstallatie moet worden beheerd volgens normen inzake menselijke gezondheid en milieubescherming die in hun algemeenheid gelijkwaardig zijn aan de in de wetgeving van de Gemeenschap vastgelegde normen. Er dient een lijst te worden opgesteld van niet-bindende richtsnoeren die kunnen dienen als leidraad voor goed milieuhygiënisch beheer.

(34)

De lidstaten moeten de Commissie informatie verstrekken over de uitvoering van deze verordening, door middel van de verslagen die bij het secretariaat van het Verdrag van Bazel worden ingediend en op basis van een aparte vragenlijst.

(35)

Gezorgd moet worden voor een veilig en milieuvriendelijk beheer van het slopen van schepen, teneinde de menselijke gezondheid en het milieu te beschermen. Bovendien kan het voorkomen dat een schip afval in de zin van artikel 2 van het Verdrag van Bazel wordt, terwijl het tegelijkertijd op grond van andere internationale voorschriften als schip blijft aangemerkt. Het is van belang erop te wijzen dat voortdurend wordt gewerkt aan onderlinge samenwerking tussen de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), de International Maritime Organization (IMO) en het secretariaat van het Verdrag van Bazel, teneinde op mondiaal niveau aangenomen dwingende voorschriften vast te stellen om te zorgen voor een doeltreffende en daadwerkelijke oplossing van het probleem van het recycleren van schepen.

(36)

Een doeltreffende internationale samenwerking bij het toezicht op overbrenging van afvalstoffen vormt een nuttige bijdrage tot de beperking van internationale overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen. Informatie-uitwisseling, gedeelde verantwoordelijkheid en coördinatie tussen de Gemeenschap en haar lidstaten enerzijds en derde landen anderzijds moeten worden gestimuleerd om een verantwoord beheer van afvalstoffen te garanderen.

(37)

Sommige bijlagen bij deze verordening moeten door de Commissie worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 18, lid 3, van Richtlijn 2006/12/EG. Dezelfde procedure moet gelden voor het aanpassen van de bijlagen aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang, aan wijzigingen in de communautaire wetgeving terzake of aan gebeurtenissen die verband houden met het OESO-besluit of het Verdrag van Bazel en met andere internationale overeenkomsten en regelingen die ermee verband houden.

(38)

Bij de opstelling van de instructies voor het invullen van de in bijlage I C bedoelde kennisgevings‐ en vervoersdocumenten dient de Commissie, rekening houdend met het OESO-besluit en het Verdrag van Bazel, onder andere te specificeren dat de kennisgevings‐ en vervoersdocumenten in de mate van het mogelijke twee bladzijden moeten tellen en dient zij de exacte termijnen aan te geven voor het invullen van de kennisgevings‐ en vervoersdocumenten in bijlage I A en I B, rekening houdend met bijlage II. Bovendien dienen de specifieke voorschriften te worden verduidelijkt daar waar er verschillen in terminologie en voorschriften zijn tussen het OESO-besluit en het Verdrag van Bazel en deze verordening.

(39)

Bij de afweging welke mengsels van afvalstoffen in bijlage III A moeten worden toegevoegd, moet onder meer de volgende informatie in aanmerking worden genomen: de kenmerken van de afvalstoffen, zoals de mogelijke gevaarlijke eigenschappen, de potentiële verontreiniging, en de fysische toestand van het afval; de beheersaspecten, zoals de technologische capaciteit voor nuttige toepassing van het afval en de voordelen van die nuttige toepassing voor het milieu, met inbegrip van de vraag of het milieuhygiënisch verantwoord beheer van het afval doorkruist zou kunnen worden. De Commissie dient voor de datum van inwerkingtreding van deze verordening zoveel mogelijk vorderingen te maken met de vervollediging van deze bijlage, en deze werkzaamheden uiterlijk zes maanden na die datum te voltooien.

(40)

Verdere maatregelen in verband met de uitvoering van deze verordening moeten door de Commissie ook worden genomen volgens de procedure van artikel 18, lid 3, van Richtlijn 2006/12/EG. Deze maatregelen moeten in het bijzonder een methode bevatten voor de berekening van de borgsom of gelijkwaardige verzekering, waaraan de Commissie, indien mogelijk, vóór de datum van toepassing van deze verordening de laatste hand moet hebben afgelegd.

(41)

De voor de uitvoering van deze verordening vereiste maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (14).

(42)

Aangezien de doelstelling van deze verordening, namelijk de bescherming van het milieu bij het vervoer van afvalstoffen, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve, vanwege de omvang en de gevolgen van deze verordening, beter door de Gemeenschap wordt verwezenlijkt, kan de Gemeenschap maatregelen nemen, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel bedoeld in artikel 5 van het Verdrag. Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel als bedoeld in dat artikel, gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te bereiken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I

TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1

Toepassingsgebied

1.   In deze verordening worden de procedures en controleregelingen voor de overbrenging van afvalstoffen vastgelegd, naar gelang van de herkomst, de bestemming en de route van de overbrenging, het soort overgebrachte afvalstoffen en het soort behandeling dat de afvalstoffen op de plaats van bestemming ondergaan.

2.   Deze verordening is van toepassing op de overbrenging van afvalstoffen:

a)

tussen lidstaten, binnen de Gemeenschap of met doorvoer via derde landen;

b)

die uit derde landen in de Gemeenschap worden ingevoerd;

c)

die uit de Gemeenschap naar derde landen worden uitgevoerd;

d)

tussen derde landen met doorvoer via de Gemeenschap.

3.   Onder deze verordening vallen niet:

a)

het lossen aan wal van door gewone exploitatie van schepen en offshore-platforms ontstane afvalstoffen, inbegrepen afvalwater en residuen, voorzover die afvalstoffen vallen onder het Internationaal verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen van 1973, als gewijzigd bij het protocol van 1978 (Marpol 73/78), of onder andere bindende internationale rechtsinstrumenten;

b)

afvalstoffen die aan boord van voertuigen, treinen, vliegtuigen en schepen zijn ontstaan, totdat zij met het oog op nuttige toepassing of verwijdering gelost zijn;

c)

de overbrenging van radioactieve afvalstoffen als omschreven in artikel 2 van Richtlijn 92/3/Euratom van de Raad van 3 februari 1992 betreffende toezicht en controle op overbrenging van radioactieve afvalstoffen tussen lidstaten en naar en vanuit de Gemeenschap (15);

d)

de overbrenging die valt onder de erkenningseisen van Verordening (EG) nr. 1774/2002;

e)

de overbrenging van afvalstoffen als bedoeld in artikel 2, punt 1, onder b), ii), iv) en v), van Richtlijn 2006/12/EG, indien deze overbrenging reeds onder andere wetgeving van de Gemeenschap met soortgelijke voorschriften valt;

f)

de overbrenging van afvalstoffen vanuit het Zuidpoolgebied naar de Gemeenschap in overeenstemming met de eisen van het aan het Verdrag inzake Antarctica gehechte Protocol betreffende milieubescherming (1991);

g)

de invoer in de Gemeenschap van afvalstoffen die zijn ontstaan bij strijdkrachten of hulporganisaties in crisissituaties, vredestichtings‐ en vredeshandhavingsoperaties, wanneer die afvalstoffen door of namens die strijdkrachten of hulporganisaties rechtstreeks of onrechtstreeks naar het land van bestemming worden overgebracht. In zulke gevallen wordt iedere bevoegde autoriteit van doorvoer en de bevoegde autoriteit van bestemming in de Gemeenschap vooraf geïnformeerd over de overbrenging en de bestemming ervan.

4.   De overbrenging van afvalstoffen vanuit het Zuidpoolgebied met doorvoer via de Gemeenschap naar landen buiten de Gemeenschap valt onder de artikelen 36 en 49.

5.   De overbrenging van afvalstoffen uitsluitend binnen een lidstaat valt onder artikel 33.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1.

„afvalstoffen”: afvalstoffen als omschreven in artikel 1, lid 1, onder a), van Richtlijn 2006/12/EG;

2.

„gevaarlijke afvalstoffen”: afvalstoffen als omschreven in artikel 1, lid 4, van Richtlijn 91/689/EEG van de Raad van 12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen (16);

3.

„mengsel van afvalstoffen”: afvalstoffen die ontstaan door opzettelijke of onopzettelijke vermenging van twee of meer verschillende afvalstoffen, voor welk mengsel geen afzonderlijke code bestaat in de bijlagen III, III B, IV en IV A. Eén enkele overbrenging van afvalstoffen dat twee of meer soorten afvalstoffen omvat die onderling gescheiden zijn, wordt niet beschouwd als een mengsel van afvalstoffen;

4.

„verwijdering”: een handeling als omschreven in artikel 1, lid 1, onder e), van Richtlijn 2006/12/EG;

5.

„voorlopige verwijdering”: verwijderingshandelingen D 13 tot en met D 15 als omschreven in bijlage II A van Richtlijn 2006/12/EG;

6.

„nuttige toepassing”: een handeling als omschreven in artikel 1, lid 1, onder f), van Richtlijn 2006/12/EG;

7.

„voorlopige nuttige toepassing”: nuttige-toepassingshandelingen R 12 en R 13 als omschreven in bijlage II B van Richtlijn 2006/12/EG;

8.

„milieuhygiënisch verantwoord beheer”: het nemen van alle mogelijke maatregelen om ervoor te zorgen dat afvalstoffen zodanig worden beheerd, dat de gezondheid van de mens en het milieu worden beschermd tegen de mogelijke nadelige gevolgen van deze afvalstoffen;

9.

„producent”: eenieder wiens activiteiten afvalstoffen voortbrengen (eerste producent) en/of eenieder die voorbehandelingen, vermengingen of andere bewerkingen verricht die resulteren in een wijziging van de aard of samenstelling van die afvalstoffen (nieuwe producent) (als omschreven in artikel 1, lid 1, onder b), van Richtlijn 2006/12/EG);

10.

„houder”: de producent van de afvalstoffen dan wel de natuurlijke of rechtspersoon die de afvalstoffen in zijn bezit heeft (als omschreven in artikel 1, lid 1, onder c), van Richtlijn 2006/12/EG);

11.

„inzamelaar”: eenieder die afvalstoffen inzamelt, als omschreven in artikel 1, lid 1, onder g), van Richtlijn 2006/12/EG;

12.

„handelaar”: eenieder die als verantwoordelijke optreedt bij het aankopen en vervolgens verkopen van afval, met inbegrip van handelaars die de afvalstoffen niet fysiek in hun bezit hebben, als bedoeld in artikel 12 van Richtlijn 2006/12/EG;

13.

„makelaar”: eenieder die ten behoeve van anderen de verwijdering of de nuttige toepassing van afvalstoffen organiseert, met inbegrip van makelaars die de afvalstoffen niet fysiek in hun bezit hebben, als bedoeld in artikel 12 van Richtlijn 2006/12/EG;

14.

„ontvanger”: de persoon of onderneming onder de rechtsmacht van het land van bestemming naar wie of waarnaar de afvalstoffen voor nuttige toepassing of verwijdering worden overgebracht;

15.

„kennisgever”:

a)

in geval van overbrenging vanuit een lidstaat, de onder de rechtsmacht van die lidstaat vallende natuurlijke of rechtspersoon die voornemens is de afvalstoffen over te brengen of te laten overbrengen en gehouden is door de kennisgevingsplicht. De kennisgever is een van de hieronder genoemde personen of instanties in de aangegeven volgorde:

i)

de eerste producent; of

ii)

de vergunde nieuwe producent die handelingen verricht vóór de overbrenging; of

iii)

een vergunde inzamelaar die de overbrenging — die zal aanvangen vanaf één locatie waarvan kennisgeving is gedaan — uit diverse kleine hoeveelheden van eenzelfde soort afvalstoffen uit verschillende bronnen heeft samengesteld; of

iv)

een geregistreerde handelaar die door de eerste producent, de nieuwe producent of de bevoegde inzamelaar, zoals bedoeld onder i), ii) en iii), schriftelijk gemachtigd werd om namens hen als kennisgever op te treden;

v)

een geregistreerde makelaar die door de eerste producent, de nieuwe producent of de bevoegde inzamelaar, zoals bedoeld onder i), ii) en iii), schriftelijk gemachtigd werd om namens hen als kennisgever op te treden;

vi)

wanneer alle onder i), ii), iii), iv), en eventueel v), bedoelde personen onbekend of insolvabel zijn, de houder.

Indien een kennisgever als bedoeld onder iv) of v) niet voldoet aan de bepalingen inzake de terugnameplicht van de artikelen 22 tot en met 25, wordt voor de toepassing van die bepalingen als kennisgever beschouwd, de eerste producent, de nieuwe producent of de bevoegde inzamelaar als omschreven onder i), ii), of iii), die deze handelaar of makelaar gemachtigd heeft namens hem te handelen. In geval een gemachtigde handelaar of makelaar als omschreven onder iv) of v) kennisgeving doet van een illegale overbrenging, wordt voor de toepassing van deze verordening als kennisgever beschouwd, de persoon als omschreven onder i), ii), of iii), die deze handelaar of makelaar gemachtigd heeft;

b)

in geval van invoer in of doorvoer via de Gemeenschap van afvalstoffen die niet uit een lidstaat afkomstig zijn, de onder de rechtsmacht van het land van herkomst vallende natuurlijke of rechtspersoon die voornemens is afvalstoffen over te brengen of te laten overbrengen, of die deze heeft laten overbrengen, te weten:

i)

de door de wetgeving van het land van uitvoer aangewezen persoon of, bij gebrek van een aanwijzing;

ii)

de houder op het moment van de uitvoer;

16.

„Verdrag van Bazel”: het Verdrag van Bazel van 22 maart 1989 inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan;

17.

„OESO-besluit”: Besluit C(2001) 107 def. van de OESO-Raad inzake de herziening van Besluit C(92) 39 def. betreffende het toezicht op de grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen bestemd voor handelingen ter nuttige toepassing;

18.

„bevoegde autoriteit”:

a)

in geval van lidstaten: de door de lidstaat overeenkomstig artikel 53 aangewezen instantie; of

b)

in geval van een derde land dat partij is bij het Verdrag van Bazel: de door dat land overeenkomstig artikel 5 van dat Verdrag als bevoegde autoriteit ter fine van de toepassing daarvan aangewezen instantie; of

c)

in geval van een land waarnaar onder a) noch b) wordt verwezen: de instantie die door het betrokken land of de betrokken regio is aangewezen als bevoegde autoriteit of, indien een dergelijke aanwijzing ontbreekt, de regelgevende instantie van dat land of die regio die de rechtsmacht heeft over de overbrenging van afvalstoffen die, naar gelang van het geval, bestemd zijn voor nuttige toepassing, verwijdering of doorvoer;

19.

„bevoegde autoriteit van verzending”: de bevoegde autoriteit voor het gebied waar de overbrenging aanvangt of gepland is aan te vangen;

20.

„bevoegde autoriteit van bestemming”: de bevoegde autoriteit voor het gebied waar de overbrenging naartoe gaat of gepland is naartoe te gaan, of waarin de afvalstoffen worden verladen vóór de nuttige toepassing of verwijdering in een gebied dat niet onder de nationale rechtsmacht van enig land valt;

21.

„bevoegde autoriteit van doorvoer”: de bevoegde autoriteit voor ieder ander land dan het land van de bevoegde autoriteit van verzending of van bestemming waar de overbrenging doorgaat of gepland is door te gaan;

22.

„land van verzending”: het land waarin de overbrenging van afvalstoffen aanvangt of gepland is aan te vangen;

23.

„land van bestemming”: het land waar de overbrenging van afvalstoffen naartoe gaat of gepland is naartoe te gaan met het oog op verwijdering, nuttige toepassing of verlading vóór nuttige toepassing of verwijdering in een gebied dat niet onder de nationale rechtsmacht van enig land valt;

24.

„land van doorvoer”: het land waar een overbrenging van afvalstoffen doorheen gaat of gepland is doorheen te gaan, uitgezonderd het land van verzending of het land van bestemming;

25.

„gebied onder de rechtsmacht van een lidstaat of een land”: ieder land- of watergebied waarin een staat overeenkomstig het internationaal recht de bestuurlijke en regelgevende verantwoordelijkheid uitoefent met betrekking tot de bescherming van de menselijke gezondheid of het milieu;

26.

„landen en gebieden overzee”: de twintig overzeese landen en gebieden die staan vermeld in bijlage I A bij Besluit 2001/822/EG;

27.

„douanekantoor van uitvoer uit de Gemeenschap”: het douanekantoor gedefinieerd in artikel 161, lid 5, van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (17);

28.

„douanekantoor van uitgang uit de Gemeenschap”: het douanekantoor gedefinieerd in artikel 793, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (18);

29.

„douanekantoor van binnenkomst in de Gemeenschap”: het douanekantoor waar de afvalstoffen die het douanegebied van de Gemeenschap zijn binnengekomen, naartoe worden gebracht overeenkomstig artikel 38, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 2913/92;

30.

„invoer”: het binnenbrengen van afvalstoffen in de Gemeenschap, echter met uitzondering van doorvoer via de Gemeenschap;

31.

„uitvoer”: het doen verlaten van afvalstoffen van de Gemeenschap, echter met uitzondering van doorvoer via de Gemeenschap;

32.

„doorvoer”: een overbrenging van afvalstoffen of een geplande overbrenging van afvalstoffen doorheen een of meerdere andere landen dan het land van verzending of van bestemming;

33.

„vervoer”: het verplaatsen van afvalstoffen over de weg, via het spoor, door de lucht, over zee of via binnenwateren;

34.

„overbrenging”: het vervoer van voor nuttige toepassing of verwijdering bestemde afvalstoffen dat plaatsvindt of gepland is plaats te hebben:

a)

tussen een land en een ander land; of

b)

tussen een land en landen of gebieden overzee of andere gebieden die onder de bescherming van het eerstbedoelde land staan; of

c)

tussen een land en een landgebied dat volgens het internationaal recht niet tot enig land behoort; of

d)

tussen een land en het Zuidpoolgebied; of

e)

vanuit een land doorheen een van de bovengenoemde gebieden; of

f)

binnen een land doorheen een van bovengenoemde gebieden en dat in hetzelfde land vertrekt en eindigt; of

g)

vanuit een niet onder de rechtsmacht van enig land vallend geografisch gebied naar een land;

35.

„illegale overbrenging”: een overbrenging van afvalstoffen:

a)

zonder kennisgeving aan alle betrokken bevoegde autoriteiten, overeenkomstig deze verordening, of

b)

zonder toestemming van de betrokken bevoegde autoriteiten, overeenkomstig deze verordening, of

c)

met een door vervalsing, verkeerde voorstelling van zaken of fraude verkregen toestemming van de betrokken bevoegde autoriteiten, of

d)

dat feitelijk niet met de kennisgeving of de vervoersdocumenten overeenstemt, of

e)

dat resulteert in een verwijdering of nuttige toepassing die in strijd is met de communautaire of internationale regelgeving, of

f)

dat in strijd is met de artikelen 34, 36, 39, 40, 41 en 43, of

g)

waarbij, ten aanzien van overbrengingen van afvalstoffen als bedoeld in artikel 3, leden 2 en 4,

i)

ontdekt is dat de afvalstoffen niet vermeld zijn in bijlage III, III A of III B of

ii)

niet voldaan is aan artikel 3, lid 4;

iii)

de overbrenging geschiedt op een wijze die niet feitelijk is gespecificeerd in het in bijlage VII opgenomen document.

TITEL II

OVERBRENGINGEN BINNEN DE GEMEENSCHAP, MET OF ZONDER DOORVOER VIA DERDE LANDEN

Artikel 3

Algemeen procedureel kader

1.   Overbrengingen van de volgende afvalstoffen vallen onder de procedure van voorafgaande schriftelijke kennisgeving en toestemming, als vastgelegd in deze titel:

a)

indien bestemd voor verwijdering:

alle afvalstoffen;

b)

indien bestemd voor nuttige toepassing:

i)

de afvalstoffen van bijlage IV, inclusief inter alia de afvalstoffen die worden genoemd in de bijlagen II en VIII bij het Verdrag van Bazel;

ii)

de afvalstoffen van bijlage IV A;

iii)

de afvalstoffen die niet onder één code van bijlage III, III B, IV of IV A vallen;

iv)

mengsels van afvalstoffen die niet onder één code van bijlage III, III B, IV of IV A vallen, tenzij zij staan vermeld in bijlage III A.

2.   Overbrengingen van de volgende voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen vallen onder de algemene informatieverplichtingen als vastgesteld in artikel 18, wanneer het om meer dan 20 kg gaat:

a)

afvalstoffen van bijlage III of III B;

b)

mengsels die niet onder één code van bijlage III vallen, van twee of meer soorten afvalstoffen van bijlage III, mits de samenstelling van deze mengsels geen gevaar vormt voor de milieuhygiënisch verantwoorde nuttige toepassing ervan en mits deze mengsels overeenkomstig artikel 58 vermeld zijn in bijlage III A.

3.   Soorten afvalstoffen van bijlage III vallen, in uitzonderlijke gevallen, onder de relevante bepalingen alsof zij vermeld stonden in bijlage IV, indien zij een van de in bijlage III bij Richtlijn 91/689/EEG vermelde gevaarlijke eigenschappen vertonen. Deze gevallen worden behandeld overeenkomstig artikel 58.

4.   Overbrengingen van afvalstoffen die uitdrukkelijk bestemd zijn voor laboratoriumanalyse ter bepaling van hun fysische of chemische eigenschappen of van hun geschiktheid voor nuttige toepassing of verwijdering, vallen niet onder de procedure van voorafgaande schriftelijke kennisgeving en toestemming van lid 1. In plaats daarvan gelden de procedurele voorschriften van artikel 18. De hoeveelheid uitdrukkelijk voor laboratoriumanalyse bestemde afvalstoffen waarvoor deze uitzondering geldt, is de kleinste hoeveelheid die redelijkerwijs nodig is om de analyse in elk specifiek geval naar behoren uit te voeren, en bedraagt ten hoogste 25 kg.

5.   Overbrengingen van gemengd stedelijk afval (codenummer 20 03 01) ingezameld van particuliere huishoudens, ook indien die inzameling dergelijk afval van andere producenten omvat, naar inrichtingen voor nuttige toepassing of verwijdering vallen volgens deze verordening onder dezelfde bepalingen als overbrengingen van voor verwijdering bestemd afval.

HOOFDSTUK 1

Voorafgaande schriftelijke kennisgeving en toestemming

Artikel 4

Kennisgeving

Wanneer de kennisgever voornemens is afvalstoffen als bedoeld in artikel 3, lid 1, onder a) of b), over te brengen, doet hij daarvan voorafgaand schriftelijke kennisgeving bij en via de bevoegde autoriteit van verzending, indien hij een algemene kennisgeving doet, neemt hij artikel 13 in acht.

De kennisgeving voldoet aan de volgende eisen:

1.

Kennisgevings‐ en vervoersdocumenten

Voor de kennisgeving worden de volgende documenten gebruikt:

a)

het kennisgevingsdocument van bijlage I A; en

b)

het vervoersdocument van bijlage I B.

Voor de kennisgeving vult de kennisgever het kennisgevingsdocument en, indien nodig, het vervoersdocument in.

Indien de kennisgever niet de producent is overeenkomstig artikel 2, punt 15, onder a), i), zorgt de kennisgever ervoor dat de producent of een van de in artikel 2, punt 15, onder a), ii) of iii), aangewezen personen, indien mogelijk, het kennisgevingsdocument van bijlage I A mede ondertekent.

Het kennisgevingsdocument en het vervoersdocument worden door de bevoegde autoriteit van verzending aan de kennisgever verstrekt.

2.

Informatie en documentatie in de kennisgevings‐ en vervoersdocumenten

De kennisgever neemt de in bijlage II, deel 1, bedoelde informatie en documentatie in het kennisgevingsdocument op of voegt deze daar als bijlage aan toe. De kennisgever neemt de in bijlage II, deel 2, bedoelde informatie en documentatie in het vervoersdocument op of voegt deze daar als bijlage aan toe, in de mate waarin die ten tijde van de kennisgeving mogelijk is.

Een kennisgeving wordt als correct verricht beschouwd indien de bevoegde autoriteit van verzending zich ervan heeft vergewist dat het kennisgevingsdocument en het vervoersdocument zijn ingevuld overeenkomstig de eerste alinea.

3.

Aanvullende informatie en documentatie

Indien een van de betrokken bevoegde autoriteiten daarom verzoekt, verstrekt de kennisgever aanvullende informatie en documentatie. Bijlage II, deel 3, bevat een lijst van de aanvullende informatie en documentatie die mag worden verlangd.

Een kennisgeving wordt als volledig beschouwd indien de bevoegde autoriteit van bestemming zich ervan heeft vergewist dat het kennisgevings‐ en vervoersdocument ingevuld zijn en dat de in bijlage II, deel 1 en deel 2, bedoelde informatie en documentatie, alsmede de eventuele aanvullende informatie en documentatie waarom uit hoofde van dit punt en overeenkomstig bijlage II, deel 3, is verzocht, door de kennisgever zijn verstrekt.

4.

Contract tussen de kennisgever en de ontvanger

De kennisgever en de ontvanger sluiten een contract als omschreven in artikel 5 voor de nuttige toepassing of verwijdering van de afvalstoffen waarop de kennisgeving betrekking heeft.

Bij de kennisgeving wordt aan de betrokken bevoegde autoriteiten een bewijs, of een verklaring overeenkomstig bijlage I A, van het bestaan van dit contract verstrekt. Op verzoek van de betrokken bevoegde autoriteit verstrekt de kennisgever of de ontvanger een afschrift van het contract of een door de bevoegde autoriteit aanvaard bewijs daarvan.

5.

Storting van een borgsom of sluiting van een gelijkwaardige verzekering

Er wordt een borgsom gestort of een gelijkwaardige verzekering gesloten als omschreven in artikel 6. De kennisgever legt daartoe een verklaring af op het daarvoor bestemde deel van het kennisgevingsformulier in bijlage I A.

De borgsom of gelijkwaardige verzekering (of een bewijs daarvan indien dit voor de bevoegde autoriteit volstaat), worden als onderdeel van het kennisgevingsdocument voorgelegd op het moment van kennisgeving, dan wel — indien de bevoegde autoriteit op grond van nationale wetgeving daarmee instemt — een bepaalde termijn voor de aanvang van de overbrenging.

6.

Reikwijdte van de kennisgeving

De kennisgeving bestrijkt de overbrenging van de afvalstoffen vanaf de oorspronkelijke plaats van verzending en omvat de voorlopige en niet-voorlopige nuttige toepassing of verwijdering.

Indien er aansluitend verdere voorlopige en niet-voorlopige handelingen plaatsvinden in een ander land dan het eerste land van bestemming, worden de niet-voorlopige handeling en de bestemming in het kennisgevingsdocument vermeld en is artikel 15, onder f) van toepassing.

Voor elke afvalstoffencode wordt slechts een kennisgeving ingediend, uitgezonderd voor:

a)

afvalstoffen die niet onder één code van bijlage III, III B, IV of IV A vallen; in dit geval wordt slechts één soort afval gespecificeerd;

b)

mengsels van afvalstoffen die niet onder één code van bijlage III, III B, IV of IV A vallen, tenzij zij worden vermeld in bijlage III A. In dit geval wordt de code van elke afvalfractie gespecificeerd, in volgorde van belangrijkheid.

Artikel 5

Contract

1.   Voor elke overbrenging van afvalstoffen waarvoor een kennisgeving is vereist, sluiten de kennisgever en de ontvanger een contract voor de nuttige toepassing of verwijdering van de afvalstoffen waarop de kennisgeving betrekking heeft.

2.   Het contract moet totstandgekomen zijn en bindend zijn op het moment van kennisgeving voor de duur van de overbrenging, totdat een verklaring is verstrekt overeenkomstig artikel 15, onder e), artikel 16, onder e), of, in voorkomend geval, artikel 15, onder d).

3.   Dit contract voorziet in de verplichting:

a)

van de kennisgever om overeenkomstig artikel 22 en artikel 24, lid 2, de afvalstoffen terug te nemen, indien de overbrenging dan wel de nuttige toepassing of de verwijdering niet op de geplande wijze zijn voltooid of indien er sprake is van een illegale overbrenging;

b)

van de ontvanger om overeenkomstig artikel 24, lid 3, de afvalstoffen te verwijderen of nuttig toe te passen, indien er sprake is van een illegale overbrenging; en

c)

van de inrichting om in overeenstemming met artikel 16, onder e), een verklaring te verstrekken waarin staat dat de afvalstoffen nuttig werden toegepast of verwijderd conform de kennisgeving, de daarin vermelde voorwaarden en de voorschriften van deze verordening.

4.   Indien de overbrenging bestemd is voor voorlopige nuttige toepassing of verwijdering voorziet het contract in de volgende aanvullende verplichtingen van de ontvanger of de ontvangende inrichting:

a)

het voorleggen, overeenkomstig artikel 15, onder d), en in voorkomend geval artikel 15, onder e), door de ontvangende inrichting van de verklaringen van nuttige toepassing of verwijdering conform de bijbehorende kennisgeving, de daarin opgenomen voorwaarden en de voorschriften van deze verordening; en

b)

indien van toepassing, het voorleggen door de ontvanger van een kennisgeving aan de eerste bevoegde autoriteit van verzending, overeenkomstig artikel 15, onder f), ii).

5.   Indien afvalstoffen worden overgebracht tussen twee inrichtingen die onder de zeggenschap van dezelfde rechtspersoon staan, kan het contract worden vervangen door een verklaring van deze rechtspersoon waarin deze zich verbindt tot nuttige toepassing of verwijdering van de afvalstoffen waarop de kennisgeving betrekking heeft.

Artikel 6

Borgsom

1.   Voor elke overbrenging van afvalstoffen waarvoor een kennisgeving is vereist, wordt een borgsom of gelijkwaardige verzekering verlangd ter dekking van:

a)

de vervoerskosten;

b)

de kosten van nuttige toepassing of verwijdering, inclusief nodig geachte voorlopige handelingen; en

c)

de opslagkosten voor 90 dagen.

2.   De borgsom of gelijkwaardige verzekering is bedoeld ter dekking van de kosten die ontstaan in verband met:

a)

een overbrenging dan wel een nuttige toepassing of verwijdering die niet op de geplande wijze kunnen worden voltooid, als bedoeld in artikel 22; en

b)

een illegale overbrenging dan wel een illegale nuttige toepassing of verwijdering, als bedoeld in artikel 24.

3.   De borgsom of gelijkwaardige verzekering wordt door de kennisgever of door een andere natuurlijke of rechtspersoon namens deze, gestort respectievelijk gesloten en is juridisch bindend op het moment van de kennisgeving of — mits de bevoegde autoriteit die de borgsom of gelijkwaardige verzekering goedkeurt daarmee instemt — uiterlijk op het moment waarop de overbrenging aanvangt; zij treedt uiterlijk bij de aanvang van de aangemelde overbrenging in werking.

4.   De borgsom of gelijkwaardige verzekering alsmede het formulier hiervoor, de formulering ervan en de hoogte van de dekking worden door de bevoegde autoriteit van verzending goedgekeurd.

In geval van invoer in de Gemeenschap evenwel wordt de hoogte van de dekking door de bevoegde autoriteit van bestemming in de Gemeenschap geëvalueerd en kan deze, indien nodig, een bijkomende borgsom of gelijkwaardige verzekering opleggen.

5.   De borgsom of gelijkwaardige verzekering geldt en dekt de aangemelde overbrenging tot en met de voltooiing van de nuttige toepassing of verwijdering van de aangemelde afvalstoffen.

De borgsom of gelijkwaardige verzekering wordt vrijgegeven zodra de betrokken bevoegde autoriteit de verklaring heeft ontvangen als bedoeld in artikel 16, onder e), of, in voorkomend geval, artikel 15, onder e), voor voorlopige handelingen tot nuttige toepassing of verwijdering.

6.   Indien een overbrenging bestemd is voor voorlopige nuttige toepassing of verwijdering en er in het land van bestemming aansluitend een verdere nuttige toepassing of verwijdering plaatsvindt, kan, in afwijking van lid 5, de borgsom of de gelijkwaardige verzekering worden vrijgegeven zodra de afvalstoffen de voorlopige inrichting verlaten en de betrokken bevoegde autoriteit de in artikel 15, onder d), bedoelde verklaring heeft ontvangen. In dit geval wordt een aansluitende overbrenging naar een inrichting voor nuttige toepassing of verwijdering gedekt door een nieuwe borgsom of gelijkwaardige verzekering, tenzij de bevoegde autoriteit van bestemming deze borgsom of deze gelijkwaardige verzekering niet nodig acht. In dat geval is de bevoegde autoriteit van bestemming verantwoordelijk voor de verplichtingen die voortvloeien uit een illegale overbrenging of voor de terugname indien de overbrenging of de handeling tot verdere nuttige toepassing of verwijdering niet kan worden voltooid zoals gepland.

7.   De bevoegde autoriteit binnen de Gemeenschap die de borgsom of gelijkwaardige verzekering heeft goedgekeurd kan hierover beschikken en kan de middelen aanwenden om andere betrokken autoriteiten te betalen, teneinde aan de verplichtingen uit hoofde van de artikelen 23 en 25 te voldoen.

8.   In geval van een algemene kennisgeving in de zin van artikel 13, kunnen verscheidene borgsommen worden gestort of gelijkwaardige verzekeringen worden gesloten ter dekking van onderdelen van de algemene kennisgeving, in plaats van één borgsom of gelijkwaardige verzekering ter dekking van de gehele algemene kennisgeving. In dit geval treedt elke borgsom of gelijkwaardige verzekering ten laatste in werking bij aanvang van de aangemelde overbrenging waarop deze betrekking heeft.

De borgsom(men) of gelijkwaardige verzekering(en) worden vrijgegeven zodra de betrokken bevoegde autoriteit voor de desbetreffende afvalstoffen de verklaring heeft ontvangen als bedoeld in artikel 16, onder e), of, in voorkomend geval, artikel 15, onder e), voor voorlopige handelingen tot nuttige toepassing of verwijdering. Mutatis mutandis is lid 6 van toepassing.

9.   De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de bepalingen die uit hoofde van dit artikel in de nationale wetgeving worden opgenomen.

Artikel 7

Doorzending van de kennisgeving door de bevoegde autoriteit van verzending

1.   Na ontvangst van de correct verrichte kennisgeving als omschreven in artikel 4, tweede alinea, punt 2, bewaart de bevoegde autoriteit van verzending een afschrift van de kennisgeving, zendt zij de kennisgeving door aan de bevoegde autoriteit van bestemming, zendt zij afschriften aan de bevoegde autoriteit(en) van doorvoer, en brengt zij de kennisgever op de hoogte van de doorzending. Zij doet dit binnen drie werkdagen na ontvangst van de kennisgeving.

2.   Indien de kennisgeving niet correct is verricht, verlangt de bevoegde autoriteit van verzending de in artikel 4, tweede alinea, punt 2, genoemde informatie of documentatie van de kennisgever.

Zij doet dit binnen drie werkdagen na ontvangst van de kennisgeving.

Na ontvangst van de betrokken informatie/documentatie beschikt de bevoegde autoriteit van verzending over drie werkdagen om aan lid 1 te voldoen.

3.   Zodra de kennisgeving correct is verricht, zoals omschreven in artikel 4, tweede alinea, punt 2, kan de bevoegde autoriteit van verzending binnen drie dagen na ontvangst besluiten een kennisgeving niet verder te behandelen indien zij overeenkomstig de artikelen 11 en 12 bezwaren heeft tegen de overbrenging.

Zij stelt de kennisgever onverwijld van haar besluit en bezwaren in kennis.

4.   Indien de bevoegde autoriteit van verzending de kennisgeving 30 dagen na ontvangst ervan niet heeft doorgezonden, zoals voorgeschreven in lid 1, geeft zij de kennisgever op diens verzoek een gemotiveerde verklaring daarvoor. Dit is niet van toepassing indien aan haar verzoek om informatie zoals bedoeld in lid 2 geen gevolg is gegeven.

Artikel 8

Verzoeken om informatie en documentatie van de betrokken bevoegde autoriteiten en ontvangstbevestiging door de bevoegde autoriteit van bestemming

1.   Indien, na doorzending van de kennisgeving door de bevoegde autoriteit van verzending, één van de betrokken bevoegde autoriteiten van mening is dat aanvullende informatie en documentatie overeenkomstig artikel 4, tweede alinea, punt 3, nodig is, verzoekt zij de kennisgever daarom en stelt zij de overige betrokken bevoegde autoriteiten daarvan op de hoogte. Zij doet dit binnen drie werkdagen na ontvangst van de kennisgeving. De betrokken bevoegde autoriteiten beschikken over drie werkdagen na ontvangst van de informatie en documentatie om de bevoegde autoriteit van bestemming hiervan op de hoogte te stellen.

2.   Indien de bevoegde autoriteit van bestemming van mening is dat de kennisgeving volledig is, in de zin van artikel 4, tweede alinea, punt 3, zendt zij een ontvangstbevestiging aan de kennisgever en afschriften daarvan aan de overige betrokken bevoegde autoriteiten. Zij doet dit binnen drie werkdagen na ontvangst van de correct ingevulde kennisgeving.

3.   Indien de bevoegde autoriteit van bestemming de kennisgeving 30 dagen na ontvangst ervan niet heeft bevestigd, zoals voorgeschreven in lid 2, geeft zij de kennisgever op diens verzoek een gemotiveerde verklaring daarvoor.

Artikel 9

Toestemming van de bevoegde autoriteit van bestemming, van verzending en van doorvoer en termijnen voor vervoer, nuttige toepassing of verwijdering

1.   De bevoegde autoriteiten van verzending, van bestemming en van doorvoer beschikken over een termijn van 30 dagen na de datum van de ontvangstbevestiging door de bevoegde autoriteiten van bestemming uit hoofde van artikel 8 om een van de volgende, schriftelijk gemotiveerde besluiten te nemen over de aangemelde overbrenging:

a)

toestemming zonder voorwaarden;

b)

aan voorwaarden verbonden toestemming, overeenkomstig artikel 10; of

c)

bezwaar, overeenkomstig de artikelen 11 en 12.

Indien de bevoegde autoriteit van doorvoer binnen de bedoelde termijn van 30 dagen geen bezwaar heeft gemaakt, mag zij worden geacht stilzwijgende toestemming te hebben verleend.

2.   De bevoegde autoriteiten van bestemming, van verzending en, voorzover van toepassing, van doorvoer zenden de kennisgever binnen de in lid 1 bedoelde termijn van 30 dagen hun schriftelijk besluit en de redenen daarvoor toe, met afschrift aan de overige betrokken bevoegde autoriteiten.

3.   De bevoegde autoriteiten van bestemming, van verzending en, voorzover van toepassing, van doorvoer maken hun schriftelijke toestemming duidelijk door de kennisgevingsdocumenten of de afschriften ervan op passende wijze af te stempelen, te ondertekenen en te dateren.

4.   De schriftelijke toestemming voor een geplande overbrenging verstrijkt één kalenderjaar nadat zij is afgegeven of op een latere datum indien zulks in het kennisgevingsdocument is vermeld. Dit geldt niet indien de betrokken bevoegde autoriteiten een kortere termijn hebben vastgesteld.

5.   Stilzwijgende toestemming voor een geplande overbrenging verstrijkt één kalenderjaar na het verstrijken van de termijn van 30 dagen als omschreven in lid 1.

6.   De geplande overbrenging mag niet aanvangen vooraleer is voldaan aan de eisen van artikel 16, onder a) en b), en vindt plaats tijdens de geldigheidsduur van de (stilzwijgende of schriftelijke) toestemmingen van alle bevoegde autoriteiten.

7.   De nuttige toepassing of verwijdering van afvalstoffen in verband met een geplande overbrenging wordt binnen één kalenderjaar na ontvangst van de afvalstoffen door de inrichting voltooid, tenzij de betrokken bevoegde autoriteiten een kortere termijn hebben aangegeven.

8.   De betrokken bevoegde autoriteiten trekken hun toestemming in, wanneer zij er kennis van krijgen dat:

a)

de samenstelling van de afvalstoffen niet overeenstemt met hetgeen in de kennisgeving is vermeld; of

b)

de aan de overbrenging verbonden voorwaarden niet worden nageleefd; of

c)

de afvalstoffen niet conform de vergunning van de inrichting waarin de genoemde handeling plaatsvindt, nuttig worden toegepast of verwijderd; of

d)

de afvalstoffen zullen worden of zijn overgebracht, nuttig toegepast of verwijderd op een wijze die niet in overeenstemming is met de in het kennisgevings‐ en vervoersdocument vermelde of daarbij gevoegde informatie.

9.   De kennisgever wordt in kennis gesteld van de intrekking van de toestemming door middel van officiële mededeling met afschrift aan de overige betrokken bevoegde autoriteiten.

Artikel 10

Aan voorwaarden verbonden overbrenging

1.   De bevoegde autoriteiten van verzending, van bestemming en van doorvoer kunnen, binnen 30 dagen na verzending van de ontvangstbevestiging door de bevoegde autoriteit van bestemming uit hoofde van artikel 8, voorwaarden verbinden aan hun toestemming voor een aangemelde overbrenging. Deze voorwaarden kunnen gebaseerd zijn op een of meer van de in artikel 11 of 12 genoemde gronden met betrekking tot verwijdering en nuttige toepassing bestemde afvalstoffen.

2.   De bevoegde autoriteiten van verzending, van bestemming en van doorvoer kunnen binnen de in lid 1 genoemde termijn van 30 dagen, ook voorwaarden verbinden aan het vervoer van afvalstoffen binnen hun rechtsgebied. Deze vervoersvoorwaarden mogen niet strenger zijn dan die welke gelden voor soortgelijke overbrengingen die volledig binnen hun rechtsgebied worden afgewikkeld, en dienen in overeenstemming te zijn met de bestaande overeenkomsten, in het bijzonder met de toepasselijke internationale overeenkomsten.

3.   De bevoegde autoriteiten van verzending, van bestemming en van doorvoer kunnen tevens binnen de in lid 1 genoemde termijn van 30 dagen de voorwaarde stellen, dat hun toestemming wordt geacht te zijn ingetrokken wanneer de borgsom(men) en of gelijkwaardige verzekering(en) niet uiterlijk bij de aanvang van de overbrenging in werking is getreden, zoals bepaald in artikel 6, lid 3.

4.   De voorwaarden worden door de bevoegde autoriteit die ze stelt schriftelijk aan de kennisgever meegedeeld, met afschrift aan de betrokken bevoegde autoriteiten.

De voorwaarden worden door de betrokken bevoegde autoriteit in het kennisgevingsdocument opgenomen of daar als bijlage aan toegevoegd.

5.   De bevoegde autoriteit van bestemming kan binnen de in lid 1 genoemde termijn van 30 dagen de voorwaarde stellen dat de ontvangende inrichting regelmatig input-output-gegevens en/of balansen over de in de mededeling genoemde afvalstoffen en de specifieke nuttige toepassing of verwijdering voorlegt, en wel voor de geldigheidsduur van de kennisgeving. Deze gegevens zijn door de voor de inrichting juridisch verantwoordelijke persoon ondertekend en worden binnen een maand na voltooiing van de medegedeelde operatie van nuttige toepassing of verwijdering naar de bevoegde autoriteit van bestemming gestuurd.

Artikel 11

Bezwaren tegen een overbrenging van voor verwijdering bestemde afvalstoffen

1.   Wanneer een kennisgeving inzake een geplande overbrenging van voor verwijdering bestemde afvalstoffen wordt gedaan, kunnen de bevoegde autoriteiten van verzending en van bestemming, binnen 30 dagen na verzending van de ontvangstbevestiging door de bevoegde autoriteit van bestemming uit hoofde van artikel 8, met redenen omklede bezwaren indienen op een of meer van de volgende gronden en in overeenstemming met het Verdrag:

a)

de geplande overbrenging of de geplande verwijdering is niet in overeenstemming met maatregelen die op communautair en nationaal niveau zijn genomen om de beginselen van nabijheid, voorrang voor nuttige toepassing en zelfverzorging overeenkomstig Richtlijn 2006/12/EG hun beslag te geven en die gericht zijn op het geheel of gedeeltelijk verbieden van overbrenging van afvalstoffen of op het stelselmatig bezwaar daartegen maken; of

b)

de geplande overbrenging of de geplande verwijdering is, wat handelingen in het bezwaren makende land betreft, niet in overeenstemming met nationale wetgeving inzake milieubescherming, openbare orde, openbare veiligheid of bescherming van de gezondheid; of

c)

de kennisgever of de ontvanger werd eerder veroordeeld voor illegale overbrenging of voor een andere onwettige handeling in verband met de bescherming van het milieu. In dit geval kunnen de bevoegde autoriteiten van verzending en bestemming bezwaar maken tegen elk transport waarbij de persoon in kwestie betrokken is, overeenkomstig de nationale wetgeving; of

d)

de kennisgever of de inrichting hebben bij vorige transporten herhaaldelijk de artikelen 15 en 16 overtreden; of

e)

de lidstaat wenst gebruik te maken van zijn recht om uit hoofde van artikel 4, lid 1, van het Verdrag van Bazel de invoer van gevaarlijke afvalstoffen of van afvalstoffen die zijn opgenomen in bijlage II van het Verdrag van Bazel te verbieden; of

f)

de geplande overbrenging of de geplande verwijdering is in strijd met de verplichtingen die voortvloeien uit door de betrokken lidstaat of lidstaten of de Gemeenschap gesloten internationale overeenkomsten; of

g)

de geplande overbrenging of de geplande verwijdering is, gezien de geografische omstandigheden of de noodzaak van gespecialiseerde inrichtingen voor bepaalde soorten afval, niet in overeenstemming met Richtlijn 2006/12/EG, inzonderheid niet met de artikelen 5 en 7 daarvan, in welk geval bezwaar kan worden gemaakt:

i)

teneinde het beginsel van zelfverzorging op communautair en nationaal niveau toe te passen;

ii)

omdat de gespecialiseerde inrichting afvalstoffen uit een dichterbij gelegen bron moet verwijderen en door de bevoegde autoriteit is voorrang aan die afvalstoffen gegeven; of

iii)

om ervoor te zorgen dat de overbrenging in overeenstemming is met de afvalbeheerplannen; of

h)

de betrokken afvalstoffen worden behandeld in een inrichting die onder Richtlijn 96/61/EG valt, maar die niet de beste beschikbare technieken toepast in de zin van artikel 9, lid 4, van die richtlijn, een en ander volgens de vergunning van de betrokken inrichting; of

i)

dat het gemengd stedelijk afval uit particuliere huishoudens (code 20 03 01) betreft; of

j)

de betrokken afvalstoffen worden niet behandeld conform de in de wetgeving van de Gemeenschap opgenomen juridisch bindende milieubeschermingsvoorschriften voor verwijderingshandelingen, ook in gevallen waarin tijdelijke afwijkingen worden toegestaan.

2.   De bevoegde autoriteit van doorvoer kan binnen de termijn van 30 dagen als omschreven in lid 1 met redenen omklede bezwaren indienen op grond van lid 1, onder b), c), d) en f).

3.   Indien de totale hoeveelheid van een gevaarlijke afvalstof die in één jaar in de lidstaat van verzending wordt geproduceerd zo gering is dat het economisch niet verantwoord zou zijn in die lidstaat gespecialiseerde verwijderingsinstallaties te bouwen, wordt lid 1, onder a), niet toegepast.

De bevoegde autoriteit van bestemming werkt samen met de bevoegde autoriteit van verzending die van mening is dat dit lid en niet lid 1, onder a), van toepassing is, teneinde de kwestie in bilateraal verband op te lossen.

Indien zij niet tot een bevredigende oplossing komen, kan elk van beide lidstaten de zaak aan de Commissie voorleggen. De Commissie besluit over deze zaak volgens de procedure van artikel 18, lid 3, van Richtlijn 2006/12/EG.

4.   Indien de bevoegde autoriteiten binnen de termijn van 30 dagen als omschreven in lid 1 tot de bevinding zijn gekomen dat de problemen die aanleiding waren voor hun bezwaren zijn opgelost, delen zij dat de kennisgever onverwijld schriftelijk mede, met afschrift aan de ontvanger en aan de overige betrokken bevoegde autoriteiten.

5.   Indien de problemen die aanleiding waren voor de bezwaren binnen de termijn van 30 dagen als omschreven in lid 1 niet werd opgelost, verliest de kennisgeving haar geldigheid. Indien de kennisgever voornemens blijft de overbrenging uit te voeren, wordt een nieuwe kennisgeving ingediend, tenzij alle betrokken bevoegde autoriteiten en de kennisgever anders overeenkomen.

6.   De maatregelen die door een lidstaat in overeenstemming met lid 1, onder a), worden getroffen om transporten van voor verwijdering bestemde afvalstoffen geheel of gedeeltelijk te verbieden of daar stelselmatig bezwaar tegen te maken, of die worden getroffen in overeenstemming met lid 1, onder e), worden onverwijld ter kennis gebracht van de Commissie, die de overige lidstaten op de hoogte brengt.

Artikel 12

Bezwaren tegen een transport van voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen

1.   Wanneer een kennisgeving inzake een gepland transport van voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen wordt gedaan, kunnen de bevoegde autoriteiten van verzending en van bestemming binnen 30 dagen na verzending van de ontvangstbevestiging door de bevoegde autoriteit van bestemming uit hoofde van artikel 8, met redenen omklede bezwaren indienen op een of meer van de volgende gronden en in overeenstemming met het Verdrag:

a)

de geplande overbrenging of de geplande nuttige toepassing is niet in overeenstemming met Richtlijn 2006/12/EG, inzonderheid niet met de artikelen 3, 4, 7 en 10 daarvan; of

b)

de geplande overbrenging of de geplande nuttige toepassing is, wat handelingen in het bezwaren makende land betreft, niet in overeenstemming met nationale wetgeving inzake milieubescherming, openbare orde, openbare veiligheid of bescherming van de gezondheid; of

c)

de geplande overbrenging of de geplande nuttige toepassing is niet in overeenstemming met nationale wetgeving van het land van verzending, ook wanneer de geplande overbrenging bestemd is voor nuttige toepassing in een inrichting waarvoor voor de behandeling van de specifieke afvalstroom minder strenge normen gelden dan in het land van verzending, waarbij de noodzakelijke verzekering van de goede werking van de interne markt niet uit het oog mag worden verloren.

Dit is niet van toepassing indien:

i)

er terzake wetgeving bestaat van de Gemeenschap, met name betreffende afvalstoffen, en indien in de nationale wetgeving ter uitvoering daarvan voorschriften zijn opgenomen die minstens even streng zijn als de wetgeving van de Gemeenschap;

ii)

de nuttige-toepassingshandeling in het land van bestemming zal plaatsvinden onder voorwaarden die in het algemeen gelijkwaardig zijn aan die van de nationale wetgeving in het land van verzending;

iii)

niet onder i) bedoelde nationale wetgeving in het land van verzending niet bekendgemaakt werd overeenkomstig Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (19), voorzover die dat voorschrijft; of

d)

de kennisgever of de ontvanger eerder is veroordeeld voor illegale overbrenging of voor een andere onwettige handeling in verband met de bescherming van het milieu. In dit geval kunnen de bevoegde autoriteiten van verzending en bestemming bezwaar maken tegen elk transport waarbij de persoon in kwestie betrokken is, overeenkomstig de nationale wetgeving; of

e)

de kennisgever of de inrichting bij eerdere transporten herhaaldelijk de artikelen 15 en 16 heeft overtreden; of

f)

de geplande overbrenging of de geplande nuttige toepassing in strijd is met de verplichtingen die voortvloeien uit door de betrokken lidstaat of lidstaten of de Gemeenschap gesloten internationale overeenkomsten; of

g)

de verhouding tussen de wel en niet nuttig toe te passen afvalstoffen, de geschatte waarde van het materiaal dat uiteindelijk nuttig wordt toegepast, of de kosten van de nuttige toepassing en de kosten van verwijdering van het niet nuttig toe te passen gedeelte, de nuttige toepassing uit economisch en/of milieutechnisch oogpunt niet rechtvaardigen; of

h)

de overbrenging bestemd is voor verwijdering en niet voor nuttige toepassing; of

i)

de betrokken afvalstoffen worden behandeld in een inrichting die onder Richtlijn 96/61/EG valt, maar die niet de beste beschikbare technieken in de zin van artikel 9, lid 4, van die richtlijn toepast, een en ander volgens de vergunning van de betrokken inrichting; of

j)

de betrokken afvalstoffen worden niet behandeld conform de in de wetgeving van de Gemeenschap opgenomen juridisch bindende milieubeschermingsvoorschriften voor nuttige-toepassingshandelingen, ook in gevallen waarin tijdelijke afwijkingen worden toegestaan; of

k)

de betrokken afvalstoffen worden niet behandeld in overeenstemming met afvalbeheersplannen die zijn opgesteld krachtens artikel 7 van Richtlijn 2006/12/EG teneinde de in de communautaire wetgeving opgenomen juridisch bindende verplichtingen inzake nuttige toepassing of hergebruik na te komen.

2.   De bevoegde autoriteiten van doorvoer kunnen binnen de termijn van 30 dagen als omschreven in lid 1 met redenen omklede bezwaren indienen op grond van uitsluitend lid 1, onder b), d), e) en f).

3.   Indien de bevoegde autoriteiten binnen de termijn van 30 dagen als omschreven in lid 1 tot de bevinding zijn gekomen dat de problemen die aanleiding waren voor hun bezwaren zijn opgelost, delen zij dat de kennisgever onverwijld schriftelijk mede, met afschrift aan de ontvanger en aan de overige betrokken bevoegde autoriteiten.

4.   Indien de problemen die aanleiding waren voor de bezwaren binnen de termijn van 30 dagen als omschreven in lid 1 niet werden opgelost, verliest de kennisgeving haar geldigheid. Indien de kennisgever voornemens blijft de overbrenging uit te voeren, wordt een nieuwe kennisgeving ingediend, tenzij alle betrokken bevoegde autoriteiten en de kennisgever anders overeenkomen.

5.   Bezwaren van bevoegde autoriteiten overeenkomstig lid 1, onder c), worden door de lidstaten aan de Commissie gemeld overeenkomstig artikel 51.

6.   De lidstaat van verzending stelt de Commissie en de overige lidstaten op de hoogte van de nationale wetgeving waarop bezwaren van de bevoegde autoriteiten in overeenstemming met lid 1, onder c), gebaseerd kunnen zijn en deelt mee op welke afvalstoffen en welke nuttige-toepassingshandelingen zij van toepassing is; zulks geschiedt alvorens deze wetgeving wordt ingeroepen om met redenen omklede bezwaren in te dienen.

Artikel 13

Algemene kennisgeving

1.   De kennisgever kan een algemene kennisgeving voor verscheidene transporten indienen indien bij elk transport:

a)

de afvalstoffen in essentie soortgelijke fysische en chemische eigenschappen hebben; en

b)

de afvalstoffen naar dezelfde ontvanger en dezelfde inrichting worden getransporteerd; en

c)

de in het kennisgevingsdocument genoemde route van de overbrenging dezelfde is.

2.   Indien wegens onvoorziene omstandigheden niet dezelfde route kan worden gevolgd, brengt de kennisgever de betrokken bevoegde autoriteiten daarvan zo spoedig mogelijk op de hoogte, zo mogelijk nog vóór de aanvang van de overbrenging, indien op dat moment al bekend is dat een routewijziging noodzakelijk is.

Indien de routewijziging vóór de aanvang van de overbrenging bekend is en tot gevolg heeft dat andere autoriteiten bevoegd zijn dan die welke in de algemene kennisgeving zijn genoemd, mag de algemene kennisgeving niet gebruikt worden en dient een nieuwe kennisgeving te worden ingediend.

3.   De betrokken bevoegde autoriteiten verbinden aan hun toestemming voor het gebruik van deze algemene kennisgeving de voorwaarde, dat naderhand in overeenstemming met artikel 4, tweede alinea, punten 2 en 3, aanvullende informatie en documentatie worden verstrekt.

Artikel 14

Vooraf goedgekeurde inrichtingen voor nuttige toepassing

1.   De bevoegde autoriteit van bestemming die rechtsmacht bezit over een specifieke inrichting voor nuttige toepassing kan besluiten deze inrichting vooraf goed te keuren.

Een dergelijk besluit heeft een beperkte geldigheidsduur en kan te allen tijde worden ingetrokken.

2.   In geval van een algemene kennisgeving overeenkomstig artikel 13, kan de geldigheid van de in artikel 9, leden 4 en 5, bedoelde goedkeuring door de bevoegde autoriteit van bestemming in overeenstemming met de overige betrokken autoriteiten worden verlengd tot ten hoogste drie jaar.

3.   De bevoegde autoriteit die overeenkomstig de leden 1 en 2 een inrichting vooraf goedkeurt, stelt de Commissie en zo nodig het secretariaat van de OESO in kennis van:

a)

naam, registratienummer en adres van de inrichting voor nuttige toepassing;

b)

een beschrijving van de gebruikte technologieën, met inbegrip van de R-code(s);

c)

de afvalstoffen volgens de specifieke codes van de bijlagen IV en IV A waarvoor het besluit geldt;

d)

de totale hoeveelheid afvalstoffen waarvoor voorafgaande goedkeuring is verleend;

e)

de geldigheidsperiode;

f)

eventuele wijzigingen in de voorafgaande goedkeuring;

g)

eventuele wijzigingen in de verstrekte informatie; en

h)

eventuele intrekking van de voorafgaande goedkeuring.

Hiervoor wordt gebruik gemaakt van het formulier van bijlage VI.

4.   In afwijking van de artikelen 9, 10 en 12, geldt bij het verlenen van toestemming uit hoofde van artikel 9 voor het opleggen van voorwaarden uit hoofde van artikel 10 of het indienen van bezwaren door de betrokken bevoegde autoriteiten uit hoofde van artikel 12 een termijn van zeven werkdagen na de verzending van de ontvangstbevestiging door de bevoegde autoriteit van bestemming uit hoofde van artikel 8.

5.   Ongeacht lid 4, kan de bevoegde autoriteit van verzending besluiten dat meer tijd nodig is om aanvullende informatie of documentatie van de kennisgever te ontvangen.

In dit geval brengt de bevoegde autoriteit de kennisgever hiervan binnen zeven werkdagen schriftelijk op de hoogte, met afschrift aan de overige betrokken bevoegde autoriteiten.

In het totaal mogen er voor de verkrijging van aanvullende informatie of documentatie niet meer dan 30 dagen verstrijken na de verzending van de ontvangstbevestiging door de bevoegde autoriteit van bestemming uit hoofde van artikel 8.

Artikel 15

Aanvullende voorschriften inzake voorlopige nuttige toepassing en verwijdering

Voor transporten van afvalstoffen die bestemd zijn voor voorlopige nuttige toepassing of verwijdering gelden de volgende aanvullende voorschriften:

a)

indien een transport van afvalstoffen bestemd is voor voorlopige nuttige toepassing of verwijdering, worden in het kennisgevingsdocument naast de vermelding van de oorspronkelijke voorlopige nuttige toepassing of verwijdering, alle inrichtingen vermeld waar vervolgens handelingen tot voorlopige en definitieve nuttige toepassing of verwijdering zijn gepland;

b)

de bevoegde autoriteiten van verzending en van bestemming kunnen alleen dan toestemming geven voor een transport dat bestemd is voor een voorlopige nuttige toepassing of verwijdering, wanneer er geen gronden voor bezwaar zijn in de zin van artikel 11 of 12 voor het transport naar de inrichting waar de daaropvolgende al dan niet voorlopige nuttige toepassing of verwijdering zal plaatsvinden;

c)

de met deze voorlopige nuttige toepassing of verwijdering belaste inrichting bevestigt schriftelijk binnen drie dagen na ontvangst van de afvalstoffen dat zij de afvalstoffen heeft ontvangen.

Deze bevestiging wordt in het vervoersdocument vermeld of daar als bijlage aan toegevoegd. De betrokken inrichting zendt ondertekende afschriften van het vervoersdocument met deze bevestiging aan de kennisgever en aan de betrokken bevoegde autoriteiten;

d)

zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk 30 dagen na de voltooiing van de voorlopige nuttige toepassing of verwijdering en uiterlijk één kalenderjaar na de ontvangst van de afvalstoffen dan wel vroeger overeenkomstig artikel 9, lid 7, bevestigt de inrichting die de betrokken handelingen heeft verricht, onder haar eigen verantwoordelijkheid dat de voorlopige nuttige toepassing of verwijdering is voltooid.

Deze verklaring wordt in het vervoersdocument vermeld of daar als bijlage aan toegevoegd.

De betrokken inrichting zendt afschriften van het vervoersdocument met deze verklaring aan de kennisgever en aan de betrokken bevoegde autoriteiten;

e)

indien een inrichting voor nuttige toepassing of verwijdering een voorlopige nuttige toepassing of verwijdering verricht en vervolgens met het oog op voorlopige of definitieve nuttige toepassing of verwijdering afvalstoffen levert aan een inrichting in het land van bestemming, dient de eerstgenoemde inrichting zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk één kalenderjaar na de verzending van de afvalstoffen, een verklaring van laatstgenoemde inrichting te ontvangen waarin wordt medegedeeld dat de definitieve nuttige toepassing of verwijdering voltooid is.

De inrichting die een voorlopige nuttige toepassing of verwijdering verricht, zendt de desbetreffende verklaring(en) onverwijld door aan de kennisgever en aan de betrokken bevoegde autoriteiten, onder vermelding van het/de transport(en) waarop die verklaring(en) betrekking heeft (hebben);

f)

indien de onder e) beschreven zending bestemd is voor een inrichting die gevestigd is:

i)

in het oorspronkelijke land van verzending of in een andere lidstaat, is een nieuwe kennisgeving vereist overeenkomstig het bepaalde in deze titel; of

ii)

in een derde land, is een nieuwe kennisgeving vereist overeenkomstig het bepaalde in deze verordening, met dien verstande, dat de bepalingen betreffende de betrokken bevoegde autoriteiten eveneens van toepassing zijn op de bevoegde autoriteit van het oorspronkelijke land van verzending.

Artikel 16

Eisen waaraan na de toestemming voor een transport moet worden voldaan

Zodra de bevoegde autoriteiten toestemming hebben verleend voor een aangemeld transport, vullen alle betrokken ondernemingen volgens onderstaande aanwijzingen het vervoersdocument of in het geval van een algemene kennisgeving de vervoersdocumenten op de daartoe bestemde plaatsen in, ondertekenen zij het/die en bewaren zij een afschrift ervan. Aan de volgende eisen moet worden voldaan:

a)

invulling van het vervoersdocument door de kennisgever: zodra de kennisgever toestemming van de bevoegde autoriteiten van verzending, van bestemming en van doorvoer heeft gekregen of, ten aanzien van de bevoegde autoriteit van doorvoer mag veronderstellen dat stilzwijgende toestemming is verleend, vult hij in de mate van het mogelijke de feitelijke datum van transport en de overige gegevens in op het vervoersdocument;

b)

voorafgaande informatie over de feitelijke aanvang van de overbrenging: de kennisgever zendt ten minste drie werkdagen vóór de aanvang van de overbrenging afschriften van het ingevulde vervoersdocument, als bedoeld onder a), aan de betrokken bevoegde autoriteiten en aan de ontvanger;

c)

documenten waarvan elk vervoer vergezeld moet gaan: de kennisgever behoudt een afschrift van het vervoersdocument. De overbrenging gaat vergezeld van het vervoersdocument en de afschriften van het kennisgevingsdocument met de schriftelijke toestemmingen en de voorwaarden die door de betrokken bevoegde autoriteiten respectievelijk zijn verleend en gesteld. Het vervoersdocument wordt bewaard door de inrichting die de afvalstoffen ontvangt;

d)

schriftelijke bevestiging van ontvangst door de inrichting: binnen drie dagen na de ontvangst van de afvalstoffen bevestigt de inrichting schriftelijk dat zij de afvalstoffen heeft ontvangen.

Deze bevestiging wordt in het vervoersdocument vermeld of daar als bijlage aan toegevoegd.

De inrichting zendt afschriften van het vervoersdocument met deze bevestiging aan de kennisgever en aan de betrokken bevoegde autoriteiten;

e)

verklaring van niet-voorlopige verwijdering of nuttige toepassing door de inrichting: zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk 30 dagen na de voltooiing van de voorlopige nuttige toepassing of verwijdering en uiterlijk één kalenderjaar na de ontvangst van de afvalstoffen, dan wel vroeger overeenkomstig artikel 9, lid 7, bevestigt de inrichting die de nuttige toepassing of verwijdering heeft verricht, onder haar eigen verantwoordelijkheid dat de niet-voorlopige nuttige toepassing of verwijdering is voltooid.

Deze verklaring wordt in het vervoersdocument vermeld of daar als bijlage aan toegevoegd.

De inrichting zendt afschriften van het vervoersdocument met deze verklaring aan de kennisgever en aan de betrokken bevoegde autoriteiten.

Artikel 17

Wijzigingen in het transport na de toestemming

1.   In het geval van wezenlijke wijzigingen in de bijzonderheden en/of voorwaarden betreffende een transport waarvoor al toestemming is verleend, zoals wijzigingen wat betreft de geplande hoeveelheid, de route, de trajecten, de datum van verzending of de vervoerder, stelt de kennisgever de betrokken bevoegde autoriteiten en de ontvanger daarvan onverwijld, en indien mogelijk voordat de overbrenging aanvangt, op de hoogte.

2.   In dergelijke gevallen is een nieuwe kennisgeving vereist, tenzij alle betrokken bevoegde autoriteiten van oordeel zijn dat de voorgestelde wijzigingen geen nieuwe kennisgeving noodzakelijk maken.

3.   Een nieuwe kennisgeving is vereist, indien als gevolg van deze wijzigingen andere bevoegde autoriteiten bij de overbrenging worden betrokken, die niet bij de oorspronkelijke kennisgeving waren betrokken.

HOOFDSTUK 2

Algemene informatieverplichtingen

Artikel 18

Afvalstoffen die van bepaalde informatie vergezeld dienen te gaan

1.   Voor afvalstoffen als bedoeld in artikel 3, leden 2 en 4, die bestemd zijn voor transport gelden de volgende procedures:

a)

teneinde ertoe bij te dragen dat transporten van dergelijke afvalstoffen beter kunnen worden gevolgd, zorgt de onder de rechtsmacht van het land van verzending vallende opdrachtgever voor de overbrenging ervoor dat de afvalstoffen vergezeld gaan van de in bijlage VII genoemde informatie;

b)

bijlage VII wordt door de opdrachtgever van de overbrenging ondertekend voordat de overbrenging plaatsvindt en wordt door de inrichting van nuttige toepassing of het laboratorium en de ontvanger ondertekend wanneer zij de betrokken afvalstoffen ontvangen.

2.   Het in bijlage VII bedoelde contract tussen de opdrachtgever van de overbrenging en de ontvanger voor de nuttige toepassing van de afvalstoffen dient bij de aanvang van de overbrenging juridisch bindend te zijn en dient een verplichting te bevatten voor de opdrachtgever van de overbrenging, of, wanneer deze de overbrenging of de nuttige toepassing niet kan voltooien (bv. insolventie), voor de ontvanger, om, indien de overbrenging of de nuttige toepassing niet op de geplande wijze kunnen worden voltooid of indien een illegale overbrenging heeft plaatsgevonden:

a)

de afvalstoffen terug te nemen of ervoor te zorgen dat ze op een andere wijze nuttig worden toegepast en

b)

indien nodig te zorgen voor de tussentijdse opslag ervan.

Op verzoek van de betrokken bevoegde autoriteit verstrekt de opdrachtgever of de ontvanger van de overbrenging een afschrift van het contract.

3.   De lidstaten kunnen conform de nationale wetgeving met het oog op controle, handhaving, planning en statistische doeleinden, informatie, zoals omschreven in lid 1, vereisen over transporten waarop dit artikel van toepassing is.

4.   De in lid 1 bedoelde informatie wordt, indien vereist door de bestaande communautaire en nationale wetgeving, vertrouwelijk behandeld.

HOOFDSTUK 3

Algemene eisen

Artikel 19

Verbod op menging van afvalstoffen tijdens de overbrenging

Vanaf het begin van de overbrenging tot de ontvangst in een inrichting voor nuttige toepassing of verwijdering mogen afvalstoffen als vermeld in het kennisgevingsdocument of als bedoeld in artikel 18, niet met andere afvalstoffen worden gemengd.

Artikel 20

Bewaarplicht voor documenten en informatie

1.   Alle aan de bevoegde autoriteiten gerichte of door deze verzonden documenten in verband met de kennisgeving van een transport worden in de Gemeenschap door de bevoegde autoriteiten, de kennisgever, de ontvanger en de inrichting die de afvalstoffen ontvangt ten minste gedurende drie jaar bewaard, te rekenen vanaf de aanvang van de overbrenging.

2.   De uit hoofde van artikel 18, lid 1, verstrekte informatie wordt in de Gemeenschap door de opdrachtgever van de overbrenging, de ontvanger en de inrichting die de afvalstoffen ontvangt ten minste drie jaar, te rekenen vanaf de aanvang van de overbrenging bewaard.

Artikel 21

Openbaarmaking van kennisgevingen

De bevoegde autoriteiten van verzending of bestemming kunnen de informatie betreffende kennisgevingen van overbrengingen waarmee zij hebben ingestemd, via passende instrumenten, zoals het internet, openbaar maken, indien deze informatie niet vertrouwelijk is krachtens nationale of Gemeenschapswetgeving.

HOOFDSTUK 4

Terugnameplicht

Artikel 22

Terugname ingeval een transport niet als gepland kan worden voltooid

1.   Indien één van de betrokken bevoegde autoriteiten er wetenschap van krijgt dat een afvalstoffentransport, de nuttige toepassing of verwijdering inbegrepen, niet volgens de voorwaarden van het kennisgevingsdocument, het vervoersdocument en/of het in artikel 4, tweede alinea, punt 4, en artikel 5 bedoelde contract kan worden voltooid, stelt zij de bevoegde autoriteit van verzending onverwijld hiervan op de hoogte. Indien een inrichting voor nuttige toepassing of verwijdering een ontvangen transport weigert, brengt zij de bevoegde autoriteit van bestemming daarvan onmiddellijk op de hoogte.

2.   De bevoegde autoriteit van verzending zorgt ervoor dat de betrokken afvalstoffen door de kennisgever in de volgorde van artikel 2, punt 15, of, indien dit niet mogelijk is, door haar zelf of namens haar door een natuurlijke of rechtspersoon, in het gebied onder haar rechtsmacht of elders in het land van verzending worden teruggenomen, tenzij de in lid 3 bedoelde overeenstemming wordt bereikt.

Dit gebeurt binnen 90 dagen, of een andere tussen de betrokken bevoegde autoriteiten overeengekomen periode, nadat de bevoegde autoriteit van verzending er wetenschap van heeft gekregen, of er door de bevoegde autoriteiten van bestemming of doorvoer schriftelijk van in kennis is gesteld, dat het afvalstoffentransport waarvoor toestemming was gegeven of de nuttige toepassing of verwijdering ervan, niet kan worden voltooid en om welke redenen niet. Een dergelijke kennisgeving kan voortvloeien uit informatie die onder meer door andere bevoegde autoriteiten aan de bevoegde autoriteiten van bestemming of doorvoer is verstrekt.

3.   De in lid 2 bedoelde terugnameplicht geldt niet indien de bevoegde autoriteiten van verzending, van doorvoer en van bestemming die betrokken zijn bij de verwijdering of de nuttige toepassing van de afvalstoffen, zich ervan hebben vergewist dat de afvalstoffen door de kennisgever of, indien dit niet mogelijk is, door de bevoegde autoriteit van verzending of namens haar door een natuurlijke of rechtspersoon, in het land van bestemming of elders op een andere wijze verwijderd of nuttig toegepast kunnen worden.

De in lid 2 bedoelde terugnameplicht geldt niet indien de getransporteerde afvalstoffen tijdens de handeling in de betrokken inrichting onomkeerbaar met andere afvalstoffen werden gemengd voordat een betrokken bevoegde autoriteit er kennis van kreeg dat het aangemelde transport niet kon worden voltooid als bedoeld in lid 1. Deze mengsels worden verwijderd of op een andere wijze nuttig toegepast overeenkomstig de eerste alinea.

4.   In geval van terugname als bedoeld in lid 2 is een nieuwe kennisgeving vereist, tenzij de betrokken bevoegde autoriteiten ermee instemmen dat een naar behoren gemotiveerd verzoek van de oorspronkelijke bevoegde autoriteit van verzending volstaat.

De nieuwe kennisgeving wordt, al naar gelang van het geval, gedaan door de oorspronkelijke kennisgever of, indien dit niet mogelijk is, door de andere natuurlijke of rechtspersonen overeenkomstig artikel 2, punt 15, of, indien dit niet mogelijk is, door de oorspronkelijke bevoegde autoriteit van verzending of namens haar door een natuurlijke of rechtspersoon.

De bevoegde autoriteiten verzetten zich niet tegen de terugzending van afvalstoffen die afkomstig zijn van een transport dat niet kan worden voltooid, of van de daarmee verband houdende nuttige toepassing of verwijdering.

5.   Indien een andere voorziening buiten het oorspronkelijke land van bestemming wordt getroffen, zoals bedoeld in lid 3, doet, al naar gelang van het geval, de oorspronkelijke kennisgever of, indien dit niet mogelijk is, de andere natuurlijke of rechtspersonen overeenkomstig artikel 2, punt 15, of, indien dit niet mogelijk is, de oorspronkelijke bevoegde autoriteit van verzending of namens haar door een natuurlijke of rechtspersoon, de nieuwe kennisgeving.

Wordt de nieuwe kennisgeving gedaan door de kennisgever, dan wordt zij ook gedaan aan de bevoegde autoriteit van het oorspronkelijke land van verzending.

6.   Indien een andere voorziening in het oorspronkelijke land van bestemming wordt getroffen, zoals bedoeld in lid 3, is geen nieuwe kennisgeving vereist en volstaat een naar behoren gemotiveerd verzoek voldoende. Een dergelijk met redenen omkleed verzoek voor toestemming tot een andere voorziening, wordt door de oorspronkelijke kennisgever gezonden aan de bevoegde autoriteit van bestemming en van verzending, of, indien dit niet mogelijk is, door de oorspronkelijke bevoegde autoriteit van verzending aan de bevoegde autoriteit van bestemming.

7.   Indien overeenkomstig lid 4 of lid 6 geen nieuwe kennisgeving is vereist, wordt een nieuwe vervoersdocument ingevuld volgens artikel 15 of 16, en wel door de oorspronkelijke kennisgever of, indien dit niet mogelijk is, door de andere natuurlijke of rechtspersonen overeenkomstig artikel 2, punt 15, of, indien dit niet mogelijk is, door de oorspronkelijke bevoegde autoriteit van verzending of namens haar door een natuurlijke of rechtspersoon.

Indien de oorspronkelijke bevoegde autoriteit van verzending een nieuwe kennisgeving doet volgens lid 4 of 5, is geen nieuwe borgsom of nieuwe gelijkwaardige verzekering vereist.

8.   De verplichting van de kennisgever en de subsidiaire verplichting van het land van verzending om de afvalstoffen terug te nemen of om in een andere nuttige toepassing of verwijdering te voorzien, eindigt met de afgifte door de inrichting van de verklaring van niet-voorlopige verwijdering of nuttige toepassing als bedoeld in artikel 16, onder e), of, in voorkomend geval als bedoeld in artikel 15, onder e). In geval van voorlopige nuttige toepassing of verwijdering als bedoeld in artikel 6, lid 6, eindigt de subsidiaire verplichting van het land van verzending om de afvalstoffen terug te nemen met de afgifte door de inrichting van de verklaring als bedoeld in artikel 15, onder d), heeft afgegeven.

Indien een inrichting een verklaring van verwijdering of van nuttige toepassing afgeeft die resulteert in een illegale overbrenging en daardoor de borgsom wordt vrijgegeven, gelden artikel 24, lid 3, en artikel 25, lid 2.

9.   Indien in een lidstaat afvalstoffen worden ontdekt van een transport dat niet kon worden voltooid, inclusief de nuttige toepassing of verwijdering ervan, dan is de bevoegde autoriteit die de rechtsmacht heeft over het gebied waarin de afvalstoffen zijn ontdekt, ervoor verantwoordelijk dat voorzieningen worden getroffen om de afvalstoffen veilig op te slaan, in afwachting van de terugzending of niet-voorlopige nuttige toepassing of verwijdering ervan op andere wijze.

Artikel 23

Kosten van terugname ingeval een transport niet kan worden voltooid

1.   De kosten in verband met de terugname van afvalstoffen van een transport dat niet kon worden voltooid, met inbegrip van de kosten van vervoer, van nuttige toepassing of verwijdering uit hoofde van artikel 22, lid 2 of 3, en, vanaf de dag waarop de bevoegde autoriteit van verzending er kennis van heeft gekregen dat een transport van afvalstoffen of de nuttige toepassing of verwijdering ervan, niet kan worden voltooid, de kosten uit hoofde van artikel 22, lid 9, worden in rekening gebracht:

a)

aan de kennisgever in de volgorde van artikel 2, punt 15, en, indien dit niet mogelijk is

b)

aan andere natuurlijke of rechtspersonen, naar gelang van het geval, en, indien dit niet mogelijk is

c)

aan de bevoegde autoriteit van verzending, en, indien dit niet mogelijk is

d)

op andere door de betrokken bevoegde autoriteiten overeen te komen wijze.

2.   Dit artikel laat het communautaire en het nationale aansprakelijkheidsrecht onverlet.

Artikel 24

Terugname bij illegale overbrenging

1.   Indien een bevoegde autoriteit een transport ontdekt dat volgens haar illegaal is, stelt zij onverwijld de overige betrokken bevoegde autoriteiten hiervan in kennis.

2.   Indien de verantwoordelijkheid voor de illegale overbrenging berust bij de kennisgever, zorgt de bevoegde autoriteit van verzending ervoor dat de betrokken afvalstoffen:

a)

worden teruggenomen door de kennisgever de facto, of, indien geen kennisgeving is gedaan,

b)

worden teruggenomen door de kennisgever de jure, of, indien dit niet mogelijk is,

c)

worden teruggenomen door de bevoegde autoriteit van verzending zelf dan wel namens haar door een natuurlijke of rechtspersoon, of, indien dit niet mogelijk is,

d)

anderszins worden verwijderd of nuttig toegepast in het land van bestemming of verzending door de bevoegde autoriteit van verzending zelf dan wel namens haar door een natuurlijke of rechtspersoon, of, indien dit niet mogelijk is,

e)

anderszins worden verwijderd of nuttig toegepast in een ander land door de bevoegde autoriteit van verzending zelf dan wel namens haar door een natuurlijke of rechtspersoon, indien alle betrokken bevoegde autoriteiten daarmee instemmen.

De terugname, nuttige toepassing of verwijdering gebeurt binnen 30 dagen, of een andere tussen de betrokken bevoegde autoriteiten overeengekomen periode, nadat de bevoegde autoriteit van verzending kennis heeft gekregen, of door de bevoegde autoriteiten van bestemming of doorvoer schriftelijk in kennis is gesteld, van het illegale transport en van de reden(en) daarvan. Een dergelijke kennisgeving kan voortvloeien uit informatie die onder meer door andere bevoegde autoriteiten aan de bevoegde autoriteiten van bestemming of doorvoer is verstrekt.

In geval van terugname als bedoeld onder a), b) en c), is een nieuwe kennisgeving vereist, tenzij de betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomen dat een naar behoren gemotiveerd verzoek van de oorspronkelijke bevoegde autoriteit van verzending volstaat.

De nieuwe kennisgeving dient te worden gedaan door de onder a), b) of c), genoemde persoon of autoriteit, in die volgorde.

De bevoegde autoriteiten verzetten zich niet tegen de terugzending van afvalstoffen van een illegale overbrenging. Ingeval de bevoegde autoriteit van verzending een andere voorziening treft dan bedoeld onder d) of e), dient de oorspronkelijke bevoegde autoriteit van verzending, dan wel een natuurlijke of rechtspersoon namens haar, een nieuwe kennisgeving te doen, tenzij de betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomen dat een naar behoren gemotiveerd verzoek van die bevoegde autoriteit volstaat.

3.   Indien de verantwoordelijkheid voor het een illegale overbrenging berust bij de ontvanger, zorgt de bevoegde autoriteit van bestemming ervoor dat de betrokken afvalstoffen op milieuhygiënisch verantwoorde wijze verwijderd of nuttig toegepast worden, en wel:

a)

door de ontvanger, of, indien dit niet mogelijk is,

b)

door de bevoegde autoriteit zelf dan wel namens haar door een natuurlijke of rechtspersoon.

Deze nuttige toepassing of verwijdering vindt plaats binnen 30 dagen of een andere door de betrokken bevoegde autoriteiten overeengekomen periode, nadat de bevoegde autoriteit van verzending kennis heeft gekregen, of door de bevoegde autoriteiten van bestemming of doorvoer schriftelijk in kennis is gesteld, van het illegale transport en van de redenen daarvan. Een dergelijke kennisgeving kan voortvloeien uit informatie die onder meer door andere bevoegde autoriteiten aan de bevoegde autoriteiten van verzending of doorvoer is verstrekt.

De betrokken bevoegde autoriteiten werken, voorzover noodzakelijk, samen om de afvalstoffen te verwijderen of nuttig toe te passen.

4.   Indien geen nieuwe kennisgeving hoeft te worden gedaan, wordt door de persoon die verantwoordelijk is voor de terugname of, indien dit niet mogelijk is, door de oorspronkelijke bevoegde autoriteit van verzending een nieuw vervoersdocument ingevuld overeenkomstig artikel 15 of 16.

Indien de oorspronkelijke bevoegde autoriteit van verzending een nieuwe kennisgeving doet, is geen nieuwe borgsom of nieuwe gelijkwaardige verzekering vereist.

5.   Met name in gevallen waarin de verantwoordelijkheid voor de illegale overbrenging noch aan de kennisgever, noch aan de ontvanger kan worden toegeschreven, werken de bevoegde autoriteiten samen om te bewerkstelligen dat de betrokken afvalstoffen verwijderd of nuttig toegepast worden.

6.   Indien bij een voorlopige nuttige toepassing of een voorlopige verwijdering als bedoeld in artikel 6, lid 6, een illegale overbrenging wordt ontdekt nadat de voorlopige nuttige toepassing of voorlopige verwijdering voltooid is, eindigt de subsidiaire verplichting van het land van verzending om de afvalstoffen terug te nemen of in een andere wijze van nuttige toepassing of verwijdering te voorzien, met de afgifte door de inrichting van de verklaring als bedoeld in artikel 15, onder d).

Indien een inrichting een verklaring van verwijdering of van nuttige toepassing afgeeft die resulteert in een illegale overbrenging en daardoor de borgsom wordt vrijgegeven, gelden lid 3 en artikel 25, lid 2, van toepassing.

7.   Indien in een lidstaat afvalstoffen van een illegale overbrenging worden ontdekt, is de bevoegde autoriteit die de rechtsmacht heeft over het gebied waarin de afvalstoffen zijn ontdekt, ervoor verantwoordelijk dat voorzieningen worden getroffen om de afvalstoffen veilig op te slaan, in afwachting van het moment waarop zij worden teruggezonden of op andere wijze niet-voorlopig worden nuttig toegepast of verwijderd.

8.   De artikelen 34 en 36 zijn niet van toepassing bij de terugzending van afvalstoffen van een illegale overbrenging naar een land van verzending waarvoor het in die artikelen bedoelde uitvoerverbod geldt.

9.   In het geval van een illegale overbrenging zoals omschreven in artikel 2, punt 35, onder g), gelden voor de opdrachtgever van de overbrenging dezelfde, in dit artikel vastgelegde verplichtingen als voor de kennisgever.

10.   Dit artikel laat het communautaire en nationale aansprakelijkheidsrecht onverlet.

Artikel 25

Kosten van terugname bij illegale overbrenging

1.   De kosten in verband met de terugname van afvalstoffen van een illegale overbrenging, met inbegrip van de kosten van vervoer, van nuttige toepassing of verwijdering uit hoofde van artikel 24, lid 2, en de kosten van opslag uit hoofde van artikel 24, lid 7, vanaf de dag waarop de bevoegde autoriteit van verzending er kennis van heeft gekregen dat een overbrenging illegaal is, worden in rekening gebracht:

a)

aan de kennisgever de facto in de volgorde van artikel 2, punt 15, en indien geen kennisgeving is gebeurd,

b)

aan de kennisgever de jure of andere natuurlijke of rechtspersonen, naar gelang van het geval, en, indien dit niet mogelijk is,

c)

aan de bevoegde autoriteit van verzending.

2.   De kosten van nuttige toepassing of verwijdering uit hoofde van artikel 24, lid 3, met inbegrip van eventuele kosten van overbrenging en van opslag uit hoofde van artikel 24, lid 7, van afvalstoffen van een illegale overbrenging, worden in rekening gebracht:

a)

aan de ontvanger, of, indien dit niet mogelijk is,

b)

aan de bevoegde autoriteit van bestemming.

3.   De kosten van nuttige toepassing of verwijdering uit hoofde van artikel 24, lid 5, met inbegrip van eventuele kosten van overbrenging en van opslag uit hoofde van artikel 24, lid 7, van afvalstoffen van een illegale overbrenging, worden in rekening gebracht:

a)

aan de kennisgever overeenkomstig de volgorde van artikel 2, punt 15, en/of de ontvanger, naargelang de betrokken bevoegde autoriteiten besluiten, of, indien dit niet mogelijk is

b)

aan andere natuurlijke of rechtspersonen naar gelang van het geval, of, indien dit niet mogelijk is

c)

aan de bevoegde autoriteiten van verzending en van bestemming.

4.   In het geval van een illegale overbrenging zoals omschreven in artikel 2, punt 35, onder g), gelden voor de opdrachtgever voor de overbrenging dezelfde, in dit artikel vastgelegde verplichtingen als voor de kennisgever.

5.   Dit artikel laat het nationale en communautaire aansprakelijkheidsrecht onverlet.

HOOFDSTUK 5

Algemene administratieve bepalingen

Artikel 26

Vorm van de gegevenstoezending

1.   De volgende informatie en documenten mogen per post worden ingediend:

a)

een kennisgeving van een gepland transport als bedoeld in de artikelen 4 en 13;

b)

een verzoek om informatie en documentatie als bedoeld in de artikelen 4, 7 en 8;

c)

de informatie en documentatie als bedoeld in de artikelen 4, 7 en 8;

d)

schriftelijke toestemming voor een aangemeld transport als bedoeld in artikel 9;

e)

aan een transport gestelde voorwaarden als bedoeld in artikel 10;

f)

tegen een transport ingebrachte bezwaren als bedoeld in de artikelen 11 en 12;

g)

informatie over besluiten om vooraf goedkeuring te verlenen voor transporten naar specifieke inrichtingen voor nuttige toepassing als bedoeld in artikel 14, lid 3;

h)

schriftelijke bevestiging van ontvangst van de afvalstoffen als bedoeld in de artikelen 15 en 16;

i)

verklaring van verwijdering of nuttige toepassing als bedoeld in de artikelen 15 en 16;

j)

voorafgaande informatie over de feitelijke aanvang van een transport als bedoeld in artikel 16;

k)

informatie over wijziging van het transport na toestemming als bedoeld in artikel 17;

l)

schriftelijke toestemmingen en vervoersdocumenten die krachtens de titels IV tot en met VI moeten worden toegezonden.

2.   Met goedkeuring van de betrokken bevoegde autoriteiten en van de kennisgever kunnen de in lid 1 bedoelde documenten tevens worden ingediend via elk van de volgende communicatiekanalen:

a)

per fax; of

b)

per fax, gevolgd door toezending per post; of

c)

per e-mail met elektronische handtekening. In dat geval wordt een voorgeschreven stempel of handtekening vervangen door de digitale handtekening; of

d)

per e-mail zonder elektronische handtekening, met nazending per post.

3.   De documenten die elke overbrenging moeten vergezellen overeenkomstig artikel 16, onder c), en artikel 18, mogen in elektronische vorm, met digitale handtekeningen, worden aangeboden indien zij op ieder moment tijdens de overbrenging leesbaar zijn en indien dit voor de betrokken bevoegde autoriteiten aanvaardbaar is.

4.   Met goedkeuring van de betrokken bevoegde autoriteiten en van de kennisgever kunnen de in lid 1 bedoelde informatie en documenten worden ingediend en uitgewisseld door middel van elektronische gegevensuitwisseling met elektronische handtekening of elektronische authentificatie als bedoeld in Richtlijn 1999/93/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 1999 betreffende een gemeenschappelijk kader voor elektronische handtekeningen (20), of met een vergelijkbaar elektronisch authentificatiesysteem dat dezelfde mate van beveiliging biedt. In dergelijke gevallen kunnen organisatorische regelingen betreffende de elektronische gegevensuitwisseling worden getroffen.

Artikel 27

Taalkeuze

1.   Alle uit hoofde van de bepalingen van deze titel ingediende kennisgevingen, informatie, documentatie en andere mededelingen dienen te zijn gesteld in een voor de betrokken bevoegde autoriteiten aanvaardbare taal.

2.   De kennisgever verstrekt aan de betrokken bevoegde autoriteiten (een) gewaarmerkte vertaling(en) in een voor hen aanvaardbare taal, indien zij daarom verzoeken.

Artikel 28

Geschillen over de indeling

1.   Indien de bevoegde autoriteiten van verzending en van ontvangst het niet eens kunnen worden over de indeling wat betreft het onderscheid tussen afval en niet-afval, worden de betrokken stoffen behandeld als afval, onverminderd het recht van het land van bestemming om het overgebrachte materiaal na aankomst volgens zijn eigen wetgeving te behandelen, voorzover deze wetgeving in overeenstemming is met de Gemeenschapswetgeving of het internationaal recht.

2.   Indien de bevoegde autoriteiten van verzending en van ontvangst het niet eens kunnen worden over de indeling van de aangemelde afvalstoffen in de lijst van bijlage III, III A, III B of IV, worden de betrokken afvalstoffen als afvalstoffen van bijlage IV beschouwd.

3.   Indien de bevoegde autoriteiten van verzending en van ontvangst het niet eens kunnen worden over de indeling van de afvalstoffenbehandeling als verwijdering dan wel als nuttige toepassing, worden de bepalingen inzake verwijdering toegepast.

4.   De leden 1 tot en met 3 zijn alleen van toepassing in het kader van deze verordening en laten het recht van belanghebbenden om geschillen over deze kwesties langs gerechtelijke weg te regelen, onverlet.

Artikel 29

Administratieve kosten

Aan de kennisgever kunnen passende administratieve kosten in verband met de uitvoering van de kennisgevings‐ en toezichtprocedure, alsmede de gangbare kosten van de passende analyses en inspecties, in rekening worden gebracht.

Artikel 30

Overeenkomsten voor grensgebieden

1.   In uitzonderingsgevallen en wanneer de specifieke geografische of demografische situatie zulks rechtvaardigt, kunnen lidstaten bilaterale overeenkomsten sluiten ter versoepeling van de kennisgevingsprocedure voor grensoverschrijdende overbrengingen van specifieke afvalstromen naar de dichtstbijzijnde geschikte installatie in het grensgebied tussen beide betrokken lidstaten.

2.   Die bilaterale overeenkomsten kunnen ook worden gesloten wanneer afval wordt overgebracht vanuit het land van verzending en daar wordt behandeld, maar door andere lidstaten wordt vervoerd.

3.   De lidstaten kunnen dergelijke overeenkomsten ook sluiten met landen die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.

4.   Van dergelijke overeenkomsten wordt kennis gegeven aan de Commissie voordat zij van kracht worden.

HOOFDSTUK 6

Overbrengingen binnen de Gemeenschap met doorvoer via derde landen

Artikel 31

Overbrengingen van voor verwijdering bestemde afvalstoffen

Wanneer een overbrenging van voor verwijdering bestemde afvalstoffen binnen de Gemeenschap plaatsvindt, met doorvoer via één of meer derde landen, vraagt de bevoegde autoriteit van verzending, in aanvulling op het in deze titel bepaalde, aan de bevoegde autoriteit van de derde landen of zij haar schriftelijk toestemming voor de geplande overbrenging wil toezenden:

a)

in het geval van partijen bij het Verdrag van Bazel binnen 60 dagen, tenzij zij overeenkomstig dat verdrag van dat recht heeft afgezien, of

b)

in het geval van landen die geen partij zijn bij het Verdrag van Bazel, binnen een tussen de bevoegde autoriteiten overeengekomen termijn.

Artikel 32

Overbrengingen van voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen

1.   Wanneer een overbrenging van voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen plaatsvindt binnen de Gemeenschap met doorvoer via een of meer derde landen waarop het OESO-besluit niet van toepassing is, geldt artikel 31.

2.   Wanneer een overbrenging van voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen plaatsvindt binnen de Gemeenschap, met inbegrip van overbrengingen tussen plaatsen in dezelfde lidstaat maar met doorvoer via een of meer derde landen waarop het OESO-besluit wel van toepassing is, mag de in artikel 9 bedoelde toestemming stilzwijgend worden verleend, en indien geen bezwaar is ingediend of voorwaarden zijn gesteld, mag de overbrenging 30 dagen na de verzending van de bevestiging door de bevoegde autoriteit van bestemming overeenkomstig artikel 8 aanvangen.

TITEL III

OVERBRENGINGEN BINNEN LIDSTATEN

Artikel 33

Toepassing van deze verordening op overbrengingen uitsluitend binnen lidstaten

1.   De lidstaten voeren een passend stelsel in voor toezicht en controle op de overbrengingen van afvalstoffen uitsluitend binnen hun rechtsgebied. Dit stelsel moet aansluiten bij het communautaire stelsel van de titels II en VII.

2.   De lidstaten stellen de Commissie op de hoogte van hun stelsels voor toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen. De Commissie stelt de overige lidstaten ervan op de hoogte.

3.   De lidstaten kunnen het stelsel van de titels II en VII binnen hun rechtsgebied toepassen.

TITEL IV

UITVOER UIT DE GEMEENSCHAP NAAR DERDE LANDEN

HOOFDSTUK 1

Uitvoer van voor verwijdering bestemde afvalstoffen

Artikel 34

Uitvoerverbod en uitzondering voor uitvoer naar EVA-landen

1.   De uitvoer van voor verwijdering bestemde afvalstoffen uit de Gemeenschap is verboden.

2.   Het verbod van lid 1 is niet van toepassing op de uitvoer van voor verwijdering bestemde afvalstoffen naar EVA-landen die partij zijn bij het Verdrag van Bazel.

3.   De uitvoer van voor verwijdering bestemde afvalstoffen naar EVA-landen die partij zijn bij het Verdrag van Bazel is echter wel verboden:

a)

indien het betrokken EVA-land de invoer van dergelijke afvalstoffen verbiedt; of,

b)

indien de bevoegde autoriteit van verzending redenen heeft om aan te nemen dat de afvalstoffen in het land van bestemming niet op ecologisch verantwoorde wijze, zoals bedoeld in artikel 49, zullen worden beheerd.

4.   Deze bepaling laat de terugnameplicht van de artikelen 22 en 24 onverlet.

Artikel 35

Procedures bij uitvoer naar EVA-landen

1.   Voor de uitvoer uit de Gemeenschap van afvalstoffen die bestemd zijn voor verwijdering in EVA-landen die partij zijn bij het Verdrag van Bazel, geldt mutatis mutandis titel II, met de wijzigingen en aanvullingen van de leden 2 en 3.

2.   De volgende wijzigingen zijn van toepassing:

a)

de bevoegde autoriteit van doorvoer buiten de Gemeenschap beschikt na de verzending van de bevestiging van ontvangst van de kennisgeving over een termijn van 60 dagen om aanvullende informatie over aangemelde overbrenging te vereisen, of om stilzwijgende of — al dan niet aan voorwaarden verbonden — schriftelijke toestemming te verlenen, indien het betrokken land afgezien heeft van voorafgaande schriftelijke toestemming en de overige partijen hierover heeft geïnformeerd overeenkomstig artikel 6, lid 4, van het Verdrag van Bazel, en

b)

de bevoegde autoriteit van verzending in de Gemeenschap neemt pas een besluit over de uit hoofde van artikel 9 vereiste toestemming voor een overbrenging nadat zij schriftelijke toestemming heeft ontvangen van de bevoegde autoriteiten van bestemming en eventueel schriftelijke of mondelinge toestemming van de bevoegde autoriteit van doorvoer buiten de Gemeenschap en ten vroegste 61 dagen na de verzending van de ontvangstbevestiging door de bevoegde autoriteit van doorvoer. De bevoegde autoriteit van verzending mag haar besluit nemen voordat de periode van 61 dagen is verstreken indien zij de schriftelijke toestemming heeft van de andere betrokken bevoegde autoriteiten.

3.   De volgende aanvullende bepalingen zijn van toepassing:

a)

de bevoegde autoriteit van doorvoer in de Gemeenschap zendt de kennisgever een bevestiging van ontvangst van de kennisgeving;

b)

de bevoegde autoriteiten van verzending en eventueel van doorvoer in de Gemeenschap zenden een afgestempeld afschrift van hun toestemming voor de overbrenging aan het douanekantoor van uitvoer en aan het douanekantoor van uitgang uit de Gemeenschap;

c)

een afschrift van het vervoersdocument wordt door de vervoerder afgegeven bij het douanekantoor van uitvoer en het douanekantoor van uitgang uit de Gemeenschap;

d)

zodra de afvalstoffen de Gemeenschap hebben verlaten, zendt het douanekantoor van uitgang uit de Gemeenschap een afgestempeld afschrift van het vervoersdocument aan de bevoegde autoriteit van verzending in de Gemeenschap waarin het verklaart dat de afvalstoffen de Gemeenschap hebben verlaten;

e)

indien de bevoegde autoriteit van verzending in de Gemeenschap 42 dagen nadat de afvalstoffen de Gemeenschap hebben verlaten geen bericht van de inrichting heeft gekregen dat deze de afvalstoffen heeft ontvangen, stelt zij terstond de bevoegde autoriteit van bestemming op de hoogte; en

f)

het in artikel 4, tweede alinea, punt 4, en in artikel 5 bedoelde contract bepaalt dat:

i)

de inrichting de kosten draagt die voortvloeien uit de verplichting de afvalstoffen terug te brengen naar het rechtsgebied van de bevoegde autoriteit van verzending en uit de nuttige toepassing of verwijdering op een andere, ecologisch verantwoorde wijze, indien de ontvanger een onjuiste verklaring van verwijdering afgeeft op grond waarvan de borgsom wordt vrijgegeven;

ii)

de inrichting aan de kennisgever en de betrokken bevoegde autoriteiten binnen drie dagen na ontvangst van de voor verwijdering bestemde afvalstoffen een afschrift zendt van het volledig ingevulde vervoersdocument, met uitzondering van de onder iii) bedoelde verklaring van verwijdering; en

iii)

de inrichting zo snel mogelijk, doch uiterlijk 30 dagen nadat de verwijdering voltooid is en uiterlijk één kalenderjaar na de ontvangst van de afvalstoffen, onder haar verantwoordelijkheid verklaart dat de verwijdering heeft plaatsgevonden en afschriften van het vervoersdocument met deze verklaring aan de kennisgever en de betrokken bevoegde autoriteiten zendt.

4.   De overbrenging mag pas aanvangen wanneer:

a)

de kennisgever schriftelijke toestemming heeft ontvangen van de bevoegde autoriteit van verzending, van de bevoegde autoriteiten van bestemming en eventueel van doorvoer buiten de Gemeenschap, en wanneer aan de gestelde voorwaarden is voldaan;

b)

de kennisgever en de ontvanger een contract hebben gesloten dat juridisch bindend is zoals bepaald in artikel 4, tweede alinea, punt 4, en artikel 5;

c)

een borgsom is gestort of een gelijkwaardige verzekering is gesloten, die juridisch bindend is en in werking getreden is zoals bepaald in artikel 4, tweede alinea, punt 5, en artikel 6; en

d)

het ecologisch verantwoord beheer als bedoeld in artikel 49 gewaarborgd is.

5.   Bij uitvoer van afvalstoffen vindt de verwijdering plaats in een inrichting die conform de toepasselijke nationale wetgeving in het land van invoer geëxploiteerd wordt of mag worden.

6.   Indien een douanekantoor van uitvoer of een douanekantoor van uitgang uit de Gemeenschap een illegale overbrenging ontdekt, stelt het hiervan terstond de bevoegde autoriteit in het land van het douanekantoor in kennis, en deze:

a)

stelt hiervan terstond de bevoegde autoriteit van verzending in de Gemeenschap in kennis; en

b)

zorgt ervoor dat de overbrenging van de afvalstoffen wordt tegengehouden totdat de bevoegde autoriteit van verzending een besluit heeft genomen en dit schriftelijk aan de bevoegde autoriteit in het land van het douanekantoor heeft meegedeeld.

HOOFDSTUK 2

Uitvoer van voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen

Titel 1

Uitvoer naar landen waarop het OESO-besluit niet van toepassing is

Artikel 36

Uitvoerverbod

1.   De uitvoer uit de Gemeenschap van de volgende soorten afvalstoffen die bestemd zijn voor nuttige toepassing in landen waarop het OESO-besluit niet van toepassing is, is verboden voor:

a)

in bijlage V als gevaarlijk opgenomen afvalstoffen;

b)

de afvalstoffen van bijlage V, deel 3;

c)

gevaarlijke afvalstoffen die niet onder één enkele code van bijlage V vallen;

d)

mengsels van gevaarlijke afvalstoffen en mengsels van gevaarlijke en ongevaarlijke afvalstoffen die niet onder één enkele code van bijlage V vallen;

e)

afvalstoffen die door het land van bestemming als gevaarlijk worden aangemerkt volgens artikel 3 van het Verdrag van Bazel;

f)

afvalstoffen waarvan het land van bestemming de invoer heeft verboden; of,

g)

afvalstoffen waarvoor de bevoegde autoriteit van verzending redenen heeft om aan te nemen dat zij in het land van bestemming niet op milieuhygiënisch verantwoorde wijze als bedoeld in artikel 49 zullen worden beheerd.

2.   Deze bepaling laat de terugnameplicht van de artikelen 22 en 24 onverlet.

3.   De lidstaten kunnen in uitzonderlijke gevallen, op basis van door de kennisgever op gepaste wijze verstrekte gegevens, bepalen dat een specifieke gevaarlijke afvalstof van bijlage V uitgesloten is van het uitvoerverbod indien zij geen van de in bijlage III bij Richtlijn 91/689/EEG vermelde eigenschappen vertoont, waarbij voor de codes H3 tot en met H8, H10 en H11 als omschreven in deze bijlage rekening wordt gehouden met de grenswaarden die zijn vastgesteld in Beschikking 2000/532/EG van de Commissie van 3 mei 2000 tot vervanging van Beschikking 94/3/EG houdende vaststelling van een lijst van afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, onder a), van Richtlijn 75/442/EEG van de Raad betreffende afvalstoffen en Beschikking 94/904/EG van de Raad tot vaststelling van een lijst van gevaarlijke afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, lid 4, van Richtlijn 91/689/EEG van de Raad betreffende gevaarlijke afvalstoffen (21).

4.   Het feit dat een afvalstof niet als gevaarlijk in bijlage V is opgenomen of in bijlage V, deel 1, lijst B, is opgenomen, sluit niet uit dat deze afvalstof in uitzonderlijke gevallen toch als gevaarlijk wordt aangemerkt en dus onder het uitvoerverbod valt, namelijk indien zij in bijlage III bij Richtlijn 91/689/EEG vermelde eigenschappen vertoont, waarbij voor de codes H3 tot en met H8, H10 en H11 als omschreven in deze bijlage rekening wordt gehouden met de in Beschikking 2000/532/EG vastgestelde grenswaarden, zoals bepaald in artikel 1, lid 4, tweede streepje, van Richtlijn 91/689/EEG en in de inleidende alinea van bijlage III van deze verordening.

5.   In de in de leden 3 en 4 bedoelde gevallen brengt de betrokken lidstaat het beoogde land van invoer op de hoogte alvorens een beslissing te nemen. De lidstaten delen de Commissie dergelijke gevallen vóór het einde van elk kalenderjaar mee. De Commissie geeft de informatie door aan alle lidstaten en aan het secretariaat van het Verdrag van Bazel. Op basis van de verstrekte informatie kan de Commissie opmerkingen maken en zo nodig bijlage V aanpassen overeenkomstig artikel 58.

Artikel 37

Procedures voor de uitvoer van afvalstoffen van bijlage III of III A

1.   Met betrekking tot afvalstoffen van bijlage III of III A waarvan de uitvoer niet is verboden krachtens artikel 36 zendt de Commissie binnen twintig dagen na de inwerkingtreding van deze verordening, een schriftelijk verzoek aan de landen waarop het OESO-besluit niet van toepassing is opdat zij:

i)

schriftelijk bevestigen dat de afvalstoffen vanuit de Gemeenschap mogen worden uitgevoerd; en

ii)

aangeven welke controleprocedure in het land van bestemming in dat geval van toepassing is.

Elk land waarop het OESO-besluit niet van toepassing is, beschikt over de volgende mogelijkheden:

a)

een verbod;

b)

een voorafgaande kennisgeving met schriftelijke toestemming zoals beschreven in artikel 35; en

c)

geen controle in het land van bestemming.

2.   Vóór de datum van toepassing van deze verordening stelt de Commissie een verordening vast waarin de antwoorden op de verzoeken uit hoofde van lid 1 worden verdisconteerd, en stelt zij het krachtens artikel 18 van Richtlijn 2006/12/EG opgerichte comité hiervan in kennis.

Indien een land geen bevestiging doet toekomen als bedoeld in lid 1, of indien er om welke reden dan ook geen contact is geweest met een land, geldt voor dat land de procedure van lid 1, onder b).

De vastgestelde verordening wordt door de Commissie op gezette tijden aangepast.

3.   Indien een land in zijn antwoord verklaart dat bepaalde overbrengingen van afvalstoffen niet aan controle worden onderworpen, is artikel 18 mutatis mutandis op deze overbrengingen van toepassing.

4.   Bij uitvoer van afvalstoffen vindt de nuttige toepassing plaats in een inrichting die conform de toepasselijke nationale wetgeving in het land van invoer geëxploiteerd wordt of mag worden.

5.   In geval van overbrenging van niet in bijlage III onder één code ingedeelde afvalstoffen, van niet in bijlage III of III A onder één code ingedeelde mengsels van afvalstoffen of van in bijlage III B ingedeelde afvalstoffen, geldt lid 1, onder b), van dit artikel, op voorwaarde dat de uitvoer niet op grond van artikel 36, lid 1, onder b), is verboden.

Titel 2

Uitvoer naar landen waarop het OESO-besluit van toepassing is

Artikel 38

Uitvoer van afvalstoffen van de bijlagen III, III A, III B, IV en IV A

1.   Voor de uitvoer uit de Gemeenschap van voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen van de bijlagen III, III A, III B, IV en IV A, en van niet in bijlage III, IV of IV A onder één code ingedeelde afvalstoffen of van mengsels van afvalstoffen die naar landen waarop het OESO-besluit van toepassing is, al dan niet met doorvoer via landen waarop het OESO-besluit van toepassing is, geldt mutatis mutandis titel II, met de wijzigingen en aanvullingen van de leden 2, 3 en 5.

2.   De volgende wijzigingen zijn van toepassing:

a)

op voor een voorlopige handeling bestemde mengsels van afvalstoffen van bijlage III A is de procedure van voorafgaande schriftelijke kennisgeving en toestemming van toepassing indien de volgende al dan niet voorlopige of nuttige toepassing of verwijdering plaatsvindt in een land waarop het OESO-besluit niet van toepassing is;

b)

voor afvalstoffen van bijlage III B geldt de procedure van voorafgaande schriftelijke kennisgeving en toestemming;

c)

de uit hoofde van artikel 9 vereiste toestemming mag stilzwijgend worden verleend door de bevoegde autoriteit van bestemming buiten de Gemeenschap.

3.   Op de uitvoer van afvalstoffen van de bijlagen IV en IV A zijn de volgende aanvullende bepalingen van toepassing:

a)

de bevoegde autoriteiten van verzending en eventueel van doorvoer in de Gemeenschap zenden een afgestempeld afschrift van hun besluit om toestemming te verlenen voor de overbrenging aan het douanekantoor van uitvoer en aan het douanekantoor van uitgang uit de Gemeenschap;

b)

een afschrift van het vervoersdocument wordt door de vervoerder afgegeven bij het douanekantoor van uitvoer en het douanekantoor van uitgang uit de Gemeenschap;

c)

zodra de afvalstoffen de Gemeenschap hebben verlaten, zendt het douanekantoor van uitgang uit de Gemeenschap een afgestempeld afschrift van het vervoersdocument aan de bevoegde autoriteit van verzending in de Gemeenschap waarin het verklaart dat de afvalstoffen de Gemeenschap hebben verlaten;

d)

indien de bevoegde autoriteit van verzending 42 dagen nadat de afvalstoffen de Gemeenschap hebben verlaten geen bericht van de inrichting heeft gekregen dat deze de afvalstoffen heeft ontvangen, stelt zij onverwijld het land van bestemming op de hoogte; en

e)

het in artikel 4, tweede alinea, punt 4, en artikel 5 bedoelde contract bepaalt dat:

i)

de inrichting de kosten draagt die voortvloeien uit de verplichting de afvalstoffen terug te brengen naar het rechtsgebied van de bevoegde autoriteit van verzending, alsmede uit de nuttige toepassing of verwijdering op een andere, ecologisch verantwoorde wijze, indien de ontvanger een onjuiste verklaring van nuttige toepassing afgeeft op grond waarvan de borgsom wordt vrijgegeven;

ii)

de inrichting aan de kennisgever en de betrokken bevoegde autoriteiten binnen drie dagen na ontvangst van de voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen een afschrift zendt van het volledig ingevuld en ondertekend vervoersdocument, met uitzondering van de onder iii), bedoelde verklaring van nuttige toepassing; en

iii)

de inrichting zo snel mogelijk, doch uiterlijk 30 dagen nadat de nuttige toepassing voltooid is en uiterlijk één kalenderjaar na de ontvangst van de afvalstoffen, onder haar verantwoordelijkheid verklaart dat de nuttige toepassing heeft plaatsgevonden en afschriften van het vervoersdocument met deze verklaring aan de kennisgever en de betrokken bevoegde autoriteiten zendt.

4.   De overbrenging mag pas aanvangen wanneer:

a)

de kennisgever schriftelijke toestemming van de bevoegde autoriteiten van verzending, van bestemming en eventueel van doorvoer heeft ontvangen, of stilzwijgende toestemming door de bevoegde autoriteit van bestemming en van doorvoer buiten de Gemeenschap is verleend, en mag worden verondersteld, alsmede aan de gestelde voorwaarden is voldaan;

b)

er is voldaan aan artikel 35, lid 4, onder b), c) en d).

5.   Bij de uitvoer van afvalstoffen van de bijlagen IV en IV A als omschreven in lid 1 met doorvoer via een land waarop het OESO-besluit niet van toepassing is, gelden de volgende wijzigingen:

a)

de bevoegde autoriteit van doorvoer waarop het OESO-besluit niet van toepassing is, beschikt na de verzending van de bevestiging van ontvangst van de kennisgeving over een termijn van 60 dagen om aanvullende informatie over de aangemelde overbrenging te vereisen, of om stilzwijgende of — al dan niet aan voorwaarden verbonden — schriftelijke toestemming te verlenen indien het betrokken land afziet van voorafgaande schriftelijke toestemming en de overige partijen hierover heeft geïnformeerd overeenkomstig artikel 6, lid 4, van het Verdrag van Bazel; en

b)

de bevoegde autoriteit van verzending in de Gemeenschap neemt pas een besluit over de uit hoofde van artikel 9 vereiste toestemming voor een overbrenging nadat zij schriftelijke of stilzwijgende toestemming heeft ontvangen van de bevoegde autoriteit van doorvoer van het land waarop het OESO-besluit niet van toepassing is en ten vroegste 61 dagen na de verzending van de ontvangstbevestiging door de bevoegde autoriteit van doorvoer. De bevoegde autoriteit van verzending mag haar besluit nemen voordat de periode van 61 dagen is verstreken indien zij de schriftelijke toestemming heeft van de andere betrokken bevoegde autoriteiten.

6.   Bij de uitvoer van afvalstoffen vindt de nuttige toepassing plaats in een inrichting die conform de toepasselijke nationale wetgeving in het land van invoer geëxploiteerd wordt of mag worden.

7.   Indien een douanekantoor van uitvoer of een douanekantoor van uitgang uit de Gemeenschap een illegale overbrenging ontdekt, stelt het hiervan terstond de bevoegde autoriteit in het land van het douanekantoor in kennis, en deze:

a)

stelt hiervan terstond de bevoegde autoriteit van verzending in de Gemeenschap in kennis; en

b)

zorgt ervoor dat de overbrenging van de afvalstoffen wordt tegengehouden totdat de bevoegde autoriteit van verzending een besluit heeft genomen en het dit schriftelijk aan de bevoegde autoriteit in het land van het douanekantoor waar de afvalstoffen worden tegengehouden, heeft meegedeeld.

HOOFDSTUK 3

Algemene bepalingen

Artikel 39

Uitvoer naar het Zuidpoolgebied

De uitvoer van afvalstoffen uit de Gemeenschap naar het Zuidpoolgebied is verboden.

Artikel 40

Uitvoer naar landen en gebieden overzee

1.   De uitvoer van voor verwijdering bestemde afvalstoffen uit de Gemeenschap naar landen en gebieden overzee is verboden.

2.   Op de uitvoer van voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen naar landen en gebieden overzee is mutatis mutandis het verbod van artikel 36 van toepassing.

3.   Op de uitvoer van voor nuttige toepassing in landen en gebieden overzee bestemde afvalstoffen die niet onder het uitvoerverbod van lid 2 valt, zijn mutatis mutandis de bepalingen van titel II van toepassing.

TITEL V

INVOER IN DE GEMEENSCHAP UIT DERDE LANDEN

HOOFDSTUK 1

Invoer van voor verwijdering bestemde afvalstoffen

Artikel 41

Invoerverbod en uitzondering voor invoer uit landen die partij zijn bij het Verdrag van Bazel, of die een overeenkomst hebben gesloten, of uit andere gebieden in crisis‐ of oorlogssituaties

1.   Invoer in de Gemeenschap van voor verwijdering bestemde afvalstoffen is verboden, behoudens uit:

a)

landen die partij zijn bij het Verdrag van Bazel; of

b)

andere landen waarmee de Gemeenschap of de Gemeenschap en haar lidstaten bilaterale of multilaterale overeenkomsten hebben gesloten of regelingen hebben getroffen die verenigbaar zijn met de wetgeving van de Gemeenschap en in overeenstemming zijn met artikel 11 van het Verdrag van Bazel; of

c)

andere landen waarmee afzonderlijke lidstaten bilaterale overeenkomsten hebben gesloten of regelingen hebben getroffen in overeenstemming met lid 2; of

d)

andere gebieden in gevallen waarin, om uitzonderlijke redenen in crisissituaties, vredestichtings‐ en vredeshandhavingsoperaties of oorlogssituaties, geen bilaterale overeenkomsten of regelingen krachtens punt b) of c) kunnen worden gesloten omdat in het land van verzending geen bevoegde autoriteit is aangewezen of omdat deze autoriteit niet in staat is te handelen.

2.   In uitzonderlijke gevallen kunnen afzonderlijke lidstaten bilaterale overeenkomsten sluiten of regelingen treffen voor de verwijdering van specifieke afvalstoffen in die lidstaten, ingeval die afvalstoffen in het land van verzending niet op milieuhygiënisch verantwoorde wijze, zoals bedoeld in artikel 49, zullen worden beheerd.

Dergelijke overeenkomsten en regelingen zijn verenigbaar met de wetgeving van de Gemeenschap en in overeenstemming zijn met artikel 11 van het Verdrag van Bazel.

Deze overeenkomsten en regelingen garanderen dat de verwijdering plaats vindt in een goedgekeurde inrichting die zich houdt aan de eisen ten aanzien van een milieuhygiënisch verantwoord beheer.

De overeenkomsten en regelingen garanderen tevens dat de afvalstoffen ontstaan zijn in het land van verzending en dat de verwijdering uitsluitend zal plaatsvinden in de lidstaat waarmee de overeenkomst is gesloten of de regeling is getroffen.

Deze overeenkomsten of regelingen worden, voordat zij worden ondertekend, ter kennis van de Commissie gebracht. In noodgevallen mogen zij evenwel ten hoogste één maand na ondertekening ter kennis worden gebracht.

3.   Bilaterale of multilaterale overeenkomsten of regelingen die in overeenstemming met lid 1, onder b) en c), tot stand komen, zijn gebaseerd op de procedurele vereisten van artikel 42.

4.   De in lid 1, onder a), b) en c), bedoelde landen dienen vooraf een met redenen omkleed verzoek in bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming in de Gemeenschap, waarin zij uiteenzetten dat zij niet over de technische mogelijkheden en de noodzakelijke inrichtingen beschikken om de afvalstoffen op milieuhygiënisch verantwoorde wijze te verwijderen en die redelijkerwijze ook niet kunnen verwerven.

Artikel 42

Eisen ten aanzien van de procedure bij invoer uit landen die partij zijn bij het Verdrag van Bazel of uit andere gebieden in crisis- of oorlogssituaties

1.   Bij de invoer in de Gemeenschap van voor verwijdering bestemde afvalstoffen uit landen die partij zijn bij het Verdrag van Bazel, gelden mutatis mutandis de bepalingen van titel II, met de wijzigingen en aanvullingen die in de leden 2 en 3 zijn omschreven.

2.   De volgende wijzigingen zijn van toepassing:

a)

de bevoegde autoriteit van doorvoer buiten de Gemeenschap beschikt na de verzending van de bevestiging van ontvangst van de kennisgeving over een termijn van 60 dagen om aanvullende informatie over de aangemelde overbrenging te vereisen, of om stilzwijgende of — al dan niet aan voorwaarden verbonden — schriftelijke toestemming te verlenen indien het betrokken land afgezien heeft van voorafgaande schriftelijke toestemming en de overige partijen hierover heeft geïnformeerd overeenkomstig artikel 6, lid 4, van het Verdrag van Bazel; en

b)

in de in artikel 41, lid 1, onder d), genoemde gevallen, waarin er sprake is van crisissituaties, vredestichtings‐ en vredeshandhavingsoperaties of oorlogssituaties, vervalt de vereiste van toestemming van de bevoegde autoriteiten van verzending.

3.   De volgende aanvullende bepalingen zijn van toepassing:

a)

de bevoegde autoriteit van doorvoer in de Gemeenschap zendt de kennisgever een bevestiging van ontvangst van de kennisgeving, met afschrift aan de betrokken bevoegde autoriteiten;

b)

de bevoegde autoriteiten van bestemming en eventueel van doorvoer in de Gemeenschap zenden een afgestempeld afschrift van hun toestemming voor de overbrenging aan het douanekantoor van binnenkomst in de Gemeenschap;

c)

een afschrift van het vervoersdocument wordt door de vervoerder afgegeven bij het douanekantoor van binnenkomst in de Gemeenschap;

d)

na de noodzakelijke douaneformaliteiten te hebben vervuld, zendt het douanekantoor van binnenkomst in de Gemeenschap een afgestempeld afschrift van het vervoersdocument aan de bevoegde autoriteit van bestemming en van doorvoer in de Gemeenschap waarin het verklaart dat de afvalstoffen de Gemeenschap zijn binnengekomen.

4.   De overbrenging mag pas aanvangen wanneer, naast de voorschriften van titel II:

a)

de kennisgever schriftelijke toestemming van de bevoegde autoriteiten van verzending, van bestemming en eventueel van doorvoer heeft ontvangen, alsmede aan de gestelde voorwaarden is voldaan;

b)

de kennisgever en de ontvanger een contract hebben gesloten dat juridisch bindend is zoals bepaald in artikel 4, tweede alinea, punt 4, en artikel 5;

c)

een borgsom is gestort of een gelijkwaardige verzekering is gesloten, die juridisch bindend is en in werking is getreden zoals bepaald in artikel 4, tweede alinea, punt 5, en artikel 6; en

d)

de bescherming van het milieu gewaarborgd is overeenkomstig artikel 49.

5.   Indien een douanekantoor van binnenkomst in de Gemeenschap een illegale overbrenging ontdekt, stelt het hiervan terstond de bevoegde autoriteit in het land van het douanekantoor in kennis en deze:

a)

stelt hiervan terstond de bevoegde autoriteit van bestemming in de Gemeenschap in kennis waarna deze de bevoegde autoriteit van verzending buiten de Gemeenschap inlicht; en

b)

zorgt ervoor dat de overbrenging van de afvalstoffen wordt tegengehouden totdat de bevoegde autoriteit van verzending buiten de Gemeenschap een besluit heeft genomen en dit schriftelijk aan de bevoegde autoriteit in het land van het douanekantoor heeft meegedeeld.

HOOFDSTUK 2

Invoer van voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen

Artikel 43

Invoerverbod met uitzondering van invoer uit landen waarop het OESO-besluit van toepassing is, of die partij zijn bij het Verdrag van Bazel, of een overeenkomst hebben gesloten, of uit andere gebieden in crisis‐ of oorlogssituaties

1.   De invoer in de Gemeenschap van voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen is verboden, behoudens uit:

a)

landen waarop het OESO-besluit van toepassing is; of

b)

landen die partij zijn bij het Verdrag van Bazel; of

c)

andere landen waarmee de Gemeenschap of de Gemeenschap en haar lidstaten bilaterale of multilaterale overeenkomsten hebben gesloten of regelingen hebben getroffen die verenigbaar zijn met de wetgeving van de Gemeenschap en in overeenstemming zijn met artikel 11 van het Verdrag van Bazel; of

d)

andere landen waarmee afzonderlijke lidstaten bilaterale overeenkomsten sluiten of regelingen treffen in overeenstemming met lid 2; of

e)

andere gebieden in gevallen waarin, om uitzonderlijke redenen in crisissituaties, vredestichtings‐ en vredeshandhavingsoperaties of oorlogssituaties, geen bilaterale overeenkomsten of regelingen krachtens punt b) of c) kunnen worden gesloten omdat in het land van verzending geen bevoegde autoriteit is aangewezen of omdat deze autoriteit niet in staat is te handelen.

2.   In uitzonderlijke gevallen kunnen afzonderlijke lidstaten bilaterale overeenkomsten sluiten of regelingen treffen voor de nuttige toepassing van specifieke afvalstoffen ingeval die afvalstoffen in het land van verzending niet op ecologisch verantwoorde wijze in de zin van artikel 49 zullen worden beheerd.

In dergelijke gevallen is artikel 41, lid 2, van toepassing.

3.   Bilaterale of multilaterale overeenkomsten of regelingen die in overeenstemming met lid 1, onder c) en d), tot stand komen, dienen te zijn gebaseerd op de procedurele vereisten van artikel 42, voorzover van toepassing.

Artikel 44

Eisen ten aanzien van de procedure bij invoer uit landen waarop het OESO-besluit van toepassing is of uit andere gebieden in crisis- of oorlogssituaties

1.   Bij de invoer in de Gemeenschap van voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen uit landen waarop het OESO-besluit van toepassing is en met doorvoer via landen waarop het OESO-besluit van toepassing is, gelden mutatis mutandis de bepalingen van titel II, met de wijzigingen en toevoegingen die in de leden 2 en 3 zijn omschreven.

2.   De volgende wijzigingen zijn van toepassing:

a)

de uit hoofde van artikel 9 vereiste toestemming kan stilzwijgend worden verleend door de bevoegde autoriteit van verzending buiten de Gemeenschap;

b)

de kennisgever kan overeenkomst artikel 4 een voorafgaande schriftelijke kennisgeving toezenden;

c)

in de in artikel 43, lid 1, onder e), genoemde gevallen, waarin er sprake is van crisissituaties, vredestichtings‐ en vredeshandhavingsoperaties of oorlogssituaties, vervalt de vereiste van toestemming van de bevoegde autoriteiten van verzending.

3.   Er moet bovendien zijn voldaan aan artikel 42, lid 3, onder b), c) en d).

4.   De overbrenging kan pas plaatsvinden wanneer:

a)

de kennisgever schriftelijke toestemming van de bevoegde autoriteiten van verzending, van bestemming en eventueel van doorvoer heeft ontvangen, of stilzwijgende toestemming door de bevoegde autoriteit van verzending buiten de Gemeenschap is verleend en mag worden verondersteld, alsmede aan de gestelde voorwaarden is voldaan;

b)

de kennisgever en de ontvanger een contract hebben gesloten dat juridisch bindend is zoals bepaald in artikel 4, tweede alinea, punt 4, en artikel 5;

c)

een borgsom is gestort of een gelijkwaardige verzekering is gesloten, en deze juridisch bindend en van toepassing is zoals bepaald in artikel 4, tweede alinea, punt 5, en artikel 6; en

d)

de bescherming van het milieu gewaarborgd is, overeenkomstig de eisen van artikel 49.

5.   Indien een douanekantoor van binnenkomst in de Gemeenschap een illegale overbrenging ontdekt, stelt het hiervan terstond de bevoegde autoriteit in het land van het douanekantoor in kennis, en deze:

a)

stelt hiervan terstond de bevoegde autoriteit van bestemming in de Gemeenschap in kennis, waarna deze de bevoegde autoriteit van verzending buiten de Gemeenschap inlicht; en

b)

zorgt ervoor dat de overbrenging van de afvalstoffen wordt tegengehouden totdat de bevoegde autoriteit van verzending buiten de Gemeenschap een besluit heeft genomen en dit schriftelijk aan de bevoegde autoriteit in het land van het douanekantoor heeft meegedeeld.

Artikel 45

Eisen ten aanzien van de procedure bij invoer uit een land waarop het OESO-besluit niet van toepassing is maar dat partij is bij het Verdrag van Bazel of uit andere gebieden in crisis- of oorlogssituaties

Voor invoer van voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen in de Gemeenschap:

a)

uit een land waarop het OESO-besluit niet van toepassing is, of

b)

met doorvoer via een land waarop het OESO-besluit niet van toepassing is en dat eveneens partij is bij het Verdrag van Bazel,

geldt mutatis mutandis artikel 42.

HOOFDSTUK 3

Algemene bepalingen

Artikel 46

Invoer uit landen en gebieden overzee

1.   Bij invoer in de Gemeenschap van afvalstoffen uit landen en gebieden overzee geldt mutatis mutandis titel II.

2.   Een land of gebied overzee en de lidstaat waartoe het behoort, mogen nationale procedures toepassen op overbrengingen uit dat land of gebied overzee naar die lidstaat.

3.   De lidstaten die van lid 2 gebruikmaken, stellen de Commissie in kennis van de gevolgde nationale procedures.

TITEL VI

DOORVOER VIA DE GEMEENSCHAP UIT EN NAAR DERDE LANDEN

HOOFDSTUK 1

Doorvoer van voor verwijdering bestemde afvalstoffen

Artikel 47

Doorvoer via de Gemeenschap van voor verwijdering bestemde afvalstoffen

Voor doorvoer via lidstaten van voor verwijdering bestemde afvalstoffen uit en naar derde landen geldt mutatis mutandis artikel 42, met de volgende wijzigingen en aanvullingen:

a)

de eerste en de laatste bevoegde autoriteit van doorvoer in de Gemeenschap zenden, al naar gelang van het geval, een afgestempeld afschrift van hun toestemming voor de overbrenging of, indien zij stilzwijgende toestemming hebben verleend, een afschrift van de kennisgeving overeenkomstig artikel 42, lid 3, onder a), aan de douanekantoren van binnenkomst in, respectievelijk van uitgang uit de Gemeenschap; en

b)

zodra de afvalstoffen de Gemeenschap hebben verlaten, zendt het douanekantoor van uitgang uit de Gemeenschap een afgestempeld afschrift van het vervoersdocument aan de bevoegde autoriteiten van doorvoer in de Gemeenschap en verklaart dat de afvalstoffen de Gemeenschap hebben verlaten.

HOOFDSTUK 2

Doorvoer van voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen

Artikel 48

Doorvoer via de Gemeenschap van voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen

1.   Voor doorvoer via lidstaten van voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen uit en naar een land waarop het OESO-besluit niet van toepassing is, geldt mutatis mutandis artikel 47.

2.   Voor doorvoer via lidstaten van voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen uit en naar een land waarop het OESO-besluit van toepassing is, geldt mutatis mutandis artikel 44, met de volgende wijzigingen en aanvullingen:

a)

de eerste en de laatste bevoegde autoriteit van doorvoer in de Gemeenschap zenden, al naargelang van het geval, een afgestempeld afschrift van hun besluit om toestemming te verlenen voor de overbrenging of, indien zij stilzwijgende toestemming hebben verleend, een afschrift van de kennisgeving overeenkomstig artikel 42, lid 3, onder a), aan de douanekantoren van binnenkomst in, respectievelijk van uitgang uit de Gemeenschap; en

b)

zodra de afvalstoffen de Gemeenschap hebben verlaten, zendt het douanekantoor van uitgang uit de Gemeenschap een afgestempeld afschrift van het vervoersdocument aan de bevoegde autoriteit van doorvoer in de Gemeenschap en verklaart dat de afvalstoffen de Gemeenschap hebben verlaten.

3.   Bij de doorvoer van voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen via een of meer lidstaten uit een land waarop het OESO-besluit niet van toepassing is naar een land waarop dat besluit wel van toepassing is of vice versa, geldt lid 1 voor het land waarop het OESO-besluit niet van toepassing en geldt lid 2 voor het land waarop dat besluit wel van toepassing is.

TITEL VII

OVERIGE BEPALINGEN

HOOFDSTUK 1

Aanvullende verplichtingen

Artikel 49

Bescherming van het milieu

1.   De producent, de kennisgever en de overige bij een afvalstoffenoverbrenging en/of de nuttige toepassing of verwijdering daarvan betrokken ondernemingen treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de door hen vervoerde afvalstoffen gedurende de overbrenging, de nuttige toepassing en de verwijdering zonder gevaar voor de gezondheid van de mens en op ecologisch verantwoorde wijze beheerd worden. In het bijzonder wordt daartoe, indien de overbrenging in de Gemeenschap plaatsvindt, voldaan aan de eisen van artikel 4 van Richtlijn 2006/12/EG en de afvalstoffenwetgeving in de Gemeenschap.

2.   In geval van uitvoer uit de Gemeenschap zal de bevoegde autoriteit van verzending in de Gemeenschap:

a)

eisen en ervoor zorgen dat de afvalstoffen gedurende de overbrenging op ecologisch verantwoorde wijze worden beheerd, met inbegrip van de verwijdering overeenkomstig de artikelen 36 en 38, of nuttige toepassing overeenkomstig artikel 34, in het derde land van bestemming;

b)

een verbod instellen op de uitvoer naar derde landen indien zij redenen heeft om aan te nemen dat de afvalstoffen niet zullen worden beheerd volgens de onder a) vermelde eisen.

Indien de kennisgever of de bevoegde autoriteit in het land van bestemming kan aantonen dat de ontvangstinstallatie wordt beheerd volgens normen inzake menselijke gezondheid en milieubescherming die in het algemeen gelijkwaardig zijn aan met in de wetgeving van de Gemeenschap vastgelegde normen, mag worden vermoed dat de betrokken nuttige toepassing of verwijdering op ecologisch verantwoorde wijze wordt beheerd.

Dit vermoeden vormt evenwel geen beletsel voor een algehele evaluatie van het ecologisch verantwoord beheer voor de duur van de overbrenging tot en met de nuttige toepassing of verwijdering in het land van bestemming buiten de Gemeenschap.

Voor richtsnoeren inzake ecologisch beheer kunnen de in bijlage VIII opgenomen richtsnoeren worden geraadpleegd.

3.   In geval van invoer in de Gemeenschap zal de bevoegde autoriteit van bestemming in de Gemeenschap:

a)

eisen en met de nodige maatregelen ervoor zorgen dat afvalstoffen die naar haar rechtsgebied worden gebracht, gedurende de overbrenging, met inbegrip van de nuttige toepassing of verwijdering in het land van bestemming, worden beheerd zonder gevaar voor de gezondheid van de mens, zonder dat procédés of methoden worden aangewend die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben en in overeenstemming met artikel 4 van Richtlijn 2006/12/EG en de overige afvalstoffenwetgeving van de Gemeenschap;

b)

een verbod instellen op de invoer van afvalstoffen uit derde landen indien zij redenen heeft om aan te nemen dat de afvalstoffen niet zullen worden beheerd volgens de onder a) vermelde eisen.

Artikel 50

Handhaving in de lidstaten

1.   De lidstaten bepalen de voorschriften inzake sancties op inbreuken op de bepalingen van deze verordening en nemen alle maatregelen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat zij worden uitgevoerd. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de nationale wetgeving met betrekking tot het voorkomen en opsporen van illegale overbrengingen en van de sancties voor dergelijke overbrengingen.

2.   De lidstaten voorzien in het kader van de handhaving van deze verordening onder meer in controles van inrichtingen en ondernemingen overeenkomstig artikel 13 van Richtlijn 2006/12/EG, alsmede in steekproefsgewijze controles tijdens de overbrenging of de daaraan gerelateerde nuttige toepassing of verwijdering.

3.   Controles van overbrengingen kunnen met name plaatsvinden:

a)

op de plaats van verzending, uitgevoerd met de producent, houder of kennisgever;

b)

op de plaats van bestemming, uitgevoerd met de inrichting;

c)

aan de buitengrenzen van de Gemeenschap; en/of

d)

tijdens de overbrenging binnen de Gemeenschap.

4.   De controles op de overbrengingen behelzen controle van de documenten, bevestiging van de aard van de afvalstoffen en, indien daar aanleiding voor is, fysieke controle van de afvalstoffen.

5.   De lidstaten werken onderling in bilateraal of multilateraal verband samen ten behoeve van de preventie en opsporing van illegale overbrengingen.

6.   De lidstaten wijzen leden van hun team van vaste medewerkers aan die verantwoordelijk zijn voor de in lid 5 bedoelde samenwerking en stellen vast waarop de in lid 4 bedoelde fysieke controles zich dienen te concentreren. De informatie wordt naar de Commissie gestuurd die een samengevoegde lijst verstrekt aan de in artikel 54 genoemde correspondenten.

7.   Een lidstaat kan op verzoek van een andere lidstaat optreden tegen personen die worden verdacht van betrokkenheid bij de illegale overbrenging van afvalstoffen en die zich op zijn grondgebied bevinden.

Artikel 51

Verslaglegging door de lidstaten

1.   Vóór het einde van elk kalenderjaar zenden de lidstaten de Commissie het verslag over het voorafgaande kalenderjaar toe dat zij in overeenstemming met artikel 13, lid 3, van het Verdrag van Bazel hebben opgesteld en aan het secretariaat van het Verdrag van Bazel hebben toegezonden.

2.   Vóór het einde van elk kalenderjaar stellen de lidstaten tevens een op de aanvullende vragenlijst van bijlage IX gebaseerd verslag op over het voorafgaande jaar en zenden zij dit aan de Commissie.

3.   De door de lidstaten uit hoofde van de leden 1 en 2 opgestelde verslagen worden in elektronische vorm bij de Commissie ingediend.

4.   Aan de hand van deze verslagen brengt de Commissie om de drie jaar verslag uit over de uitvoering van deze verordening door de Gemeenschap en haar lidstaten.

Artikel 52

Internationale samenwerking

De lidstaten werken met de andere partijen bij het Verdrag van Bazel en met intergouvernementele organisaties samen, in overleg met de Commissie wanneer zulks passend en noodzakelijk is, en werken samen en dit onder meer via de uitwisseling en/of het gezamenlijk gebruik van gegevens, de bevordering van milieuhygiënisch verantwoorde technieken en de uitwerking van passende codes inzake goede praktijken.

Artikel 53

Aanwijzing van de bevoegde autoriteiten

De lidstaten wijzen de voor de uitvoering van deze verordening bevoegde autoriteit of autoriteiten aan. Elke lidstaat wijst slechts één bevoegde autoriteit van doorvoer aan.

Artikel 54

Aanwijzing van correspondenten

De lidstaten en de Commissie wijzen elk één of meer correspondenten aan die tot taak hebben personen of ondernemingen die inlichtingen vereisen, te informeren en te adviseren. De correspondent van de Commissie legt de correspondenten van de lidstaten alle hem gestelde vragen voor die hen aangaan, en vice versa.

Artikel 55

Aanwijzing van de douanekantoren van binnenkomst in en van uitgang uit de Gemeenschap

De lidstaten kunnen voor de overbrenging van afvalstoffen naar en uit de Gemeenschap specifieke douanekantoren van binnenkomst en van uitgang aanwijzen. Indien een lidstaat besluit zulke douanekantoren aan te wijzen, mogen voor de overbrenging van afvalstoffen geen andere grensovergangen in die lidstaat voor het binnenkomen of verlaten van de Gemeenschap worden gebruikt.

Artikel 56

Mededeling en informatieverstrekking omtrent de aanwijzingen

1.   De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de aanwijzing van:

a)

de bevoegde autoriteiten, uit hoofde van artikel 53;

b)

de correspondenten, uit hoofde van artikel 54, en

c)

in voorkomend geval, de douanekantoren van binnenkomst in en van uitgang uit de Gemeenschap, uit hoofde van artikel 55.

2.   De lidstaten verstrekken de Commissie de volgende gegevens over deze aanwijzingen:

a)

na(a)m(en);

b)

postadres(sen);

c)

elektronisch(e)-postadres(sen);

d)

telefoonnummer(s);

e)

faxnummer(s) en

f)

de voor de bevoegde autoriteiten aanvaardbare talen.

3.   De lidstaten stellen de Commissie onverwijld in kennis van eventuele wijzigingen in deze gegevens.

4.   Deze gegevens, alsmede de wijzigingen daarvan, worden de Commissie in elektronische vorm en, indien nodig, op papier meegedeeld.

5.   De Commissie publiceert op haar websites de lijsten van de aangewezen bevoegde autoriteiten, correspondenten en douanekantoren van binnenkomst in en vertrek uit de Gemeenschap, en actualiseert deze lijsten wanneer daartoe aanleiding is.

HOOFDSTUK 2

Overige bepalingen

Artikel 57

Vergadering van correspondenten

De Commissie roept, op verzoek van lidstaten of indien daartoe anderszins aanleiding is, op gezette tijden een vergadering van correspondenten bijeen ten einde met hen vraagstukken in verband met de toepassing van deze verordening te bespreken. Belangrijke aandeelhouders worden voor deze vergaderingen, of delen van vergaderingen, uitgenodigd, indien alle lidstaten en de Commissie het erover eens zijn dat dat passend is.

Artikel 58

Wijziging van de bijlagen

1.   De bijlagen kunnen door de Commissie worden aangepast aan de laatste wetenschappelijke en technische inzichten door middel van verordeningen en overeenkomstig de procedure als bedoeld in artikel 18, lid 3, van Richtlijn 2006/12/EG. Daarnaast:

a)

worden de bijlagen I, II, III, III A, IV en V aangepast aan de wijzigingen die in het kader van het Verdrag van Bazel en van het OESO-besluit zijn overeengekomen; voorts wordt bijlage I C over specifieke instructies voor het invullen van de kennisgevings‐ en vervoersdocumenten ten laatste op de datum van toepassing van deze verordening aangevuld, met inachtneming van de OESO-instructies;

b)

mogen niet-ingedeelde soorten afvalstoffen voorlopig worden toegevoegd aan bijlage III B, IV of V in afwachting van een besluit tot opneming in de desbetreffende bijlagen van het Verdrag van Bazel of het OESO-besluit;

c)

mag, in afwachting van een besluit tot opneming in de desbetreffende bijlagen van het Verdrag van Bazel of het OESO-besluit voor mengsels van twee of meer groene soorten afvalstoffen van bijlage III op verzoek van een lidstaat worden overwogen die mengsels voorlopig in de in artikel 3, lid 2, genoemde gevallen toe te voegen aan bijlage III A. De oorspronkelijke codes van bijlage III A worden indien mogelijk ingevoegd voor de datum waarop deze verordening van toepassing wordt en ten laatste zes maanden na die datum. Bijlage III A kan de bepaling bevatten dat één of meer van de codes daarin niet van toepassing zijn op uitvoer naar landen waarvoor het OESO-besluit niet geldt;

d)

worden de in artikel 3, lid 3, bedoelde uitzonderlijke gevallen vastgesteld, en worden, indien noodzakelijk, de betreffende afvalstoffen toegevoegd aan de bijlagen IV A en V, en geschrapt uit bijlage III;

e)

wordt bijlage V aangepast aan de wijzigingen in de lijst van gevaarlijke afvalstoffen die overeenkomstig artikel 1, lid 4, van Richtlijn 91/689/EEG zijn vastgesteld;

f)

wordt bijlage VIII aangepast aan de desbetreffende internationale overeenkomsten en akkoorden.

2.   Bij wijzigingen in bijlage IX wordt het comité dat is ingesteld bij Richtlijn 91/692/EEG van de Raad van 23 december 1991 tot standaardisering en rationalisering van de verslagen over de toepassing van bepaalde Richtlijnen op milieugebied (22) volledig bij de besluitvorming betrokken.

3.   De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

Artikel 59

Aanvullende maatregelen

1.   De Commissie kan in verband met de uitvoering van deze verordening de volgende aanvullende maatregelen treffen:

a)

een methode voor de berekening van de borgsom(men) of gelijkwaardige verzekering(en) zoals bedoeld in artikel 6;

b)

richtsnoeren voor de toepassing van artikel 12, lid 1, onder g);

c)

nadere voorwaarden en eisen in verband met vooraf goedgekeurde inrichtingen voor nuttige toepassing, zoals bedoeld in artikel 14;

d)

richtsnoeren voor de toepassing van artikel 15 in verband met de identificatie en opsporing van afvalstoffen die aanzienlijke veranderingen ondergaan tijdens de voorlopige nuttige toepassing of verwijdering;

e)

richtsnoeren voor de samenwerking tussen bevoegde autoriteiten ten aanzien van illegale overbrengingen, zoals bedoeld in artikel 24;

f)

technische en organisatorische eisen voor de praktische uitvoering van elektronische gegevensuitwisseling voor het indienen van documenten en informatie overeenkomstig artikel 26, lid 4;

g)

nadere aanwijzingen voor het taalgebruik, zoals bedoeld in artikel 27;

h)

nadere aanwijzingen bij de procedurevoorschriften van titel II wat betreft de toepassing ervan op de uitvoer, de invoer en de doorvoer van afvalstoffen respectievelijk uit, in en door de Gemeenschap;

i)

nadere aanwijzingen over niet gedefinieerde juridische voorwaarden.

2.   Deze maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig de procedure als bedoeld in artikel 18, lid 3, van Richtlijn 2006/12/EG.

3.   De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

Artikel 60

Evaluatie

1.   De Commissie voltooit uiterlijk op 15 juli 2006 haar evaluatie van de samenhang tussen de bestaande sectorale wetgeving inzake de gezondheid van dieren en de volksgezondheid, met inbegrip van de regeling van afvalstoffenoverbrengingen die vallen onder Verordening (EG) nr. 1774/2002, en de bepalingen van deze verordening. Deze evaluatie gaat zo nodig vergezeld van passende voorstellen teneinde een gelijkwaardig niveau van procedures en controleregelingen voor de overbrenging van dergelijke afvalstoffen te bewerkstelligen.

2.   De Commissie evalueert binnen vijf jaar na 12 juli 2007 de toepassing van artikel 12, lid 1, onder c), onder meer de gevolgen ervan voor de milieubescherming en de werking van de interne markt. Deze evaluatie gaat zo nodig vergezeld van passende voorstellen tot wijziging van deze bepaling.

Artikel 61

Intrekkingsbepalingen

1.   Verordening (EEG) nr. 259/93 en Beschikking 94/774/EG worden ingetrokken met ingang van 12 juli 2007.

2.   Verwijzingen naar de ingetrokken Verordening (EEG) nr. 259/93 worden beschouwd als verwijzingen naar deze verordening.

3.   Beschikking 1999/412/EG wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2008.

Artikel 62

Overgangsbepalingen

1.   Op overbrengingen die vóór 12 juli 2007 zijn aangemeld en waarvoor de bevoegde autoriteit van bestemming vóór deze datum een ontvangstbevestiging heeft gegeven, zijn de bepalingen van Verordening (EEG) nr. 259/93 van toepassing.

2.   Overbrengingen waarvoor de betrokken bevoegde autoriteiten uit hoofde van Verordening (EEG) nr. 259/93 toestemming hebben gegeven, dienen uiterlijk één jaar na 12 juli 2006 te zijn voltooid.

3.   De verslaglegging uit hoofde van artikel 41, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 259/93 en van artikel 51 van deze verordening voor het jaar 2007, vindt plaats op basis van de vragenlijst van Beschikking 1999/412/EG.

Artikel 63

Overgangsbepalingen voor sommige lidstaten

1.   Tot en met 31 december 2010 is op alle overbrengingen naar Letland van al dan niet in de bijlagen III en IV vermelde, voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen de procedure van de voorafgaande schriftelijke kennisgeving en toestemming overeenkomstig titel II van toepassing.

In afwijking van artikel 12 maken de bevoegde autoriteiten bezwaar tegen overbrengingen van al dan niet in bijlage III en IV vermelde, voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen die bestemd zijn voor een inrichting waarvoor een tijdelijke afwijking geldt van sommige bepalingen van Richtlijn 96/61/EG, zolang deze tijdelijke afwijking geldt voor de inrichting van bestemming.

2.   Tot en met 31 december 2012 is op alle overbrengingen naar Polen van in bijlage III vermelde, voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen de procedure van de voorafgaande schriftelijke kennisgeving en toestemming overeenkomstig titel II van toepassing.

In afwijking van artikel 12 kunnen de bevoegde autoriteiten overeenkomstig de in artikel 11 bedoelde gronden voor het indienen van bezwaren, tot en met 31 december 2007 bezwaar aantekenen tegen overbrengingen naar Polen van de volgende in bijlage III en IV vermelde voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen:

 

B2020 en GE 020 (glasaval)

 

B2070

 

B2080

 

B2100

 

B2120

 

B3010 en GH 013 (vast plastiekafval)

 

B3020 (papierafval)

 

B3140 (afval van banden)

 

Y46

 

Y47

 

A1010 en A1030 (alleen de streepjes die betrekking hebben op arseen en kwik)

 

A1060

 

A1140

 

A2010

 

A2020

 

A2030

 

A2040

 

A3030

 

A3040

 

A3070

 

A3120

 

A3130

 

A3160

 

A3170

 

A3180 (alleen met betrekking tot gepolychloreerde naftalenen (PCN) van toepassing)

 

A4010

 

A4050

 

A4060

 

A4070

 

A4090

 

AB030

 

AB070

 

AB120

 

AB130

 

AB150

 

AC060

 

AC070

 

AC080

 

AC150

 

AC160

 

AC260

 

AD150.

Behalve voor glasafval, papierafval en oude luchtbanden mag deze periode volgens de procedure van artikel 18, lid 3, als bedoeld in Richtlijn 2006/12/EG, worden verlengd tot ten laatste 31 december 2012.

In afwijking van artikel 12 kunnen de bevoegde autoriteiten overeenkomstig de in artikel 11 bedoelde gronden, tot 31 december 2012 bezwaar maken tegen de overbrenging naar Polen van:

a)

de volgende voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen van bijlage IV:

 

A2050

 

A3030

 

A3180, uitgezonderd gepolychloreerde naftalenen (PCN's)

 

A3190

 

A4110

 

A4120

 

RB020

en van

b)

niet in de bijlage vermelde voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen.

In afwijking van artikel 12 maken de bevoegde autoriteiten bezwaar tegen overbrengingen van al dan niet in de bijlagen III en IV vermelde, voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen die bestemd zijn voor een inrichting waarvoor een tijdelijke afwijking geldt van sommige bepalingen van Richtlijn 96/61/EG, zolang deze tijdelijke afwijking geldt voor de inrichting van bestemming.

3.   Tot en met 31 december 2011 is op alle overbrengingen naar Slowakije van al dan niet in de bijlagen III en IV vermelde, voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen de procedure van de voorafgaande schriftelijke kennisgeving en toestemming overeenkomstig titel II van toepassing.

In afwijking van artikel 12 maken de bevoegde autoriteiten bezwaar tegen overbrengingen van al dan niet in de bijlagen III en IV vermelde, voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen die bestemd zijn voor een inrichting waarvoor een tijdelijke afwijking geldt van sommige bepalingen van Richtlijn 94/67/EG van de Raad (23) en Richtlijn 96/61/EG, Richtlijn 2000/76/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2000 betreffende de verbranding van afval (24) en Richtlijn 2001/80/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door grote stookinstallaties (25), zolang deze tijdelijke afwijking geldt voor de inrichting van bestemming.

4.   Tot en met 31 december 2014 is op alle overbrengingen naar Bulgarije van in bijlage III vermelde, voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen de procedure van de voorafgaande schriftelijke kennisgeving en toestemming overeenkomstig titel II van toepassing.

Tot 31 december 2009 mogen de Bulgaarse bevoegde autoriteiten in afwijking van artikel 12 bezwaar maken tegen overbrengingen naar Bulgarije van de volgende in bijlage III en IV vermelde, voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen, in overeenstemming met de in artikel 11 genoemde bezwaargronden:

 

B2070

 

B2080

 

B2100

 

B2120

 

Y46

 

Y47

 

A1010 en A1030 (alleen de streepjes die betrekking hebben op arseen en kwik)

 

A1060

 

A1140

 

A2010

 

A2020

 

A2030

 

A2040

 

A3030

 

A3040

 

A3070

 

A3120

 

A3130

 

A3160

 

A3170

 

A3180 (alleen van toepassing m.b.t. tot gepolychloreerde naftalenen (PCN's))

 

A4010

 

A4050

 

A4060

 

A4070

 

A4090

 

AB030

 

AB070

 

AB120

 

AB130

 

AB150

 

AC060

 

AC070

 

AC080

 

AC150

 

AC160

 

AC260

 

AD150.

Deze periode mag worden verlengd tot uiterlijk 31 december 2012 overeenkomstig de procedure als bedoeld in artikel 18, lid 3, van Richtlijn 2006/12/EG.

Tot 31 december 2009 mogen de Bulgaarse bevoegde autoriteiten in afwijking van artikel 12 bezwaar maken tegen overbrengingen naar Bulgarije, in overeenstemming met de in artikel 11 genoemde bezwaargronden, van

a)

de volgende voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen van bijlage IV:

 

A2050

 

A3030

 

A3180, uitgezonderd gepolychloreerde naftalenen (PCN's)

 

A3190

 

A4110

 

A4120

 

RB020

en van

b)

niet in de bijlage vermelde, voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen.

In afwijking van artikel 12 maken de Bulgaarse bevoegde autoriteiten bezwaar tegen overbrengingen van al dan niet in de bijlagen III en IV vermelde, voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen die bestemd zijn voor een inrichting waarvoor een tijdelijke afwijking geldt van sommige bepalingen van Richtlijn 96/61/EG of Richtlijn 2001/80/EG, zolang deze tijdelijke afwijking geldt voor de inrichting van bestemming.

5.   Tot en met 31 december 2015 is op alle overbrengingen naar Roemenië van in bijlage III vermelde, voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen de procedure van de voorafgaande schriftelijke kennisgeving en toestemming overeenkomstig titel II van toepassing.

Tot 31 december 2011 mogen de Roemeense bevoegde autoriteiten in afwijking van artikel 12 bezwaar maken tegen overbrengingen naar Roemenië van de volgende in de bijlagen III en IV vermelde, voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen, in overeenstemming met de in artikel 11 genoemde bezwaargronden:

 

B2070

 

B2100, behalve alumina-afval

 

B2120

 

B4030

 

Y46

 

Y47

 

A1010 en A1030 (alleen de streepjes die betrekking hebben op arseen, kwik en thallium)

 

A1060

 

A1140

 

A2010

 

A2020

 

A2030

 

A3030

 

A3040

 

A3050

 

A3060

 

A3070

 

A3120

 

A3130

 

A3140

 

A3150

 

A3160

 

A3170

 

A3180 (alleen van toepassing m.b.t. tot gepolychloreerde naftalenen (PCN's))

 

A4010

 

A4030

 

A4040

 

A4050

 

A4080

 

A4090

 

A4100

 

A4160

 

AA060

 

AB030

 

AB120

 

AC060

 

AC070

 

AC080

 

AC150

 

AC160

 

AC260

 

AC270

 

AD120

 

AD150.

Deze periode mag worden verlengd tot uiterlijk 31 december 2015 overeenkomstig de procedure als bedoeld in artikel 18, lid 3, van Richtlijn 2006/12/EG.

Tot 31 december 2011 mogen de Roemeense bevoegde autoriteiten in afwijking van artikel 12 bezwaar maken tegen overbrengingen naar Roemenië, in overeenstemming met de in artikel 11 genoemde bezwaargronden, van

a)

de volgende voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen van bijlage IV:

 

A2050

 

A3030

 

A3180, behalve gepolychloreerde naftalenen (PCN's)

 

A3190

 

A4110

 

A4120

 

RB020

en van

b)

niet in de bijlage vermelde, voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen.

Deze periode mag worden verlengd tot uiterlijk 31 december 2015 overeenkomstig de procedure als bedoeld in artikel 18, lid 3, van Richtlijn 2006/12/EG.

In afwijking van artikel 12 maken de Roemeense bevoegde autoriteiten bezwaar tegen overbrengingen van al dan niet in de bijlagen III en IV vermelde, voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen die bestemd zijn voor een inrichting waarvoor een tijdelijke afwijking geldt van sommige bepalingen van Richtlijn 96/61/EG, Richtlijn 2000/76/EG of Richtlijn 2001/80/EG, zolang deze tijdelijke afwijking geldt voor de inrichting van bestemming.

6.   Wanneer in dit artikel in verband met de afvalstoffen van bijlage III naar titel II wordt verwezen, zijn artikel 3, lid 2, artikel 4, tweede alinea, punt 5, en de artikelen 6, 11, 22, 23, 24, 25 en 31 niet van toepassing.

Artikel 64

Inwerkingtreding en toepassing

1.   Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij wordt van toepassing vanaf 12 juli 2007.

2.   Indien de datum van toetreding van Bulgarije of Roemenië later valt dan de in lid 1 genoemde datum van toepassing, zijn artikel 63, leden 4 en 5, in afwijking van lid 1, van toepassing vanaf de datum van toetreding.

3.   Indien de betrokken lidstaten hiermee instemmen, kan artikel 26, lid 4, voor 12 juli 2007 worden toegepast.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 14 juni 2006.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

J. BORRELL FONTELLES

Voor de Raad

De voorzitter

H. WINKLER


(1)  PB C 108 van 30.4.2004, blz. 58.

(2)  Advies van het Europees Parlement van 19 november 2003 (PB C 87 E van 7.4.2004, blz. 281), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 24 juni 2005 (PB C 206 E van 23.8.2005, blz. 1) en standpunt van het Europees Parlement van 25 oktober 2005 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad). Besluit van de Raad van 29 mei 2006.

(3)  PB L 30 van 6.2.1993, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2557/2001 van de Commissie (PB L 349 van 31.12.2001, blz. 1).

(4)  PB L 310 van 3.12.1994, blz. 70.

(5)  PB L 156 van 23.6.1999, blz. 37.

(6)  PB L 39 van 16.2.1993, blz. 1.

(7)  PB L 39 van 16.2.1993, blz. 3.

(8)  PB L 272 van 4.10.1997, blz. 45.

(9)  PB L 22 van 24.1.1997, blz. 14.

(10)  PB L 273 van 10.10.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 416/2005 van de Commissie (PB L 66 van 12.3.2005, blz. 10).

(11)  PB L 114 van 27.4.2006, blz. 9.

(12)  PB L 257 van 10.10.1996, blz. 26. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 166/2006 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 33 van 4.2.2006, blz. 1).

(13)  PB L 314 van 30.11.2001, blz. 1.

(14)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(15)  PB L 35 van 12.2.1992, blz. 24.

(16)  PB L 377 van 31.12.1991, blz. 20. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 94/31/EG (PB L 168 van 2.7.1994, blz. 28).

(17)  PB L 302 van 19.10.1992, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 648/2005 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 117 van 4.5.2005, blz. 13).

(18)  PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 215/2006 (PB L 38 van 9.2.2006, blz. 11).

(19)  PB L 204 van 21.7.1998, blz. 37. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij de Toetredingsakte van 2003.

(20)  PB L 13 van 19.1.2000, blz. 12.

(21)  PB L 226 van 6.9.2000, blz. 3. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2001/573/EG van de Raad (PB L 203 van 28.7.2001, blz. 18).

(22)  PB L 377 van 31.12.1991, blz. 48. Richtlijn gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).

(23)  PB L 365 van 31.12.1994, blz. 34).

(24)  PB L 332 van 28.12.2000, blz. 91.

(25)  PB L 309 van 27.11.2001, blz. 1. Richtlijn gewijzigd bij de Toetredingsakte van 2003.


BIJLAGE I A

Image

Image

Image

Image


BIJLAGE I B

Image

Image

Image

Image


BIJLAGE I C

SPECIFIEKE INSTRUCTIES VOOR HET INVULLEN VAN HET KENNISGEVINGS- EN HET VERVOERSDOCUMENT


BIJLAGE II

INFORMATIE EN DOCUMENTATIE BETREFFENDE DE KENNISGEVING

Deel 1   INFORMATIE OP TE NEMEN IN HET KENNISGEVINGSFORMULIER OF EEN BIJLAGE DAARBIJ

1.

Volgnummer of een andere aanvaarde identificatiecode van het kennisgevingsformulier en voorgenomen totaal aantal overbrengingen.

2.

Naam, adres, telefoon, fax, e-mail, registratienummer en contactpersoon van de kennisgever.

3.

Indien de kennisgever niet de producent is: naam, adres, telefoon, fax, e-mail en contactpersoon van de producent(en).

4.

Naam, adres, telefoon, fax, e-mail en contactpersoon van de handela(a)r(en) of makelaar(s), in geval de kennisgever hem heeft gemachtigd overeenkomstig artikel 2, punt 15.

5.

Naam, adres, telefoon, fax, e-mail, registratienummer en contactpersoon van de inrichting voor nuttige toepassing of verwijdering, gebruikte technologie en eventuele status als vooraf goedgekeurde inrichting als bedoeld in artikel 14.

Indien het afval bestemd is voor voorlopige nuttige toepassing of verwijdering, dient soortgelijke informatie te worden verstrekt over alle inrichtingen waar later voorlopige en niet-voorlopige nuttige toepassing of verwijdering plaatsheeft.

Indien de inrichting voor nuttige toepassing of verwijdering onder bijlage I, categorie 5, van Richtlijn 96/61/EG, als gewijzigd, valt, dient een bewijs (bv. een verklaring betreffende het bestaan ervan) te worden overgelegd dat zij over een geldige vergunning beschikt die in overeenstemming met artikel 4 en 5 van die richtlijn is verleend.

6.

Naam, adres, telefoon, fax, e-mail, registratienummer en contactpersoon van de ontvanger.

7.

Naam, adres, telefoon, fax, e-mail, registratienummer en contactpersoon van de geplande vervoerder(s) en/of hun vertegenwoordigers.

8.

Land van verzending en relevante bevoegde autoriteit.

9.

Landen van doorvoer en relevante bevoegde autoriteiten.

10.

Land van bestemming en relevante bevoegde autoriteit.

11.

Eenmalige kennisgeving of algemene kennisgeving. In geval van een algemene kennisgeving, de gewenste geldigheidstermijn.

12.

Geplande vertrekdatum(s) voor de overbrenging(en).

13.

Voorgenomen vervoerswijze.

14.

Geplande doorgangsplaatsen (plaats van binnenkomst en van vertrek in elk betrokken land, met inbegrip van de douanekantoren van binnenkomst in en/of uitgang uit en/of uitvoer uit de Gemeenschap) en geplande route (route tussen plaatsen van binnenkomst en van vertrek), met inbegrip van mogelijke alternatieven, ook in geval van onvoorziene omstandigheden.

15.

Registratiebewijs van de vervoerder(s) voor de overbrenging van afvalstoffen (bv. verklaring betreffende zijn bestaan).

16.

Aanduiding van het type afvalstoffen op de relevante lijst, bron(nen), beschrijving, samenstelling en gevaarlijke eigenschappen. In geval van afvalstoffen afkomstig uit meerdere bronnen, tevens een gedetailleerde inventaris van de afvalstoffen.

17.

Geraamde minimum- en maximumhoeveelheden.

18.

Gepland verpakkingstype.

19.

Specificatie van de handeling(en) tot nuttige toepassing of verwijdering als bedoeld in bijlage II A en II B van Richtlijn 2006/12/EG.

20.

Als de afvalstoffen bestemd zijn voor nuttige toepassing:

a)

de geplande methode van verwijdering van het restafval na de nuttige toepassing;

b)

de hoeveelheid nuttig toegepast materiaal in verhouding tot het restafval en het niet nuttig toepasbare afval;

c)

de geschatte waarde van het nuttig toegepaste materiaal;

d)

de kosten van nuttige toepassing en de kosten van verwijdering van het restafval.

21.

Bewijs van verzekering tegen aansprakelijkheid voor schade aan derden (bv. verklaring betreffende het bestaan ervan).

22.

Bewijs (of een verklaring) inzake het bestaan van een contract tussen de kennisgever en de ontvanger voor de nuttige toepassing of verwijdering van de afvalstoffen dat ten tijde van de kennisgeving gesloten en juridisch bindend is, zoals vereist wordt in artikel 4, tweede alinea, punt 4, en artikel 5.

23.

Een afschrift van het contract of een bewijs (of een verklaring) inzake het bestaan van het contract tussen de producent, de nieuwe producent of inzamelaar en de makelaar of handelaar, indien de makelaar of handelaar de kennisgevingsprocedures verricht.

24.

Bewijs van het bestaan van een borgsom of gelijkwaardige verzekering (of een verklaring inzake het bestaan daarvan, indien de bevoegde autoriteit dat toestaat) die ten tijde van de kennisgeving gestort c.q. gesloten en juridisch bindend is en die ingaat bij het vertrek van de overbrenging, zoals vereist in de artikel 4, tweede alinea, punt 5, en artikel 6.

25.

Verklaring van de kennisgever dat de informatie naar beste weten volledig en correct is.

26.

Indien de kennisgever niet de producent in de zin van artikel 2, punt 15, onder a), i), is, zorgt de kennisgever ervoor dat de producent of een van de personen bedoeld in artikel 2, punt 15, onder a) ii), of, indien doenlijk, iii), het in bijlage I A opgenomen kennisgevingsdocument mede ondertekent.

Deel 2   INFORMATIE OP TE NEMEN IN HET VERVOERSDOCUMENT OF EEN BIJLAGE DAARBIJ

Alle reeds in deel 1 genoemde informatie, geactualiseerd met de onderstaande details, plus de andere gespecificeerde aanvullende informatie:

1.

Volgnummer en totaal aantal overbrengingen.

2.

Datum van vertrek van de overbrenging.

3.

Vervoerswijze(n).

4.

Naam, adres, telefoon, fax en e-mail van de vervoerder.

5.

Doorgangsplaatsen (plaats van binnenkomst en van vertrek in elk betrokken land, met inbegrip van de douanekantoren van binnenkomst in en/of uitgang uit en/of uitvoer uit de Gemeenschap) en route (route tussen plaatsen van binnenkomst en van vertrek), met inbegrip van mogelijke alternatieven, ook in geval van onvoorziene omstandigheden.

6.

Hoeveelheden.

7.

Verpakkingstype.

8.

Eventuele bijzondere voorzorgsmaatregelen die de vervoerder(s) moet(en) treffen.

9.

Verklaring van de kennisgever dat geen van de bevoegde autoriteiten van de betrokken landen bezwaar heeft gemaakt. Deze verklaring moet door de kennisgever worden ondertekend.

10.

De handtekening voor elke overdracht van afvalstoffen tussen vervoerders.

Deel 3   EVENTUELE DOOR DE BEVOEGDE AUTORITEITEN VERLANGDE AANVULLENDE INFORMATIE EN DOCUMENTATIE

1.

De aard en geldigheidsduur van de vergunning voor de inrichting voor nuttige toepassing of verwijdering.

2.

Afschrift van de vergunning die wordt afgegeven overeenkomstig de artikelen 4 en 5 van Richtlijn 96/61/EG inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging.

3.

Inlichtingen over de maatregelen die de veiligheid van het vervoer moeten garanderen.

4.

De lengte(n) van het traject tussen de kennisgever en de inrichting, evenals van eventuele alternatieve routes, ook in geval van onvoorziene omstandigheden en, in het geval van intermodale overbrenging, de plaats waar de overlading geschiedt.

5.

Informatie over de kosten van het vervoer tussen de kennisgever en de inrichting.

6.

Afschrift van de registratie van de vervoerder(s) voor de overbrenging van de afvalstoffen.

7.

Chemische analyse van de samenstelling van de afvalstoffen.

8.

Beschrijving van het productieproces van de afvalstoffen.

9.

Beschrijving van het behandelingsproces in de inrichtingen van de ontvanger.

10.

De financiële zekerheidsovereenkomst of gelijkwaardige verzekering, of een afschrift daarvan.

11.

Toelichting op de berekening van de borgsom of gelijkwaardige verzekering als vereist in artikel 4, tweede alinea, punt 5, en artikel 6.

12.

Afschrift van het contract bedoeld in deel 1, punten 22 en 23.

13.

Afschrift van de verzekering voor aansprakelijkheid voor schade aan derden.

14.

Alle andere informatie die relevant is voor de beoordelingen van de kennisgeving in overeenstemming met deze verordening en nationale wetgeving.


BIJLAGE III

LIJST VAN AFVALSTOFFEN DIE VERGEZELD MOETEN GAAN VAN BEPAALDE INFORMATIE ALS BEDOELD IN ARTIKEL 18

(„GROENE” LIJST VAN AFVALSTOFFEN) (1)

Ongeacht of zij in deze lijst zijn opgenomen of niet, mogen afvalstoffen niet worden onderworpen aan het algemeen vereiste dat zij van bepaalde informatie vergezeld moeten gaan indien zij dermate met andere stoffen verontreinigd zijn dat

a)

de aan de afvalstoffen verbonden risico's zodanig toenemen dat zij, gelet op de gevaarlijke eigenschappen als bedoeld in bijlage III van Richtlijn 91/689/EEG, als gewijzigd, voor de controleprocedure van schriftelijke kennisgeving en toestemming in aanmerking komen, of

b)

nuttige toepassing van de afvalstoffen op milieuhygiënisch verantwoorde wijze niet mogelijk wordt.

Deel I

De volgende afvalstoffen zijn onderworpen aan de procedure krachtens welke zij vergezeld dienen te gaan van bepaalde informatie als bedoeld in artikel 18:

Afvalstoffen die zijn opgenomen in bijlage IX van het Verdrag van Bazel (2).

In het kader van deze verordening:

a)

wordt elke verwijzing naar lijst A van bijlage IX van het Verdrag van Bazel opgevat als een verwijzing naar bijlage IV bij deze verordening;

b)

wordt in Bazel-code B1020 onder de term „in afgewerkte vorm in bulk” ook verstaan alle daar genoemd metaalschroot in niet-verspreidbare (3) vorm;

c)

is Bazel-code B1100 voor wat betreft „slak afkomstig van de behandeling van koper enz.” niet van toepassing en is in plaats daarvan OESO-code GB040 in deel II van toepassing;

d)

is Bazel-code B1110 niet van toepassing en zijn in plaats daarvan de OESO-codes GC010 en GC020 in deel II van toepassing;

e)

is Bazel-code B2050 niet van toepassing en is in plaats daarvan OESO-code GG040 in deel II van toepassing;

f)

heeft de verwijzing in Bazel-code B3010 naar afval van gefluoreerde polymeren tevens betrekking op polymeren en co-polymeren van fluorethyleen (PTFE).

Deel II

De volgende afvalstoffen dienen eveneens vergezeld te gaan van bepaalde informatie als bedoeld in artikel 18:

Metaalhoudende afvalstoffen die vrijkomen bij het smelten en zuiveren van metalen

GB040

7112

262030

262090

slak afkomstig van de behandeling van edele metalen en koper, bestemd voor latere terugwinning

Andere metaalhoudende afvalstoffen

GC010

 

uitsluitend uit metalen of legeringen bestaand elektrisch montageafval

GC020

 

elektronische restanten (bijvoorbeeld printplaten, elektronische onderdelen, draad, enz.) en voor terugwinning van basismetaal en edelmetaal geschikte teruggewonnen elektronische onderdelen

GC030

ex ex 890800

schepen en ander drijvend materieel bestemd voor de sloop, waaruit eventuele lading en andere van de scheepsexploitatie afkomstige materialen die als gevaarlijke stof of afvalstof geclassificeerd zijn, naar behoren zijn verwijderd

GC050

 

afgewerkte kraakkatalysatoren uit wervelbedproces (FCC), bv. aluminiumoxide, zeolieten

Glasafval in een zich niet verspreidende vorm

GE020

ex ex 7001

ex ex 701939

glasvezelafval

Afval van keramische producten in een zich niet verspreidende vorm

GF010

 

afval van keramische producten die gebakken zijn na in de vorm te zijn gebracht of bewerkt, met inbegrip van keramische vaten (vóór en na gebruik)

Ander hoofdzakelijk uit anorganisch materiaal bestaand afval dat metalen en organische materialen kan bevatten

GG030

ex ex 2621

zware as en sintels van steenkoolcentrales

GG040

ex ex 2621

vliegas van steenkoolcentrales

Afvalstoffen van kunststof in vaste vorm

GH013

391530

ex ex 390410—40

polymeren van vinylchloride

Afval van looien, pelterij en gebruik van huiden

GN010

ex ex 050200

afval van haar van varkens of van wilde zwijnen, van dassenhaar en ander dierlijk haar, voor borstelwerk

GN020

ex ex 050300

afval van paardenhaar, ook indien in vliezen, al dan niet op een onderlaag

GN030

ex ex 050590

afval van vogelhuiden en andere delen van vogels, met veren of dons bezet, van veren en delen van veren (ook indien bijgesneden) en dons, ruw, gereinigd, ontsmet of op andere wijze behandeld ter voorkoming van bederf, doch niet verder bewerkt


(1)  Deze lijst is afkomstig uit het OESO-besluit, aanhangsel 3.

(2)  Bijlage IX van het Verdrag van Bazel is in deze verordening opgenomen als bijlage V, deel 1, lijst B.

(3)  Afvalstoffen in de vorm van poeder, slurrie, stof of vaste voorwerpen die houders met gevaarlijke vloeibare afvalstoffen bevatten, worden niet als „niet-verspreidbaar” aangemerkt.

BIJLAGE III A

MENGSELS VAN TWEE OF MEER AFVALSTOFFEN VAN BIJLAGE III DIE NIET ONDER ÉÉN CODE VALLEN, ALS BEDOELD IN ARTIKEL 3, LID 2

BIJLAGE III B

AANVULLENDE AFVALSTOFFEN VAN DE „GROENE” LIJST IN AFWACHTING VAN EEN BESLUIT TOT OPNEMING IN DE DESBETREFFENDE BIJLAGEN VAN HET VERDRAG VAN BAZEL OF HET OESO-BESLUIT, ALS BEDOELD IN ARTIKEL 58, LID 1, ONDER b)


BIJLAGE IV

LIJST VAN AFVALSTOFFEN WAARVOOR DE PROCEDURE VAN VOORAFGAANDE SCHRIFTELIJKE KENNISGEVING EN TOESTEMMING GELDT („ORANJE” LIJST VAN AFVALSTOFFEN) (1)

Deel I

De volgende afvalstoffen zijn onderworpen aan de procedure van voorafgaande schriftelijke kennisgeving en toestemming.

Afvalstoffen die zijn opgenomen in de bijlagen II en VIII van het Verdrag van Bazel (2).

In het kader van deze verordening:

a)

wordt elke verwijzing naar lijst B van bijlage VIII van het Verdrag van Bazel opgevat als een verwijzing naar bijlage III bij deze verordening;

b)

moet de term „zonder de in lijst B (bijlage IX) genoemde afvalstoffen” in Bazel-code A1010 worden opgevat als een verwijzing zowel naar Bazel-code B1020 als naar de opmerking over Bazel-code B1020 in bijlage III, deel I, onder b), van deze verordening;

c)

zijn de Bazel-codes A1180 en A2060 niet van toepassing en zijn in plaats daarvan, voorzover toepasselijk, de OESO-codes GC010, GC020 en GC040 in bijlage III, deel II, van toepassing;

d)

heeft Bazel-code A4050 ook betrekking op ovenpuin afkomstig van het smelten van aluminium, omdat dit anorganische cyaniden (Y33) bevat. Als de cyaniden vernietigd zijn, wordt ovenpuin ingedeeld in deel II, code AB120, omdat het anorganische fluorverbindingen, met uitzondering van calciumfluoride (Y32), bevat.

Deel II

Voor de volgende afvalstoffen geldt eveneens de procedure van voorafgaande schriftelijke kennisgeving en toestemming.

Metaalhoudende afvalstoffen

AA010

261900

slakken, walsschilfers en ander bij de vervaardiging van ijzer en staal verkregen afval (3)

AA060

262050

assen en residuen van vanadium (3)

AA190

810420ex ex 810430

afval en restanten van magnesium die brandbaar of pyrofoor zijn of, wanneer zij in contact komen met water, gevaarlijke hoeveelheden brandbare gassen doen ontstaan

Afvalstoffen met voornamelijk anorganische bestanddelen die metalen en organisch materiaal kunnen bevatten

AB030

 

afval van de oppervlaktebehandeling van metalen met behulp van niet-gecyanideerde producten

AB070

 

zand gebruikt in smelterijen/gieterijen

AB120

ex ex 281290ex ex 3824

anorganische halogenideverbindingen, niet elders vermeld of ingedeeld

AB130

 

gebruikt staalgrit

AB150

ex ex 382490

ongezuiverd calciumsulfiet en calciumsulfaat, afkomstig van rookgasontzwaveling

Afvalstoffen die hoofdzakelijk organische bestanddelen bevatten en die metalen en anorganische stoffen kunnen bevatten

AC060

ex ex 381900

hydraulische vloeistoffen

AC070

ex ex 381900

remvloeistoffen

AC080

ex ex 382000

antivriesvloeistoffen

AC150

 

chloorfluorkoolwaterstoffen

AC160

 

halonen

AC170

ex ex 440310

afval van behandeld kurk en hout

AC250

 

oppervlakteactieve stoffen (surfactants)

AC260

ex ex 3101

varkensmest; uitwerpselen

AC270

 

rioolslib

Afvalstoffen die ofwel anorganische ofwel organische bestanddelen bevatten

AD090

ex ex 382490

afval afkomstig van de productie, de bereiding en het gebruik van reprografische en fotografische producten en materialen, voorzover niet elders vermeld of opgevoerd

AD100

 

afval afkomstig van de oppervlaktebehandeling van kunststoffen met behulp van niet-gecyanideerde producten

AD120

ex ex 391400ex ex 3915

ionenwisselaarharsen

AD150

 

als filters gebruikt natuurlijk organisch materiaal (bv. biofilters)

Afvalstoffen met voornamelijk anorganische bestanddelen die metalen en organisch materiaal kunnen bevatten

RB020

ex ex 6815

keramiekvezels met dezelfde fysisch-chemische eigenschappen als die van asbest


(1)  Deze lijst is afkomstig uit het OESO-besluit, aanhangsel 4.

(2)  Bijlage VIII van het Verdrag van Bazel is in deze verordening opgenomen als bijlage V, deel 1, lijst A. Bijlage II van het Verdrag van Bazel bevat de volgende codes:

Y46 huishoudelijk afval tenzij ondergebracht onder een enkele code van bijlage III;

Y47 residuen afkomstig van de verbranding van huishoudelijk afval.

(3)  Dit omvat afval in de vorm van as, residuen, slakken, dross en skimmings, walsschilfers, stof, poeder, slib en filterkoek, tenzij een stof expliciet elders wordt genoemd.

BIJLAGE IV A

AFVALSTOFFEN OPGENOMEN IN BIJLAGE III MAAR WAARVOOR DE PROCEDURE VAN VOORAFGAANDE SCHRIFTELIJKE KENNISGEVING EN TOESTEMMING GELDT (ARTIKEL 3, LID 3)


BIJLAGE V

AFVALSTOFFEN WAARVOOR HET UITVOERVERBOD VAN ARTIKEL 36 GELDT

Inleiding

1.

Bijlage V is van toepassing onverminderd Richtlijn 91/689/EEG en Richtlijn 2006/12/EG.

2.

Deze bijlage bestaat uit drie delen, waarbij de delen 2 en 3 slechts van toepassing zijn in zoverre deel 1 niet van toepassing is. Om te bepalen of een specifieke afvalstof onder bijlage V van deze verordening valt, moet men dus eerst controleren of de afvalstof in deel 1 van bijlage V voorkomt, en zo niet, of zij in deel 2 voorkomt en daarna of zij in deel 3 voorkomt.

Deel 1 is onderverdeeld in twee subsecties: lijst A, waarin de afvalstoffen zijn opgenomen die volgens artikel 1, lid 1, onder a), van het Verdrag van Bazel als gevaarlijk zijn aangemerkt en die daarom onder het uitvoerverbod vallen, en lijst B, waarin de afvalstoffen zijn opgenomen die niet onder artikel 1, lid 1, onder a), van het Verdrag van Bazel vallen en daarom niet onder het uitvoerverbod vallen.

Om na te gaan of een afvalstof voorkomt in deel 1, dient daarom te worden nagegaan of deze in lijst A of in lijst B wordt genoemd. Alleen bij stoffen die noch in lijst A, noch in lijst B van deel 1 worden genoemd, moet worden nagegaan of de betrokken stof wordt genoemd bij de gevaarlijke afvalstoffen van deel 2 (d.w.z. afvalstoffen die met een asterisk zijn gemarkeerd) of deel 3; indien zulks het geval is, valt de stof onder het uitvoerverbod.

3.

Afvalstoffen die zijn opgenomen op lijst B van deel 1 of die behoren tot de niet-gevaarlijke afvalstoffen van deel 2 (d.w.z. afvalstoffen die niet met een asterisk zijn gemarkeerd) vallen onder het uitvoerverbod indien zij zodanig zijn verontreinigd door andere materialen dat

a)

de aan de afvalstoffen verboden gevaren groot genoeg zijn geworden om ze, indachtig de in bijlage III bij Richtlijn 91/689/EEG genoemde gevaarlijke kenmerken, in aanmerking te laten komen voor de procedure van voorafgaande schriftelijke kennisgeving en toestemming, of

b)

geen milieuhygiënisch verantwoorde nuttige toepassing van de afvalstoffen mogelijk is.

Deel 1 (1)

Lijst A (bijlage VIII van het Verdrag van Bazel)

A1   METALEN EN METAALHOUDENDE AFVALSTOFFEN

A1010

metalen afvalstoffen en afvalstoffen die uit legeringen bestaan van een van de volgende stoffen:

antimoon

arseen

beryllium

cadmium

lood

kwik

selenium

tellurium

thallium

maar zonder de in lijst B genoemde afvalstoffen

A1020

afvalstoffen die een van de volgende stoffen als bestanddeel of verontreiniging bevatten, uitgezonderd metalen in massieve vorm:

antimoon; antimoonverbindingen

beryllium; berylliumverbindingen

cadmium; cadmiumverbindingen

lood; loodverbindingen

selenium; seleniumverbindingen

tellurium; telluriumverbindingen

A1030

afvalstoffen die een van de volgende stoffen als bestanddeel of verontreiniging bevatten:

arseen; arseenverbindingen

kwik; kwikverbindingen

thallium; thalliumverbindingen

A1040

afvalstoffen die een van de volgende stoffen als bestanddeel bevatten:

metaalcarbonylen

zeswaardige chroomverbindingen

A1050

galvanisch slib

A1060

effluenten van het beitsen van metalen

A1070

loogresiduen van zinkverwerking, stof en slib zoals jarosiet, hematiet, enz.

A1080

zinkresiduen die niet zijn opgenomen in lijst B en die lood en cadmium in voldoende concentraties bevatten om eigenschappen als bedoeld in bijlage III te vertonen

A1090

as van de verbranding van geïsoleerd koperdraad

A1100

stof en residuen van gasreinigingsinrichtingen in kopersmelterijen

A1110

afgewerkte elektrolytische oplossingen afkomstig van de elektrolytische winning en zuivering van koper

A1120

afvalslib, met uitzondering van anodeslib, afkomstig van elektrolytische zuiveringssystemen bij de winning en zuivering van koper

A1130

afgewerkte etsoplossingen die opgelost koper bevatten

A1140

afgewerkte koperchloride- en kopercyanidekatalysatoren

A1150

edelmetaalhoudende as afkomstig van de verbranding van printplaten die niet op lijst B voorkomen (2)

A1160

oude loodbatterijen, intact of in stukken

A1170

ongesorteerde lege batterijen, met uitzondering van mengsels van uitsluitend in lijst B genoemde batterijen. Lege batterijen die niet op lijst B voorkomen en die in bijlage I genoemde bestanddelen in zodanige hoeveelheden bevatten dat ze gevaarlijk worden

A1180

oude elektrische en elektronische eenheden of schroot (3) met onderdelen als accu's en andere batterijen die op lijst A staan, kwikschakelaars, glas afkomstig van kathodestraalbuizen en ander geactiveerd glas en PCB-condensatoren, of in die mate verontreinigd met bestanddelen die in bijlage I worden genoemd (bv. cadmium, kwik, lood, polychoorbifenyl) dat ze eigenschappen hebben die in bijlage III worden vermeld (NB: zie het vergelijkbare punt op lijst B: B1110) (4)

A1190

Kabelschroot dat is omhuld of geïsoleerd met kunststoffen die koolteer, PCB (5), lood, cadmium, andere organische halogeenverbindingen of andere stoffen uit bijlage I bevatten of daarmee verontreinigd zijn, in dusdanige mate dat het voldoet aan de kenmerken van bijlage III

A2   AFVALSTOFFEN MET VOORNAMELIJK ANORGANISCHE BESTANDDELEN, DIE METALEN EN ORGANISCH MATERIAAL KUNNEN BEVATTEN

A2010

glas afkomstig van kathodestraalbuizen en ander geactiveerd glas

A2020

afgewerkte anorganische fluorverbindingen in de vorm van vloeistof of slib maar zonder de in lijst B genoemde afvalstoffen

A2030

afgewerkte katalysatorenmet uitzondering van de op lijst B genoemde afvalstoffen

A2040

afvalgips afkomstig uit de chemische procesindustrie, indien dit bestanddelen, genoemd in bijlage I in zulke concentraties bevat dat het gevaarlijke eigenschappen als bedoeld in bijlage III vertoont (NB: zie het vergelijkbare punt van lijst B: B2080)

A2050

afgedankte asbest (stof en vezels)

A2060

vliegas afkomstig van kolengestookte centrales die stoffen als genoemd in bijlage I in voldoende concentraties bevatten om eigenschappen als vermeld in bijlage III te vertonen (NB: zie het vergelijkbare punt van lijst B: B2050)

A3   AFVALSTOFFEN DIE HOOFDZAKELIJK UIT ORGANISCHE BESTANDDELEN BESTAAN EN DIE METALEN EN ANORGANISCHE STOFFEN KUNNEN BEVATTEN

A3010

afvalstoffen die ontstaan bij de productie of verwerking van petroleumcokes en bitumen

A3020

afgewerkte minerale oliën die ongeschikt zijn voor het oorspronkelijk bedoelde gebruik

A3030

afvalstoffen die slib van loodhoudende antiklopverbindingen bevatten, daarmee verontreinigd zijn of daaruit bestaan

A3040

afgewerkte warmtegeleidende vloeistoffen (voor warmteoverdracht)

A3050

afvalstoffen die vrijkomen bij de productie, formulering of het gebruik van harsen, latex, weekmakers en lijm/kleefstoffen, met uitzondering van de in lijst B genoemde afvalstoffen (NB: zie het vergelijkbare punt van lijst B: B4020)

A3060

afgewerkte nitrocellulose

A3070

afgewerkte fenolen, fenolverbindingen, met inbegrip van chloorfenol in de vorm van vloeistof of slib

A3080

afgewerkte ethers, met uitzondering van de in lijst B genoemde afvalstoffen

A3090

leerstof, -as, -slib en -poeder indien deze zeswaardige chroomverbindingen of biociden bevatten (NB: zie het vergelijkbare punt van lijst B: B3100)

A3100

snijdsel en ander afval van leer of kunstleer dat niet geschikt is voor de fabricage van lederwaren en dat zeswaardige chroomverbindingen of biociden bevat (NB: zie het vergelijkbare punt van lijst B: B3090)

A3110

afvalstoffen die vrijkomen bij leerbereiding en die zeswaardige chroomverbindingen, biociden of infectieuze stoffen bevatten (NB: zie het vergelijkbare punt van lijst B: B3110)

A3120

lichte fractie bij het afbreken van vezels, snijden, enz.

A3130

gebruikte organische fosforverbindingen

A3140

afgewerkte niet-gehalogeneerde organische oplosmiddelen, met uitzondering van de in lijst B genoemde afvalstoffen

A3150

afgewerkte gehalogeneerde organische oplosmiddelen

A3160

gehalogeneerde of niet-gehalogeneerde niet-waterige distillatieresiduen die vrijkomen bij handelingen tot nuttige toepassing van organische oplosmiddelen

A3170

afvalstoffen afkomstig van de productie van alifatische gehalogeneerde koolwaterstoffen (zoals chloormethaan, dichloorethaan, vinylchloride, vinylideenchloride, allylchloride en epichloorhydrine)

A3180

afvalstoffen, stoffen en artikelen die polychloorbifenyl (PCB), polychloorterfenyl (PCT), polychloornaftaleen (PCN) of polychloorbifenyl (PBB) of andere analoge polybroomverbindingen bevatten, daarmee verontreinigd zijn of daaruit bestaan, in een concentratie van 50 mg/kg of meer (6)

A3190

teerresiduen (met uitzondering van asfaltbitumen) afkomstig van raffinage- en distillatieprocessen en alle andere pyrolitische behandelingen van organisch materiaal

A3200

bitumineus materiaal (afval van asfalt), afkomstig van de aanleg en het onderhoud van wegen, dat teer bevat (NB: Zie het vergelijkbare punt B2130 op lijst B)

A4   AFVALSTOFFEN DIE OFWEL ANORGANISCHE OFWEL ORGANISCHE BESTANDDELEN BEVATTEN

A4010

afvalstoffen die vrijkomen bij de productie, de bereiding en het gebruik van farmaceutische producten, met uitzondering van de in lijst B genoemde afvalstoffen

A4020

klinische en daarmee verband houdende afvalstoffen: afvalstoffen afkomstig van medische, verpleegkundige, tandheelkundige, diergeneeskundige of soortgelijke handelingen en afvalstoffen die ontstaan in ziekenhuizen of andere instellingen bij onderzoek of behandeling van patiënten, of bij onderzoeksprojecten

A4030

afvalstoffen die vrijkomen bij de productie, formulering en het gebruik van biociden en fytofarmaceutische producten, met inbegrip van pesticiden en herbiciden die niet volgens de specificatie, te oud (7), of niet geschikt voor het oorspronkelijke doel zijn

A4040

afvalstoffen die vrijkomen bij de vervaardiging, formulering en het gebruik van houtconserveringsmiddelen (8)

A4050

afvalstoffen die de volgende stoffen bevatten, daarmee verontreinigd zijn of daaruit bestaan:

anorganische cyaniden, met uitzondering van edelmetaalhoudende residuen in vaste vorm waarin sporen van anorganische cyaniden voorkomen

organische cyaniden

A4060

afgewerkte olie/water- en koolwaterstof/watermengsels, emulsies

A4070

afvalstoffen die vrijkomen bij de productie, formulering en het gebruik van inkt, kleurstoffen, pigment, verf, lak of vernis, met uitzondering van de in lijst B genoemde afvalstoffen (NB: zie het vergelijkbare punt op lijst B: B4010)

A4080

afvalstoffen van explosieve aard, met uitzondering van de in lijst B genoemde afvalstoffen

A4090

andere afgewerkte zure of basische oplossingen dan die welke onder het overeenkomstige punt van lijst B zijn genoemd (NB: zie het vergelijkbare punt van lijst B: B2120)

A4100

afvalstoffen afkomstig uit industriële inrichtingen voor de reiniging van afgassen, met uitzondering van de in lijst B genoemde afvalstoffen

A4110

afvalstoffen die de volgende stoffen bevatten, daarmee verontreinigd zijn of daaruit bestaan:

een congeneer van polychloordibenzofuraan

een congeneer van polychloordibenzodioxine

A4120

afvalstoffen die bestaan uit peroxiden, peroxiden bevatten of daarmee verontreinigd zijn

A4130

verpakkingen en containers die stoffen als genoemd in bijlage I in zodanige concentraties bevatten dat ze gevaarlijke eigenschappen als bedoeld in bijlage III vertonen

A4140

afval dat bestaat uit chemicaliën die niet aan de specificatie voldoen of te oud (9) zijn, overeenkomen met de categorieën van bijlage I en gevaarlijke eigenschappen als bedoeld in bijlage III vertonen, of dat die stoffen bevat

A4150

afgewerkte chemische stoffen afkomstig van onderzoek en ontwikkeling of onderwijsactiviteiten die niet geïdentificeerd en/of nieuw zijn en waarvan de gevolgen voor de volksgezondheid en/of het milieu niet bekend zijn

A4160

uitgewerkte actieve koolstof die niet op lijst B voorkomt (NB: zie het vergelijkbare punt van lijst B: B2060)

Lijst B (bijlage IX van het Verdrag van Bazel)

B1   METALEN EN METAALHOUDENDE AFVALSTOFFEN

B1010

oude metalen en metaallegeringen in metallische, niet-verspreidbare vorm

edelmetalen (goud, zilver, de platinagroep, met uitzondering van kwik)

ijzer- en staalschroot

koperschroot

nikkelschroot

aluminiumschroot

zinkschroot

tinschroot

wolfraamschroot

molybdeenschroot

tantaalschroot

magnesiumschroot

kobaltschroot

bismuthschroot

titaanschroot

zirconiumschroot

mangaanschroot

germaniumschroot

vanadiumschroot

schroot van hafnium, indium, niobium, rhenium en gallium

thoriumschroot

schroot van zeldzame aardmetalen

chroomschroot

B1020

zuiver, niet-verontreinigd metaalschroot, waaronder legeringen, in afgewerkte vorm in bulk (plaatmateriaal, balken, staven, enz.):

antimoonschroot

berylliumschroot

cadmiumschroot

loodschroot (met uitzondering van loodaccu's)

seleniumschroot

telluriumschroot

B1030

vuurvaste metalen die residuen bevatten

B1031

afval van de metalen molybdeen, wolfraam, titaan, tantaal, niobium en rhenium en legeringen daarvan in metallische, verspreidbare vorm (metaalpoeder), met uitsluiting van het afval van lijst A, punt 1050, galvanisch slib

B1040

afgedankte eenheden uit elektrische centrales die niet zodanig verontreinigd zijn met smeerolie, PCB's of PCT's dat ze een risico vormen

B1050

gemengde non-ferrometalen of zware schrootfracties, die geen in bijlage I genoemde materialen in een concentratie bevatten dat ze de eigenschappen, als bedoeld in bijlage III vertonen (10)

B1060

oud selenium en tellurium als element, ook in poedervorm

B1070

afval van koper en koperlegeringen in verspreidbare vorm, tenzij ze de in bijlage I genoemde bestanddelen in zodanige concentraties bevatten dat ze de in bijlage III bedoelde eigenschappen vertonen

B1080

zinkas en -residuen, met inbegrip van residuen van zinklegeringen in verspreidbare vorm, tenzij ze in bijlage I genoemde bestanddelen in zodanige concentraties bevatten dat ze de in bijlage III bedoelde eigenschappen of het gevaarkenmerk H4.3 vertonen (11)

B1090

oude accu's die aan bepaalde specificaties voldoen, met uitzondering van lood-, cadmium- en kwikbatterijen

B1100

metaalhoudende afvalstoffen die vrijkomen bij het smelten en zuiveren van metalen:

hardzink

zinkhoudende slak

zinkhoudende drijvende slak afkomstig van het galvaniseren (> 90 % Zn)

zinkhoudende slakbezinksel afkomstig van het galvaniseren (> 92 % Zn)

zinkhoudende slak afkomstig van het gietproces (> 85 % Zn)

zinkhoudende slak afkomstig van thermisch verzinken (batch) (> 92 % Zn)

zinkschuim

aluminiumschuim, met uitzondering van zoutslak

slak afkomstig van de behandeling van koper voor verdere verwerking of zuivering die geen arseen, lood of cadmium in zodanige concentraties bevat dat de slak gevaarlijke eigenschappen als bedoeld in bijlage III vertoont

oude vuurvaste bekleding, met inbegrip van gietpannen, afkomstig uit kopersmelterijen

slak afkomstig van de behandeling van edele metalen voor verdere zuivering

tantaalhoudende tinslak met minder dan 0,5 % tin

B1110

elektrische en elektronische samengebouwde eenheden:

elektronische eenheden uitsluitend van metaal of legeringen

elektrische en elektronische eenheden of schrootmateriaal (12)(met inbegrip van printplaten) die geen onderdelen bevatten zoals accu's en andere batterijen welke op lijst A voorkomen, kwikschakelaars, glas van kathodestraalbuizen en ander geactiveerd glas en PCB-condensatoren, of die niet verontreinigd zijn met in bijlage I genoemde bestanddelen (bv. cadmium, kwik, lood of polychloorbifenyl) of waarbij deze stoffen tot een zodanig niveau zijn verwijderd dat geen van de eigenschappen als bedoeld in bijlage III nog een rol spelen (zie het vergelijkbare punt van lijst A: A1180)

elektrische en elektronische eenheden (met inbegrip van printplaten, elektronische onderdelen en bedrading), bestemd voor onmiddellijk hergebruik (13) en niet voor recycling of definitieve verwijdering (14)

B1115

Kabelschroot dat is omhuld of geïsoleerd met kunststoffen die niet in rubriek A1190 van lijst A zijn opgenomen, uitgezonderd kabelschroot bestemd voor verwijdering overeenkomstig bijlage IV A of andere wijzen van verwijdering die, in een of ander stadium, ongecontroleerde thermische processen, zoals verbranding, met zich meebrengen

B1120

afgewerkte katalysatoren, met uitzondering van als katalysator gebruikte vloeistoffen, die een van de volgende stoffen bevatten:

overgangsmetalen, met uitzondering van oude katalysatoren (afgewerkte katalysatoren, als katalysator gebruikte vloeistoffen of andere katalysatoren) van lijst A:

scandium

vanadium

mangaan

kobalt

koper

yttrium

niobium

hafnium

wolfraam

titaan

chroom

ijzer

nikkel

zink

zirconium

molybdeen

tantaal

rhenium

lanthaniden (zeldzame aardmetalen):

lanthaan

praseodymium

samarium

gadolinium

dysprosium

erbium

ytterbium

cerium

neodymium

europium

terbium

holmium

thulium

lutetium

B1130

gezuiverde afgewerkte edelmetaalhoudende katalysatoren

B1140

edelmetaalhoudende residuen in vaste vorm die sporen van anorganische cyaniden bevatten

B1150

oude edele metalen en legeringen als afval (goud, zilver, de platinagroep, met uitzondering van kwik) in een verspreidbare, niet-vloeibare vorm in een geschikte verpakking met de juiste opschriften

B1160

as van edele metalen afkomstig van de verbranding van printplaten (zie het vergelijkbare punt van lijst A: A1150)

B1170

as van edele metalen afkomstig van de verbranding van fotografisch filmmateriaal

B1180

oude fotofilm met zilverhalogeniden en metallisch zilver

B1190

oud fotopapier met zilverhalogeniden en metallisch zilver

B1200

korrelige slak afkomstig van de fabricage van ijzer en staal

B1210

slak afkomstig van de fabricage van ijzer en staal, met inbegrip van slak als bron van TiO2 en vanadium

B1220

slak afkomstig van de zinkproductie, chemisch gestabiliseerd, met een hoog ijzergehalte (meer dan 20 %) en behandeld volgens industriële specificaties (bv. DIN 4301) hoofdzakelijk voor de bouw

B1230

walshuid afkomstig van de fabricage van ijzer en staal

B1240

walshuid in de vorm van koperoxide

B1250

afval van afgedankte motorvoertuigen, dat noch vloeistoffen, noch andere gevaarlijke onderdelen bevat

B2   AFVALSTOFFEN VOORNAMELIJK BESTAANDE UIT ANORGANISCHE BESTANDDELEN, DIE METALEN EN ORGANISCHE STOFFEN KUNNEN BEVATTEN

B2010

afvalstoffen afkomstig uit de mijnbouw in niet-verspreidbare vorm:

natuurlijk grafiet

leiresten, al dan niet in grove stukken of slechts gezaagd of op andere wijze kleiner gemaakt

mica

leuciet, nefelien en nefeliensyeniet

veldspaat

vloeispaat

kiezelaarde in vaste vorm, met uitzondering van die afkomstig uit gieterijen

B2020

oud glas in niet-verspreidbare vorm:

breukglas en ander afval en glasscherven, met uitzondering van glas van kathodestraalbuizen en ander geactiveerd glas

B2030

keramisch afval in niet-verspreidbare vorm:

keramisch snijmateriaal en schroot (metaal-keramisch composietmateriaal)

vezelmateriaal op keramiekbasis dat niet onder een ander punt is ingedeeld

B040

andere afvalstoffen die hoofdzakelijk anorganische bestanddelen bevatten:

gedeeltelijk gezuiverd calciumsulfaat afkomstig van rookgasontzwaveling

oude gipsplaten afkomstig van het slopen van gebouwen

slak afkomstig van de koperproductie, chemisch gestabiliseerd, met een hoog ijzergehalte (meer dan 20 %) en behandeld volgens industriële specificaties (bv. DIN 4301 en DIN 8201) hoofdzakelijk voor de bouw en abrasieve toepassingen

zwavel in vaste vorm

kalk afkomstig van de productie van calciumcyanamide (met een pH kleiner dan 9)

natrium-, kalium- of calciumchloride

carborundum (siliciumcarbide)

gebroken beton

lithiumtantaal en lithiumniobium die glasscherven bevatten

B2050

vliegas uit kolengestookte installaties die niet op lijst A voorkomt (zie het vergelijkbare punt van lijst A: A2060)

B2060

afgewerkte actieve koolstof die geen bestanddelen van bijlage I bevat in hoeveelheden waardoor deze kenmerken van bijlage III zouden gaan vertonen, bijvoorbeeld koolstof afkomstig van drinkwaterbehandeling, processen in de levensmiddelenindustrie en vitamineproductie (zie het vergelijkbare punt van lijst A: A4160)

B2070

calciumfluorideslib

B2080

gipsafval afkomstig uit de chemische procesindustrie dat niet op lijst A voorkomt (zie het vergelijkbare punt op lijst A: A2040)

B2090

anodestompen afkomstig van de staal- of aluminiumproductie, gemaakt van petroleumcokes of bitumen en gereinigd overeenkomstig de gebruikelijke specificaties, met uitzondering van anodestompen afkomstig van alkalichloorelektrolyse en uit de metallurgische industrie

B2100

afgewerkte aluminiumhydraten en aluminiumoxideresten en -residuen afkomstig uit de aluminiumoxideproductie met uitzondering van stoffen die worden gebruikt voor gasreiniging, uitvlokking of filtratieprocessen

B2110

bauxietresidu („rood slib”) (pH teruggebracht tot minder dan 11,5)

B2120

afgewerkte zure of basische oplossingen met een pH groter dan 2 en kleiner dan 11,5, die niet corrosief of anderszins gevaarlijk zijn (zie het vergelijkbare punt van lijst A: A4090)

B2130

bitumineus materiaal (afval van asfalt), afkomstig van de aanleg en het onderhoud van wegen, dat geen teer (15) bevat (zie het vergelijkbare punt A3200 van lijst A)

B3   AFVALSTOFFEN DIE HOOFDZAKELIJK ORGANISCHE BESTANDDELEN BEVATTEN EN DIE METALEN EN ANORGANISCHE STOFFEN KUNNEN BEVATTEN

B3010

vast plastic afval:

de volgende kunststoffen of mengsels daarvan, mits deze niet vermengd zijn met andere afvalstoffen en zij overeenkomstig een specificatie zijn vervaardigd:

plastic schroot van niet-gehalogeneerde polymeren en co-polymeren, met inbegrip van de volgende stoffen, maar daartoe niet beperkt (16):

ethyleen

styreen

polypropyleen

polyethyleentereftalaat

acrylnitril

butadieen

polyacetalen

polyamiden

polybutyleentereftalaat

polycarbonaten

polyethers

polyfenyleensulfiden

acrylpolymeren

alkanen C10-C13 (weekmaker)

polyurethaan (dat geen CFK's bevat)

polysiloxanen

polymethylmethacrylaat

polyvinylalcohol

polyvinylbutyral

polyvinylacetaat

uitgehard harsafval of condensatieproducten, met inbegrip van de volgende stoffen:

ureumformaldehydeharsen

fenolformaldehydeharsen

melamineformaldehydeharsen

expoxyharsen

alkydharsen

polyamiden

het volgende afval van gefluoreerde polymeren (17):

perfluorethyleen/propyleen (FEP)

perfluoralkoxyalkaan (PFA)

tetrafluorethyleen/perfluorvinylether (PFA)

tetrafluorethyleen/perfluormethylvinylether (MFA)

polyvinylfluoride (PVF)

polyvinylideenfluoride (PVDF)

B3020

papier, karton en papierproducten de volgende materialen, mits deze niet vermengd zijn met gevaarlijke afvalstoffen:

oud papier en karton:

ongebleekt papier en karton of gegolfd papier en golfkarton

overig papier en karton, hoofdzakelijk gemaakt van gebleekt chemisch pulp, dat niet in bulk is gekleurd

papier en karton, hoofdzakelijk gemaakt van gebleekt mechanisch pulp (bv. kranten, tijdschriften en soortgelijk drukwerk)

overige, met inbegrip van:

1.

gelamineerd karton;

2.

ongesorteerd afval

B3030

oud textiel de volgende materialen, mits deze niet vermengd zijn met andere afvalstoffen en vervaardigd zijn overeenkomstig een specificatie:

zijde (met inbegrip van cocons die ongeschikt zijn om af te haspelen, garen en rafelingen):

niet gekaard of gekamd

overige

wol of fijn of grof dierlijk haar, met inbegrip van garen, met uitzondering van rafelingen:

kammelingen van wol of fijn dierlijk haar

ander afval of wol of fijn dierlijk haar

afval van grof dierlijk haar

katoen (met inbegrip van garen en rafelingen):

garen (met inbegrip van draden)

rafelingen

overige

vlasklodden en vlasafval

lokken en afval (met inbegrip van garen en rafelingen) van hennep (Cannabis sativa L.)

lokken en afval (met inbegrip van garen en rafelingen) van jute en andere bastvezels (met uitzondering van vlas, hennep en ramee)

lokken en afval (met inbegrip van garen en rafelingen) van sisal en andere textielvezels van het geslacht Agave

lokken, kammelingen en afval (met inbegrip van garen en rafelingen) van kokosnoten

lokken, kammelingen en afval (met inbegrip van garen en rafelingen) van manillahennep (Manillahennep of Musa textilis)

lokken, kammelingen en afval (met inbegrip van garen en rafelingen) van ramee en andere plantaardige textielvezels, die niet elders zijn genoemd of opgenomen

afval (met inbegrip van kammelingen, garen en rafelingen) van kunstvezels:

synthetische vezels

kunstvezels

oude kleding en andere afgedankte textielwaren

oude lappen, touwafval, kabeltouw, touw en kabels en versleten artikelen van touw, kabeltouw of kabel van textiel:

gesorteerd

overige

B3035

textielafval van vloerbedekking en vloerkleden

B3040

rubber afvalstoffen

de volgende materialen, mits deze niet vermengd zijn met andere afvalstoffen:

afval en restanten van hard rubber (bv. eboniet)

andere rubber afvalstoffen (met uitzondering van afvalstoffen die elders zijn genoemd)

B3050

onbehandeld kurk en houtafval:

houtafval en -restanten, al dan niet tot blokken, briketten, korrels of vergelijkbare vorm geperst

kurkresten: gebroken, gegranuleerd of gemalen

B3060

afvalstoffen afkomstig uit de levensmiddelenindustrie, mits deze niet infectieus zijn:

wijndroesem

gedroogd en gesteriliseerd plantaardig afval, residuen en bijproducten, al dan niet in de vorm van korrels, of een als diervoeder gebruikte soort, die niet elders wordt genoemd of is opgenomen

dégras: residuen van de behandeling van vetstoffen of dierlijke of plantaardige was

afval van been en hoornpitten, onbewerkt, ontvet, enkelvoudig behandeld (maar niet op maat gezaagd), behandeld met zuur of ontlijmd

visafval

cacaodoppen, schillen, vliezen en ander cacaoafval

overige afvalstoffen uit de levensmiddelenindustrie, met uitzondering van bijproducten die aan nationale en internationale voorschriften en normen voor de menselijke of dierlijke consumptie voldoen

B3065

afval van spijsoliën en -vetten van dierlijke of plantaardige oorsprong (bv. frituurolie), mits deze geen kenmerk van bijlage III vertonen

B3070

de volgende afvalstoffen:

menselijk haar

stroafval

gedeactiveerde myceliumschimmel afkomstig uit de penicillineproductie dat als diervoeder wordt gebruikt

B3080

snijdsel en restanten van rubber

B3090

snijdsel en andere restanten van leer of kunstleer dat niet geschikt is voor de vervaardiging van lederwaren, met uitzondering van leerslib, en dat geen zeswaardige chroomverbindingen en biociden bevat (zie het vergelijkbare punt van lijst A: A3100)

B3100

leerstof, -as, -slib of -poeder dat geen zeswaardige chroomverbindingen en biociden bevat (zie het vergelijkbare punt van lijst A: A3090)

B3110

afval van de leerbereiding dat geen zeswaardige chroomverbindingen en biociden of infectieuze stoffen bevat (zie het vergelijkbare punt op lijst A: A3110)

B3120

afvalstoffen bestaande uit kleurstoffen voor levensmiddelen

B3130

afgewerkte polymere ethers en afgewerkte niet-gevaarlijke monomere ethers die geen peroxiden kunnen vormen

B3140

oude luchtbanden, met uitzondering van die welke zijn bestemd voor het in bijlage IV A bedoelde gebruik

B4   AFVALSTOFFEN DIE OFWEL ANORGANISCHE OFWEL ORGANISCHE BESTANDDELEN BEVATTEN

B4010

afvalstoffen hoofdzakelijk bestaande uit latexverf/verf op waterbasis, inkt en uitgehard vernis waarin geen organische oplosmiddelen, zware metalen of biociden in die mate voorkomen dat ze gevaarlijk zijn (zie het vergelijkbare punt van lijst A: A4070)

B4020

afvalstoffen afkomstig van de productie, formulering en het gebruik van harsen, latex, weekmakers of lijm/kleefstoffen die in lijst A worden genoemd, zonder oplosmiddelen en andere verontreinigende stoffen in zodanige concentraties dat ze eigenschappen als bedoeld in bijlage III vertonen, bv. op waterbasis, lijm op basis van caseïnezetmeel, dextrine, cellulose-ethers, polyvinylalcoholen (zie het vergelijkbare punt op lijst A: A3050)

B4030

gebruikte wegwerpcamera's, met batterijen die niet in lijst A zijn opgenomen

Deel 2

Afvalstoffen die zijn genoemd in de bijlage bij Beschikking 2000/532/EG (18)

01   AFVAL VAN EXPLORATIE, MIJNBOUW, EXPLOITATIE VAN STEENGROEVEN EN DE FYSISCHE EN CHEMISCHE BEWERKING VAN MINERALEN