Help Print this page 

Document 32006L0112

Title and reference
Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde
  • In force
OJ L 347, 11.12.2006, p. 1–118 (ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, SK, SL, FI, SV)
Special edition in Bulgarian: Chapter 09 Volume 003 P. 7 - 125
Special edition in Romanian: Chapter 09 Volume 003 P. 7 - 125
Special edition in Croatian: Chapter 09 Volume 001 P. 120 - 237

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2006/112/oj
Multilingual display
Authentic language
  • Authentic language: Spaans, Tsjechisch, Deens, Duits, Estisch, Grieks, Engels, Frans, Italiaans, Lets, Litouws, Hongaars, Maltees, Nederlands, Pools, Portugees, Slowaaks, Sloveens, Fins, Zweeds
Dates
  • Date of document: 28/11/2006
  • Date of effect: 01/01/2007; in werking zie art 413
  • Date of transposition: 01/01/2008; ten laatste zie art. 412
  • Date of end of validity: 31/12/9999
Miscellaneous information
  • Author: Raad van de Europese Unie
  • Form: Richtlijn
  • Addressee: de lidstaten
  • Additional information: CNS 2004/0079
Relationship between documents
Text

11.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 347/1


RICHTLIJN 2006/112/EG VAN DE RAAD

van 28 november 2006

betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 93,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (1) is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd. Nu deze richtlijn opnieuw wordt gewijzigd, dient ter wille van de duidelijkheid van de tekst tot herschikking van deze richtlijn te worden overgegaan.

(2)

Bij deze herschikking moeten de nog toepasselijke bepalingen van Richtlijn 67/227/EEG van de Raad van 11 april 1967 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting (2) worden overgenomen. De genoemde richtlijn dient bijgevolg te worden ingetrokken.

(3)

Een heldere en rationele presentatie van de bepalingen, overeenkomstig het beginsel van betere regelgeving, vergt dat de structuur en de formulering van de richtlijn worden herschikt, waarbij evenwel in principe geen materiële wijzigingen in de bestaande wetgeving worden aangebracht. Niettemin moet een gering aantal materiële wijzigingen die inherent zijn aan de herschikkingsexercitie, in de tekst worden aangebracht. De wijzigingen in kwestie zijn limitatief vermeld in de bepalingen betreffende omzetting en inwerkingtreding.

(4)

Het verwezenlijken van de doelstelling een interne markt in te stellen vooronderstelt dat in de lidstaten wetgevingen inzake omzetbelasting worden toegepast die de mededingingsvoorwaarden niet vervalsen en het vrije verkeer van goederen en diensten niet belemmeren. Het is derhalve noodzakelijk om door middel van een stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (BTW) een harmonisatie van de wetgevingen inzake omzetbelasting tot stand te brengen die ten doel heeft, de factoren die de mededingingsvoorwaarden op nationaal of op communautair niveau zouden kunnen vervalsen, zoveel mogelijk uit te schakelen.

(5)

Een BTW-stelsel verkrijgt de grootste mate van eenvoud en neutraliteit wanneer de belasting zo algemeen mogelijk wordt geheven en het toepassingsgebied ervan alle fasen van de productie en de distributie, zomede het verrichten van diensten omvat. Het is derhalve in het belang van de interne markt en van de lidstaten een gemeenschappelijk stelsel te aanvaarden dat tevens op de kleinhandelsfase wordt toegepast.

(6)

Het is noodzakelijk fasegewijs te werk te gaan, omdat de harmonisatie van de omzetbelastingen in de lidstaten tot wijzigingen in de belastingstructuur leidt en merkbare gevolgen heeft op budgettair, economisch en sociaal terrein.

(7)

Het gemeenschappelijke BTW-stelsel moet — zelfs indien de tarieven en vrijstellingen niet volledig worden geharmoniseerd — uiteindelijk mededingingsneutraal zijn in die zin dat op het grondgebied van elke lidstaat op soortgelijke goederen en diensten dezelfde belastingdruk rust, ongeacht de lengte van de productie- en distributieketen.

(8)

Krachtens Besluit 2000/597/EG, Euratom van de Raad van 29 september 2000 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (3) wordt de begroting van de Gemeenschappen, onverminderd de andere ontvangsten, in haar geheel gefinancierd uit de eigen middelen van de Gemeenschappen. Deze middelen omvatten onder meer de ontvangsten uit de BTW, verkregen door toepassing van een gemeenschappelijk percentage op een grondslag die op uniforme wijze volgens communautaire voorschriften wordt vastgesteld.

(9)

Een overgangsperiode is noodzakelijk om de nationale wetgevingen op bepaalde terreinen geleidelijk te kunnen aanpassen.

(10)

Gedurende deze overgangsperiode moeten de intracommunautaire handelingen die worden verricht door andere belastingplichtigen dan vrijgestelde belastingplichtigen, in de lidstaten van bestemming worden belast op basis van de tarieven en voorwaarden van die lidstaten.

(11)

Gedurende deze overgangsperiode moet in de lidstaten van bestemming eveneens belasting worden geheven, op basis van de tarieven en voorwaarden van die lidstaten, op de intracommunautaire verwervingen die voor een bepaald bedrag worden verricht door vrijgestelde belastingplichtigen of door niet-belastingplichtige rechtspersonen, alsmede op bepaalde intracommunautaire afstandsverkopen en leveringen van nieuwe vervoermiddelen aan particulieren of aan vrijgestelde of niet-belastingplichtige lichamen, voor zover deze handelingen bij ontstentenis van bijzondere bepalingen de mededinging tussen de lidstaten ernstig zouden kunnen verstoren.

(12)

Bepaalde grondgebieden dienen, om redenen die verband houden met hun geografische, economische en sociale positie, van de werkingssfeer van deze richtlijn te worden uitgesloten.

(13)

Het begrip „belastingplichtige” moet zodanig worden gedefinieerd, dat de lidstaten, teneinde een betere belastingneutraliteit te waarborgen, in staat worden gesteld hieronder personen te laten vallen die incidenteel handelingen verrichten.

(14)

Het begrip „belastbare handeling” kan leiden tot moeilijkheden, met name wat betreft de met belastbare handelingen gelijkgestelde handelingen. Het is derhalve noodzakelijk deze begrippen nader te omschrijven.

(15)

Ter vergemakkelijking van het intracommunautaire verkeer op het terrein van bewerkingen van roerende lichamelijke zaken is het dienstig belastingregels terzake vast te stellen wanneer die bewerkingen worden verricht voor afnemers die voor BTW-doeleinden geïdentificeerd zijn in een andere lidstaat dan die waar de dienst daadwerkelijk wordt verricht.

(16)

Het is dienstig vervoer dat op het grondgebied van een lidstaat wordt verricht, wanneer het rechtstreeks verband houdt met tussen lidstaten verricht vervoer, gelijk te stellen aan intracommunautair goederenvervoer, teneinde niet alleen de belastingbeginselen en -regels voor deze binnenlandse vervoerdiensten te vereenvoudigen, maar ook die welke van toepassing zijn op de daarmee samenhangende diensten alsmede op de diensten welke worden verricht door tussenpersonen die bij het verrichten van deze verschillende diensten bemiddelen.

(17)

De vaststelling van de plaats van de belastbare handelingen kan leiden tot bevoegdheidsconflicten tussen de lidstaten, met name met betrekking tot de levering inclusief montage van een goed en met betrekking tot diensten. Hoewel de plaats van een dienst in beginsel moet worden vastgesteld op de plaats waar de dienstverrichter de zetel van zijn bedrijfsuitoefening heeft gevestigd, moet die plaats in bepaalde gevallen toch worden vastgesteld in de lidstaat van de afnemer van de dienst, met name voor sommige diensten tussen belastingplichtigen waarvan de kosten in de prijs van de goederen worden opgenomen.

(18)

De definitie van de plaats van belastingheffing voor bepaalde handelingen aan boord van een schip, vliegtuig of trein bij vervoer van passagiers binnen de Gemeenschap, dient te worden gepreciseerd.

(19)

Gas en elektriciteit worden voor BTW-doeleinden als goederen beschouwd. Het is evenwel bijzonder moeilijk de plaats van levering te bepalen. Teneinde dubbele heffing of niet-heffing van de belasting te voorkomen en een echte interne markt tot stand te brengen, dient als plaats van levering van gas via het aardgasdistributiesysteem en van elektriciteit, voordat de goederen het stadium van het eindverbruik bereiken, derhalve te worden aangemerkt de plaats waar de afnemer de zetel van zijn bedrijfsuitoefening heeft gevestigd. De levering van gas en elektriciteit in het stadium van het eindverbruik, door de handelaar en de distributeur aan de eindverbruiker, moet worden belast op de plaats waar de afnemer daadwerkelijk het gebruik en verbruik van de goederen heeft.

(20)

Wanneer de algemene regel dat diensten worden belast in de lidstaat waar de dienstverrichter gevestigd is, wordt toegepast op de verhuur van roerende lichamelijke zaken, kan dit tot aanzienlijke verstoringen van de mededinging leiden wanneer de verhuurder en de huurder gevestigd zijn in verschillende lidstaten en de belastingtarieven in die lidstaten verschillen. Er dient derhalve te worden bepaald dat de plaats van een dienst de plaats is waar de huurder de zetel van zijn bedrijfsuitoefening of een vaste inrichting heeft gevestigd waarvoor de dienst is verricht, of bij gebreke van een dergelijke zetel of vaste inrichting, zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats.

(21)

Wat de verhuur van vervoermiddelen betreft, dient de algemene regel echter, om redenen van controletechnische aard, strikt te worden toegepast door als plaats van deze dienst de plaats aan te merken waar de dienstverrichter gevestigd is.

(22)

Alle telecommunicatiediensten waarvan in de Gemeenschap gebruik wordt gemaakt, dienen te worden belast, teneinde verstoringen van de mededinging op dat gebied te voorkomen. Telecommunicatiediensten verricht voor in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtigen of voor in een derde land gevestigde afnemers moeten te dien einde in beginsel worden belast op de plaats waar de afnemer van de diensten gevestigd is. Teneinde een uniforme belastingheffing te garanderen van telecommunicatiediensten die door in derdelandsgebieden of in derde landen gevestigde belastingplichtigen worden verricht voor in de Gemeenschap gevestigde niet-belastingplichtigen en waarvan het werkelijke gebruik en de werkelijke exploitatie in de Gemeenschap geschieden, zouden de lidstaten evenwel in beginsel moeten bepalen dat de plaats van de dienst binnen de Gemeenschap gelegen is.

(23)

Mede om verstoringen van de mededinging te voorkomen, moeten radio- en televisieomroepdiensten en diensten die langs elektronische weg worden verricht vanuit derdelandsgebieden of derde landen voor in de Gemeenschap gevestigde personen of vanuit de Gemeenschap voor in derdelandsgebieden of derde landen gevestigde afnemers, worden belast op de plaats van vestiging van de afnemer van de dienst.

(24)

De begrippen „belastbaar feit” en „verschuldigheid van de belasting” moeten worden geharmoniseerd, opdat de toepassing en de latere wijzigingen van het gemeenschappelijk BTW-stelsel in alle lidstaten op hetzelfde tijdstip ingaan.

(25)

De maatstaf van heffing moet worden geharmoniseerd, opdat de toepassing van de BTW op de belastbare handelingen in alle lidstaten tot vergelijkbare resultaten leidt.

(26)

De lidstaten moeten zich in bepaalde welomschreven omstandigheden kunnen uitspreken over de waarde van goederenleveringen, diensten en intracommunautaire verwervingen, teneinde te voorkomen dat zij, doordat via het inschakelen van verbonden partijen een belastingvoordeel wordt behaald, belastinginkomsten derven.

(27)

Teneinde fraude of belastingontwijking te bestrijden, moeten de lidstaten in de maatstaf van heffing voor een handeling waarbij door een afnemer ter beschikking gesteld beleggingsgoud wordt verwerkt, de waarde van dat beleggingsgoud kunnen opnemen wanneer dit goud ingevolge de verwerking niet meer als beleggingsgoud kan worden aangemerkt. De lidstaten dient een zekere beoordelingsruimte te worden gelaten bij de toepassing van deze maatregelen.

(28)

De afschaffing van de belastinggrenzen impliceert, wil men verstoringen van de mededinging voorkomen, niet alleen een uniforme BTW-grondslag, doch tevens een aantal tarieven en tariefhoogten in de lidstaten die elkaar voldoende benaderen.

(29)

Het normale BTW-tarief dat in de diverse lidstaten van kracht is, zorgt er in combinatie met voorschriften van de overgangsregeling voor dat dit stelsel in aanvaardbare mate functioneert. Om te voorkomen dat de verschillen in het normale BTW-tarief dat de lidstaten toepassen, tot structurele onevenwichtigheden in de Gemeenschap en tot verstoringen van de mededinging in bepaalde bedrijfssectoren leiden, dient de ondergrens van het normale tarief op 15 % te worden bepaald, welk cijfer opnieuw kan worden bezien.

(30)

Om de BTW-neutraliteit te waarborgen, zouden de door de lidstaten toegepaste tarieven de normale aftrek van de voorbelasting mogelijk moeten maken.

(31)

Tijdens de overgangsperiode moeten bepaalde afwijkingen inzake aantal en hoogte van de tarieven mogelijk zijn.

(32)

Voor een beter begrip van het effect van de verlaagde tarieven is een evaluatierapport van de Commissie over het effect van de verlaagde tarieven op lokale diensten, met name wat het scheppen van werkgelegenheid, de economische groei en de goede werking van de interne markt betreft, noodzakelijk.

(33)

Ter bestrijding van het werkloosheidsprobleem dienen de lidstaten desgewenst in de gelegenheid te worden gesteld met de toepassing en de effecten van een gerichte BTW-verlaging voor arbeidsintensieve diensten te experimenteren. Deze verlaging zou ook de verleiding voor de betrokken ondernemingen om in „het zwarte circuit” te verdwijnen, respectievelijk in dat circuit te blijven, minder groot kunnen maken.

(34)

Een dergelijke tariefverlaging is echter voor de goede werking van de interne markt en voor de neutraliteit van de belasting niet zonder gevaar. Het is derhalve zaak in een machtigingsprocedure te voorzien waarbij een dergelijke tariefverlaging wordt toegestaan voor een periode die lang genoeg is om het effect van de verlaagde tarieven op lokale diensten te kunnen beoordelen. Ook is het nodig om het toepassingsgebied van een dergelijke maatregel strikt te definiëren, opdat het controleerbare en beperkte kader ervan behouden blijft.

(35)

Met het oog op een vergelijkbare inning van de eigen middelen in alle lidstaten dient een gemeenschappelijke lijst van vrijstellingen te worden vastgesteld.

(36)

Ten voordele van zowel de tot voldoening van de belasting gehouden personen als de bevoegde overheidsdiensten zouden de regels voor de heffing van de BTW op bepaalde intracommunautaire leveringen en verwervingen van accijnsproducten moeten worden afgestemd op de aangifteprocedures en -verplichtingen voor verzendingen van deze producten naar een andere lidstaat voorgeschreven bij Richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop (4).

(37)

De levering van gas via het aardgasdistributiesysteem of van elektriciteit wordt belast op de plaats waar de afnemer gevestigd is. Teneinde dubbele heffing te voorkomen, dient de invoer van dergelijke producten derhalve van BTW te worden vrijgesteld.

(38)

Voor de in het binnenlandse verkeer belastbare handelingen in verband met intracommunautair handelsverkeer van goederen dat in de overgangsperiode wordt verricht door belastingplichtigen die niet zijn gevestigd op het grondgebied van de lidstaat van de intracommunautaire verwerving van de goederen, kettingtransacties daaronder begrepen, moeten vereenvoudigingsmaatregelen worden genomen ter waarborging van een gelijkwaardige behandeling in alle lidstaten. Daartoe dienen de bepalingen betreffende de regeling van de belastingheffing en betreffende degene die tot voldoening van de belasting uit hoofde van deze handelingen gehouden is, te worden geharmoniseerd. Goederen die bestemd zijn om in het kleinhandelsstadium te worden geleverd, dienen evenwel in beginsel van deze regelingen te worden uitgesloten.

(39)

De aftrekregelingen moeten worden geharmoniseerd voor zover hiervan invloed uitgaat op het werkelijke niveau van inning, en de berekening van het pro rata voor de toepassing van de aftrek moet in alle lidstaten op overeenkomstige wijze geschieden.

(40)

De regeling die voorziet in de herziening van de aftrek voor investeringsgoederen gedurende de levensduur van dat goed, rekening houdende met het werkelijke gebruik, dient ook te kunnen worden toegepast op bepaalde diensten die het karakter van een investeringsgoed hebben.

(41)

Nader dient te worden bepaald wie tot voldoening van de belasting gehouden is, met name voor bepaalde diensten verricht door niet in de lidstaat waar de belasting verschuldigd is gevestigde dienstverrichters.

(42)

De lidstaten moeten in specifieke gevallen de afnemer van goederen of diensten kunnen aanwijzen als de tot voldoening van de BTW gehouden persoon. Dit moet de lidstaten helpen in bepaalde sectoren en bij bepaalde soorten handelingen de regelgeving te vereenvoudigen en belastingfraude en -ontwijking aan te pakken.

(43)

De lidstaten moeten vrijelijk kunnen blijven bepalen wie tot voldoening van de belasting bij invoer gehouden is.

(44)

De lidstaten moeten kunnen bepalen dat een ander dan de tot voldoening van de belasting gehouden persoon hoofdelijk verplicht is de belasting te voldoen.

(45)

De verplichtingen van de belastingplichtigen moeten zoveel mogelijk worden geharmoniseerd teneinde de nodige waarborgen te verkrijgen met betrekking tot de gelijkheid van de belastingheffing in alle lidstaten.

(46)

Elektronische facturering moet zodanig zijn opgezet dat de belastingdiensten hun controlerende taak kunnen verrichten. Voor een goede werking van de interne markt dient een geharmoniseerde lijst te worden vastgesteld van verplichte vermeldingen die een factuur moet bevatten, alsmede een aantal gemeenschappelijke voorwaarden voor elektronische facturering, elektronische bewaring van facturen, eigenhandige facturering en uitbesteding van factureringswerkzaamheden.

(47)

De lidstaten moeten onder de voorwaarden die zij vaststellen, toestaan en verplicht kunnen stellen dat bepaalde aangiften langs elektronische weg worden verricht.

(48)

Het noodzakelijke streven naar een verlichting van de administratieve en statistische formaliteiten van de ondernemingen, met name de kleine en middelgrote ondernemingen, moet worden verzoend met de toepassing van efficiënte controlemaatregelen en met de zowel om economische als om fiscale redenen onontbeerlijke handhaving van de kwaliteit van de communautaire statistische instrumenten.

(49)

Ten aanzien van kleine ondernemingen moeten de lidstaten hun bijzondere regelingen kunnen behouden, zulks overeenkomstig gemeenschappelijke voorschriften en met het oog op een verdergaande harmonisatie.

(50)

Ten aanzien van landbouwers moeten de lidstaten de mogelijkheid behouden een bijzondere regeling toe te passen met een forfaitaire compensatie van de BTW-voordruk voor de landbouwers die niet onder de normale regeling vallen. De belangrijkste beginselen van deze regeling en een gemeenschappelijke methode voor de berekening van de door deze landbouwers tot stand gebrachte toegevoegde waarde, moeten worden vastgesteld met het oog op de inning van de eigen middelen.

(51)

Er dient een communautaire belastingregeling te worden vastgesteld die van toepassing is op het gebied van gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, antiquiteiten en voorwerpen voor verzamelingen, en die erop gericht is dubbele heffing van de belasting en verstoring van de mededinging tussen belastingplichtigen te vermijden.

(52)

De toepassing van de normale belastingregeling op goud hindert in ernstige mate het gebruik van goud voor beleggingsdoeleinden, zodat de toepassing van een bijzondere belastingregeling te rechtvaardigen is, ook ter versterking van de internationale concurrentiepositie van de communautaire goudmarkt.

(53)

Leveringen van goud voor beleggingsdoeleinden stemmen naar hun aard overeen met andere financiële beleggingen die BTW-vrijstelling genieten. Belastingvrijstelling blijkt derhalve de meest aangewezen fiscale behandeling voor goudleveringen te zijn.

(54)

Gouden munten waarvan de waarde in hoofdzaak overeenkomt met de prijs van het daarin vervatte goud dienen ook onder de definitie van beleggingsgoud te vallen. Uit overwegingen van transparantie en rechtszekerheid moet jaarlijks een lijst worden opgesteld van de munten die onder de regeling voor beleggingsgoud vallen, zodat handelaren in gouden munten zekerheid wordt geboden. Onverminderd deze lijst kan de vrijstelling ook gelden voor munten die niet op deze lijst zijn vermeld, maar die aan de criteria van deze richtlijn voldoen.

(55)

Teneinde belastingfraude te voorkomen en tevens de lasten in verband met de financiering van de levering van goud met ten minste een bepaalde zuiverheid te verlichten, is het gerechtvaardigd de lidstaten toe te staan de afnemer aan te wijzen als degene die tot voldoening van de belasting is gehouden.

(56)

Om het voor ondernemers die langs elektronische weg diensten verrichten en die noch in de Gemeenschap gevestigd zijn noch in de Gemeenschap voor BTW-doeleinden moeten zijn geïdentificeerd, eenvoudiger te maken om aan de belastingverplichtingen te voldoen, moet een bijzondere regeling worden vastgesteld. Door toepassing van deze regeling kan een ondernemer die dergelijke diensten langs elektronische weg in de Gemeenschap aanbiedt aan niet-belastingplichtigen, indien hij niet anderszins voor BTW-doeleinden in de Gemeenschap is geïdentificeerd, kiezen voor identificatie in slechts één lidstaat.

(57)

Het is wenselijk dat de bepalingen betreffende radio- en televisieomroepdiensten en bepaalde langs elektronische weg verrichte diensten slechts voor een tijdelijke periode worden aangenomen en binnen afzienbare tijd opnieuw worden bezien in het licht van de opgedane ervaring.

(58)

Het is van belang de gecoördineerde toepassing van de bepalingen van deze richtlijn te bevorderen en het is te dien einde onontbeerlijk een raadgevend BTW-Comité in te stellen dat de mogelijkheid verschaft op dit gebied een nauwe samenwerking tussen de lidstaten en de Commissie tot stand te brengen.

(59)

De lidstaten moeten, met inachtneming van bepaalde beperkingen en voorwaarden, bijzondere van deze richtlijn afwijkende maatregelen kunnen treffen of handhaven, teneinde de belastingheffing te vereenvoudigen of bepaalde vormen van belastingfraude of belastingontwijking te voorkomen.

(60)

Om te voorkomen dat een lidstaat in het ongewisse blijft over het gevolg dat de Commissie aan zijn verzoek om een afwijking wenst te geven, dient een termijn te worden vastgesteld waarbinnen de Commissie de Raad een voorstel tot machtiging moet voorleggen dan wel een mededeling waarin zij haar eventuele bezwaren toelicht.

(61)

Het is van wezenlijk belang bij de toepassing van het BTW-stelsel uniformiteit te garanderen. Ter verwezenlijking van dat doel dienen uitvoeringsmaatregelen te worden vastgesteld.

(62)

Deze maatregelen moeten met name een oplossing bieden voor het probleem van de dubbele belastingheffing op grensoverschrijdende handelingen die kan voortvloeien uit een niet eenvormige toepassing door de lidstaten van de regels inzake de plaats van belastbare handelingen.

(63)

Hoewel het toepassingsgebied van de uitvoeringsmaatregelen beperkt zou zijn, zouden de budgettaire gevolgen ervan voor een of meer lidstaten aanzienlijk kunnen zijn. De mogelijke gevolgen voor de begrotingen van de lidstaten rechtvaardigen dat de Raad zich het recht voorbehoudt de bevoegdheid tot uitvoering uit te oefenen.

(64)

Gelet op het beperkte toepassingsgebied van de uitvoeringsmaatregelen dient te worden bepaald dat deze maatregelen door de Raad op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen worden vastgesteld.

(65)

Daar de doelstellingen van deze richtlijn om bovengenoemde redenen niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(66)

De verplichting tot omzetting van deze richtlijn in nationaal recht dient te worden beperkt tot de bepalingen die ten opzichte van de vorige richtlijnen materieel zijn gewijzigd. De verplichting tot omzetting van de ongewijzigde bepalingen vloeit voort uit de eerdere richtlijnen.

(67)

Deze richtlijn dient de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage X, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht van de aldaar genoemde richtlijnen onverlet te laten,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

INHOUDSTAFEL

TITEL I -

VOORWERP EN TOEPASSINGSGEBIED

TITEL II -

GEOGRAFISCH TOEPASSINGSGEBIED

TITEL III -

BELASTINGPLICHTIGEN

TITEL IV -

BELASTBARE HANDELINGEN

Hoofdstuk 1 -

Levering van goederen

Hoofdstuk 2 -

Intracommunautaire verwerving van goederen

Hoofdstuk 3 -

Diensten

Hoofdstuk 4 -

Invoer van goederen

TITEL V -

PLAATS VAN DE BELASTBARE HANDELINGEN

Hoofdstuk 1 -

Plaats van levering van goederen

Afdeling 1 -

Levering van goederen zonder vervoer

Afdeling 2 -

Levering van goederen met vervoer

Afdeling 3 -

Levering van goederen aan boord van een schip, vliegtuig of trein

Afdeling 4 -

Levering van goederen via distributiesystemen

Hoofdstuk 2 -

Plaats van een intracommunautaire verwerving van goederen

Hoofdstuk 3 -

Plaats van een dienst

Afdeling 1 -

Algemene regel

Afdeling 2 -

Bijzondere bepalingen

Onderafdeling 1 -

Diensten van tussenpersonen

Onderafdeling 2 -

Diensten met betrekking tot onroerende goederen

Onderafdeling 3 -

Vervoerdiensten

Onderafdeling 4 -

Culturele en soortgelijke diensten, diensten die samenhangen met vervoer of betrekking hebben op roerende lichamelijke zaken

Onderafdeling 5 -

Diverse diensten

Onderafdeling 6 -

Criterium inzake werkelijk gebruik en werkelijke exploitatie

Hoofdstuk 4 -

Plaats van invoer van goederen

TITEL VI -

BELASTBAAR FEIT EN VERSCHULDIGDHEID VAN DE BELASTING

Hoofdstuk 1 -

Algemene bepalingen

Hoofdstuk 2 -

Goederenleveringen en diensten

Hoofdstuk 3 -

Intracommunautaire verwerving van goederen

Hoofdstuk 4 -

Invoer van goederen

TITEL VII -

MAATSTAF VAN HEFFING

Hoofdstuk 1 -

Definitie

Hoofdstuk 2 -

Goederenleveringen en diensten

Hoofdstuk 3 -

Intracommunautaire verwerving van goederen

Hoofdstuk 4 -

Invoer van goederen

Hoofdstuk 5 -

Diverse bepalingen

TITEL VIII -

TARIEVEN

Hoofdstuk 1 -

Toepassing van de tarieven

Hoofdstuk 2 -

Structuur en hoogte van de tarieven

Afdeling 1 -

Normaal tarief

Afdeling 2 -

Verlaagde tarieven

Afdeling 3 -

Bijzondere bepalingen

Hoofdstuk 3 -

Tijdelijke bepalingen voor bepaalde arbeidsintensieve diensten

Hoofdstuk 4 -

Bijzondere bepalingen van toepassing tot de invoering van de definitieve regeling

Hoofdstuk 5 -

Tijdelijke bepalingen

TITEL IX -

VRIJSTELLINGEN

Hoofdstuk 1 -

Algemene bepalingen

Hoofdstuk 2 -

Vrijstellingen voor bepaalde activiteiten van algemeen belang

Hoofdstuk 3 -

Vrijstellingen ten gunste van andere activiteiten

Hoofdstuk 4 -

Vrijstellingen met betrekking tot intracommunautaire handelingen

Afdeling 1 -

Vrijstellingen voor levering van goederen

Afdeling 2 -

Vrijstellingen voor intracommunautaire verwervingen van goederen

Afdeling 3 -

Vrijstellingen voor bepaalde vervoerdiensten

Hoofdstuk 5 -

Vrijstellingen bij invoer

Hoofdstuk 6 -

Vrijstellingen bij uitvoer

Hoofdstuk 7 -

Vrijstellingen met betrekking tot internationaal vervoer

Hoofdstuk 8 -

Vrijstellingen voor bepaalde met uitvoer gelijkgestelde handelingen

Hoofdstuk 9 -

Vrijstellingen voor door tussenpersonen verrichte diensten

Hoofdstuk 10 -

Vrijstellingen voor handelingen met betrekking tot het internationale goederenverkeer

Afdeling 1 -

Douane- en andere entrepots en soortgelijke regelingen

Afdeling 2 -

Handelingen die worden vrijgesteld met het oog op de uitvoer en in het kader van het handelsverkeer tussen de lidstaten

Afdeling 3 -

Gemeenschappelijke bepalingen met betrekking tot de Afdelingen 1 en 2

TITEL X -

AFTREK

Hoofdstuk 1 -

Ontstaan en omvang van het recht op aftrek

Hoofdstuk 2 -

Evenredige aftrek

Hoofdstuk 3 -

Beperkingen van het recht op aftrek

Hoofdstuk 4 -

Wijze van uitoefening van het recht op aftrek

Hoofdstuk 5 -

Herziening van de aftrek

TITEL XI -

VERPLICHTINGEN VAN DE BELASTINGPLICHTIGEN EN VAN BEPAALDE NIET-BELASTINGPLICHTIGE PERSONEN

Hoofdstuk 1 -

Verplichting tot betaling

Afdeling 1 -

Tegenover de schatkist tot voldoening van de belasting gehouden personen

Afdeling 2 -

Wijze van betaling

Hoofdstuk 2 -

Identificatie

Hoofdstuk 3 -

Facturering

Afdeling 1 -

Definitie

Afdeling 2 -

Het begrip factuur

Afdeling 3 -

Uitreiking van facturen

Afdeling 4 -

Inhoud van de facturen

Afdeling 5 -

Verzenden van facturen langs elektronische weg

Afdeling 6 -

Vereenvoudigingsmaatregelen

Hoofdstuk 4 -

Boekhouding

Afdeling 1 -

Definitie

Afdeling 2 -

Algemene verplichtingen

Afdeling 3 -

Specifieke verplichtingen ten aanzien van het bewaren van facturen

Afdeling 4 -

Recht van toegang tot elektronisch bewaarde facturen in een andere lidstaat

Hoofdstuk 5 -

Aangiften

Hoofdstuk 6 -

Lijsten

Hoofdstuk 7 -

Diverse bepalingen

Hoofdstuk 8 -

Verplichtingen ter zake van bepaalde invoer- en uitvoerhandelingen

Afdeling 1 -

Invoerhandelingen

Afdeling 2 -

Uitvoerhandelingen

TITEL XII -

BIJZONDERE REGELINGEN

Hoofdstuk 1 -

Bijzondere regeling voor kleine ondernemingen

Afdeling 1 -

Vereenvoudigde bepalingen inzake belastingheffing en belastinginning

Afdeling 2 -

Vrijstellingen of degressieve verminderingen

Afdeling 3 -

Verslag en herziening

Hoofdstuk 2 -

Gemeenschappelijke forfaitaire regeling voor landbouwproducenten

Hoofdstuk 3 -

Bijzondere regeling voor reisbureaus

Hoofdstuk 4 -

Bijzondere regelingen voor gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten

Afdeling 1 -

Definities

Afdeling 2 -

Bijzondere regeling voor belastingplichtige wederverkopers

Onderafdeling 1 -

Winstmargeregeling

Onderafdeling 2 -

Overgangsregeling voor gebruikte vervoermiddelen

Afdeling 3 -

Bijzondere regeling voor verkoop op openbare veilingen

Afdeling 4 -

Maatregelen ter voorkoming van verstoring van de mededinging en fraude

Hoofdstuk 5 -

Bijzondere regeling voor beleggingsgoud

Afdeling 1 -

Algemene bepalingen

Afdeling 2 -

Vrijstelling van de belasting

Afdeling 3 -

Recht om voor belastingheffing te kiezen

Afdeling 4 -

Handelingen op een gereglementeerde goudmarkt

Afdeling 5 -

Bijzondere rechten en verplichtingen van handelaren in beleggingsgoud

Hoofdstuk 6 -

Bijzondere regeling voor niet in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtigen die langs elektronische weg diensten verrichten voor niet-belastingplichtigen

Afdeling 1 -

Algemene bepalingen

Afdeling 2 -

Bijzondere regeling voor langs elektronische weg verrichte diensten

TITEL XIII -

AFWIJKINGEN

Hoofdstuk 1 -

Afwijkingen van toepassing tot de invoering van de definitieve regeling

Afdeling 1 -

Afwijkingen voor de staten die op 1 januari 1978 lid waren van de Gemeenschap

Afdeling 2 -

Afwijkingen voor de staten die na 1 januari 1978 tot de Gemeenschap zijn toegetreden

Afdeling 3 -

Gemeenschappelijke bepalingen met betrekking tot de Afdelingen 1 et 2

Hoofdstuk 2 -

Afwijkingen waarvoor machtiging is verleend

Afdeling 1 -

Vereenvoudigingsmaatregelen en maatregelen ter voorkoming van belastingfraude en -ontwijking

Afdeling 2 -

Internationale overeenkomsten

TITEL XIV -

DIVERSE BEPALINGEN

Hoofdstuk 1 -

Uitvoeringsmaatregelen

Hoofdstuk 2 -

BTW-Comité

Hoofdstuk 3 -

Omrekeningskoers

Hoofdstuk 4 -

Andere belastingen, rechten en heffingen

TITEL XV -

SLOTBEPALINGEN

Hoofdstuk 1 -

Overgangsregeling voor de belastingheffing in het handelsverkeer tussen de lidstaten

Hoofdstuk 2 -

Overgangsmaatregelen in het kader van de toetreding tot de Europese Unie

Hoofdstuk 3 -

Omzetting en inwerkingtreding

BIJLAGE I -

LIJST VAN WERKZAAMHEDEN BEDOELD IN ARTIKEL 14, LID 1, DERDE ALINEA

BIJLAGE II -

INDICATIEVE LIJST VAN LANGS ELEKTRONISCHE WEG VERRICHTE DIENSTEN BEDOELD IN ARTIKEL 56, LID 1, PUNT K)

BIJLAGE III -

LIJST VAN DE GOEDERENLEVERINGEN EN DE DIENSTEN WAAROP DE IN ARTIKEL 98 BEDOELDE VERLAGDE TARIEVEN MOGEN WORDEN TOEGEPAST

BIJLAGE IV -

LIJST VAN DE IN ARTIKEL 106 BEDOELDE DIENSTEN

BIJLAGE V -

CATEGORIEËN GOEDEREN DIE VOLGENS ARTIKEL 160, LID 2, ONDER EEN ANDER STELSEL VAN ENTREPOTS DAN DOUANE-ENTREPOTS KUNNEN VALLEN

BIJLAGE VI -

LIJST VAN GOEDERENLEVERINGEN EN DIENSTEN ALS BEDOELD IN PUNT D) VAN ARTIKEL 199, LID 1

BIJLAGE VII -

LIJST VAN LANDBOUWPRODUCTIEWERKZAAMHEDEN BEDOELD IN ARTIKEL 295, LID 1, PUNT 4)

BIJLAGE VIII -

INDICATIEVE LIJST VAN AGRARISCHE DIENSTEN BEDOELD IN ARTIKEL 295, LID 1, PUNT 5)

BIJLAGE IX -

KUNSTVOORWERPEN, VOORWERPEN VOOR VERZAMELINGEN EN ANTIQUITEITEN BEDOELD IN ARTIKEL 311, LID 1, PUNTEN 2), 3) EN 4)

Deel A -

Kunstvoorwerpen

Deel B -

Voorwerpen voor verzamelingen

Deel C -

Antiquiteiten

BIJLAGE X -

LIJST VAN HANDELINGEN WAARVOOR DE IN DE ARTIKELEN 370 EN 371 EN DE ARTIKELEN 375 TOT EN MET 390 BEDOELDE AFWIJKINGEN GELDEN

Deel A -

Handelingen die de lidstaten mogen blijven belasten

Deel B -

Handelingen die de lidstaten mogen blijven vrijstellen

BIJLAGE XI

Deel A -

Ingetrokken richtlijnen met de achtereenvolgende wijzigingen ervan

Deel B -

Termijnen voor de omzetting in nationaal recht (bedoeld in artikel 411)

BIJLAGE XII -

CONCORDANTIETABEL

TITEL I

VOORWERP EN TOEPASSINGSGEBIED

Artikel 1

1.   Bij deze richtlijn wordt het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (BTW) vastgesteld.

2.   Het gemeenschappelijke BTW-stelsel berust op het beginsel dat op goederen en diensten een algemene verbruiksbelasting wordt geheven die strikt evenredig is aan de prijs van de goederen en diensten, zulks ongeacht het aantal handelingen dat tijdens het productie- en distributieproces vóór de fase van heffing plaatsvond.

Bij elke handeling is de BTW, berekend over de prijs van het goed of van de dienst volgens het tarief dat voor dat goed of voor die dienst geldt, verschuldigd onder aftrek van het bedrag van de BTW waarmede de onderscheiden elementen van de prijs rechtstreeks zijn belast.

Het gemeenschappelijke BTW-stelsel wordt toegepast tot en met de kleinhandelsfase.

Artikel 2

1.   De volgende handelingen zijn aan de BTW onderworpen:

a)

de leveringen van goederen, die binnen het grondgebied van een lidstaat door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht;

b)

de intracommunautaire verwervingen van goederen die binnen het grondgebied van een lidstaat onder bezwarende titel worden verricht:

i)

door een als zodanig handelende belastingplichtige of door een niet-belastingplichtige rechtspersoon, wanneer de verkoper een als zodanig handelende belastingplichtige is die noch onder de in de artikelen 282 tot en met 292 bedoelde vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen, noch onder artikel 33 of artikel 36 valt;

ii)

wanneer het nieuwe vervoermiddelen betreft, door een belastingplichtige of door een niet-belastingplichtige rechtspersoon van wie de andere verwervingen uit hoofde van artikel 3, lid 1, niet aan de BTW zijn onderworpen, of door enige andere niet-belastingplichtige;

iii)

wanneer het accijnsproducten betreft uit hoofde waarvan de accijnsrechten binnen het grondgebied van de lidstaat verschuldigd zijn krachtens Richtlijn 92/12/EEG, door een belastingplichtige of door een niet-belastingplichtige rechtspersoon van wie de andere verwervingen uit hoofde van artikel 3, lid 1, niet aan de BTW zijn onderworpen;

c)

de diensten die binnen het grondgebied van een lidstaat door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht;

d)

de invoer van goederen.

2.

a)

Voor de toepassing van lid 1, onder b), punt ii), worden als „vervoermiddelen” beschouwd, de volgende voor het personen- of goederenvervoer bestemde vervoermiddelen:

i)

landvoertuigen die zijn uitgerust met een motor van meer dan 48 cc cilinderinhoud of met een vermogen van meer dan 7,2 kilowatt;

ii)

schepen met een lengte van meer dan 7,5 meter, met uitzondering van schepen voor de vaart op volle zee waarmee personenvervoer tegen betaling plaatsvindt of die voor de uitoefening van enigerlei industriële, handels- of visserijactiviteit worden gebruikt, van reddingsboten en schepen voor hulpverlening op zee en van schepen voor de kustvisserij;

iii)

luchtvaartuigen met een totaal opstijggewicht van meer dan 1 550 kg, met uitzondering van luchtvaartuigen welke door luchtvaartmaatschappijen worden gebruikt die zich hoofdzakelijk toeleggen op het betaalde internationale vervoer.

b)

Deze vervoermiddelen worden in de volgende gevallen beschouwd als „nieuw”:

i)

voor gemotoriseerde landvoertuigen, wanneer de levering binnen zes maanden na de eerste ingebruikneming plaatsvindt of wanneer het voertuig niet meer dan 6 000 km heeft afgelegd;

ii)

voor schepen, wanneer de levering binnen drie maanden na de eerste ingebruikneming plaatsvindt of wanneer het schip niet meer dan 100 uur heeft gevaren;

iii)

voor luchtvaartuigen, wanneer de levering binnen drie maanden na de eerste ingebruikneming plaatsvindt of wanneer het luchtvaartuig niet meer dan 40 uur heeft gevlogen.

c)

De lidstaten stellen de voorwaarden vast waaronder de in de tweede alinea bedoelde gegevens kunnen worden aangetoond.

3.   Als „accijnsproducten” worden beschouwd energieproducten, elektriciteit, alcohol en alcoholhoudende dranken en tabaksfabrikaten, zoals omschreven in de vigerende communautaire bepalingen, maar niet gas dat via het aardgasdistributiesysteem wordt geleverd.

Artikel 3

1.   In afwijking van artikel 2, lid 1, onder b), punt i), zijn de volgende handelingen niet aan BTW onderworpen:

a)

de intracommunautaire verwervingen van goederen die worden verricht door een belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon waarvan de levering krachtens de artikelen 148 en 151 binnen het grondgebied van de lidstaat van verwerving zou worden vrijgesteld;

b)

de intracommunautaire verwervingen van andere goederen dan die bedoeld in punt a) en in artikel 4, en dan de verwervingen van vervoermiddelen en van accijnsproducten, die worden verricht door een belastingplichtige ten behoeve van zijn landbouw-, bosbouw- of visserijbedrijf dat onder de gemeenschappelijke forfaitaire regeling voor landbouwproducenten valt, door een belastingplichtige die uitsluitend goederenleveringen of diensten verricht waarvoor geen recht op aftrek bestaat, of door een niet-belastingplichtige rechtspersoon.

2.   Het bepaalde in lid 1, onder b), is alleen van toepassing indien de volgende voorwaarden vervuld zijn:

a)

het totale bedrag van de intracommunautaire verwervingen van goederen is in het lopende kalenderjaar niet hoger dan een door de lidstaten te bepalen maximumwaarde die niet lager mag zijn dan EUR 10 000 of de tegenwaarde daarvan in de nationale munteenheid;

b)

het totale bedrag van de intracommunautaire verwervingen van goederen heeft in het voorafgaande kalenderjaar de onder a) bepaalde maximumwaarde niet overschreden.

De maximumwaarde die als referentiepunt dient, is het totale bedrag van de intracommunautaire verwervingen van goederen als bedoeld in lid 1, onder b), de BTW die is verschuldigd of voldaan in de lidstaat van vertrek van de verzending of het vervoer van de goederen niet inbegrepen.

3.   De lidstaten verlenen de belastingplichtigen en de niet-belastingplichtige rechtspersonen die voor de toepassing van lid 1, onder b), in aanmerking komen, het recht voor de in artikel 2, lid 1, onder b), punt i), omschreven algemene regeling te kiezen.

De lidstaten stellen de nadere regels vast voor de uitoefening van het in de eerste alinea bedoelde keuzerecht, dat in ieder geval voor een periode van twee kalenderjaren geldt.

Artikel 4

Naast de in artikel 3 bedoelde handelingen zijn ook de volgende handelingen niet aan BTW onderworpen:

a)

de intracommunautaire verwervingen van gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten zoals omschreven in artikel 311, lid 1, punten 1) tot en met 4), wanneer de verkoper een als zodanig handelende belastingplichtige wederverkoper is en het verworven goed in de lidstaat van vertrek van de verzending of het vervoer aan de BTW is onderworpen overeenkomstig de in de artikelen 312 tot en met 325 vastgestelde winstmargeregeling;

b)

de intracommunautaire verwervingen van gebruikte vervoermiddelen, zoals omschreven in artikel 327, lid 3, wanneer de verkoper een als zodanig handelende belastingplichtige wederverkoper is en het verworven gebruikte vervoermiddel in de lidstaat van vertrek van de verzending of het vervoer aan de BTW is onderworpen overeenkomstig de overgangsregeling voor gebruikte vervoermiddelen;

c)

de intracommunautaire verwervingen van gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten zoals omschreven in artikel 311, lid 1, punten 1) tot en met 4), wanneer de verkoper een als zodanig handelende organisator van openbare veilingen is en het verworven goed in de lidstaat van vertrek van de verzending of het vervoer aan de BTW is onderworpen overeenkomstig de bijzondere regeling voor openbare veilingen.

TITEL II

GEOGRAFISCH TOEPASSINGSGEBIED

Artikel 5

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

1)

„Gemeenschap” en „grondgebied van de Gemeenschap”: het geheel van de grondgebieden van de lidstaten als omschreven in punt 2);

2)

„lidstaat” en „grondgebied van een lidstaat”: het grondgebied van iedere lidstaat van de Gemeenschap waarop het Verdrag houdende oprichting van de Europese Gemeenschap overeenkomstig zijn artikel 299 van toepassing is, met uitzondering van het (de) in artikel 6 van deze richtlijn genoemde gebied(en);

3)

„derdelandsgebieden”: de gebieden die in artikel 6 zijn genoemd;

4)

„derde land”: elke staat of elk grondgebied waarop het Verdrag niet van toepassing is.

Artikel 6

1.   Deze richtlijn is niet van toepassing op de volgende gebieden die deel uitmaken van het douanegebied van de Gemeenschap:

a)

de berg Athos;

b)

de Canarische Eilanden;

c)

de Franse overzeese departementen;

d)

de Ålandseilanden;

e)

de Kanaaleilanden.

2.   Deze richtlijn is niet van toepassing op de volgende gebieden die geen deel uitmaken van het douanegebied van de Gemeenschap:

a)

het eiland Helgoland;

b)

het gebied Büsingen;

c)

Ceuta;

d)

Melilla;

e)

Livigno;

f)

Campione d'Italia;

g)

de Italiaanse wateren van het meer van Lugano.

Artikel 7

1.   Het Vorstendom Monaco, het eiland Man en de zones die te Akrotiri en Dhekelia onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk vallen, worden, gezien de overeenkomsten en verdragen die zij met respectievelijk Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Cyprus hebben gesloten, voor de toepassing van deze richtlijn niet als derde landen beschouwd.

2.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te waarborgen dat handelingen met als herkomst of bestemming het Vorstendom Monaco als handelingen met herkomst of bestemming Frankrijk worden behandeld, dat handelingen met als herkomst of bestemming het eiland Man als handelingen met als herkomst of bestemming het Verenigd Koninkrijk worden behandeld en dat handelingen met als herkomst of bestemming de zones die te Akrotiri en Dhekelia onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk vallen als handelingen met als herkomst of bestemming Cyprus worden behandeld.

Artikel 8

Indien de Commissie van mening is dat het bepaalde in de artikelen 6 en 7 niet meer gerechtvaardigd is, met name uit het oogpunt van de neutraliteit ten aanzien van de mededinging of van de eigen middelen, legt zij passende voorstellen aan de Raad voor.

TITEL III

BELASTINGPLICHTIGEN

Artikel 9

1.   Als „belastingplichtige” wordt beschouwd eenieder die, op ongeacht welke plaats, zelfstandig een economische activiteit verricht, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteit.

Als „economische activiteit” worden beschouwd, alle werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter, met inbegrip van de winning van delfstoffen, de landbouw en de uitoefening van vrije of daarmede gelijkgestelde beroepen. Als economische activiteit wordt in het bijzonder beschouwd de exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen.

2.   Naast de in lid 1 bedoelde personen wordt als belastingplichtige beschouwd eenieder die incidenteel een nieuw vervoermiddel levert dat door de verkoper, door de afnemer, of voor hun rekening, buiten het grondgebied van een lidstaat maar binnen het grondgebied van de Gemeenschap naar de afnemer wordt verzonden of vervoerd.

Artikel 10

De in artikel 9, lid 1, bedoelde voorwaarde dat de economische activiteit zelfstandig moet worden verricht, sluit loontrekkenden en andere personen van de belastingheffing uit, voor zover zij met hun werkgever een arbeidsovereenkomst hebben aangegaan of enige andere juridische band hebben waaruit een verhouding van ondergeschiktheid ontstaat ten aanzien van de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden en de verantwoordelijkheid van de werkgever.

Artikel 11

Na raadpleging van het raadgevend Comité voor de Belasting op de toegevoegde waarde („BTW-comité”) kan elke lidstaat personen die binnen het grondgebied van deze lidstaat gevestigd zijn en die juridisch gezien zelfstandig zijn, doch financieel, economisch en organisatorisch nauw met elkaar verbonden zijn, tezamen als één belastingplichtige aanmerken.

Een lidstaat die de in de eerste alinea bedoelde mogelijkheid toepast, kan alle maatregelen vaststellen die nodig zijn om belastingfraude en -ontwijking met gebruikmaking van deze bepaling te voorkomen.

Artikel 12

1.   De lidstaten kunnen als belastingplichtige aanmerken eenieder die incidenteel een handeling verricht in verband met de in artikel 9, lid 1, tweede alinea, bedoelde werkzaamheden, met name een van de volgende handelingen:

a)

de levering van een gebouw of een gedeelte van een gebouw en het bijbehorende terrein vóór de eerste ingebruikneming;

b)

de levering van een bouwterrein.

2.   Voor de toepassing van lid 1, onder a), wordt als „gebouw” beschouwd ieder bouwwerk dat vast met de grond is verbonden.

De lidstaten kunnen de voorwaarden voor de toepassing van het in lid 1, onder a), bedoelde criterium op de verbouwing van gebouwen, alsmede het begrip „bijbehorend terrein” bepalen.

De lidstaten kunnen andere criteria dan dat van de eerste ingebruikneming toepassen, zoals het tijdvak dat verloopt tussen de datum van voltooiing van het gebouw en die van eerste levering, of het tijdvak tussen de datum van eerste ingebruikneming en die van de daaropvolgende levering, mits deze tijdvakken niet langer duren dan onderscheidenlijk vijf en twee jaar.

3.   Voor de toepassing van lid 1, onder b), wordt als „bouwterrein” beschouwd, de door de lidstaten als zodanig omschreven al dan niet bouwrijp gemaakte terreinen.

Artikel 13

1.   De staat, de regio's, de gewesten, de provincies, de gemeenten en de andere publiekrechtelijke lichamen worden niet als belastingplichtigen aangemerkt voor de werkzaamheden of handelingen die zij als overheid verrichten, ook niet indien zij voor die werkzaamheden of handelingen rechten, heffingen, bijdragen of retributies innen.

Wanneer deze lichamen evenwel zodanige werkzaamheden of handelingen verrichten, moeten zij daarvoor als belastingplichtige worden aangemerkt, indien een behandeling als niet-belastingplichtige tot een verstoring van de mededinging van enige betekenis zou leiden.

De publiekrechtelijke lichamen worden in elk geval als belastingplichtige beschouwd voor de in bijlage I genoemde werkzaamheden, voorzover deze niet van onbeduidende omvang zijn.

2.   De lidstaten kunnen werkzaamheden van publiekrechtelijke lichamen die uit hoofde van de artikelen 132, 135, 136, 371, 374 tot en met 377, artikel 378, lid 2, artikel 379, lid 2, en de artikelen 380 tot en met 390 zijn vrijgesteld, als werkzaamheden van de overheid beschouwen.

TITEL IV

BELASTBARE HANDELINGEN

HOOFDSTUK 1

Levering van goederen

Artikel 14

1.   Als „levering van goederen” wordt beschouwd, de overdracht of overgang van de macht om als een eigenaar over een lichamelijke zaak te beschikken.

2.   Naast de in lid 1 bedoelde handeling worden de volgende handelingen als een levering van goederen beschouwd:

a)

de eigendomsovergang van een goed tegen betaling van een vergoeding, ingevolge een vordering door of namens de overheid dan wel krachtens de wet;

b)

de afgifte van een goed ingevolge een overeenkomst volgens welke een goed gedurende een bepaalde periode in huur wordt gegeven of ingevolge een overeenkomst tot koop en verkoop op afbetaling, in beide gevallen onder het beding dat normaal het goed uiterlijk bij de betaling van de laatste termijn in eigendom wordt verkregen;

c)

de overdracht van een goed ingevolge een overeenkomst tot koop of verkoop in commissie.

3.   De lidstaten kunnen de oplevering van bepaalde werken in onroerende staat als een levering van goederen beschouwen.

Artikel 15

1.   Elektriciteit, gas, warmte, koude en soortgelijke zaken worden met „lichamelijke zaken” gelijkgesteld.

2.   De lidstaten kunnen als lichamelijke zaken beschouwen:

a)

bepaalde rechten op onroerende goederen;

b)

de zakelijke rechten die de rechthebbende de bevoegdheid verschaffen een onroerend goed te gebruiken;

c)

de deelbewijzen en aandelen waarvan het bezit rechtens of in feite recht geven op de eigendom of het genot van een onroerend goed of een deel daarvan.

Artikel 16

Met een levering van goederen onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld, het door een belastingplichtige aan zijn bedrijf onttrekken van een goed voor eigen privédoeleinden of voor privédoeleinden van zijn personeel, of dat hij om niet verstrekt of, meer in het algemeen, voor andere dan bedrijfsdoeleinden bestemt, ingeval met betrekking tot dat goed of de bestanddelen daarvan recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de BTW is ontstaan.

Met een levering van goederen onder bezwarende titel worden niet gelijkgesteld, onttrekkingen van goederen om voor bedrijfsdoeleinden te dienen als geschenken van geringe waarde of als monster.

Artikel 17

1.   Met een levering van goederen onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld, de overbrenging door een belastingplichtige van een goed van zijn bedrijf naar een andere lidstaat.

Als „overbrenging naar een andere lidstaat” wordt beschouwd iedere verzending of ieder vervoer van een roerende lichamelijke zaak voor bedrijfsdoeleinden, door of voor rekening van de belastingplichtige, buiten het grondgebied van de lidstaat waar het goed zich bevindt, maar binnen de Gemeenschap.

2.   Als overbrenging naar een andere lidstaat wordt niet beschouwd, de verzending of het vervoer van een goed voor zover het daarbij om een van de volgende handelingen gaat:

a)

de levering van dat goed door de belastingplichtige binnen het grondgebied van de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer, onder de in artikel 33 gestelde voorwaarden;

b)

de levering van dat goed, dat door of voor rekening van de leverancier moet worden geïnstalleerd of gemonteerd, door de belastingplichtige binnen het grondgebied van de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer, onder de in artikel 36 gestelde voorwaarden;

c)

de levering van dat goed door de belastingplichtige aan boord van een schip, vliegtuig of trein tijdens een vervoer van passagiers, onder de in artikel 37 gestelde voorwaarden;

d)

de levering van gas via het aardgasdistributiesysteem of de levering van elektriciteit, onder de in de artikelen 38 en 39 gestelde voorwaarden;

e)

de levering van dat goed door de belastingplichtige binnen het grondgebied van de lidstaat, onder de in de artikelen 138, 146, 147, 148, 151 en 152 gestelde voorwaarden;

f)

de verrichting van een dienst voor de belastingplichtige in verband met werkzaamheden betreffende dat goed, die daadwerkelijk worden uitgevoerd binnen het grondgebied van de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van het goed, voor zover het goed na bewerking opnieuw wordt verzonden naar deze belastingplichtige in de lidstaat waarvandaan het oorspronkelijk was verzonden of vervoerd;

g)

het tijdelijke gebruik van dat goed binnen het grondgebied van de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer, ten behoeve van diensten verricht door de binnen de lidstaat van vertrek van de verzending of het vervoer van het goed gevestigde belastingplichtige;

h)

het tijdelijke gebruik van dat goed voor een periode van ten hoogste 24 maanden binnen het grondgebied van een andere lidstaat waar de invoer van hetzelfde goed uit een derde land met het oog op tijdelijk gebruik in aanmerking zou komen voor de regeling voor tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van invoerrechten.

3.   Wanneer niet meer wordt voldaan aan een van de voorwaarden voor de toepassing van lid 2, wordt het goed als overgebracht naar een andere lidstaat beschouwd. In dat geval vindt de overbrenging plaats op het tijdstip waarop deze voorwaarde niet meer vervuld is.

Artikel 18

De lidstaten kunnen de volgende handelingen met een levering van goederen onder bezwarende titel gelijkstellen:

a)

het door een belastingplichtige voor bedrijfsdoeleinden bestemmen van een goed dat in het kader van zijn bedrijf is vervaardigd, gebouwd, gewonnen, bewerkt, aangekocht of ingevoerd, indien het van een andere belastingplichtige betrekken van een dergelijk goed hem geen recht zou geven op volledige aftrek van de BTW;

b)

het door een belastingplichtige voor een niet-belaste sector van zijn bedrijfsuitoefening bestemmen van een goed, voor zover bij de verwerving van dat goed of bij de bestemming ervan overeenkomstig punt a) recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de BTW is ontstaan;

c)

met uitzondering van de in artikel 19 genoemde gevallen, het onder zich hebben van goederen door een belastingplichtige of zijn rechthebbenden wanneer hij zijn belastbare economische activiteit beëindigt, ingeval bij de verwerving van die goederen of bij de bestemming ervan overeenkomstig punt a) recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de BTW is ontstaan.

Artikel 19

De lidstaten kunnen, in geval van overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen onder bezwarende titel, om niet of in de vorm van een inbreng in een vennootschap, zich op het standpunt stellen dat geen levering van goederen heeft plaatsgevonden en dat degene op wie de goederen overgaan, in de plaats treedt van de overdrager.

De lidstaten kunnen de nodige maatregelen nemen om verstoringen van de mededinging te voorkomen ingeval degene op wie de goederen overgaan, niet volledig belastingplichtig is. Zij kunnen ook alle maatregelen vaststellen die nodig zijn om belastingfraude en -ontwijking met gebruikmaking van dit artikel te voorkomen.

HOOFDSTUK 2

Intracommunautaire verwerving van goederen

Artikel 20

Als „intracommunautaire verwerving van goederen” wordt beschouwd het verkrijgen van de macht om als eigenaar te beschikken over een roerende lichamelijke zaak die door de verkoper of de afnemer, of voor hun rekening, met als bestemming de afnemer is verzonden of vervoerd naar een andere lidstaat dan de lidstaat van vertrek van de verzending of het vervoer van het goed.

Wanneer door een niet-belastingplichtige rechtspersoon verworven goederen uit een derdelandsgebied of een derde land worden verzonden of vervoerd en door deze niet-belastingplichtige rechtspersoon worden ingevoerd in een andere lidstaat dan die van aankomst van de verzending of het vervoer, worden de goederen geacht te zijn verzonden of vervoerd vanuit de lidstaat van invoer. Deze lidstaat verleent aan de importeur die uit hoofde van artikel 201 is aangewezen of erkend als de tot voldoening van de belasting gehouden persoon, teruggaaf van de uit hoofde van de invoer betaalde BTW, voorzover de importeur aantoont dat zijn verwerving in de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen aan de BTW onderworpen is geweest.

Artikel 21

Met een intracommunautaire verwerving van goederen onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld het door een belastingplichtige voor bedrijfsdoeleinden bestemmen van een goed dat door of voor rekening van de belastingplichtige wordt verzonden of vervoerd vanuit een andere lidstaat waar het is vervaardigd, gewonnen, bewerkt, aangekocht, verworven in de zin van artikel 2, lid 1, onder b), of door de belastingplichtige in het kader van zijn bedrijf in die andere lidstaat is ingevoerd.

Artikel 22

Met een intracommunautaire verwerving van goederen onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld de toewijzing door de strijdkrachten van een staat die partij bij het Noord-Atlantisch Verdrag is, ten behoeve van deze strijdkrachten of het hen begeleidende burgerpersoneel, van goederen die zij niet tegen de algemene belastingvoorwaarden van de interne markt van een lidstaat hebben verworven, wanneer de invoer van deze goederen niet in aanmerking zou kunnen komen voor de in artikel 143, punt h), bedoelde vrijstelling.

Artikel 23

De lidstaten nemen maatregelen om ervoor te zorgen dat als intracommunautaire verwerving van goederen worden beschouwd de handelingen die, indien zij op hun grondgebied door een als zodanig handelende belastingplichtige zouden zijn verricht, als levering van goederen zouden zijn aangemerkt.

HOOFDSTUK 3

Diensten

Artikel 24

1.   Als „dienst” wordt beschouwd elke handeling die geen levering van goederen is.

2.   Als „telecommunicatiediensten” worden beschouwd de diensten waarmee de transmissie, uitzending of ontvangst van signalen, geschriften, beelden en geluiden of informatie van allerlei aard per draad, via radiofrequente straling, langs optische weg of met behulp van andere elektromagnetische middelen mogelijk wordt gemaakt, met inbegrip van de daarmee samenhangende overdracht en verlening van rechten op het gebruik van infrastructuur voor de transmissie, uitzending of ontvangst, waaronder het bieden van toegang tot wereldwijde informatienetten.

Artikel 25

Een dienst kan onder meer een van de volgende handelingen zijn:

a)

de overdracht van een onlichamelijke zaak, ongeacht of deze al dan niet in een titel is belichaamd;

b)

de verplichting om een daad na te laten of om een daad of een situatie te dulden;

c)

het verrichten van een dienst op grond van een vordering door of namens de overheid, dan wel krachtens de wet.

Artikel 26

1.   Met diensten verricht onder bezwarende titel worden de volgende handelingen gelijkgesteld:

a)

het gebruiken van een tot het bedrijf behorend goed voor privédoeleinden van de belastingplichtige of van zijn personeel, of, meer in het algemeen, voor andere dan bedrijfsdoeleinden, wanneer voor dit goed recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de BTW is ontstaan;

b)

het om niet verrichten van diensten door de belastingplichtige voor eigen privédoeleinden of voor privédoeleinden van zijn personeel, of, meer in het algemeen, voor andere dan bedrijfsdoeleinden.

2.   De lidstaten kunnen van lid 1 afwijken, mits deze afwijking niet tot verstoring van de mededinging leidt.

Artikel 27

Ter voorkoming van verstoring van de mededinging kunnen de lidstaten, na raadpleging van het BTW-Comité, met een dienst verricht onder bezwarende titel gelijkstellen het door een belastingplichtige voor bedrijfsdoeleinden verrichten van een dienst, voorzover hij, ingeval een dergelijke dienst door een andere belastingplichtige zou zijn verricht, geen recht op volledige aftrek van de BTW zou hebben.

Artikel 28

Wanneer door tussenkomst van een belastingplichtige, handelend op eigen naam, maar voor rekening van een ander, een dienst wordt verricht, wordt de betrokken belastingplichtige geacht deze dienst zelf te hebben afgenomen en te hebben verricht.

Artikel 29

Artikel 19 is op overeenkomstige wijze van toepassing op diensten.

HOOFDSTUK 4

Invoer van goederen

Artikel 30

Als „invoer van goederen” wordt beschouwd het binnenbrengen in de Gemeenschap van een goed dat zich niet in het vrije verkeer bevindt in de zin van artikel 24 van het Verdrag.

Naast het in de eerste alinea bedoelde geval wordt als invoer van goederen beschouwd het binnenbrengen in de Gemeenschap van een goed dat zich in het vrije verkeer bevindt, uit een derdelandsgebied dat deel uitmaakt van het douanegebied van de Gemeenschap.

TITEL V

PLAATS VAN DE BELASTBARE HANDELINGEN

HOOFDSTUK 1

Plaats van levering van goederen

Afdeling 1

Levering van goederen zonder vervoer

Artikel 31

Ingeval het goed niet wordt verzonden of vervoerd, wordt als plaats van levering aangemerkt de plaats waar het goed zich op het tijdstip van de levering bevindt.

Afdeling 2

Levering van goederen met vervoer

Artikel 32

Ingeval het goed door de leverancier, door de afnemer of door een derde wordt verzonden of vervoerd, wordt als plaats van levering aangemerkt de plaats waar het goed zich op het tijdstip van vertrek van de verzending of het vervoer naar de afnemer bevindt.

Ingeval de plaats van vertrek van de verzending of het vervoer echter in een derdelandsgebied of een derde land ligt, worden de plaats van de levering, verricht door de importeur die uit hoofde van artikel 201 is aangewezen of erkend als de tot voldoening van de belasting gehouden persoon, alsmede de plaats van daaropvolgende leveringen geacht in de lidstaat van invoer van de goederen te liggen.

Artikel 33

1.   In afwijking van artikel 32 wordt als de plaats van levering van goederen die door of voor rekening van de leverancier worden verzonden of vervoerd vanuit een andere lidstaat dan die van aankomst van de verzending of het vervoer, aangemerkt de plaats waar de goederen zich bevinden op het tijdstip van aankomst van de verzending of het vervoer naar de afnemer, wanneer de volgende voorwaarden vervuld zijn:

a)

de levering van goederen wordt verricht voor een belastingplichtige of voor een niet–belastingplichtige rechtspersoon van wie de intracommunautaire verwervingen van goederen uit hoofde van artikel 3, lid 1, niet aan de BTW zijn onderworpen, of voor enige andere niet-belastingplichtige;

b)

de geleverde goederen zijn geen nieuwe vervoermiddelen, noch goederen, geleverd na montage of installatie, door of voor rekening van de leverancier, met of zonder beproeven van de geïnstalleerde of gemonteerde goederen.

2.   Wanneer de geleverde goederen uit een derdelandsgebied of een derde land worden verzonden of vervoerd en door de leverancier worden ingevoerd in een andere lidstaat dan de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer naar de afnemer, worden zij geacht te zijn verzonden of vervoerd vanuit de lidstaat van invoer.

Artikel 34

1.   Artikel 33 is niet van toepassing op de leveringen van goederen die alle worden verzonden of vervoerd naar eenzelfde lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer indien de volgende voorwaarden vervuld zijn:

a)

de geleverde goederen zijn geen accijnsproducten;

b)

het totale bedrag, de BTW niet inbegrepen, van de onder de voorwaarden van artikel 33 in die lidstaat verrichte leveringen in eenzelfde kalenderjaar is niet hoger dan EUR 100 000 of de tegenwaarde daarvan in de nationale munteenheid;

c)

het totale bedrag, de BTW niet inbegrepen, van de onder de voorwaarden van artikel 33 in de lidstaat verrichte leveringen van andere goederen dan accijnsproducten in het voorafgaande kalenderjaar is niet hoger dan EUR 100 000 of de tegenwaarde daarvan in de nationale munteenheid.

2.   De lidstaat binnen het grondgebied waarvan de goederen zich bevinden op het tijdstip van aankomst van de verzending of het vervoer naar de afnemer, mag het in lid 1 genoemde maximumbedrag beperken tot EUR 35 000 of de tegenwaarde daarvan in de nationale munteenheid, wanneer deze lidstaat vreest dat het maximum van EUR 100 000 tot ernstige verstoring van de mededinging zou leiden.

De lidstaten die van de in de eerste alinea bedoelde mogelijkheid gebruik maken, nemen de nodige maatregelen om de bevoegde overheidsinstanties van de lidstaat van vertrek van de verzending of het vervoer van de goederen daarvan in kennis te stellen.

3.   De Commissie dient zo spoedig mogelijk bij de Raad een verslag in over de werking van het in lid 2 genoemde bijzondere maximum van EUR 35 000 en doet dit in voorkomend geval vergezeld gaan van passende voorstellen.

4.   De lidstaat binnen het grondgebied waarvan de goederen zich op het tijdstip van vertrek van de verzending of het vervoer bevinden, verleent de belastingplichtigen die leveringen van goederen verrichten welke in aanmerking kunnen komen voor het bepaalde in lid 1, het recht ervoor te kiezen dat de plaats van deze leveringen wordt bepaald overeenkomstig artikel 33.

De betrokken lidstaten stellen de nadere regels vast voor de uitoefening van het in de eerste alinea bedoelde keuzerecht, dat in ieder geval voor een periode van twee kalenderjaren geldt.

Artikel 35

De artikelen 33 en 34 zijn niet van toepassing op de leveringen van gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten, zoals omschreven in artikel 311, lid 1, punten 1) tot en met 4), noch op leveringen van gebruikte vervoermiddelen als omschreven in artikel 327, lid 3, die aan de BTW zijn onderworpen overeenkomstig de toepasselijke bijzondere regelingen.

Artikel 36

Ingeval het door de leverancier, door de afnemer of door een derde verzonden of vervoerde goed door of voor rekening van de leverancier wordt geïnstalleerd of gemonteerd, met of zonder beproeven van het geïnstalleerde of gemonteerde goed, wordt als plaats van de levering aangemerkt de plaats waar de installatie of de montage geschiedt.

Wanneer de installatie of de montage plaatsvindt in een andere lidstaat dan die van de leverancier, treft de lidstaat op het grondgebied waarvan de installatie of de montage plaatsvindt, de nodige maatregelen om dubbele belastingheffing in deze lidstaat te voorkomen.

Afdeling 3

Levering van goederen aan boord van een schip, vliegtuig of trein

Artikel 37

1.   Ingeval de levering van goederen plaatsvindt aan boord van een schip, vliegtuig of trein en tijdens het in de Gemeenschap verrichte gedeelte van een passagiersvervoer, wordt als plaats van deze levering aangemerkt de plaats van vertrek van het passagiersvervoer.

2.   Voor de toepassing van lid 1 wordt onder „in de Gemeenschap verricht gedeelte van een passagiersvervoer” verstaan, het gedeelte van een vervoer dat, zonder tussenstop buiten de Gemeenschap, plaatsvindt tussen de plaats van vertrek en de plaats van aankomst van het passagiersvervoer.

Als „plaats van vertrek van een passagiersvervoer” wordt beschouwd het eerste punt in de Gemeenschap waar passagiers aan boord kunnen komen, eventueel na een tussenstop buiten de Gemeenschap.

Als „plaats van aankomst van een passagiersvervoer” wordt beschouwd het laatste punt in de Gemeenschap waar passagiers die binnen de Gemeenschap aan boord zijn gekomen, van boord kunnen gaan, eventueel vóór een tussenstop buiten de Gemeenschap.

Ingeval het een heen- en terugreis betreft, wordt de terugreis als een afzonderlijk vervoer beschouwd.

3.   De Commissie legt de Raad zo spoedig mogelijk een verslag voor, dat in voorkomend geval vergezeld gaat van passende voorstellen, over de plaats van belastingheffing op leveringen van voor verbruik aan boord bestemde goederen en op diensten, met inbegrip van restauratie, die worden verleend aan passagiers aan boord van een schip, vliegtuig of trein.

Totdat de in de eerste alinea bedoelde voorstellen zijn aangenomen, kunnen de lidstaten leveringen van voor verbruik aan boord bestemde goederen waarvan de plaats van belastingheffing overeenkomstig lid 1 wordt vastgesteld, vrijstellen of blijven vrijstellen, met recht op aftrek van voorbelasting.

Afdeling 4

Levering van goederen via distributiesystemen

Artikel 38

1.   Ingeval de levering van gas via het aardgasdistributiesysteem of van elektriciteit wordt verricht aan een belastingplichtige wederverkoper wordt als plaats van deze levering aangemerkt, de plaats waar de belastingplichtige wederverkoper de zetel van zijn bedrijfsuitoefening of een vaste inrichting heeft gevestigd waarvoor de goederen worden geleverd, dan wel, bij gebreke van een dergelijke zetel of vaste inrichting, zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats.

2.   Voor de toepassing van lid 1 wordt onder „belastingplichtige wederverkoper” verstaan, een belastingplichtige wiens hoofdactiviteit op het gebied van de aankoop van gas of elektriciteit bestaat in het wederverkopen van die producten en wiens eigen verbruik van die producten verwaarloosbaar is.

Artikel 39

In het geval van een levering van gas via het aardgasdistributiesysteem of van elektriciteit die niet wordt bestreken door artikel 38, wordt als plaats van deze levering aangemerkt, de plaats waar de afnemer het werkelijke gebruik en verbruik van de goederen heeft.

Ingeval alle goederen of een deel ervan niet daadwerkelijk door deze afnemer worden verbruikt, worden deze niet verbruikte goederen geacht te zijn gebruikt en verbruikt op de plaats waar hij de zetel van zijn bedrijfsuitoefening of een vaste inrichting heeft gevestigd waarvoor de goederen worden geleverd. Bij gebreke van een dergelijke zetel of vaste inrichting wordt de afnemer geacht de goederen te hebben gebruikt en verbruikt in zijn woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats.

HOOFDSTUK 2

Plaats van een intracommunautaire verwerving van goederen

Artikel 40

Als plaats van een intracommunautaire verwerving van goederen wordt aangemerkt de plaats waar de goederen zich bevinden op het tijdstip van aankomst van de verzending of van het vervoer naar de afnemer.

Artikel 41

Onverminderd artikel 41 wordt als plaats van een intracommunautaire verwerving van goederen als bedoeld in artikel 2, lid 1, onder b), punt i), aangemerkt het grondgebied van de lidstaat die het BTW-identificatienummer heeft toegekend waaronder de afnemer deze verwerving heeft verricht, voor zover de afnemer niet aantoont dat de BTW op deze verwerving is geheven overeenkomstig artikel 40.

Indien op de verwerving uit hoofde van artikel 40 BTW wordt geheven in de lidstaat van aankomst van de verzending of van het vervoer van de goederen, nadat de BTW erop is geheven op grond van de eerste alinea, wordt de maatstaf van heffing dienovereenkomstig verlaagd in de lidstaat die het BTW-identificatienummer heeft toegekend waaronder de afnemer deze verwerving heeft verricht.

Artikel 42

Artikel 41, eerste alinea, is niet van toepassing en de intracommunautaire verwerving van goederen wordt geacht overeenkomstig artikel 40 aan de BTW te zijn onderworpen wanneer de volgende voorwaarden vervuld zijn:

a)

de afnemer toont aan deze verwerving te hebben verricht met het oog op een daaropvolgende levering binnen het grondgebied van de overeenkomstig artikel 40 bepaalde lidstaat, waarvoor degene voor wie deze levering bestemd is, overeenkomstig artikel 197 is aangewezen als de tot voldoening van de belasting gehouden persoon;

b)

de afnemer heeft voldaan aan de in artikel 265 bedoelde verplichtingen inzake de indiening van de aldaar bedoelde lijst.

HOOFDSTUK 3

Plaats van een dienst

Afdeling 1

Algemene regel

Artikel 43

Als plaats van een dienst wordt aangemerkt, de plaats waar de dienstverrichter de zetel van zijn bedrijfsuitoefening of een vaste inrichting heeft gevestigd van waaruit hij de dienst verricht, of bij gebreke van een dergelijke zetel of vaste inrichting, zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats.

Afdeling 2

Bijzondere bepalingen

Onderafdeling 1

Diensten van tussenpersonen

Artikel 44

Als plaats van een door een in naam en voor rekening van een ander handelende tussenpersoon verrichte dienst, anders dan de in artikel 50, artikel 54 en artikel 56, lid 1, bedoelde diensten, wordt aangemerkt de plaats waar de onderliggende handeling overeenkomstig deze richtlijn wordt verricht.

Wanneer echter de afnemer van de door de tussenpersoon verrichte dienst voor BTW-doeleinden is geïdentificeerd in een andere lidstaat dan die binnen het grondgebied waarvan die handeling wordt verricht, wordt de plaats van de door de tussenpersoon verrichte dienst geacht te zijn gelegen op het grondgebied van de lidstaat die aan de afnemer het BTW-identificatienummer heeft toegekend waaronder hem de dienst is verleend.

Onderafdeling 2

Diensten met betrekking tot onroerende goederen

Artikel 45

De plaats van diensten die betrekking hebben op een onroerend goed, met inbegrip van diensten van makelaars in onroerende goederen en van experts, alsmede van diensten die erop gericht zijn de uitvoering van bouwwerken voor te bereiden of te coördineren, zoals bijvoorbeeld de diensten verricht door architecten en bureaus die op de uitvoering van het werk toezicht houden, is de plaats waar het goed is gelegen.

Onderafdeling 3

Vervoerdiensten

Artikel 46

De plaats van andere vervoerdiensten dan het intracommunautaire vervoer van goederen is de plaats waar het vervoer plaatsvindt, zulks naar verhouding van de afgelegde afstanden.

Artikel 47

De plaats van intracommunautaire goederenvervoerdiensten is de plaats van vertrek van het vervoer.

Wanneer echter intracommunautaire goederenvervoerdiensten worden verricht voor afnemers die voor BTW-doeleinden zijn geïdentificeerd in een andere lidstaat dan de lidstaat van vertrek van het vervoer, wordt de plaats van de diensten geacht te zijn gelegen binnen het grondgebied van de lidstaat die aan de afnemer het BTW-identificatienummer heeft toegekend waaronder hem de dienst is verleend.

Artikel 48

Als „intracommunautair goederenvervoer” wordt beschouwd ieder vervoer van goederen waarvan de plaats van vertrek en de plaats van aankomst op het grondgebied van twee verschillende lidstaten gelegen zijn.

Als „plaats van vertrek” wordt beschouwd de plaats waar het goederenvervoer daadwerkelijk begint, zonder rekening te houden met de trajecten die worden afgelegd om zich naar de plaats te begeven waar de goederen zich bevinden.

Als „plaats van aankomst” wordt beschouwd de plaats waar het goederenvervoer daadwerkelijk eindigt.

Artikel 49

Met intracommunautair goederenvervoer wordt gelijkgesteld goederenvervoer waarvan de plaats van vertrek en die van aankomst binnen het grondgebied van eenzelfde lidstaat zijn gelegen, wanneer dit vervoer rechtstreeks samenhangt met goederenvervoer waarvan de plaats van vertrek en die van aankomst binnen het grondgebied van twee verschillende lidstaten zijn gelegen.

Artikel 50

De plaats van diensten verricht door een in naam en voor rekening van een ander handelende tussenpersoon, indien hij bemiddelt bij het verrichten van intracommunautaire goederenvervoerdiensten, is de plaats van vertrek van het vervoer.

Wanneer echter de afnemer van de door de tussenpersoon verrichte dienst voor BTW-doeleinden is geïdentificeerd in een andere lidstaat dan de lidstaat van vertrek van het vervoer, wordt de plaats van de door de tussenpersoon verrichte dienst geacht te zijn gelegen binnen het grondgebied van de lidstaat die aan de afnemer het BTW-identificatienummer heeft toegekend waaronder de dienst voor hem is verricht.

Artikel 51

De lidstaten behoeven het gedeelte van het intracommunautaire goederenvervoer dat overeenkomt met de trajecten die zijn afgelegd over wateren die niet tot het grondgebied van de Gemeenschap behoren, niet aan de BTW te onderwerpen.

Onderafdeling 4

Culturele en soortgelijke diensten, diensten die samenhangen met vervoer of betrekking hebben op roerende lichamelijke zaken

Artikel 52

De plaats van de volgende diensten is de plaats waar die diensten daadwerkelijk worden verricht:

a)

culturele, artistieke, sportieve, wetenschappelijke, onderwijs-, amusements- of soortgelijke activiteiten, met inbegrip van die van de organisatoren van dergelijke activiteiten, alsmede in voorkomend geval, van daarmee samenhangende diensten;

b)

activiteiten die met vervoer samenhangen, zoals laden, lossen, intern vervoer en soortgelijke activiteiten;

c)

expertises of werkzaamheden met betrekking tot roerende lichamelijke zaken.

Artikel 53

In afwijking van artikel 52, punt b), wordt de plaats van diensten in verband met activiteiten die samenhangen met intracommunautair goederenvervoer, verricht voor afnemers die voor BTW-doeleinden zijn geïdentificeerd in een andere lidstaat dan die op het grondgebied waarvan de activiteiten daadwerkelijk worden verricht, geacht te zijn gelegen binnen het grondgebied van de lidstaat die aan de afnemer het BTW-identificatienummer heeft toegekend waaronder de dienst voor hem is verricht.

Artikel 54

De plaats van diensten verricht door een in naam en voor rekening van een ander handelende tussenpersoon, wanneer hij bemiddelt bij het verrichten van een dienst in verband met activiteiten die samenhangen met intracommunautair goederenvervoer, is de plaats waar de met het vervoer samenhangende activiteiten daadwerkelijk worden verricht.

Wanneer echter de afnemer van de door de tussenpersoon verrichte dienst voor BTW-doeleinden is geïdentificeerd in een andere lidstaat dan die binnen het grondgebied waarvan de met het vervoer samenhangende activiteiten daadwerkelijk worden verricht, wordt de plaats van de door de tussenpersoon verrichte dienst geacht te zijn gelegen binnen het grondgebied van de lidstaat die aan de afnemer het BTW-identificatienummer heeft toegekend waaronder de dienst voor hem is verricht.

Artikel 55

In afwijking van artikel 52, onder c), wordt bij expertises of werkzaamheden met betrekking tot roerende lichamelijke zaken die worden verricht voor afnemers die voor BTW-doeleinden zijn geïdentificeerd in een andere lidstaat dan die op het grondgebied waarvan de dienst daadwerkelijk wordt verricht, de plaats van de diensten geacht te zijn gelegen op het grondgebied van de lidstaat die aan de afnemer het BTW-identificatienummer heeft toegekend waaronder de dienst voor hem is verricht.

De in de eerste alinea bedoelde afwijking is slechts van toepassing indien de goederen worden verzonden of vervoerd buiten de lidstaat waar de dienst daadwerkelijk is verricht.

Onderafdeling 5

Diverse diensten

Artikel 56

1.   De plaats van de volgende diensten die worden verricht voor afnemers die buiten de Gemeenschap zijn gevestigd of voor belastingplichtigen die weliswaar in de Gemeenschap doch buiten het land van de dienstverrichter zijn gevestigd, is de plaats waar de afnemer de zetel van zijn bedrijfsuitoefening of een vaste inrichting heeft gevestigd waarvoor de dienst is verricht, of bij gebreke van een dergelijke zetel of vaste inrichting, zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats:

a)

de overdracht en het verlenen van auteursrechten, octrooien, licentierechten, fabrieks- en handelsmerken, en andere soortgelijke rechten;

b)

diensten op het gebied van de reclame;

c)

diensten verricht door raadgevende personen, ingenieurs, adviesbureaus, advocaten, accountants en andere soortgelijke diensten, alsmede informatieverwerking en informatieverschaffing;

d)

de verbintenis een beroepsactiviteit of een in dit lid vermeld recht geheel of gedeeltelijk niet uit te oefenen;

e)

bank-, financiële en verzekeringsverrichtingen met inbegrip van herverzekeringsverrichtingen en met uitzondering van de verhuur van safeloketten;

f)

het beschikbaar stellen van personeel;

g)

de verhuur van roerende lichamelijke zaken, met uitzondering van alle vervoermiddelen;

h)

het bieden van toegang tot aardgas- en elektriciteitsdistributiesystemen alsmede het verrichten van transport- en transmissiediensten via deze systemen en het verrichten van andere daarmee rechtstreeks verbonden diensten;

i)

telecommunicatiediensten;

j)

radio- en televisieomroepdiensten;

k)

langs elektronische weg verrichte diensten, en met name de in bijlage II bedoelde diensten;

l)

de diensten verricht door een in naam en voor rekening van een ander handelende tussenpersoon wanneer hij bemiddelt bij het verrichten van de in dit lid bedoelde diensten.

2.   Het feit dat een dienstverrichter en zijn afnemer via elektronische post communiceren, betekent op zich niet dat de verrichte dienst een elektronische dienst is in de zin van lid 1, punt k).

3.   Lid 1, punten j) en k), en lid 2 zijn van toepassing tot en met 31 december 2006.

Artikel 57

1.   Ingeval de in artikel 56, lid 1, punt k), bedoelde diensten worden verricht voor een niet-belastingplichtige die in een lidstaat is gevestigd of er zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats heeft, door een belastingplichtige die de zetel van zijn bedrijfsuitoefening buiten de Gemeenschap heeft gevestigd of daar over een vaste inrichting beschikt van waaruit de dienst wordt verricht of die, bij gebreke van een dergelijke zetel of vaste inrichting, zijn woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats buiten de Gemeenschap heeft, is de plaats van deze dienst de plaats waar de niet-belastingplichtige gevestigd is of zijn woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats heeft.

2.   Lid 1 is van toepassing tot en met 31 december 2006.

Onderafdeling 6

Criterium inzake werkelijk gebruik en werkelijke exploitatie

Artikel 58

Teneinde dubbele heffing of niet-heffing van de belasting alsmede verstoring van de mededinging te voorkomen, kunnen de lidstaten voor de in artikel 56, lid 1, bedoelde diensten alsmede voor de verhuur van vervoermiddelen:

a)

de plaats van deze diensten of van sommige ervan, die op hun grondgebied is gelegen, aanmerken als buiten de Gemeenschap te zijn gelegen, wanneer het werkelijke gebruik en de werkelijke exploitatie buiten de Gemeenschap geschieden;

b)

de plaats van deze diensten of van sommige ervan, die buiten de Gemeenschap is gelegen, aanmerken als op hun grondgebied te zijn gelegen, wanneer het werkelijke gebruik en de werkelijke exploitatie op hun grondgebied geschieden.

Deze bepaling geldt echter niet voor de in artikel 56, lid 1, punt k), bedoelde diensten, wanneer deze voor niet-belastingplichtigen worden verricht.

Artikel 59

1.   De lidstaten passen artikel 58, onder b), toe op telecommunicatiediensten die worden verricht voor niet-belastingplichtigen die in een lidstaat gevestigd zijn of er hun woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats hebben, door een belastingplichtige die de zetel van zijn bedrijfsuitoefening buiten de Gemeenschap heeft gevestigd of daar over een vaste inrichting beschikt van waaruit de diensten worden verricht, of die, bij gebreke van een dergelijke zetel of vaste inrichting, zijn woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats buiten de Gemeenschap heeft.

2.   Tot en met 31 december 2006 passen de lidstaten artikel 58, punt b), toe op de in artikel 56, lid 1, punt j), bedoelde radio- en televisieomroepdiensten welke worden verricht voor niet-belastingplichtigen die in een lidstaat gevestigd zijn of er hun woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats hebben, door een belastingplichtige die de zetel van zijn bedrijfsuitoefening buiten de Gemeenschap heeft gevestigd of daar over een vaste inrichting beschikt van waaruit de diensten worden verricht, of die, bij gebreke van een dergelijke zetel of vaste inrichting, zijn woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats buiten de Gemeenschap heeft.

HOOFDSTUK 4

Plaats van invoer van goederen

Artikel 60

De invoer van goederen vindt plaats in de lidstaat binnen het grondgebied waarvan het goed zich ten tijde van het binnenkomen in de Gemeenschap bevindt.

Artikel 61

In afwijking van artikel 60 vindt, wanneer een goed dat zich niet in het vrije verkeer bevindt, vanaf het binnenbrengen ervan in de Gemeenschap onder een van de in artikel 156 bedoelde regelingen of situaties, onder een regeling voor tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van invoerrechten of onder een regeling voor extern douanevervoer wordt geplaatst, de invoer van dat goed plaats in de lidstaat op het grondgebied waarvan het goed aan die regelingen of situaties wordt onttrokken.

Wanneer een goed dat zich in het vrije verkeer bevindt, vanaf het binnenbrengen ervan in de Gemeenschap onder een van de in de artikelen 276 en 277 bedoelde regelingen of situaties wordt geplaatst, vindt de invoer van dat goed plaats in de lidstaat binnen het grondgebied waarvan het goed aan die regelingen of situaties wordt onttrokken.

TITEL VI

BELASTBAAR FEIT EN VERSCHULDIGDHEID VAN DE BELASTING

HOOFDSTUK 1

Algemene bepalingen

Artikel 62

Voor de toepassing van deze richtlijn:

1)

wordt onder „belastbaar feit” verstaan het feit waardoor de wettelijke voorwaarden, vereist voor het verschuldigd worden van de belasting, worden vervuld;

2)

wordt de belasting geacht „verschuldigd te zijn” wanneer de schatkist krachtens de wet de belasting met ingang van een bepaald tijdstip van de belastingplichtige kan vorderen, ook al kan de betaling daarvan worden uitgesteld.

HOOFDSTUK 2

Goederenleveringen en diensten

Artikel 63

Het belastbare feit vindt plaats en de belasting wordt verschuldigd op het tijdstip waarop de goederenleveringen of de diensten worden verricht.

Artikel 64

1.   Wanneer zij aanleiding geven tot opeenvolgende afrekeningen of betalingen worden goederenleveringen, met uitzondering van de leveringen van goederen die gedurende een bepaalde periode in huur worden gegeven of op afbetaling worden verkocht als bedoeld in artikel 14, lid 2, punt b), en diensten geacht te zijn verricht bij het verstrijken van de periode waarop deze afrekeningen of betalingen betrekking hebben.

2.   De lidstaten kunnen bepalen dat in bepaalde gevallen goederenleveringen en diensten die gedurende een zekere periode doorlopend worden verricht, worden geacht ten minste eenmaal per jaar te zijn voltooid.

Artikel 65

Indien vooruitbetalingen worden gedaan alvorens de goederen zijn geleverd of de diensten zijn verricht, wordt de belasting verschuldigd op het tijdstip van ontvangst van de vooruitbetalingen, ten belope van het ontvangen bedrag.

Artikel 66

In afwijking van de artikelen 63, 64 en 65 kunnen de lidstaten bepalen dat de belasting voor bepaalde handelingen of bepaalde categorieën belastingplichtigen op één van de volgende tijdstippen verschuldigd wordt:

a)

uiterlijk bij de uitreiking van de factuur;

b)

uiterlijk bij ontvangst van de prijs;

c)

wanneer de factuur niet of niet tijdig wordt uitgereikt, binnen een bepaalde termijn te rekenen vanaf de datum van het belastbare feit.

Artikel 67

1.   Wanneer, onder de in artikel 138 vastgestelde voorwaarden, naar een andere lidstaat dan de lidstaat van vertrek van de verzending of het vervoer verzonden of vervoerde goederen, met vrijstelling van BTW worden geleverd of goederen met vrijstelling van BTW door een belastingplichtige voor bedrijfsdoeleinden naar een andere lidstaat worden overgebracht, wordt de belasting verschuldigd op de 15e van de maand volgende op die waarin het belastbare feit zich heeft voorgedaan.

2.   In afwijking van lid 1 wordt de belasting verschuldigd bij de uitreiking van de in artikel 220 bedoelde factuur wanneer deze factuur is uitgereikt vóór de 15e van de maand volgende op die waarin het belastbare feit zich heeft voorgedaan.

HOOFDSTUK 3

Intracommunautaire verwerving van goederen

Artikel 68

Het belastbare feit vindt plaats op het tijdstip waarop de intracommunautaire verwerving van goederen wordt verricht.

De intracommunautaire verwerving van goederen wordt geacht te zijn verricht op het tijdstip waarop de levering van soortgelijke goederen binnen het grondgebied van de lidstaat wordt geacht te zijn verricht.

Artikel 69

1.   Voor de intracommunautaire verwervingen van goederen wordt de belasting verschuldigd op de 15e van de maand volgende op die waarin het belastbare feit zich heeft voorgedaan.

2.   In afwijking van lid 1 wordt de belasting verschuldigd bij de uitreiking van de in artikel 220 bedoelde factuur wanneer deze factuur is uitgereikt vóór de 15e van de maand volgende op die waarin het belastbare feit zich heeft voorgedaan.

HOOFDSTUK 4

Invoer van goederen

Artikel 70

Het belastbare feit vindt plaats en de belasting wordt verschuldigd op het tijdstip waarop de invoer van de goederen geschiedt.

Artikel 71

1.   Wanneer goederen vanaf het binnenbrengen ervan in de Gemeenschap onder een van de in de artikelen 156, 276 en 277 bedoelde regelingen of situaties, onder een regeling voor tijdelijk invoer met volledig vrijstelling van invoerrechten of onder een regeling voor extern douanevervoer worden geplaatst, vindt het belastbare feit pas plaats en wordt de belasting pas verschuldigd op het tijdstip waarop de goederen aan die regelingen of situaties worden onttrokken.

Wanneer de ingevoerde goederen echter onderworpen zijn aan invoerrechten, aan landbouwheffingen of aan heffingen van gelijke werking die zijn ingesteld in het kader van een gemeenschappelijk beleid, vindt het belastbare feit plaats en wordt de belasting verschuldigd op het tijdstip waarop het belastbare feit en het verschuldigd worden ter zake van deze rechten zich voordoen.

2.   In de gevallen waarin de ingevoerde goederen niet aan een van de in lid 1, tweede alinea, bedoelde rechten zijn onderworpen, passen de lidstaten met betrekking tot het belastbare feit en het verschuldigd worden van de belasting de geldende bepalingen inzake invoerrechten toe.

TITEL VII

MAATSTAF VAN HEFFING

HOOFDSTUK 1

Definitie

Artikel 72

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt als „normale waarde” beschouwd het volledige bedrag dat een afnemer, om de desbetreffende goederen of diensten op dat tijdstip te verkrijgen, in dezelfde handelsfase als waarin de goederenlevering of de dienst wordt verricht, op het tijdstip van die verrichting en bij vrije mededinging zou moeten betalen aan een zelfstandige leverancier of dienstverrichter op het grondgebied van de lidstaat waar de verrichting belastbaar is.

Indien geen vergelijkbare verrichting voorhanden is, wordt onder „normale waarde” het volgende verstaan:

1)

met betrekking tot goederen, een waarde die niet lager is dan de aankoopprijs van de goederen of van soortgelijke goederen of, indien er geen aankoopprijs is, dan de kostprijs, berekend op het tijdstip waarop de levering wordt verricht;

2)

met betrekking tot diensten, een waarde die niet lager is dan de door de belastingplichtige voor het verrichten van de dienst gemaakte uitgaven.

HOOFDSTUK 2

Goederenleveringen en diensten

Artikel 73

Voor andere goederenleveringen en diensten dan die bedoeld in de artikelen 74 tot en met 77 omvat de maatstaf van heffing alles wat de leverancier of dienstverrichter voor deze handelingen als tegenprestatie verkrijgt of moet verkrijgen van de zijde van de afnemer of van een derde, met inbegrip van subsidies die rechtstreeks met de prijs van deze handelingen verband houden.

Artikel 74

Voor het door een belastingplichtige onttrekken van goederen aan zijn bedrijf of bestemmen van goederen voor zijn bedrijf en het onder zich hebben van goederen door een belastingplichtige of zijn rechthebbenden wanneer hij zijn belastbare economische activiteit beëindigt, als bedoeld in de artikelen 16 en 18, is de maatstaf van heffing de aankoopprijs van de goederen of van soortgelijke goederen of, bij gebreke van een aankoopprijs, de kostprijs, berekend op het tijdstip waarop deze handelingen worden verricht.

Artikel 75

Voor de in artikel 26 bedoelde diensten, waarbij een tot het bedrijf behorend goed voor privédoeleinden wordt gebruikt of diensten om niet worden verricht, is de maatstaf van heffing het bedrag van de door de belastingplichtige voor het verrichten van de diensten gemaakte kosten.

Artikel 76

Voor goederenleveringen bestaande in de overbrenging naar een andere lidstaat is de maatstaf van heffing de aankoopprijs van de goederen of van soortgelijke goederen of, bij gebreke van een aankoopprijs, de kostprijs, berekend op het tijdstip waarop deze handelingen worden verricht.

Artikel 77

Voor de door een belastingplichtige voor bedrijfsdoeleinden verrichte diensten, bedoeld in artikel 27, is de maatstaf van heffing de normale waarde van de verrichte diensten.

Artikel 78

In de maatstaf van heffing moeten de volgende elementen worden opgenomen:

a)

belastingen, rechten en heffingen, met uitzondering van de BTW zelf;

b)

bijkomende kosten, zoals kosten van commissie, verpakking, vervoer en verzekering, die de leverancier de afnemer in rekening brengt.

Voor de toepassing van punt b) van de eerste alinea mogen de lidstaten uitgaven die bij afzonderlijke overeenkomst zijn geregeld, als bijkomende kosten beschouwen.

Artikel 79

In de maatstaf van heffing worden de volgende elementen niet opgenomen:

a)

prijsverminderingen wegens korting voor vooruitbetaling;

b)

prijskortingen en -rabatten die aan de afnemer worden toegekend en die zijn verkregen op het tijdstip waarop de handeling wordt verricht;

c)

door een belastingplichtige van de afnemer als terugbetaling van in naam en voor rekening van laatstgenoemden gemaakte kosten ontvangen bedragen die in de boekhouding van de belastingplichtige als doorlopende posten voorkomen.

De belastingplichtige moet het werkelijke bedrag van de in de eerste alinea punt c), bedoelde kosten verantwoorden en mag de eventueel daarop drukkende BTW niet in aftrek brengen.

Artikel 80

1.   Om belastingfraude en belastingontwijking te voorkomen, kunnen de lidstaten in de volgende gevallen bepalen dat voor goederenleveringen of diensten waarbij familiale of andere nauwe persoonlijke, bestuurlijke, eigendoms-, lidmaatschaps-, financiële of juridische banden zoals omschreven door de lidstaat bestaan, de maatstaf van heffing de normale waarde is:

a)

wanneer de tegenprestatie lager is dan de normale waarde en de afnemer geen volledig recht op aftrek uit hoofde van de artikelen 167 tot en met 171 en 173 tot en met 177 heeft;

b)

wanneer de tegenprestatie lager is dan de normale waarde, degene die de handeling verricht geen volledig recht op aftrek uit hoofde van de artikelen 167 tot en met 171 en 173 tot en met 177 heeft en de handeling uit hoofde van de artikelen 132, 135, 136, 371, 375, 367 en 377, artikel 378, lid 2, of artikel 379, lid 2, en de artikelen 380 tot en met 390, is vrijgesteld;

c)

wanneer de tegenprestatie hoger is dan de normale waarde en degene die de handeling verricht geen volledig recht op aftrek uit hoofde van de artikelen 167 tot en met 171 en 173 tot en met 177 heeft.

Voor de toepassing van de eerste alinea kan een dienstverband tussen werkgever en werknemer, het gezin van de werknemer of andere personen die nauwe banden met hem hebben, als nauwe betrekkingen gelden.

2.   Wanneer zij gebruik maken van de in lid 1 bedoelde mogelijkheid, kunnen de lidstaten de categorieën van leveranciers, dienstverrichters of afnemers waarop de maatregelen van toepassing zijn, omschrijven.

3.   De lidstaten stellen het BTW-Comité in kennis van de nationale maatregelen die zij uit hoofde van lid 1 hebben genomen indien het geen maatregelen betreft die voor 13 augustus 2006 door de Raad overeenkomstig artikel 27, leden 1 tot en met 4, van Richtlijn 77/388/EEG zijn toegestaan en uit hoofde van genoemd lid 1 worden verlengd.

Artikel 81

De lidstaten die op 1 januari 1993 geen gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid uit hoofde van artikel 98 een verlaagd tarief toe te passen, kunnen, wanneer zij gebruikmaken van de in artikel 89 bedoelde mogelijkheid, bepalen dat de maatstaf van heffing voor de in artikel 103, lid 2, bedoelde leveringen van kunstvoorwerpen gelijk is aan een gedeelte van het overeenkomstig de artikelen 73, 74, 76, 78 en 79 vastgestelde bedrag.

Het in de eerste alinea bedoelde gedeelte wordt op zodanige wijze vastgesteld dat de aldus verschuldigde BTW ten minste gelijk is aan 5 % van het overeenkomstig de artikelen 73, 74, 76, 78 en 79 vastgestelde bedrag.

Artikel 82

De lidstaten kunnen bepalen dat in de maatstaf van heffing voor goederenleveringen en diensten de waarde moet worden opgenomen van vrijgesteld beleggingsgoud in de zin van artikel 346, dat door de afnemer ter beschikking is gesteld om voor verwerking te worden gebruikt en dat als gevolg van die verwerking zijn status van vrijgesteld beleggingsgoud verliest wanneer die goederenlevering of die dienst wordt verricht. De te hanteren waarde is de normale waarde van het beleggingsgoud op het tijdstip waarop die goederenlevering of die dienst wordt verricht.

HOOFDSTUK 3

Intracommunautaire verwerving van goederen

Artikel 83

Voor de intracommunautaire verwerving van goederen bestaat de maatstaf van heffing uit dezelfde elementen als die welke in aanmerking worden genomen om overeenkomstig hoofdstuk 1 de maatstaf van heffing voor de levering van dezelfde goederen binnen het grondgebied van de lidstaat in kwestie te bepalen. Met name is voor de in de artikelen 21 en 22 bedoelde handelingen die met een intracommunautaire verwerving van goederen worden gelijkgesteld, de maatstaf van heffing de aankoopprijs van de goederen of van soortgelijke goederen of, bij gebreke van een aankoopprijs, de kostprijs, berekend op het tijdstip waarop deze handelingen worden verricht.

Artikel 84

1.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de accijns die verschuldigd of voldaan is door degene die de intracommunautaire verwerving van een accijnsproduct verricht, overeenkomstig artikel 78, eerste alinea, punt a), in de maatstaf van heffing wordt opgenomen.

2.   Wanneer de afnemer na het tijdstip waarop de intracommunautaire verwerving van goederen plaatsvindt, teruggaaf verkrijgt van de in de lidstaat van vertrek van de verzending of het vervoer van de goederen voldane accijns, wordt de maatstaf van heffing dienovereenkomstig verlaagd in de lidstaat binnen het grondgebied waarvan de verwerving heeft plaatsgevonden.

HOOFDSTUK 4

Invoer van goederen

Artikel 85

Voor de invoer van goederen is de maatstaf van heffing de waarde die in de geldende communautaire bepalingen als de douanewaarde wordt omschreven.

Artikel 86

1.   In de maatstaf van heffing moeten de volgende elementen worden opgenomen, voorzover zij niet reeds daarin zijn begrepen:

a)

de buiten de lidstaat van invoer verschuldigde rechten, heffingen en andere belastingen, alsmede die welke ter zake van de invoer verschuldigd zijn, met uitzondering van de te heffen BTW;

b)

de bijkomende kosten, zoals de kosten van commissie, verpakking, vervoer en verzekering, tot de eerste plaats van bestemming binnen het grondgebied van de lidstaat van invoer, alsmede de kosten die voortvloeien uit het vervoer naar een andere plaats van bestemming in de Gemeenschap, indien deze plaats bekend is op het tijdstip waarop het belastbare feit plaatsvindt.

2.   Voor de toepassing van lid 1, eerste alinea, punt b), wordt onder „eerste plaats van bestemming” verstaan de plaats die genoemd is in de vrachtbrief of een ander document waaronder de goederen in de lidstaat van invoer binnenkomen. Bij gebreke van deze vermelding wordt de eerste plaats van bestemming geacht de plaats te zijn waar de eerste overlading van de goederen in de lidstaat van invoer geschiedt.

Artikel 87

In de maatstaf van heffing worden de volgende elementen niet opgenomen:

a)

prijsverminderingen wegens korting voor vooruitbetaling;

b)

aan de afnemer toegekende prijskortingen en -rabatten die zijn verkregen op het tijdstip waarop de invoer wordt verricht.

Artikel 88

Voor tijdelijk uit de Gemeenschap uitgevoerde goederen die, na buiten de Gemeenschap een herstelling, bewerking, verwerking of aanpassing te hebben ondergaan, wederom worden ingevoerd, treffen de lidstaten maatregelen teneinde te verzekeren dat de voor de verkregen goederen geldende behandeling met betrekking tot de BTW dezelfde is als die welke op de betrokken goederen zou zijn toegepast indien vorengenoemde handelingen op hun grondgebied zouden zijn verricht.

Artikel 89

De lidstaten die op 1 januari 1993 geen gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid uit hoofde van artikel 98 een verlaagd tarief toe te passen, kunnen bepalen dat bij de invoer van kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten zoals omschreven in artikel 311, lid 1, punten 2), 3) en 4), de maatstaf van heffing gelijk is aan een gedeelte van het overeenkomstig de artikelen 85, 86 en 87 vastgestelde bedrag.

Het in de eerste alinea bedoelde gedeelte wordt op zodanige wijze vastgesteld, dat de aldus bij invoer verschuldigde BTW ten minste gelijk is aan 5 % van het overeenkomstig de artikelen 85, 86 en 87 vastgestelde bedrag.

HOOFDSTUK 5

Diverse bepalingen

Artikel 90

1.   In geval van annulering, verbreking, ontbinding of gehele of gedeeltelijk niet-betaling, of in geval van prijsvermindering nadat de handeling is verricht, wordt de maatstaf van heffing dienovereenkomstig verlaagd onder de voorwaarden die door de lidstaten worden vastgesteld.

2.   In geval van gehele of gedeeltelijke niet-betaling kunnen de lidstaten van lid 1 afwijken.

Artikel 91

1.   Indien de elementen voor de bepaling van de maatstaf van heffing bij invoer zijn uitgedrukt in een andere munteenheid dan die van de lidstaat waar de maatstaf van heffing wordt bepaald, wordt de wisselkoers vastgesteld overeenkomstig de geldende communautaire bepalingen voor de berekening van de douanewaarde.

2.   Indien de elementen voor de bepaling van de maatstaf van heffing voor een andere handeling dan een invoer van goederen zijn uitgedrukt in een andere munteenheid dan die van de lidstaat waar de maatstaf van heffing wordt bepaald, is de toepasselijke wisselkoers de laatste verkoopkoers die op het tijdstip waarop de belasting verschuldigd wordt, op de meest representatieve wisselmarkt of wisselmarkten van de betrokken lidstaat wordt geregistreerd, of een koers die wordt vastgesteld onder verwijzing naar die markt of markten, op een door die lidstaat vastgestelde wijze.

Voor sommige van de in de eerste alinea bedoelde handelingen of voor sommige categorieën belastingplichtigen kunnen de lidstaten evenwel kiezen voor de volgens de geldende communautaire bepalingen voor de berekening van de douanewaarde vastgestelde wisselkoers.

Artikel 92

Wat het statiegeld voor retouremballage betreft, kunnen de lidstaten het volgende bepalen:

a)

hetzij het statiegeld van de maatstaf van heffing uitsluiten door de nodige maatregelen te nemen opdat de maatstaf wordt herzien wanneer de emballage niet wordt teruggeven;

b)

hetzij het statiegeld in de maatstaf van heffing opnemen door de nodige maatregelen te nemen opdat de maatstaf wordt herzien wanneer de emballage wel wordt teruggeven.

TITEL VIII

TARIEVEN

HOOFDSTUK 1

Toepassing van de tarieven

Artikel 93

Het op belastbare handelingen toe te passen tarief is het tarief dat van kracht is op het tijdstip waarop het belastbare feit zich voordoet.

In de volgende gevallen is het toe te passen tarief echter het tarief dat van kracht is op het tijdstip waarop de belasting verschuldigd wordt:

a)

de gevallen, bedoeld in de artikelen 65 en 66;

b)

de intracommunautaire verwerving van goederen;

c)

de gevallen van invoer van goederen bedoeld in artikel 71, lid 1, tweede alinea, en lid 2.

Artikel 94

1.   Het op de intracommunautaire verwerving van goederen toe te passen tarief is het tarief dat binnen het grondgebied van de lidstaat op de levering van eenzelfde goed wordt toegepast.

2.   Onverminderd de in artikel 103, lid 1, bepaalde mogelijkheid een verlaagd tarief toe te passen op de invoer van kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten, is het bij invoer van goederen toe te passen tarief het tarief dat binnen het grondgebied van de lidstaat op de levering van eenzelfde goed wordt toegepast.

Artikel 95

Bij tariefwijzigingen kunnen de lidstaten in de in de artikelen 65 en 66 bedoelde gevallen tot herziening overgaan, teneinde rekening te houden met het tarief geldend op het waarop de goederenleveringen of de diensten worden verricht.

De lidstaten kunnen bovendien elke passende overgangsmaatregel treffen.

HOOFDSTUK 2

Structuur en hoogte van de tarieven

Afdeling 1

Normaal tarief

Artikel 96

De lidstaten passen een normaal BTW-tarief toe, dat door elke lidstaat wordt vastgesteld op een percentage van de maatstaf van heffing, dat voor goederenleveringen en voor diensten gelijk is.

Artikel 97

1.   Vanaf 1 januari 2006 tot en met 31 december 2010 mag het normale tarief niet lager zijn dan 15 %.

2.   De Raad besluit overeenkomstig artikel 93 van het Verdrag over de hoogte van het na 31 december 2010 geldende normale tarief.

Afdeling 2

Verlaagde tarieven

Artikel 98

1.   De lidstaten kunnen een of twee verlaagde tarieven toepassen.

2.   De verlaagde tarieven zijn uitsluitend van toepassing op de goederenleveringen en de diensten die tot de in bijlage III genoemde categorieën behoren.

De verlaagde tarieven zijn niet van toepassing op de in artikel 56, lid 1, punt k), bedoelde diensten.

3.   Bij de toepassing van de in lid 1 bedoelde verlaagde tarieven op de categorieën waarin aan goederen wordt gerefereerd, mogen de lidstaten voor de vaststelling van de juiste omschrijving van de betrokken categorie gebruikmaken van de gecombineerde nomenclatuur.

Artikel 99

1.   De verlaagde tarieven worden vastgesteld op een percentage van de maatstaf van heffing dat niet lager mag zijn dan 5 %.

2.   Een verlaagd tarief wordt zodanig vastgesteld, dat het bij toepassing van dit tarief verkregen BTW-bedrag het normaliter mogelijk maakt de overeenkomstig de artikelen 167 tot en met 171 en de artikelen 173 tot en met 177 aftrekbare belasting volledig af te trekken.

Artikel 100

Aan de hand van een verslag van de Commissie onderwerpt de Raad, voor de eerste maal in 1994 en vervolgens om de twee jaar, de werkingssfeer van de verlaagde tarieven aan een onderzoek.

De Raad kan overeenkomstig artikel 93 van het Verdrag besluiten wijzigingen aan te brengen in de in bijlage III opgenomen lijst van goederen en diensten.

Artikel 101

De Commissie legt uiterlijk op 30 juni 2007 aan het Europees Parlement en aan de Raad een algemeen evaluatieverslag voor over het effect van de verlaagde tarieven op lokale diensten, inclusief restauratie, waarin met name aandacht wordt geschonken aan het scheppen van werkgelegenheid, de economische groei en de goede werking van de interne markt, en dat gebaseerd is op een studie van een onafhankelijke economische-reflectiegroep.

Afdeling 3

Bijzondere bepalingen

Artikel 102

De lidstaten kunnen voor de levering van aardgas, elektriciteit en stadsverwarming een verlaagd tarief toepassen, mits er geen gevaar voor verstoring van de mededinging bestaat.

Een lidstaat die voornemens is een verlaagd tarief uit hoofde van de eerste alinea toe te passen, stelt de Commissie daarvan vooraf in kennis. De Commissie besluit of er gevaar voor verstoring van de mededinging bestaat. Indien de Commissie binnen drie maanden na ontvangst van de kennisgeving geen besluit heeft genomen, wordt er geacht geen gevaar voor verstoring van de mededinging te bestaan.

Artikel 103

1.   De lidstaten kunnen bepalen dat het verlaagde tarief dat, of een van de verlaagde tarieven die, zij overeenkomstig de artikelen 98 en 99 toepassen, eveneens van toepassing is op de invoer van kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten, zoals omschreven in artikel 311, lid 1, punten 2), 3) en 4).

2.   Wanneer zij van de in lid 1 bedoelde mogelijkheid gebruikmaken, kunnen de lidstaten het verlaagde tarief eveneens toepassen op de volgende handelingen:

a)

leveringen van kunstvoorwerpen die door de maker of diens rechthebbenden worden verricht;

b)

leveringen van kunstvoorwerpen die incidenteel worden verricht door een andere belastingplichtige dan een belastingplichtige wederverkoper wanneer de kunstvoorwerpen door deze belastingplichtige zelf zijn ingevoerd of hem zijn geleverd door de maker of diens rechthebbenden, of te zijnen gunste het recht op volledige aftrek van de BTW hebben doen ontstaan.

Artikel 104

Oostenrijk mag in de gemeenten Jungholz en Mittelberg (Kleines Walsertal) een tweede normaal tarief toepassen dat lager ligt dan het overeenkomstige tarief dat in de rest van Oostenrijk wordt toegepast, maar dat niet minder dan 15 % mag bedragen.

Artikel 105

Portugal mag op de handelingen in de autonome gebieden van de Azoren en Madeira en op de rechtstreekse invoer in deze gebieden lagere tarieven toepassen dan die welke op het vasteland gelden.

HOOFDSTUK 3

Tijdelijke bepalingen voor bepaalde arbeidsintensieve diensten

Artikel 106

De lidstaten kunnen door de Raad op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen worden gemachtigd om uiterlijk tot en met 31 december 2010 de in artikel 98 bedoelde verlaagde tarieven toe te passen op de in bijlage IV genoemde diensten.

De verlaagde tarieven mogen worden toegepast op diensten behorende tot ten hoogste twee van de in bijlage IV genoemde categorieën.

In uitzonderlijke gevallen mag het een lidstaat worden toegestaan het verlaagde tarief toe te passen op diensten behorende tot drie van de bovenbedoelde categorieën.

Artikel 107

De in artikel 106 bedoelde diensten moeten de volgende voorwaarden vervullen:

a)

arbeidsintensief zijn;

b)

grotendeels rechtstreeks voor eindverbruikers worden verricht;

c)

hoofdzakelijk lokaal zijn en niet tot verstoring van de mededinging leiden.

Voorts moet er een nauw verband bestaan tussen de prijsverlaging als gevolg van de tariefverlaging en de te verwachten toename van de vraag en de werkgelegenheid. De toepassing van een verlaagd tarief mag de goede werking van de interne markt niet in gevaar brengen.

Artikel 108

Iedere lidstaat die voor het eerst na 31 december 2005 uit hoofde van dit artikel een verlaagd tarief wenst toe te passen op een of meer van de in artikel 106 bedoelde diensten, stelt de Commissie uiterlijk op 31 maart 2006 daarvan in kennis. De lidstaat deelt de Commissie vóór die datum alle toepasselijke inlichtingen betreffende de beoogde nieuwe maatregelen mede, met name:

a)

het toepassingsgebied van de maatregel en de nauwkeurige beschrijving van de betrokken diensten;

b)

de gegevens waaruit blijkt dat de in artikel 107 genoemde voorwaarden vervuld zijn;

c)

de gegevens waaruit de budgettaire kosten van de voorgenomen maatregel blijken.

HOOFDSTUK 4

Bijzondere bepalingen van toepassing tot de invoering van de definitieve regeling

Artikel 109

Dit hoofdstuk is van toepassing tot de invoering van de in artikel 402 bedoelde definitieve regeling.

Artikel 110

De lidstaten die op 1 januari 1991 vrijstellingen met recht op aftrek van voorbelasting verleenden of verlaagde tarieven toepasten die onder het in artikel 96 vastgestelde minimum liggen, mogen deze blijven toepassen.

De in de eerste alinea bedoelde vrijstellingen en verlaagde tarieven moeten in overeenstemming zijn met het Gemeenschapsrecht en moeten om duidelijk omschreven redenen van maatschappelijk belang en ten behoeve van de eindverbruikers vastgesteld zijn.

Artikel 111

Onder de in artikel 110, tweede alinea, gestelde voorwaarden mogen vrijstellingen met recht op aftrek van voorbelasting in de volgende gevallen toegepast blijven worden:

a)

door Finland op abonnementen van dagbladen en tijdschriften en op het vervaardigen van drukwerk voor de leden van verenigingen voor algemeen welzijn;

b)

door Zweden voor de levering van nieuwsbladen, ook via radio en cassette voor visueel gehandicapten, van farmaceutische producten aan ziekenhuizen of op voorschrift, en voor de productie van periodieken van organisaties zonder winstoogmerk en andere daarmee samenhangende diensten.

Artikel 112

Indien artikel 106 in Ierland tot verstoring van de mededinging leidt bij de levering van energie voor verwarming en verlichting, kan de Commissie op uitdrukkelijk verzoek van Ierland aan die lidstaat toestaan voor die leveringen een verlaagd tarief toe te passen overeenkomstig de artikelen 95 en 96.

Ierland doet in het in de eerste alinea bedoelde geval zijn verzoek aan de Commissie vergezeld gaan van alle nodige informatie. Indien de Commissie binnen drie maanden na ontvangst van het verzoek geen besluit heeft genomen, wordt Ierland geacht toestemming te hebben gekregen de voorgestelde verlaagde tarieven toe te passen.

Artikel 113

De lidstaten die op 1 januari 1991 in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht met betrekking tot andere dan de in bijlage III genoemde goederen en diensten vrijstellingen met recht op aftrek van voorbelasting verleenden of verlaagde tarieven toepasten die onder het in artikel 99 vastgestelde minimum liggen, mogen voor de levering van die goederen of voor die diensten overeenkomstig artikel 98 een verlaagd tarief of een van de twee verlaagde tarieven toepassen.

Artikel 114

1.   De lidstaten die op 1 januari 1993 verplicht waren hun op 1 januari 1991 geldende normale tarief met meer dan 2 % te verhogen, mogen voor goederenleveringen en diensten van de in bijlage III genoemde categorieën, een verlaagd tarief toepassen dat onder het in artikel 99 bepaalde minimum ligt.

Voorts mogen de in de eerste alinea bedoelde lidstaten een dergelijk tarief hanteren voor restauratie, kinderkleding en -schoeisel en huisvesting.

2.   De lidstaten mogen op grond van lid 1 geen vrijstellingen met recht op aftrek van voorbelasting invoeren.

Artikel 115

De lidstaten die op 1 januari 1991 een verlaagd tarief toepasten voor restauratie, kinderkleding en -schoeisel en huisvesting, mogen op die goederenleveringen en diensten een verlaagd tarief blijven toepassen.

Artikel 116

Portugal mag een van de twee in artikel 98 bedoelde verlaagde tarieven toepassen voor restauratie, op voorwaarde dat dit tarief niet lager ligt dan 12 %.

Artikel 117

1.   Voor de toepassing van artikel 115 mag Oostenrijk een verlaagd tarief blijven toepassen voor restauratie.

2.   Oostenrijk mag een van de twee in artikel 98 bedoelde verlaagde tarieven toepassen op de verhuring van onroerend goed voor residentieel gebruik, op voorwaarde dat dit tarief niet lager ligt dan 10 %.

Artikel 118

De lidstaten die op 1 januari 1991 een verlaagd tarief toepasten voor andere leveringen van goederen en voor andere diensten dan de in bijlage III genoemde, mogen voor die leveringen of voor die diensten het verlaagde tarief of een van de twee verlaagde tarieven overeenkomstig artikel 98 toepassen, op voorwaarde dat dit tarief niet lager ligt dan 12 %.

De eerste alinea is niet van toepassing op leveringen van gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten zoals omschreven in artikel 311, lid 1, punten 1) tot en met 4), die overeenkomstig de in de artikelen 312 tot en met 325 vastgestelde winstmargeregeling of de regeling voor verkoop op openbare veilingen aan de BTW zijn onderworpen.

Artikel 119

Voor de toepassing van artikel 118 mag Oostenrijk een verlaagd tarief toepassen op door de producerende boer op de boerderij geproduceerde wijn, op voorwaarde dat dit tarief niet lager ligt dan 12 %.

Artikel 120

Griekenland mag tarieven die tot 30 % lager liggen dan de overeenkomstige tarieven op het Griekse vasteland, toepassen in de departementen Lesbos, Chios, Samos, de Dodekanesos en de Cycladen, en op de eilanden Thassos, de noordelijke Sporaden, Samothraki en Skiros.

Artikel 121

De lidstaten die op 1 januari 1993 de oplevering van een werk in roerende staat als een levering van goederen aanmerkten, kunnen op de oplevering van een werk in roerende staat het tarief toepassen dat van toepassing is op het na de uitvoering van het aangenomen werk verkregen goed.

Voor de toepassing van de eerste alinea wordt onder „oplevering van een werk in roerende staat” verstaan de afgifte door de opdrachtnemer aan de opdrachtgever van een roerend goed dat hij heeft vervaardigd of samengesteld met behulp van stoffen en voorwerpen die daartoe door de opdrachtgever aan de opdrachtnemer zijn verstrekt, ongeacht of de opdrachtnemer al dan niet een deel van de gebruikte materialen heeft verschaft.

Artikel 122

De lidstaten mogen een verlaagd tarief toepassen op leveringen van levende planten en andere producten van de bloementeelt, met inbegrip van bollen, wortelen en dergelijke, snijbloemen en snijgroen, alsmede op leveringen van brandhout.

HOOFDSTUK 5

Tijdelijke bepalingen

Artikel 123

Tsjechië mag tot en met 31 december 2007 een verlaagd tarief van ten minste 5 % blijven toepassen op de volgende handelingen:

a)

de levering van warmte-energie aan huishoudens en niet-belastingplichtige kleine ondernemers voor verwarming en warmwaterproductie, met uitzondering van grondstoffen voor het opwekken van warmte-energie;

b)

de levering van bouwwerkzaamheden voor huisvesting die niet in het kader van sociaal beleid worden verricht, met uitsluiting van bouwmaterialen.

Artikel 124

Estland mag tot en met 30 juni 2007 een verlaagd tarief van ten minste 5 % blijven toepassen op de levering van warmte-energie aan natuurlijke personen, woningverenigingen, kerken, congregaties en door de staat, plattelandsgemeenten of steden gefinancierde instellingen of rechtspersonen, alsmede op de verkoop aan natuurlijke personen van turf, brandstofbriketten, kolen en brandhout.

Artikel 125

1.   Cyprus mag tot en met 31 december 2007 een vrijstelling met recht op aftrek van voorbelasting blijven toepassen op geneesmiddelen en levensmiddelen voor menselijke consumptie, met uitzondering van roomijs, ijslollies, bevroren yoghurt, waterijs en soortgelijke producten, en voor hartige snacks (aardappelchips/-sticks, „puffs” (gepofte aardappelbrokjes) en soortgelijke producten die zonder verdere bereiding worden verpakt voor menselijke consumptie).

2.   Cyprus mag een verlaagd tarief van ten minste 5 % blijven toepassen op restaurantdiensten, tot en met 31 december 2007 of tot de invoering van de in artikel 402 bedoelde definitieve regeling, naargelang welke datum eerder valt.

Artikel 126

Hongarije mag een verlaagd tarief van ten minste 12 % blijven toepassen op de volgende handelingen:

a)

tot en met 31 december 2007 op de levering van kolen, steenkool en cokes, brandhout en houtskool, alsmede op de levering van stadsverwarmingsdiensten;

b)

tot en met 31 december 2007 of tot de invoering van de in artikel 402 bedoelde definitieve regeling, naargelang welke datum eerder valt, op restauratie en in horecabedrijven verkochte levensmiddelen.

Artikel 127

Malta mag tot 1 januari 2010 een vrijstelling met aftrek van voorbelasting blijven toepassen op de levering van levensmiddelen voor menselijke consumptie en van geneesmiddelen.

Artikel 128

1.   Polen mag tot en met 31 december 2007 een vrijstelling met recht op aftrek van voorbelasting toepassen op de levering van bepaalde categorieën boeken en gespecialiseerde tijdschriften.

2.   Polen mag tot en met 31 december 2007 of tot de invoering van de in artikel 402 bedoelde definitieve regeling, naar gelang welke datum eerder valt, een verlaagd tarief van ten minste 7 % blijven toepassen op restauratie.

3.   Polen mag tot en met 30 april 2008 een verlaagd tarief van ten minste 3 % blijven toepassen op de levering van levensmiddelen bedoeld in bijlage III, punt 1.

4.   Polen mag tot en met 30 april 2008 een verlaagd tarief van ten minste 3 % blijven toepassen op de in bijlage III, punt 11, bedoelde goederenleveringen en diensten die normaal bestemd zijn voor gebruik in de landbouw, met uitzondering evenwel van kapitaalgoederen, zoals machines of gebouwen.

5.   Polen mag tot en met 31 december 2007 een verlaagd tarief van ten minste 7 % toepassen op diensten die niet in het kader van sociaal beleid worden verricht voor de bouw, de verbouwing of de aanpassing van woningen, met uitzondering van bouwmaterialen, en op de levering van woongebouwen of delen van woongebouwen vóór de eerste ingebruikneming, zoals bedoeld in artikel 12, lid 1, punt a).

Artikel 129

1.   Slovenië mag tot en met 31 december 2007 of tot de invoering van de in artikel 402 bedoelde definitieve regeling, naargelang welke datum eerder valt, een verlaagd tarief van ten minste 8,5 % blijven toepassen op restauratie.

2.   Slovenië mag tot en met 31 december 2007 een verlaagd tarief van ten minste 5 % blijven toepassen op woningbouwwerkzaamheden en renovatie- en onderhoudswerkzaamheden aan woningen, voorzover die werkzaamheden niet in het kader van sociaal beleid worden verricht, met uitzondering van bouwmaterialen.

Artikel 130

Slowakije mag een verlaagd tarief van ten minste 5 % blijven toepassen op de volgende handelingen:

a)

tot en met 31 december 2007 op woningbouwwerkzaamheden die niet in het kader van sociaal beleid worden verricht, met uitzondering van bouwmaterialen;

b)

tot en met 31 december 2008 op de levering van warmte-energie aan huishoudens en niet-belastingplichtige kleine ondernemers voor verwarming en warmwaterproductie, met uitzondering van grondstoffen voor het opwekken van warmte-energie.

TITEL IX

VRIJSTELLINGEN

HOOFDSTUK 1

Algemene bepalingen

Artikel 131

De in de hoofdstukken 2 tot en met 9 geregelde vrijstellingen zijn van toepassing onverminderd andere communautaire bepalingen en onder de voorwaarden die de lidstaten stellen om een juiste en eenvoudige toepassing van deze vrijstellingen te verzekeren en elke vorm van fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen.

HOOFDSTUK 2

Vrijstellingen voor bepaalde activiteiten van algemeen belang

Artikel 132

1.   De lidstaten verlenen vrijstelling voor de volgende handelingen:

a)

de door openbare postdiensten verrichte diensten en daarmee gepaard gaande goederenleveringen, met uitzondering van personenvervoer en telecommunicatiediensten;

b)

ziekenhuisverpleging en medische verzorging, alsmede de handelingen die daarmede nauw samenhangen, door publiekrechtelijke lichamen of, onder sociale voorwaarden die vergelijkbaar zijn met die welke gelden voor genoemde lichamen, door ziekenhuizen, centra voor medische verzorging en diagnose en andere naar behoren erkende inrichtingen van dezelfde aard;

c)

medische verzorging in het kader van de uitoefening van medische en paramedische beroepen als omschreven door de betrokken lidstaat;

d)

de levering van menselijke organen, menselijk bloed en moedermelk;

e)

de door tandtechnici in het kader van de uitoefening van hun beroep verrichte diensten, alsmede de levering van tandprothesen door tandartsen en tandtechnici;

f)

diensten verricht door zelfstandige groeperingen van personen die een activiteit uitoefenen welke is vrijgesteld of waarvoor zij niet belastingplichtig zijn, teneinde aan hun leden de diensten te verlenen die direct nodig zijn voor de uitoefening van voornoemde activiteit, wanneer die groeperingen van hun leden enkel terugbetaling vorderen van hun aandeel in de gezamenlijke uitgaven, mits deze vrijstelling niet tot verstoring van de mededinging kan leiden;

g)

diensten en goederenleveringen welke nauw samenhangen met maatschappelijk werk en met de sociale zekerheid, waaronder begrepen die welke worden verricht door bejaardentehuizen, door publiekrechtelijke lichamen of door andere organisaties die door de betrokken lidstaat als instellingen van sociale aard worden erkend;

h)

diensten en goederenleveringen welke nauw samenhangen met de bescherming van kinderen en jongeren en welke worden verricht door publiekrechtelijke lichamen of door andere organisaties die door de betrokken lidstaat als instellingen van sociale aard worden erkend;

i)

onderwijs aan kinderen of jongeren, school- of universitair onderwijs, beroepsopleiding of -herscholing, met inbegrip van de diensten en goederenleveringen welke hiermede nauw samenhangen, door publiekrechtelijke lichamen die daartoe zijn ingesteld of door andere organisaties die door de betrokken lidstaat als lichamen met soortgelijke doeleinden worden erkend;

j)

lessen die particulier door docenten worden gegeven en betrekking hebben op het school- of universitair onderwijs;

k)

beschikbaarstelling van personeel door religieuze of levensbeschouwelijke instellingen voor de in de punten b), g), h) en i), bedoelde werkzaamheden en met het oog op de verlening van geestelijke bijstand;

l)

diensten en nauw daarmee samenhangende goederenleveringen ten behoeve van hun leden in het collectief belang, tegen een statutair vastgestelde contributie door instellingen zonder winstoogmerk met doeleinden van politieke, syndicale, religieuze, vaderlandslievende, levensbeschouwelijke, filantropische of staatsburgerlijke aard, mits deze vrijstelling niet tot verstoring van de mededinging kan leiden;

m)

sommige diensten welke nauw samenhangen met de beoefening van sport of met lichamelijke opvoeding en welke door instellingen zonder winstoogmerk worden verricht voor personen die aan sport of lichamelijke opvoeding doen;

n)

bepaalde culturele diensten alsmede nauw daarmee samenhangende goederenleveringen, verricht door publiekrechtelijke culturele instellingen of door andere culturele instellingen die door de betrokken lidstaat worden erkend;

o)

diensten en goederenleveringen door lichamen waarvan de handelingen overeenkomstig de punten b), g), h), i), l), m) en n), zijn vrijgesteld, in samenhang met activiteiten die zijn bestemd ter verkrijging van financiële steun en die uitsluitend ten bate van henzelf zijn georganiseerd, mits deze vrijstelling niet tot verstoring van de mededinging kan leiden;

p)

vervoer van zieken of gewonden met speciaal daartoe ingerichte voertuigen door naar behoren gemachtigde lichamen;

q)

niet-commerciële activiteiten van openbare radio- en televisieorganisaties.

2.   Voor de toepassing van lid 1, punt o), kunnen de lidstaten alle nodige beperkingen invoeren, met name ten aanzien van het aantal evenementen of het bedrag van de opbrengsten waarvoor recht op vrijstelling bestaat.

Artikel 133

De lidstaten kunnen de verlening van elk der in artikel 132, lid 1, punten b), g), h), i), l), m) en n), bedoelde vrijstellingen aan andere dan publiekrechtelijke instellingen van geval tot geval afhankelijk stellen van een of meer van de volgende voorwaarden:

a)

de instellingen mogen niet systematisch het maken van winst beogen; eventuele winsten mogen niet worden uitgekeerd, maar moeten worden aangewend voor de instandhouding of verbetering van de diensten die worden verricht;

b)

het beheer en het bestuur van de instellingen moeten in hoofdzaak op vrijwillige basis en zonder vergoeding geschieden door personen die noch zelf, noch via tussenpersonen, enig rechtstreeks of zijdelings belang hebben bij de resultaten van de werkzaamheden van de instellingen;

c)

de instellingen moeten prijzen toepassen die zijn goedgekeurd door de overheid, of prijzen die niet hoger liggen dan de goedgekeurde prijzen, of, voor handelingen waarvoor geen goedkeuring van prijzen plaatsvindt, prijzen die lager zijn dan die welke voor soortgelijke aan de BTW onderworpen handelingen in rekening worden gebracht door commerciële ondernemingen;

d)

de vrijstellingen mogen niet tot verstoring van de mededinging leiden ten nadele van belastingplichtige commerciële ondernemingen.

De lidstaten die krachtens bijlage E van Richtlijn 77/388/EEG van de Raad op 1 januari 1989 de in artikel 132, lid 1, punten m) en n), bedoelde handelingen aan BTW onderwierpen, mogen de in de eerste alinea, punt d), vermelde voorwaarden ook toepassen wanneer vrijstelling wordt verleend voor de genoemde diensten of goederenleveringen, verricht door publiekrechtelijke lichamen.

Artikel 134

Goederenleveringen en diensten zijn in de volgende gevallen van de in artikel 132, lid 1, punten b), g), h), i), l), m) en n), bedoelde vrijstellingen uitgesloten:

a)

wanneer zij niet onontbeerlijk zijn voor het verrichten van de vrijgestelde handelingen;

b)

wanneer zij in hoofdzaak ertoe strekken aan de instelling extra opbrengsten te verschaffen door de uitvoering van handelingen welke worden verricht in rechtstreekse mededinging met aan de BTW onderworpen handelingen van commerciële ondernemingen.

HOOFDSTUK 3

Vrijstellingen ten gunste van andere activiteiten

Artikel 135

1.   De lidstaten verlenen vrijstelling voor de volgende handelingen:

a)

handelingen ter zake van verzekering en herverzekering met inbegrip van daarmee samenhangende diensten, verricht door assurantiemakelaars en verzekeringstussenpersonen;

b)

de verlening van kredieten en de bemiddeling inzake kredieten, alsmede het beheer van kredieten door degene die deze heeft verleend;

c)

de bemiddeling bij en het aangaan van borgtochten en andere zekerheids- en garantieverbintenissen, alsmede het beheer van kredietgaranties door degene die het krediet heeft verleend;

d)

handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, betreffende deposito's, rekening-courantverkeer, betalingen, overmakingen, schuldvorderingen, cheques en andere handelspapieren met uitzondering van de inning van schuldvorderingen;

e)

handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, betreffende deviezen, bankbiljetten en munten die wettig betaalmiddel zijn, met uitzondering van munten en biljetten die verzamelobject zijn, namelijk gouden, zilveren of uit een ander metaal geslagen munten, alsmede biljetten, die normaal niet als wettig betaalmiddel worden gebruikt of die een numismatische waarde hebben;

f)

handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, uitgezonderd bewaring en beheer, inzake aandelen, deelnemingen in vennootschappen of verenigingen, obligaties en andere waardepapieren, met uitzondering van documenten die goederen vertegenwoordigen en van de in artikel 16, lid 2, bedoelde rechten of effecten;

g)

het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen, zoals omschreven door de lidstaten;

h)

leveringen, tegen de nominale waarde, van postzegels die frankeerwaarde hebben binnen hun respectieve grondgebied, fiscale zegels en andere soortgelijke zegels;

i)

weddenschappen, loterijen en andere kans- en geldspelen, met inachtneming van de door elke lidstaat gestelde voorwaarden en beperkingen;

j)

de levering van een gebouw of een gedeelte ervan en van het bijbehorende terrein, met uitzondering van de in artikel 13, lid 1, punt a), bedoelde levering;

k)

de levering van onbebouwde onroerende goederen, met uitzondering van de in artikel 12, lid 1, punt b), bedoelde levering van een bouwterrein;

l)

de verhuur en verpachting van onroerende goederen.

2.   De volgende handelingen zijn van de in lid 1, punt l), geregelde vrijstelling uitgesloten:

a)

het verstrekken van accommodatie, als omschreven in de wetgeving der lidstaten, in het hotelbedrijf of in sectoren met een soortgelijke functie, met inbegrip van de verhuuraccommodatie in vakantiekampen of op kampeerterreinen;

b)

verhuur van parkeerruimte voor voertuigen;

c)

verhuur van blijvend geïnstalleerde werktuigen en machines;

d)

verhuur van safeloketten.

De lidstaten kunnen nog andere handelingen van de toepassing van de in lid 1, punt l), geregelde vrijstelling uitsluiten.

Artikel 136

De lidstaten verlenen vrijstelling voor de volgende handelingen:

a)

leveringen van goederen die uitsluitend zijn gebruikt voor een activiteit die krachtens de artikelen 132, 135, 371, 375, 376 en 377, artikel 378, lid 2, artikel 379, lid 2, en de artikelen 380 tot en met 390 is vrijgesteld, wanneer voor deze goederen geen recht op aftrek is genoten;

b)

leveringen van goederen bij de aanschaffing of bestemming waarvan overeenkomstig artikel 176 het recht op aftrek van de BTW is uitgesloten.

Artikel 137

1.   De lidstaten kunnen aan de belastingplichtigen het recht verlenen voor belastingheffing ter zake van de volgende handelingen te kiezen:

a)

de financiële handelingen bedoeld in artikel 135, lid 1, punten b) tot en met g);

b)

de levering van een gebouw of een gedeelte ervan en van het bijbehorende terrein, met uitzondering van de in artikel 12, lid 1, punt a), bedoelde levering;

c)

de levering van onbebouwde onroerende goederen, met uitzondering van de in artikel 12, lid 1, punt b), bedoelde levering van een bouwterrein;

d)

de verhuur en verpachting van onroerende goederen.

2.   De lidstaten stellen de bepalingen voor de uitoefening van het in lid 1 bedoelde keuzerecht vast.

De lidstaten kunnen de omvang van dit keuzerecht beperken.

HOOFDSTUK 4

Vrijstellingen met betrekking tot intracommunautaire handelingen

Afdeling 1

Vrijstellingen voor levering van goederen

Artikel 138

1.   De lidstaten verlenen vrijstelling voor de levering van goederen, door of voor rekening van de verkoper of de afnemer verzonden of vervoerd naar een plaats buiten hun respectieve grondgebied, maar binnen de Gemeenschap, welke wordt verricht voor een andere belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon die als zodanig handelt in een andere lidstaat dan de lidstaat van vertrek van de verzending of het vervoer van de goederen.

2.   Behalve voor de in lid 1 bedoelde goederenleveringen verlenen de lidstaten vrijstelling voor de volgende handelingen:

a)

de levering van nieuwe vervoermiddelen, door of voor rekening van de verkoper of de afnemer met als bestemming de afnemer verzonden of vervoerd naar een plaats buiten hun respectieve grondgebied maar binnen de Gemeenschap, welke wordt verricht voor belastingplichtigen of voor niet-belastingplichtige rechtspersonen wier intracommunautaire verwervingen van goederen uit hoofde van artikel 3, lid 1, niet aan de BTW zijn onderworpen, of voor elke andere niet-belastingplichtige;

b)

de levering van accijnsproducten, door of voor rekening van de verkoper of de afnemer met als bestemming de afnemer verzonden of vervoerd naar een plaats buiten hun respectieve grondgebied maar binnen de Gemeenschap, welke wordt verricht voor belastingplichtigen of voor niet-belastingplichtige rechtspersonen wier intracommunautaire verwervingen van andere goederen dan accijnsproducten, uit hoofde van artikel 3, lid 1, niet aan de BTW zijn onderworpen wanneer de verzending of het vervoer van deze producten plaatsvindt overeenkomstig artikel 7, leden 4 en 5, of artikel 16 van Richtlijn 92/12/EEG;

c)

de goederenlevering bestaande in de overbrenging naar een andere lidstaat, die voor de in lid 1 en de punten a) en b) bedoelde vrijstellingen in aanmerking zou komen indien zij voor een andere belastingplichtige was verricht.

Artikel 139

1.   De in artikel 138, lid 1, bedoelde vrijstelling is niet van toepassing op de goederenlevering welke wordt verricht door belastingplichtigen die voor de in de artikelen 282 tot en met 292 geregelde vrijstelling voor kleine ondernemingen in aanmerking komen.

De vrijstelling is evenmin van toepassing op de goederenlevering welke wordt verricht voor belastingplichtigen of voor niet-belastingplichtige rechtspersonen wier intracommunautaire verwervingen uit hoofde van artikel 3, lid 1, niet aan de BTW zijn onderworpen.

2.   De in artikel 138, lid 2, onder b), geregelde vrijstelling is niet van toepassing op de levering van accijnsproducten welke wordt verricht door belastingplichtigen die voor de in de artikelen 282 tot en met 292 geregelde vrijstelling voor kleine ondernemingen in aanmerking komen.

3.   De in artikel 138, lid 1, en lid 2, onder b) en c), geregelde vrijstelling is niet van toepassing op de goederenlevering welke overeenkomstig de in de artikelen 312 tot en met 325 neergelegde winstmargeregeling of de regeling inzake de verkoop op openbare veilingen aan de BTW is onderworpen.

De in artikel 138, lid 1, en lid 2, onder c), geregelde vrijstelling is niet van toepassing op de levering van gebruikte vervoermiddelen als omschreven in artikel 327, lid 3, die overeenkomstig de overgangsregeling voor gebruikte vervoermiddelen aan de BTW zijn onderworpen.

Afdeling 2

Vrijstellingen voor intracommunautaire verwervingen van goederen

Artikel 140

De lidstaten verlenen vrijstelling voor de volgende handelingen:

a)

de intracommunautaire verwerving van goederen waarvan de levering door belastingplichtigen in ieder geval op hun respectieve grondgebied is vrijgesteld;

b)

de intracommunautaire verwerving van goederen waarvan de invoer in ieder geval op grond van artikel 143, punten a), b) en c), en e) tot en met l), is vrijgesteld;

c)

de intracommunautaire verwerving van goederen waarvoor de afnemer van de goederen op grond van de artikelen 170 en 171 in ieder geval recht heeft op volledige teruggaaf van de BTW die krachtens artikel 2, lid 1, onder b), verschuldigd zou zijn.

Artikel 141

Elke lidstaat treft bijzondere maatregelen om de intracommunautaire verwerving van goederen die overeenkomstig artikel 40 binnen zijn grondgebied wordt verricht, niet aan de BTW te onderwerpen indien de volgende voorwaarden vervuld zijn:

a)

de verwerving van goederen wordt verricht door een niet in die lidstaat gevestigde, maar in een andere lidstaat voor BTW-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige;

b)

de verwerving van goederen wordt verricht met het oog op een daaropvolgende levering van deze goederen in diezelfde lidstaat door de in punt a) bedoelde belastingplichtige;

c)

de aldus door de in punt a) bedoelde belastingplichtige verworven goederen worden rechtstreeks vanuit een andere lidstaat dan die waarin hij voor BTW-doeleinden geïdentificeerd is, verzonden of vervoerd naar degene voor wie hij de daaropvolgende levering verricht;

d)

degene voor wie de daaropvolgende levering bestemd is, is een andere belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die in diezelfde lidstaat voor BTW-doeleinden is geïdentificeerd;

e)

de in punt d) bedoelde persoon voor wie de volgende levering is bestemd, is overeenkomstig artikel 197 aangewezen als degene die is gehouden tot voldoening van de belasting, verschuldigd uit hoofde van de levering welke is verricht door de belastingplichtige die niet gevestigd is in de lidstaat waar de belasting is verschuldigd.

Afdeling 3

Vrijstellingen voor bepaalde vervoerdiensten

Artikel 142

De lidstaten verlenen vrijstelling voor het intracommunautaire vervoer van goederen naar of vanaf de eilanden die de autonome gebieden van de Azoren en van Madeira vormen, alsmede voor het vervoer van goederen tussen deze eilanden.

HOOFDSTUK 5

Vrijstellingen bij invoer

Artikel 143

De lidstaten verlenen vrijstelling voor de volgende handelingen:

a)

de definitieve invoer van goederen waarvan de levering door belastingplichtigen in ieder geval op hun respectieve grondgebied is vrijgesteld;

b)

de definitieve invoer van goederen die valt onder de Richtlijnen 69/169/EEG (5), 83/181/EEG (6) en 2006/79/EG (7) van de Raad;

c)

de definitieve invoer van goederen in het vrije verkeer afkomstig uit een derdelandsgebied dat deel uitmaakt van het douanegebied van de Gemeenschap, die voor de in punt b) bedoelde vrijstelling in aanmerking zouden komen indien zij waren ingevoerd in de zin van artikel 31, eerste alinea;

d)

de invoer van vanuit een derdelandsgebied of een derde land verzonden of vervoerde goederen in een andere lidstaat dan de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer, indien de levering van deze goederen, verricht door de importeur die uit hoofde van artikel 201 is aangewezen of erkend als de tot voldoening van de belasting gehouden persoon, overeenkomstig artikel 138 is vrijgesteld;

e)

de wederinvoer van goederen in de toestand waarin zij zijn uitgevoerd, door degene die deze heeft uitgevoerd, indien de goederen voor vrijstelling van invoerrechten in aanmerking komen;

f)

de invoer van goederen in het kader van de diplomatieke en consulaire betrekkingen, indien de goederen voor vrijstelling van invoerrechten in aanmerking komen;

g)

de invoer van goederen verricht door internationale instellingen die als zodanig door de overheid van de lidstaat waar zij zijn gevestigd, zijn erkend, alsmede door de leden van deze instellingen, zulks binnen de beperkingen en onder de voorwaarden die zijn vastgesteld bij de internationale verdragen tot oprichting van deze instellingen of bij de vestigingsovereenkomsten;

h)

de invoer van goederen verricht in de lidstaten die partij zijn bij het Noord-Atlantische Verdrag, door de strijdkrachten van de andere staten die partij bij dat verdrag zijn, ten behoeve van deze strijdkrachten of het hen begeleidende burgerpersoneel of voor de bevoorrading van hun messes of kantines, voor zover deze strijdkrachten deelnemen aan de gemeenschappelijke defensie-inspanning;

i)

de invoer van goederen door de strijdkrachten van het Verenigd Koninkrijk die op Cyprus zijn gestationeerd overeenkomstig het Verdrag betreffende de oprichting van de Republiek Cyprus van 16 augustus 1960, ten behoeve van de strijdkrachten of het hen begeleidende burgerpersoneel of voor de bevoorrading van hun messes of kantines;

j)

de invoer in havens, door zeevisserijbedrijven, van visserijproducten, niet be- of verwerkt of nadat deze met het oog op de afzet een bederfwerende behandeling hebben ondergaan, en die nog niet zijn geleverd;

k)

de invoer van goud door de centrale banken;

l)

de invoer van gas via het aardgasdistributiesysteem, of de invoer van elektriciteit.

Artikel 144

De lidstaten verlenen vrijstelling voor de diensten die betrekking hebben op de invoer van goederen en waarvan de waarde overeenkomstig artikel 86, lid 1, onder b), in de maatstaf van heffing is opgenomen.

Artikel 145

1.   De Commissie dient, indien nodig, zo spoedig mogelijk voorstellen in bij de Raad om de werkingssfeer en de uitvoering van de in de artikelen 143 en 144 geregelde vrijstellingen nader te bepalen.

2.   Totdat de in lid 1 bedoelde uitvoeringsbepalingen in werking treden, kunnen de lidstaten hun geldende nationale voorschriften blijven toepassen.

De lidstaten kunnen hun nationale voorschriften aanpassen, teneinde verstoring van de mededinging te beperken en met name gevallen van niet-heffing of dubbele heffing van belasting in de Gemeenschap te vermijden.

De lidstaten kunnen de administratieve procedures gebruiken die zij het meest geschikt achten om tot vrijstelling te komen.

3.   De lidstaten stellen, voorzover dat nog niet is gebeurd, de Commissie in kennis van de geldende nationale voorschriften en van de voorschriften die zij krachtens lid 2 nemen. De Commissie stelt de andere lidstaten daarvan in kennis.

HOOFDSTUK 6

Vrijstellingen bij uitvoer

Artikel 146

1.   De lidstaten verlenen vrijstelling voor de volgende handelingen:

a)

de levering van goederen die door of voor rekening van de verkoper worden verzonden of vervoerd naar een plaats buiten de Gemeenschap;

b)

de levering van goederen die door of voor rekening van een niet op hun respectieve grondgebied gevestigde afnemer worden verzonden of vervoerd naar een plaats buiten de Gemeenschap, met uitzondering van door de afnemer zelf vervoerde goederen bestemd voor de uitrusting of de bevoorrading van pleziervaartuigen en sportvliegtuigen of van andere vervoermiddelen voor privé-gebruik;

c)

de levering van goederen aan erkende organisaties die deze goederen uit de Gemeenschap uitvoeren in het kader van hun menslievende, liefdadige of opvoedkundige werk buiten de Gemeenschap;

d)

diensten bestaande uit werkzaamheden met betrekking tot roerende zaken die zijn verworven of ingevoerd teneinde deze werkzaamheden in de Gemeenschap te ondergaan, en die door of voor rekening van de dienstverrichter of de niet binnen hun respectieve grondgebied gevestigde afnemer worden vervoerd of verzonden naar een plaats buiten de Gemeenschap;

e)

diensten, met inbegrip van vervoer en met die diensten samenhangende handelingen en met uitzondering van de overeenkomstig de artikelen 132 en 135 vrijgestelde diensten, wanneer die diensten rechtstreeks verband houden met de uitvoer of invoer van goederen die onder artikel 61 en artikel 157, lid 1, onder a), vallen.

2.   De in lid 1, punt c), geregelde vrijstelling kan worden toegekend in de vorm van teruggaaf van de BTW.

Artikel 147

1.   Indien de in artikel 146, lid 1, punt b), bedoelde levering betrekking heeft op goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers, geldt de vrijstelling slechts wanneer de volgende voorwaarden vervuld zijn:

a)

de reiziger is niet in de Gemeenschap gevestigd;

b)

de goederen worden naar een plaats buiten de Gemeenschap vervoerd vóór het einde van de derde maand volgende op die waarin de levering geschiedde;

c)

het totale bedrag van de levering, BTW inbegrepen, is hoger dan EUR 175 of de tegenwaarde daarvan in nationale munteenheid die eenmaal per jaar op basis van de op de eerste werkdag van de maand oktober geldende wisselkoers wordt vastgesteld en met ingang van 1 januari van het daaropvolgende jaar van toepassing is.

De lidstaten mogen evenwel een levering waarvan het totale bedrag lager is dan het in de eerste alinea, punt c), genoemde bedrag, van belasting vrijstellen.

2.   Voor de toepassing van lid 1 wordt onder „reiziger die niet in de Gemeenschap is gevestigd” verstaan een reiziger wiens woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats niet in de Gemeenschap is gelegen. In dat geval wordt onder „woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats” verstaan de plaats die als zodanig is vermeld op het paspoort, de identiteitskaart of enig ander document dat door de lidstaat op het grondgebied waarvan de levering wordt verricht, als identiteitsbewijs wordt erkend.

Het bewijs van de uitvoer wordt geleverd door middel van de factuur, of van een in de plaats daarvan komend bewijsstuk, voorzien van het visum van het douanekantoor van uitgang uit de Gemeenschap.

Elke lidstaat verstrekt aan de Commissie een specimen van de stempels die hij voor het afgeven van het in de tweede alinea bedoelde visum gebruikt. De Commissie stelt de belastingautoriteiten van de andere lidstaten van deze informatie in kennis.

HOOFDSTUK 7

Vrijstellingen met betrekking tot internationaal vervoer

Artikel 148

De lidstaten verlenen vrijstelling voor de volgende handelingen:

a)

de levering van goederen, bestemd voor de bevoorrading van schepen voor de vaart op volle zee waarmee passagiersvervoer tegen betaling plaatsvindt of die worden gebruikt voor de uitoefening van een industriële, handels- of visserijactiviteit alsmede van reddingsboten en schepen voor hulpverlening op zee of schepen voor de kustvisserij, behalve, wat de laatstgenoemde schepen betreft, de scheepsvoorraden;

b)

de levering van goederen, bestemd voor de bevoorrading van oorlogsschepen vallende onder GN-code 8906 10 00, die hun grondgebied verlaten met als bestemming een haven of een ankerplaats buiten de lidstaat;

c)

de levering, de verbouwing, de reparatie, het onderhoud, de bevrachting en de verhuur van de in punt a) bedoelde schepen, alsmede de levering, de verhuur, de reparatie en het onderhoud van de voorwerpen — met inbegrip van uitrusting voor de visserij — die met deze schepen vast verbonden zijn of die voor hun exploitatie dienen;

d)

andere dan de in punt c) bedoelde diensten die voor de rechtstreekse behoeften van de in punt a) bedoelde schepen en hun lading worden verricht;

e)

de levering van goederen, bestemd voor de bevoorrading van de luchtvaartuigen welke worden gebruikt door luchtvaartmaatschappijen die zich hoofdzakelijk op het betaalde internationale vervoer toeleggen;

f)

de levering, de verbouwing, de reparatie, het onderhoud, de bevrachting en de verhuur van de in punt e) bedoelde luchtvaartuigen, alsmede de levering, de verhuur, de reparatie en het onderhoud van de voorwerpen die met deze luchtvaartuigen vast verbonden zijn of die voor hun exploitatie dienen;

g)

andere dan de in punt f) bedoelde diensten, die voor de rechtstreekse behoeften van de in punt e) bedoelde luchtvaartuigen en hun lading worden verricht.

Artikel 149

Portugal mag het vervoer over zee en door de lucht tussen de eilanden die de autonome gebieden van de Azoren en Madeira vormen onderling en tussen deze eilanden en het vasteland gelijkstellen met internationaal vervoer.

Artikel 150

1.   De Commissie dient, indien nodig, zo spoedig mogelijk voorstellen in bij de Raad om de werkingssfeer en de uitvoering van de in artikel 148 geregelde vrijstellingen nader te bepalen.

2.   Totdat de in lid 1 bedoelde bepalingen in werking treden, kunnen de lidstaten de draagwijdte van de in artikel 148, punten a) en b), geregelde vrijstellingen beperken.

HOOFDSTUK 8

Vrijstellingen voor bepaalde met uitvoer gelijkgestelde handelingen

Artikel 151

1.   De lidstaten verlenen vrijstelling voor de volgende handelingen:

a)

goederenleveringen en diensten verricht in het kader van de diplomatieke en consulaire betrekkingen;

b)

goederenleveringen en diensten bestemd voor internationale instellingen die als dusdanig door de overheid van de lidstaat waar zij zijn gevestigd, zijn erkend, alsmede voor de leden van deze instellingen, zulks binnen de beperkingen en onder de voorwaarden die zijn vastgesteld bij de internationale verdragen tot oprichting van deze instellingen of bij de vestigingsovereenkomsten;

c)

goederenleveringen en diensten verricht in de lidstaten die partij zijn bij het Noord-Atlantische Verdrag, en bestemd voor de strijdkrachten van de andere staten die partij bij dat verdrag zijn, ten behoeve van deze strijdkrachten of het hen begeleidende burgerpersoneel of voor de bevoorrading van hun messes of kantines, voor zover deze strijdkrachten deelnemen aan de gemeenschappelijke defensie-inspanning;

d)

goederenleveringen en diensten verricht voor een andere lidstaat, bestemd voor de strijdkrachten van andere staten die partij zijn bij het Noord-Atlantische Verdrag dan de lidstaat van bestemming zelf, ten behoeve van deze strijdkrachten of het hen begeleidende burgerpersoneel of voor de bevoorrading van hun messes of kantines, voor zover deze strijdkrachten deelnemen aan de gemeenschappelijke defensie-inspanning;

e)

goederenleveringen en diensten verricht voor de strijdkrachten van het Verenigd Koninkrijk die op Cyprus zijn gestationeerd overeenkomstig het Verdrag betreffende de oprichting van de Republiek Cyprus van 16 augustus 1960, ten behoeve van de strijdkrachten of het hen begeleidende burgerpersoneel of voor de bevoorrading van hun messes of kantines.

De in de eerste alinea geregelde vrijstellingen zijn van toepassing met inachtneming van de door de lidstaat van ontvangst vastgestelde beperkingen, totdat een uniforme belastingregeling is vastgesteld.

2.   Voor goederen die niet worden verzonden of vervoerd naar een plaats buiten de lidstaat waar de levering van deze goederen wordt verricht, evenals voor diensten, kan de vrijstelling worden verleend in de vorm van teruggaaf van de BTW.

Artikel 152

De lidstaten verlenen vrijstelling voor de levering van goud aan de centrale banken.

HOOFDSTUK 9

Vrijstellingen voor door tussenpersonen verrichte diensten

Artikel 153

De lidstaten verlenen vrijstelling voor de diensten van tussenpersonen die handelen in naam en voor rekening van derden, wanneer hun diensten betrekking hebben op de in de hoofdstukken 6, 7 en 8 bedoelde handelingen of op buiten de Gemeenschap verrichte handelingen.

De in de eerste alinea bedoelde vrijstelling is niet van toepassing op reisbureaus wanneer zij in naam en voor rekening van de reiziger diensten verrichten die in andere lidstaten plaatsvinden.

HOOFDSTUK 10

Vrijstellingen voor handelingen met betrekking tot het internationale goederenverkeer

Afdeling 1

Douane- en andere entrepots en soortgelijke regelingen

Artikel 154

Voor de toepassing van deze afdeling worden onder andere entrepots dan douane-entrepots verstaan, wat accijnsproducten betreft, de als belastingentrepots in de zin van artikel 4, onder b), van Richtlijn 92/12/EEG aangemerkte plaatsen, en wat andere goederen dan accijnsproducten betreft, de als zodanig door de lidstaten aangemerkte plaatsen.

Artikel 155

Onverminderd de andere communautaire belastingbepalingen kunnen de lidstaten, na raadpleging van het BTW-Comité, bijzondere maatregelen nemen teneinde vrijstelling te verlenen voor de in deze afdeling bedoelde handelingen of sommige daarvan, mits zij geen betrekking hebben op eindgebruik of eindverbruik en het BTW-bedrag dat verschuldigd is wanneer de goederen aan de in deze afdeling bedoelde regelingen of situaties worden onttrokken, overeenkomt met het BTW-bedrag dat verschuldigd zou zijn geweest indien elk van deze handelingen op hun grondgebied was belast.

Artikel 156

1.   De lidstaten kunnen vrijstelling verlenen voor de volgende handelingen:

a)

de levering van goederen die bestemd zijn om bij de douane te worden aangebracht en, in voorkomend geval, in tijdelijke opslag te worden geplaatst;

b)

de levering van goederen die bestemd zijn om in een vrije zone of een vrij entrepot te worden geplaatst;

c)

de levering van goederen die bestemd zijn om onder een stelsel van douane-entrepots of onder een stelsel van actieve veredeling te worden geplaatst;

d)

de levering van goederen die bestemd zijn om in de territoriale zee te worden toegelaten om integrerend deel uit te maken van boor- of werkeilanden, met het oog op de bouw, de reparatie, het onderhoud, de verbouwing of de uitrusting van die boor- of werkeilanden, of om die boor- of werkeilanden met het vasteland te verbinden;

e)

de levering van goederen die bestemd zijn om in de territoriale zee te worden toegelaten voor de bevoorrading van boor- of werkeilanden.

2.   De in lid 1 bedoelde plaatsen zijn de plaatsen die als zodanig in de geldende communautaire douanevoorschriften zijn omschreven.

Artikel 157

1.   De lidstaten kunnen vrijstelling verlenen voor de volgende handelingen:

a)

de invoer van goederen die onder een ander stelsel van entrepots dan dat van douane-entrepots worden geplaatst;

b)

de levering van goederen die op hun grondgebied onder een ander stelsel van entrepots dan dat van douane-entrepots worden geplaatst.

2.   De lidstaten mogen voor andere goederen dan accijnsproducten niet in een ander stelsel van entrepots dan dat van douane-entrepots voorzien, indien deze goederen bestemd zijn om in het kleinhandelsstadium te worden geleverd.

Artikel 158

1.   In afwijking van artikel 157, lid 2, kunnen de lidstaten in de volgende gevallen een ander stelsel van entrepots dan dat van douane-entrepots invoeren:

a)

indien de goederen bestemd zijn voor verkooppunten voor belastingvrije verkoop, met het oog op de levering van goederen welke worden meegenomen in de persoonlijke bagage van reizigers die zich door middel van een vlucht of zeereis naar een derdelandsgebied of een derde land begeven, wanneer die levering overeenkomstig artikel 146, lid 1, punt b), is vrijgesteld;

b)

indien de goederen bestemd zijn voor belastingplichtigen, met het oog op levering aan reizigers aan boord van een vliegtuig of schip tijdens een vlucht of zeereis waarvan de plaats van aankomst buiten de Gemeenschap is gelegen;

c)

indien de goederen bestemd zijn voor belastingplichtigen, met het oog op leveringen die worden verricht met vrijstelling van BTW overeenkomstig artikel 151.

2.   Indien de lidstaten gebruik maken van de in lid 1, punt a), bedoelde mogelijkheid tot vrijstelling, treffen zij de nodige maatregelen om een juiste en eenvoudige toepassing van deze vrijstelling te verzekeren en elke vorm van fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen.

3.   Voor de toepassing van lid 1, punt a), wordt onder „verkooppunt voor belastingvrije verkoop” verstaan elke in een luchthaven of haven gelegen inrichting die aan de door de bevoegde overheidsinstanties gestelde voorwaarden voldoet.

Artikel 159

De lidstaten kunnen vrijstelling verlenen voor de diensten die samenhangen met de in artikel 156, artikel 1527 lid 1, onder b), en artikel 158 bedoelde goederenleveringen.

Artikel 160

1.   De lidstaten kunnen vrijstelling verlenen voor de volgende handelingen:

a)

goederenleveringen en diensten verricht op de in artikel 156, lid 1, genoemde plaatsen met handhaving op hun grondgebied van een van de in dat lid genoemde situaties;

b)

goederenleveringen en diensten verricht op de in artikel 157, lid 1, onder b), en artikel 158 genoemde plaatsen met handhaving op hun grondgebied van een van de in artikel 157, lid 1, onder b), of in artikel 158, lid 1, genoemde situaties.

2.   De lidstaten die voor handelingen die in een douane-entrepot worden verricht, gebruikmaken van de in lid 1, punt a), bepaalde mogelijkheid, nemen de nodige maatregelen om te voorzien in andere stelsels van entrepots dan dat van douane-entrepots die de toepassing van lid 1, punt b), mogelijk maken op dezelfde handelingen met betrekking tot in bijlage V opgenomen goederen, welke in die andere entrepots dan douane-entrepots worden verricht.

Artikel 161

De lidstaten kunnen vrijstelling verlenen voor de volgende goederenleveringen en de daarop betrekking hebbende diensten:

a)

de levering van goederen bedoeld in artikel 30, eerste alinea, die nog onderworpen zijn aan een regeling voor tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van invoerrechten of aan een regeling voor extern douanevervoer;

b)

de levering van goederen bedoeld in artikel 30, tweede alinea, die nog onderworpen zijn aan de in artikel 276 bedoelde regeling voor intern communautair douanevervoer.

Artikel 162

De lidstaten die van de in deze afdeling bedoelde mogelijkheid gebruikmaken, nemen de nodige maatregelen om te waarborgen dat de intracommunautaire verwerving van goederen die bestemd zijn om onder of in een van de in artikel 156, artikel 157, lid 1, onder b), en artikel 158 bedoelde regelingen of situaties te worden geplaatst, onder dezelfde bepalingen vallen als de goederenlevering die op hun grondgebied onder dezelfde voorwaarden wordt verricht.

Artikel 163

Indien de goederen worden onttrokken aan de in deze afdeling bedoelde regelingen of situaties, waardoor aanleiding wordt gegeven tot invoer in de zin van artikel 61, neemt de lidstaat van invoer de nodige maatregelen om dubbele belastingheffing te voorkomen.

Afdeling 2

Handelingen die worden vrijgesteld met het oog op de uitvoer en in het kader van het handelsverkeer tussen de lidstaten

Artikel 164

1.   Na raadpleging van het BTW-Comité kunnen de lidstaten voor de volgende door een belastingplichtige verrichte of voor een belastingplichtige bestemde handelingen, vrijstelling verlenen binnen de grenzen van het bedrag waarvoor deze belastingplichtige in de afgelopen twaalf maanden heeft uitgevoerd:

a)

de intracommunautaire verwerving van goederen door de belastingplichtige alsmede de invoer en de levering van goederen bestemd voor de belastingplichtige die deze goederen betrekt met het oog op hun uitvoer uit de Gemeenschap, al dan niet na verwerking;

b)

de diensten in verband met de uitvoeractiviteit van de betreffende belastingplichtige.

2.   De lidstaten die gebruikmaken van de in lid 1 bedoelde mogelijkheid tot vrijstelling, verlenen, na raadpleging van het BTW-Comité, deze vrijstelling ook voor handelingen die betrekking hebben op de door de belastingplichtige onder de in artikel 138 gestelde voorwaarden verrichte leveringen, ten belope van het bedrag van de leveringen die hij onder dezelfde voorwaarden in de voorafgaande twaalf maanden heeft verricht.

Artikel 165

De lidstaten kunnen een gemeenschappelijke grens vaststellen voor het bedrag van de vrijstellingen die zij op grond van artikel 164 verlenen.

Afdeling 3

Gemeenschappelijke bepaling met betrekking tot de afdelingen 1 en 2

Artikel 166

De Commissie dient, indien nodig, zo spoedig mogelijk bij de Raad voorstellen in betreffende de gemeenschappelijke bepalingen voor de toepassing van de BTW op de in de afdelingen 1 en 2 bedoelde handelingen.

TITEL X

AFTREK

HOOFDSTUK 1

Ontstaan en omvang van het recht op aftrek

Artikel 167

Het recht op aftrek ontstaat op het tijdstip waarop de aftrekbare belasting verschuldigd wordt.

Artikel 168

Voor zover de goederen en diensten worden gebruikt voor de belaste handelingen van een belastingplichtige, is deze gerechtigd in de lidstaat waar hij deze handelingen verricht, van het door hem verschuldigde belastingbedrag de volgende bedragen af te trekken:

a)

de BTW die in die lidstaat verschuldigd of voldaan is voor de goederenleveringen of de diensten die een andere belastingplichtige voor hem heeft verricht;

b)

de BTW die verschuldigd is voor overeenkomstig artikel 18, punt a), en artikel 27 met goederenleveringen of met diensten gelijkgestelde handelingen;

c)

de BTW die verschuldigd is voor de intracommunautaire verwervingen van goederen overeenkomstig artikel 2, lid 1, onder b), punt i);

d)

de BTW die verschuldigd is voor overeenkomstig de artikelen 21 en 22 met intracommunautaire verwerving gelijkgestelde handelingen;

e)

de BTW die verschuldigd of voldaan is voor de in die lidstaat ingevoerde goederen.

Artikel 169

Naast de in artikel 168 bedoelde aftrek heeft de belastingplichtige recht op aftrek van de in dat artikel bedoelde BTW, voorzover de goederen en de diensten worden gebruikt voor de volgende handelingen:

a)

door de belastingplichtige buiten de lidstaat waar de belasting verschuldigd of voldaan is verrichte handelingen in verband met de in artikel 9, lid 1, tweede alinea, bedoelde werkzaamheden, waarvoor recht op aftrek zou ontstaan indien zij in die lidstaat zouden zijn verricht;

b)

door de belastingplichtige verrichte handelingen waarvoor overeenkomstig de artikelen 138, 142 en 144, de artikelen 146 tot en met 149, de artikelen 151, 152, 153 en 156, artikel 157, lid 1, onder b), de artikelen 158 tot en met 161 en artikel 164 vrijstelling is verleend;

c)

door de belastingplichtige verrichte handelingen waarvoor krachtens artikel 135, lid 1, punten a) tot en met f), vrijstelling is verleend, indien de afnemer buiten de Gemeenschap gevestigd is of indien de handelingen rechtstreeks samenhangen met goederen die bestemd zijn om uit de Gemeenschap te worden uitgevoerd.

Artikel 170

Een belastingplichtige die in de zin van artikel 1 van Richtlijn 79/1072/EEG (8), artikel 1 van Richtlijn 86/560/EEG (9) en artikel 171 van deze richtlijn, niet gevestigd is in de lidstaat waar hij goederen en diensten aankoopt of aan BTW onderworpen goederen invoert, heeft recht op teruggaaf van de BTW indien de goederen en diensten worden gebruikt voor de volgende handelingen:

a)

de in artikel 169 bedoelde handelingen;

b)

de handelingen waarvoor de belasting overeenkomstig de artikelen 194 tot en met 197 en artikel 199 alleen door de afnemer verschuldigd is.

Artikel 171

1.   De teruggaaf van de BTW aan belastingplichtigen die niet in de lidstaat waar zij goederen en diensten aankopen of aan BTW onderworpen goederen invoeren, maar in een andere lidstaat gevestigd zijn, geschiedt volgens de bij Richtlijn 79/1072/EEG van de Raad vastgestelde uitvoeringsbepalingen.

De in artikel 1 van Richtlijn 79/1072/EEG bedoelde belastingplichtigen die in de lidstaat waar zij goederen en diensten aankopen of aan BTW onderworpen goederen invoeren, slechts goederenleveringen of diensten hebben verricht waarvoor degene voor wie deze handelingen bestemd zijn, overeenkomstig de artikelen 194 tot en met 197 en artikel 199 is aangewezen als de tot voldoening van de belasting gehouden persoon, worden voor de toepassing van die richtlijn eveneens beschouwd als niet in die lidstaat gevestigde belastingplichtigen.

2.   De teruggaaf van de BTW aan belastingplichtigen die niet op het grondgebied van de Gemeenschap gevestigd zijn, geschiedt volgens de bij Richtlijn 86/560/EEG van de Raad vastgestelde uitvoeringsbepalingen.

De in artikel 1 van Richtlijn 86/560/EEG bedoelde belastingplichtigen die in de lidstaat waar zij goederen en diensten aankopen of aan BTW onderworpen goederen invoeren, slechts goederenleveringen of diensten hebben verricht waarvoor degene voor wie deze handelingen zijn bestemd, overeenkomstig de artikelen 194 tot en met 197 en artikel 199, is aangewezen als de tot voldoening van de belasting gehouden persoon, worden voor de toepassing van die richtlijn eveneens beschouwd als niet in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtigen.

3.   De Richtlijnen 79/1072/EEG en 86/560/EEG zijn niet van toepassing op goederenleveringen waarvoor krachtens artikel 138 vrijstelling is verleend of kan worden verleend indien de aldus geleverde goederen door of voor rekening van de afnemer worden verzonden of vervoerd.

Artikel 172

1.   Eenieder die als belastingplichtige wordt beschouwd op grond van het feit dat hij incidenteel de levering van een nieuw vervoermiddel verricht onder de in artikel 138, lid 1 en lid 2, onder a), gestelde voorwaarden is gerechtigd, in de lidstaat waar de levering wordt verricht, de BTW die in de aankoopprijs begrepen is of die wegens de invoer of de intracommunautaire verwerving van het vervoermiddel voldaan, af te trekken binnen de grenzen of ten belope van het bedrag van de belasting dat hij verschuldigd zou zijn indien voor de levering geen vrijstelling gold.

Het recht op aftrek ontstaat pas en kan pas worden uitgeoefend op het tijdstip van de levering van het nieuwe vervoermiddel.

2.   De lidstaten stellen nadere regels voor de toepassing van lid 1 vast.

HOOFDSTUK 2

Evenredige aftrek

Artikel 173

1.   Voor goederen en diensten die door een belastingplichtige zowel worden gebruikt voor de in de artikelen 168, 169 en 170 bedoelde handelingen, waarvoor recht op aftrek bestaat, als voor handelingen waarvoor geen recht op aftrek bestaat, wordt aftrek slechts toegestaan voor het gedeelte van de BTW dat evenredig is aan het bedrag van de eerstbedoelde handelingen (evenredige aftrek).

Het aftrekbare gedeelte wordt overeenkomstig de artikelen 174 en 175 bepaald voor het totaal van de door de belastingplichtige verrichte handelingen.

2.   De lidstaten kunnen de volgende maatregelen nemen:

a)

de belastingplichtige toestaan een aftrekbaar gedeelte te bepalen voor iedere sector van zijn bedrijfsuitoefening, indien voor ieder van deze sectoren een aparte boekhouding wordt gevoerd;

b)

de belastingplichtige verplichten voor iedere sector van zijn bedrijfsuitoefening een aftrekbaar gedeelte te bepalen en voor ieder van deze sectoren een aparte boekhouding te voeren;

c)

de belastingplichtige toestaan of ertoe verplichten de aftrek toe te passen volgens het gebruik van de goederen en diensten of van een deel daarvan;

d)

de belastingplichtige toestaan of ertoe verplichten de aftrek toe te passen volgens de in lid 1, eerste alinea, vastgestelde regel voor alle goederen en diensten die zijn gebruikt voor alle daarin bedoelde handelingen;

e)

bepalen dat, indien de BTW die niet door de belastingplichtige kan worden afgetrokken, onbeduidend is, hiermee geen rekening wordt gehouden.

Artikel 174

1.   Het aftrekbare gedeelte is de uitkomst van een breuk, waarvan:

a)

de teller bestaat uit het totale bedrag van de per jaar berekende omzet, de BTW niet inbegrepen, met betrekking tot handelingen waarvoor overeenkomstig de artikelen 168 en 169 recht op aftrek bestaat, en

b)

de noemer bestaat uit het totale bedrag van de per jaar berekende omzet, de BTW niet inbegrepen, met betrekking tot de handelingen die in de teller zijn opgenomen en de handelingen waarvoor geen recht op aftrek bestaat.

De lidstaten kunnen in de noemer het bedrag van andere subsidies opnemen dan die welke rechtstreeks verband houden met de in artikel 73 bedoelde prijs van de handelingen.

2.   In afwijking van lid 1 worden voor de berekening van het aftrekbare gedeelte de volgende bedragen buiten beschouwing gelaten:

a)

de omzet met betrekking tot de levering van investeringsgoederen die door de belastingplichtige in het kader van zijn onderneming worden gebruikt;

b)

de omzet met betrekking tot bijkomstige handelingen ter zake van onroerende goederen en bijkomstige financiële handelingen;

c)

de omzet met betrekking tot de in artikel 135, lid 1, punten b) tot en met g), bedoelde handelingen die bijkomstig zijn.

3.   Indien de lidstaten gebruikmaken van de in artikel 191 geboden mogelijkheid geen herziening voor investeringsgoederen te eisen, mogen zij de opbrengst van de verkoop van investeringsgoederen opnemen in de berekening van het aftrekbare gedeelte.

Artikel 175

1.   Het aftrekbare gedeelte wordt op jaarbasis vastgesteld, uitgedrukt in een percentage en op de hogere eenheid afgerond.

2.   De voorlopige aftrek voor een bepaald jaar is gelijk aan de aftrek die op grond van de handelingen van het voorgaande jaar is berekend. Indien een dergelijke basis ontbreekt of niet relevant is, wordt de aftrek door de belastingplichtige onder toezicht van de belastingdiensten aan de hand van zijn eigen prognoses voorlopig geraamd.

De lidstaten kunnen evenwel hun op 1 januari 1979 geldende regeling dan wel, voor de lidstaten die na die datum tot de Gemeenschap zijn toegetreden, hun op de datum van hun toetreding geldende regeling handhaven.

3.   De aftrek die op grond van de voorlopige aftrek heeft plaatsgevonden, wordt herzien nadat voor elk jaar in het daaropvolgende jaar de definitieve aftrek is vastgesteld.

HOOFDSTUK 3

Beperkingen van het recht op aftrek

Artikel 170

De Raad bepaalt op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen voor welke uitgaven geen recht op aftrek van de BTW bestaat. In ieder geval zijn uitgaven zonder strikt professioneel karakter, zoals weelde-uitgaven en uitgaven voor ontspanning of representatie, van het recht op aftrek uitgesloten.

Totdat de in de eerste alinea bedoelde bepalingen in werking treden, kunnen de lidstaten elke uitsluiting handhaven waarin hun wetgeving op 1 januari 1979 dan wel, voor de lidstaten die na die datum tot de Gemeenschap zijn toegetreden, op de datum van hun toetreding voorzag.

Artikel 177

Na raadpleging van het BTW-Comité kan elke lidstaat om conjuncturele redenen investeringsgoederen of andere goederen geheel of gedeeltelijk van de aftrekregeling uitsluiten.

Teneinde gelijke mededingingsvoorwaarden te behouden, kunnen de lidstaten in plaats van de aftrek te weigeren, de door de belastingplichtige zelf vervaardigde of door hem in de Gemeenschap aangekochte dan wel door hem ingevoerde gelijksoortige goederen zodanig belasten dat deze belasting het bedrag van de BTW op de verwerving van soortgelijke goederen niet overschrijdt.

HOOFDSTUK 4

Wijze van uitoefening van het recht op aftrek

Artikel 178

Om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen, moet de belastingplichtige aan de volgende voorwaarden voldoen:

a)

voor de in artikel 168, punt a), bedoelde aftrek met betrekking tot goederenleveringen en diensten: in het bezit zijn van een overeenkomstig de artikelen 220 tot en met 236 en de artikelen 238, 239 en 240 opgestelde factuur;

b)

voor de in artikel 168, punt b), bedoelde aftrek met betrekking tot met goederenleveringen en diensten gelijkgestelde handelingen: de door elke lidstaat voorgeschreven formaliteiten vervullen;

c)

voor de in artikel 168, punt c), bedoelde aftrek met betrekking tot intracommunautaire verwerving van goederen: op de in artikel 250 bedoelde BTW-aangifte alle gegevens hebben vermeld die nodig zijn om het bedrag van de wegens zijn verwerving van goederen verschuldigde BTW vast te stellen, en in het bezit zijn van een overeenkomstig de artikelen 220 tot en met 236 opgestelde factuur;

d)

voor de in artikel 168, punt d), bedoelde aftrek met betrekking tot met intracommunautaire verwervingen van goederen gelijkgestelde handelingen: de door elke lidstaat voorgeschreven formaliteiten vervullen;

e)

voor de in artikel 168, punt e), bedoelde aftrek met betrekking tot invoer van goederen: in het bezit zijn van een document waaruit de invoer blijkt en waarin hij wordt aangeduid als degene voor wie de invoer bestemd is of als de importeur, en waarin het bedrag van de verschuldigde BTW wordt vermeld of op grond waarvan dat bedrag kan worden berekend;

f)

wanneer hij als afnemer tot voldoening van de belasting is gehouden, in geval van toepassing van de artikelen 194 tot en met 197 en artikel 199: de door de respectieve lidstaten voorgeschreven formaliteiten vervullen.

Artikel 179

De belastingplichtige past de aftrek toe door op het totale bedrag van de over een belastingtijdvak verschuldigde belasting het totale bedrag van de BTW in mindering te brengen waarvoor in hetzelfde tijdvak het recht op aftrek is ontstaan en krachtens artikel 178 wordt uitgeoefend.

De lidstaten kunnen evenwel bepalen dat belastingplichtigen die de in artikel 12 omschreven handelingen incidenteel verrichten, het recht op aftrek uitsluitend op het tijdstip van levering mogen uitoefenen.

Artikel 180

De lidstaten kunnen een belastingplichtige een aftrek toestaan die niet overeenkomstig de artikelen 178 en 179 is toegepast.

Artikel 181

De lidstaten kunnen een belastingplichtige die niet in het bezit is van een overeenkomstig de artikelen 220 tot en met 236 opgestelde factuur, toestaan de in artikel 168, punt c), bedoelde aftrek toe te passen met betrekking tot diens intracommunautaire verwervingen van goederen.

Artikel 182

De lidstaten stellen de voorwaarden en de nadere regels voor de toepassing van de artikelen 180 en 181 vast.

Artikel 183

Indien voor een bepaald belastingtijdvak het bedrag van de aftrek groter is dan dat van de verschuldigde BTW, kunnen de lidstaten hetzij het overschot doen overbrengen naar het volgende tijdvak, hetzij het overschot teruggeven overeenkomstig de door hen vastgestelde regeling.

De lidstaten kunnen evenwel bepalen dat het bedrag van het overschot niet naar een volgend tijdvak wordt overgebracht, of niet wordt teruggegeven, indien dit bedrag onbeduidend is.

HOOFDSTUK 5

Herziening van de aftrek

Artikel 184

De oorspronkelijk toegepaste aftrek wordt herzien indien deze hoger of lager is dan die welke de belastingplichtige gerechtigd was toe te passen.

Artikel 185

1.   De herziening vindt met name plaats indien zich na de BTW-aangifte wijzigingen hebben voorgedaan in de elementen die voor het bepalen van het bedrag van de aftrek in aanmerking zijn genomen, bijvoorbeeld in geval van geannuleerde aankopen of verkregen rabatten.

2.   In afwijking van lid 1 vindt geen herziening plaats voor handelingen die geheel of gedeeltelijk onbetaald zijn gebleven, in geval van naar behoren bewezen en aangetoonde vernietiging, verlies of diefstal, alsmede in geval van de in artikel 16 bedoelde onttrekking voor het verstrekken van geschenken van geringe waarde en van monsters.

In geval van geheel of gedeeltelijk onbetaald gebleven handelingen en in geval van diefstal, kunnen de lidstaten evenwel herziening eisen.

Artikel 186

De lidstaten stellen nadere regels voor de toepassing van de artikelen 184 en 185 vast.

Artikel 187

1.   Voor investeringsgoederen wordt de herziening gespreid over een periode van vijf jaar, het jaar van verkrijging of vervaardiging der goederen daaronder begrepen.

De lidstaten kunnen evenwel de herziening baseren op een periode van vijf volle jaren te rekenen vanaf de ingebruikneming van de goederen.

Voor onroerende investeringsgoederen kan de herzieningsperiode tot maximaal twintig jaar worden verlengd.

2.   Voor elk jaar heeft de herziening slechts betrekking op eenvijfde deel, of, indien de herzieningsperiode is verlengd, op het overeenkomstige gedeelte van de BTW op de investeringsgoederen.

De in de eerste alinea bedoelde herziening geschiedt op basis van de wijzigingen in het recht op aftrek die zich in de loop van de volgende jaren ten opzichte van het jaar van verkrijging, vervaardiging of, in voorkomend geval, eerste gebruik van de goederen hebben voorgedaan.

Artikel 188

1.   Investeringsgoederen die gedurende de herzieningsperiode worden geleverd, worden tot het verstrijken van de herzieningsperiode beschouwd als investeringsgoederen die voor een economische activiteit van de belastingplichtige worden gebruikt.

De economische activiteit wordt geacht volledig belast te zijn indien de levering van het investeringsgoed belast is.

De economische activiteit wordt geacht volledig vrijgesteld te zijn indien de levering van het investeringsgoed vrijgesteld is.

2.   De in lid 1 bepaalde herziening wordt in één keer verricht voor de gehele nog resterende herzieningsperiode. Indien de levering van investeringsgoederen vrijgesteld is, kunnen de lidstaten er evenwel van afzien herziening te eisen, voorzover de afnemer een belastingplichtige is die de betrokken investeringsgoederen uitsluitend gebruikt voor handelingen waarvoor de BTW in aftrek mag worden gebracht.

Artikel 189

Voor de toepassing van de artikelen 187 en 188 kunnen de lidstaten de volgende maatregelen nemen:

a)

het begrip investeringsgoederen definiëren;

b)

het bedrag aan BTW dat bij de herziening in aanmerking moet worden genomen, nader bepalen;

c)

alle passende maatregelen nemen om te verzekeren dat de herziening niet tot ongerechtvaardigde voordelen leidt;

d)

administratieve vereenvoudigingen toestaan.

Artikel 190

Voor de toepassing van dit hoofdstuk kunnen de lidstaten diensten die kenmerken hebben die vergelijkbaar zijn met de kenmerken die doorgaans aan investeringsgoederen worden toegeschreven, als investeringsgoederen beschouwen.

Artikel 191

Indien het praktische effect van de toepassing van de artikelen 187 en 188 in een lidstaat onbeduidend is, kan die lidstaat, na raadpleging van het BTW-Comité, afzien van de toepassing van deze artikelen, rekening houdend met de totale BTW-druk in de betrokken lidstaat en de noodzaak van administratieve vereenvoudiging en mits zulks niet tot verstoring van de mededinging leidt.

Artikel 192

Bij overgang van een normale belastingregeling naar een bijzondere regeling, of andersom, kunnen de lidstaten de nodige maatregelen nemen om te verzekeren dat de betrokken belastingplichtigen noch ongerechtvaardigde voordelen genieten, noch ongerechtvaardigde nadelen ondervinden.

TITEL XI

VERPLICHTINGEN VAN DE BELASTINGPLICHTIGEN EN VAN BEPAALDE NIET–BELASTINGPLICHTIGE PERSONEN

HOOFDSTUK 1

Verplichting tot betaling

Afdeling 1

Tegenover de schatkist tot voldoening van de belasting gehouden personen

Artikel 193

De BTW is verschuldigd door de belastingplichtige die een belastbare goederenlevering of een belastbare dienst verricht, behalve in de gevallen waarin de belasting uit hoofde van de artikelen 194 tot en met 199 en artikel 202 door een andere persoon verschuldigd is.

Artikel 194

1.   In het geval dat de belastbare goederenlevering of de belastbare dienst wordt verricht door een belastingplichtige die niet gevestigd is in de lidstaat waar de BTW verschuldigd is, kunnen de lidstaten bepalen dat de tot voldoening van de belasting gehouden persoon degene is voor wie de goederenlevering of de dienst wordt verricht.

2.   De lidstaten stellen de voorwaarden voor de toepassing van lid 1 vast.

Artikel 195

De BTW is verschuldigd door de voor BTW-doeleinden in de lidstaat waar de belasting verschuldigd is geïdentificeerde afnemer aan wie de goederen worden geleverd onder de in de artikelen 38 of 39 bepaalde voorwaarden, wanneer deze leveringen worden verricht door een niet in die lidstaat gevestigde belastingplichtige.

Artikel 196

De BTW is verschuldigd door de belastingplichtige afnemer van een in artikel 56 bedoelde dienst, of door de voor BTW-doeleinden in de lidstaat waar de belasting verschuldigd is geïdentificeerde afnemer van een onder de artikelen 44, 47, 50, 53, 54 en 55 vallende dienst wanneer de dienst door een niet in die lidstaat gevestigde belastingplichtige wordt verricht.

Artikel 197

1.   De BTW is verschuldigd door degene voor wie de goederenlevering bestemd is wanneer aan de volgende voorwaarden vervuld zijn:

a)

de belastbare handeling is een goederenlevering die onder de voorwaarden van artikel 141 wordt verricht;

b)

degene voor wie de levering bestemd is, is een andere belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die voor BTW-doeleinden is geïdentificeerd in de lidstaat waar de levering wordt verricht;

c)

de factuur welke is uitgereikt door de belastingplichtige die niet gevestigd is in de lidstaat van degene voor wie de levering bestemd is, is opgesteld overeenkomstig de artikelen 220 tot en met 236.

2.   In het geval dat overeenkomstig artikel 204 een fiscaal vertegenwoordiger wordt aangewezen als de tot voldoening van de belasting gehouden persoon, kunnen de lidstaten een afwijking van lid 1 van dit artikel toestaan.

Artikel 198

1.   Wanneer uit hoofde van artikel 344 belasting wordt geheven over specifieke handelingen met betrekking tot beleggingsgoud tussen een lid van een gereglementeerde goudmarkt en een andere belastingplichtige die geen lid is van die markt, wijzen de lidstaten de afnemer aan als de tot voldoening van de belasting gehouden persoon.

Indien de afnemer die geen lid is van een gereglementeerde goudmarkt een belastingplichtige is en zich uitsluitend voor de in artikel 344 bedoelde handelingen voor BTW-doeleinden dient te identificeren in de lidstaat waar de belasting verschuldigd is, vervult de verkoper de fiscale verplichtingen namens de afnemer, overeenkomstig de voorschriften van die lidstaat.

2.   In het geval dat een belastingplichtige die een keuzerecht overeenkomstig de artikelen 348, 349 of 350 uitoefent, een levering van goud of van halffabrikaten met een zuiverheid van ten minste 325/1 000, of een levering van beleggingsgoud als omschreven in artikel 344, lid 1, verricht, kunnen de lidstaten de afnemer aanwijzen als de tot voldoening van de belasting gehouden persoon.

3.   De lidstaten stellen de procedures en voorwaarden voor de toepassing van lid 1 en lid 2 vast.

Artikel 199

1.   De lidstaten kunnen bepalen dat de tot voldoening van de belasting gehouden persoon degene is voor wie de volgende goederenleveringen of diensten worden verricht:

a)

bouwwerkzaamheden, met inbegrip van herstel-, schoonmaak-, onderhouds-, aanpassings- en sloopwerkzaamheden ter zake van onroerend goed, alsmede de oplevering van een werk in onroerende staat die krachtens artikel 14, lid 3, als een levering van goederen wordt beschouwd;

b)

de uitlening van personeel dat de onder punt a) genoemde werkzaamheden verricht;

c)

de levering van onroerend goed als bedoeld in artikel 135, lid 1, punten j) en k), wanneer de leverancier overeenkomstig artikel 137 heeft gekozen voor belastingheffing ter zake van die levering;

d)

de levering van oude materialen, oude materialen ongeschikt voor hergebruik in dezelfde staat, industrieel en niet-industrieel afval, afval voor hergebruik, gedeeltelijk verwerkt afval, schroot, en bepaalde goederen en diensten, overeenkomstig de lijst in bijlage VI;

e)

de levering van in zekerheid gegeven goederen door een belastingplichtige aan een andere persoon tot executie van die zekerheid;

f)

de levering van goederen na overdracht van eigendomsvoorbehoud aan een rechtverkrijgende die zijn recht uitoefent;

g)

de levering van onroerend goed dat in een openbare verkoop op grond van een executoriale titel door de executieschuldenaar aan een andere persoon wordt verkocht.

2.   Wanneer zij gebruik maken van de mogelijkheid die lid 1 biedt, kunnen de lidstaten de goederenleveringen en diensten die eronder vallen, omschrijven, alsook de categorieën van leveranciers en dienstverrichters of afnemers waarop deze maatregelen van toepassing kunnen zijn.

3.   Voor de toepassing van lid 1 kunnen de lidstaten de volgende maatregelen nemen:

a)

bepalen dat een belastingplichtige die ook activiteiten of handelingen verricht die niet als belastbare leveringen van goederen of diensten overeenkomstig artikel 2 worden beschouwd, voor alle in lid 1 bedoelde voor hem verrichte diensten als belastingplichtige wordt aangemerkt;

b)

bepalen dat een niet-belastingplichtige publiekrechtelijke instelling met betrekking tot de overeenkomstig lid 1, punten e), f) en g) afgenomen goederenleveringen of diensten als belastingplichtige wordt aangemerkt.

4.   De lidstaten stellen het BTW-Comité in kennis van de nationale maatregelen die zij uit hoofde van lid 1 hebben genomen indien het geen maatregelen betreft die voor 13 augustus 2006 door de Raad overeenkomstig artikel 27, leden 1 tot en met 4, van Richtlijn 77/388/EEG zijn toegestaan en uit hoofde van die bepaling worden verlengd.

Artikel 200

De BTW is verschuldigd door eenieder die een belastbare intracommunautaire verwerving van goederen verricht.

Artikel 201

Bij invoer is de BTW verschuldigd door degene(n) die de lidstaat van invoer als de tot voldoening van de belasting gehouden personen heeft aangewezen of erkend.

Artikel 202

De BTW is verschuldigd door degene door wiens toedoen de goederen worden onttrokken aan de in de artikelen 156, 157, 158, 160 en 161 genoemde regelingen of situaties.

Artikel 203

De BTW is verschuldigd door eenieder die deze belasting op een factuur vermeldt.

Artikel 204

1.   Wanneer bij de toepassing van de artikelen 193 tot en met 197 en de artikelen 199 en 200 de tot voldoening van de belasting gehouden persoon een belastingplichtige is die niet is gevestigd in de lidstaat waar de BTW verschuldigd is, kunnen de lidstaten hem de mogelijkheid geven een fiscaal vertegenwoordiger aan te wijzen als tot voldoening van de belasting gehouden persoon.

In het geval dat de belastbare handeling wordt verricht door een belastingplichtige die niet in de lidstaat is gevestigd waar de BTW verschuldigd is, en er met het land van het hoofdkantoor of de vestiging van deze belastingplichtige geen rechtsinstrument inzake wederzijdse bijstand bestaat waarvan de strekking gelijk is aan die van Richtlijn 76/308/EEG (10) en Verordening (EG) nr. 1798/2003 (11), kunnen de lidstaten bepalen dat een door deze belastingplichtige aangewezen fiscaal vertegenwoordiger tot voldoening van de belasting wordt gehouden.

De lidstaten kunnen de in de tweede alinea bedoelde mogelijkheid echter niet toepassen op niet in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtigen in de zin van artikel 358, punt 1), die voor de bijzondere regeling voor langs elektronische weg verrichte diensten hebben gekozen.

2.   De in lid 1, eerste alinea, bedoelde mogelijkheid is onderworpen aan de door de respectieve lidstaten vastgestelde voorwaarden en uitvoeringsbepalingen.

Artikel 205

In de in de artikelen 193 tot en met 200 en 202, 203 en 204 bedoelde situaties kunnen de lidstaten bepalen dat een andere persoon dan degene die tot voldoening van de belasting is gehouden, hoofdelijk verplicht is de BTW te voldoen.

Afdeling 2

Wijze van betaling

Artikel 206

Iedere belastingplichtige die tot voldoening van de belasting is gehouden, moet het nettobedrag van de BTW bij de indiening van de in artikel 250 bedoelde aangifte voldoen. De lidstaten kunnen echter een ander tijdstip voor de betaling van dit bedrag vaststellen of bepalen dat voorlopige vooruitbetalingen moeten worden gedaan.

Artikel 207

De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat de personen die overeenkomstig de artikelen 194 tot en met 197 en de artikelen 199 en 204 worden geacht in plaats van een niet op hun respectieve grondgebied gevestigde belastingplichtige tot voldoening van de belasting te zijn gehouden, de in deze afdeling vastgestelde betalingsverplichtingen nakomen.

De lidstaten treffen voorts de nodige maatregelen opdat de personen die overeenkomstig artikel 205 worden geacht hoofdelijk verplicht te zijn de BTW te voldoen, deze betalingsverplichtingen nakomen.

Artikel 208

De lidstaten die overeenkomstig artikel 198, lid 1, de afnemer van beleggingsgoud als de tot voldoening van de belasting gehouden persoon aanwijzen of gebruik maken van de in artikel 198, lid 2, geboden mogelijkheid om de afnemer van goud, halffabrikaten of beleggingsgoud als omschreven in artikel 344, lid 1, als de tot voldoening van de belasting gehouden persoon aan te wijzen, treffen de nodige maatregelen opdat die afnemer de in deze afdeling vastgestelde betalingsverplichtingen nakomt.

Artikel 209

De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat niet-belastingplichtige rechtspersonen die gehouden zijn tot voldoening van de belasting welke verschuldigd is wegens de in artikel 2, lid 1, onder b), punt i), bedoelde intracommunautaire verwerving van goederen, de in deze afdeling vastgestelde betalingsverplichtingen nakomen.

Artikel 210

De lidstaten stellen nadere regels vast met betrekking tot de betaling ter zake van de in artikel 2, lid 1, onder b), punt ii), bedoelde intracommunautaire verwerving van nieuwe vervoermiddelen en de in artikel 2, lid 1, onder b), punt iii), bedoelde intracommunautaire verwerving van accijnsproducten.

Artikel 211

De lidstaten stellen nadere regels vast met betrekking tot de betaling ter zake van de invoer van goederen.

De lidstaten kunnen in het bijzonder bepalen dat met betrekking tot de invoer van goederen die wordt verricht door belastingplichtigen of tot betaling van de belasting gehouden personen, of door bepaalde categorieën daarvan, de wegens de invoer verschuldigde BTW niet hoeft te worden betaald op het tijdstip van de invoer, mits deze belasting als zodanig wordt vermeld in de overeenkomstig artikel 250 opgestelde BTW-aangifte.

Artikel 212

De lidstaten kunnen de belastingplichtigen vrijstellen van de betaling van de verschuldigde BTW wanneer het bedrag daarvan onbeduidend is.

HOOFDSTUK 2

Identificatie

Artikel 213

1.   Iedere belastingplichtige moet opgave doen van het begin, de wijziging en de beëindiging van zijn activiteit als belastingplichtige.

De lidstaten staan onder door hen vast te stellen voorwaarden toe dat de aangifte langs elektronische weg geschiedt en kunnen dit ook verplicht stellen.

2.   Onverminderd lid 1, eerste alinea, moet iedere belastingplichtige of niet-belastingplichtige rechtspersoon die intracommunautaire verwervingen van goederen verricht welke niet op grond van artikel 3, lid 1, aan de BTW zijn onderworpen, melden dat hij dergelijke verwervingen verricht, indien de in dat artikel gestelde voorwaarden om deze verwervingen niet aan de BTW te onderwerpen niet meer vervuld zijn.

Artikel 214

1.   De lidstaten treffen de nodige maatregelen voor de identificatie onder een individueel nummer van de volgende personen:

a)

iedere belastingplichtige, uitgezonderd de in artikel 9, lid 2, bedoelde, die op hun respectieve grondgebied goederenleveringen of diensten verricht welke recht op aftrek doen ontstaan, andere dan de goederenleveringen of de diensten waarvoor overeenkomstig de artikelen 194 tot en met 197 en artikel 199 uitsluitend de afnemer of degene voor wie de goederen of de diensten bestemd zijn, de BTW verschuldigd is;

b)

iedere belastingplichtige of niet-belastingplichtige rechtspersoon die intracommunautaire verwervingen van goederen verricht welke op grond van artikel 2, lid 1, onder b), aan de BTW zijn onderworpen of die het in artikel 3, lid 3, bedoelde keuzerecht uitoefent zijn intracommunautaire verwervingen aan de BTW te onderwerpen;

c)

iedere belastingplichtige die op hun respectieve grondgebied intracommunautaire verwervingen van goederen verricht met betrekking tot handelingen in verband met de in artikel 9, lid 1, tweede alinea, bedoelde werkzaamheden welke hij buiten dat grondgebied verricht.

2.   Het staat de lidstaten vrij bepaalde belastingplichtigen die incidenteel de in artikel 12 bedoelde handelingen verrichten, niet voor BTW-doeleinden te identificeren.

Artikel 215

Het individuele identificatienummer begint met een landencode overeenkomstig de ISO-code 3166 alpha 2, die aangeeft welke lidstaat het nummer heeft toegekend.

Griekenland is evenwel gerechtigd het prefix EL te hanteren.

Artikel 216

De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat hun identificatiesysteem de in artikel 214 bedoelde belastingplichtigen kan onderscheiden en aldus de juiste toepassing van de in artikel 402 bedoelde overgangsregeling voor de belastingheffing op intracommunautaire handelingen verzekert.

HOOFDSTUK 3

Facturering

Afdeling 1

Definitie

Artikel 217

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder „langs elektronische weg verzenden” verstaan het verzenden of ter beschikking stellen van gegevens aan de geadresseerde door middel van elektronische apparatuur voor gegevensverwerking (inclusief digitale compressie) en gegevensopslag, met gebruikmaking van draden, radio, optische of andere elektromagnetische middelen.

Afdeling 2

Het begrip factuur

Artikel 218

Voor de toepassing van deze richtlijn aanvaarden de lidstaten als factuur ieder document of bericht op papier of in elektronisch formaat dat aan de in dit hoofdstuk vastgestelde voorwaarden voldoet.

Artikel 219

Ieder document of bericht dat wijzigingen aanbrengt in en specifiek en ondubbelzinnig verwijst naar de oorspronkelijke factuur, geldt als factuur.

Afdeling 3

Uitreiking van facturen

Artikel 220

Iedere belastingplichtige zorgt ervoor dat door hemzelf, door de afnemer of, in zijn naam en voor zijn rekening, door een derde, in de volgende gevallen een factuur wordt uitgereikt:

1)

de goederenleveringen of de diensten die hij heeft verricht voor een andere belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon;

2)

de in artikel 33 bedoelde levering van goederen;

3)

de levering van goederen, verricht onder de in artikel 138 gestelde voorwaarden;

4)

de vooruitbetalingen die aan hem worden gedaan voordat een van de in de punten 1), 2) en 3) bedoelde leveringen van goederen is verricht;

5)

de vooruitbetalingen die door een andere belastingplichtige of door een niet-belastingplichtige rechtspersoon aan hem worden gedaan voordat de dienst is verricht.

Artikel 221

1.   De lidstaten kunnen de belastingplichtige de verplichting opleggen een factuur uit te reiken voor andere dan de in artikel 220 bedoelde goederenleveringen of diensten die hij op hun grondgebied heeft verricht.

De lidstaten kunnen voor de in de eerste alinea bedoelde facturen minder verplichtingen opleggen dan die welke in de artikelen 226, 230, 233, 244 en 246 zijn opgenomen.

2.   De lidstaten kunnen de belastingplichtige van de in artikel 220 vastgestelde factureringsplicht ontheffen voor de op hun grondgebied verrichte goederenleveringen of diensten die, al dan niet met recht op aftrek van voorbelasting, overeenkomstig de artikelen 110 en 111, artikel 125, lid 1, artikel 127, artikel 128, lid 1, de artikelen 132, 135, 136, 371, 375, 376 en 377, artikel 378, lid 2, artikel 379, lid 2, en de artikelen 380 tot en met 390 vrijgesteld zijn.

Artikel 222

De lidstaten kunnen de belastingplichtigen die op hun grondgebied goederenleveringen of diensten verrichten een termijn opleggen voor het uitreiken van de factuur.

Artikel 223

Onder de voorwaarden, gesteld door de lidstaten op het grondgebied waarvan de goederenleveringen of de diensten worden verricht, kan voor verscheidene afzonderlijke goederenleveringen of diensten een periodieke factuur worden opgemaakt.

Artikel 224

1.   Facturen mogen door de afnemer worden opgemaakt voor goederenleveringen of diensten die door een belastingplichtige voor hem worden verricht, mits beide partijen dat vooraf onderling zijn overeengekomen en op voorwaarde dat iedere factuur het voorwerp uitmaakt van een procedure van aanvaarding door de belastingplichtige die de goederenleveringen of de diensten verricht.

2.   De voorwaarden en uitvoeringsbepalingen van die voorafgaande overeenkomst en van de aanvaardingsprocedures tussen de belastingplichtige en de afnemer worden vastgesteld door de lidstaat op het grondgebied waarvan de goederenleveringen of de diensten worden verricht.

3.   De lidstaten kunnen belastingplichtigen die op hun grondgebied goederenleveringen of diensten verrichten, verdere voorwaarden opleggen betreffende de uitreiking van facturen door de afnemer. Zij kunnen met name verlangen dat die facturen worden uitgereikt in naam en voor rekening van de belastingplichtige.

De in de eerste alinea bedoelde voorwaarden moeten in ieder geval altijd dezelfde zijn, ongeacht de plaats waar de afnemer is gevestigd.

Artikel 225

De lidstaten kunnen de belastingplichtigen die op hun grondgebied goederenleveringen of diensten verrichten, specifieke voorwaarden opleggen in het geval dat de derde, of de afnemer, die de facturen uitreikt, gevestigd is in een land waarmee geen rechtsinstrument inzake wederzijdse bijstand bestaat waarvan de strekking gelijk is aan die van Richtlijn 76/308/EEG en Verordening (EG) nr. 1798/2003.

Afdeling 4

Inhoud van de facturen

Artikel 226

Onverminderd de bijzondere bepalingen van deze richtlijn zijn voor BTW-doeleinden op de overeenkomstig de artikelen 220 en 221 uitgereikte facturen alleen de volgende vermeldingen verplicht:

1)

de datum van uitreiking van de factuur;

2)

een opeenvolgend nummer, met één of meer reeksen, waardoor de factuur eenduidig wordt geïdentificeerd;

3)

het in artikel 214 bedoelde BTW-identificatienummer waaronder de belastingplichtige de goederenleveringen of de diensten heeft verricht;

4)

het in artikel 214 bedoelde BTW-identificatienummer van de afnemer waaronder hij een goederenlevering of een dienst heeft afgenomen waarvoor hij tot voldoening van de belasting is gehouden of waaronder hij een in artikel 138 bedoelde goederenlevering heeft afgenomen;

5)

de volledige naam en het volledige adres van de belastingplichtige en zijn afnemer;

6)

de hoeveelheid en de aard van de geleverde goederen of de omvang en de aard van de verrichte diensten;

7)

de datum waarop de goederenlevering of de dienst heeft plaatsgevonden of voltooid is of de datum waarop de in artikel 220, punten 4) en 5), bedoelde vooruitbetaling is gedaan, voor zover die datum vastgesteld is en verschilt van de uitreikingsdatum van de factuur;

8)

de maatstaf van heffing voor elk tarief of elke vrijstelling, de eenheidsprijs, BTW niet inbegrepen, evenals de eventuele vooruitbetalingskortingen, prijskortingen en -rabatten indien die niet in de eenheidsprijs zijn begrepen;

9)

het toegepaste BTW-tarief;

10)

het te betalen BTW-bedrag, tenzij er een bijzondere regeling van toepassing is waarvoor deze richtlijn die vermelding uitsluit;

11)

in geval van een vrijstelling of wanneer de afnemer tot voldoening van de belasting is gehouden, een verwijzing naar de toepasselijke bepaling in deze richtlijn of naar de overeenkomstige nationale bepaling of enige andere vermelding dat de goederenlevering of de diensten zijn vrijgesteld of onder de toepassing van de verleggingsregeling vallen;

12)

in geval van levering van een nieuw vervoermiddel onder de in artikel 138, lid 1 en lid 2, onder a), gestelde voorwaarden, de in artikel 2, lid 2, tweede alinea, bedoelde gegevens;

13)

wanneer de bijzondere regeling voor reisbureaus wordt gehanteerd, een verwijzing naar artikel 306 of de overeenkomstige nationale bepalingen of enige andere vermelding dat deze regeling is toegepast;

14)

wanneer een van de bijzondere regelingen voor gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen of antiquiteiten wordt gehanteerd, een verwijzing naar artikel 313, artikel 326 of artikel 333, of de overeenkomstige nationale bepalingen of enige andere vermelding dat een van deze regelingen is toegepast;

15)

wanneer degene die tot voldoening van de belasting gehouden is, een fiscaal vertegenwoordiger is in de zin van artikel 204, het in artikel 214 bedoelde BTW-identificatienummer van deze fiscaal vertegenwoordiger, samen met zijn volledige naam en adres.

Artikel 227

De lidstaten kunnen belastingplichtigen die op hun grondgebied gevestigd zijn en er goederenleveringen of diensten verrichten, de verplichting opleggen in andere dan de in artikel 226, punt 4), bedoelde gevallen het in artikel 214 bedoelde BTW-identificatienummer van hun afnemer te vermelden.

Artikel 228

De lidstaten op het grondgebied waarvan goederenleveringen of diensten worden verricht, kunnen ontheffing verlenen van bepaalde verplichte vermeldingen in de met een factuur gelijkgestelde documenten of berichten bedoeld in artikel 219.

Artikel 229

De lidstaten leggen niet de verplichting op de facturen te ondertekenen.

Artikel 230

Op een factuur kunnen bedragen in willekeurig welke munteenheid voorkomen, mits het te betalen BTW-bedrag is uitgedrukt in de nationale munteenheid van de lidstaat waar de plaats van de goederenlevering of de plaats van de diensten is gelegen en mits daarbij gebruik wordt gemaakt van het in artikel 91 bedoelde wisselkoersmechanisme.

Artikel 231

Ter controle kunnen de lidstaten een vertaling eisen in hun nationale taal van de facturen betreffende op hun grondgebied verrichte goederenleveringen of diensten, alsmede van de facturen die worden ontvangen door op hun grondgebied gevestigde belastingplichtigen.

Afdeling 5

Verzenden van facturen langs elektronische weg

Artikel 232

De overeenkomstig afdeling 2 uitgereikte facturen mogen zowel op papier worden verzonden als, behoudens aanvaarding door de afnemer, elektronisch worden verzonden of ter beschikking gesteld.

Artikel 233

1.   Elektronisch verzonden of ter beschikking gestelde facturen worden door de lidstaten aanvaard, mits de authenticiteit van de herkomst en de integriteit van de inhoud ervan worden gewaarborgd aan de hand van een van de volgende methoden:

a)

een geavanceerde elektronische handtekening in de zin van artikel 2, punt 2), van Richtlijn 1999/93/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 1999 betreffende een gemeenschappelijk kader voor elektronische handtekeningen (12);

b)

een elektronische uitwisseling van gegevens (EDI), zoals gedefinieerd in artikel 2 van Aanbeveling 1994/820/EG van de Commissie van 19 oktober 1994 betreffende de juridische aspecten van de elektronische uitwisseling van gegevens (13), wanneer het akkoord betreffende deze uitwisseling in het gebruik van procedures voorziet die de authenticiteit van de oorsprong en de integriteit van de gegevens waarborgen.

De facturen kunnen evenwel langs elektronische weg worden verzonden of ter beschikking worden gesteld volgens andere methoden, mits deze door de betrokken lidstaten worden aanvaard.

2.   Voor de toepassing van lid 1, eerste alinea, punt a), kunnen de lidstaten bovendien eisen dat de geavanceerde elektronische handtekening berust op een gekwalificeerd certificaat en is aangemaakt met een veilig middel voor het aanmaken van handtekeningen in de zin van artikel 2, punten 6) en 10), van Richtlijn 1999/93/EG.

3.   Voor de toepassing van lid 1, eerste alinea, punt b), kunnen de lidstaten bovendien onder door hen gestelde voorwaarden de toezending eisen van een aanvullend kort overzicht op papier.

Artikel 234

De lidstaten mogen de belastingplichtigen die op hun grondgebied goederenleveringen of diensten verrichten, geen andere verplichtingen of formaliteiten opleggen betreffende het gebruik van een systeem voor elektronische verzending of terbeschikkingstelling van facturen.

Artikel 235

De lidstaten kunnen specifieke voorwaarden opleggen voor het langs elektronische weg uitreiken van facturen betreffende goederenleveringen en diensten die op hun grondgebied zijn verricht vanuit een land waarmee geen rechtsinstrument inzake wederzijdse bijstand bestaat waarvan de strekking gelijk is aan die van Richtlijn 76/308/EEG en Verordening (EG) nr. 1798/2003.

Artikel 236

Bij een reeks facturen die langs elektronische weg aan dezelfde afnemer worden verzonden of ter beschikking worden gesteld, hoeven de voor de verschillende facturen gelijke vermeldingen slechts één keer te worden opgenomen, voorzover voor elke factuur alle informatie toegankelijk is.

Artikel 237

De Commissie dient uiterlijk op 31 december 2008 een verslag in, dat in voorkomend geval vergezeld gaat van een voorstel tot wijziging van de voorwaarden inzake elektronische facturering teneinde rekening te houden met toekomstige technologische ontwikkelingen op dit gebied.

Afdeling 6

Vereenvoudigingsmaatregelen

Artikel 238

1.   Na raadpleging van het BTW-Comité kunnen de lidstaten onder de door hen te stellen voorwaarden bepalen dat op de facturen betreffende op hun grondgebied verrichte goederenleveringen of diensten in de volgende gevallen sommige van de in de artikelen 226 en 230 voorgeschreven vermeldingen niet behoeven te worden opgenomen, onverminderd de mogelijkheden waarvan de lidstaten krachtens de artikelen 227, 228 en 231 verkiezen gebruik te maken:

a)

wanneer het bedrag van de factuur onbeduidend is;

b)

wanneer de handels- of administratieve praktijken van de betrokken bedrijfssector of de technische voorwaarden waaronder die facturen uitgereikt worden, de naleving van alle in de artikelen 226 en 230 bedoelde verplichtingen bemoeilijken.

2.   De facturen moeten in ieder geval de volgende vermeldingen bevatten:

a)

de datum van uitreiking van de factuur;

b)

de identificatie van de belastingplichtige;

c)

de identificatie van de aard van de geleverde goederen of de verrichte diensten;

d)

het te betalen BTW-bedrag of de gegevens aan de hand waarvan dat bedrag kan worden berekend.

3.   De vereenvoudiging waarin lid 1 voorziet, mag niet worden toegepast op de handelingen bedoeld in de artikelen 20, 21, 22, 33, 36, 138 en 141.

Artikel 239

Ingeval de lidstaten gebruikmaken van de in artikel 272, lid 1, eerste alinea, punt b), geboden mogelijkheid geen BTW-identificatienummer toe te kennen aan belastingplichtigen die geen van de handelingen bedoeld in de artikelen 20, 21, 22, 33, 36, 138 en 141 verrichten, wordt bij niet-toekenning van dat identificatienummer aan de verrichter en de afnemer van de goederenleveringen of de diensten op de factuur een ander nummer vermeld, het zogenaamde fiscaal registratienummer, zoals gedefinieerd door de betrokken lidstaten.

Artikel 240

Wanneer het BTW-identificatienummer aan de belastingplichtige is toegekend, kunnen de lidstaten die van de in artikel 272, lid 1, eerste alinea, punt b), bedoelde mogelijkheid gebruik maken, bovendien bepalen dat op de factuur het volgende wordt vermeld:

1)

voor de in de artikelen 44, 47, 50, 53, 54 en 55 bedoelde diensten en voor de in de artikelen 138 en 141 bedoelde goederenleveringen, het BTW-identificatienummer en het fiscaal registratienummer van de verrichter van de diensten of de goederenleveringen;

2)

voor andere goederenleveringen of diensten alleen het fiscaal registratienummer van de verrichter van de goederenleveringen of de diensten, dan wel alleen het BTW-identificatienummer.

HOOFDSTUK 4

Boekhouding

Afdeling 1

Definitie

Artikel 241

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder „bewaren van een factuur langs elektronische weg” verstaan, het bewaren van gegevens door middel van elektronische apparatuur voor gegevensverwerking (inclusief digitale compressie) en gegevensopslag, met gebruikmaking van draden, radio, optische of andere elektromagnetische middelen.

Afdeling 2

Algemene verplichtingen

Artikel 242

Iedere belastingplichtige moet een boekhouding voeren die voldoende gegevens bevat om de toepassing van de BTW en de controle daarop door de belastingadministratie mogelijk te maken.

Artikel 243

1.   Iedere belastingplichtige moet een register bijhouden van de goederen die door hemzelf of voor zijn rekening zijn verzonden of vervoerd buiten het grondgebied van de lidstaat van vertrek, maar binnen de Gemeenschap, ten behoeve van de in artikel 17, lid 2, punten f), g) en h), bedoelde handelingen bestaande uit werkzaamheden betreffende die goederen of uit het tijdelijke gebruik ervan.

2.   Iedere belastingplichtige moet een boekhouding voeren die voldoende gegevens bevat om de goederen te kunnen identificeren die vanuit een andere lidstaat naar hem verzonden zijn door of voor rekening van een in die andere lidstaat voor BTW-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige en die het voorwerp zijn van de in artikel 52, punt c), bedoelde diensten bestaande uit expertises of werkzaamheden betreffende die goederen.

Afdeling 3

Specifieke verplichtingen ten aanzien van het bewaren van facturen

Artikel 244

Iedere belastingplichtige moet erop toezien dat kopieën van de door hemzelf of door zijn afnemer of, in zijn naam en voor zijn rekening, door een derde uitgereikte facturen en alle door hemzelf ontvangen facturen worden bewaard.

Artikel 245

1.   Voor de toepassing van deze richtlijn mag de belastingplichtige de plaats van bewaring bepalen, mits hij alle overeenkomstig artikel 244 bewaarde facturen of gegevens op ieder verzoek zonder onnodig uitstel ter beschikking van de bevoegde autoriteiten stelt.

2.   De lidstaten kunnen de op hun grondgebied gevestigde belastingplichtigen verplichten tot kennisgeving van de plaats van bewaring wanneer deze buiten hun grondgebied gelegen is.

De lidstaten kunnen de op hun grondgebied gevestigde belastingplichtigen er bovendien toe verplichten de door henzelf, door hun afnemers of, in hun naam en voor hun rekening, door derden uitgereikte facturen, alsmede de door hen ontvangen facturen, binnen dat grondgebied te bewaren, wanneer deze bewaring niet geschiedt langs een elektronische weg die een volledige on–linetoegang tot de betrokken gegevens waarborgt.

Artikel 246

De authenticiteit van de oorsprong en de integriteit van de inhoud van de bewaarde facturen, alsmede de leesbaarheid ervan, moeten gedurende de volledige periode van bewaring worden gewaarborgd.

De gegevens op de in artikel 233, lid 1, tweede alinea, bedoelde facturen mogen niet worden gewijzigd en moeten gedurende deze periode leesbaar blijven.

Artikel 247

1.   Iedere lidstaat bepaalt hoe lang de belastingplichtigen ervoor moeten zorgen dat de facturen betreffende de op zijn grondgebied verrichte goederenleveringen of diensten en de facturen die op zijn grondgebied gevestigde belastingplichtigen hebben ontvangen, moeten worden bewaard.

2.   Om te waarborgen dat de in artikel 246 bedoelde voorwaarden worden vervuld, kan de in lid 1 bedoelde lidstaat bepalen dat de facturen moeten worden bewaard in de oorspronkelijke vorm — op papier of elektronisch — waarin zij zijn toegezonden of ter beschikking gesteld. De lidstaat kan tevens bepalen dat, wanneer de facturen langs elektronische weg worden bewaard, de gegevens die de authenticiteit van de herkomst en de integriteit van de inhoud overeenkomstig artikel 246, eerste alinea, waarborgen, eveneens worden bewaard.

3.   De in lid 1 bedoelde lidstaat kan bijzondere voorwaarden stellen met het oog op het verbieden of beperken van de bewaring van de facturen in een land waarmee geen rechtsinstrument inzake wederzijdse bijstand bestaat waarvan de strekking gelijk is aan die van Richtlijn 76/308/EEG en Verordening (EG) nr. 1798/2003 of inzake het in artikel 249 bedoelde recht van elektronische toegang, downloading en gebruik.

Artikel 248

De lidstaten kunnen onder door hen gestelde voorwaarden voorzien in een bewaringsplicht voor door niet–belastingplichtigen ontvangen facturen.

Afdeling 4

Recht van toegang tot elektronisch bewaarde facturen in een andere lidstaat

Artikel 249

Wanneer een belastingplichtige de door hem verzonden of ontvangen facturen elektronisch bewaart waarbij een on–linetoegang tot de gegevens wordt gewaarborgd, en de plaats van bewaring in een andere lidstaat gelegen is dan de lidstaat waar hij is gevestigd, hebben de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar deze belastingplichtige gevestigd is met het oog op de toepassing van deze richtlijn het recht van elektronische toegang tot alsmede downloading en gebruik van deze facturen binnen de grenzen bepaald bij de regelgeving van de lidstaat van vestiging van de belastingplichtige, en voorzover deze lidstaat de facturen nodig heeft voor controledoeleinden.

HOOFDSTUK 5

Aangiften

Artikel 250

1.   Iedere belastingplichtige moet een BTW-aangifte indienen waarop alle gegevens staan die nodig zijn om het bedrag van de verschuldigde belasting en van de aftrek vast te stellen, daarbij inbegrepen, voorzover zulks voor de vaststelling van de grondslag nodig is, het totale bedrag van de handelingen waarop deze belasting en deze aftrek betrekking hebben, alsmede het bedrag van de vrijgestelde handelingen.

2.   De lidstaten staan onder door hen te stellen voorwaarden toe dat de in lid 1 bedoelde BTW-aangifte langs elektronische weg wordt ingediend en mogen dit ook verplicht stellen.

Artikel 251

Behalve de in artikel 242 bedoelde gegevens moeten in de BTW–aangifte betreffende een bepaald belastingtijdvak de volgende gegevens vermeld zijn:

a)

het totale bedrag, de BTW niet inbegrepen, van de in artikel 138 bedoelde goederenleveringen uit hoofde waarvan de belasting in de loop van dit belastingtijdvak verschuldigd is geworden;

b)

het totale bedrag, de BTW niet inbegrepen, van de in artikel 33 en artikel 36, eerste alinea, bedoelde goederenleveringen die binnen het grondgebied van een andere lidstaat zijn verricht en uit hoofde waarvan de belasting in de loop van dit belastingtijdvak verschuldigd is geworden, indien de plaats van vertrek van de verzending of het vervoer van de goederen is gelegen in de lidstaat waar de aangifte moet worden ingediend;

c)

het totale bedrag, de BTW niet inbegrepen, van de intracommunautaire verwervingen van goederen en van de krachtens de artikelen 21 en 22 bedoelde daarmee gelijkgestelde handelingen, verricht in de lidstaat waar de aangifte moet worden ingediend, en uit hoofde waarvan de belasting in de loop van dit belastingtijdvak verschuldigd is geworden;

d)

het totale bedrag, de BTW niet inbegrepen, van de in artikel 33 en artikel 36, eerste alinea, bedoelde goederenleveringen die zijn verricht in de lidstaat waar de aangifte moet worden ingediend, en uit hoofde waarvan de belasting in de loop van dit belastingtijdvak verschuldigd is geworden, wanneer de plaats van vertrek van de verzending of het vervoer van de goederen op het grondgebied van een andere lidstaat is gelegen;

e)

het totale bedrag, de BTW niet inbegrepen, van de goederenleveringen, verricht in de lidstaat waar de aangifte moet worden ingediend, waarvoor de belastingplichtige overeenkomstig artikel 197 als de tot voldoening van de belasting gehouden persoon is aangewezen en uit hoofde waarvan de belasting in de loop van dit belastingtijdvak verschuldigd is geworden.

Artikel 252

1.   De BTW-aangifte moet worden ingediend binnen een door de lidstaten vast te stellen termijn. Deze termijn mag niet langer zijn dan twee maanden na het verstrijken van ieder belastingtijdvak.

2.   Het belastingtijdvak wordt door de lidstaten vastgesteld op een, twee of drie maanden.

De lidstaten kunnen evenwel andere belastingtijdvakken bepalen, die echter niet langer dan een jaar mogen zijn.

Artikel 253

Zweden mag voor kleine en middelgrote ondernemingen een vereenvoudigde procedure toepassen, waarbij de indiening van de BTW-aangifte kan geschieden drie maanden na het verstrijken van het directe-belastingjaar voor belastingplichtigen die uitsluitend binnenlandse belastbare handelingen verrichten.

Artikel 254

Voor leveringen van nieuwe vervoermiddelen onder de in artikel 138, lid 2, onder a), gestelde voorwaarden door een voor BTW–doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige aan een niet voor BTW-doeleinden geïdentificeerde afnemer, of door een in artikel 9, lid 2, bedoelde belastingplichtige, treffen de lidstaten de nodige maatregelen opdat de verkoper alle gegevens verschaft die noodzakelijk zijn voor de toepassing van de BTW en voor de controle daarop door de belastingdienst.

Artikel 255

De lidstaten die overeenkomstig artikel 198, lid 1, de afnemer van beleggingsgoud als de tot voldoening van de belasting gehouden persoon aanwijzen of gebruik maken van de in artikel 198, lid 2, geboden mogelijkheid om de afnemer van goud, halffabrikaten of beleggingsgoud als omschreven in artikel 344, lid 1, als de tot voldoening van de belasting gehouden persoon aan te wijzen, treffen de nodige maatregelen opdat die afnemer de in deze afdeling vastgestelde verplichtingen inzake aangifte nakomt.

Artikel 256

De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat de personen die overeenkomstig de artikelen 194 tot en met 197 en artikel 204 worden geacht in plaats van een niet op hun grondgebied gevestigde belastingplichtige tot voldoening van de belasting te zijn gehouden, de in dit hoofdstuk vastgestelde verplichtingen inzake aangifte nakomen.

Artikel 257

De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat niet-belastingplichtige rechtspersonen die zijn gehouden tot voldoening van de belasting welke verschuldigd is uit hoofde van de in artikel 2, lid 1, onder b), punt i), bedoelde intracommunautaire verwervingen van goederen, voldoen aan de in dit hoofdstuk vastgestelde verplichtingen inzake aangifte.

Artikel 258

De lidstaten stellen nadere regels vast met betrekking tot de aangifte ter zake van de in artikel 2, lid 1, onder b), punt ii), bedoelde intracommunautaire verwervingen van nieuwe vervoermiddelen en de in artikel 2, lid 1, onder b), punt iii), bedoelde intracommunautaire verwervingen van accijnsproducten.

Artikel 259

De lidstaten kunnen verlangen dat personen die de in artikel 2, lid 1, onder b), punt ii), bedoelde intracommunautaire verwervingen van nieuwe vervoermiddelen verrichten, bij het indienen van de BTW-aangifte alle gegevens verstrekken die noodzakelijk zijn voor de toepassing van de BTW en voor de controle daarop door de belastingdienst.

Artikel 260

De lidstaten stellen nadere regels vast betreffende de aangifte ter zake van de invoer van goederen.

Artikel 261

1.   De lidstaten kunnen verlangen dat de belastingplichtige een aangifte indient betreffende alle in het voorgaande jaar verrichte handelingen met daarin alle in de artikelen 250 en 251 bedoelde gegevens. In die aangifte moeten tevens alle gegevens staan die nodig zijn voor eventuele herzieningen.

2.   De lidstaten staan onder door hen te stellen voorwaarden toe dat de in lid 1 bedoelde aangifte langs elektronische weg worden ingediend en mogen dit ook verplicht stellen.

HOOFDSTUK 6

Lijsten

Artikel 262

Iedere voor BTW-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige moet een lijst indienen van de voor BTW-doeleinden geïdentificeerde afnemers aan wie hij goederen heeft geleverd onder de in artikel 138, lid 1, en lid 2, onder c), gestelde voorwaarden, alsmede van de voor BTW-doeleinden geïdentificeerde personen voor wie de goederen waarop de in artikel 42 bedoelde intracommunautaire verwervingen betrekking hebben, bestemd zijn.

Artikel 263

1.   De lijst wordt voor elk kalenderkwartaal opgesteld, binnen een termijn en volgens regels die door de lidstaten worden vastgesteld.

De lidstaten kunnen evenwel bepalen dat de lijsten maandelijks worden ingediend.

2.   De lidstaten staan onder door hen te stellen voorwaarden toe dat de in lid 1 bedoelde lijsten langs elektronische weg worden ingediend en mogen dit ook verplicht stellen.

Artikel 264

1.   Op de lijst worden de volgende gegevens vermeld:

a)

het nummer waaronder de belastingplichtige voor BTW-doeleinden is geïdentificeerd in de lidstaat waar de lijst moet worden ingediend, en waaronder hij goederenleveringen heeft verricht onder de in artikel 138, lid 1, gestelde voorwaarden;

b)

het nummer waaronder elke afnemer voor BTW-doeleinden is geïdentificeerd in een andere lidstaat dan die waar de lijst moet worden ingediend, en waaronder de goederen aan hem geleverd zijn;

c)

het nummer waaronder de belastingplichtige voor BTW-doeleinden is geïdentificeerd in de lidstaat waar de lijst moet worden ingediend, en waaronder hij de in artikel 138, lid 2, onder c), bedoelde overbrenging naar een andere lidstaat heeft verricht, alsmede het nummer waaronder hij in de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer is geïdentificeerd;

d)

voor elke afnemer het totale bedrag van de door de belastingplichtige verrichte goederenleveringen;

e)

voor de in artikel 138, lid 2, onder c) bedoelde leveringen bestaande uit de overbrenging van goederen naar een andere lidstaat, het totale bedrag van deze leveringen, vastgesteld overeenkomstig artikel 76;

f)

het bedrag van de krachtens artikel 90 verrichte herzieningen.

2.   Het in lid 1, punt d), bedoelde bedrag wordt opgegeven voor het kalenderkwartaal waarin de belasting verschuldigd is geworden.

Het in lid 1, punt f), bedoelde bedrag wordt opgegeven voor het kalenderkwartaal waarin van de herziening kennis is gegeven aan de afnemer.

Artikel 265

1.   In de in artikel 43 bedoelde gevallen van intracommunautaire verwerving van goederen dient de belastingplichtige die voor BTW-doeleinden is geïdentificeerd in de lidstaat welke het BTW-nummer heeft toegekend waaronder de belastingplichtige deze verwervingen heeft verricht, duidelijk de volgende gegevens op de lijst te vermelden:

a)

het nummer waaronder hij voor BTW-doeleinden in die lidstaat is geïdentificeerd en waaronder hij de verwerving en de daaropvolgende goederenlevering heeft verricht;

b)

het nummer waaronder degene voor wie de daaropvolgende levering, verricht door de belastingplichtige, bestemd is, in de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen is geïdentificeerd;

c)

voor elk van degenen voor wie de daaropvolgende levering bestemd is, het totale bedrag, de BTW niet inbegrepen, van de door de belastingplichtige in de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen verrichte leveringen.

2.   Het in lid 1, punt c), bedoelde bedrag wordt opgegeven voor het kalenderkwartaal waarin de belasting verschuldigd is geworden.

Artikel 266

In afwijking van de artikelen 264 en 265 kunnen de lidstaten bepalen dat de lijsten meer gegevens bevatten.

Artikel 267

De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat de personen die overeenkomstig de artikelen 194 en 204, worden geacht in plaats van een niet op hun grondgebied gevestigde belastingplichtige tot voldoening van de belasting te zijn gehouden, de in dit hoofdstuk vastgestelde verplichting inzake de indiening van lijsten nakomen.

Artikel 268

De lidstaten kunnen verlangen dat belastingplichtigen die op hun grondgebied intracommunautaire verwervingen van goederen of de krachtens de artikelen 21 en 22 daarmee gelijkgestelde handelingen verrichten, gespecificeerde aangiften over deze verwervingen indienen, met dien verstande dat dergelijke aangiften niet voor tijdvakken van minder dan een maand mogen worden verlangd.

Artikel 269

De Raad kan op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen elke lidstaat machtigen de in de artikelen 270 en 271 bepaalde bijzondere maatregelen in te voeren om de in dit hoofdstuk vastgestelde verplichtingen inzake de indiening van lijsten te vereenvoudigen. Deze maatregelen mogen de betrouwbaarheid van de controle op de intracommunautaire handelingen niet verminderen.

Artikel 270

Uit hoofde van de in artikel 269 bedoelde machtiging kunnen de lidstaten de belastingplichtigen toestaan een lijst over een periode van een jaar in te dienen waarin voor elke afnemer aan wie de belastingplichtige onder de in artikel 138, lid 1 en lid 2, onder c), gestelde voorwaarden goederen heeft geleverd het nummer wordt vermeld waaronder deze in een andere lidstaat voor BTW-doeleinden is geïdentificeerd, wanneer de belastingplichtige aan de volgende drie voorwaarden voldoet:

a)

het jaarlijkse totale bedrag, de BTW niet inbegrepen, van de door hem verrichte goederenleveringen en diensten overschrijdt met niet meer dan EUR 35 000 of de tegenwaarde daarvan in de nationale munteenheid het bedrag van de jaarlijkse omzet die als maatstaf dient voor de toepassing van de in de artikelen 282 tot en met 292 vervatte vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen;

b)

het jaarlijkse totale bedrag, de BTW niet inbegrepen, van de goederenleveringen die hij verricht onder de in artikel 138 gestelde voorwaarden bedraagt niet meer dan EUR 15 000 of de tegenwaarde daarvan in de nationale munteenheid;

c)

de goederenleveringen die hij verricht onder de in artikel 138 gestelde voorwaarden zijn geen leveringen van nieuwe vervoermiddelen.

Artikel 271

Uit hoofde van de in artikel 269 bedoelde machtiging kunnen de lidstaten die de duur van het belastingtijdvak waarover een belastingplichtige de in artikel 250 bedoelde BTW-aangifte moet indienen, op meer dan drie maanden vaststellen, deze belastingplichtige toestaan de lijst over datzelfde tijdvak in te dienen, wanneer de belastingplichtige de volgende drie voorwaarden vervult:

a)

het jaarlijkse totale bedrag, de BTW niet inbegrepen, van de door hem verrichte goederenleveringen en diensten bedraagt niet meer dan EUR 200 000 of de tegenwaarde daarvan in de nationale munteenheid;

b)

het jaarlijkse totale bedrag, de BTW niet inbegrepen, van de goederenleveringen die hij verricht onder de in artikel 138 gestelde voorwaarden bedraagt niet meer dan EUR 15 000 of de tegenwaarde daarvan in de nationale munteenheid;

c)

de goederenleveringen die hij verricht onder de in artikel 138 gestelde voorwaarden zijn geen leveringen van nieuwe vervoermiddelen.

HOOFDSTUK 7

Diverse bepalingen

Artikel 272

1.   De lidstaten kunnen de volgende belastingplichtigen van bepaalde verplichtingen of van alle verplichtingen bedoeld in de hoofdstukken 2 tot en met 6 ontheffen:

a)