Help Print this page 

Document 32006L0115

Title and reference
Richtlijn 2006/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom (gecodificeerde versie)
  • In force
OJ L 376, 27.12.2006, p. 28–35 (ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, SK, SL, FI, SV)
Special edition in Bulgarian: Chapter 17 Volume 003 P. 14 - 21
Special edition in Romanian: Chapter 17 Volume 003 P. 14 - 21
Special edition in Croatian: Chapter 17 Volume 001 P. 218 - 225

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2006/115/oj
Multilingual display
Authentic language
  • Authentic language: Spaans, Tsjechisch, Deens, Duits, Estisch, Grieks, Engels, Frans, Italiaans, Lets, Litouws, Hongaars, Maltees, Nederlands, Pools, Portugees, Slowaaks, Sloveens, Fins, Zweeds, IJslands, Noors
Dates
  • Date of document: 12/12/2006
  • Date of effect: 16/01/2007; in werking datum publicatie + 20 zie art 15
  • Date of transposition: 01/07/1994; ten laatste zie art. 14
  • Date of end of validity: 31/12/9999
Miscellaneous information
  • Author: Europees Parlement, Raad van de Europese Unie
  • Form: Richtlijn
  • Addressee: de lidstaten
  • Additional information: uitbreiding naar de EER door 22007D0056, COD 2006/0073
Relationship between documents
Text

27.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 376/28


RICHTLIJN 2006/115/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 12 december 2006

betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom

(gecodificeerde versie)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 47, lid 2, en op de artikelen 55 en 95,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité,

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 92/100/EEG van de Raad van 19 november 1992 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom (2) is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd (3). Ter wille van de duidelijkheid en een rationele ordening van de tekst dient tot codificatie van deze richtlijn te worden overgegaan.

(2)

De verhuur en uitlening van auteursrechtelijk beschermde werken en van door naburige rechten beschermde zaken spelen steeds een belangrijker rol, met name voor auteurs, kunstenaars en producenten van fonogrammen en films. Piraterij vormt een steeds ernstiger bedreiging.

(3)

De doeltreffende bescherming, door middel van verhuur- en uitleenrechten, van auteursrechtelijk beschermde werken en van door naburige rechten beschermde zaken, alsook de bescherming van door naburige rechten beschermde zaken door middel van het vastleggingsrecht, het distributierecht en het recht tot uitzending en mededeling aan het publiek kunnen bijgevolg voor de economische en culturele ontwikkeling van de Gemeenschap van fundamenteel belang worden geacht.

(4)

Het auteursrecht en de bescherming door naburige rechten moeten worden aangepast aan de nieuwe economische ontwikkelingen, zoals nieuwe exploitatievormen.

(5)

Het creatieve en artistieke werk van auteurs en uitvoerende kunstenaars maakt een passend inkomen noodzakelijk als basis voor verder creatief en artistiek werk en de investeringen die met name voor de productie van fonogrammen en films vereist zijn, zijn bijzonder hoog en riskant en de mogelijkheid om dit inkomen veilig te stellen en deze investering terug te verdienen, kan alleen daadwerkelijk worden gegarandeerd door een passende juridische bescherming van de betrokken rechthebbenden.

(6)

Deze scheppende, artistieke en ondernemersactiviteiten worden grotendeels door zelfstandigen verricht; het verrichten van dergelijke activiteiten moet worden vergemakkelijkt door een geharmoniseerde rechtsbescherming in de Gemeenschap. In zoverre het bij deze activiteiten in hoofdzaak om diensten gaat, dient het verrichten hiervan evenzeer te worden vergemakkelijkt door in de Gemeenschap een geharmoniseerd wettelijk kader tot stand te brengen.

(7)

De wetgeving van de lidstaten moet zodanig worden geharmoniseerd, dat zij niet in strijd komt met internationale verdragen waarop de wetten betreffende het auteursrecht en de naburige rechten van vele lidstaten zijn gebaseerd.

(8)

Men behoeft in de communautaire regelgeving betreffende het verhuur- en uitleenrecht en betreffende bepaalde naburige rechten slechts vast te stellen dat de lidstaten aan bepaalde groepen van rechthebbenden rechten met betrekking tot verhuur en uitlening moeten toekennen, en moet voorts alleen bepalen dat voor bepaalde groepen van rechthebbenden op bescherming door naburige rechten dient te worden voorzien in vastleggings-, verspreidings-, uitzendings- en openbare-mededelingsrechten.

(9)

De begrippen „verhuur” en „uitlening” moeten worden gedefinieerd.

(10)

Het is duidelijkheidshalve wenselijk bepaalde vormen van ter beschikking stellen, zoals het ter beschikking stellen van fonogrammen of films voor publieke vertoning of uitzending, het ter beschikking stellen voor tentoonstelling of het ter beschikking stellen voor raadpleging ter plaatse, niet te beschouwen als „verhuur” of „uitlening” in de zin van deze richtlijn. „Uitlening” in de zin van deze richtlijn dient niet het ter beschikking stellen tussen voor het publiek toegankelijke instellingen onderling te omvatten.

(11)

Wanneer de door een voor het publiek toegankelijke instelling verrichte uitlening aanleiding geeft tot een betaling waarvan het bedrag niet hoger is dan hetgeen noodzakelijk is om de huishoudelijke kosten van de instelling te dekken, is er geen sprake van direct of indirect economisch of commercieel voordeel in de zin van deze richtlijn.

(12)

Een regeling moet worden ingevoerd die een niet voor afstand vatbaar recht op een billijke vergoeding waarborgt aan auteurs en uitvoerende kunstenaars, die de mogelijkheid moeten behouden om het beheer van dit recht toe te vertrouwen aan maatschappijen voor collectieve belangenbehartiging die hen vertegenwoordigen.

(13)

Deze billijke vergoeding kan uitgekeerd worden op basis van een of meer betalingen op ongeacht welk moment, bij het sluiten van het contract of later. Rekening dient te worden gehouden met het belang van de bijdrage van de betrokken auteurs en uitvoerende kunstenaars aan de productie en de exploitatie van het fonogram of de film.

(14)

Ook de rechten van ten minste de auteurs ten aanzien van openbare uitlening moeten worden beschermd door een bijzondere regeling in te voeren. Evenwel moet elke in afwijking van het uitsluitende openbare uitleenrecht genomen maatregel met name overeenstemmen met artikel 12 van het Verdrag.

(15)

De bepalingen van deze richtlijn betreffende het auteursrecht dienen de lidstaten niet te beletten het in deze richtlijn bedoelde vermoeden ten aanzien van contracten die uitvoerende kunstenaars individueel of collectief voor de productie van een film hebben gesloten met een filmproducent uit te breiden tot de bovengenoemde uitsluitende rechten. Die bepalingen dienen de lidstaten bovendien niet te beletten te voorzien in een weerlegbaar vermoeden dat de exploitatie is toegestaan op grond van de in de relevante bepalingen van deze richtlijn neergelegde uitsluitende rechten van uitvoerende kunstenaars, mits dat vermoeden verenigbaar is met het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties (hierna het „Verdrag van Rome” te noemen).

(16)

De lidstaten moeten kunnen voorzien in een verderreikende bescherming van houders van naburige rechten dan op grond van de bepalingen van deze richtlijn betreffende uitzending en mededeling aan het publiek vereist is.

(17)

De geharmoniseerde verhuur- en uitleenrechten mogen niet worden uitgeoefend op een dusdanige wijze en de geharmoniseerde bescherming op het gebied van naburige rechten mag niet in praktijk worden gebracht op een dusdanige wijze, dat dit een verkapte beperking van de handel tussen lidstaten vormt, dan wel op een wijze die in strijd is met de chronologie voor de exploitatie door de media, zoals erkend in het arrest Cinéthèque tegen FNCF (4).

(18)

Deze richtlijn dient de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage I, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht van de aldaar genoemde richtlijnen onverlet te laten,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

VERHUUR- EN UITLEENRECHT

Artikel 1

Voorwerp van de harmonisatie

1.   Overeenkomstig dit hoofdstuk en onverminderd artikel 6 stellen de lidstaten een recht in om de verhuur en uitlening van originelen en kopieën van auteursrechtelijk beschermde werken en anderszins beschermde zaken als omschreven in artikel 3, lid 1, toe te staan of te verbieden.

2.   De in lid 1 genoemde rechten worden niet uitgeput door verkoop of enige andere vorm van verspreiding van originelen of kopieën van auteursrechtelijk beschermde werken of anderszins beschermde zaken als omschreven in artikel 3, lid 1.

Artikel 2

Definities

1.   Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

a)

„verhuur”: het voor gebruik ter beschikking stellen voor een beperkte tijd en tegen een direct of indirect economisch of commercieel voordeel;

b)

„uitlening”: het voor gebruik ter beschikking stellen voor een beperkte tijd en zonder direct of indirect economisch of commercieel voordeel, indien dat plaatsvindt via voor het publiek toegankelijke instellingen;

c)

„film”: een cinematografisch of audiovisueel werk of bewegende beelden, met of zonder geluid.

2.   De hoofdregisseur van een cinematografisch of audiovisueel werk wordt beschouwd als de auteur of één van de auteurs. De lidstaten kunnen bepalen dat andere personen beschouwd worden als co-auteurs.

Artikel 3

Rechthebbenden en voorwerp van het verhuur- en uitleenrecht

1.   Het uitsluitende recht verhuur en uitlening toe te staan of te verbieden, komt toe aan:

a)

de auteur, met betrekking tot het origineel en kopieën van zijn werk;

b)

de uitvoerende kunstenaar, met betrekking tot vastleggingen van zijn uitvoering;

c)

de producent van fonogrammen, met betrekking tot zijn fonogrammen;

d)

de producent van de eerste vastlegging van een film met betrekking tot het origineel en de kopieën van zijn film.

2.   Verhuur- en uitleenrechten met betrekking tot bouwwerken en werken van toegepaste kunst vallen niet onder deze richtlijn.

3.   De in lid 1 bedoelde rechten kunnen contractueel overgedragen of in licentie gegeven worden.

4.   Onverminderd lid 6 wordt, wanneer uitvoerende kunstenaars individueel of collectief een contract voor de productie van een film hebben gesloten met een filmproducent, de in het contract genoemde uitvoerende kunstenaar geacht, behoudens andersluidend beding, zijn verhuurrecht te hebben overgedragen, onder voorbehoud van artikel 5.

5.   De lidstaten kunnen voor auteurs voorzien in een soortgelijk vermoeden als bedoeld in lid 4.

6.   De lidstaten kunnen bepalen dat de ondertekening van het tussen een uitvoerend kunstenaar en een filmproducent gesloten contract voor de productie van een film geldt als toestemming tot verhuur, voor zover dit contract voorziet in een billijke vergoeding in de zin van artikel 5. De lidstaten kunnen ook bepalen dat dit lid van overeenkomstige toepassing is op de in hoofdstuk II bedoelde rechten.

Artikel 4

Verhuur van computerprogramma's

Deze richtlijn laat artikel 4, onder c), van Richtlijn 91/250/EEG van de Raad van 14 mei 1991 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma's (5) onverlet.

Artikel 5

Niet voor afstand vatbaar recht op een billijke vergoeding

1.   Wanneer een auteur of een uitvoerend kunstenaar zijn verhuurrecht betreffende een fonogram of betreffende het origineel dan wel een kopie van een film heeft overgedragen of afgestaan aan een fonogram- of filmproducent, behoudt hij het recht op een billijke vergoeding voor de verhuur.

2.   Het recht op een billijke vergoeding voor verhuur is niet vatbaar voor afstand door de auteurs of uitvoerende kunstenaars.

3.   Het beheer van het recht op een billijke vergoeding kan worden toevertrouwd aan maatschappijen voor collectieve belangenbehartiging die auteurs of uitvoerende kunstenaars vertegenwoordigen.

4.   De lidstaten kunnen zelf beslissen of en in hoever het beheer van het recht op een billijke vergoeding door maatschappijen voor collectieve belangenbehartiging verplicht kan worden gesteld, alsmede van wie deze vergoeding kan worden geëist of geïnd.

Artikel 6

Afwijking van het uitsluitende openbare uitleenrecht

1.   De lidstaten kunnen ten aanzien van openbare uitlening afwijken van het in artikel 1 bedoelde uitsluitende recht, mits ten minste de auteurs een vergoeding krijgen voor deze uitlening. Met inachtneming van hun doelstellingen voor bevordering van culturele activiteiten, kunnen de lidstaten de hoogte van deze vergoeding vrij vaststellen.

2.   Wanneer de lidstaten het in artikel 1 bedoelde uitsluitende uitleenrecht betreffende fonogrammen, films en computerprogramma's niet toepassen, voeren zij ten minste voor de auteurs een vergoeding in.

3.   De lidstaten kunnen bepaalde categorieën instellingen vrijstellen van betaling van de in de leden 1 en 2 bedoelde vergoeding.

HOOFDSTUK II

NABURIGE RECHTEN

Artikel 7

Vastleggingsrecht

1.   De lidstaten voorzien ten behoeve van uitvoerende kunstenaars in het uitsluitende recht om vastlegging van hun uitvoeringen toe te staan of te verbieden.

2.   De lidstaten voorzien ten behoeve van omroeporganisaties in het uitsluitende recht om vastlegging van hun uitzendingen toe te staan of te verbieden, ongeacht of deze uitzendingen al dan niet via de ether plaatsvinden, uitzendingen per kabel of satelliet daaronder begrepen.

3.   Het in lid 2 bedoelde recht is niet van toepassing op kabelmaatschappijen voor het louter relayeren van uitzendingen van omroeporganisaties via de kabel.

Artikel 8

Uitzending en mededeling aan het publiek

1.   De lidstaten kennen uitvoerende kunstenaars het uitsluitende recht toe, het uitzenden via de ether en het mededelen aan het publiek van hun uitvoeringen toe te staan of te verbieden, behalve wanneer de uitvoering op zichzelf reeds een uitzending is of aan de hand van een vastlegging is vervaardigd.

2.   De lidstaten stellen een recht in om ervoor te zorgen dat een enkele billijke vergoeding wordt uitgekeerd door de gebruiker, wanneer een voor handelsdoeleinden uitgegeven fonogram of een reproductie daarvan wordt gebruikt voor uitzending via de ether of voor enigerlei mededeling aan het publiek, en dat deze vergoeding wordt verdeeld tussen de betrokken uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen. Bij gebreke van overeenstemming tussen uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen kunnen de lidstaten bepalen volgens welke voorwaarden deze vergoeding tussen beide partijen wordt verdeeld.

3.   De lidstaten kennen omroeporganisaties het uitsluitende recht toe om heruitzending van hun uitzendingen via de ether en de mededeling aan het publiek van hun uitzendingen toe te staan of te verbieden, indien deze mededeling plaatsvindt op plaatsen die tegen betaling van een toegangsprijs voor het publiek toegankelijk zijn.

Artikel 9

Distributierecht

1.   De lidstaten voorzien in een uitsluitend recht, hierna „distributierecht” te noemen, om de in de onder de punten a) tot en met d) vermelde zaken, met inbegrip van kopieën ervan, door verkoop of anderszins ter beschikking van het publiek te stellen, ten behoeve van:

a)

uitvoerende kunstenaars, met betrekking tot de vastleggingen van hun uitvoeringen;

b)

producenten van fonogrammen, met betrekking tot hun fonogrammen;

c)

producenten van de eerste vastleggingen van films, met betrekking tot het origineel en de kopieën van hun films;

d)

omroeporganisaties, met betrekking tot de vastleggingen van hun uitzendingen, als omschreven in artikel 7, lid 2.

2.   Het distributierecht op een in lid 1 bedoelde zaak wordt in de Gemeenschap slechts uitgeput wanneer die zaak door de rechthebbende of met diens toestemming voor de eerste maal in de Gemeenschap wordt verkocht.

3.   Het distributierecht laat de bijzondere bepalingen van hoofdstuk I, inzonderheid artikel 1, lid 2, onverlet.

4.   Het distributierecht kan contractueel overgedragen of in licentie gegeven worden.

Artikel 10

Beperkingen op de rechten

1.   De lidstaten kunnen op de in dit hoofdstuk genoemde rechten beperkingen stellen ten aanzien van:

a)

privé gebruik;

b)

gebruik van korte uittreksels in verband met de verslaggeving over actuele gebeurtenissen;

c)

kortstondige vastlegging door een omroeporganisatie met behulp van haar eigen middelen en voor haar eigen uitzendingen;

d)

gebruik uitsluitend ten behoeve van onderwijs of wetenschappelijk onderzoek.

2.   Onverminderd lid 1 kan elke lidstaat op de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen, omroeporganisaties en producenten van de eerste vastleggingen van films, dezelfde beperkingen stellen als op de auteursrechtelijke bescherming van werken van letterkunde en kunst.

Dwanglicenties mogen evenwel slechts worden toegekend in zoverre deze met het Verdrag van Rome verenigbaar zijn.

3.   De in de leden 1 en 2 bedoelde beperkingen mogen slechts in bepaalde bijzondere gevallen worden toegepast, mits daarbij geen afbreuk wordt gedaan aan de normale exploitatie van werken of ander materiaal en de wettige belangen van de rechthebbenden niet onredelijk worden geschaad.

HOOFDSTUK III

GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

Artikel 11

Toepassing in de tijd

1.   Deze richtlijn geldt met betrekking tot alle erin genoemde auteursrechtelijk beschermde werken, uitvoeringen, fonogrammen, uitzendingen en eerste vastleggingen van films die, op 1 juli 1994, nog door de wetgeving van de lidstaten op het gebied van auteursrecht en de naburige rechten werden beschermd, of die op die datum aan de beschermingscriteria van deze richtlijn voldeden.

2.   Deze richtlijn laat alle vóór 1 juli 1994 verrichte exploitatiehandelingen onverlet.

3.   De lidstaten kunnen bepalen dat de rechthebbenden geacht worden de verhuur of de uitlening van in artikel 3, lid 1, onder a) tot en met d), omschreven zaken te hebben toegestaan, indien bewezen wordt dat deze zaken vóór 1 juli 1994 met dat doel aan derden ter beschikking zijn gesteld of zijn verkregen.

De lidstaten kunnen echter, met name indien het een digitale opname betreft, bepalen dat de rechthebbenden recht hebben op een passende vergoeding voor het verhuren of uitlenen van die opname.

4.   De lidstaten hoeven artikel 2, lid 2, niet toe te passen op films die vóór 1 juli 1994 tot stand zijn gekomen.

5.   Onverminderd lid 3 en overeenkomstig lid 7 laat deze richtlijn vóór 19 november 1992 gesloten contracten onverlet.

6.   De lidstaten kunnen, met inachtneming van lid 7, bepalen dat rechthebbenden die nieuwe rechten verwerven op grond van nationale regels die ter uitvoering van deze richtlijn zijn aangenomen, en die vóór 1 juli 1994 hebben toegestemd in exploitatie, geacht worden de nieuwe uitsluitende rechten te hebben overgedragen.

7.   Voor contracten die vóór 1 juli 1994 zijn gesloten, is het in artikel 5 bedoelde recht op een billijke vergoeding alleen van toepassing indien de auteurs, uitvoerende kunstenaars of hun vertegenwoordigers vóór 1 januari 1997 hiervoor een verzoek hebben ingediend. Indien rechthebbenden het niet eens kunnen worden over de hoogte van de vergoeding, kunnen de lidstaten die vaststellen.

Artikel 12

Relatie tussen auteursrecht en naburige rechten

De in deze richtlijn geregelde bescherming van de naburige rechten laat onverlet en is op generlei wijze van invloed op de auteursrechtelijke bescherming.

Artikel 13

Kennisgeving

De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die op het onder deze richtlijn vallende gebied zijn vastgesteld.

Artikel 14

Intrekking

Richtlijn 92/100/EEG wordt ingetrokken, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage I, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht van de aldaar genoemde richtlijnen.

Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage II.

Artikel 15

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 16

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 12 december 2006.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

J. BORRELL FONTELLES

Voor de Raad

De voorzitter

M. PEKKARINEN


(1)  Advies van het Europees Parlement van 12 oktober 2006 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  PB L 346 van 27.11.1992, blz. 61. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 167 van 22.6.2001, blz. 10).

(3)  Zie bijlage I, deel A.

(4)  Zaken 60/84 en 61/84, Jurisprudentie 1985, blz. 2 605.

(5)  PB L 122 van 17.5.1991, blz. 42. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 93/98/EEG (PB L 290 van 24.11.1993, blz. 9).


BIJLAGE I

DEEL A

Ingetrokken richtlijn met de achtereenvolgende wijzigingen ervan

Richtlijn 92/100/EEG van de Raad

(PB L 346 van 27.11.1992, blz. 61)

 

Richtlijn 93/98/EEG van de Raad

(PB L 290 van 24.11.1993, blz. 9)

Uitsluitend artikel 11, lid 2

Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 167 van 22.6.2001, blz. 10)

Uitsluitend artikel 11, lid 1

DEEL B

Termijnen voor omzetting in nationaal recht

(bedoeld in artikel 14)

Richtlijn

Omzettingstermijn

92/100/EEG

1 juli 1994

93/98/EEG

30 juni 1995

2001/29/EG

21 december 2002


BIJLAGE II

CONCORDANTIETABEL

Richtlijn 92/100/EEG

De onderhavige richtlijn

Artikel 1, lid 1

Artikel 1, lid 1

Artikel 1, lid 2

Artikel 2, lid 1, aanhef en onder a)

Artikel 1, lid 3

Artikel 2, lid 1, onder b)

Artikel 1, lid 4

Artikel 1, lid 2

Artikel 2, lid 1, aanhef

Artikel 3, lid 1, aanhef

Artikel 2, lid 1, eerste streepje

Artikel 3, lid 1, onder a)

Artikel 2, lid 1, tweede streepje

Artikel 3, lid 1, onder b)

Artikel 2, lid 1, derde streepje

Artikel 3, lid 1, onder c)

Artikel 2, lid 1, vierde streepje, eerste zin

Artikel 3, lid 1, onder d)

Artikel 2, lid 1, vierde streepje, tweede zin

Artikel 2, lid 1, onder c)

Artikel 2, lid 2

Artikel 2, lid 2

Artikel 2, lid 3

Artikel 3, lid 2

Artikel 2, lid 4

Artikel 3, lid 3

Artikel 2, lid 5

Artikel 3, lid 4

Artikel 2, lid 6

Artikel 3, lid 5

Artikel 2, lid 7

Artikel 3, lid 6

Artikel 3

Artikel 4

Artikel 4

Artikel 5

Artikel 5, leden 1 tot en met 3

Artikel 6, leden 1 tot en met 3

Artikel 5, lid 4

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 8

Artikel 8

Artikel 9, lid 1, aanhef en slot

Artikel 9, lid 1, aanhef

Artikel 9, lid 1, eerste streepje

Artikel 9, lid 1, onder a)

Artikel 9, lid 1, tweede streepje

Artikel 9, lid 1, onder b)

Artikel 9, lid 1, derde streepje

Artikel 9, lid 1, onder c)

Artikel 9, lid 1, vierde streepje

Artikel 9, lid 1, onder d)

Artikel 9, leden 2, 3 en 4

Artikel 9, leden 2, 3 en 4

Artikel 10, lid 1

Artikel 10, lid 1

Artikel 10, lid 2, eerste zin

Artikel 10, lid 2, eerste alinea

Artikel 10, lid 2, tweede zin

Artikel 10, lid 2, tweede alinea

Artikel 10, lid 3

Artikel 10, lid 3

Artikel 13, leden 1 en 2

Artikel 11, leden 1 en 2

Artikel 13, lid 3, eerste zin

Artikel 11, lid 3, eerste alinea

Artikel 13, lid 3, tweede zin

Artikel 11, lid 3, tweede alinea

Artikel 13, lid 4

Artikel 11, lid 4

Artikel 13, lid 5

Artikel 13, lid 6

Artikel 11, lid 5

Artikel 13, lid 7

Artikel 11, lid 6

Artikel 13, lid 8

Artikel 13, lid 9

Artikel 11, lid 7

Artikel 14

Artikel 12

Artikel 15, lid 1

Artikel 15, lid 2

Artikel 13

Artikel 14

Artikel 15

Artikel 16

Artikel 16

Bijlage I

Bijlage II


Top