Help Print this page 

Document 31997R1467

Title and reference
Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad van 7 juli 1997 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten

OJ L 209, 2.8.1997, p. 6–11 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
Special edition in Czech: Chapter 10 Volume 001 P. 89 - 94
Special edition in Estonian: Chapter 10 Volume 001 P. 89 - 94
Special edition in Latvian: Chapter 10 Volume 001 P. 89 - 94
Special edition in Lithuanian: Chapter 10 Volume 001 P. 89 - 94
Special edition in Hungarian Chapter 10 Volume 001 P. 89 - 94
Special edition in Maltese: Chapter 10 Volume 001 P. 89 - 94
Special edition in Polish: Chapter 10 Volume 001 P. 89 - 94
Special edition in Slovak: Chapter 10 Volume 001 P. 89 - 94
Special edition in Slovene: Chapter 10 Volume 001 P. 89 - 94
Special edition in Bulgarian: Chapter 10 Volume 001 P. 89 - 94
Special edition in Romanian: Chapter 10 Volume 001 P. 89 - 94
Special edition in Croatian: Chapter 10 Volume 003 P. 32 - 37

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1997/1467/oj
Multilingual display
Dates
  • Date of document: 07/07/1997
  • Date of effect: 01/01/1999; in werking zie art 18
  • Date of effect: 01/01/1999; in werking zie art 18
  • Date of end of validity: 31/12/9999
Miscellaneous information
  • Author: Raad van de Europese Unie
  • Form: Verordening
  • Additional information: CNS 92048
Procedure
Relationship between documents
Text

2.8.1997   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 209/6


VERORDENING (EG) Nr. 1467/97 VAN DE RAAD

van 7 juli 1997

over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 104 C, lid 14, tweede alinea,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Europees Parlement (2),

Gezien het advies van het Europees Monetair Instituut,

(1)

Overwegende dat het noodzakelijk is de procedure bij buitensporige tekorten van artikel 104 C van het Verdrag te bespoedigen en te verduidelijken teneinde buitensporige tekorten van de algemene overheid te voorkomen en, indien dergelijke tekorten zich voordoen, de spoedige correctie ervan te bevorderen; dat de bepalingen van deze verordening, die met het oog hierop worden aangenomen krachtens artikel 104 C, lid 14, tweede alinea, tezamen met de bepalingen van Protocol nr. 5 bij het Verdrag een nieuw, geïntegreerd geheel van regels vormen voor de toepassing van artikel 104 C;

(2)

Overwegende dat het stabiliteits- en groeipact uitgaat van gezonde overheidsfinanciën als middel ter versterking van de voorwaarden voor prijsstabiliteit en voor een sterke duurzame groei die bevorderlijk is voor het scheppen van werkgelegenheid;

(3)

Overwegende dat het stabiliteits- en groeipact, bestaat uit deze verordening, uit Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad (3), die strekt tot versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid en uit de resolutie van de Europese Raad van 17 juni 1997 betreffende het stabiliteits- en groeipact (4), waarin, overeenkomstig artikel D van het Verdrag betreffende de Europese Unie, krachtige politieke beleidslijnen worden gegeven om het pact voor stabiliteit en groei strikt en tijdig ten uitvoer te leggen en inzonderheid om de middellangetermijndoelstelling in acht te nemen van begrotingssituaties die vrijwel in evenwicht zijn dan wel een overschot vertonen, iets waartoe alle lidstaten zich hebben verbonden, en om, steeds wanneer informatie beschikbaar is betreffende daadwerkelijke of verwachte aanzienlijke afwijkingen van de begrotingsdoelstelling op middellange termijn, de corrigerende budgettaire maatregelen te treffen die de lidstaten nodig achten om de doelstellingen van hun stabiliteits- en convergentieprogramma's te bereiken;

(4)

Overwegende dat op de lidstaten volgens artikel 104 C van het Verdrag in de derde fase van de Economische en Monetaire Unie (EMU) een duidelijke, uit het Verdrag voortvloeiende verplichting rust om buitensporige overheidstekorten te vermijden; dat krachtens punt 5 van Protocol nr. 11 bij het Verdrag, de leden 1, 9 en 11 van artikel 104 C, niet van toepassing zijn op het Verenigd Koninkrijk tenzij dit land overgaat naar de derde fase; dat de verplichting uit hoofde van artikel 109 E, lid 4, om te streven naar het vermijden van buitensporige overheidstekorten van toepassing blijft op het Verenigd Koninkrijk;

(5)

Overwegende dat Denemarken, verwijzend naar punt 1 van Protocol nr. 12 bij het Verdrag, in het kader van het besluit van Edinburgh van 12 december 1992 te kennen heeft gegeven dat het niet zal deelnemen aan de derde fase; dat dientengevolge in overeenstemming met punt 2 van voornoemd protocol, de leden 9 en 11 van artikel 104 C, niet van toepassing zijn op Denemarken;

(6)

Overwegende dat de lidstaten in de derde fase van de EMU verantwoordelijk blijven voor hun nationale begrotingsbeleid, met inachtneming van de bepalingen van het Verdrag; dat de lidstaten de noodzakelijke maatregelen zullen nemen om hun verantwoordelijkheden na te komen in overeenstemming met de bepalingen van het Verdrag;

(7)

Overwegende dat inachtneming van de doelstelling om op middellange termijn te komen tot begrotingssituaties die vrijwel in evenwicht zijn dan wel een overschot vertonen, waartoe alle lidstaten zich hebben verbonden, bijdraagt tot het creëren van passende voorwaarden voor prijsstabiliteit en duurzame groei die leiden tot het scheppen van werkgelegenheid in alle lidstaten en hen in staat zal stellen normale conjunctuurschommelingen te ondervangen en het begrotingstekort toch binnen de referentiewaarde van 3 % van het BBP te houden;

(8)

Overwegende dat het voor een goed functioneren van de EMU noodzakelijk is dat de convergentie van economische en begrotingsprestaties van de lidstaten die de gezamenlijke munt hebben aangenomen, hierna „deelnemende lidstaten” te noemen, stabiel en duurzaam blijkt te zijn; dat begrotingsdiscipline in de derde fase van de EMU noodzakelijk is teneinde prijsstabiliteit te waarborgen;

(9)

Overwegende dat volgens artikel 109 K, lid 3, artikel 104 C, leden 9 en 11, uitsluitend van toepassing is op deelnemende lidstaten;

(10)

Overwegende dat het begrip uitzonderlijke en tijdelijke overschrijding van de referentiewaarde als bedoeld in artikel 104 C, lid 2, onder a), moet worden gedefinieerd; dat de Raad in dit verband onder andere rekening moet houden met de meerjarige begrotingsramingen van de Commissie;

(11)

Overwegende dat in een Commissieverslag overeenkomstig artikel 104 C, lid 3, tevens aandacht zal worden besteed aan de vraag of het begrotingstekort meer bedraagt dan de investeringsuitgaven van de overheid, en aan alle andere relevante factoren, inclusief de economische en begrotingssituatie van de lidstaat op middellange termijn;

(12)

Overwegende dat er termijnen moeten worden gesteld voor de toepassing van de procedure bij buitensporige tekorten teneinde te waarborgen dat deze snel en effectief wordt toegepast; dat in dit verband rekening moet worden gehouden met het feit dat het begrotingsjaar van het Verenigd Koninkrijk niet samenvalt met het kalenderjaar;

(13)

Overwegende dat moet worden gespecificeerd hoe de in artikel 104 C van het Verdrag omschreven sancties kunnen worden opgelegd teneinde de effectieve toepassing van de procedure bij buitensporige tekorten te waarborgen;

(14)

Overwegende dat het versterkte toezicht krachtens Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad tezamen met het toezicht door de Commissie op begrotingssituaties in overeenstemming met lid 2 van artikel 104 C, de effectieve en snelle toepassing van de procedure bij buitensporige tekorten moet vergemakkelijken;

(15)

Overwegende dat, indien een deelnemende lidstaat nalaat effectieve maatregelen te treffen om een buitensporig tekort te corrigeren, een totale termijn van ten hoogste tien maanden tussen de datum waarop de gegevens zijn verstrekt die het bestaan van een buitensporig tekort aangeven en de datum waarop, in voorkomend geval, het besluit wordt genomen om sancties op te leggen, in het licht van het voorgaande het haalbaar en passend lijkt om druk uit te oefenen op de deelnemende lidstaat in kwestie om dergelijke maatregelen te treffen; dat indien een dergelijke situatie zich voordoet en de procedure in maart begint, dit ertoe zou leiden dat sancties worden opgelegd binnen het kalenderjaar waarin de procedure is begonnen;

(16)

Overwegende dat de betrokken lidstaat de aanbeveling van de Raad om een buitensporig tekort te corrigeren of de daaropvolgende stappen in de procedure bij buitensporige tekorten had moeten voorkomen omdat de lidstaat vroegtijdig wordt gewaarschuwd; dat de ernst van een buitensporig tekort in de derde fase noopt tot urgent handelen vanwege alle betrokkenen;

(17)

Overwegende dat de procedure bij buitensporige tekorten moet worden opgeschort indien de betrokken lidstaat passende maatregelen neemt als antwoord op een aanbeveling krachtens artikel 104 C, lid 7, of een aanmaning krachtens artikel 104 C, lid 9, teneinde de lidstaten een prikkel te geven dienovereenkomstig te handelen; dat de periode gedurende dewelke de procedure wordt opgeschort niet wordt meegerekend voor de vaststelling van de maximumtermijn van tien maanden tussen de datum waarop het bestaan van een buitensporig tekort wordt aangemeld en de datum waarop de sancties worden opgelegd; dat de procedure onmiddellijk dient te worden hervat als de beoogde maatregelen niet ten uitvoer worden gelegd of ontoereikend blijken te zijn;

(18)

Overwegende dat wanneer de Raad besluit een sanctie op te leggen, van de betrokken deelnemende lidstaat een renteloos deposito van een passende omvang moet worden verlangd om ervoor te zorgen dat de procedure bij buitensporige tekorten een voldoende afschrikkende werking heeft;

(19)

Overwegende dat het vaststellen van sancties van een voorgeschreven omvang de rechtszekerheid ten goede komt; dat het passend is het bedrag van het deposito te relateren aan het BBP van de betrokken deelnemende lidstaat;

(20)

Overwegende dat wanneer het opleggen van een renteloos deposito de betrokken deelnemende lidstaat er niet toe brengt binnen een redelijke tijd zijn buitensporige tekort te corrigeren, aanscherping van de sanctie passend is; dat het in dat geval passend is het deposito om te zetten in een boete;

(21)

Overwegende dat passende maatregelen van de kant van de deelnemende lidstaat in kwestie met het oog op het corrigeren van zijn buitensporig tekort, de eerste stap zijn naar het opheffen van de sancties; dat aanzienlijke vooruitgang bij het corrigeren van het buitensporige tekort het mogelijk moet maken overeenkomstig artikel 104 C, lid 12, de sancties op te heffen; dat alle resterende sancties pas kunnen worden opgeheven nadat het buitensporige tekort volledig is gecorrigeerd;

(22)

Overwegende dat in Verordening (EG) nr. 3605/93 van de Raad van 22 november 1993 betreffende de toepassing van het aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte Protocol nr. 5 betreffende de procedure bij buitensporige tekorten (5) nauwkeurige regels zijn neergelegd voor het verstrekken van begrotingsgegevens door de lidstaten;

(23)

Overwegende dat overeenkomstig artikel 109 F, lid 8, in de gevallen waarin het Verdrag voorziet in een raadgevende rol van de Europese Centrale Bank (ECB), verwijzingen naar de ECB vóór de oprichting van de ECB worden gelezen als verwijzingen naar het Europees Monetair Instituut,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

AFDELING 1

DEFINITIES EN EVALUATIES

Artikel 1

1.   In deze verordening zijn bepalingen vervat ter bespoediging en verduidelijking van de procedure bij buitensporige tekorten, die tot doel heeft buitensporige tekorten van de algemene overheid te ontmoedigen en, als zulke tekorten optreden, deze spoedig te corrigeren.

2.   Voor de toepassing van deze verordening wordt onder „deelnemende lidstaten” de lidstaten verstaan die de ene munt overeenkomstig het Verdrag aannemen en onder „niet-deelnemende lidstaten” de lidstaten die de ene munt niet hebben aangenomen.

Artikel 2

1.   Wanneer een overheidstekort de referentiewaarde overschrijdt, wordt dit overeenkomstig artikel 104 C, lid 2, onder a), tweede streepje, beschouwd als van uitzonderlijke en tijdelijke aard, indien de overschrijding wordt veroorzaakt door een ongewone gebeurtenis die buiten de macht van de betrokken lidstaat valt en die een aanzienlijk effect heeft op de financiële positie van de algemene overheid, of indien zij wordt veroorzaakt door een ernstige economische neergang.

Voorts wordt de overschrijding van de referentiewaarde geacht van tijdelijke aard te zijn indien de begrotingsprognoses van de Commissie aangeven dat het tekort na de ongewone gebeurtenis of de ernstige economische neergang onder de referentiewaarde zal dalen.

2.   Bij de opstelling van een verslag op grond van artikel 104 C, lid 3, merkt de Commissie in de regel een overschrijding van de referentiewaarde die het gevolg is van een economische neergang, alleen dan als uitzonderlijk aan, indien het reële BBP op jaarbasis met ten minste 2 % gedaald is.

3.   Wanneer de Raad overeenkomstig artikel 104 C, lid 6, besluit of er al dan niet een buitensporig tekort bestaat, houdt hij in zijn algehele evaluatie rekening met eventuele opmerkingen van de betrokken lidstaat blijkens welke een daling van het reële BBP met minder dan 2 % op jaarbasis toch uitzonderlijk is in het licht van verdere ondersteunende informatie, met name ten aanzien van het abrupte karakter van de neergang of het gecumuleerde productieverlies in vergelijking met de trend in het verleden.

AFDELING 2

BESPOEDIGING VAN DE PROCEDURE BIJ BUITENSPORIGE TEKORTEN

Artikel 3

1.   Binnen twee weken nadat de Commissie een overeenkomstig artikel 104 C, lid 3, opgesteld verslag heeft aangenomen, brengt het Economisch en Financieel Comité overeenkomstig artikel 104 C, lid 4, advies uit.

2.   Indien de Commissie, ten volle rekening houdend met het in lid 1 bedoelde advies, van mening is dat er een buitensporig tekort bestaat, richt zij een advies en een aanbeveling voor een besluit tot de Raad.

3.   Binnen drie maanden na de in artikel 4, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 3605/93 bepaalde termijnen voor het verstrekken van gegevens besluit de Raad overeenkomstig artikel 104 C, lid 6, of er al dan niet een buitensporig tekort bestaat. Wanneer de Raad overeenkomstig artikel 104 C, lid 6, besluit dat er een buitensporig tekort bestaat, richt hij terzelfder tijd overeenkomstig artikel 104 C, lid 7, aanbevelingen tot de betrokken lidstaat.

4.   In de aanbeveling van de Raad overeenkomstig artikel 104 C, lid 7, wordt een termijn van ten hoogste vier maanden bepaald waarbinnen de betrokken lidstaat daaraan effectief gevolg moet geven, en wordt een termijn bepaald voor het corrigeren van het buitensporige tekort, dat behoudens bijzondere omstandigheden binnen het jaar nadat het is geconstateerd verholpen moet zijn.

Artikel 4

1.   Een eventueel besluit van de Raad tot openbaarmaking van zijn aanbevelingen, wanneer wordt vastgesteld dat daaraan geen effectief gevolg is gegeven overeenkomstig artikel 104 C, lid 8, wordt genomen onmiddellijk na het verstrijken van de in artikel 3, lid 4, van deze verordening gestelde termijn.

2.   Om te beoordelen of aan zijn aanbevelingen overeenkomstig artikel 104 C, lid 7, effectief gevolg is gegeven, baseert de Raad zich op openbaargemaakte besluiten van de regering van de betrokken lidstaat.

Artikel 5

Een besluit van de Raad overeenkomstig artikel 104 C, lid 9, om de betrokken deelnemende lidstaat aan te manen maatregelen te treffen om het tekort te verminderen, wordt genomen binnen een maand nadat de Raad overeenkomstig artikel 104 C, lid 8, heeft vastgesteld dat geen effectief gevolg aan zijn aanbevelingen is gegeven.

Artikel 6

Wanneer aan de voorwaarden voor de toepassing van artikel 104 C, lid 11, is voldaan, legt de Raad overeenkomstig artikel 104 C, lid 11, sancties op. Een dergelijk besluit wordt genomen uiterlijk twee maanden na het besluit van de Raad om overeenkomstig artikel 104 C, lid 9, de betrokken deelnemende lidstaat aan te manen maatregelen te treffen.

Artikel 7

Als een deelnemende lidstaat zich niet voegt naar de opeenvolgende besluiten van de Raad op grond van artikel 104 C, leden 7 en 9, wordt het besluit van de Raad om sancties op te leggen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 104 C, lid 11, genomen binnen tien maanden na de overeenkomstig Verordening (EG) nr. 3605/93 bepaalde data voor het verstrekken van gegevens, zoals omschreven in artikel 3, lid 3, van deze verordening. In geval van een opzettelijk tekort, waarvan de Raad besluit dat het buitensporig is, wordt een spoedprocedure gevolgd.

Artikel 8

Een besluit van de Raad om de sancties aan te scherpen, overeenkomstig artikel 104 C, lid 11, afgezien van het omzetten van de deposito's in geldboetes overeenkomstig artikel 14 van deze verordening, wordt genomen uiterlijk twee maanden na de in Verordening (EG) nr. 3605/93 bepaalde termijnen voor het verstrekken van gegevens. Een besluit van de Raad om al zijn besluiten of sommige daarvan overeenkomstig artikel 104 C, lid 12, in te trekken, wordt zo spoedig mogelijk genomen en in ieder geval uiterlijk twee maanden na de in Verordening (EG) nr. 3605/93 vastgestelde termijnen voor het verstrekken van gegevens.

AFDELING 3

OPSCHORTING EN OPVOLGING

Artikel 9

1.   De procedure bij buitensporige tekorten wordt opgeschort:

indien de betrokken lidstaat gevolg geeft aan de aanbevelingen op grond van artikel 104 C, lid 7,

indien de betrokken deelnemende lidstaat gevolg geeft aan de aanmaningen op grond van artikel 104 C, lid 9.

2.   De periode gedurende welke de procedure is opgeschort, wordt niet meegerekend bij de in artikel 7 bedoelde periode van tien maanden en evenmin bij de in artikel 6 van deze verordening bedoelde periode van twee maanden.

Artikel 10

1.   De Commissie en de Raad volgen de tenuitvoerlegging van de maatregelen:

die de betrokken lidstaat naar aanleiding van de aanbevelingen op grond van artikel 104 C, lid 7, neemt,

die de betrokken deelnemende lidstaat naar aanleiding van de aanmaningen op grond van artikel 104 C, lid 9, neemt.

2.   Indien de maatregelen niet door een deelnemende lidstaat ten uitvoer worden gelegd of naar het oordeel van de Raad ontoereikend zijn, neemt de Raad onmiddellijk een besluit op grond van artikel 104 C, lid 9, respectievelijk artikel 104 C, lid 11.

3.   Indien uit feitelijke gegevens als bedoeld in Verordening (EG) nr. 3605/93 blijkt dat een deelnemende lidstaat een buitensporig tekort niet heeft gecorrigeerd binnen de termijnen die in aanbevelingen op grond van artikel 104 C, lid 7, of aanmaningen op grond van artikel 104 C, lid 9, gesteld zijn, neemt de Raad onmiddellijk een besluit op grond van artikel 104 C, lid 9, respectievelijk artikel 104 C, lid 11.

AFDELING 4

SANCTIES

Artikel 11

Telkens wanneer de Raad overeenkomstig artikel 104 C, lid 11, besluit sancties aan een deelnemende lidstaat op te leggen, wordt in de regel een niet-rentedragend deposito verlangd. De Raad kan besluiten om naast dit deposito de maatregelen te nemen als bepaald in artikel 104 C, lid 11, eerste en tweede streepje.

Artikel 12

1.   Indien het buitensporige tekort te wijten is aan niet-naleving van het criterium met betrekking tot de in artikel 104 C, lid 2, onder a), bedoelde overheidstekortquote, bestaat het bedrag van het eerste deposito uit een vast bestanddeel, gelijk aan 0,2 % van het BBP, en een variabel bestanddeel, gelijk aan een tiende van het verschil tussen het als percentage van het BBP uitgedrukte tekort in het voorgaande jaar en de referentiewaarde van 3 % van het BBP.

2.   Elk daaropvolgend jaar, totdat het besluit omtrent het bestaan van een buitensporig tekort wordt ingetrokken, beoordeelt de Raad of de betrokken deelnemende lidstaat effectieve maatregelen heeft genomen naar aanleiding van de aanmaning van de Raad op grond van artikel 104 C, lid 9. In deze jaarlijkse evaluatie besluit de Raad overeenkomstig artikel 104 C, lid 11, en onverminderd artikel 13 van deze verordening de sancties aan te scherpen tenzij de betrokken deelnemende lidstaat gevolg heeft gegeven aan de aanmaning van de Raad. Indien tot een aanvullend deposito wordt besloten, is dat gelijk aan een tiende van het verschil tussen het als percentage van het BBP uitgedrukte tekort in het voorgaande jaar en de referentiewaarde van 3 % van het BBP.

3.   Eén deposito als bedoeld in de leden 1 en 2 mag niet meer bedragen dan 0,5 % van het BBP.

Artikel 13

Een deposito wordt in de regel overeenkomstig artikel 104 C, lid 11, door de Raad omgezet in een boete indien twee jaar na het besluit om een deposito van de betrokken deelnemende lidstaat te eisen, het buitensporige tekort naar het oordeel van de Raad niet is gecorrigeerd.

Artikel 14

Overeenkomstig artikel 104 C, lid 12, trekt de Raad de in het eerste en het tweede streepje van artikel 104 C, lid 11, bedoelde sancties in, afhankelijk van de mate waarin de betrokken deelnemende lidstaat erin geslaagd is het buitensporige tekort te corrigeren.

Artikel 15

Indien het besluit dat er een buitensporig tekort bestaat, wordt ingetrokken, trekt de Raad, overeenkomstig artikel 104 C, lid 12, alle nog resterende sancties in. Boetes die overeenkomstig artikel 13 van deze verordening zijn opgelegd worden niet aan de betrokken deelnemende lidstaat terugbetaald.

Artikel 16

Deposito's als bedoeld in de artikelen 11 en 12 van deze verordening worden ondergebracht bij de Commissie. De rente over de deposito's en de in artikel 13 van deze verordening bedoelde boeten vormen andere ontvangsten als bedoeld in artikel 201 van het Verdrag en worden onder de deelnemende lidstaten die geen buitensporig tekort hebben in de zin van artikel 104 C, lid 6, verdeeld naar rato van hun aandeel in het totale BNP van de in aanmerking komende lidstaten.

AFDELING 5

OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 17

Voor de toepassing van deze verordening en zolang het Verenigd Koninkrijk een begrotingsjaar heeft dat geen kalenderjaar is, worden de bepalingen van de afdelingen 2, 3 en 4 van deze verordening overeenkomstig de bijlage op het Verenigd Koninkrijk toegepast.

Artikel 18

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 1999.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 juli 1997.

Voor de Raad

De Voorzitter

J.-C. JUNCKER


(1)  PB nr. C 368 van 6. 12. 1996, blz. 12.

(2)  PB nr. C 380 van 16. 12. 1996, blz. 29.

(3)  Zie bladzijde 1 van dit Publicatieblad.

(4)  PB nr. C 236 van 2. 8. 1997, blz. 1.

(5)  PB nr. L 332 van 31. 12. 1993, blz. 7.


BIJLAGE

TIJDSLIMIETEN DIE GELDEN VOOR HET VERENIGD KONINKRIJK

1.

Om een gelijke behandeling van alle lidstaten te waarborgen houdt de Raad bij het nemen van besluiten uit hoofde van de afdelingen 2, 3 en 4 van deze verordening op zodanige wijze rekening met het afwijkende begrotingsjaar van het Verenigd Koninkrijk, dat de besluiten met betrekking tot het Verenigd Koninkrijk worden genomen op een tijdstip in het begrotingsjaar dat aansluit bij het tijdstip waarop de besluiten met betrekking tot de andere lidstaten genomen zijn of zullen worden.

2.

De bepalingen in kolom I worden vervangen door de bepalingen in kolom II.

Kolom I

Kolom II

„drie maanden na de in artikel 4, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 3605/93 van de Raad bepaalde termijnen”

(artikel 3, lid 3)

„vijf maanden na afloop van het begrotingsjaar waarin het tekort optrad”

„het jaar nadat het is geconstateerd”

(artikel 3, lid 4)

„het begrotingsjaar nadat het is geconstateerd”

„tien maanden na de overeenkomstig Verordening (EG) nr. 3605/93 van de Raad bepaalde data voor het verstrekken van gegevens zoals omschreven in artikel 3, lid 3, van deze verordening”

(artikel 7)

„twaalf maanden na afloop van het begrotingsjaar waarin het tekort optrad”

„het voorgaande jaar”

(artikel 12, lid 1)

„het voorgaande begrotingsjaar”


Top