Help Print this page 

Document 32005R0111

Title and reference
Verordening (EG) nr. 111/2005 van de Raad van 22 december 2004 houdende voorschriften voor het toezicht op de handel tussen de Gemeenschap en derde landen in drugsprecursoren
  • In force
OJ L 22, 26.1.2005, p. 1–10 (ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, NL, PL, PT, SK, SL, FI, SV)
OJ L 333M , 11.12.2008, p. 472–501 (MT)
Special edition in Bulgarian: Chapter 15 Volume 013 P. 114 - 123
Special edition in Romanian: Chapter 15 Volume 013 P. 114 - 123
Special edition in Croatian: Chapter 15 Volume 008 P. 56 - 65

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2005/111/oj
Multilingual display
Dates
  • Date of document: 22/12/2004
  • Date of effect: 15/02/2005; in werking datum publicatie + 20 zie art 35
  • Date of effect: 15/02/2005; Gedeeltelijke toepassing zie art 35
  • Date of effect: 18/08/2005; Gedeeltelijke toepassing zie art 35
  • Date of end of validity: 31/12/9999
Miscellaneous information
  • Author: Raad van de Europese Unie
  • Form: Verordening
Relationship between documents
Text

26.1.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 22/1


VERORDENING (EG) Nr. 111/2005 VAN DE RAAD

van 22 december 2004

houdende voorschriften voor het toezicht op de handel tussen de Gemeenschap en derde landen in drugsprecursoren

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 133,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, dat op 19 december 1988 in Wenen is goedgekeurd, hierna „het Verdrag van de Verenigde Naties” genoemd, maakt deel uit van de wereldwijde inspanningen om illegale drugs te bestrijden. De Gemeenschap heeft, voorzover dit onder haar bevoegdheid viel, deelgenomen aan de onderhandelingen en heeft het Verdrag namens de Gemeenschap gesloten bij Besluit 90/611/EEG (1).

(2)

Artikel 12 van het Verdrag van de Verenigde Naties heeft betrekking op de handel in stoffen die veelvuldig worden gebruikt bij de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen. Omdat bepalingen inzake de handel in drugsprecursoren van invloed zijn op de EG-douanevoorschriften, moeten EG-voorschriften worden vastgesteld met betrekking tot de handel tussen de Gemeenschap en derde landen.

(3)

Op grond van artikel 12 van het Verdrag van de Verenigde Naties is een systeem van toezicht op de internationale handel in drugsprecursoren vereist, waarbij rekening wordt gehouden met het feit dat de handel in deze stoffen in beginsel legaal is. Er zijn derhalve maatregelen genomen om het juiste evenwicht te vinden tussen de wens om alle mogelijke middelen in te zetten om te voorkomen dat drugsprecursoren in handen komen van illegale drugsproducenten enerzijds en de commerciële behoeften van de chemische industrie en andere marktdeelnemers anderzijds.

(4)

Om de bepalingen van artikel 12 van het Verdrag van de Verenigde Naties uit te voeren en rekening houdend met het verslag van de Chemical Action Task Force, is bij Verordening (EEG) nr. 3677/90 van de Raad van 13 december 1990 houdende maatregelen om te voorkomen dat bepaalde stoffen worden misbruikt voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen (2) een systeem opgezet voor de melding van verdachte transacties. Dit systeem, dat is gebaseerd op nauwe samenwerking met de marktdeelnemers, wordt versterkt door maatregelen inzake onder andere documentatie en etikettering, vergunning- en registratieplicht voor marktdeelnemers, alsmede procedures en voorschriften met betrekking tot de uitvoer.

(5)

Aansluitend op het EU-actieplan inzake drugs voor 2000-2004, dat in juni 2000 door de Europese Raad in Feira is goedgekeurd, heeft de Commissie een beoordeling van het EG-controlesysteem ten aanzien van de handel in drugsprecursoren georganiseerd om conclusies te kunnen trekken uit de uitvoering van de EG-wetgeving op dit gebied.

(6)

Uit deze beoordeling bleek dat, om de controlemechanismen ter voorkoming van misbruik van drugsprecursoren te kunnen verbeteren, het toezicht moet worden uitgebreid tot in de Gemeenschap gevestigde marktdeelnemers die in het handelsverkeer tussen derde landen actief zijn, een communautaire aanpak voor de procedures voor het verlenen van de vergunningen moet worden ingevoerd en de toezichtvoorschriften voor de schorsende douaneregelingen moeten worden aangescherpt.

(7)

De uitvoerprocedures en -voorschriften moeten verder worden aangescherpt om de controles vooral te richten op de meest gevoelige drugsprecursoren en tegelijk de buitensporige administratieve lasten te verlichten door middel van vereenvoudigde procedures voor de uitvoer van massaal geproduceerde stoffen. Nu de doelmatigheid en de haalbaarheid van voorafgaande kennisgeving van uitvoer algemeen zijn aanvaard, dient een strategie te worden uitgestippeld om dit systeem optimaal te benutten.

(8)

Gezien de toenemende verontrusting over de productie van amfetamineachtige stimulerende middelen dienen de mechanismen voor de controle op de invoer van de voornaamste synthetische drugsprecursoren verder te worden versterkt door middel van gemeenschappelijke procedures en voorschriften die het mogelijk maken individuele zendingen te controleren.

(9)

Om marktdeelnemers in staat te stellen deze voorschriften na te leven, dienen de bepalingen ten aanzien van de externe handel in drugsprecursoren zoveel mogelijk te worden aangepast aan de bepalingen voor de intracommunautaire handel in drugsprecursoren die volledig verkregen of vervaardigd dan wel in het vrije verkeer gebracht zijn in de Gemeenschap.

(10)

Rekening houdend met de eisen van de interne markt en in het belang van de doelmatigheid van deze verordening dient te worden gezorgd voor een uniforme toepassing van de bepalingen door de aanneming van vergelijkbare en convergerende maatregelen van de lidstaten.

(11)

De wederzijdse bijstand tussen de lidstaten en tussen de lidstaten en de Commissie dient te worden versterkt, met name door een beroep te doen op Verordening (EG) nr. 515/97 van de Raad van 13 maart 1997 betreffende de wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de lidstaten en de samenwerking tussen deze autoriteiten en de Commissie met het oog op de juiste toepassing van de douane- en landbouwvoorschriften (3).

(12)

In overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel is het voor het bereiken van de basisdoelstelling, namelijk het voorkomen van misbruik van drugsprecursoren voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen, noodzakelijk en dienstig om voorschriften vast te stellen voor een grondig toezicht op de handel tussen de Gemeenschap en derde landen in deze stoffen. Overeenkomstig artikel 5, derde alinea, van het Verdrag gaat deze verordening niet verder dan wat nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(13)

De voor de uitvoering van deze verordening vereiste maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (4).

(14)

Verordening (EEG) nr. 3677/90 dient derhalve te worden ingetrokken.

(15)

Deze verordening is in overeenstemming met de grondrechten en beginselen die met name door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie worden erkend,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ONDERWERP EN DEFINITIES

Artikel 1

Deze verordening stelt voorschriften vast voor het toezicht op de handel tussen de Gemeenschap en derde landen in bepaalde stoffen die veelvuldig worden gebruikt bij de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen (hierna „drugsprecursoren” genoemd) teneinde misbruik van deze stoffen te voorkomen; zij is van toepassing op de invoer, de uitvoer en op intermediaire activiteiten.

Deze verordening geldt onverminderd specifieke regelgeving op andere gebieden in verband met de handel in goederen tussen de Gemeenschap en derde landen.

Artikel 2

Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende definities:

a)

„geregistreerde stof”: elke in de bijlage genoemde stof, met inbegrip van mengsels en natuurproducten die dergelijke stoffen bevatten, doch uitgezonderd geneesmiddelen zoals gedefinieerd bij Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad (5), farmaceutische preparaten, mengsels, natuurproducten en andere preparaten die geregistreerde stoffen bevatten, die zodanig zijn vermengd dat genoemde stoffen niet gemakkelijk met eenvoudige of economisch rendabele middelen kunnen worden gebruikt of geëxtraheerd;

b)

„niet-geregistreerde stof”: elke stof die niet in de bijlage wordt genoemd, maar waarvan bekend is dat ze is gebruikt bij de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen;

c)

„invoer”: elke binnenkomst in het douanegebied van de Gemeenschap van geregistreerde stoffen die de status van niet-communautaire goederen hebben, met inbegrip van tijdelijke opslag, plaatsing in een vrije zone of een vrij entrepot, plaatsing onder een schorsingsprocedure en het in het vrije verkeer brengen in de zin van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (6);

d)

„uitvoer”: elk vertrek van geregistreerde stoffen uit het douanegebied van de Gemeenschap, met inbegrip van het vertrek van geregistreerde stoffen waarvoor een douaneaangifte vereist is en het vertrek van geregistreerde stoffen na de opslag ervan in een vrije zone van controletype I of een vrij entrepot in de zin van Verordening (EEG) nr. 2913/92;

e)

„intermediaire activiteiten”: activiteiten in verband met het regelen van de aan- of verkoop dan wel levering van geregistreerde stoffen die wordt verricht door een natuurlijk of rechtspersoon om tot een overeenkomst te komen tussen twee partijen of waarbij wordt opgetreden namens ten minste één van deze partijen zonder in het bezit te zijn van deze stoffen of controle te hebben over het uitvoeren van een dergelijke transactie; deze definitie omvat tevens elke activiteit die wordt uitgevoerd door een natuurlijk of rechtspersoon die in de Gemeenschap is gevestigd en betrekking heeft op de aan- of verkoop dan wel levering van geregistreerde stoffen zonder dat deze stoffen in het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht;

f)

„marktdeelnemer”: elke natuurlijke of rechtspersoon die betrokken is bij de in- en uitvoer van geregistreerde stoffen of hiermee verband houdende intermediaire activiteiten, met inbegrip van personen die als zelfstandige douaneaangiften doen voor klanten, hetzij als hoofdactiviteit hetzij als nevenactiviteit in verband met een andere activiteit;

g)

„exporteur”: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die hoofdzakelijk verantwoordelijk is voor de uitvoeractiviteiten op grond van zijn economische en juridische relatie tot de geregistreerde stoffen en tot de ontvanger en, in voorkomend geval, door of namens wie de douaneaangifte wordt gedaan;

h)

„importeur”: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die hoofdzakelijk verantwoordelijk is voor de invoeractiviteiten op grond van zijn economische en juridische relatie tot de geregistreerde stoffen en tot de afzender en, in voorkomend geval, door of namens wie de douaneaangifte wordt gedaan;

i)

„uiteindelijke ontvanger”: elke natuurlijke of rechtspersoon aan wie de geregistreerde stoffen worden afgeleverd; deze persoon is niet noodzakelijkerwijs de eindgebruiker;

j)

„procedure van het comité”: in artikel 30, lid 2, bepaalde procedure;

k)

„Internationaal Comité van toezicht op verdovende middelen”: het Comité dat is ingesteld bij het Enkelvoudig Verdrag van de Verenigde Naties inzake verdovende middelen van 1961, zoals gewijzigd bij het Protocol van 1972.

HOOFDSTUK II

TOEZICHT OP DE HANDEL

DEEL 1

Documenten en etikettering

Artikel 3

Alle in- en uitvoer en intermediaire activiteiten waarbij geregistreerde stoffen betrokken zijn, worden door de marktdeelnemers geboekstaafd met douane- en handelsbescheiden, zoals summiere aangiften, douaneaangiften, facturen, vrachtbrieven, vervoers- en andere verzendingsdocumenten.

Deze documenten bevatten de volgende informatie:

a)

de naam van de geregistreerde stof zoals die is vermeld in de bijlage, of, in geval van mengsels of natuurproducten, de naam daarvan en de naam van elke in het mengsel of het natuurproduct voorkomende geregistreerde stof zoals die in de bijlage is vermeld, gevolgd door het woord „DRUG PRECURSORS”;

b)

de hoeveelheid en het gewicht van de geregistreerde stof en, in geval van mengsels of natuurproducten, de hoeveelheid, het gewicht en, indien beschikbaar, het percentage van elke in het mengsel voorkomende geregistreerde stof;

c)

naam en adres van de exporteur, de importeur, de uiteindelijke ontvanger en, in voorkomend geval, de persoon die zich bezighoudt met intermediaire activiteiten.

Artikel 4

De in artikel 3 bedoelde documenten worden door de marktdeelnemers bewaard gedurende drie jaar vanaf het einde van het kalenderjaar waarin de transactie heeft plaatsgevonden. De documentatie moet zodanig zijn opgezet, hetzij elektronisch, hetzij op papier, dat zij op verzoek snel beschikbaar is voor inspectie door de bevoegde instanties. De documentatie kan worden ingediend via een beeld- of andere gegevensdrager, mits de gegevens, wanneer zij leesbaar worden gemaakt, overeenstemmen met de vorm en de inhoud van de documenten, op elk moment beschikbaar zijn, onmiddellijk leesbaar kunnen worden gemaakt en op geautomatiseerde wijze kunnen worden geanalyseerd.

Artikel 5

De marktdeelnemers zorgen ervoor dat op iedere verpakking die geregistreerde stoffen bevat, etiketten zijn aangebracht met de naam van de geregistreerde stoffen, zoals die is vermeld in de bijlage, of, in geval van mengsels of natuurproducten, de naam daarvan en de naam van elke in het mengsel of het natuurproduct voorkomende geregistreerde stof, zoals die in de bijlage is vermeld. De marktdeelnemers mogen daarnaast ook hun gewone etiketten aanbrengen.

DEEL 2

Vergunning- en registratieplicht van marktdeelnemers

Artikel 6

1.   Met uitzondering van douaneagenten en transporteurs die uitsluitend in die hoedanigheid optreden, moeten in de Gemeenschap gevestigde marktdeelnemers die zich bezighouden met in- en uitvoer of intermediaire activiteiten met betrekking tot geregistreerde stoffen van categorie 1 van de bijlage, in het bezit zijn van een vergunning. De vergunning wordt afgegeven door de bevoegde instantie van de lidstaat waar de marktdeelnemer gevestigd is.

Bij de beoordeling van een vergunningaanvraag houdt de bevoegde instantie rekening met de competentie en de integriteit van de aanvrager.

Volgens de procedure van het comité worden bepalingen aangenomen tot vaststelling van de gevallen waarin geen vergunning is vereist, van de verdere voorwaarden voor het verlenen van een vergunning en van een model voor de vergunningen. Deze bepalingen waarborgen een systematische en consequente controle van en toezicht op de marktdeelnemers.

2.   De bevoegde instanties kunnen de vergunning schorsen of intrekken als niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden waaronder de vergunning is afgegeven, of als er een redelijk vermoeden van een risico van misbruik van geregistreerde stoffen bestaat.

Artikel 7

1.   Met uitzondering van douaneagenten en transporteurs die uitsluitend in die hoedanigheid optreden, laten in de Gemeenschap gevestigde marktdeelnemers die zich bezighouden met in- en uitvoer of intermediaire activiteiten met betrekking tot geregistreerde stoffen van categorie 2 van de bijlage of met de uitvoer van geregistreerde stoffen van categorie 3 van de bijlage, de adressen van de bedrijfsruimten waarin zij deze activiteiten uitvoeren, onmiddellijk registreren en actualiseren in voorkomend geval. Dat moet worden gedaan bij de bevoegde instantie van de lidstaat waar de marktdeelnemer is gevestigd.

2.   Volgens de procedure van het comité wordt vastgesteld onder welke voorwaarden bepaalde categorieën marktdeelnemers, waaronder marktdeelnemers die zich bezighouden met de uitvoer van geringe hoeveelheden van de geregistreerde stoffen van categorie 3, van de controles kunnen worden vrijgesteld. Die voorwaarden moeten waarborgen dat het risico van misbruik van geregistreerde stoffen zo gering mogelijk wordt gehouden.

Artikel 8

1.   Bij het binnenbrengen van de geregistreerde stoffen in het douanegebied van de Gemeenschap voor lossing of overlading, voor tijdelijke opslag, voor opslag in een vrije zone van controletype I of een vrij entrepot of voor plaatsing onder de regeling extern communautair douanevervoer, moeten de legale doeleinden op verzoek van de bevoegde instanties door de marktdeelnemer worden aangetoond.

2.   Volgens de procedure van het comité worden de criteria vastgesteld om te bepalen hoe de legale doeleinden van de transactie kunnen worden aangetoond, om te waarborgen dat alle bewegingen van geregistreerde stoffen binnen het douanegebied van de Gemeenschap door de bevoegde instanties onder toezicht kunnen worden gehouden en dat het risico van misbruik zo gering mogelijk wordt gehouden.

DEEL 3

Informatieverstrekking

Artikel 9

1.   De in de Gemeenschap gevestigde marktdeelnemers stellen de bevoegde instanties onverwijld in kennis van elk voorval, zoals ongewone orders voor of transacties met geregistreerde stoffen, dat erop kan wijzen dat dergelijke voor in- en uitvoer of intermediaire activiteiten bestemde stoffen wellicht worden misbruikt om verdovende middelen of psychotrope stoffen op illegale wijze te vervaardigen.

2.   De marktdeelnemers verstrekken de bevoegde instanties beknopt informatie over hun in- en uitvoer of intermediaire activiteiten. Volgens de procedure van het comité wordt bepaald welke informatie aan de bevoegde instanties moet worden verstrekt om deze in staat te stellen toezicht te houden op deze activiteiten.

Artikel 10

1.   Om de samenwerking tussen de bevoegde instanties van de lidstaten, de in de Gemeenschap gevestigde marktdeelnemers en de chemische industrie te vergemakkelijken, met name ten aanzien van niet-geregistreerde stoffen, moet de Commissie in overleg met de lidstaten richtsnoeren opstellen en bijwerken.

2.   Deze richtsnoeren omvatten met name:

a)

informatie over manieren om verdachte transacties te herkennen en te melden;

b)

een geregeld bijgewerkte lijst van niet-geregistreerde stoffen om de industrie in staat te stellen vrijwillig op de handel in deze stoffen toe te zien.

3.   De bevoegde instanties zorgen ervoor dat de richtsnoeren geregeld worden verspreid, overeenkomstig de doeleinden van deze richtsnoeren.

DEEL 4

Voorafgaande kennisgeving van uitvoer

Artikel 11

1.   De uitvoer van geregistreerde stoffen van categorie 1 van de bijlage en de uitvoer van geregistreerde stoffen van de categorieën 2 en 3 van de bijlage naar bepaalde landen van bestemming wordt voorafgegaan door een voorafgaande kennisgeving van uitvoer die door de bevoegde instanties in de Gemeenschap wordt toegezonden aan de bevoegde instanties van het land van bestemming, overeenkomstig artikel 12, lid 10, van het Verdrag van de Verenigde Naties. Volgens de procedure van het comité wordt de lijst van landen van bestemming vastgesteld, teneinde het risico van misbruik zo gering mogelijk te houden door een systematisch en consequent toezicht op de uitvoer van geregistreerde stoffen naar deze landen te waarborgen.

Het land van bestemming krijgt een termijn van 15 werkdagen voor een antwoord, na het verstrijken waarvan de uitvoer door de bevoegde instanties van de lidstaat van uitvoer kan worden toegestaan indien van de bevoegde instanties van het land van bestemming geen gegevens zijn ontvangen waaruit blijkt dat deze transactie wellicht bestemd is voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen.

2.   Wat betreft de geregistreerde stoffen waarvoor overeenkomstig lid 1 een voorafgaande kennisgeving van uitvoer is vereist, verstrekken de bevoegde instanties van de betrokken lidstaat, voorafgaand aan de uitvoer van bedoelde stoffen, de in artikel 13, lid 1, vermelde informatie aan de bevoegde instanties van het land van bestemming.

De instantie die dergelijke inlichtingen verstrekt, verlangt van de instantie van het derde land die deze ontvangt, dat zij het vertrouwelijke karakter bewaart van alle economische, industriële, commerciële of beroepsgeheimen of van alle informatie over een handelsprocédé die deze kunnen bevatten.

3.   De bevoegde instanties mogen vereenvoudigde procedures voor voorafgaande kennisgevingen van uitvoer toepassen indien zij er zeker van zijn dat dit geen risico van misbruik van geregistreerde stoffen oplevert. Die procedures, en de door de bevoegde instanties toe te passen gemeenschappelijke criteria, worden vastgesteld volgens de procedure van het comité.

DEEL 5

Uitvoervergunning

Artikel 12

1.   Voor de uitvoer van geregistreerde stoffen waarvoor een douaneaangifte vereist is, met inbegrip van de uitvoer van geregistreerde stoffen die het douanegebied van de Gemeenschap verlaten nadat zij gedurende een periode van ten minste tien dagen waren opgeslagen in een vrije zone van controletype I of een vrij entrepot, is een uitvoervergunning vereist.

Wanneer geregistreerde stoffen worden wederuitgevoerd binnen tien dagen nadat zij onder een schorsingsregeling of in een vrije zone van controletype II zijn geplaatst, behoeft geen uitvoervergunning te worden verlangd.

Voor de uitvoer van geregistreerde stoffen van categorie 3 van de bijlage is alleen een uitvoervergunning vereist wanneer een voorafgaande kennisgeving van uitvoer verplicht is of wanneer deze stoffen worden uitgevoerd naar bepaalde landen van bestemming opdat een passend controleniveau kan worden gewaarborgd volgens de procedure van het comité.

2.   Uitvoervergunningen worden afgegeven door de bevoegde instanties van de lidstaat waar de exporteur gevestigd is.

Artikel 13

1.   De aanvraag voor een uitvoervergunning zoals bedoeld in artikel 12 bevat ten minste de volgende informatie:

a)

naam en adres van de exporteur, de importeur in het derde land, alle andere marktdeelnemers die betrokken zijn bij de exporttransactie of verzending, en de uiteindelijke ontvanger;

b)

naam van de geregistreerde stof zoals die is vermeld in de bijlage, of, in geval van mengsels of natuurproducten, de naam en de achtcijferige GN-code daarvan en de naam van elke in het mengsel of het natuurproduct voorkomende geregistreerde stof zoals die in de bijlage is vermeld;

c)

de hoeveelheid en het gewicht van de geregistreerde stof en, in geval van mengsels of natuurproducten, de hoeveelheid, het gewicht en, indien beschikbaar, het percentage van elke in het mengsel of het natuurproduct voorkomende geregistreerde stof, en

d)

de gegevens over het vervoer, zoals de beoogde datum van verzending, de wijze van vervoer, het douanekantoor waar de aangifte moet worden gedaan en, voorzover deze gegevens in dit stadium bekend zijn, het vervoermiddel, de reisweg, de voorgenomen plaats van uitgang uit het douanegebied van de Gemeenschap en die van binnenkomst in het land van invoer;

e)

in de in artikel 17 bedoelde gevallen een kopie van de door het land van bestemming afgegeven invoervergunning, en

f)

het nummer van de in de artikelen 6 en 7 bedoelde vergunning of registratie.

2.   Het besluit over de aanvraag van een uitvoervergunning wordt genomen binnen een termijn van 15 werkdagen na de datum waarop de bevoegde instanties het dossier volledig achten.

Deze termijn kan worden verlengd indien de bevoegde instanties in de in artikel 17 bedoelde gevallen op grond van artikel 17, tweede alinea, aanvullend onderzoek moeten verrichten.

Artikel 14

1.   Wanneer de bijzonderheden omtrent de reisweg en het vervoermiddel niet in de aanvraag worden genoemd, moet op de uitvoervergunning zijn aangegeven dat de marktdeelnemer verplicht is deze gegevens vóór het fysieke vertrek van de zending te verstrekken aan het douanekantoor van uitgang of een andere bevoegde instantie op de plaats van uitgang waar de stoffen het douanegebied van de Gemeenschap verlaten. In dit geval moet bij de afgifte in de uitvoervergunning een dienovereenkomstige aantekening worden opgenomen.

Wanneer de uitvoervergunning wordt overgelegd aan een douanekantoor in een andere lidstaat dan die van de instantie die de vergunning heeft afgegeven, stelt de exporteur op verzoek een gewaarmerkte vertaling van een deel of van alle informatie in de vergunning beschikbaar.

2.   De uitvoervergunning wordt aan het douanekantoor overgelegd wanneer de douaneaangifte wordt gedaan, of, wanneer geen aangifte wordt gedaan, bij het douanekantoor van uitgang of een andere bevoegde instantie op de plaats van uitgang waar de stoffen het douanegebied van de Gemeenschap verlaten. De vergunning vergezelt de zending naar het derde land van bestemming.

Het douanekantoor van uitgang of een andere bevoegde instantie op de plaats van uitgang waar de stoffen het douanegebied van de Gemeenschap verlaten, vult de nodige informatie bedoeld in artikel 13, lid 1, onder d), in op de vergunning en plaatst hierop zijn stempel.

Artikel 15

Onverminderd de overeenkomstig artikel 26, lid 3, genomen maatregelen wordt de afgifte van de uitvoervergunning geweigerd wanneer:

a)

de overeenkomstig artikel 13, lid 1, ingediende informatie onvolledig is;

b)

er een redelijk vermoeden bestaat dat de overeenkomstig artikel 13, lid 1, verstrekte informatie vals of onjuist is;

c)

in de in artikel 17 bedoelde gevallen is vastgesteld dat de invoer van geregistreerde stoffen niet is toegestaan door de bevoegde instanties van het land van bestemming, of

d)

er een redelijk vermoeden bestaat dat de betrokken stoffen bestemd zijn voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen.

Artikel 16

De bevoegde instanties kunnen de uitvoervergunning schorsen of intrekken indien er een redelijk vermoeden bestaat dat de stoffen bestemd zijn voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen.

Artikel 17

Wanneer krachtens een overeenkomst tussen de Gemeenschap en een derde land de uitvoer slechts is toegestaan indien door de bevoegde instantie van dit land een invoervergunning voor de betrokken stoffen is afgegeven, deelt de Commissie de bevoegde instantie van de lidstaten de naam en het adres van de bevoegde instantie van het derde land mee, evenals alle praktische informatie die dit land heeft verstrekt.

De bevoegde instanties in de lidstaten vergewissen zich van de authenticiteit van een dergelijke invoervergunning, zo nodig door bevestiging te vragen aan de bevoegde instantie van het derde land.

Artikel 18

De goederen moeten het douanegebied van de Gemeenschap hebben verlaten binnen de geldigheidsperiode van de uitvoervergunning, te weten zes maanden na de datum waarop de uitvoervergunning is afgegeven. Onder uitzonderlijke omstandigheden kan deze geldigheidsperiode op verzoek worden verlengd.

Artikel 19

De bevoegde instanties mogen vereenvoudigde procedures voor het verlenen van een uitvoervergunning toepassen indien zij er zeker van zijn dat dit geen risico van misbruik van geregistreerde stoffen oplevert. Die procedures, en de door de bevoegde instanties toe te passen gemeenschappelijke criteria, worden vastgesteld volgens de procedure van het comité.

DEEL 6

Invoervergunning

Artikel 20

Voor de invoer van geregistreerde stoffen van categorie 1 van de bijlage is een invoervergunning vereist. Een invoervergunning mag slechts worden afgegeven aan in de Gemeenschap gevestigde marktdeelnemers. De invoervergunning wordt afgegeven door de bevoegde instanties van de lidstaat waar de importeur gevestigd is.

Er is evenwel geen invoervergunning vereist indien de in de eerste alinea bedoelde stoffen worden gelost of overgeladen, tijdelijk opgeslagen, opgeslagen in een vrije zone van controletype I of een vrij entrepot, of onder de regeling voor communautair douanevervoer worden geplaatst.

Artikel 21

1.   De aanvraag voor een invoervergunning zoals bedoeld in artikel 20, bevat ten minste de volgende informatie:

a)

naam en adres van de importeur, de exporteur in het derde land, alle andere betrokken marktdeelnemers en de uiteindelijke ontvanger;

b)

naam van de geregistreerde stof zoals die is vermeld in de bijlage, of, in geval van mengsels of natuurproducten, de naam en de achtcijferige GN-code daarvan en de naam van elke in het mengsel of het natuurproduct voorkomende geregistreerde stof zoals die in de bijlage is vermeld;

c)

de hoeveelheid en het gewicht van de geregistreerde stof en, in geval van mengsels of natuurproducten, de hoeveelheid, het gewicht en, indien beschikbaar, het percentage van elke in het mengsel of het natuurproduct voorkomende geregistreerde stof;

d)

indien beschikbaar, gegevens over het vervoer, zoals de methoden en middelen van vervoer, de datum en plaats van de beoogde invoertransacties, en

e)

het nummer van de in de artikelen 6 en 7 bedoelde vergunning of registratie.

2.   Uiterlijk 15 werkdagen na de datum waarop de bevoegde instanties het dossier volledig achten, wordt een besluit genomen over de aanvraag van een invoervergunning.

Artikel 22

De invoervergunning vergezelt de zending van het punt van binnenkomst in het douanegebied van de Gemeenschap tot het bedrijf van de importeur of de uiteindelijke ontvanger.

De invoervergunning wordt aan het douanekantoor overgelegd wanneer de geregistreerde stoffen voor een douaneprocedure worden aangegeven.

Wanneer de invoervergunning wordt overgelegd aan een douanekantoor in een andere lidstaat dan die van de instantie die de vergunning heeft afgegeven, stelt de importeur op verzoek een gewaarmerkte vertaling van een deel of van alle informatie in de vergunning beschikbaar.

Artikel 23

Onverminderd de overeenkomstig artikel 26, lid 3, genomen maatregelen wordt de afgifte van de invoervergunning geweigerd wanneer:

a)

de overeenkomstig artikel 21, lid 1, ingediende informatie onvolledig is;

b)

er een redelijk vermoeden bestaat dat de overeenkomstig artikel 21, lid 1, verstrekte informatie vals of onjuist is, of

c)

er een redelijk vermoeden bestaat dat de betrokken geregistreerde stoffen bestemd zijn voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen.

Artikel 24

De bevoegde instanties kunnen de invoervergunning schorsen of intrekken indien er een redelijk vermoeden bestaat dat de stoffen bestemd zijn voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen.

Artikel 25

De geregistreerde stoffen moeten het douanegebied van de Gemeenschap zijn binnengekomen binnen de geldigheidsperiode van de invoervergunning, te weten zes maanden na de datum waarop de invoervergunning is afgegeven. Onder uitzonderlijke omstandigheden kan deze geldigheidsperiode op verzoek worden verlengd.

HOOFDSTUK III

BEVOEGDHEDEN VAN DE BEVOEGDE INSTANTIES

Artikel 26

1.   Onverminderd het bepaalde in de artikelen 11 tot en met 25 en de leden 2 en 3 van dit artikel verbieden de bevoegde instanties van elke lidstaat het binnenbrengen van geregistreerde stoffen in het douanegebied van de Gemeenschap of het buiten dit gebied brengen van deze stoffen, indien er een redelijk vermoeden bestaat dat deze stoffen bestemd zijn voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen.

2.   De bevoegde instanties houden de geregistreerde stoffen vast of schorsen de vrijgave ervan gedurende de tijd die nodig is om de benaming van de geregistreerde stoffen of de inachtneming van de voorschriften van deze verordening te verifiëren.

3.   Elke lidstaat neemt de nodige maatregelen om de bevoegde instanties in staat te stellen om, met name:

a)

informatie te verkrijgen over alle orders voor of transacties met geregistreerde stoffen;

b)

de bedrijfsruimten van de betrokken marktdeelnemers te betreden om bewijzen van onregelmatigheden te verzamelen;

c)

vast te stellen dat misbruik of een poging tot misbruik van geregistreerde stoffen heeft plaatsgevonden.

4.   Om specifieke risico’s op het stuk van bestemmingswijziging met het oog op misbruik in vrije zones alsmede in andere gevoelige gebieden zoals douane-entrepots te voorkomen, zorgen de lidstaten ervoor dat op transacties die in deze gebieden worden uitgevoerd, in elk stadium van deze transacties effectieve controles worden toegepast en dat die controles ten minste even stringent zijn als de in andere delen van het douanegebied toegepaste controles.

5.   De bevoegde instanties kunnen van de marktdeelnemer verlangen dat hij een vergoeding betaalt voor de aanvraag van een vergunning of een registratie. Deze eventuele vergoeding wordt op niet-discriminerende wijze geheven en het bedrag ervan is niet groter dan de geraamde kosten voor de behandeling van de aanvraag.

HOOFDSTUK IV

ADMINISTRATIEVE SAMENWERKING

Artikel 27

Voor de toepassing van deze verordening en onverminderd artikel 30 zijn de bepalingen van Verordening (EG) nr. 515/97 mutatis mutandis van toepassing. Elke lidstaat deelt de andere lidstaten en de Commissie de naam mee van de bevoegde instanties die overeenkomstig artikel 2, lid 2, van die verordening zijn aangewezen om zich met elkaar in verbinding te stellen.

HOOFDSTUK V

UITVOERINGSMAATREGELEN EN WIJZIGINGEN

Artikel 28

Afgezien van de in deze verordening bedoelde uitvoeringsmaatregelen stelt het comité indien nodig nadere bepalingen vast om het effectieve toezicht op de handel tussen de Gemeenschap en derde landen in drugsprecursoren te waarborgen teneinde misbruik van dergelijke stoffen te voorkomen, met name wat betreft het ontwerp en het gebruik van de formulieren voor de uitvoer- en invoervergunningen.

Artikel 29

De bijlage bij deze verordening wordt volgens de procedure van het comité aangepast, om rekening te houden met eventuele wijzigingen van de bijlage bij het Verdrag van de Verenigde Naties.

Artikel 30

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het Comité drugsprecursoren (hierna „het comité” genoemd).

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 4 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing.

De in artikel 4, lid 3, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

3.   Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

HOOFDSTUK VI

SLOTBEPALINGEN

Artikel 31

De lidstaten stellen de sancties vast die bij overtreding van deze verordening worden opgelegd en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de verordening wordt toegepast. De beoogde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

Artikel 32

De bevoegde instanties van elke lidstaat verstrekken de Commissie ten minste eenmaal per jaar alle relevante informatie over de uitvoering van de bij deze verordening vastgestelde toezichtmaatregelen, over de voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen gebruikte geregistreerde stoffen, over de bij misbruik en illegale vervaardiging gehanteerde methoden en over de legale handel in, toepassingen van en behoefte aan deze stoffen.

Op basis van deze informatie evalueert de Commissie in overleg met de lidstaten de doeltreffendheid van deze verordening en stelt zij, overeenkomstig artikel 12, lid 12, van het Verdrag van de Verenigde Naties, een jaarverslag op dat wordt ingediend bij het Internationaal Comité van toezicht op verdovende middelen.

De Commissie brengt uiterlijk eind augustus 2008 bij de Raad verslag uit over de werking van deze verordening.

Artikel 33

De Commissie is gemachtigd om, namens de Gemeenschap, een standpunt in te nemen ten gunste van wijzigingen van de tabellen I en II van de bijlage bij het Verdrag van de Verenigde Naties, die in overeenstemming zijn met de bijlage bij deze verordening.

Artikel 34

Verordening (EEG) nr. 3677/90 wordt ingetrokken met ingang van 18 augustus 2005.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening.

Artikel 35

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 18 augustus 2005. Artikel 6, lid 1, artikel 7, lid 2, artikel 8, lid 2, artikel 9, lid 2, artikel 11, lid 1 en lid 3, artikel 12, lid 1, artikel 19, artikel 28 en artikel 30 zijn evenwel van toepassing vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening, zodat de maatregelen waarin in voornoemde artikelen is voorzien, kunnen worden aangenomen. Deze maatregelen treden ten vroegste op 18 augustus 2005 in werking.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 22 december 2004.

Voor de Raad

De voorzitter

C. VEERMAN


(1)  PB L 326 van 24.11.1990, blz. 56.

(2)  PB L 357 van 20.12.1990, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1232/2002 van de Commissie (PB L 180 van 10.7.2002, blz. 5).

(3)  PB L 82 van 22.3.1997, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 807/2003 (PB L 122 van 16.5.2003, blz. 36).

(4)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(5)  PB L 311 van 28.11.2001, blz. 67. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/27/EG (PB L 136 van 30.4.2004, blz. 34).

(6)  PB L 302 van 19.10.1992, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij de Toetredingsakte van 2003.


BIJLAGE

Geregistreerde stoffen van categorie 1

Stof

GN-benaming

(indien afwijkend)

GN-code (1)

CAS nr. (2)

1-Fenyl-2-propanon

Fenylaceton

2914 31 00

103-79-7

N-Acetylantranilzuur

2-Aceetamidobenzoëzuur

2924 23 00

89-52-1

Isosafrol (cis + trans)

 

2932 91 00

120-58-1

3,4-Methyleendioxyfenylpropaan-2-on

1-(1,3-Benzodioxol-5-yl)propaan-2-on

2932 92 00

4676-39-5

Piperonal

 

2932 93 00

120-57-0

Safrool

 

2932 94 00

94-59-7

Efedrine

 

2939 41 00

299-42-3

Pseudo-efedrine

 

2939 42 00

90-82-4

Norefedrine

 

ex 2939 49 00

14838-15-4

Ergometrine

 

2939 61 00

60-79-7

Ergotamine

 

2939 62 00

113-15-5

Lyserginezuur

 

2939 63 00

82-58-6

De stereoisomerische vormen van de stoffen in deze categorie behoudens cathine (3) wanneer het bestaan van deze vormen mogelijk is.

De zouten van de stoffen in deze categorie wanneer het bestaan van deze zouten mogelijk is, behalve de zouten van cathine.


Categorie 2

Stof

GN-benaming

(indien afwijkend)

GN-code (4)

CAS nr. (5)

Azijnzuuranhydride

 

2915 24 00

108-24-7

Fenylazijnzuur

 

2916 34 00

103-82-2

Antranilzuur

 

2922 43 00

118-92-3

Piperidine

 

2933 32 00

110-89-4

Kaliumpermanganaat

 

2841 61 00

7722-64-7

De zouten van de stoffen in deze categorie wanneer het bestaan van deze zouten mogelijk is.


Categorie 3

Stof

GN-benaming

(indien afwijkend)

GN-code (6)

CAS nr. (7)

Zoutzuur

Waterstofchloride

2806 10 00

7647-01-0

Zwavelzuur

 

2807 00 10

7664-93-9

Tolueen

 

2902 30 00

108-88-3

Ethylether

Diethylether

2909 11 00

60-29-7

Aceton

 

2914 11 00

67-64-1

Methylethylketon

Butanon

2914 12 00

78-93-3

De zouten van de stoffen in deze categorie wanneer het bestaan van deze zouten mogelijk is, behalve de zouten van zoutzuur en zwavelzuur.


(1)  PB L 290 van 28.10.2002, blz. 1.

(2)  Het CAS-nummer is het „Chemical Abstracts Service Registry Number”, een uniek getal ter aanduiding van elke specifieke stof en de structuur ervan. Elk isomeer en elk zout heeft een eigen CAS-nummer. Het CAS-nummer voor de zouten van bovengenoemde stoffen is dus afwijkend.

(3)  Ook „(+)-norpseudoefedrine” genaamd, GN-code 2939 43 00, CAS-nummer 492-39-7.

(4)  PB L 290 van 28.10.2002, blz. 1.

(5)  Het CAS-nummer is het „Chemical Abstracts Service Registry Number”, een uniek getal ter aanduiding van elke specifieke stof en de structuur ervan. Elk isomeer en elk zout heeft een eigen CAS-nummer. Het CAS-nummer voor de zouten van bovengenoemde stoffen is dus afwijkend.

(6)  PB L 290 van 28.10.2002, blz. 1.

(7)  Het CAS-nummer is het „Chemical Abstracts Service Registry Number”, een uniek getal ter aanduiding van elke specifieke stof en de structuur ervan. Elk isomeer en elk zout heeft een eigen CAS-nummer. Het CAS-nummer voor de zouten van bovengenoemde stoffen is dus afwijkend.


Top