Grounds
|
|
Background to the dispute
|
Voorgeschiedenis van het geding
|
|
1. The applicant, Coats Holdings Ltd (‘Coats’), is a leading manufacturer and supplier of industrial sewing and embroidery threads and the world’s second largest supplier of zip fasteners after the YKK group. It produces a full range of lightweight polyester, nylon, metal and moulded zips. In 1988 it acquired Opti, and since that acquisition, it has used the name of that company as a brand for zip fasteners. After 1988 the ‘zip fastener’ business of Coats was renamed Coats Opti.
|
1. Verzoekster, Coats Holdings Ltd (hierna: „Coats”), is een van de voornaamste fabrikanten en leveranciers van industrieel naai- en borduurgaren en de tweede grootste leverancier van ritssluitingen ter wereld, na de groep YKK. Zij produceert een volledig assortiment ritssluitingen van licht polyester en nylon, alsook metalen en gegoten ritssluitingen. In 1988 heeft zij de vennootschap Opti overgenomen en sindsdien heeft zij de naam van deze vennootschap als merk voor ritssluitingen gebruikt. Na 1988 is de afdeling „ritssluitingen” van Coats omgedoopt tot Coats Opti.
|
|
2. The fastener manufacturing sector can be divided into two main categories: (i) zip fasteners; and (ii) ‘other fasteners’, consisting of different types of press buttons/snap buttons/press fasteners, clamp fasteners, hooks, eyelets, jeans buttons, rivets and accessories in metal and plastic for the leather and garments industries.
|
2. De sector van de kledingsluitingen kan in twee grote categorieën worden onderverdeeld, namelijk ritssluitingen en „overige sluitingen”, die verschillende soorten drukknopen/snapknopen/druksluitingen omvatten, alsook klemsluitingen, haken, oogjes, jeansknopen, klinknagels en accessoires in metaal en kunststof die bestemd zijn voor de leder- en de kledingsector.
|
|
3. On 7 and 8 November 2001 the Commission of the European Communities (now the European Commission) carried out investigations pursuant to Article 14(3) of Council Regulation No 17 of 6 February 1962, First Regulation implementing Articles [81] EC and [82] EC (OJ English Special Edition 1952 1962, p. 87) at the premises of several Community producers of hard haberdashery, other haberdashery and thread (including Entaco Ltd, Coats plc and William Prym GmbH & Co. KG), and also at the premises of the Fachverband Verbindungs- und Befestigungstechnik (‘VBT’).
|
3. Op 7 en 8 november 2001 heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 14, lid 3, van verordening nr. 17 van de Raad, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen [81 EG] en [82 EG] (PB 1962, 13, blz. 204), verificaties verricht in de kantoren van verschillende communautaire producenten van harde fournituren, andere fournituren en garen (waaronder Entaco Ltd, Coats plc en William Prym GmbH & Co. KG), alsook bij Fachverband Verbindungs- und Befestigungstechnik (hierna: „VBT”).
|
|
4. On 26 November 2001 the Prym group and the Coats group, relying on the Commission Notice on the non-imposition or reduction of fines in cartel cases (OJ 1996 C 207, p. 4) (‘the 1996 Leniency Notice’), applied for leniency in relation to the zip fastener sector.
|
4. Op 26 november 2001 hebben de Prym-groep en de Coats-groep op grond van de mededeling van de Commissie betreffende het niet opleggen of verminderen van geldboeten in zaken betreffende mededingingsregelingen (PB 1996, C 207, blz. 4; hierna: „mededeling inzake medewerking van 1996”), verzocht om de clementieregeling toe te passen op de sector van de ritssluitingen.
|
|
5. By letter of 22 February 2002 Coats supplied certain information to the Commission.
|
5. Bij brief van 22 februari 2002 heeft Coats bepaalde informatie aan de Commissie verstrekt.
|
|
6. On 8 August 2003 Stocko (now YKK Stocko Fasteners), relying on the Commission Notice on immunity from fines and reduction of fines in cartel cases (OJ 2002 C 45, p. 3) (‘the 2002 Leniency Notice’), applied for leniency in relation to ‘other fasteners’.
|
6. Op 8 augustus 2003 heeft Stocko (thans YKK Stocko Fasteners), op grond van de mededeling van de Commissie betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2002, C 45, blz. 3; hierna: „mededeling inzake medewerking van 2002”), een verzoek met betrekking tot „overige sluitingen” ingediend.
|
|
7. The Commission subsequently sent several requests for information under Article 11 of Regulation No 17 to a number of parties concerned.
|
7. Daarop heeft de Commissie op grond van artikel 11 van verordening nr. 17 verschillende verzoeken om inlichtingen gericht aan een aantal betrokken partijen.
|
|
8. On 16 September 2004 the Commission addressed a statement of objections (‘the statement of objections’) concerning ‘other fasteners’, attaching machines and zip fasteners to Prym Fashion, William Prym, Éclair Prym, Fiocchi Prym, Fiocchi Snaps France, YKK Stocko Fasteners, YKK Holding Europe, YKK Corp., Coats, A. Raymond, Berning & Söhne, Berning France, Scovill Fasteners Europe (formerly Unifast), Scovill Fasteners and VBT.
|
8. Op 16 september 2004 heeft de Commissie een mededeling van punten van bezwaar (hierna: „mededeling van punten van bezwaar”) betreffende „overige sluitingen”, aanzetmachines en ritssluitingen gericht aan de vennootschappen Prym Fashion, William Prym, Éclair Prym, Fiocchi Prym, Fiocchi Snaps France, YKK Stocko Fasteners, YKK Holding Europe, YKK Corp., Coats, A. Raymond, Berning & Söhne, Berning France, Scovill Fasteners Europe (voorheen Unifast), Scovill Fasteners en VBT.
|
|
9. Those undertakings and the association in question had access to the Commission’s investigation file in the form of a CD-ROM copy, which was sent to them on 1 October 2004.
|
9. Deze ondernemingen en de betrokken vereniging kregen via een hun op 1 oktober 2004 toegezonden kopie op cd-rom toegang tot het onderzoeksdossier van de Commissie.
|
|
10. On 12 November 2004 the Prym group, relying on the 2002 Leniency Notice, submitted an application for immunity or, in the alternative, a reduction in the amount of the fines relating to ‘other fasteners’.
|
10. Op 12 november 2004 heeft de Prym-groep op grond van de mededeling inzake medewerking van 2002 een immuniteitsverzoek of, subsidiair, een verzoek tot verlaging van de geldboeten voor „overige sluitingen” ingediend.
|
|
11. By fax of 18 November 2004 the Prym group submitted a supplement to its application. By e-mails of 3, 4 and 11 January 2005 respectively the Prym group sent further information to the Commission. By e-mail of 27 January 2005 the Prym group sent an additional application for leniency pursuant to the 2002 Leniency Notice.
|
11. Bij faxbericht van 18 november 2004 heeft de Prym-groep haar verzoek aangevuld. Bij e-mails van 3, 4 en 11 januari 2005 heeft zij de Commissie aanvullende informatie bezorgd. Bij e-mail van 27 januari 2005 heeft zij een verzoek ingediend op grond van de mededeling inzake medewerking van 2002.
|
|
12. On 18 February 2005 the YKK group, relying on the 2002 Leniency Notice, submitted an application for a reduction in the amount of the fines relating to ‘other fasteners’.
|
12. Op 18 februari 2005 heeft de YKK-groep op grond van de mededeling inzake medewerking van 2002 een verzoek tot verlaging van de geldboeten voor „overige sluitingen” ingediend.
|
|
13. On 25 February 2005 the YKK group supplemented that application.
|
13. Op 25 februari 2005 heeft de YKK-groep haar verzoek aangevuld.
|
|
14. The evidence provided in support of the applications submitted by the Prym group and the YKK group pursuant to the 2002 Leniency Notice, enabled the Commission to send, on 7 March 2006, a supplementary statement of objections (‘the supplementary statement of objections’).
|
14. Op basis van de bewijzen die de Prym-groep en de YKK-groep hebben aangevoerd ter ondersteuning van de verzoeken die zij op grond van de mededeling inzake medewerking van 2002 hebben ingediend, heeft de Commissie op 7 maart 2006 een aanvullende mededeling van punten van bezwaar tot de betrokken vennootschappen gericht (hierna: „aanvullende mededeling van punten van bezwaar”).
|
|
15. That supplementary statement of objections relating to ‘other fasteners’, attaching machines and zip fasteners was addressed to A. Raymond, Berning & Söhne and Berning France, Coats and Coats Deutschland, Éclair Prym, Prym Fashion, Fiocchi Prym, Scovill Fasteners Europe, Scovill Fasteners, William Prym, YKK Corp., YKK Holding Europe, YKK Stocko Fasteners, and VBT. The CD-ROM containing the Commission’s file was sent to the parties on 13 March 2006.
|
15. De aanvullende mededeling van punten van bezwaar, die betrekking had op „overige sluitingen”, aanzetmachines en ritssluitingen, was gericht tot de vennootschappen A. Raymond, Berning & Söhne en Berning France, Coats en Coats Deutschland, Éclair Prym, Prym Fashion, Fiocchi Prym, Scovill Fasteners Europe, Scovill Fasteners, William Prym, YKK Corp., YKK Holding Europe en YKK Stocko Fasteners, alsook tot VBT. Op 13 maart 2006 heeft de Commissie de cd-rom met de stukken aan de partijen toegezonden.
|
|
16. The supplementary statement of objections covered the same products as the statement of objections and, where necessary, corrected, refined, consolidated and widened the objections identified in that statement of objections. In the supplementary statement of objections the Commission did not systematically mention all the infringements defined in the statement of objections, notably when there had been no change in relation to those infringements following the applications made pursuant to the 2002 Leniency Notice.
|
16. De aanvullende mededeling van punten van bezwaar had betrekking op dezelfde producten als de mededeling van punten van bezwaar. Waar nodig, werden de daarin geformuleerde punten van bezwaar gecorrigeerd, toegelicht, samengevat en aangevuld. In de aanvullende mededeling van punten van bezwaar heeft de Commissie niet stelselmatig alle in de mededeling van punten van bezwaar genoemde inbreuken vermeld, met name niet wanneer geen wijzigingen met betrekking tot deze inbreuken te noteren vielen naar aanleiding van de verzoeken die op grond van de mededeling inzake medewerking van 2002 waren ingediend.
|
|
17. A hearing took place on 11 July 2006.
|
17. Op 11 juli 2006 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.
|
|
18. After consulting the Advisory Committee on Restrictive Practices and Monopolies and in the light of the final report of the hearing officer, the Commission adopted on 19 September 2007 Decision C (2007) 4257 final relating to a proceeding pursuant to Article 81 [EC] (Case COMP/39.168 – PO/Hard Haberdashery: Fasteners) (‘the contested decision’), a summary of which was published in the Official Journal of the European Union of 26 February 2009 (OJ 2009 C 47, p. 8).
|
18. Na raadpleging van het Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities en gezien het eindverslag van de raadadviseur-auditeur stelde de Commissie op 19 september 2007 beschikking C(2007) 4257 def. inzake een procedure op grond van artikel 81 [EG] (zaak COMP/39.168 – PO/Harde fournituren: kledingsluitingen) (hierna: „bestreden beschikking”) vast, waarvan een samenvatting is gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie van 26 februari 2009 (PB C 47, blz. 8).
|
|
19. Pursuant to Article 1(3) of the operative part of the contested decision, in respect of the cooperation between, first, YKK Holding and YKK Europe Ltd, second, Coats Holdings and Coats Deutschland and, third, Prym Fashion and Éclair Prym Group on the zip fasteners market (‘the tripartite cooperation between the YKK, Coats and Prym groups’), in particular the following undertakings were considered to have infringed Article 81 EC, for the periods indicated, by exchanging price information, by discussing prices and price increases between themselves, and by agreeing on a methodology to fix minimum prices for standard products on the European market:
|
19. Wat de samenwerking tussen, ten eerste, YKK Holding en YKK Europe Ltd, ten tweede, Coats Holdings en Coats Deutschland en, ten derde, Prym Fashion en Éclair Prym Group op de markt voor ritssluitingen betreft (hierna: „trilaterale samenwerking tussen de YKK-groep, de Coats-groep en de Prym-groep”), hebben volgens artikel 1, lid 3, van de bestreden beschikking met name de volgende ondernemingen tijdens de aangegeven perioden inbreuk gemaakt op artikel 81 EG door prijsgegevens uit te wisselen, onderling overleg te voeren over prijzen en prijsverhogingen, en een methode af te spreken voor de vaststelling van minimumprijzen voor standaardproducten op de Europese markt:
|
|
– Coats Holdings, from 28 April 1998 to 12 November 1999;
|
– Coats Holdings: van 28 april 1998 tot 12 november 1999;
|
|
– Coats Deutschland, from 28 April 1998 to 12 November 1999.
|
– Coats Deutschland: van 28 april 1998 tot 12 november 1999.
|
|
20. Pursuant to Article 1(4) of the contested decision, in respect of the bilateral cooperation between Coats Holdings and William Prym/Prym Fashion on the ‘other fasteners’ and zip fasteners markets (‘bilateral cooperation between the Coats and Prym groups’), the following undertaking was considered to have infringed Article 81 EC, for the periods indicated, by agreeing to share the haberdashery market with other undertakings by preventing the Coats Group from entering the European market for ‘other fasteners’:
|
20. Wat de bilaterale samenwerking tussen Coats Holdings en William Prym/Prym Fashion op de markten voor „overige sluitingen” en ritssluitingen betreft (hierna: „bilaterale samenwerking tussen de Coats-groep en de Prym-groep”), heeft volgens artikel 1, lid 4, van de bestreden beschikking de volgende onderneming tijdens de aangegeven perioden inbreuk gemaakt op artikel 81 EG door overeen te komen de markten voor fournituren met andere ondernemingen onderling te verdelen door de Coats-groep te beletten de Europese markt voor „overige sluitingen” te betreden:
|
|
– Coats Holdings, from 15 January 1977 to 15 July 1998.
|
– Coats Holdings: van 15 januari 1977 tot 15 juli 1998.
|
|
21. On the basis of the findings of fact and the legal assessments made in the contested decision, the Commission imposed on the undertakings concerned fines calculated pursuant to the method set out in the Guidelines on the method of setting fines imposed pursuant to Article 15(2) of Regulation No 17 and Article 65(5) of the [CS] Treaty (OJ 1998 C 9, p. 3) (‘the Guidelines’) and the 1996 and 2002 Leniency Notices.
|
21. Op basis van de feitelijke vaststellingen en de juridische beoordeling in de bestreden beschikking heeft de Commissie de betrokken ondernemingen geldboeten opgelegd die zijn berekend volgens de methode die is uiteengezet in de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, [KS] worden opgelegd (PB 1998, C 9, blz. 3; hierna: „richtsnoeren”), alsook in de mededelingen inzake medewerking van 1996 en 2002.
|
|
22. The second indent of Article 2(3) of the contested decision provides for the imposition of the following fine for the tripartite cooperation between the YKK, Coats and Prym groups: Coats Holdings and Coats Deutschland, jointly and severally: EUR 12 155 000.
|
22. In artikel 2, lid 3, tweede streepje, van de bestreden beschikking wordt met name de volgende geldboete opgelegd voor de trilaterale samenwerking tussen de YKK-groep, de Coats-groep en de Prym-groep: Coats Holdings en Coats Deutschland, hoofdelijk aansprakelijk: 12 155 000 EUR.
|
|
23. The second indent of Article 2(4) of the contested decision provides for the imposition of the following fine for the bilateral cooperation between the Coats and Prym groups: Coats Holdings: EUR 110 250 000.
|
23. In artikel 2, lid 4, tweede streepje, van de bestreden beschikking wordt met name de volgende geldboete opgelegd voor de bilaterale samenwerking tussen de Coats-groep en de Prym-groep: Coats Holdings: 110 250 000 EUR.
|
|
24. In Article 4 of the contested decision, the undertakings listed in Article 1 are ordered to immediately bring to an end the infringements referred to in that article, in so far as they have not already done so, and to refrain from repeating any act or conduct described in Article 1, and from any act or conduct having the same or similar object or effect.
|
24. Artikel 4 van de bestreden beschikking gelast de in artikel 1 genoemde ondernemingen onverwijld een einde te maken aan de in dat artikel bedoelde inbreuken, voor zover zij dat nog niet hebben gedaan, en zich voortaan te onthouden van iedere in artikel 1 beschreven handeling of gedraging, alsmede van iedere maatregel die hetzelfde of een vergelijkbaar doel of gevolg heeft.
|
|
25. By Decision C (2011) 2070 final of 31 March 2011, the Commission decided, after evaluating the impact of the fines on the financial situation of one of the companies concerned, other than the applicant, and after examining the claim made by that company that it was not in a position to pay the fine, to reduce in part the initial amount of the fine imposed on it.
|
25. Bij beschikking C(2011) 2070 def. van 31 maart 2011 heeft de Commissie, na de weerslag van de geldboeten op de financiële situatie van een van de betrokken vennootschappen – niet verzoekster – te hebben geanalyseerd en het door haar aangevoerde onvermogen om de geldboete te betalen te hebben onderzocht, besloten om de aan deze vennootschap opgelegde geldboete te verlagen.
|
|
Procedure and forms of order sought by the parties
|
Procesverloop en conclusies van partijen
|
|
26. By application lodged at the Court Registry on 4 December 2007, the applicant brought the present action.
|
26. Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 4 december 2007, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.
|
|
27. Following a change in the composition of the Chambers of the Court, the Judge-Rapporteur was assigned to the Third Chamber, to which the present case was accordingly allocated.
|
27. Bij de wijziging van de samenstelling van de kamers van het Gerecht is de rechter-rapporteur toegevoegd aan de Derde kamer, waaraan de onderhavige zaak dan ook is toegewezen.
|
|
28. In the context of measures of organisation of procedure adopted on 7 February 2011, the Court invited the Commission to produce certain documents. The Commission complied with that request within the specified time limit.
|
28. Op 7 februari 2011 heeft het Gerecht bij wijze van maatregel tot organisatie van de procesgang de Commissie verzocht, bepaalde stukken over te leggen, waaraan de Commissie binnen de gestelde termijn heeft voldaan.
|
|
29. Upon hearing the report of the Judge-Rapporteur, the Court (Third Chamber) decided to open the oral procedure.
|
29. Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Derde kamer) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan.
|
|
30. By letter lodged at the Court Registry on 20 June 2011, the applicant made certain observations on the report for the hearing which had been sent to it on 14 April 2011, in relation to the importance of the case‑law regarding the burden and standard of proof.
|
30. Bij brief, geregistreerd ter griffie van het Gerecht op 20 juni 2011, heeft verzoekster bepaalde opmerkingen ingediend over het rapport ter terechtzitting dat haar op 14 april 2011 was toegezonden, meer bepaald over het belang van de rechtspraak betreffende de bewijslast en de omvang van het bewijs.
|
|
31. The parties presented oral argument and their answers to the questions put by the Court at the hearing on 7 July 2011.
|
31. Ter terechtzitting van 7 juli 2011 hebben partijen pleidooi gehouden en geantwoord op de vragen van het Gerecht.
|
|
32. The applicant claims that the Court should:
|
32. Verzoekster verzoekt het Gerecht:
|
|
– primarily, annul Article 1(4) and Article 2(4) of the contested decision in so far as they concern it;
|
– primair, de artikelen 1, lid 4, en 2, lid 4, van de bestreden beschikking nietig te verklaren, voor zover deze betrekking hebben op haar;
|
|
– in the alternative, annul or reduce the fine imposed on it in Article 2(4) of the contested decision;
|
– subsidiair, de bij artikel 2, lid 4, van de bestreden beschikking aan haar opgelegde geldboete in te trekken of te verlagen;
|
|
– order the Commission to pay the costs.
|
– de Commissie te verwijzen in de kosten.
|
|
33. The Commission contends that the Court should:
|
33. De Commissie verzoekt het Gerecht:
|
|
– dismiss the action in its entirety;
|
– het beroep in zijn geheel te verwerpen;
|
|
– order the applicant to pay the costs.
|
– verzoekster te verwijzen in de kosten.
|
|
Law
|
In rechte
|
|
34. In support of its action, which relates solely to the bilateral cooperation between the Coats and Prym groups, the applicant puts forward five pleas in law, alleging:
|
34. Ter ondersteuning van haar beroep, dat uitsluitend betrekking heeft op de bilaterale samenwerking tussen de Coats-groep en de Prym-groep, voert verzoekster vijf middelen aan:
|
|
– first, breach of the Commission’s obligation (i) to adduce evidence of the infringement and (ii) to comply with the standard of proof necessary in that regard;
|
– ten eerste, niet-nakoming door de Commissie van haar verplichting om de inbreuk te bewijzen en dienaangaande aan de geldende bewijsnorm te voldoen;
|
|
– second, infringement of Article 25(5) of Regulation No 1/2003;
|
– ten tweede, schending van artikel 25, lid 5, van verordening nr. 1/2003;
|
|
– thi rd, absence of proof of a single and continuous infringement;
|
– ten derde, ontbreken van bewijs voor het bestaan van één enkele voortdurende inbreuk;
|
|
– fourth, infringement of Article 6(3)(d) of the European Convention for the Protection of Human Rights and Fundamental Freedoms, signed at Rome on 4 November 1950 (‘the ECHR’); and
|
– ten vierde, schending van artikel 6, lid 3, sub d, van het Verdrag voor de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna: „EVRM”),
|
|
– fifth, incorrect application of the Guidelines.
|
– en, ten vijfde, onjuiste toepassing van de richtsnoeren.
|
|
The first plea, alleging a breach of the Commission’s obligation (i) to adduce evidence of the infringement and (ii) to comply with the standard of proof necessary in that regard
|
Eerste middel: niet-nakoming door de Commissie van haar verplichting om de inbreuk te bewijzen en dienaangaande aan de geldende bewijsnorm te voldoen
|
|
Arguments of the parties
|
Argumenten van partijen
|
|
35. The applicant maintains, in substance, that the Commission’s examination of all the evidence is vitiated by manifest errors of assessment such that the Commission has not discharged its obligation to prove that the Coats group was part of a bilateral market-sharing with the Prym group lasting from January 1977 to July 1998. The Commission did not observe the principles set forth by this Court in the judgment of 12 September 2007 in Case T‑36/05 Coats Holdings and Coats v Commission , not published in the ECR, paragraph 71 (‘judgment in Coats ’), concerning the burden of proof, namely that the Commission was required to adduce evidence in support of its ‘firm conviction’ that there has been an infringement and to interpret doubt in favour of the defendant.
|
35. Verzoekster is in wezen van mening dat de Commissie bij het onderzoek van al het bewijsmateriaal kennelijke beoordelingsfouten heeft gemaakt, zodat zij niet haar verplichting is nagekomen om te bewijzen dat de Coats-groep partij was bij een bilaterale overeenkomst tot verdeling van de markt met de Prym-groep die van januari 1977 tot juli 1998 heeft geduurd. De Commissie heeft de beginselen inzake de bewijslast die het Gerecht in zijn arrest van 12 september 2007, Coats Holdings en Coats/Commissie (T‑36/05, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie; hierna: „arrest Coats”, punt 71), heeft uiteengezet, niet in acht genomen, namelijk dat de Commissie bewijzen dient aan te voeren die de „vaste overtuiging” kunnen dragen dat een inbreuk heeft plaatsgevonden, en de verwerende partij het voordeel van de twijfel dient te verlenen.
|
|
36. The Commission contests the applicant’s arguments.
|
36. De Commissie betwist verzoeksters argumenten.
|
|
Findings of the Court
|
Beoordeling door het Gerecht
|
|
37. In so far as the parties are at odds as regards the division of the burden of proof between them and, more generally, as to whether the rules applicable to proof of an infringement of Article 81 EC and of the applicant’s participation in such an infringement have been complied with or not, it is first necessary to set out the law applicable in this area.
|
37. Aangezien de partijen het niet eens zijn over de vraag hoe de bewijslast tussen hen dient te worden verdeeld en, meer bepaald, over de vraag of de regels inzake de levering van het bewijs van een inbreuk op artikel 81 EG en van verzoeksters deelname aan een dergelijke inbreuk zijn nageleefd, dient vooraf het ter zake toepasselijke recht in herinnering te worden gebracht.
|
|
38. It is apparent from Article 2 of Council Regulation (EC) No 1/2003 of 16 December 2002 on the implementation of the rules on competition laid down in Articles 81 [EC] and 82 [EC] (OJ 2003 L 1, p. 1), and the settled case‑law regarding the application of Articles 81 EC and 82 EC, that, in the area of competition law, where there is a dispute as to the existence of an infringement, it is incumbent on the Commission to adduce evidence capable of demonstrating to the requisite legal standard the existence of circumstances constituting an infringement (Case C‑185/95 P Baustahlgewebe v Commission [1998] ECR I‑8417, paragraph 58; Joined Cases C‑2/01 P and C‑3/01 P BAI and Commission v Bayer [2004] ECR I‑23, paragraph 62; and Case T‑201/04 Microsoft v Commission [2007] ECR II‑3601, paragraph 688). In that regard, it must produce sufficiently precise and coherent proof to establish that the alleged infringement took place (see, to that effect, Joined Cases 29/83 and 30/83 CRAM and Rheinzink v Commission [1984] ECR 1679, paragraph 20; Joined Cases C-89/85, C-104/85, C‑114/85, C-116/85, C-117/85 and C-125/85 to C-129/85 Ahlström Osakeytiö and Others v Commission [1993] ECR I‑1307, paragraph 127; and Joined Cases T‑185/96, T‑189/96 and T‑190/96 Riviera Auto Service and Others v Commission [1999] ECR II‑93, paragraph 47).
|
38. Uit artikel 2 van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 [EG] en 82 [EG] (PB 2003, L 1, blz. 1) en de vaste rechtspraak inzake de toepassing van de artikelen 81 EG en 82 EG blijkt dat, wanneer in het kader van het mededingingsrecht een geschil bestaat over de vraag of een inbreuk is gepleegd, de Commissie de door haar vastgestelde inbreuken moet bewijzen en de elementen moet leveren die rechtens genoegzaam het bestaan van de constitutieve elementen van een inbreuk bewijzen (arresten Hof van 17 december 1998, Baustahlgewebe/Commissie, C‑185/95 P, Jurispr. blz. I‑8417, punt 58, en 6 januari 2004, BAI en Commissie/Bayer, C‑2/01 P en C‑3/01 P, Jurispr. blz. I‑23, punt 62; arrest Gerecht van 17 september 2007, Microsoft/Commissie, T‑201/04, Jurispr. blz. II‑3601, punt 688). Daartoe dient zij voldoende nauwkeurige en onderling overeenstemmende bewijzen te verzamelen om aan te tonen dat de inbreuk heeft plaatsgevonden (zie in die zin arresten Hof van 28 maart 1984, CRAM en Rheinzink/Commissie, 29/83 en 30/83, Jurispr. blz. 1679, punt 20, en 31 maart 1993, Ahlström Osakeytiö e.a./Commissie, C‑89/85, C‑104/85, C‑114/85, C‑116/85, C‑117/85 en C‑125/85–C‑129/85, Jurispr. blz. I‑1307, punt 127; arrest Gerecht van 21 januari 1999, Riviera Auto Service e.a./Commissie, T‑185/96, T‑189/96 en T‑190/96, Jurispr. blz. II‑93, punt 47).
|
|
39. Where, in establishing an infringement of Articles 81 EC and 82 EC, the Commission relies on documentary evidence, the burden is on the undertakings concerned not merely to submit an alternative explanation for the facts found by the Commission, but to show that the evidence relied on in the contested decision is insufficient to establish the existence of an infringement (see, to that effect, Joined Cases T-25/95, T-26/95, T-30/95, T-31/95, T-32/95, T-34/95, T-35/95, T‑36/95, T-37/95, T-38/95, T-39/95, T-42/95, T-43/95, T-44/95, T-45/95, T‑46/95, T-48/95, T-50/95, T-51/95, T-52/95, T-53/95, T-54/95, T-55/95, T‑56/95, T-57/95, T-58/95, T-59/95, T-60/95, T-61/95, T-62/95, T-63/95, T‑64/95, T-65/95, T-68/95, T-69/95, T-70/95, T-71/95, T-87/95, T-88/95, T‑103/95 and T-104/95 Cimenteries CBR and Others v Commission (known as ‘ Cement ’) [2000] ECR II‑491, paragraphs 725 to 728, and Joined Cases T-67/00, T‑68/00, T-71/00 and T-78/00 JFE Engineering and Others v Commission [2004] ECR II‑2501, paragraph 187). It must be considered that, in a case such as the present one, where the Commission relies on direct evidence, the burden is on the undertakings concerned to show that the evidence adduced by the Commission is insufficient. Such a reversal of the burden of proof does not infringe the principle of the presumption of innocence (see, to that effect, Case C‑235/92 P Montecatini v Commission [1999] ECR I‑4539, paragraph 181).
|
39. Wanneer de Commissie zich bij de vaststelling van een inbreuk op de artikelen 81 EG en 82 EG op schriftelijke bewijzen baseert, dienen de betrokken ondernemingen niet louter een plausibel alternatief te bieden voor de stelling van de Commissie, maar dienen zij te stellen dat de bewijzen in de bestreden beschikking niet volstaan om het bestaan van de inbreuk aan te tonen (zie in die zin arresten Gerecht van 15 maart 2000, Cimenteries CBR e.a./Commissie, „Cement”, T‑25/95, T‑26/95, T‑30/95–T‑32/95, T‑34/95–T‑39/95, T‑42/95–T‑46/95, T‑48/95, T‑50/95–T‑65/95, T‑68/95–T‑71/95, T‑87/95, T‑88/95, T‑103/95 en T‑104/95, Jurispr. blz. II‑491, punten 725‑728, en 8 juli 2004, JFE Engineering e.a./Commissie, T‑67/00, T‑68/00, T‑71/00 en T‑78/00, Jurispr. blz. II‑2501, punt 187). Wanneer de Commissie zich in een geval als het onderhavige baseert op rechtstreekse bewijzen, dienen de betrokken ondernemingen aan te tonen dat de door de Commissie aangevoerde bewijzen niet volstaan. Er is reeds geoordeeld dat een dergelijke omkering van de bewijslast niet in strijd is met het vermoeden van onschuld (zie in die zin arrest Hof van 8 juli 1999, Montecatini/Commissie, C‑235/92 P, Jurispr. blz. I‑4539, punt 181).
|
|
40. However, it is not necessary for every item of evidence produced by the Commission to satisfy those criteria in relation to every aspect of the infringement. It is sufficient if the body of evidence relied on by the Commission, viewed as a whole, meets that requirement (see JFE Engineering and Others v Commission , paragraph 39 above, paragraph 180 and the case-law cited).
|
40. Evenwel hoeft niet elk van de door de Commissie aangevoerde bewijzen noodzakelijkerwijs voor elk onderdeel van de inbreuk aan deze criteria te voldoen. Het is voldoende dat de door deze instelling aangevoerde verzameling aanwijzingen, in haar geheel beschouwd, aan dit vereiste voldoet (zie arrest JFE Engineering e.a./Commissie, aangehaald in punt 39, punt 180 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
|
|
41. The items of evidence on which the Commission relies in the decision in order to prove the existence of an infringement of Article 81(1) EC by an undertaking must not be assessed separately, but as a whole (see Case T‑53/03 BPB v Commission [2008] ECR II‑1333, paragraph 185 and the case-law cited).
|
41. De aanwijzingen die de Commissie in de beschikking aanvoert om te bewijzen dat een onderneming artikel 81, lid 1, EG heeft geschonden, moeten immers niet afzonderlijk, maar in hun geheel worden beschouwd (zie arrest Gerecht van 8 juli 2008, BPB/Commissie, T‑53/03, Jurispr. blz. II‑1333, punt 185 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
|
|
42. It is also necessary to take account of the fact that anti‑competitive activities take place clandestinely, and accordingly, in most cases, the existence of an anti-competitive practice or agreement must be inferred from a number of coincidences and indicia which, taken together, may, in the absence of another plausible explanation, constitute evidence of an infringement of the competition rules (Joined Cases C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P and C‑219/00 P Aalborg Portland and Others v Commission [2004] ECR I‑123, paragraphs 55 to 57).
|
42. Tevens moet rekening worden gehouden met het feit dat mededingingsverstorende activiteiten clandestien worden verricht en dat het bestaan van een mededingingsverstorende gedraging of overeenkomst in de meeste gevallen dus moet worden afgeleid uit een samenloop van omstandigheden en aanwijzingen die in hun totaliteit beschouwd, bij gebreke van een andere coherente verklaring, het bewijs kunnen leveren dat de mededingingsregels zijn geschonden (arrest Hof van 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie, C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, Jurispr. blz. I‑123, punten 55‑57).
|
|
43. Furthermore, the case-law shows that it is sufficient for the Commission to establish that the undertaking concerned participated in meetings at which anti-competitive agreements were concluded, without manifestly opposing them, in order to prove to the requisite legal standard that the undertaking participated in the cartel. Where participation in such meetings has been established, it is for the undertaking concerned to put forward indicia to establish that its participation in those meetings was without any anti-competitive intention by demonstrating that it had indicated to its competitors that it was participating in those meetings in a spirit that was different from theirs (Case C‑199/92 P Hüls v Commission [1999] ECR I‑4287, paragraph 155; Case C‑49/92 P Commission v Anic Partecipazioni [1999] ECR I‑4125, paragraph 96; and Aalborg Portland and Others v Commission , paragraph 42 above, paragraph 81).
|
43. Verder volstaat het volgens vaste rechtspraak dat de Commissie aantoont dat de betrokken onderneming heeft deelgenomen aan bijeenkomsten waarop mededingingsverstorende overeenkomsten zijn gesloten, en zich daar niet duidelijk tegen heeft verzet, om de deelneming van deze onderneming aan de mededingingsregeling genoegzaam te bewijzen. Wanneer de deelneming aan dergelijke bijeenkomsten is aangetoond, staat het aan de betrokken onderneming om aanwijzingen te verstrekken waaruit blijkt dat haar deelneming aan deze bijeenkomsten geen mededingingsverstorende bedoeling had, en wel door aan te tonen dat zij haar concurrenten duidelijk heeft gemaakt dat zij vanuit een andere optiek dan zij aan die bijeenkomsten deelnam (arresten Hof van 8 juli 1999, Hüls/Commissie, C‑199/92 P, Jurispr. blz. I‑4287, punt 155, en Commissie/Anic Partecipazioni, C‑49/92 P, Jurispr. blz. I‑4125, punt 96, alsook arrest Aalborg Portland e.a./Commissie, aangehaald in punt 42, punt 81).
|
|
44. The reason underlying that principle of law is that, having participated in the meeting without publicly distancing itself from what was discussed, the undertaking gave the other participants reason to believe that it subscribed to what was decided there and would comply with it ( Aalborg Portland and Others v Commission , paragraph 42 above, paragraph 82).
|
44. Aan dit rechtsbeginsel ligt de redenering ten grondslag dat een onderneming die aan deze bijeenkomst heeft deelgenomen zonder zich publiekelijk van de inhoud daarvan te distantiëren, bij de andere deelnemers de indruk heeft gewekt dat zij het eens was met het resultaat daarvan en dat zij zich daaraan zou houden (arrest Aalborg Portland e.a./Commissie, aangehaald in punt 42, punt 82).
|
|
45. As regards the probative value which should be attached to the various pieces of evidence, it must be noted that the sole criterion relevant for evaluating freely adduced evidence is the reliability of that evidence (see Case T‑44/00 Mannesmannröhren‑Werke v Commission [2004] ECR II‑2223, paragraph 84 and the case‑law cited; Case T‑50/00 Dalmine v Commission [2004] ECR II‑2395, paragraph 72, and JFE Engineering and Others v Commission , paragraph 39 above, paragraph 273). According to the generally applicable rules on evidence, the credibility and, therefore, the probative value of a document depends on its origin, the circumstances in which it was drawn up, the person to whom it is addressed and the soundness and reliable nature of its contents ( Cement , paragraph 39 above, paragraph 1053; Opinion of Judge Vesterdorf, acting as Advocate General, in Case T‑1/89 Rhône‑Poulenc v Commission [1991] ECR II‑867, II‑869, at II‑956). In particular, great importance must be attached to the fact that a document has been drawn up in close connection with the events (Case T‑157/94 Ensidesa v Commission [1999] ECR II‑707, paragraph 312, and Joined Cases T‑5/00 and T‑6/00 Nederlandse Federatieve Vereniging voor de Groothandel op Elektrotechnisch Gebied and Technische Unie v Commission [2003] ECR II‑5761, paragraph 181) or by a direct witness of those events ( JFE Engineering and Others v Commission , paragraph 39 above, paragraph 207). Furthermore, it should be noted that the mere fact that the information has been provided by undertakings which sought to benefit from the 1996 or 2002 Leniency Notices does not call its probative value into question.
|
45. Wat de bewijswaarde van de verschillende bewijzen betreft, dient te worden opgemerkt dat het enige relevante criterium ter beoordeling van vrij aangevoerde bewijzen de geloofwaardigheid ervan is (zie arresten Gerecht van 8 juli 2004, Mannesmannröhren-Werke/Commissie, T‑44/00, Jurispr. blz. II‑2223, punt 84 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en Dalmine/Commissie, T‑50/00, Jurispr. blz. II‑2395, punt 72, alsook arrest JFE Engineering e.a./Commissie, aangehaald in punt 39, punt 273). Volgens de algemeen geldende bewijsregels hangt de geloofwaardigheid en dus de bewijswaarde van een stuk af van de herkomst ervan, van de omstandigheden waarin het is opgesteld, van degene tot wie het is gericht en van de redelijkheid en de geloofwaardigheid van de inhoud ervan [Cement-arrest, aangehaald in punt 39, punt 1053; conclusie van rechter Vesterdorf, aangewezen als advocaat-generaal, in de zaak Rhône-Poulenc/Commissie (arrest Gerecht van 24 oktober 1991, Rhône-Poulenc/Commissie, T‑1/89, Jurispr. blz. II‑867, II‑956)]. Met name dient groot belang te worden gehecht aan de omstandigheid dat een stuk rechtstreeks verband houdt met de feiten (arresten Gerecht van 11 maart 1999, Ensidesa/Commissie, T‑157/94, Jurispr. blz. II‑707, punt 312, en 16 december 2003, Nederlandse Federatieve Vereniging voor de Groothandel op Elektrotechnisch Gebied en Technische Unie/Commissie, T‑5/00 en T‑6/00, Jurispr. blz. II‑5761, punt 181) of is opgesteld door iemand die rechtstreeks getuige was van deze feiten (arrest JFE Engineering e.a./Commissie, aangehaald in punt 39, punt 207). Bovendien doet het loutere feit dat de informatie is verstrekt door ondernemingen die een verzoek hebben ingediend op grond van de mededelingen inzake medewerking van 1996 of 2002, geen afbreuk aan de bewijswaarde ervan.
|
|
46. It is settled case‑law that no provision or any general principle of European Union law prohibits the Commission from relying, as against an undertaking, on statements made by other incriminated undertakings. If that were not the case, the burden of proving conduct contrary to Article 81 EC and Article 82 EC, which is borne by the Commission, would be unsustainable and incompatible with the task of supervising the proper application of those provisions which is entrusted to it by the Treaty ( JFE Engineering and Others v Commission , paragraph 39 above, paragraph 192 and the case‑law cited).
|
46. Volgens vaste rechtspraak verbiedt immers geen enkele bepaling en geen enkel algemeen beginsel van Unierecht de Commissie zich tegenover een onderneming te beroepen op de verklaringen van andere beschuldigde ondernemingen. Anders zou de op de Commissie rustende bewijslast met betrekking tot gedragingen die in strijd zijn met de artikelen 81 EG en 82 EG onoverkomelijk zwaar zijn en onverenigbaar zijn met de haar door het Verdrag opgedragen taak, toezicht te houden op de juiste toepassing van deze bepalingen (zie arrest JFE Engineering e.a./Commissie, aangehaald in punt 39, punt 192 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
|
|
47. Some caution as to the evidence provided voluntarily by the main participants in an unlawful cartel is understandable, since those participants might tend to play down the importance of their contribution to the infringement and maximise that of others. None the less, in view of the inherent logic of the procedure provided for in the 1996 and 2002 Leniency Notices, the fact of seeking to benefit from their application in order to obtain a reduction in the fine does not necessarily create an incentive to submit distorted evidence as to the other participants in the cartel. Indeed, any attempt to mislead the Commission could call into question the sincerity and the completeness of cooperation of the undertaking, and thereby jeopardise its chances of benefiting fully under the Leniency Notices (see, to that effect, Case T‑120/04 Peróxidos Orgánicos v Commission [2006] ECR II‑4441, paragraph 70, and the judgment of 8 July 2008 in Case T‑54/03 Lafarge v Commission , not published in the ECR, paragraph 58).
|
47. Een zekere argwaan ten aanzien van vrijwillige verklaringen van de voornaamste deelnemers aan een onrechtmatige mededingingsregeling is begrijpelijk, omdat deze deelnemers het belang van hun eigen bijdrage kunnen minimaliseren en dat van de anderen kunnen overdrijven. Gelet op de inherente logica van de procedure die is vastgesteld in de mededelingen inzake medewerking van 1996 en 2002, zet het feit dat wordt verzocht om toepassing daarvan teneinde een verlaging van de geldboete te verkrijgen, er evenwel niet noodzakelijkerwijs toe aan om bewijzen met betrekking tot de andere deelnemers aan de ten laste gelegde mededingingsregeling te verdraaien. Iedere poging om de Commissie te misleiden kan immers twijfels doen rijzen over de oprechtheid en de volledigheid van de medewerking van de onderneming, en bijgevolg haar kansen om volledig profijt te halen uit deze mededelingen in gevaar brengen (zie in die zin arresten Gerecht van 16 november 2006, Peróxidos Orgánicos/Commissie, T‑120/04, Jurispr. blz. II‑4441, punt 70, en 8 juli 2008, Lafarge/Commissie, T‑54/03, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 58).
|
|
48. In particular, where a person admits that he committed an infringement and thus admitted the existence of facts going beyond those whose existence could be directly inferred from the documentary evidence, that implies, a priori, in the absence of special circumstances indicating otherwise, that that person had resolved to tell the truth. Thus, statements which run counter to the interests of the declarant must in principle be regarded as particularly reliable evidence ( JFE Engineering and Others v Commission , paragraph 39 above, paragraphs 211 and 212; Joined Cases T‑109/02, T‑118/02, T‑122/02, T‑125/02 and T‑126/02, T‑128/02 and T‑129/02, T‑132/02 and T‑136/02 Bolloré and Others v Commission [2007] ECR II‑947, paragraph 166; and Lafarge v Commission , paragraph 47 above, paragraph 59).
|
48. In het bijzonder impliceert het feit dat een persoon toegeeft dat hij een inbreuk heeft gepleegd en aldus meer feiten bekent dan rechtstreeks uit de betrokken stukken had kunnen worden afgeleid, automatisch, behoudens bijzondere omstandigheden waaruit het tegendeel blijkt, dat de betrokkene vastbesloten is om de waarheid te spreken. Verklaringen die ingaan tegen de belangen van degene die ze heeft afgelegd, moeten dus in beginsel als bijzonder betrouwbare bewijzen worden beschouwd (arrest JFE Engineering e.a./Commissie, aangehaald in punt 39, punten 211 en 212; arrest Gerecht van 26 april 2007, Bolloré e.a./Commissie, T‑109/02, T‑118/02, T‑122/02, T‑125/02, T‑126/02, T‑128/02, T‑129/02, T‑132/02 en T‑136/02, Jurispr. blz. II‑947, punt 166, en arrest Lafarge/Commissie, aangehaald in punt 47, punt 59).
|
|
49. None the less, statements made by the undertakings concerned in the context of an application for leniency pursuant to the 1996 or 2002 Leniency Notices must be assessed with caution and, in general, cannot be regarded as particularly reliable evidence if they have not been corroborated by other evidence.
|
49. De verklaringen die de betrokken ondernemingen afleggen in het kader van verzoeken op grond van de mededeling inzake medewerking van 1996 of 2002, moeten evenwel omzichtig worden beoordeeld, en kunnen over het algemeen niet als bijzonder betrouwbare bewijzen worden beschouwd indien zij niet door andere elementen worden bevestigd.
|
|
50. According to settled case-law, an admission by one undertaking accused of having participated in a cartel, the accuracy of which is contested by several other undertakings similarly accused, cannot be regarded as constituting adequate proof of an infringement committed by the latter unless it is supported by other evidence (Case T‑38/02 Groupe Danone v Commission [2005] ECR II‑4407, paragraph 285; Bolloré and Others v Commission , paragraph 48 above, paragraph 167; and Lafarge v Commission , paragraph 47 above, paragraph 293).
|
50. Volgens vaste rechtspraak kan de verklaring van een onderneming die wordt beschuldigd van deelname aan een kartel, waarvan de juistheid door verschillende andere beschuldigde ondernemingen wordt betwist, immers niet worden beschouwd als voldoende bewijs dat deze laatste ondernemingen een inbreuk hebben gepleegd, indien deze verklaring niet door andere bewijzen wordt gestaafd (arrest Gerecht van 25 oktober 2005, Groep Danone/Commissie, T‑38/02, Jurispr. blz. II‑4407, punt 285; arresten Bolloré e.a./Commissie, aangehaald in punt 48, punt 167, en Lafarge/Commissie, aangehaald in punt 47, punt 293).
|
|
51. Finally, it should be noted that, in recital 215 of the contested decision, the Commission stated that the objective of the bilateral cooperation between the Coats and Prym groups was to share the haberdashery market by preventing the Coats Group from entering the European ‘other fasteners’ market.
|
51. Ten slotte zij opgemerkt dat de Commissie in punt 215 van de bestreden beschikking erop heeft gewezen dat de bilaterale samenwerking tussen de Coats-groep en de Prym-groep ertoe strekte hun de mogelijkheid te bieden de markt voor fournituren onderling te verdelen door de Coats-groep te verhinderen de Europese markt voor „overige sluitingen” te betreden.
|
|
52. The question whether, in the contested decision, the Commission relied on sufficiently credible, precise and conclusive evidence to establish, in the context of a global assessment and after examining the explanations or alternative justifications provided by the applicant, that the infringement found in Article 1(4) of the contested decision took place must be assessed in the light of the rules set out in paragraphs 38 to 50 above.
|
52. Op basis van de hierboven in de punten 38 tot en met 50 uiteengezette regels dient te worden nagegaan of de Commissie in de bestreden beschikking voldoende geloofwaardige, nauwkeurige en onderling overeenstemmende elementen heeft aangevoerd om – in het kader van haar algemene beoordeling, na onderzoek van de door verzoekster verstrekte alternatieve verklaringen of rechtvaardigingsgronden – te kunnen bewijzen dat de in artikel 1, lid 4, van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk heeft plaatsgevonden.
|
|
– The 1975 meeting (recital 217 of the contested decision)
|
– De bijeenkomst van 1975 (punt 217 van de bestreden beschikking)
|
|
53. The applicant submits that the Commission misinterpreted the minutes of the 1975 meeting between the applicant and William Prym, in considering that the meeting constituted a preparatory stage to market-sharing, whereas it is clear from the minutes of the meeting that the meeting focused exclusively on anodyne discussions concerning exclusive and joint distribution and commitments on the part of the distributor not to manufacture or distribute competing products. That interpretation is corroborated by a note of 27 October 1975 from Mr E.F. to Mr A.P. (senior) and Mr D.P. relating to a meeting between Mr F. and Mr B. on 17 October 1975.
|
53. Volgens verzoekster heeft de Commissie het verslag van de bijeenkomst tussen verzoekster en William Prym van 1975 onjuist geïnterpreteerd, door ervan uit te gaan dat het ging om een voorbereidende fase in het kader van de verdeling van de markten, terwijl uit dit verslag blijkt dat uitsluitend onschuldige besprekingen betreffende exclusieve en gezamenlijke distributie hadden plaatsgevonden en dat de distributeur zich ertoe had verbonden geen concurrerende producten te produceren of te verdelen. Deze interpretatie vindt steun in een nota van E. F. van 27 oktober 1975, die is gericht aan A. P. senior en D. P. en die betrekking heeft op een bijeenkomst die M. F. en B. op 17 oktober 1975 hebben gehouden.
|
|
54. It is apparent from the applicant’s argument that it does not dispute either the holding of the meeting nor having attended it. On the other hand, it does dispute the Commission’s interpretation of the minutes of that meeting.
|
54. Uit het betoog van verzoekster blijkt dat zij niet betwist dat de bijeenkomst heeft plaatsgevonden en evenmin dat zij hieraan heeft deelgenomen. Zij betwist daarentegen de wijze waarop de Commissie het verslag van deze bijeenkomst heeft geïnterpreteerd.
|
|
55. Recital 217 of the contested decision states:
|
55. Punt 217 van de bestreden beschikking luidt als volgt:
|
|
‘In 1975, [the] Coats and Prym [groups] agreed to cooperate in the area of sales and distribution for a large number of countries worldwide by acting as joint trading companies or exclusive distributors of each other’s products, according to their respective market strength in each country. The minutes of a meeting held in Stolberg [Germany] on 16/17 November 1975 outlines the framework for this cooperation between the two groups.’
|
„In 1975 hebben [de groepen] Coats en Prym besloten om in een zeer groot aantal landen van de wereld op het gebied van de verkoop en de distributie samen te werken, door op te treden als gemeenschappelijke handelsondernemingen of als exclusieve distributeurs van elkaars producten, naargelang van hun respectieve marktmacht in elk land. In het verslag van een bijeenkomst die op 16 en 17 november 1975 in Stolberg [Duitsland] heeft plaatsgevonden, wordt het algemene kader van de samenwerking tussen deze twee groepen omschreven.”
|
|
56. A significant part of the minutes of the Stolberg meeting dealt with domestic trade: ‘Within the framework of these principles the following general lines of agreement emerged on which basis further detailed discussions at market level, will continue’. Point 2.5 of the minutes states the following in relation to Italy:
|
56. Een groot deel van het verslag van de bijeenkomst te Stolberg heeft betrekking op de binnenlandse handel: „Binnen het kader van deze beginselen is een overeenkomst bereikt over de volgende grote lijnen, op basis waarvan verdere uitvoerige besprekingen op marktniveau zullen plaatsvinden.” Punt 2, lid 5, van dit verslag bepaalt met betrekking tot Italië het volgende:
|
|
‘[The] Prym [group] will not introduce its zip fastener.’
|
„[De] Prym[-groep] zal geen ritssluitingen op de markt brengen.”
|
|
57. The note of 27 October 1975, referred to above, reflects the content of a discussion with Coats which is reported to have taken place on 17 October 1975 in Glasgow (United Kingdom) and contains a point I, entitled ‘Marketing’, which states:
|
57. Bovengenoemde nota van 27 oktober 1975 geeft de inhoud weer van een onderhoud met Coats dat op 17 oktober 1975 in Glasgow (Verenigd Koninkrijk) heeft plaatsgevonden. Punt I ervan, met als opschrift „Marketing”, luidt als volgt:
|
|
‘Exceptions to the rule, such as Italy, which we envisaged from the outset, must be considered in depth.’
|
„Uitzonderingen op de regel, zoals Italië, die wij reeds vanaf het begin hebben overwogen, moeten grondig worden onderzocht.”
|
|
58. The applicant states, in the footnote 2 of the application, that ‘Coats Italy acquired a stake in Lamprom, a privately owned Italian zip manufacturer and licensee of Opti [acquired by Coats in 1989], and acquired full control in 1975/6’.
|
58. Verzoekster merkt in voetnoot 2 van het verzoekschrift op dat „Coats Italy een deelname heeft verworven in [het kapitaal van] Lamprom, een Italiaanse producent van ritssluitingen die in handen is van particuliere aandeelhouders en houder is van een licentie op Opti [dat in 1988 door Coats is overgenomen], en er vervolgens in 1975/1976 de volledige zeggenschap over heeft verworven”.
|
|
59. It is apparent from all of the foregoing that the minutes refer not only to ‘anodyne discussions concerning exclusive and joint distribution and commitments on the part of the distributor not to manufacture or distribute competing products’, as the applicant claims, but also to the sharing of the Italian zip fastener market. In addition, the list of participants shows that the meeting was held between the upper‑management of the two undertakings.
|
59. Uit al het voorgaande blijkt dat in het verslag niet enkel wordt verwezen naar „onschuldige besprekingen betreffende exclusieve en gezamenlijke distributie en de verbintenis van de distributeur om geen concurrerende producten te produceren of te verdelen”, zoals verzoekster stelt, maar ook naar een verdeling van de Italiaanse markt voor ritssluitingen. Voorts blijkt uit de deelnemerslijst dat de hogere kaderleden van de twee ondernemingen aan de bijeenkomst hebben deelgenomen.
|
|
60. Moreover, it should be noted that the Commission did not determine the meeting of 16 and 17 November 1975 to be the start date of the infringement, but relied on that document, which predates the date on which the Commission determined the infringement to have begun, namely 15 January 1977, so as to better examine the evidence relating to the period of infringement. There was nothing to prevent the Commission from taking account of the steps preparatory to the setting-up stricto sensu of the cartel, in order to establish the economic situation which preceded it and explained the setting-up of the cartel, or in order to establish and evaluate the respective roles played by the members of the cartel in conceiving, setting up and implementing it. In the same way, moreover, the Commission may take account of the stage subsequent to the infringement period stricto sensu , in order to evaluate, under the Leniency Notice or on account of any attenuating circumstances, the actual cooperation of the undertakings in reporting their cartel (Joined Cases T‑236/01, T‑239/01, T‑244/01 to T‑246/01, T‑251/01 and T‑252/01 Tokai Carbon and Others v Commission [2004] ECR II‑1181, ‘ Tokai I ’, paragraph 304).
|
60. Bovendien heeft de Commissie niet vastgesteld dat de inbreuk met de bijeenkomst van 16 en 17 november 1975 is begonnen, maar heeft zij zich gebaseerd op dit document, dat is opgesteld vóór de datum waarop deze inbreuk volgens haar is begonnen (15 januari 1977), om de bewijzen betreffende de periode waarin de inbreuk is gepleegd, beter te kunnen bestuderen. Niets belette de Commissie om rekening te houden met de voorbereidende fasen vóór de eigenlijke totstandkoming van het kartel teneinde de economische situatie vast te stellen die vóór de totstandkoming van het kartel bestond en de verklaring daarvan vormde, of om de rol van elk van de leden van het kartel in de planning, de totstandkoming en de tenuitvoerlegging daarvan vast te stellen en te beoordelen. Overigens kan de Commissie evenzeer rekening houden met de fase na de eigenlijke inbreukperiode om op grond van de mededeling inzake medewerking of van eventuele verzachtende omstandigheden de daadwerkelijke medewerking van de ondernemingen bij het aan het licht brengen van hun kartel te beoordelen (arrest Gerecht van 29 april 2004, Tokai Carbon e.a./Commissie, „Tokai I”, T‑236/01, T‑239/01, T‑244/01–T‑246/01, T‑251/01 en T‑252/01, Jurispr. blz. II‑1181, punt 304).
|
|
61. Furthermore, the document of 15 January 1977, which will be examined below, states:
|
61. Daarenboven wordt in het document van 15 januari 1977, dat hierna zal worden onderzocht, het volgende verklaard:
|
|
‘The general principles governing the [bilateral cooperation between the Coats and Prym groups] are as stated in the Stolberg [Minutes] of 16/17 November 1975, amplified as follows …’
|
„De algemene beginselen die de [bilaterale samenwerking tussen de groepen Coats en Prym] beheersen zijn vastgesteld zoals omschreven in het verslag betreffende de bijeenkomst te Stolberg van 16 en 17 november 1975, en aangevuld als volgt [...]”
|
|
– The document of 15 January 1977 (recitals 218 to 222 of the contested decision)
|
– Het document van 15 januari 1977 (punten 218‑222 van de bestreden beschikking)
|
|
62. The applicant claims that the Commission ignored the fact that the document of 15 January 1977, on which it relied in the contested decision, is not signed and is incomplete, and that there is no indication of who at Coats or at William Prym drafted it or gave their oral assent to it, since there is no evidence of written assent. All those elements are useful indicia for the purpose of evaluating the probative value of documents of that type. In the applicant’s view, it follows implicitly from the concept of complete cooperation and explicitly from the 2002 Leniency Notice that the Commission ought to have requested William Prym to submit evidence from former employees in order to be able to claim leniency.
|
62. Verzoekster betoogt dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met het feit dat het document van 15 januari 1977, waarop zij zich in de bestreden beschikking heeft gebaseerd, niet ondertekend en ook niet volledig is, en dat nergens uit blijkt wie bij Coats of bij William Prym dit document heeft opgesteld of er mondeling mee heeft ingestemd, aangezien er geen bewijzen zijn dat er schriftelijk mee is ingestemd. Al deze elementen vormen nuttige aanwijzingen voor de beoordeling van de bewijswaarde van dit soort documenten. Volgens verzoekster blijkt impliciet uit het begrip volledige medewerking en expliciet uit de mededeling inzake medewerking van 2002 dat de Commissie William Prym had moeten verzoeken bewijzen over te leggen die afkomstig waren van ex-werknemers, om aanspraak te kunnen maken op de toepassing van deze mededeling.
|
|
63. It is apparent from those arguments that the applicant does not dispute the existence of the document of 15 January 1977. It does, however, dispute the Commission’s interpretation thereof.
|
63. Uit deze argumenten blijkt dat verzoekster het bestaan van het document van 15 januari 1977 niet betwist. Zij betwist daarentegen de wijze waarop de Commissie dit document heeft geïnterpreteerd.
|
|
64. Recitals 218 and 219 of the contested decision read as follows:
|
64. De punten 218 en 219 van de bestreden beschikking luiden als volgt:
|
|
‘(218) Working on the basis of this framework for cooperation, Coats and William Prym entered into a general market sharing agreement for the haberdashery sector, as is clear from the written agreement dated 15 January 1977 (hereafter “1977 Agreement”), according to which Coats undertook “not to engage, either directly or by association, in the manufacture of hard haberdashery ... or the distribution of competitive hard haberdashery in Europe without the prior consent of [William] Prym”. On the other hand, [William] Prym undertook “not to engage, either directly or by association, in the manufacture of sewing or handicraft threads etc ... or in the distribution of competitive sewing and handicraft threads etc in Europe without the prior consent of Coats”.
|
„(218) Met dit samenwerkingskader als uitgangspunt hebben Coats en William Prym een algemeen marktverdelingsakkoord voor de fourniturensector gesloten, zoals blijkt uit de schriftelijke overeenkomst van 15 januari 1977 (hierna: ‚overeenkomst van 1977’), volgens welke Coats zich ertoe heeft verbonden om niet rechtstreeks of in het kader van een vereniging harde fournituren te produceren [...] of concurrerende harde fournituren te verdelen in Europa zonder de voorafgaande toestemming van [William] Prym’. Anderzijds heeft [William] Prym zich ertoe verbonden om niet rechtstreeks of in het kader van een vereniging naaigaren en artisanaal garen, enzovoort, [...] te produceren of concurrerend naaigaren en artisanaal garen, enzovoort, te verdelen in Europa zonder de voorafgaande toestemming van Coats’.
|
|
(219) A clause in the 1977 Agreement stated that the commitments expressed therein, even though being legally not enforceable, “reflect the spirit of the Coats-[William] Prym agreement and as such constitute a moral obligation binding upon both parties”.’
|
(219) In een beding van de overeenkomst van 1977 wordt verklaard dat de daarin geformuleerde verbintenissen weliswaar niet juridisch bindend zijn, maar ‚niettemin de geest van de overeenkomst tussen Coats en [William] Prym weerspiegelen en als zodanig morele verbintenissen vormen die de twee partijen verbinden’.”
|
|
65. The document of 15 January 1977 reads as follows:
|
65. Het document van 15 januari 1977 luidt als volgt:
|
|
‘The general principles governing the [bilateral cooperation between the Coats and Prym groups] Prym are as stated in the Stolberg [Minutes] of 16/17 November 1975, amplified as follows:
|
„De algemene beginselen die de [bilaterale samenwerking tussen de groepen Coats en Prym] beheersen zijn vastgesteld zoals omschreven in het verslag betreffende de bijeenkomst te Stolberg van 16 en 17 november 1975, en aangevuld als volgt [...]:
|
|
With the exception of existing situations (listed in Schedule a) Coats undertakes:
|
Met uitzondering van reeds bestaande situaties (opgesomd in lijst a) verbindt Coats zich ertoe:
|
|
(1) Not to engage, either directly or by association, in the manufacture of hard haberdashery (listed in Schedule b – based on Italian contract excluding machine needles) or the distribution of competitive hard haberdashery in Europe without the prior consent of [William] Prym;
|
1) om niet rechtstreeks of in het kader van een vereniging harde fournituren te produceren (opgesomd in lijst b op basis van de Italiaanse overeenkomst waarbij naalden voor machines worden uitgesloten) of concurrerende harde fournituren te verdelen in Europa zonder de voorafgaande toestemming van [William] Prym;
|
|
(2) In the rest of the world, not to engage, either directly or by association, in the manufacture of hard haberdashery without prior consent of Prym or the distribution of competitive hard haberdashery without prior consultation with [William] Prym.
|
2) om, in de rest van de wereld, niet rechtstreeks of in het kader van een vereniging harde fournituren te produceren zonder de voorafgaande toestemming van Prym of concurrerende harde fournituren te verdelen zonder vooraf [William] Prym te hebben geraadpleegd.
|
|
[William] Prym undertakes:
|
[William] Prym verbindt zich ertoe:
|
|
(1) Not to engage, either directly or by association, in the manufacture of sewing and handicraft threads etc. (listed in Schedule c) or in the distribution of competitive sewing and handicraft threads etc in Europe without the prior consent of Coats;
|
1) om niet rechtstreeks of in het kader van een vereniging naaigaren en artisanaal garen, enzovoort, (opgesomd in lijst c) te produceren of concurrerend naaigaren en artisanaal garen te verdelen in Europa zonder de voorafgaande toestemming van Coats;
|
|
(2) In the rest of the world, not to engage, either directly or by association, in the manufacture of sewing and handicraft threads etc without prior consent of Coats or in the distribution of competitive sewing and handicraft threads etc without prior consultation with Coats.
|
2) om, in de rest van de wereld, niet rechtstreeks of in het kader van een vereniging naaigaren en artisanaal garen, enzovoort, te produceren zonder de voorafgaande toestemming van Coats, en om niet concurrerend naaigaren en artisanaal garen, enzovoort, te verdelen zonder vooraf Coats te hebben geraadpleegd.
|
|
It is recognised that these commitments are not legally enforceable but nonetheless they reflect the spirit of the Coats-[William] Prym agreement and as such constitute a moral obligation binding upon both parties.’
|
Partijen erkennen dat deze verbintenissen niet juridisch bindend zijn, maar niettemin de geest van de overeenkomst tussen Coats en [William] Prym weerspiegelen en als zodanig morele verbintenissen vormen die de twee partijen verbinden.”
|
|
66. That document itself refers to the Stolberg meeting held on 16 and 17 November 1975 and, more specifically, it is apparent that it aims to supplement the general principles which were discussed at that meeting. That document reflects the details of the commercial cooperation between the two undertakings.
|
66. Uit dit document zelf blijkt dat het verwijst naar de bijeenkomst te Stolberg van 16 en 17 november 1975 en, meer bepaald, dat het ertoe strekt de algemene beginselen aan te vullen die tijdens deze bijeenkomst zijn besproken. Dit document gaat uitvoeriger in op de samenwerking tussen de twee ondernemingen op commercieel vlak.
|
|
67. As regards the applicant’s complaint regarding the lack of probative value of the document of 15 January 1977, it must be found that the reliability of that document is not necessarily reduced by the fact that it has not been signed. First, the fact that that document is unsigned is quite normal since it is a note relating to a meeting the anti-competitive object of which was a reason for its author to leave the least trace possible (see, to that effect, Case T‑11/89 Shell v Commission [1992] ECR II‑757, paragraph 86). Second, it can be assumed from the date on that document (15 January 1977) that it was drawn up at the time of the facts (see, to that effect, Bolloré and Others v Commission , paragraph 48 above, paragraph 173). Third, in so far as a document contains specific information corresponding to that contained in other documents, it must be held that those items of evidence reinforce each other (see, to that effect, JFE Engineering and Others v Commission , paragraph 39 above, paragraph 275). Fourth, as the Court noted, inter alia, in Joined Cases T-305/94, T-306/94, T-307/94, T‑313/94 to T-316/94, T-318/94, T-325/94, T-328/94, T-329/94 and T-335/94 Limburgse Vinyl Maatschappij and Others v Commission [1999] ECR II‑931, paragraph 715), in order for there to be an agreement within the meaning of Article 81(1) EC, it is sufficient that the undertakings in question should have expressed their joint intention to conduct themselves on the market in a specific way.
|
67. Wat de grief van verzoekster betreft dat het document van 15 januari 1977 geen bewijswaarde heeft, dient te worden vastgesteld dat het feit dat dit document niet ondertekend is, niet noodzakelijkerwijs afbreuk doet aan de geloofwaardigheid ervan. Ten eerste wekt het geen verbazing dat dit document niet ondertekend is, aangezien het gaat om een nota betreffende een bijeenkomst met een mededingingsverstorend doel, wat voor de opsteller ervan een reden was om zo weinig mogelijk sporen na te laten (zie in die zin arrest Gerecht van 10 maart 1992, Shell/Commissie, T‑11/89, Jurispr. blz. II‑757, punt 86). Ten tweede kan uit de datum op het document („15.1.1977”) worden afgeleid dat het ten tijde van de feiten van het geding is opgesteld (zie in die zin arrest Bolloré e.a./Commissie, aangehaald in punt 48, punt 173). Ten derde bevat dit document specifieke informatie die met die in andere documenten overeenstemt, zodat moet worden geoordeeld dat deze elementen elkaar onderling kunnen versterken (zie in die zin arrest JFE Engineering e.a./Commissie, aangehaald in punt 39, punt 275). Ten vierde is het voor het bestaan van een overeenkomst in de zin van artikel 81, lid 1, EG noodzakelijk en voldoende dat de betrokken ondernemingen hun gezamenlijke wil tot uitdrukking hebben gebracht om zich op een bepaalde wijze op de markt te gedragen, zoals het Gerecht met name heeft vastgesteld in het arrest van 20 april 1999, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie (T‑305/94–T‑307/94, T‑313/94–T‑316/94, T‑318/94, T‑325/94, T‑328/94, T‑329/94 en T‑335/94, Jurispr. blz. II‑931, punt 715).
|
|
68. It should be noted, in that regard, that the application made by the Prym group pursuant to the 2002 Leniency Notice includes the following passage, cited in recital 220 of the contested decision:
|
68. Dienaangaande zij opgemerkt dat het verzoek dat de Prym-groep op grond van de mededeling inzake medewerking van 2002 heeft ingediend, de volgende, in punt 220 van de bestreden beschikking aangehaalde, passage bevat:
|
|
‘By an agreement dated 15 January 1977, which is still in force today, Coats and [William] Prym shared out the haberdashery market. Neither party may become active in the other party’s market segment without the latter’s consent. Coats was and still is responsible for the soft haberdashery market segment (sewing thread, embroidery cotton, wool); [William] Prym was and is responsible for the hard haberdashery segment (needles and press studs).
|
„Bij een overeenkomst van 15 januari 1977, die vandaag nog van kracht is, hebben Coats en [William] Prym de markt voor fournituren onderling verdeeld. Geen van de partijen mag activiteiten ontplooien op het marktsegment van de andere partij zonder de toestemming van deze laatste. Coats hield zich, en houdt zich nog steeds, bezig met het segment van de zachte fournituren (naaigaren, borduurkatoen, wol); [William] Prym hield zich, en houdt zich nog steeds, bezig met het segment van de harde fournituren (naalden en drukknopen).
|
|
Under the 1976/1977 framework agreement, Coats and [William] Prym decided to merge their complementary product ranges of sewing thread, embroidery cotton and wool (soft haberdashery) and zip fasteners, press studs and needles (hard haberdashery) for marketing purposes. The idea behind this was that sewing thread requires a needle and that these two products should be marketed jointly through a single sales channel. The framework agreement was designed to ensure that each firm grew stronger in its respective core business area, and in particular could expand by internationalising its market position, and at the same time that marketing synergies could be achieved by eliminating duplication. Under the agreement, each firm undertook not to invest in the other party’s area without the latter’s consent.
|
Krachtens het kaderakkoord van 1976/1977 hebben Coats en [William] Prym besloten om hun complementaire productassortimenten – naaigaren, borduurkatoen en wol (zachte fournituren) enerzijds, en ritssluitingen, drukknopen en naalden (harde fournituren) anderzijds – voor verkoopdoeleinden samen te voegen. De achterliggende idee was dat je een naald nodig hebt om naaigaren te kunnen gebruiken, en dat deze twee producten samen via hetzelfde verkoopkanaal zouden moeten worden verkocht. Het kaderakkoord beoogde te verzekeren dat elke onderneming op haar voornaamste domein sterker werd en, meer bepaald, kon groeien door haar marktpositie internationaal uit te breiden, en tegelijkertijd verkoopsynergieën tot stand te brengen door dubbel werk te vermijden. Bij deze overeenkomst verbond elke onderneming zich ertoe om geen investeringen op het domein van de andere partij te verrichten zonder toestemming van deze laatste.
|
|
At the same time, it was agreed that Coats would acquire a 24.9% stake in [William] Prym, combined with the stipulation that Coats would have the right to appoint a director on its executive board and two members on its advisory board. Coats exercised both rights up until 1994.’
|
Tevens was overeengekomen dat Coats een deelneming van 24,9 % in [William] Prym zou nemen en het recht zou hebben om een lid van haar raad van bestuur [...] en twee leden van haar raad van toezicht te benoemen. Coats heeft deze twee rechten tot in 1994 uitgeoefend.”
|
|
69. The circular of 20 January 1977 of Coats Patons (‘the 1977 circular’) confirms that Coats acquired 24.9% of the share capital of William Prym, and the appointment of a member of its board of directors (Mr J.G.) and two members of supervisory council (Mr B. and Mr W.H.).
|
69. In de circulaire van Coats Patons van 20 januari 1977 (hierna: „circulaire van 1977”) wordt bevestigd dat Coats een deelneming van 24,9 % in het kapitaal van William Prym heeft verworven en een lid van haar raad van bestuur (J. G.) en twee leden van haar raad van toezicht heeft benoemd (B. en W. H.).
|
|
70. The statements of Mr A.P. support, supplement and confirm the content of the agreement of 15 January 1977 (‘the 1977 agreement’). So far as concerns the probative value of those statements, which is disputed by the applicant, it should be noted that, although some caution as to the evidence provided voluntarily by the main participants in an unlawful cartel is generally called for, since they might tend to play down the importance of their contribution to the infringement and maximise that of others, the fact remains that the applicant’s argument is not in line with the inherent logic of the procedure provided for in the 1996 and 2002 Leniency Notices. The fact of seeking to benefit from them in order to obtain a reduction in the fine does not necessarily create an incentive to submit distorted evidence as to the other participants in the cartel under investigation. Indeed, any attempt to mislead the Commission could call into question the sincerity and the completeness of cooperation of the applicant undertaking, and thereby jeopardise its chances of benefiting fully under the relevant leniency notices (see paragraphs 47 and 48 above). Moreover, it is apparent from recital 246 of the contested decision that, as regards the applications for leniency made by the Prym group pursuant to the 1996 and 2002 Leniency Notices, the Commission exercised some caution, since it sought to corroborate that statement by other evidence. Thus, contrary to what the Prym group stated in its applications, the Commission did not find the infringement to have ended in 2004, but as of the meeting of 15 July 1998.
|
70. De verklaringen van A. P. ondersteunen, vervolledigen en bevestigen de inhoud van de overeenkomst van 15 januari 1977 (hierna: „overeenkomst van 1977”). Wat de – door verzoekster betwiste – bewijswaarde van deze verklaringen betreft, zij eraan herinnerd dat weliswaar een zekere argwaan ten aanzien van vrijwillige verklaringen van de voornaamste deelnemers aan een onrechtmatige mededingingsregeling gepast is, gelet op het feit dat deze deelnemers geneigd kunnen zijn het belang van hun eigen bijdrage aan de inbreuk te minimaliseren en dat van de anderen te overdrijven, maar dit neemt niet weg dat het argument van verzoekster niet beantwoordt aan de inherente logica van de in de mededelingen inzake medewerking van 1996 en 2002 vastgestelde procedure. Het feit dat wordt verzocht om toepassing van deze mededelingen teneinde een verlaging van de geldboete te verkrijgen, zet er immers niet noodzakelijkerwijs toe aan om bewijzen met betrekking tot de andere deelnemers aan de ten laste gelegde mededingingsregeling te verdraaien. Iedere poging om de Commissie te misleiden kan namelijk twijfels doen rijzen over de oprechtheid en de volledigheid van de medewerking van de verzoeker, en bijgevolg de mogelijkheid waarover hij beschikt om volledig profijt te halen uit de toepasselijke mededeling inzake medewerking in gevaar brengen (zie punten 47 en 48 hierboven). Voorts blijkt uit punt 246 van de bestreden beschikking dat de Commissie bij de behandeling van de verzoeken van de Prym-groep om toepassing van de mededelingen inzake medewerking van 1996 en 2002 omzichtig tewerk is gegaan, aangezien zij heeft gezocht naar andere bewijselementen die deze verklaringen kunnen schragen. Zo heeft zij niet het jaar 2004 als einddatum van de inbreuk in aanmerking genomen, hoewel de Prym-groep in haar verzoeken die datum had opgegeven, maar de bijeenkomst van 15 juli 1998.
|
|
71. None the less, point 5 of the affidavit of Mr M.F., dated 11 May 2006, states the following under the heading ‘The 1977 Agreement and relations between Coats and [William] Prym from the 1970 to 1990’:
|
71. De beëdigde verklaring van M. F. van 11 mei 2006 bevat evenwel onder het opschrift „De overeenkomst van 1977 en de betrekkingen tussen Coats en [William] Prym van de jaren zeventig tot de jaren negentig”, een punt 5, dat luidt als volgt:
|
|
‘5 Although I had never seen the 1977 Agreement prior to the [supplementary statement of objections], I can understand why Coats and [William] Prym might have entered into such an understanding in 1977. In January 1977 Coats had purchased a 24.9% shareholding in [William] Prym and an agreement would have been consistent with what I would describe as the ‘grand plan’ of [Mr B.] and [Mr E.F.], who were at the time Managing Director of J & P Coats Ltd (the thread business of Coats Patons PLC) and [William] Prym’s Geschäftsführer, respectively. Based on their meeting in 1975, the acquisition of Coats’ stake in [William] Prym and the joint ventures set up in the 1970s and 1980s I would say that [Mr B.] and [Mr E.F.] had, starting in the mid-1970s, envisaged a very close cooperation between Coats and [William] Prym in combined marketing and distribution. I do not think, however, that they would have intended to carve up markets between the two companies by agreement. A move by Coats in the 1970s into hard haberdashery (other than by buying [William] Prym), or by [William] Prym into thread, would have been highly improbable. There would, therefore, have been no value in a commitment from Coats not to enter into hard haberdashery, on the one hand, nor in a commitment from [William] Prym not to enter into thread production, on the other.’
|
„5 Hoewel ik de overeenkomst van 1977 vóór de [aanvullende mededeling van punten van bezwaar] nooit heb gezien, kan ik begrijpen waarom Coats en [William] Prym in 1977 een dergelijk akkoord zouden hebben kunnen sluiten. In januari 1977 heeft Coats een deelneming van 24,9 % in het kapitaal van [William] Prym verworven en een overeenkomst zou in de lijn hebben gelegen van wat ik zou omschrijven als het ‚grote plan’ van B. en [...] E. F., die toentertijd respectievelijk algemeen directeur van J & P Coats Ltd (de tak van Coats Patons plc die actief is in de garensector) en zaakvoerder van [William] Prym. Voortgaande op hun ontmoeting in 1975 en op het feit dat Coats een deelneming heeft genomen in het kapitaal van [William] Prym en dat in de jaren 1970 en 1980 joint ventures zijn opgericht, zou ik zeggen dat B. en [...] E. F. vanaf het midden van de jaren zeventig een zeer nauwe samenwerking tussen Coats en [William] Prym op het gebied van zowel marketing als distributie voor ogen hadden. Ik denk echter niet dat zij de intentie hadden om de markten contractueel te verdelen tussen de twee ondernemingen. Het was in de jaren zeventig hoogst onwaarschijnlijk dat Coats (anders dan via de overname van [William] Prym), de markt voor harde fournituren zou betreden of dat [William] Prym de garensector zou betreden. Een verbintenis van Coats om weg te blijven uit de sector voor harde fournituren en van [William] Prym om geen garen te gaan produceren, zou dus geen enkele waarde hebben gehad.”
|
|
72. It follows that Mr M.F. recognises that, even if he was not aware of such an agreement, he was perfectly able to understand the reasons why the two undertakings would have reached such an agreement (following the acquisition by Coats of 24.9% of William Prym’s share capital). By contrast, according to M. F., they did not intend to divide up the markets concerned between them.
|
72. M. F. erkent dus dat hij perfect kon begrijpen waarom de twee ondernemingen een dergelijke overeenkomst zouden hebben gesloten (nadat Coats 24,9 % van het kapitaal van William Prym had verworven), ook al was hij niet op de hoogte van een dergelijke overeenkomst. Daarenboven waren deze ondernemingen volgens M. F. niet van plan om de betrokken markten onderling te verdelen.
|
|
73. In that regard, it should be noted that the Commission confirmed, in recital 223 of the contested decision, that it had other evidence confirming the content of the document sent by the Prym group, namely the extract from the speech of Mr D.P. of 9 November 1988 (see paragraphs 87 to 89 below), the note prepared by Mr A., dated 12 December 1991 (see paragraphs 90 to 94 below), and the minutes of the meeting with Coats Patons of 11 February 1993 (see paragraphs 95 to 100 below). That evidence will be examined below.
|
73. Dienaangaande zij opgemerkt dat de Commissie in punt 223 van de bestreden beschikking heeft verklaard dat zij over andere bewijzen beschikt die de inhoud van het door de Prym-groep overgelegde document bevestigen, namelijk een uittreksel uit de voordracht van D. P. van 9 november 1988 (zie punten 87‑89 hierna), de door A. opgestelde nota van 12 december 1991 (zie punten 90‑94 hierna) en het verslag van de bijeenkomst met Coats Patons van 11 februari 1993 (zie punten 95‑100 hierna). Deze bewijzen worden hierna onderzocht.
|
|
74. As regards the applicant’s statement that it can be inferred from the notion of full cooperation and is explicit from the 2002 Leniency Notice that the Commission should have requested William Prym to furnish evidence from former employees in order to be able to benefit from that notice, it must be found that the notice in no way required William Prym to provide statements from former employees to be able to benefit from a reduction of the fine imposed. Consequently, that complaint cannot be upheld.
|
74. Wat de verklaring van verzoekster betreft dat impliciet uit het begrip volledige medewerking en expliciet uit de mededeling inzake medewerking van 2002 blijkt dat de Commissie William Prym had moeten meedelen dat zij bewijzen moest overleggen die afkomstig waren van ex-werknemers, om aanspraak te kunnen maken op de toepassing van deze mededeling, dient te worden opgemerkt dat uit deze mededeling geenszins blijkt dat William Prym verklaringen van ex-werknemers diende te verschaffen om een verlaging van de geldboete te kunnen krijgen. Deze grief kan bijgevolg niet worden aanvaard.
|
|
– The letter of 12 April 1977 (recital 224 of the contested decision)
|
– De brief van 12 april 1977 (punt 224 van de bestreden beschikking)
|
|
75. In the applicant’s submission, the Commission misinterpreted a letter of 12 April 1977 from Mr S. (Coats’ marketing director) to Needles Industries Ltd (‘NIL’) as referring to a market-sharing cartel, when on a proper reading it relates to exclusive distribution agreements in Europe and to Coats’ acquisition of a strategic shareholding in William Prym. That letter ought to be read in the context of the various distribution initiatives launched at the meeting of 16 and 17 November 1975. Those initiatives are referred to in a draft circular letter to senior managers dated January 1976.
|
75. Verzoekster is van mening dat de Commissie een brief van S. (marketingdirecteur van Coats) aan Needles Industries Ltd (hierna: „NIL”) van 12 april 1977 verkeerd heeft geïnterpreteerd voor zover zij hierin een verwijzing naar een marktverdelingskartel ziet, hoewel uit een aandachtige lezing blijkt dat deze brief betrekking heeft op overeenkomsten inzake exclusieve distributie in Europa en op de verwerving door Coats van een strategische deelneming in het kapitaal van William Prym. Deze brief dient te worden gelezen tegen de achtergrond van de verschillende initiatieven op het gebied van distributie die tijdens de bijeenkomst van 16 en 17 november 1975 zijn opgestart. Deze projecten worden vermeld in een ontwerpbrief aan het leidinggevende personeel van januari 1976.
|
|
76. Recital 224 of the contested decision reads as follows:
|
76. Punt 224 van de bestreden beschikking luidt als volgt:
|
|
‘As early as April 1977, Coats made a clear reference in a letter to NIL, dated 10 April 1977, to a Coats-[William] Prym Agreement and a NIL-[William] Prym marketing Committee which ensured “that transactions were conducted within the spirit as well as the letter of the Coats-[William] Prym Agreement”. It is further stated that the “basic principle you [(NIL)] should bear in mind is that Prym [was] to be regarded as [a partner] and not as friendly rival ... In the event of any significant disagreement or any uncertainty as to the application of the Coats-[William] Prym Agreement to specific markets or to specific problems, [NIL] should always consult the appropriate Market Manager in Glasgow [Coats].’
|
„Reeds in april 1977 heeft Coats in een brief aan NIL van 10 april 1977, duidelijk verwezen naar een overeenkomst tussen Coats en [William] Prym en naar een marketingcomité, gevormd door NIL en [William] Prym, dat ervoor moest zorgen dat ‚de transacties plaatsvonden overeenkomstig de geest en de letter van de overeenkomst tussen Coats en [William] Prym’. Voorts staat in deze brief te lezen dat ‚het essentiële beginsel dat [NIL] voor ogen [moest] houden [was] dat Prym als een [partner] en niet als een vriendschappelijke concurrent [diende] te worden beschouwd [...] Indien grote onenigheid of onzekerheid zou rijzen over de toepassing van de overeenkomst tussen Coats en [William] Prym op specifieke markten of op specifieke problemen, [diende NIL] steeds de betrokken marktmanager te Glasgow [Coats] raadplegen.’”
|
|
77. It should be noted, at the outset, that the letter is actually dated 12 April 1977.
|
77. Vooraf zij opgemerkt dat deze brief in feite dateert van 12 april 1977.
|
|
78. The applicant refers to a letter of January 1976 and the circular of 1977 to show that the evidence in the Commission’s file also shows that there was lawful cooperation, and does so to deny the value of the other evidence showing unlawful cooperation.
|
78. Verzoekster verwijst naar een brief van januari 1976 en de circulaire van 1977 om aan te tonen dat uit de bewijselementen in het dossier van de Commissie ook blijkt dat de ondernemingen op rechtmatige wijze hebben samengewerkt, en trekt aldus de waarde van de andere bewijzen, waaruit blijkt dat zij op onrechtmatige wijze hebben samengewerkt, in twijfel.
|
|
79. However, the letter of January 1976 shows, in addition to the existence of lawful cooperation, the need to respect, in principle, market positions at that time on the markets on which there was already competition with NIL. It contains the following passage in that regard:
|
79. Uit de brief van januari 1976 blijkt evenwel niet alleen dat op rechtmatige wijze werd samengewerkt, maar ook dat de toenmalige marktposities op de markten waarop reeds concurrentie met NIL werd gevoerd, in beginsel in acht dienden te worden genomen. Deze brief bevat dienaangaande de volgende passage:
|
|
‘In markets where competition with NIL already exists, it has been agreed in principle that current market positions will be respected. In the case of fasteners, [William] Prym [is] in competition with Opti/LF in only a few European markets and discussions are taking place with Opti/LF in order to demonstrate that an association with [William] Prym is not incompatible with our present global arrangements.’
|
„Er is overeengekomen dat de huidige marktposities op de markten waarop reeds concurrentie met NIL wordt gevoerd, in beginsel in acht worden genomen. Wat de ritssluitingen betreft, voert [William] Prym slechts op enkele Europese markten concurrentie met Opti/LF en er worden gesprekken gevoerd met Opti/LF om aan te tonen dat samenwerking met [William] Prym niet onverenigbaar is met onze huidige algemene akkoorden.”
|
|
80. Moreover, as regards the letter of 12 April 1977, the applicant does not state why Mr S. was prevented from ‘referring openly, [in a letter to NIL], to a … market-sharing agreement’.
|
80. Wat voorts de brief van 12 april 1977 betreft, legt verzoekster niet uit waarom S. niet „openlijk in een brief [...] aan [NIL] naar een marktverdelingsakkoord kon verwijzen”.
|
|
– The Hugenpoet agreement (recitals 225 and 226 of the contested decision)
|
– De Hugenpoet-overeenkomst (punten 225 en 226 van de bestreden beschikking)
|
|
81. The applicant maintains that the Commission has adduced no evidence to corroborate the existence of the ‘Hugenpoet agreement’, apart from Mr A.P.’s statement, and that it failed to take account of the evidence against the existence of such an agreement, for example, the fact that William Prym pursued its business as a manufacturer of zip fasteners. The only action put forward by the Commission to support the existence of the Hugenpoet agreement is the fact that Prym outsourced its raw chain supply to Opti. However, the applicant asserts that Prym had continued to manufacture zip fasteners, and the outsourcing was done for cost reasons and not as part of a withdrawal from the zip fastener sector (see, in that regard, its response to the additional statement of objections).
|
81. Verzoekster is van mening dat de Commissie, op de verklaring van A. P. na, geen bewijzen heeft aangedragen die bevestigen dat de zogenaamde „Hugenpoet-overeenkomst” heeft bestaan, en dat zij geen rekening heeft gehouden met de bewijzen waaruit blijkt dat geen dergelijke overeenkomst heeft bestaan, zoals het feit dat William Prym haar activiteit als producent van ritssluitingen heeft voortgezet. Het enige wat de Commissie heeft aangevoerd ter ondersteuning van de stelling dat de Hugenpoet-overeenkomst heeft bestaan, is het feit dat William Prym haar bevoorrading in ritssluitingbanden had uitbesteed aan Opti. Volgens verzoekster heeft William Prym evenwel verder ritssluitingen geproduceerd, en was de uitbesteding slechts ingegeven door kostenoverwegingen en niet door de overweging dat zij zich uit de ritssluitingensector terugtrok (zie dienaangaande haar antwoord op de aanvullende mededeling van punten van bezwaar).
|
|
82. The applicant considers that the annulment of the Commission’s finding is of considerable importance in the light of the gravity and duration of any alleged infringement. It follows that, even on the most favourable view of the case for the Commission, there is a period of 11½ years (from Coats’ letter to NIL of 12 April 1977 to William Prym’s Beirat (supervisory council) of 9 November 1988) in relation to which there is no evidence that the alleged infringement continued.
|
82. Volgens verzoekster is het in het licht van de zwaarte en de duur van alle ten laste gelegde inbreuken van groot belang dat de conclusie van de Commissie ongeldig wordt verklaard. Hieruit zou immers volgen dat zelfs in de voor de Commissie gunstigste hypothese een periode van 11,5 jaar blijft bestaan [vanaf de brief van Coats aan NIL van 12 april 1977 tot de Beirat (raad van toezicht) van William Prym van 9 november 1988] waarvoor er geen bewijzen zijn dat de gestelde inbreuk is voortgezet.
|
|
83. Recitals 225 and 226 of the contested decision state the following:
|
83. De punten 225 en 226 van de bestreden beschikking luiden als volgt:
|
|
‘(225) According to [William] Prym, in the early 1980s, [itself], Coats and Opti, an independent hard haberdashery manufacturer until 1988, met within the frame of what was called the Hugenpoet agreement. [William] Prym writes: “This meant that each firm in the triumvirate was prohibited from producing and marketing the products which the other two produced and marketed. As a result, Opti sold [William] Prym its hard haberdashery marketing and packaging business in Holland ... A further result was that [William] Prym indicated its readiness to withdraw in turn from the zip fastener market. As a first step it stopped its bulk production of zip fasteners in the early 1980s and then for many years obtained supplies from Opti under a supply agreement”. [The] Prym Group (through what [William] Prym calls the “zip fastener chain supply agreement”) withdrew from the production of the main component of zip fasteners as of the early 1980’s and became a minor actor in this business until 1 July 1998 (mainly active in Germany), when Prym Fashion acquired 50% of the zip business of Bonduel Sarl and merged it with Prym Fashion’s limited zip business into a joint venture called Bonduel-Prym. Bonduel-Prym was renamed Eclair Prym after it was fully acquired by Prym Fashion in 2001.
|
„(225) Volgens [William] Prym zijn [zijzelf], Coats en Opti, die tot 1988 een onafhankelijke producent van harde fournituren was, in het begin van de jaren tachtig bijeengekomen in het kader van de zogenaamde Hugenpoet-overeenkomst. [William] Prym schrijft daarover het volgende: ‚Dit hield in dat het voor elke onderneming van dit triumviraat verboden was om de door de door de twee andere ondernemingen geproduceerde en in de handel gebrachte artikelen te produceren en in de handel te brengen. Ten gevolge hiervan heeft Opti haar verpakkings- en verkoopsafdeling voor harde fournituren in Nederland aan [William] Prym verkocht [...] Een tweede gevolg was dat [William] Prym zich bereid verklaarde om zich op haar beurt uit de markt voor ritssluitingen terug te trekken. In een eerste fase stopte zij in het begin van de jaren tachtig haar serieproductie van ritssluitingen, waarna zij zich gedurende vele jaren door Opti heeft laten bevoorraden in het kader van een leveringsovereenkomst’. De Prym-groep stopte in het begin van de jaren tachtig (op grond van wat [William] Prym de ‚leveringsovereenkomst voor ritssluitingkettingen’ noemt) de productie van het voornaamste onderdeel van ritssluitingen en werd een (vooral in Duitsland actieve) kleinere speler op deze markt tot 1 juli 1998, de datum waarop Prym Fashion 50 % van het ritssluitingenbedrijf van Bonduel Sarl heeft overgenomen en dit samen met de beperkte activiteit van Prym Fashion op dit gebied heeft ondergebracht in een joint venture met de naam Bonduel-Prym, die werd omgedoopt tot Éclair Prym, nadat zij in 2001 volledig was overgenomen door Prym Fashion.
|
|
(226) According to Coats, [William] Prym’s allegations concerning the Hugenpoet agreement are vague and inconsistent. [William] Prym acknowledges that no written record of the Hugenpoet agreement exists. However, Coats does not challenge the fact that [William] Prym did withdraw from the zip chain manufacturing business, which, according to [William] Prym’s submission, was done following the … Hugenpoet agreement and was the first step towards its commitment to withdraw from the zip manufacturing area. In any event, the Commission acknowledges that the existence of the Hugenpoet agreement is not supported by any written evidence. The Commission, however, considers that this event, as described by [William] Prym, demonstrates how the situation on the haberdashery market was changing and how Coats and [William] Prym were adapting their arrangement of market sharing to these developments. Parallel to the general market sharing for the haberdashery market, zip fasteners were the only area of overlap (in addition to needles). However, none of the undertakings were major players on the same geographical markets. [The] Prym Group was producing and distributing zips mostly in Germany and Austria and only small volumes in the neighbouring markets. Whereas in Austria, Coats was distributing zips together with Prym, in Germany it neither produced nor distributed zips before its acquisition of Opti.’
|
(226) Volgens Coats zijn de verklaringen van [William] Prym betreffende de Hugenpoet-overeenkomst vaag en incoherent. [William] Prym erkent dat er geen schriftelijk spoor van de Hugenpoet-overeenkomst bestaat. Coats betwist evenwel niet dat [William] Prym de productie van ritssluitingkettingen had stopgezet, wat zij naar eigen zeggen had gedaan op grond van de [...] Hugenpoet-overeenkomst, als een eerste stap in het kader van haar verbintenis om zich uit de sector van de ritssluitingenproductie terug te trekken. De Commissie erkent hoe dan ook dat het bestaan van de Hugenpoet-overeenkomst niet door enig schriftelijk bewijs wordt geschraagd. Zij is evenwel van mening dat deze gebeurtenis, zoals beschreven door [William] Prym, aantoont hoe de situatie op de markt voor fournituren evolueerde en hoe Coats en [William] Prym probeerden om hun marktverdelingsakkoord aan deze evolutie aan te passen. Naast deze algemene verdeling van de markt voor fournituren, vormden ritssluitingen het enige domein waarop hun activiteiten elkaar overlapten (naast de naaldensector). Zij waren evenwel niet op dezelfde geografische markten prominent aanwezig. De Prym-groep produceerde en verdeelde voornamelijk in Duitsland en Oostenrijk ritssluitingen; op de naburige markten verkocht zij slechts kleine hoeveelheden. Coats verkocht in Oostenrijk haar ritssluitingen samen met Prym, terwijl zij in Duitsland nooit ritssluitingen heeft geproduceerd of verkocht vóór de overname van Opti.”
|
|
84. It is apparent from recital 226 of the contested decision that the Commission recognised that the statement in the Prym group’s applications to benefit from the 1996 and 2002 Leniency Notices, regarding the existence of the Hugenpoet agreement, is not corroborated by any written evidence. However, the Hugenpoet agreement shows, in the Commission’s view, the development of the situation on the market and the relationship between the undertakings concerned. At the time of the 1977 agreement, their priority was to separate their main markets, assigning hard haberdashery items to William Prym and thread to Coats, whereas the zip fastener sector constituted one of the two areas where their activities overlapped.
|
84. Uit punt 226 van de bestreden beschikking blijkt dat de Commissie heeft erkend dat de verklaring over het bestaan van de Hugenpoet-overeenkomst in de verzoeken van de Prym-groep om toepassing van de mededelingen inzake medewerking van 1996 en 2002 niet door enig schriftelijk bewijs wordt gestaafd. Volgens de Commissie toont deze overeenkomst evenwel aan dat de situatie op de markt en de relatie tussen de betrokken ondernemingen evolueerden. Ten tijde van de overeenkomst van 1977 was hun prioriteit om hun voornaamste markten op te splitsen, waarbij de harde fournituren aan William Prym en het garen aan Coats werden toegewezen, terwijl de sector van de ritssluitingen een van de twee domeinen vormde waarop hun activiteiten elkaar overlapten.
|
|
85. The applicant’s argument that William Prym continued to manufacture zip fasteners and that the outsourcing of its raw chain supply was done for cost reasons and not as part of a withdrawal from the zip fastener sector could be corroborated, in part, by the supply contract concluded between Opti and William Prym, which expired on 31 March 1999. By contrast, with the exception of the applicant’s assertion as to the continuation of William Prym’s manufacturing of zip fasteners, the file does not contain any evidence supporting the claim that William Prym continued with that activity.
|
85. Het argument van verzoekster dat William Prym de productie van ritssluitingen had voortgezet, dat de uitbesteding van haar bevoorrading in ritssluitingbanden slechts was ingegeven door kostenoverwegingen en niet door de overweging dat zij zich uit de ritssluitingensector terugtrok, zou gedeeltelijk kunnen worden gestaafd door de leveringsovereenkomst tussen Opti en William Prym, die verstreek op 31 maart 1999. Het dossier bevat evenwel geen bewijzen die de stelling ondersteunen dat William Prym de productie van ritssluitingen heeft voortgezet, op de verklaring van verzoekster na dat deze activiteit is voortgezet.
|
|
86. So far as concerns the probative value of the statements of the Prym group, the Commission itself admits that the latter cannot be used as sufficient evidence of the agreement to share markets concluded in the 1970s. However, it submits that, even if account is not taken of the Hugenpoet agreement, the existence of the agreement to share markets dating back to the 1970s cannot be denied. It adds that the existence of the Hugenpoet agreement is also plausible in light of the Prym group’s criticism of the acquisition of Opti. Even if the existence of an agreement had not been corroborated by evidence dating from the time of the infringement, the Prym group’s statement in that regard refers to a period (the 1980s) in relation to which the Commission regards itself as holding enough evidence to prove the infringement. Moreover, the Commission argues, given that the Prym group’s statement proved to be reliable in other regards and that it went against its own interests, there is also no reason to doubt its credibility in relation to the existence of that agreement.
|
86. Wat de bewijswaarde van de verklaringen van de Prym-groep betreft, erkent de Commissie zelf dat deze geen toereikend bewijs vormen van de in de jaren zeventig gesloten marktverdelingovereenkomst. Zij betoogt evenwel dat, zelfs indien de Hugenpoet-overeenkomst buiten beschouwing wordt gelaten, het bestaan van de marktverdelingsovereenkomst, die teruggaat tot de jaren zeventig, niet kan worden ontkend. Zij voegt hieraan toe dat de kritiek van de Prym-groep op de overname van Opti het eveneens aannemelijk maakt dat de Hugenpoet-overeenkomst heeft bestaan. Het bestaan van een overeenkomst werd weliswaar niet gestaafd door bewijzen uit de periode waarin de inbreuk is gepleegd, maar de verklaring van de Prym-groep dienaangaande heeft betrekking op een periode (de jaren tachtig) waarvoor de Commissie meent te beschikken over voldoende bewijzen dat de inbreuk heeft plaatsgevonden. Bovendien is de verklaring van de Prym-groep op andere punten betrouwbaar gebleken en gaat zij in tegen haar eigen belangen, zodat er evenmin reden is om te twijfelen aan de betrouwbaarheid ervan voor zover het gaat om het bestaan van deze overeenkomst.
|
|
– The Beirat meeting of 9 November 1988 (recitals 227 to 230 of the contested decision)
|
– De bijeenkomst van de Beirat van 9 november 1988 (punten 227‑230 van de bestreden beschikking)
|
|
87. The applicant claims, in substance, that the Commission misinterpreted the minutes of William Prym’s Beirat of 9 November 1988 as a reference to the 1977 agreement. In the applicant’s view, it was more probably a reference to a report commissioned by William Prym (see recitals 227 and 230 of the contested decision). No credible evidence of the existence of the Hugenpoet agreement has been produced. Consequently, there is a gap of more than 11 years in the alleged continued application of the 1977 agreement.
|
87. Verzoekster betoogt in wezen dat de Commissie de notulen van de Beirat van William Prym van 9 november 1988 ten onrechte aldus heeft opgevat dat zij verwijzen naar de overeenkomst van 1977. Volgens haar is het waarschijnlijker dat zij verwijzen naar een verslag dat op verzoek van William Prym is opgesteld (zie punten 227 en 230 van de bestreden beschikking). Er is geen geloofwaardig bewijs geleverd dat de Hugenpoet-overeenkomst heeft bestaan. Bijgevolg zit er een gat van meer dan elf jaar in de periode waarin de overeenkomst van 1977 zogenaamd continu is toegepast.
|
|
88. The speech at issue here was delivered by Mr D.P. on 9 November 1988 to William Prym’s Beirat, shortly after Coats’ acquisition of the zip fastener manufacturer, Opti.
|
88. Het gaat in casu om een voordracht die D. P. op 9 november 1988 heeft gehouden voor de Beirat van William Prym, korte tijd nadat Coats ritssluitingenproducent Opti had overgenomen.
|
|
89. It is in fact evident from that speech that Mr D.P. accused Mr B., CEO of Coats and a member of William Prym’s Beirat, of having failed to respect Coats’ obligations towards William Prym by purchasing Opti without consulting it, contrary to the interests of William Prym that had been set out in writing.
|
89. Uit deze voordracht blijkt in feite dat D. P. aan B., algemeen directeur van Coats en lid van de Beirat van William Prym, verwijt de verplichtingen van Coats ten opzichte van William Prym niet in acht te hebben genomen door Opti over te nemen zonder haar te raadplegen, wat indruisde tegen de schriftelijk vastgelegde belangen van William Prym.
|
|
– William Prym’s memorandum of 12 December 1991 (recital 231 of the contested decision)
|
– De nota van William Prym van 12 december 1991 (punt 231 van de bestreden beschikking)
|
|
90. The applicant claims, in substance, that the Commission failed to take account of William Prym’s memorandum of 12 December 1991, which suggests that the content of the 1977 agreement could be known only to two persons and that, following the respective death and retirement of those persons (Mr B. and Mr E.F.), the agreement was not sent to William Prym’s general management. The applicant asserts that the reference in that note to an agreement concluded in 1975 corresponds in reality to the meeting in Stolberg held on 16 and 17 November 1975. The applicant notes that the Commission made the same incorrect interpretation of a legitimate commitment not to compete in the case which gave rise to the adoption of Commission Decision C (2004) 4221 final of 26 October 2004 relating to a proceeding under Article 81 [EC] (Case COMP/F-1/38.338 – PO/Needles). In that case, Coats was protected both as the exclusive purchaser from Entaco by an obligation placed on Entaco not to compete in Coats’ main sales territories. The Commission considered that this amounted to market-sharing, but in Coats , paragraph 35 above, the Court annulled that finding and held that there had been legitimate protection. The applicant refers, in particular, to paragraph 150 of that judgment.
|
90. Verzoekster stelt in wezen dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met de nota van William Prym van 12 december 1991, waarin te kennen wordt gegeven dat slechts twee personen van de inhoud van de overeenkomst van 1977 op de hoogte konden zijn en dat deze overeenkomst na het overlijden en de pensionering van deze personen (B. en E. F.) niet aan de algemene directie van William Prym was bezorgd. Volgens verzoekster heeft de verwijzing in deze nota naar een overeenkomst van 1975 in werkelijkheid betrekking op de bijeenkomst te Stolberg van 16 en 17 november 1975. Verzoekster merkt op dat de Commissie dezelfde interpretatiefout heeft gemaakt met betrekking tot een rechtmatig niet-concurrentiebeding in de zaak die heeft geleid tot de vaststelling van beschikking C(2004) 4221 def. van 26 oktober 2004 inzake een procedure op grond van artikel 81 EG (zaak COMP/F‑1/38.338 – PO/naalden). In die zaak was Coats als exclusieve afnemer van Entaco beschermd door de verplichting van deze laatste om haar in haar voornaamste verkoopsgebieden niet te beconcurreren. De Commissie was van mening dat het ging om een marktverdeling, maar in het hierboven in punt 35 aangehaalde arrest Coats heeft het Gerecht deze conclusie verworpen en geoordeeld dat sprake was van een rechtmatige beschermingsmaatregel. Verzoekster verwijst met name naar punt 150 van dat arrest.
|
|
91. Recital 231 of the contested decision states the following:
|
91. Punt 231 van de bestreden beschikking luidt als volgt:
|
|
‘Coats quotes the memorandum of 12 December 1991 contained in the Commission file. It suggests that the [memorandum] was probably prepared by Mr A. of [William] Prym as the initials “vA” can be found on the top of the memo. The first paragraph of the document explicitly refers to the negotiations of 1975 for the distribution agreement and sharing of areas between [William] Prym and Coats. The negotiation leaders were Mr B. (Coats) and Mr E.F. ([William] Prym). Coats cites this document to support its argument that the text of the 1977 agreement, even if it was concluded, was made available only to the negotiators, namely Mr B. and Mr E.F. This evidence clearly indicates the existence of a market sharing agreement, which established the partitioning of markets between [William] Prym and Coats. By bringing this evidence to [the] Commission’s attention, Coats contradicts its previous arguments that such [an] agreement did not exist. Furthermore, the fact that its text was accessible only to Mr B. and Mr E.F. in 1991 does not necessarily mean that their successors were unaware of its existence. The memorandum of 12 December 1991 clearly refers to the market sharing agreement, [the] existence of which was not confidential. Therefore, more persons were aware of the existence of such agreement already in 1991. In any event, documents discussed in recitals (232) to (234), (237), (239), (240) and (242) prove that the relationship between [William] Prym and Coats continued to evolve around market sharing even after Mr B. and Mr E.F.’s departure from the management of the two companies’.
|
„Coats haalt de nota van 12 december 1991 aan die in het dossier van de Commissie is opgenomen. Zij merkt op dat de nota waarschijnlijk is opgesteld door A., die voor [William] Prym werkt, aangezien de nota bovenaan de initialen ‚vA’ bevat. In de eerste paragraaf van het document wordt uitdrukkelijk verwezen naar de onderhandelingen van 1975 met betrekking tot de distributieovereenkomst en de verdeling van de geografische zones tussen [William] Prym en Coats. De onderhandelaars waren B. (voor Coats) en E. F. (voor [William] Prym). Coats haalt dit document aan ter ondersteuning van haar stelling dat de tekst van de overeenkomst van 1977, zo deze al gesloten zou zijn, enkel ter beschikking stond van de onderhandelaars, namelijk B. en E. F. Uit dit bewijsstuk blijkt duidelijk dat er een marktverdelingsovereenkomst was waarbij de markten tussen [William] Prym en Coats werden verdeeld. Door de aandacht van de Commissie op dit bewijsstuk te vestigen, spreekt Coats zichzelf tegen, aangezien zij eerder heeft verklaard dat een dergelijke overeenkomst niet bestond. Voorts betekent het feit dat de tekst ervan in 1991 enkel ter beschikking stond van B. en E. F. niet noodzakelijkerwijs dat hun opvolgers niet op de hoogte waren van het bestaan ervan. De nota van 12 december 1991 verwijst duidelijk naar de marktverdelingsovereenkomst, waarvan het bestaan niet geheim was. Reeds in 1991 waren er dus meer personen van het bestaan van deze overeenkomst op de hoogte. De in de punten 232 tot en met 234, 237, 239, 240 en 242 onderzochte documenten bewijzen hoe dan ook dat de verdeling van de markten centraal bleef staan in de betrekkingen tussen [William] Prym en Coats, zelfs nadat B. en E. F. niet langer deel uitmaakten van de directie van de twee ondernemingen.”
|
|
92. It is clear from the memorandum of 12 December 1991 that an agreement to share markets was entered into in 1975 following the negotiations led by Mr B. and Mr E.F., as a condition of close cooperation. Moreover, according to the author of that memorandum, the result of those negotiations was noted in a confidential document, which was accessible only to the negotiators themselves. Finally, in the second paragraph of that memorandum, Mr A. states that, in his view, the main element of the agreement was a statement whereby William Prym committed itself not to become commercially active directly or indirectly in the area of hand sewing and embroidery thread, whereas Coats committed itself, beyond the already tolerated exception regarding NIL and Linhas Corrente Ltda Brasil, not to develop directly or indirectly any commercial activity in the area of hard haberdashery.
|
92. Uit de nota van 12 december 1991 blijkt dat in 1975 na onderhandelingen tussen B. en E. F. een marktverdelingsovereenkomst is gesloten, die een voorwaarde vormde voor nauwe samenwerking. Bovendien is de uitkomst van deze onderhandelingen volgens de auteur van deze nota in een vertrouwelijk document vastgelegd, dat slechts toegankelijk was voor de onderhandelaars zelf. Ten slotte merkt A. in de tweede paragraaf van deze nota op dat de kern van de overeenkomst volgens hem werd gevormd door de verklaring van William Prym waarbij deze zich ertoe verbond, direct noch indirect commerciële activiteiten op het gebied van naai- en borduurgaren te ontplooien, terwijl Coats zich ertoe verbond, direct noch indirect commerciële activiteiten op het gebied van harde fournituren te ontplooien, op de – reeds gedoogde – uitzondering voor NIL en Linhas Corrente Ltda Brasil na.
|
|
93. Consequently, the applicant’s argument that the content of the 1977 agreement could have been known only by two persons and, following, the respective death and retirement of Mr B. and Mr E.F., it had not been sent to William Prym’s general management, cannot be upheld, since it is established that, on 12 December 1991, at the very least, the author of the memorandum knew of the existence and the content of such an agreement.
|
93. Het argument van verzoekster dat slechts twee personen van de inhoud van de overeenkomst van 1977 op de hoogte konden zijn, en dat deze na het overlijden respectievelijk de pensionering van deze personen niet aan de algemene directie van William Prym is bezorgd, kan dus niet worden aanvaard, aangezien vaststaat dat de auteur van de nota ten laatste op 12 december 1991 op de hoogte was van het bestaan en de inhoud van deze overeenkomst.
|
|
94. As regards the applicant’s argument that the memorandum refers to the agreement concluded in 1975, which corresponded, in reality, to the meeting held in Stolberg on 16 and 17 November 1975, it is sufficient to note that the fact that the agreement could have been concluded orally in 1975 and confirmed in the minutes of that meeting does not preclude a paper version of that agreement from having been drawn up in 1977 (see also paragraph 67 above).
|
94. Wat het argument van verzoekster betreft dat deze nota verwijst naar de overeenkomst van 1975, die in werkelijkheid is gesloten op de bijeenkomst te Stolberg van 16 en 17 november 1975, kan worden volstaan met de opmerking dat het feit dat de overeenkomst mogelijkerwijs in 1975 mondeling is gesloten en in het verslag van deze bijeenkomst is bevestigd, niet uitsluit dat deze overeenkomst vervolgens in 1977 op papier is gezet (zie eveneens punt 67 hierboven).
|
|
– The meeting of 11 February 1993 (recital 232 of the contested decision)
|
– De bijeenkomst van 11 februari 1993 (punt 232 van de bestreden beschikking)
|
|
95. The applicant maintains that the Commission was wrong to take the view that a statement made by Mr J.G., representing William Prym, dated 11 February 1993, referred to a market-sharing agreement, when the Court had held that that statement did not implicate Coats and the Commission had not demonstrated ‘the anti-competitive nature of the meeting’, still less that the statement referred to the 1977 agreement ( Coats , paragraph 35 above, paragraph 91).
|
95. Verzoekster is van mening dat de Commissie ten onrechte ervan is uitgegaan dat in een op 11 februari 1993 afgelegde verklaring van J. G., die William Prym vertegenwoordigde, naar een marktverdelingsovereenkomst werd verwezen, terwijl het Gerecht had geoordeeld dat deze verklaring geen betrekking had op Coats en dat de Commissie niet had aangetoond dat de bijeenkomst een mededingingsverstorend doel had, laat staan dat de verklaring verwees naar de overeenkomst van 1977 (arrest Coats, aangehaald in punt 35, punt 91).
|
|
96. The Commission pointed out, at the hearing, that, in paragraph 91 of Coats , paragraph 35 above, the Court examined the meeting at issue in isolation, since at the time it was not privy to a range of information like the Court is today, which led the Court, in that judgment, to consider that the meeting did not have an anti‑competitive object.
|
96. De Commissie heeft ter terechtzitting gepreciseerd dat het Gerecht in punt 91 van het hierboven in punt 35 aangehaalde arrest Coats de betrokken bijeenkomst op zich had onderzocht, aangezien het toen nog geen toegang had tot een hele reeks informatie waarover het thans beschikt, en dat zij dientengevolge in dat arrest heeft geoordeeld dat de bijeenkomst geen mededingingsverstorend doel had.
|
|
97. It is apparent from the applicant’s argument that it is not disputing either the holding of the meeting or its presence at the meeting. On the other hand, it submits that the Commission has not shown, to the requisite legal standard, the anti‑competitive nature of that meeting, and it disputes the Commission’s interpretation of Mr J.G.’s statement.
|
97. Uit het betoog van verzoekster blijkt dat zij niet betwist dat de bijeenkomst heeft plaatsgevonden en dat zij daarop aanwezig was. Zij stelt evenwel dat de Commissie niet rechtens genoegzaam heeft aangetoond dat deze bijeenkomst een mededingingsverstorend doel had, en zij betwist de wijze waarop de Commissie de verklaring van J. G. heeft geïnterpreteerd.
|
|
98. As regards the first assertion, it should be noted that it is apparent from point 11 of the minutes of the meeting of 11 February 1993 that Mr J.G. alluded to the background of the relationship between Coats and William Prym, the latter being regarded as responsible for hard haberdashery. According to him, Coats was morally required to resolve the situation regarding NIL in place at that time, so that the original intention of Coats’ controlling the manufacture of soft haberdashery and Prym being the supplier of hard haberdashery could finally be achieved.
|
98. Wat de eerste stelling betreft, dient te worden opgemerkt dat uit punt 11 van het verslag van de bijeenkomst van 11 februari 1993 blijkt dat J. G. heeft verwezen naar de achtergrond van de betrekkingen tussen Coats en William Prym, die werd geacht zich bezig te houden met harde fournituren. Volgens hem was Coats moreel verplicht om een oplossing te vinden voor de situatie waarin NIL zich toentertijd bevond, zodat het oorspronkelijke plan, volgens hetwelk Coats de productie van zachte fournituren in handen diende te hebben en de levering van harde fournituren aan William Prym diende over te laten, eindelijk kon worden gerealiseerd.
|
|
99. So far as concerns paragraph 91 of Coats , paragraph 35 above, it should be noted that the Court examined there the agreements in the needle sector, concluded between William Prym and Entaco, of which Coats was not a direct signatory. Entaco and William Prym had signed a framework agreement, which came into force on 10 September 1994. That agreement was entered into by the parties with a view to acquiring NIL’s finishing and packaging business (formerly held by Coats Holdings) and took effect on the date of that acquisition. The Court concluded, in that case, that the anti‑competitive nature of the meeting of 11 February 1993 had not been established beyond doubt, in particular, because the words ‘there was a moral obligation on Coats to tidy up the present [NIL] situation’ were relatively ambiguous in the context of the sale of a business and were not necessarily a reference to market sharing, in so far as they could equally mean that Coats was required to accept William Prym’s earlier offer instead of selling NIL to Entaco. The Court also stated that the rest of the minutes had no relevance.
|
99. Wat punt 91 van het hierboven in punt 35 aangehaalde arrest Coats betreft, zij eraan herinnerd dat het Gerecht daarin de overeenkomsten in de naaldensector heeft onderzocht die tussen William Prym en Entaco waren gesloten, en dat Coats niet rechtstreeks bij de ondertekening hiervan betrokken was. Entaco en William Prym hadden een kaderovereenkomst gesloten, die op 10 september 1994 in werking was getreden. De partijen hebben deze overeenkomst gesloten met het oog op de overname van de verpakkings- en afwerkingsactiviteiten van NIL (die vroeger in handen was van Coats Holdings) en zij is in werking getreden op de datum van deze overname. Het Gerecht is in casu tot de conclusie gekomen dat niet onbetwistbaar vaststond dat de bijeenkomst van 11 februari 1993 een mededingingsverstorend doel had, met name omdat de zin dat „Coats moreel verplicht was om een oplossing te vinden voor de huidige situatie van [NIL]” nogal dubbelzinnig was in de context van de verkoop van een bedrijf en niet noodzakelijkerwijs verwees naar een verdeling van de markt, aangezien het ook kon betekenen dat Coats het vorige aanbod van William Prym diende te aanvaarden in plaats van NIL aan Entaco te verkopen. Het Gerecht heeft in zijn arrest voorts gepreciseerd dat de rest van de notulen evenmin relevant was.
|
|
100. So far as concerns the second assertion, it should be noted that it is apparent from the statement of Mr J.G., noted in the minutes of the meeting at issue, read in conjunction with the provisions of the 1977 agreement (see paragraph 65 above), that that agreement continued to impose on each party the obligation not to establish themselves on the other’s markets. That is also the reason why the Commission referred to that note (see recital 232 of the contested decision).
|
100. Wat de tweede stelling betreft, zij opgemerkt dat uit de – in het verslag van de betrokken bijeenkomst opgenomen – verklaring van J. G., gelezen in samenhang met de bepalingen van de overeenkomst van 1977 (zie punt 65 hierboven), blijkt dat deze overeenkomst elke partij verder verplichtte om van de markten van de andere weg te blijven. Dit is overigens de reden waarom de Commissie naar bovengenoemde nota heeft verwezen (zie punt 232 van de bestreden beschikking).
|
|
– The sale of Coats’ shareholding in William Prym (recitals 233 to 236 of the contested decision)
|
– De overdracht door Coats van haar deelneming in het kapitaal van William Prym (punten 233‑236 van de bestreden beschikking)
|
|
101. The applicant claims, in substance, that the Commission did not take account of the fact that the 1995 Cooperation Agreement and the September 1997 Umbrella Agreement (‘the 1997 Umbrella Agreement’) marked a distinct change in relations between Coats and Prym and that they would have been redundant if the 1977 agreement had prevailed.
|
101. Verzoekster betoogt in wezen dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met het feit dat het samenwerkingsakkoord van 1995 en het kaderakkoord van september 1997 (hierna: „kaderakkoord van 1997”) een aanzienlijke verandering in de betrekkingen tussen Coats en William Prym hadden ingeluid en dat zij overbodig waren geweest indien de overeenkomst van 1977 had geprimeerd.
|
|
102. In the first place, the applicant maintains that the commercial relations between Coats and William Prym had changed fundamentally since Coats sold its shareholding in William Prym at the end of 1994. In the second place, as regards the 11 June 1996 meeting (see recital 233 of the contested decision), it submits that it concerned only cooperation on distribution. It refers, in particular, to the corollary of the designation as exclusive distributor, namely an obligation not to manufacture or distribute competing products. In the third place, as regards the Commission’s theory, developed in recitals 234 and 236 of the contested decision, that the 1997 Umbrella Agreement confirms that ‘Coats and [William] Prym were still acting in a spirit of sharing markets with non-compete strategies’, the applicant maintains that the Commission has failed to adduce the slightest evidence of a causal link between the Umbrella Agreement and the 1977 agreement. The applicant concludes that what might have existed in the past was superseded by a limited arrangement for cooperation in distribution on markets aimed at individuals.
|
102. In de eerste plaats is verzoekster van mening dat de commerciële betrekkingen tussen Coats en William Prym ingrijpend zijn gewijzigd sinds Coats eind 1994 haar deelneming in het kapitaal van William Prym heeft verkocht. In de tweede plaats stelt zij dat de bijeenkomst van 11 juni 1996 (zie punt 233 van de bestreden beschikking) enkel betrekking had op de samenwerking op het gebied van de distributie. Zij verwijst met name naar de tegenprestatie die zij voor hun aanwijzing als exclusieve distributeur dienden te leveren, namelijk de verplichting om geen concurrerende producten te vervaardigen en te verdelen. Wat in de derde plaats de in de punten 234 en 236 van de bestreden beschikking ontwikkelde theorie van de Commissie betreft dat het kaderakkoord van 1997 bevestigt dat „Coats en [William] Prym nog steeds in het kader van een niet-concurrentiestrategie de markten verdeelden”, stelt verzoekster dat de Commissie geen enkel bewijs heeft geleverd dat er een causaal verband bestaat tussen dit kaderakkoord en de overeenkomst van 1977. Verzoekster komt tot de slotsom dat al wat mogelijkerwijs in het verleden heeft bestaan, is vervangen door een beperkt akkoord inzake samenwerking op de markten voor particulieren.
|
|
103. Recital 233 of the contested decision states:
|
103. Punt 233 van de bestreden beschikking luidt als volgt:
|
|
‘In December 1994 Coats sold its stake in William Prym to the Prym family, which took effect as of 31 December 1994. According to [the applications made by the Prym group pursuant to the 1996 and 2002 Leniency Notices], in February 1995 the co-operation between Coats and [William] Prym in the European market was placed on a regular footing, and both parties agreed that its continuation would be of interest for both parties. [The] Prym Group, however, did not submit more information as to exactly how this was done. [William] Prym and Coats met on 11 June 1996 in Stolberg … where Mr D.[G.] of Coats stated:
|
„In december 1994 verkoopt Coats, met ingang van 31 december 1994, haar deelneming in William Prym aan de familie Prym. Volgens [de verzoeken van de Prym-groep om toepassing van de mededelingen inzake medewerking van 1996 en 2002], is de samenwerking tussen Coats en [William] Prym op de Europese markt in februari 1995 geregulariseerd, en waren beide partijen het erover eens dat het in hun beider belang was om deze samenwerking voort te zetten. De Prym-groep heeft evenwel geen andere informatie verstrekt over de wijze waarop dit precies in zijn werk ging. [William] Prym en Coats zijn op 11 juni 1996 te Stolberg bijeengekomen [...]. D. G., die voor Coats werkt, heeft bij die gelegenheid het volgende verklaard:
|
|
“Coats Craft distribution strategy in Europe is to cooperate wherever possible with leading suppliers of branded products such as [William] Prym and not to introduce own brands. If a partnership arrangement is implemented then Coats would withdraw existing own brands.”’
|
‚De distributiestrategie van [de vennootschap] Coats Craft in Europa bestaat erin, zo veel mogelijk samen te werken met de grote leveranciers van merkproducten, zoals [William] Prym, en niet haar eigen merken te lanceren. Wanneer een partnerschap wordt opgezet, trekt Coats haar eigen merken in.’”
|
|
104. The Commission refers to recital 234 of the contested decision to show that, after 1995, following Coats’ sale of its stake in William Prym, the two undertakings were still acting in a spirit of sharing markets with non-compete strategies. This, it states, is confirmed by the Prym group.
|
104. De Commissie verwijst naar punt 234 van de bestreden beschikking om aan te tonen dat de twee ondernemingen na 1995, nadat Coats haar deelneming in het kapitaal van William Prym had verkocht, de markten verder hebben verdeeld door de toepassing van niet-concurrentiestrategieën. Deze vaststelling wordt volgens haar bevestigd door de Prym-groep.
|
|
105. Point 9 of the Prym group’s application for leniency pursuant to the 2002 Leniency Notice states:
|
105. Punt 9 van het verzoek van de Prym-groep om toepassing van de mededeling inzake medewerking van 2002 luidt als volgt:
|
|
‘[William] Prym wished to ensure by means of this agreement that the marketing of Prym products through Coats’ marketing channels remained secure. The Umbrella Agreement regulates cooperation in both the industrial and the commercial sector. Coats, for its part, was interested in marketing further products through its costly marketing apparatus. It was particularly interested in [William] Prym’s strong branded products.’
|
„[William] Prym wilde er met dit akkoord voor zorgen dat de verkoop van haar producten via de verkoopkanalen van Coats verzekerd was. Het kaderakkoord regelt de samenwerking op zowel industrieel als commercieel gebied. Coats, van haar kant, wilde via haar dure verkoopapparaat andere producten verkopen. Zij was in het bijzonder geïnteresseerd in de sterke merkproducten van [William] Prym.”
|
|
106. The applicant states that that agreement was indeed signed on 3 September 1997 and established a broad framework for joint distribution of consumer haberdashery products (see recital 235 of the contested decision). It submits that it is hard to see why there would have been a need for the 1997 agreement if the 1977 agreement had actually continued to apply, as the latter ‘laid down the principles that neither party would distribute products competing with the other party’s’ (see its response to the supplementary statement of objections).
|
106. Verzoekster stelt dat dit akkoord is ondertekend op 3 september 1997 en dat het een ruim kader creëert voor de gezamenlijke distributie van fournituren op de consumentenmarkt (zie punt 235 van de bestreden beschikking). Zij betoogt dat moeilijk valt in te zien waarom het kaderakkoord van 1997 had moeten worden gesloten indien de overeenkomst van 1977 daadwerkelijk verder van kracht was geweest, aangezien in deze overeenkomst „het beginsel was vastgelegd dat geen van beide partijen producten mocht verdelen die met die van de andere partij concurreerden” (zie haar antwoord op de aanvullende mededeling van punten van bezwaar).
|
|
107. Point 5 of the 1997 Umbrella Agreement states:
|
107. Punt 5 van het kaderakkoord van 1997 luidt als volgt:
|
|
‘The agreement will cover hard haberdashery and elastics products, manufactured or sourced, packaged and branded by Prym Consumer, thread and related accessory projects manufactured or sourced and branded by Coats, plus other products as appropriate to individual markets.’
|
„Het akkoord betreft harde fournituren en elastische producten die zijn geproduceerd, uitbesteed, verpakt en van een merk voorzien door [de vennootschap] Prym Consumer, en garen en toebehoren dat is geproduceerd of uitbesteed en van een merk voorzien door Coats, alsook, in voorkomend geval, andere producten voor specifieke markten.”
|
|
108. In that regard, it should be noted, first of all, that, in the Commission’s view, the memorandum relating to the meeting of 11 June 1996 and the signing of the 1997 Umbrella Agreement are not, in themselves, evidence of the existence of a cartel, but they also do not indicate that Coats had withdrawn from such a cartel.
|
108. Dienaangaande zij in de eerste plaats opgemerkt dat de nota betreffende de bijeenkomst van 11 juni 1996 en de ondertekening van het kaderakkoord van 1997 volgens de Commissie op zich geen bewijs vormen van het bestaan van het kartel, maar evenmin erop wijzen dat Coats zich hieruit heeft teruggetrokken.
|
|
109. Secondly, in recital 236 of the contested decision, the Commission claimed that the 1977 agreement provided, first, that Coats and Prym Consumer would set up exclusive supply and distribution contracts for their respective products, that is to say hard haberdashery manufactured by Prym Consumer and soft haberdashery manufactured by Coats and, second, that a framework agreement would establish rules for the joint distribution of the parties’ products, but not regulate the manufacturing or distribution of the competing products.
|
109. In de tweede plaats heeft de Commissie in punt 236 van de bestreden beschikking gesteld dat in de overeenkomst van 1977 was bepaald, ten eerste, dat Coats en Prym Consumer exclusieve leverings- en distributieovereenkomsten zouden opstellen voor hun respectieve producten, dat wil zeggen voor de door Prym Consumer geproduceerde harde fournituren en voor de door Coats geproduceerde andere fournituren, en, ten tweede, dat de regels voor de gezamenlijke distributie van de producten van de partijen in een kaderakkoord zouden worden vastgelegd, dat evenwel niet de productie of de distributie van concurrerende producten zou regelen.
|
|
110. However, it should be noted that the second finding is erroneous, since it is apparent from point 5 of the framework agreement cited in paragraph 107 above that that agreement also covered the exclusive distribution of competing products (hard haberdashery manufactured by William Prym and thread and related accessory projects manufactured by Coats), plus other specific products.
|
110. Deze tweede vaststelling is evenwel verkeerd, aangezien uit punt 5 van het hierboven in punt 107 aangehaalde kaderakkoord blijkt dat het ook betrekking had op de exclusieve distributie van concurrerende producten (harde fournituren, die werden geproduceerd door William Prym, en garen en toebehoren, die werden geproduceerd door Coats) en van andere specifieke producten.
|
|
111. None the less, the Commission rightly states that 20 years had passed since the initial 1977 agreement to share markets and that the new agreement was concluded after the commercial relations between the two undertakings had been modified, following the sale of Coats’ shareholding in William Prym.
|
111. De Commissie merkt evenwel terecht op dat 20 jaar is verstreken sinds de oorspronkelijke marktverdelingsovereenkomst van 1977 en dat de nieuwe overeenkomst is gesloten nadat de commerciële betrekkingen tussen de twee ondernemingen waren gewijzigd ten gevolge van de verkoop van Coats’ deelneming in het kapitaal van William Prym.
|
|
– The acquisition of Bonduel by William Prym and the 15 July 1998 meeting (recitals 237 to 245 of the contested decision)
|
– De overname van Bonduel door William Prym en de bijeenkomst van 15 juli 1998 (punten 237‑245 van de bestreden beschikking)
|
|
112. The applicant submits that the Commission was wrong to take the view that the minutes of the meeting held in Stolberg on 15 July 1998 referred to the 1977 agreement. According to the applicant, those minutes referred solely to the agreement between William Prym and Opti for its raw chain supply (see paragraph 81 above) and also to the 1997 Umbrella Agreement.
|
112. Verzoekster stelt dat de Commissie ten onrechte ervan is uitgegaan dat in de notulen van de bijeenkomst te Stolberg van 15 juli 1998 wordt verwezen naar de overeenkomst van 1977. Volgens verzoekster wordt in deze notulen enkel verwezen naar de overeenkomst tussen William Prym en Opti inzake de levering van ritssluitingbanden (zie punt 81 hierboven) en naar het kaderakkoord van 1997.
|
|
113. At the hearing, the applicant pointed out that the Commission had itself admitted, during the present proceedings, that none of the notes concerning that meeting shows that a cartel existed. The Commission’s case, relating to the period after 1995, is thus based on the notes of a single meeting, namely that of 15 July 1998.
|
113. Ter terechtzitting heeft verzoekster erop gewezen dat de Commissie zelf in de onderhavige procedure heeft erkend dat de notities met betrekking tot deze bijeenkomst niet aantonen dat een mededingingsregeling heeft bestaan. Het bewijsmateriaal van de Commissie voor de periode na 1995 bestaat dus uit de notities met betrekking tot één enkele bijeenkomst, namelijk die van 15 juli 1998.
|
|
114. According to the applicant, the handwritten notes which it produced are much more detailed than the typed notes of the same meeting and, unlike those notes, were drawn up at the time of that meeting. As for the credibility of those notes, the applicant emphasises that they were drawn up by Mr A.P., and do not transcribe Mr M.F.’s words verbatim. Furthermore, in his second affidavit Mr M.F. provided a perfectly plausible and legitimate explanation for his observations.
|
114. Volgens verzoekster zijn de handgeschreven notities die zij heeft overgelegd, veel gedetailleerder dan de getypte notities met betrekking tot deze bijeenkomst en zijn zij, anders dan die notities, ten tijde van die bijeenkomst genomen. Wat de betrouwbaarheid van deze notities betreft, stelt verzoekster dat deze zijn genomen door A. P., die de uiteenzetting van M. F. niet woordelijk weergeeft. Voorts heeft deze laatste in zijn tweede beëdigde verklaring een volkomen plausibele en gegronde toelichting verstrekt bij de opmerkingen die hij heeft gemaakt.
|
|
115. It is apparent from recitals 237 to 245 of the contested decision that the Commission based its decision, first, on the minutes of the meeting of 15 July 1998 and, second, on the applications for leniency of the Prym group made pursuant to the 1996 and 2002 Leniency Notices.
|
115. Uit de punten 237 tot en met 245 van de bestreden beschikking blijkt dat de Commissie zich heeft gebaseerd op de notulen van de bijeenkomst van 15 juli 1998, alsook op de verzoeken van de Prym-groep om toepassing van de mededelingen inzake medewerking van 1996 en 2002.
|
|
116. The typed notes of 7 November 2001, signed by Mr A.P., relating to the meeting which took place on 15 July 1998 with Mr M.F., state the following:
|
116. De handgeschreven notities van 7 november 2001, die zijn ondertekend door A. P. en betrekking hebben op het gesprek met M. F. van 15 juli 1998, luiden als volgt:
|
|
‘[Mr M.F.] generally spoke about the case Bonduel Prym. MF has shown his disappointment about the information which was delivered on short notice. The critics were especially based upon the fact that AP was not discussing the zip fasteners problems with Coats Opti in general meetings and that it was not brought to one’s attention that the agreement was not valid anymore.
|
„MF sprak in het algemeen over de zaak Bonduel Prym. Hij was teleurgesteld door het feit dat hij laat was ingelicht. Zijn kritiek betrof met name het feit dat AP de problemen met de ritssluitingen niet tijdens de algemene vergaderingen met Coats Opti besprak en dat ons niet was meegedeeld dat de overeenkomst niet langer gold.
|
|
…
|
[...]
|
|
The fact that, with the acquisition of Opti in 1988, [William] Prym was also not included in the negotiations, was not mentioned.
|
Er is niet gesproken over het feit dat [William] Prym in 1988, bij de overname van Opti, evenmin bij de onderhandelingen was betrokken.
|
|
...
|
[...]
|
|
[Mr M.F.] brought up the question, whether Prym would see the constellation, that one would be free in the industry business and Coats could enter the fastener (press-buttons) markets respectively [William] Prym could enter the thread market. This question has to be answered cleanly and clearly.’
|
MF wierp de vraag op of Prym zich kon voorstellen dat ooit vrijheid zou heersen in deze industriële sector, zodat Coats de markt voor drukknopen en [William] Prym de markt voor garen zou kunnen betreden. Op deze vraag dient een duidelijk antwoord te worden gegeven.”
|
|
117. According to the Commission, that shows, first, that Coats reacted in the same way to that acquisition as William Prym reacted when Coats acquired Opti in 1988 (see paragraph 89 above). Their respective reactions confirm the existence of a continuous arrangement between the two undertakings, based upon the 1977 Agreement (see recital 238 of the contested decision). Second, it can be inferred that Mr M.F. was referring to the sharing of the markets as established at the outset in the 1977 Agreement (see recital 243 of the contested decision). Third, it follows that the initial sharing of the markets between the two undertakings (hard haberdashery for one and soft haberdashery for the other) continued to be respected by them (see recital 245 of the contested decision).
|
117. Volgens de Commissie blijkt hieruit, ten eerste, dat Coats op dezelfde wijze op deze overname heeft gereageerd als William Prym op de overname van Opti door Coats in 1988 (zie punt 89 hierboven). De reactie van beide ondernemingen bevestigt dat een voortdurende mededingingsregeling tussen de twee ondernemingen bestond, die was gebaseerd op de overeenkomst van 1977 (zie punt 238 van de bestreden beschikking). Ten tweede kan uit bovengenoemde notities worden afgeleid dat M. F. verwees naar de verdeling van de markten zoals deze oorspronkelijk in de overeenkomst van 1977 was vastgelegd (zie punt 243 van de bestreden beschikking). Ten derde blijkt uit deze notities dat de twee ondernemingen de oorspronkelijke marktverdeling (harde fournituren, enerzijds, en andere fournituren, anderzijds) nog steeds in acht namen (zie punt 245 van de bestreden beschikking).
|
|
118. The minutes of the meeting of 15 July 1998, which mention the fact that there should not be any competition in terms of prices with Opti, corroborate that finding. Moreover, it is apparent from the same passage of those minutes that William Prym was not interested in competing with Opti, especially not on prices. William Prym thus proposed discussing a solution to the zip fastener issue and the existing agreements. Furthermore, it was suggested that the undertakings at issue needed to enter into strategic dialogue.
|
118. Deze vaststelling wordt bevestigd door het verslag van de bijeenkomst van 15 juli 1998, waarin wordt gemeld dat er geen prijsconcurrentie met Opti zou mogen worden gevoerd. Voorts blijkt uit dezelfde passage van dit verslag dat William Prym geen concurrentie met Opti wilde voeren, zeker niet op het gebied van prijzen. William Prym stelde dus voor om samen te zoeken naar een oplossing voor ritssluitingen en om de bestaande akkoorden te bespreken. Verder werd gesteld dat de betrokken ondernemingen strategische besprekingen dienden te voeren.
|
|
119. Point 4 of those minutes reads:
|
119. Punt 4 van het verslag luidt als volgt:
|
|
‘The [U]mbrella [A]greement of Coats and [William] Prym was discussed …
|
„Er is gesproken over het kaderakkoord tussen Coats en [William] Prym [...]
|
|
Both parties explained that they have a lot of costs to bear in implementing this [U]mbrella [A]greement by paying costs for termination of established agreements, restructuring of the organisation and building up of new structures.’
|
Beide partijen hebben verklaard dat de uitvoering van dit kaderakkoord hoge kosten voor hen meebracht, doordat zij kosten dienden te dragen in verband met de beëindiging van gesloten akkoorden, hun organisatie op een nieuwe leest dienden te schoeien en nieuwe structuren dienden op te zetten.”
|
|
120. The evidence referred to above corroborates the Commission’s finding that the two undertakings, on the zip fastener market, began to encounter problems with respect to that common product following a series of changes in their relationship over that period. None the less, in spite of the fact that they were competitors on the zip fastener market, they continued to respect their moral commitment not to compete and stated expressly that they were not interested in competing in relation to prices on that market.
|
120. De hierboven genoemde bewijzen bevestigen de vaststelling van de Commissie dat de twee ondernemingen, nadat hun betrekkingen in de betrokken periode een aantal keren waren gewijzigd, op de markt voor ritssluitingen op problemen begonnen te stuiten met dit gemeenschappelijke product. Niettemin hebben zij, ondanks het feit dat zij concurrenten waren op de markt voor ritssluitingen, hun morele verbintenis om geen concurrentie te voeren verder in acht genomen en uitdrukkelijk verklaard dat zij op deze markt geen prijsconcurrentie wilden voeren.
|
|
121. As regards Mr M.F.’s affidavit of 24 April 2006, that statement was prepared by a representative of the applicant and sought to mitigate the applicant’s liability for the infringement found and that cannot, as a result, reduce the probative value of the documents found during the investigations and the explanations given in relation to those documents ( Lafarge v Commission , paragraph 47 above, paragraph 379).
|
121. De beëdigde verklaring van M. F. van 24 april 2006 is voorbereid door een vertegenwoordiger van verzoekster en strekt ertoe haar verantwoordelijkheid voor de vastgestelde inbreuk af te zwakken. Zij kan bijgevolg geen afbreuk doen aan de bewijswaarde van de documenten die tijdens de verificaties zijn gevonden, en van de toelichting die bij deze documenten is verstrekt (arrest Lafarge/Commissie, aangehaald in punt 47, punt 379).
|
|
122. As regards the applicant’s assertion that, at that time, it did not provide any assurances concerning competition in relation to prices, it must be found that it does not dispute, however, that the Prym group clearly provided such an assurance. In any event, if the minutes of the meeting of 15 July 1998 are not sufficient, as such, to prove the infringement, they may certainly be taken into consideration as part of a precise and coherent body of evidence, as referred to in paragraphs 38 to 40 above.
|
122. Wat de verklaring van verzoekster betreft dat zij toentertijd geen toezeggingen met betrekking tot de prijsconcurrentie heeft gedaan, moet worden vastgesteld dat zij daarentegen niet betwist dat de Prym-groep duidelijk dergelijke toezeggingen heeft gedaan. Ook al volstaat het verslag van de bijeenkomst van 15 juli 1998 als zodanig niet om de inbreuk te bewijzen, kan het hoe dan ook ontegenzeglijk in het kader van de in de punten 38 tot en met 40 genoemde verzameling nauwkeurige en overeenstemmende aanwijzingen als bewijselement in aanmerking worden genomen.
|
|
123. So far as concerns the applicant’s argument that the Commission itself admitted, during the present proceedings, that none of the notes relating to the meeting of 15 July 1998 showed the existence of a cartel, it must be found that, in its pleadings, the Commission merely stated that those documents did not, as such, constitute evidence of a cartel, but also did not show that the applicant had withdrawn from such a cartel.
|
123. Wat het argument van verzoekster betreft dat de Commissie zelf in de onderhavige procedure heeft erkend dat geen van de notities met betrekking tot de bijeenkomst van 15 juli 1998 aantoont dat een mededingingsregeling heeft bestaan, moet worden vastgesteld dat de Commissie in haar memories enkel heeft opgemerkt dat deze documenten op zich geen bewijs vormden van het kartel, maar evenmin erop wezen dat verzoekster zich hieruit had teruggetrokken.
|
|
– The exculpatory evidence
|
– De ontlastende bewijzen
|
|
124. The applicant submits that the Commission failed to take account of certain exculpatory evidence with respect to the existence of the market-sharing agreement:
|
124. Verzoekster betoogt dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met bepaalde ontlastende bewijzen, wat het bestaan van de marktverdelingsovereenkomst betreft:
|
|
– first, the minutes of a meeting held on 1 August 1989 between Coats and William Prym;
|
– ten eerste, het verslag van een bijeenkomst tussen Coats en William Prym van 1 augustus 1989;
|
|
– second, the minutes of a meeting between Mr J.G. (William Prym) and Mr R.H. (Coats) on 11 September 1989;
|
– ten tweede, het verslag van een bijeenkomst tussen J. G. (William Prym) en R. H. (Coats) van 11 september 1989;
|
|
– third, the fact that five of the six senior executives of Coats responsible for the sector over the last 10 years swore affidavits that they were not aware of the 1977 document, had not been informed of it and had never acted as though a market-sharing agreement of that type had existed.
|
– ten derde, het feit dat vijf van de zes leidinggevende kaderleden van Coats die in het laatste decennium verantwoordelijk waren voor de betrokken sector, beëdigde verklaringen hebben afgelegd waarin zij hebben gesteld dat zij niet op de hoogte waren van de overeenkomst van 1977, dat zij er niet over waren ingelicht en dat zij zich nooit hebben gedragen alsof een dergelijke marktverdelingsovereenkomst bestond.
|
|
125. As regards the first item of evidence, it should be noted that the minutes of the meeting of 1 August 1989, taken by Mr R.H. of Coats, states the following:
|
125. Wat het eerste bewijselement betreft, moet worden opgemerkt dat het verslag van de bijeenkomst van 1 augustus 1989, dat is opgesteld door R. H., een werknemer van Coats, luidt als volgt:
|
|
‘(2)(c) The “Euro Consumer” division has set, as one of its objectives, “to become the leading European supplier and marketer of a full range of all products in the category of Crafts” – this to include sewings, craft threads, zips, hard and soft haberdashery, craft kits etc.
|
„[2)] c) De afdeling ‚Europese Consument’ heeft zich onder meer tot doel gesteld ‚de grootste Europese leverancier en distributeur te worden van een volledig assortiment ambachtelijke producten’ – met inbegrip van naaigaren en ambachtelijk garen, sluitingen, harde fournituren, zachte fournituren, naaitoebehoren, enzovoort.
|
|
(d) Desirably, this would be done with [William] Prym and not against [William] Prym …
|
d) Bij voorkeur dient dit doel samen met [William] Prym, en niet met haar als tegenstander, te worden gerealiseerd [...]
|
|
(e) EF indicated that Coats strategy – i.e. (c), above – is no different to that which motivated the original 1976 decision – i.e. Coats should be the exclusive marketer for [William] Prym worldwide and this would be underpinned by a 25% Coats share in [William] Prym.
|
e) EF heeft opgemerkt dat de strategie van Coats – dat wil zeggen die welke hierboven onder punt c is omschreven – niet verschilt van die welke aan de vaststelling van de oorspronkelijke beslissing van 1976 ten grondslag ligt – dat wil zeggen dat Coats wereldwijd de exclusieve distributeur van [William] Prym diende te zijn en dat dit zou worden onderbouwd door een deelneming van 25 % die Coats in het kapitaal van [William] Prym zou nemen.
|
|
…
|
[...]
|
|
The meeting closed with agreement on both sides that the practical aspects of [the bilateral cooperation between the Coats and Prym groups] should be studied further, within certain parameters:
|
Aan het einde van de bijeenkomst waren beide partijen het erover eens dat de concrete aspecten van de [bilaterale] samenwerking [tussen de groepen] Coats en Prym verder dienden te worden onderzocht, met inachtneming van bepaalde punten:
|
|
We should limit our study initially to Europe.
|
We moeten het onderzoek tot Europa beperken.
|
|
We would study mutual exclusivity – i.e. Coats are sole distributors and only sell [William] Prym products in the hard haberdashery range.
|
Het onderzoek moet betrekking hebben op wederzijdse exclusiviteit – dat wil zeggen dat Coats de exclusieve distributeur is van de producten binnen het assortiment harde fournituren van [William] Prym en uitsluitend deze producten verkoopt.
|
|
We should seek solutions to specific “problems” –
|
Wij moeten oplossingen zoeken voor specifieke ‚problemen’ –
|
|
NIL
|
NIL
|
|
Opti: [William] Prym – zip fasteners
|
Opti: [William] Prym – ritssluitingen
|
|
“World prices” vs German costs, i.e. is Stolberg viable as a manufacturing base long term for all products[?]’
|
‚Wereldprijzen’ tegenover Duitse kosten, dat wil zeggen is Stolberg op lange termijn rendabel als productieplaats voor alle producten?”
|
|
126. The applicant maintains that it is apparent from those minutes that, if the 1977 agreement had been in force there would have been no need to study mutual exclusivity. That study would have been totally redundant, since Coats would already have been prohibited from distributing hard haberdashery that competed with [William] Prym’s products.
|
126. Volgens verzoekster blijkt uit dit verslag dat, indien de overeenkomst van 1977 van kracht was geweest, niet had hoeven te worden onderzocht of het opportuun was om wederzijdse exclusiviteit te stipuleren. Dat onderzoek zou volledig overbodig geweest zijn, aangezien het dan voor Coats reeds verboden zou zijn om harde fournituren te verdelen die concurreerden met die van [William] Prym.
|
|
127. It should be noted that, in point 2(e) of the minutes of the meeting of 1 August 1989, Mr E.F. notes that the strategy proposed by Coats in point (c) does not differ from that which motivated the initial decisions of 1976, namely that Coats become the exclusive global distributor of William Prym and, in that context, obtain a 25% shareholding in William Prym.
|
127. Vastgesteld zij dat E. F. in punt 2, sub e, van het verslag van de bijeenkomst van 1 augustus 1989 eraan herinnert dat de in punt 2, sub c, door Coats voorgestelde strategie niet verschilt van die welke aan de oorspronkelijke beslissing van 1976 ten grondslag lag, namelijk dat Coats wereldwijd de exclusieve distributeur van [William] Prym zou worden en in dit kader een deelneming van 25 % in het kapitaal van William Prym zou verwerven.
|
|
128. The participants at the meeting of 1 August 1989 agreed to study the mutual exclusivity principle – pursuant to which Coats would be the exclusive distributor and, in the hard haberdashery sector, would sell only William Prym’s goods. Moreover, certain problems had to be resolved such as the Opti/William Prym situation. It should be noted, in that regard, that, in proceeding with the acquisition of Opti, Coats did not comply with its commitments in that field (see paragraph 89 above).
|
128. De deelnemers aan de bijeenkomst van 1 augustus 1989 gingen akkoord om het beginsel van wederzijdse exclusiviteit te onderzoeken – krachtens hetwelk Coats in de sector van harde fournituren de exclusieve distributeur zou zijn van de producten van William Prym en slechts deze producten zou verkopen. Voorts dienden bepaalde problemen te worden opgelost, zoals de situatie van Opti/William Prym. Dienaangaande zij eraan herinnerd dat William Prym van mening was dat Coats haar verbintenissen op dit gebied niet was nagekomen door Opti over te nemen (zie punt 89 hierboven).
|
|
129. The fact that, ten years after the market sharing agreement, the two undertakings found it necessary to conclude a new agreement, does not mean that the initial agreement did not exist. The new agreement made it possible, in particular, to take account of developments which had taken place over the decade in question and enabled the participants to study in more depth the issue of exclusive distribution and to resolve certain problems, such as the acquisition of Opti by Coats.
|
129. Het feit dat de twee ondernemingen het tien jaar na de marktverdelingsovereenkomst nodig achtten om een nieuwe overeenkomst te sluiten, sluit niet uit dat de oorspronkelijke overeenkomst heeft bestaan. De nieuwe overeenkomst bood met name de mogelijkheid om rekening te houden met de ontwikkelingen die tijdens het betrokken decennium hadden plaatsgevonden en stelde de deelnemers in staat om de kwestie van de exclusieve distributie grondiger te onderzoeken en bepaalde problemen op te lossen, zoals de overname van Opti door Coats.
|
|
130. As regards the second item of evidence, it must be found that point 10, entitled ‘United Kingdom’, of the minutes of the meeting of 11 September 1989, shows, first, that the applicant was already represented on the English hard haberdashery market and that it was aiming to develop a new brand called ‘Stitchpoint’. Second, after acquiring Tootal, Coats was set to obtain an additional brand of hard haberdashery in the United Kingdom. The issue of William Prym’s manufacturing of zip fasteners was also raised in the discussion on NIL.
|
130. Wat het tweede bewijselement betreft, dient te worden opgemerkt dat punt 10 van het verslag van de bijeenkomst van 11 september 1989, met als opschrift „Verenigd Koninkrijk”, in de eerste plaats aantoont dat verzoekster reeds op de Engelse markt voor harde fournituren vertegenwoordigd was en dat zij de ambitie koesterde om een nieuw merk met de naam „Stitchpoint” te ontwikkelen. In de tweede plaats zou Coats na de overname van de vennootschap Tootal in het Verenigd Koninkrijk over een aanvullend merk voor harde fournituren beschikken. De productie van ritssluitingen door William Prym kwam ook ter sprake in het kader van de discussie over NIL.
|
|
131. In that regard, it must be found that the quotation to which the applicant refers concerns only the situation in the United Kingdom. The applicant had already been represented on that market (since the 1970s), thus at the time the initial agreement was concluded. The introduction of a new brand and the acquisition of Tootal thus neither modified the relationship between the two undertakings, nor their respective obligations. Consequently, the maintaining and reinforcement by Coats of its position on the United Kingdom market have no bearing, in this case, on the existence and the functioning of the cartel.
|
131. Dienaangaande zij vastgesteld dat het citaat waarnaar verzoekster verwijst, enkel betrekking heeft op de situatie in het Verenigd Koninkrijk. Verzoekster was reeds sinds de jaren zeventig, dus ten tijde van de sluiting van de oorspronkelijke overeenkomst, op die markt vertegenwoordigd. De lancering van een nieuw merk en de overname van Tootal hebben bijgevolg de betrekkingen tussen de twee ondernemingen en hun wederzijdse verplichtingen niet gewijzigd. Het behoud en de versterking van Coats’ positie op de markt van het Verenigd Koninkrijk hebben dus in casu geen gevolg voor het bestaan en de werking van het kartel.
|
|
132. As regards the third item of evidence, namely the statements of five of the six senior executives of Coats, it should be noted that, although the statements were prepared by the applicant’s representatives with a view to mitigating its liability for the infringement found, that circumstance cannot deprive them, as such, of the value attached to such statements. However, the probative value of the documents found during the inspections and the explanations given in relation to those documents is not diminished by such statements either ( Lafarge v Commission , paragraph 47 above, paragraph 379).
|
132. Wat het derde bewijselement betreft, namelijk de verklaringen van vijf van de zes leiddinggevende kaderleden van Coats, zij eraan herinnerd dat deze verklaringen weliswaar zijn voorbereid door vertegenwoordigers van verzoekster en ertoe strekten haar verantwoordelijkheid voor de vastgestelde inbreuk af te zwakken, maar dat dit op zich niet de geloofwaardigheid van dit soort verklaringen aantast. Dit kan evenwel evenmin afbreuk doen aan de bewijswaarde van de documenten die tijdens de verificaties zijn gevonden en van de toelichting die bij deze documenten is verstrekt (arrest Lafarge/Commissie, aangehaald in punt 47, punt 379).
|
|
– Conclusion
|
– Conclusie
|
|
133. In the light of the foregoing, it must be concluded that the 1977 agreement has probative value in corroborating, as part of the precise and coherent body of evidence relied on by the Commission (see paragraphs 38 to 40 above), some of the essential assertions in Mr A.P.’s statements relating to the existence of a market sharing agreement on the haberdashery market, preventing the Coats group from entering the European market for ‘other fasteners’ and the Prym group from entering the European thread market. That finding is also confirmed by other evidence examined above. Firstly, it is necessary to assess as a whole the documents discovered during the investigations, namely the letter of 12 April 1977, the minutes of the meeting of 11 February 1993, the minutes of the meeting of 11 June 1996, the 1997 Umbrella Agreement, the typed note of Mr A.P. of 7 November 2001 relating to a meeting with Mr M.F., held on 15 July 1998, and the minutes of the meeting of 15 July 1998. Secondly, it must be stressed that those documents are also supported by the documents submitted with the applications for leniency made by Prym group pursuant to the 1996 and 2002 Leniency Notices, namely the copy of the 1977 agreement, an extract of the speech of Mr D.P. of 9 November 1988 and a note drafted by Mr A., dated 12 December 1991. All of those items of evidence demonstrate that the close relationship between the undertakings concerned continued to exist during the period following the 1975 and 1977 agreements, and that, occasionally, that relationship was adjusted by means of further agreements, such as the 1990 Supply Agreement and the 1997 Umbrella Agreement.
|
133. Gelet op het voorgaande moet de conclusie luiden dat de overeenkomst van 1977 bewijswaarde heeft en als onderdeel van de verzameling nauwkeurige en overeenstemmende aanwijzingen die door de Commissie in aanmerking is genomen (zie punten 38‑40 hierboven), sommige essentiële verklaringen van A. P. bevestigt betreffende het bestaan van een overeenkomst inzake de verdeling van de markt voor fournituren, die de Coats-groep belet om de Europese markt voor „overige sluitingen” te betreden en de Prym-groep belet om de Europese markt voor garen te betreden. Deze vaststelling wordt eveneens bevestigd door andere omstandigheden die hierboven zijn onderzocht. In de eerste plaats dienen de documenten die tijdens de inspecties zijn ontdekt, namelijk de brief van 12 april 1977, het verslag van de bijeenkomst van 11 februari 1993, het verslag van de bijeenkomst van 11 juni 1996, het kaderakkoord van 1997, de getypte notities van A. P. van 7 november 2001 betreffende een gesprek dat op 15 juli 1998 met M. F. heeft plaatsgevonden, en het verslag van de bijeenkomst van 15 juli 1998, in hun geheel te worden beschouwd. In de tweede plaats moet worden beklemtoond dat deze documenten ook worden bevestigd door de documenten die in het kader van de verzoeken van de Prym-groep om toepassing van de mededelingen inzake medewerking van 1996 en 2002 zijn overgelegd, namelijk de kopie van de overeenkomst van 1977, een uittreksel uit de voordracht van D. P. van 9 november 1988 en een nota van A. van 12 december 1991. Uit al deze bewijselementen blijkt dat de betrokken ondernemingen in de periode na de overeenkomsten van 1975 en 1977 nauwe betrekkingen zijn blijven onderhouden en dat deze betrekkingen nu en dan werden aangepast door andere overeenkomsten, zoals de leveringsovereenkomst van 1990 en het kaderakkoord van 1997.
|
|
134. As regards the question whether that evidence is such as to establish the duration of the infringement of which the applicant is accused, it should be recalled that it is normal for the activities which those practices and those anti‑competitive agreements entail to take place clandestinely, for meetings to be held in secret, most frequently in a non-member country, and for the associated documentation to be reduced to a minimum. Even if the Commission discovers evidence explicitly showing unlawful contact between traders, such as the minutes of a meeting, it will normally be only fragmentary and sparse, so that it is often necessary to reconstitute certain details by deduction. In most cases, the existence of an anti‑competitive practice or agreement must be inferred from a number of coincidences and indicia which, taken together, may, in the absence of another plausible explanation, constitute evidence of an infringement of competition law (see paragraph 42 above).
|
134. Wat de vraag betreft of deze bewijselementen al dan niet de duur van de aan verzoekster ten laste gelegde inbreuk kunnen aantonen, zij eraan herinnerd dat het gebruikelijk is dat de activiteiten die in het kader van mededingingsbeperkende praktijken en overeenkomsten plaatsvinden clandestien worden verricht, dat de bijeenkomsten in het geheim worden gehouden, meestal in een derde staat, en dat de desbetreffende documentatie tot een minimum wordt beperkt. Zelfs wanneer de Commissie stukken ontdekt waaruit uitdrukkelijk blijkt dat onrechtmatig overleg tussen marktdeelnemers heeft plaatsgevonden, zoals verslagen van een bijeenkomst, zullen deze doorgaans slechts fragmentarisch en schaars zijn, zodat vaak bepaalde details via deductie moeten worden gereconstrueerd. In de meeste gevallen moet het bestaan van een mededingingsverstorende gedraging of overeenkomst worden afgeleid uit een samenloop van omstandigheden en aanwijzingen die in hun totaliteit beschouwd, bij gebreke van een andere logische verklaring, het bewijs kunnen vormen dat de mededingingsregels zijn geschonden (zie punt 42 hierboven).
|
|
135. It is apparent from the analysis carried out in the context of the present plea that the applicant has not furnished sufficient probative evidence or an alternative plausible explanation to invalidate the documentary evidence referred to in the contested decision, which shows, on the contrary, that it participated in a bilateral market sharing agreement with the Prym group.
|
135. Uit het onderzoek van het onderhavige middel blijkt dat verzoekster geen voldoende bewijskrachtige elementen heeft aangevoerd en geen overtuigende alternatieve verklaring heeft gegeven om de in de bestreden beschikking genoemde schriftelijke bewijzen te ontkrachten. Uit dit bewijsmateriaal blijkt daarentegen dat zij partij was bij een bilaterale marktverdelingsovereenkomst, die zij met de Prym-groep heeft gesloten.
|
|
136. Therefore, it must be held that, in the contested decision, the Commission demonstrated to the requisite legal standard, in accordance with the rules set out in paragraphs 38 to 51 above, that the applicant participated in the infringement at issue and did so without committing the manifest errors of assessment alleged. The first plea must therefore be dismissed as unfounded.
|
136. Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de Commissie in de bestreden beschikking overeenkomstig de hierboven in de punten 38 tot en met 51 uiteengezette regels rechtens genoegzaam heeft aangetoond dat verzoekster aan de betrokken inbreuk heeft deelgenomen, en dat zij daarbij geen kennelijke beoordelingsfouten heeft gemaakt, zoals haar in het kader van het onderhavige beroep wordt verweten. Het eerste middel moet dus ongegrond worden verklaard.
|
|
137. Next, the Court considers it appropriate to examine the third plea, alleging a lack of proof of a single and continuous infringement, before examining the second plea, alleging an infringement of Article 25(5) of Regulation No 1/2003, given that the duration of an infringement is not only an integral part of that infringement and, as such, an inseparable part of any finding of an infringement, but also one of the conditions governing the limitation period in respect of proceedings for a continuing infringement ( Peróxidos Orgánicos v Commission , paragraph 47 above, paragraph 21).
|
137. Voorts acht het Gerecht het opportuun om het derde middel, volgens hetwelk niet is bewezen dat één enkele voortdurende inbreuk is gepleegd, te onderzoeken vóór het tweede middel, dat betrekking heeft op de schending van artikel 25, lid 5, van verordening nr. 1/2003, aangezien de duur van de inbreuk zowel een integrerend bestanddeel van de inbreuk en als zodanig een onlosmakelijk onderdeel van elke vaststelling van een inbreuk vormt als een van de voorwaarden die gelden voor verjaring van het recht op vervolging van een voortdurende inbreuk (arrest Peróxidos Orgánicos/Commissie, aangehaald in punt 47, punt 21).
|
|
The third plea, alleging a lack of proof of a single and continuous infringement
|
Derde middel: ontbreken van enig bewijs dat één enkele voortdurende inbreuk is gepleegd
|
|
Arguments of the parties
|
Argumenten van partijen
|
|
138. The applicant maintains that the Commission has failed to prove a continuous infringement from January 1975 to 15 July 1998 which would have permitted it to impose on it a fine for an infringement which had lasted for 21½ years. In recitals 339 and 347 of the contested decision, the Commission had considered that the infringement was single and continuous from January 1977 to July 1998, claiming to have proven that the market-sharing agreement had continued ‘on the basis of a number of items of documentary evidence collected by the Commission during the inspection and through the [applications for leniency made by the Prym group pursuant to the 1996 and 2002 Leniency Notices] and documentary evidence submitted by the Prym group’.
|
138. Verzoekster stelt dat de Commissie niet heeft aangetoond dat een voortdurende inbreuk is gepleegd die heeft geduurd van januari 1975 tot 15 juli 1998, op basis waarvan zij haar een geldboete heeft opgelegd voor een inbreuk die 21,5 jaar heeft geduurd. In de punten 339 en 347 van de bestreden beschikking is de Commissie ervan uitgegaan dat sprake was van één enkele voortdurende inbreuk die heeft geduurd van januari 1977 tot juli 1998, en heeft zij gesteld dat zij heeft aangetoond dat de marktverdelingsovereenkomst was voortgezet „aan de hand van verschillende schriftelijke bewijzen die de Commissie tijdens de inspecties heeft verzameld en van de elementen die in het kader van de verzoeken [van de Prym-groep om toepassing van de mededelingen inzake medewerking van 1996 en 2002] naar voren zijn gebracht en de bewijsstukken die door [deze laatste] zijn verstrekt”.
|
|
139. In the applicant’s view, the examination of the evidence in question shows huge gaps in time which are far too long for the Commission to be able to prove a single and continuous infringement. In reality, a period of 21 years elapsed between one unsigned document of uncertain provenance and a highly ambiguous document written by the very person making the confession. There is no evidence that the 1977 agreement was intended to apply for several years, since it is entirely silent as to the duration of its implementation.
|
139. Volgens verzoekster blijkt uit het onderzoek van het betrokken bewijsmateriaal dat dit enorme tijdsgaten vertoont die zo groot zijn dat de Commissie onmogelijk één enkele voortdurende inbreuk kan bewijzen. In werkelijkheid is immers een periode van 21 jaar verstreken tussen een niet-ondertekend document waarvan de herkomst onzeker is, en een hoogst dubbelzinnig document dat is opgesteld door de persoon zelf die bekentenissen heeft afgelegd. Er zijn geen bewijzen dat de overeenkomst van 1977 voor meerdere jaren diende te gelden, aangezien deze overeenkomst totaal niets zegt over de geldigheidsduur ervan.
|
|
140. The Commission observes, as regards the duration and the link between successive events and a single and continuous infringement, that an infringement of Article 81 EC may result not only from an isolated act but also from a series of acts or from continuous conduct. That interpretation cannot be challenged, in its view, on the ground that one or several elements of that series of acts or that continuous conduct could also constitute in themselves, taken in isolation, an infringement of that provision. Where the different actions form part of an ‘overall plan’ because their identical object distorts competition within the internal market, the Commission is entitled to impute responsibility for those actions on the basis of participation in the infringement considered as a whole. As regards the gap in the evidence of the infringement between 1978 and 1990, the Commission takes the view that it had sufficient documentary evidence confirming the existence of the market-sharing agreement between the undertakings as from 1977.
|
140. De Commissie merkt met betrekking tot de duur en het verband tussen opeenvolgende gebeurtenissen en één enkele voortdurende inbreuk op dat een schending van artikel 81, lid 1, EG niet alleen kan voortvloeien uit een op zichzelf staande handeling, maar eveneens uit een reeks handelingen of een voortdurende gedraging. Deze uitlegging kan volgens haar niet worden betwist met het argument dat een of meer onderdelen van deze reeks handelingen of voortdurende gedraging ook op zich, afzonderlijk, een schending van deze bepaling kunnen opleveren. Wanneer de verschillende handelingen wegens hun identieke doel, de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt te verstoren, deel uitmaken van een „totaalplan”, mag de Commissie de verantwoordelijkheid voor deze handelingen bepalen aan de hand van de deelneming aan de betrokken inbreuk in haar geheel. Wat de stelling betreft dat het bewijsmateriaal betreffende de inbreuk een leemte vertoont voor de periode tussen 1978 en 1990, stelt de Commissie dat zij over voldoende bewijsstukken beschikt die bevestigen dat de markt werkelijk vanaf 1977 tussen de ondernemingen is verdeeld.
|
|
Findings of the Court
|
Beoordeling door het Gerecht
|
|
141. It should first be recalled that the concept of a single infringement covers a situation in which a number of undertakings have participated in an infringement consisting in continuous conduct in pursuit of a single economic aim designed to distort competition or in individual infringements linked to one another by the same object (all the elements sharing the same purpose) and the same subjects (the same undertakings, who are aware that they are participating in the common object) ( BPB v Commission , paragraph 41 above, paragraph 257).
|
141. Om te beginnen zij eraan herinnerd dat het begrip „één enkele inbreuk” doelt op een situatie waarin meerdere ondernemingen hebben deelgenomen aan een inbreuk bestaande in een voortdurende gedraging met één enkel economisch doel, de mededinging te verstoren, dan wel in individuele inbreuken die onderling zijn verbonden door hetzelfde doel (alle elementen hebben hetzelfde doel) en dezelfde subjecten (dezelfde betrokken ondernemingen die welbewust het gemeenschappelijke doel nastreven) (arrest BPB/Commissie, aangehaald in punt 41, punt 257).
|
|
142. Next, it should be pointed out that an infringement of Article 81(1) EC may result not only from an isolated act but also from a series of acts or from continuous conduct. That interpretation cannot be challenged on the ground that one or more elements of that series of acts or continuous conduct could also constitute, in themselves and in isolation, an infringement of that provision. Where the various actions form part of an ‘overall plan’ because their identical object distorts competition within the internal market, the Commission is entitled to impute responsibility for those actions on the basis of participation in the infringement considered as a whole ( Aalborg Portland and Others v Commission , paragraph 42 above, paragraph 258).
|
142. Voorts kan een schending van artikel 81, lid 1, EG niet alleen voortvloeien uit een opzichzelfstaande handeling, maar eveneens uit een reeks handelingen of een voortdurende gedraging. Deze uitlegging kan niet worden betwist met het argument dat een of meer onderdelen van deze reeks handelingen of voortgezette gedraging ook op zich, afzonderlijk, een schending van deze bepaling kunnen opleveren. Wanneer de verschillende handelingen wegens hun identieke doel, de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt te verstoren, deel uitmaken van een „totaalplan”, mag de Commissie de aansprakelijkheid voor deze handelingen bepalen aan de hand van de deelneming aan de betrokken inbreuk in haar geheel (arrest Aalborg Portland e.a./Commissie, aangehaald in punt 42, punt 258).
|
|
143. In addition, according to settled case-law, the concept of a single infringement can be applied to the legal characterisation of anti‑competitive conduct as consisting in agreements, concerted practices and decisions of associations of undertakings (see, to that effect, Limburgse Vinyl Maatschappij and Others v Commission , paragraph 67 above, paragraphs 696 to 698; Case T‑9/99 HFB and Others v Commission [2002] ECR II‑1487, paragraph 186; and Joined Cases T‑101/05 and T‑111/05 BASF and UCB v Commission [2007] ECR II‑4949, paragraph 159).
|
143. Bovendien kan het begrip „één enkele inbreuk” volgens vaste rechtspraak slaan op de juridische kwalificatie van een mededingingsverstorende gedraging die bestaat uit overeenkomsten, onderling afgestemde feitelijke gedragingen en besluiten van ondernemersverenigingen (zie in die zin arrest Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, aangehaald in punt 67, punten 696‑698; arresten Gerecht van 20 maart 2002, HFB e.a./Commissie, T‑9/99, Jurispr. blz. II‑1487, punt 186, en 12 december 2007, BASF en UCB/Commissie, T‑101/05 en T‑111/05, Jurispr. blz. II‑4949, punt 159).
|
|
144. It must also be noted that the concept of a single objective cannot be determined by a general reference to the distortion of competition on the market concerned by the infringement, since an impact on competition, as object or effect, constitutes an essential element of any conduct covered by Article 81(1) EC. Such a definition of the concept of a single objective would deprive the concept of a single and continuous infringement of part of its meaning, since it would mean that different instances of conduct relating to a particular economic sector and prohibited by Article 81(1) EC would have to be systematically characterised as constituent elements of a single infringement. Thus, for the purposes of characterising various unlawful actions as a single and continuous infringement, it is necessary to establish whether they display a link of complementarity in that each of them is intended to deal with one or more consequences of the normal pattern of competition and, through interaction, contribute to the attainment of the set of anti-competitive effects desired by those responsible, within the framework of a global plan having a single objective. In that regard, it will be necessary to take into account any circumstance capable of establishing or of casting doubt on that link, such as the period of implementation, the content (including the methods used) and, correlatively, the objective of the various unlawful actions in question (see, to that effect, BASF and UCB v Commission , paragraph 143 above, paragraphs 179 to 181).
|
144. Voorts kan het begrip „gemeenschappelijk doel” niet worden bepaald door een algemene verwijzing naar de verstoring van de mededinging op de markt waarop de inbreuk betrekking heeft, aangezien de ongunstige beïnvloeding van de mededinging, als doel of gevolg, een wezenlijk element is van elke gedraging die binnen de werkingssfeer van artikel 81, lid 1, EG valt. Een dergelijke definitie van het begrip „gemeenschappelijk doel” dreigt het begrip „één enkele voortdurende inbreuk” een deel van zijn zin te ontnemen, daar zij ertoe zou leiden dat verschillende bij artikel 81, lid 1, EG verboden gedragingen in een sector van de economie stelselmatig als bestanddelen van één enkele inbreuk zouden moeten worden aangemerkt. Ter beantwoording van de vraag of verschillende handelingen als één enkele voortdurende inbreuk kunnen worden gekwalificeerd, moet aldus worden nagegaan of zij complementair zijn, in die zin dat elk ervan bedoeld is om het hoofd te bieden aan een of meer gevolgen van de normale mededinging, en dat zij door hun wisselwerking bijdragen tot de verwezenlijking van het geheel van mededingingsverstorende gevolgen dat de daders beogen, dit in het kader van een totaalplan met één enkel doel. Dienaangaande moet rekening worden gehouden met elke omstandigheid die dat verband of het ontbreken ervan kan aantonen, zoals de toepassingsperiode, de inhoud (met inbegrip van de gehanteerde methoden) en, daarmee samenhangend, het doel van de verschillende betrokken handelingen in kwestie (zie in die zin arrest BASF/Commissie, aangehaald in punt 143, punten 179‑181).
|
|
145. For objective reasons, therefore, the Commission may initiate separate procedures, find a number of separate infringements and impose a number of separate fines (see, to that effect, the judgment of 15 June 2005 in Joined Cases T‑71/03, T‑74/03, T‑87/03 and T‑91/03 Tokai Carbon and Others v Commission (‘ Tokai II ’), not published in the ECR, paragraph 124).
|
145. De Commissie kan dus op objectieve gronden verschillende procedures inleiden, verschillende inbreuken vaststellen en verschillende geldboeten opleggen (zie in die zin arrest Gerecht van 15 juni 2005, Tokai Carbon e.a./Commissie, „Tokai II”, T‑71/03, T‑74/03, T‑87/03 en T‑91/03, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 124).
|
|
146. Lastly, it should also be pointed out that, as a general rule, the characterisation of certain unlawful actions as constituting one and the same infringement affects, in principle, the penalty that may be imposed. A finding that multiple infringements exist may entail the imposition of a number of separate fines, each time within the limits laid down in Article 15(2) of Regulation No 17 and Article 23(2) of Regulation No 1/2003 ( BASF and UCB v Commission , paragraph 143 above, paragraph 158).
|
146. Ten slotte heeft de kwalificatie van bepaalde onrechtmatige gedragingen als één enkele inbreuk dan wel als verschillende inbreuken in beginsel invloed op de sanctie die kan worden opgelegd. De vaststelling van verschillende inbreuken kan immers leiden tot de oplegging van verschillende geldboeten, die elk binnen de bij artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 gestelde perken moeten blijven (arrest BASF/Commissie, aangehaald in punt 143, punt 158).
|
|
147. It must therefore be determined whether the matters complained of with regard to the applicant form part of an overall plan intended to distort competition on the markets for ‘other fasteners’ and zip fasteners and, accordingly, form part of the single and continuous infringement constituted by the cartel on those markets.
|
147. Bijgevolg dient te worden vastgesteld of de aan verzoekster verweten feiten deel uitmaken van een algemeen plan om de normale werking van de mededinging op de markten voor „overige sluitingen” en ritssluitingen te vervalsen en dus onderdeel vormen van de mededingingsregeling op deze markt, die één enkele voortgezette inbreuk vormt.
|
|
148. In the present case, the Commission’s classification of the bilateral cooperation between the Coats and Prym groups as a single and continuous infringement led to its finding that there was a single cartel which lasted, at least, from 15 January 1977 to 15 July 1998 (see recitals 339 to 347 of the contested decision). It is therefore necessary to examine whether, in the light of the case‑law cited in paragraphs 141 to 146 above, the Commission committed an error of law by qualifying the unlawful actions of which the applicant is accused as a single and continuous infringement on the basis of the evidence at its disposal (see recitals 217 to 245 of the contested decision), evidence which has been examined, for the most part, in the context of the first plea.
|
148. In casu heeft het feit dat de Commissie de bilaterale samenwerking tussen de Coats-groep en de Prym-groep als één enkele voortdurende inbreuk heeft gekwalificeerd, tot gevolg gehad dat één enkele mededingingsregeling is vastgesteld, die minstens van 15 januari 1977 tot 15 juli 1998 heeft geduurd (zie punten 339‑347 van de bestreden beschikking). Bijgevolg moet worden onderzocht of de Commissie, gelet op de hierboven in de punten 141 tot en met 146 aangehaalde rechtspraak, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de aan verzoekster ten laste gelegde gedragingen als één enkele voortdurende inbreuk te kwalificeren op basis van het bewijsmateriaal waarover zij beschikte (zie punten 217‑245 van de bestreden beschikking) en dat grotendeels in het kader van het eerste middel is onderzocht.
|
|
149. As regards the applicant’s argument that the examination of the evidence in question shows huge gaps in time, which are far too long for the Commission to able to prove a single and continuous infringement, it should be recalled that the fact that such evidence was not produced for certain specific periods does not preclude the infringement from being regarded as established over a longer overall period than those periods, provided that such a finding is supported by objective and consistent indicia. In the context of an infringement extending over a number of years, the fact that the cartel is shown to have operated during different periods, which may be separated by longer or shorter periods, has no effect on the existence of the cartel, provided that the various actions which form part of the infringement pursue a single purpose and fall within the framework of a single and continuous infringement (Case C‑113/04 P Technische Unie v Commission [2006] ECR I‑8831, paragraph 169).
|
149. Wat het argument van verzoekster betreft dat uit het onderzoek van het betrokken bewijsmateriaal blijkt dat dit enorme tijdsgaten vertoont die veel te groot zijn om te kunnen aannemen dat de Commissie heeft bewezen dat één enkele voortdurende inbreuk is gepleegd, zij eraan herinnerd dat het feit dat dit bewijs voor bepaalde tijdvakken niet is geleverd, er niet aan in de weg staat dat ervan uit wordt gegaan dat de inbreuk bestond gedurende een totale periode die langer is dan deze tijdvakken, zolang een dergelijke vaststelling op objectieve en overeenstemmende aanwijzingen berust. In het kader van een inbreuk die zich over verschillende jaren uitstrekt, doet het voor het bestaan van een mededingingsregeling niet ter zake dat deze regeling met meer of minder lange tussenpozen in verschillende tijdvakken aan het licht treedt, zolang met de verschillende handelingen die deel uitmaken van deze inbreuk, hetzelfde doel wordt nagestreefd en deze handelingen passen in het kader van één enkele voortdurende inbreuk (arrest Hof van 21 september 2006, Technische Unie/Commissie, C‑113/04 P, Jurispr. blz. I‑8831, punt 169).
|
|
150. Consequently, although the period separating two manifestations of infringing conduct is a relevant criterion in order to establish the continuous nature of an infringement, the fact remains that the question whether or not that period is long enough to constitute an interruption of the infringement cannot be examined in the abstract. On the contrary, it needs to be assessed in the context of the functioning of the cartel in question (Case T‑18/05 IMI and Others v Commission [2010] ECR I‑0000, paragraph 89).
|
150. De periode tussen twee manifestaties van een inbreukmakende gedraging is dus weliswaar een relevant criterium om het voortdurende karakter van een inbreuk te bewijzen, maar dit neemt niet weg dat de vraag of deze periode al dan niet lang genoeg is om als een onderbreking van de inbreuk te worden aangemerkt, niet in abstracto kan worden onderzocht. Deze vraag moet integendeel in samenhang met de werking van de betrokken mededingingsregeling worden beoordeeld (arrest Gerecht van 19 mei 2010, IMI e.a./Commissie, T‑18/05, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 89).
|
|
151. In the present case, the Court has found, in its examination of the first plea, that the agreement at issue concerned the bilateral cooperation between the Coats and Prym groups. Under that agreement, Coats committed itself ‘not to engage, either directly or by association, in the manufacture of hard haberdashery ... without the prior consent of [William] Prym’. For its part, [William] Prym undertook ‘not to engage, either directly or by association, in the manufacture of sewing or handicraft threads etc ... without the prior consent of Coats’. Consequently, it must be concluded that the agreement at issue concerns the sharing of the market between two competitors.
|
151. In casu heeft het Gerecht in het kader van het onderzoek van het eerste middel vastgesteld dat de betrokken overeenkomst betrekking had op de bilaterale samenwerking tussen de Coats-groep en de Prym-groep. Volgens deze overeenkomst heeft Coats zich ertoe verbonden „om niet rechtstreeks of in het kader van een vereniging harde fournituren te produceren [...] zonder de voorafgaande toestemming van [William] Prym”. William Prym heeft zich ertoe verbonden „om niet rechtstreeks of in het kader van een vereniging naaigaren en artisanaal garen, enzovoort [...] te produceren zonder de voorafgaande toestemming van Coats”. Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de litigieuze overeenkomst betrekking heeft op de verdeling van de markt tussen twee concurrenten.
|
|
152. Unlike a price‑fixing agreement, under which participants are required to meet regularly to take account of the market evaluation to be able to adapt their conduct on that market during the period of the agreement, a market‑sharing agreement, by definition, must be respected by the parties to the agreement with effect from its conclusion and may occasionally be adjusted either by amending the existing agreement or by means of other agreements.
|
152. Anders dan een prijsvaststellingsovereenkomst, in het kader waarvan de partijen regelmatig moeten bijeenkomen om rekening te houden met de evolutie van de markt teneinde tijdens de duur van deze overeenkomst hun gedrag op deze markt te kunnen aanpassen, moet een marktverdelingsovereenkomst per definitie vanaf de sluiting ervan door de partijen in acht worden genomen en kan zij af en toe worden aangepast, hetzij door een wijziging van de bestaande overeenkomst, hetzij door de sluiting van andere overeenkomsten.
|
|
153. It should be noted, in that context, that the Court has concluded, in paragraph 133 above, that the evidence gathered by the Commission during its investigations, the evidence set out in the Prym group’s applications for leniency pursuant to the 1996 and 2002 Leniency Notices, and the written evidence provided by the latter, demonstrate that the close relationship between the undertakings concerned continued to exist during the period following the 1975 and 1977 agreements, and that, occasionally, that relationship was adjusted by means of further agreements, such as the 1990 Supply Agreement and the 1997 Umbrella Agreement.
|
153. In dit verband zij eraan herinnerd dat het Gerecht hierboven in punt 133 tot de conclusie is gekomen dat uit de bewijzen die de Commissie tijdens de inspecties heeft verzameld, de bewijzen die samen met de verzoeken van de Prym-groep om toepassing van de mededelingen inzake medewerking van 1996 en 2002 zijn overgelegd, en de door deze groep verstrekte bewijsstukken blijkt dat de betrokken ondernemingen in de periode na de overeenkomsten van 1975 en 1977 nauwe betrekkingen zijn blijven onderhouden en dat deze betrekkingen nu en dan zijn aangepast door andere overeenkomsten, zoals de leveringsovereenkomst van 1990 en het kaderakkoord van 1997.
|
|
154. Consequently, the Commission was legitimately able to conclude that the parties adhered to a common plan which limited or was likely to limit their individual commercial conduct by determining the lines of their mutual action on the market (see recital 334 of the contested decision).
|
154. De Commissie kon dus op goede gronden concluderen dat de partijen een akkoord hadden gesloten over een gemeenschappelijk plan dat hun commerciële autonomie beperkte of kon beperken doordat het in grote lijnen vastlegde hoe zij zich samen op de markt zouden gedragen (zie punt 334 van de bestreden beschikking).
|
|
155. Therefore, the third plea must be rejected as unfounded.
|
155. Bijgevolg moet het derde middel ongegrond worden verklaard.
|
|
The second plea, alleging an infringement of Article 25(5) of Regulation No 1/2003
|
Tweede middel: schending van artikel 25, lid 5, van verordening nr. 1/2003
|
|
Arguments of the parties
|
Argumenten van partijen
|
|
156. The applicant maintains that the Commission has not succeeded in demonstrating that any infringement continued beyond 19 September 1997, 10 years before the adoption of the contested decision, and that in application of Article 25(5) of Regulation No 1/2003 any fine is therefore time barred. Not only does the evidence of 15 July 1998 wholly fail to satisfy the requisite standard of proof, but it is also seriously undermined by the evidence given under oath by, in particular, Mr M.F. and by Mr K., who where were the relevant senior Coats executives at the time.
|
156. Verzoekster betoogt dat de Commissie niet heeft aangetoond dat de inbreuk na 19 september 1997, dat wil zeggen tien jaar vóór de vaststelling van de bestreden beschikking, is voortgezet, zodat het recht om een geldboete op te leggen krachtens artikel 25, lid 5, van verordening nr. 1/2003 is verjaard. Het bewijsmateriaal van 15 juli 1998 voldoet niet alleen totaal niet aan de geldende bewijsnormen, maar het wordt ook in verregaande mate ontkracht door de bewijzen die onder ede zijn verstrekt, met name door M. F. en K., die toentertijd de betrokken leidinggevende kaderleden waren bij Coats.
|
|
157. The Commission contends that it has gathered sufficient evidence to prove that the infringement continued at least until 15 July 1998. It is clear from the case-law of the Court of Justice, moreover, that Article 81 EC is also applicable to agreements which are no longer in force but which continue to produce their effects after they have formally ceased to be in force.
|
157. De Commissie brengt hiertegen in dat zij voldoende bewijzen heeft verzameld om aan te tonen dat de inbreuk minstens tot 15 juli 1998 is voortgezet. Bovendien blijkt volgens haar duidelijk uit de rechtspraak van het Hof dat artikel 81 EG ook van toepassing is op overeenkomsten die niet langer van kracht zijn, maar die na de formele beëindiging ervan gevolgen blijven sorteren.
|
|
Findings of the Court
|
Beoordeling door het Gerecht
|
|
158. Article 25(1)(b) of Regulation No 1/2003 sets a limitation period of five years for infringements of the kind alleged against the applicant. Pursuant to the second sentence of Article 25(2), in the case of continuing or repeated infringements, time is to begin to run on the day on which the infringement ceases. Under the first sentence of Article 25(3) of that regulation, any action taken by the Commission for the purpose of the investigation or proceedings in respect of an infringement interrupts the limitation period. Under Article 25(4) of that regulation, the interruption of the limitation period shall apply for all the undertakings or associations of undertakings which have participated in the infringement. Pursuant to Article 25(5), each interruption shall start time running afresh. However, the limitation period shall expire at the latest on the day on which a period equal to twice the limitation period has elapsed without the Commission having imposed a fine or a periodic penalty payment.
|
158. Artikel 25, lid 1, sub b, van verordening nr. 1/2003 voorziet voor inbreuken zoals die welke aan verzoekster ten laste wordt gelegd, in een verjaringstermijn van vijf jaar. Volgens lid 2, tweede volzin, van dit artikel gaat de verjaringstermijn bij voortdurende of voortgezette inbreuken in op de dag waarop de inbreuk is beëindigd. Volgens artikel 25, lid 3, eerste volzin, van deze verordening wordt de verjaring gestuit door elke handeling van de Commissie ter instructie of vervolging van de inbreuk. Luidens artikel 25, lid 4, van de verordening geldt de stuiting van de verjaring ten aanzien van alle ondernemingen en ondernemersverenigingen die aan de inbreuk hebben deelgenomen. Volgens lid 5 van dit artikel begint na iedere stuiting een nieuwe verjaringstermijn te lopen. De verjaring treedt echter ten laatste in op de dag waarop een termijn gelijk aan tweemaal de verjaringstermijn is verstreken zonder dat de Commissie een geldboete of een dwangsom heeft opgelegd.
|
|
159. It should be noted that the duration of the infringement constitutes not only an integral part of that infringement and, as such, an inseparable part of any finding of an infringement but also one of the conditions governing the limitation period in respect of proceedings for a continuing infringement ( Peróxidos Orgánicos v Commission , paragraph 47 above, paragraph 21). Compliance with those rules entails a correct assessment by the Commission of the period in which the applicant participated in the infringement. Consequently, it needs to be assessed whether the Commission demonstrated to the requisite legal standard that the applicant’s participation in the infringement lasted at least until 19 September 1997 (that is ten years prior to the adoption of the contested decision), to enable the Court to determine whether the ten‑year limitation period, provided for in Article 25(5) of Regulation No 1/2003, had expired or not.
|
159. De duur van de inbreuk vormt zowel een integrerend bestanddeel van de inbreuk en als zodanig een onlosmakelijk onderdeel van elke vaststelling van een inbreuk als een van de voorwaarden die gelden voor verjaring van het recht op vervolging van een voortdurende inbreuk (arrest Peróxidos Orgánicos/Commissie, aangehaald in punt 47, punt 21). De eerbiediging van de verjaringsvoorschriften door de Commissie impliceert dus dat zij het tijdvak waarin verzoekster aan de inbreuk heeft deelgenomen, correct bepaalt. Bijgevolg moet worden nagegaan of de Commissie rechtens genoegzaam heeft aangetoond dat verzoeksters deelname aan de inbreuk minstens tot 19 september 1997 heeft geduurd (dat wil zeggen tot tien jaar vóór de vaststelling van de bestreden beschikking), zodat het Gerecht kan uitmaken of de in artikel 25, lid 5, van verordening nr. 1/2003 vastgestelde verjaringstermijn van tien jaar al dan niet was verstreken.
|
|
160. As regards the question of the date on which the applicant’s participation in the infringement came to end, it is appropriate to recall, at the outset, the settled case-law that it is for the party or the authority alleging an infringement of the competition rules to prove it and that it is for the undertaking or association of undertakings raising a defence against a finding of an infringement of those rules to demonstrate that the conditions for applying the rule on which such defence is based are satisfied, so that the authority will then have to resort to other evidence (see, to that effect, Baustahlgewerbe v Commission , paragraph 38 above, paragraph 58, and Aalborg Portland and Others v Commission , paragraph 42 above, paragraph 78).
|
160. Wat de vraag betreft op welke datum verzoeksters deelname aan de inbreuk is beëindigd, zij vooraf herinnerd aan de vaste rechtspraak dat enerzijds de partij of de autoriteit die een inbreuk op de mededingingsregels aanvoert het bewijs daarvan moet leveren door de feiten die een inbreuk opleveren rechtens genoegzaam te bewijzen, en anderzijds de onderneming die verweer voert tegen de vaststelling dat zij een inbreuk heeft gepleegd, het bewijs moet leveren dat aan de voorwaarden is voldaan om dat verweer te laten gelden, in welk geval deze autoriteit andere bewijzen moet aanvoeren (zie in die zin arresten Baustahlgewebe/Commissie, aangehaald in punt 38, punt 58, en Aalborg Portland e.a./Commissie, aangehaald in punt 42, punt 78).
|
|
161. Moreover, the duration of the infringement is an intrinsic element of an infringement under Article 81(1) EC, the burden of proof of which is borne principally by the Commission. In this respect, according to the case-law, if there is no evidence directly establishing the duration of an infringement, the Commission should adduce at least evidence of facts sufficiently proximate in time for it to be reasonable to accept that that infringement continued uninterruptedly between two specific dates (Case T‑43/92 Dunlop Slazenger v Commission [1994] ECR II‑441, paragraph 79).
|
161. Voorts vormt de duur van de inbreuk een bestanddeel van het begrip „inbreuk” in de zin van artikel 81, lid 1, EG, waarvan het bewijs in de eerste plaats door de Commissie dient te worden geleverd. In dit verband vereist de rechtspraak dat de Commissie zich bij het ontbreken van bewijsmateriaal waarmee de duur van een inbreuk rechtstreeks kan worden aangetoond, ten minste op bewijzen baseert betreffende feiten die zich zo kort na elkaar hebben voorgedaan, dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze inbreuk tussen twee welbepaalde tijdstippen zonder onderbreking heeft voortgeduurd (arrest Gerecht van 7 juli 1994, Dunlop Slazenger/Commissie, T‑43/92, Jurispr. blz. II‑441, punt 79).
|
|
162. In addition, in the case of agreements which have ceased to be in force, it is sufficient, in order for Article 81 EC to apply, that they produce their effects beyond the date on which they formally come to an end (see Case T‑30/91 Solvay v Commission [1995] ECR II‑1775, paragraph 71, and Case T‑59/99 Ventouris v Commission [2003] ECR II‑5257, paragraph 182 and the case-law cited). It follows that the duration of an infringement must be appraised not by reference to the period during which an agreement is in force, but by reference to the period during which the undertakings concerned adopted conduct prohibited by Article 81 EC.
|
162. Bij mededingingsregelingen die niet meer van kracht zijn, volstaat het bovendien voor de toepasselijkheid van artikel 81 EG dat zij gevolgen blijven sorteren na hun formele beëindiging (zie arresten Gerecht van 29 juni 1995, Solvay/Commissie, T‑30/91, Jurispr. blz. II‑1775, punt 71, en 11 december 2003, Ventouris/Commissie, T‑59/99, Jurispr. blz. II‑5257, punt 182 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De duur van een inbreuk moet dus niet worden beoordeeld aan de hand van de periode tijdens welke een overeenkomst van kracht was, maar aan de hand van de periode tijdens welke de betrokken ondernemingen zich op een door artikel 81 EG verboden wijze hebben gedragen.
|
|
163. It should be noted that, according to Article 1(4) of the contested decision, the applicant’s participation in the infringement at issue was regarded as established for the period from 15 January 1977 to 15 July 1998. In the context of the present plea, the applicant calls into question that finding so far as concerns the period of infringement. In its view, the Commission has not succeeded in demonstrating that any infringement continued after 19 September 1997, namely 10 years prior to the adoption of the contested decision.
|
163. Volgens artikel 1, lid 4, van de bestreden beschikking heeft verzoekster in de periode van 15 januari 1977 tot 15 juli 1998 aan de betrokken inbreuk deelgenomen. Verzoekster betwist in het kader van het onderhavige middel deze vaststelling betreffende de periode waarin de inbreuk is gepleegd. Volgens haar heeft de Commissie niet aangetoond dat de inbreuk na 19 september 1997, dat wil zeggen tien jaar vóór de vaststelling van de bestreden beschikking, is voortgezet.
|
|
164. It is apparent from the assessment of the evidence made in the context of the first and third pleas above that the present case concerns a single and continuous infringement which lasted at least until 15 July 1998.
|
164. Uit de beoordeling van het bewijsmateriaal in het kader van de behandeling van het eerste en het derde middel blijkt dat in casu sprake is van één enkele voortdurende inbreuk, die ten minste tot 15 juli 1998 heeft geduurd.
|
|
165. Consequently, it must be found that the period in question ran from 15 July 1998 to 19 September 2007, that is approximately for nine years and two months. Accordingly, the contested decision was adopted before the ten‑year limitation period had expired.
|
165. Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de tienjarige verjaring heeft gelopen van 15 juli 1998 tot 19 september 2007, dat wil zeggen gedurende een periode van 9 jaar en 2 maanden. De bestreden beschikking is dus vóór het verstrijken van de tienjarige verjaringstermijn vastgesteld.
|
|
166. It follows from all the foregoing that the second plea must be rejected.
|
166. Uit een en ander volgt dat het tweede middel moet worden verworpen.
|
|
Fourth plea, alleging an infringement of Article 6(3)(d) of the ECHR
|
Vierde middel: schending van artikel 6, lid 3, sub d, EVRM
|
|
Arguments of the parties
|
Argumenten van partijen
|
|
167. The applicant claims, in substance, that the Commission has infringed its procedural rights under Article 6(3)(d) of the ECHR and, more specifically, the right of everyone ‘to examine or have examined witnesses against him’ in proceedings of a criminal nature, as is the case here.
|
167. Verzoekster betoogt in wezen dat de Commissie haar procedurele rechten zoals vastgesteld in artikel 6, lid 3, sub d, EVRM, heeft geschonden, meer bepaald het recht om „de getuigen à charge te ondervragen of [te] doen ondervragen” in procedures van strafrechtelijke aard, waarvan in casu sprake is.
|
|
168. The applicant maintains that the Commission cannot rely on Aalborg Portland and Others v Commission , paragraph 42 above. In the present case, the Commission, after receiving the Prym group’s supplement to its application, referred to in paragraph 11 above, reopened its investigation and issued a supplementary statement of objections, which for the first time alleged that the applicant had participated in a market-sharing agreement over 21 years. Both the procedural background and the importance which the contested decision places on the new evidence supplied by William Prym lead to the inevitable conclusion that that evidence was given ‘decisive’ weight within the meaning of the case-law of the European Court of Human Rights.
|
168. Verzoekster stelt dat de Commissie zich niet kan baseren op het hierboven in punt 42 aangehaalde arrest Aalborg Portland e.a./Commissie. In casu heeft de Commissie, na het hierboven in punt 11 genoemde aanvullende verzoek van de Prym-groep te hebben ontvangen, haar onderzoek heropend en de aanvullende mededeling van punten van bezwaar vastgesteld, waarin zij voor het eerst aanvoerde dat verzoekster gedurende 21 jaar aan een marktverdelingsovereenkomst voor producten had deelgenomen. Zowel de procedurele context als het belang dat in de bestreden beschikking is gehecht aan de nieuwe gegevens die William Prym heeft verstrekt, leiden noodzakelijkerwijs tot de conclusie dat hieraan een „doorslaggevend” belang is gehecht in de zin van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
|
|
169. In the applicant’s submission, the circumstances of the present case are different from those in Bolloré v Commission , paragraph 48 above, paragraphs 86 to 89. In the first place, the identity of the person who made the statement on which the Commission based its finding of infringement in the present case, Mr A.P., was known and the applicant formally sought to examine him. In the second place, in so far as the Commission seeks to rely on this Court’s statement that the Commission is not a tribunal for the purposes of the ECHR, the applicant claims that it is for the Commission to ensure that the procedure as a whole complies with Article 6(3)(d) ECHR. In the third place, the Commission appears to rely on this Court’s assertion (on the basis of Case T‑83/91 Tetra Pak v Commission [1994] ECR II‑755, paragraph 235) that fines imposed for an infringement of a provision of competition law are not of a criminal-law nature.
|
169. Volgens verzoekster verschillen de omstandigheden van de onderhavige zaak van die van de zaak die heeft geleid tot het hierboven in punt 48 aangehaalde arrest Bolloré/Commissie (punten 86‑89). In de eerste plaats was de identiteit van de persoon die de verklaring heeft afgelegd waarop de Commissie in casu haar vaststelling heeft gebaseerd dat een inbreuk is gepleegd, namelijk A. P., bekend en heeft verzoekster formeel verzocht om hem te ondervragen. Voor zover de Commissie in de tweede plaats opmerkt dat zij geen rechterlijke instantie in de zin van het EVRM is, stelt verzoekster dat de Commissie zich ervan dient te vergewissen dat de administratieve procedure in haar geheel aan de vereisten van artikel 6, lid 3, sub d, EVRM voldoet. In de derde plaats lijkt de Commissie op basis van het arrest van het Gerecht van 6 oktober 1994, Tetra Pak/Commissie (T‑83/91, Jurispr. blz. II‑755, punt 235), te stellen dat geldboeten die wegens schending van een mededingingsrechtelijke bepaling worden opgelegd, niet van strafrechtelijke aard zijn.
|
|
170. The Commission claims, on that point, that Mr A.P. was present at the hearing held on 11 July 2006, during which all the participants had the opportunity to make an oral presentation of their arguments. When given the opportunity to do so, the applicant’s counsel decided to limit its intervention to giving a mere clarification of the compliance programme and making a general remark about the evidence used by the Commission and the Prym group’s statements. Consequently, although Coats was given the opportunity to put questions to the party of its choice, it did not take that opportunity.
|
170. De Commissie stelt dienaangaande dat A. P. aanwezig was tijdens de hoorzitting van 11 juli 2006, waarop alle deelnemers hun argumenten mondeling naar voren hebben kunnen brengen. Toen de advocaat van verzoekster daartoe de gelegenheid werd gegeven, heeft deze besloten om louter een toelichting te geven bij het nalevingsprogramma en een algemene opmerking te maken over het door de Commissie gebruikte bewijsmateriaal en de verklaringen van de Prym-groep. Verzoekster heeft dus de gelegenheid gehad om vragen te stellen aan de partij van haar keuze, maar heeft hier geen gebruik van gemaakt.
|
|
Findings of the Court
|
Beoordeling door het Gerecht
|
|
171. It should be recalled that, whereas Article 6(3)(d) of the ECHR states that ‘[e]veryone charged with a criminal offence has the following minimum rights: … to examine or have examined witnesses against him and to obtain the attendance and examination of witnesses on his behalf under the same conditions as witnesses against him’, it is clear from settled case-law that the Commission cannot be described as a ‘tribunal’ within the meaning of that provision (Joined Cases 209/78 to 215/78 and 218/78 van Landewyck and Others v Commission [1980] ECR 3125, paragraph 81, and Joined Cases 100/80 to 103/80 Musique Diffusion française and Others v Commission [1983] ECR 1825, paragraph 7).
|
171. Artikel 6, lid 3, sub d, EVRM bepaalt weliswaar dat „[e]enieder tegen wie een vervolging is ingesteld, [...] in het bijzonder de volgende rechten [heeft]: [...] de getuigen à charge te ondervragen of doen ondervragen en het oproepen en de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden onder dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge”, maar de Commissie is volgens vaste rechtspraak geen rechterlijke instantie in de zin van deze bepaling (arresten Hof van 29 oktober 1980, Van Landewyck e.a./Commissie, 209/78–215/78 en 218/78, Jurispr. blz. 3125, punt 81, en 7 juni 1983, Musique diffusion française e.a./Commissie, 100/80–103/80, Jurispr. blz. 1825, punt 7).
|
|
172. It is also settled case‑law that fundamental rights form an integral part of the general principles of law whose observance the European Union Courts ensure (Opinion 2/94 [1996] ECR I‑1759, paragraph 33, and Case C‑299/95 Kremzow [1997] ECR I‑2629, paragraph 14). For that purpose, the Court of Justice and the General Court draw inspiration from the constitutional traditions common to the Member States and from the guidelines supplied by international instruments for the protection of human rights on which the Member States have collaborated or to which they are signatories. In that regard, the ECHR has special significance (Case 222/84 Johnston [1986] ECR 1651, paragraph 18, and Kremzow , paragraph 14). Furthermore, Article 6(2) EU states that the European Union shall respect fundamental rights, as guaranteed by the ECHR and as they result from the constitutional traditions common to the Member States, as general principles of law.
|
172. Volgens eveneens vaste rechtspraak vormen de grondrechten een integrerend deel van de algemene rechtsbeginselen waarvan de Unierechter de eerbiediging verzekert (advies 2/94 van het Hof van 28 maart 1996, Jurispr. blz. I‑1759, punt 33, en arrest Hof van 29 mei 1997, Kremzow, C‑299/95, Jurispr. blz. I‑2629, punt 14). Het Hof en het Gerecht laten zich daarbij leiden door de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten alsook door de aanwijzingen die te vinden zijn in de internationale rechtsinstrumenten inzake de bescherming van de rechten van de mens waaraan de lidstaten hebben meegewerkt of waarbij zij zich hebben aangesloten. Aan het EVRM komt in dit opzicht een bijzondere betekenis toe (arrest Hof van 15 mei 1986, Johnston, 222/84, Jurispr. blz. 1651, punt 18, en arrest Kremzow, reeds aangehaald, punt 14). Voorts bepaalt artikel 6, lid 2, EU dat de Europese Unie de grondrechten, zoals die worden gewaarborgd door het EVRM en zoals zij uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten voortvloeien, als algemene rechtsbeginselen eerbiedigt.
|
|
173. It is therefore necessary to examine whether, in the light of those considerations, the Commission failed to observe the rights of the defence, a fundamental principle of the European Union legal order (Case 322/81 Nederlandsche Banden‑Industrie‑Michelin v Commission [1983] ECR 3461, paragraph 7), by not offering the applicants the possibility of examining the witness, Mr A.P., directly.
|
173. Bijgevolg moet worden onderzocht of de Commissie, gelet op deze overwegingen, het fundamentele gemeenschapsrechtelijke beginsel van de eerbiediging van de rechten van de verdediging (arrest Hof van 9 november 1983, Nederlandsche Banden-Industrie-Michelin/Commissie, 322/81, Jurispr. blz. 3461, punt 7) heeft geschonden door verzoekster niet de mogelijkheid te bieden A. P. rechtstreeks als getuige te ondervragen.
|
|
174. In that regard, it should be noted that that principle requires that the undertakings and associations of undertakings concerned by an investigation into competition by the Commission be afforded the opportunity, from the stage of the administrative procedure, to make known their views on the truth and relevance of the facts, objections and circumstances put forward by the Commission (see Case T‑314/01 Avebe v Commission [2006] ECR II‑3085, paragraph 49 and the case‑law cited). By contrast, that principle does not require that those undertakings be afforded, in the administrative procedure, the opportunity themselves to cross-examine the witnesses heard by the Commission (see, to that effect, Aalborg Portland and Others v Commission , paragraph 42 above, paragraph 200).
|
174. Dienaangaande zij eraan herinnerd dat dit beginsel vereist dat de ondernemingen en ondernemersverenigingen die betrokken zijn bij een mededingingsonderzoek van de Commissie reeds tijdens de administratieve procedure in staat worden gesteld, hun standpunt over de juistheid en de relevantie van de door de Commissie gestelde feiten, punten van bezwaar en omstandigheden naar behoren kenbaar te maken (zie arrest Gerecht van 27 september 2006, Avebe/Commissie, T‑314/01, Jurispr. blz. II‑3085, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Daarentegen vereist dit beginsel niet dat deze ondernemingen de gelegenheid wordt geboden om de door de Commissie gehoorde getuigen zelf te ondervragen in het kader van de administratieve procedure (zie in die zin arrest Aalborg Portland e.a./Commissie, aangehaald in punt 42, punt 200).
|
|
175. In that regard, it is sufficient that the statements used by the Commission were provided in the file sent to the applicant, which may then challenge them before the judicature of the European Union ( Lafarge v Commission , paragraph 47 above, paragraphs 147 to 149).
|
175. Het volstaat immers dat de verklaringen die de Commissie gebruikt, zijn opgenomen in het dossier dat is meegedeeld aan verzoekster, die deze aldus voor de rechter van de Unie kan betwisten (arrest Lafarge/Commissie, aangehaald in punt 47, punten 147‑149).
|
|
176. For the sake of completeness, it must be noted that, as stated by the Commission, although Mr A.P. was present at the hearing on 11 July 2006, the applicant did not take the opportunity to ask him questions. Moreover, nothing prevented the applicant from seeking to obtain the attendance and examination of witnesses on its behalf before the Court, by making an application for witnesses to be heard. However, the Court notes that the applicant did not make such an application.
|
176. Ten overvloede zij met de Commissie vastgesteld dat hoewel A. P. aanwezig was op de hoorzitting van 11 juli 2006, verzoekster geen gebruik heeft gemaakt van deze gelegenheid om hem vragen te stellen. Bovendien belette niets verzoekster om het Gerecht te verzoeken getuigen à decharge op te roepen en te ondervragen, door een daartoe strekkend verzoek om maatregelen van instructie in te dienen. Zij heeft dat evenwel niet gedaan.
|
|
177. In the light of those considerations, the applicant cannot rely on a breach of its right to examine or have examined witnesses testifying against it. Consequently, the fourth plea raised by the applicant must be rejected as having no factual or legal basis.
|
177. Gelet op deze overwegingen kan verzoekster niet stellen dat haar recht om de getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen is geschonden. Bijgevolg moet het vierde middel van verzoekster zowel feitelijk als rechtens ongegrond worden verklaard.
|
|
The fifth plea, alleging an incorrect application of the Guidelines on the method of setting fines
|
Vijfde middel: onjuiste toepassing van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten
|
|
Arguments of the parties
|
Argumenten van partijen
|
|
178. The applicant submits that, when determining the increase of the fine for the duration of the infringement, the Commission ought to have exercised its discretion to apply a multiplier of 10% under paragraph 1B of the Guidelines on the method of setting fines. The Commission should not have automatically applied an increase of 215% for the duration of the infringement. It ought to have taken into account, first, the weakness of the evidence on which it relied in order to find the infringement; second, the long gaps between the pieces of evidence; third, the absence of any knowledge of the infringement on the part of the applicant’s senior management; and, fourth, the absence of any evidence of implementation of the infringement.
|
178. Verzoekster betoogt dat de Commissie in het kader van de vaststelling van de verhoging van het boetebedrag op grond van de duur van de inbreuk haar discretionaire bevoegdheid had moeten uitoefenen bij de toepassing van een verhogingscoëfficiënt van 10 % overeenkomstig punt 1 B van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten. De Commissie had niet automatisch een verhoging van 215 % op grond van de duur van de inbreuk mogen toepassen. Zij had rekening moeten houden, ten eerste, met het feit dat de bewijzen waarop zij zich heeft gebaseerd om de inbreuk vast te stellen, zwak waren, ten tweede, met de lange tussenpozen tussen de tijdstippen waarop de mededingingsregeling aan het licht is getreden, ten derde, met het feit dat de directie van verzoekster helemaal niet van de inbreuk op de hoogte was en, ten vierde, met het feit dat er geen bewijzen zijn dat de mededingingsregeling is uitgevoerd.
|
|
179. The applicant contends that the Commission has failed to fulfil that obligation in that, by its own admission, its consistent practice is to fix a maximum increase. While the facts in other cases (of significantly shorter duration) may have justified an increase of 10% per year, the Commission none the less does not escape its obligation to exercise its discretion properly.
|
179. Volgens verzoekster heeft de Commissie dit niet gedaan, aangezien haar constante praktijk, zoals zij zelf heeft toegegeven, hierin bestaat dat zij steeds een maximale verhoging vaststelt. Ook al zouden de feiten in andere zaken (waarin de inbreuk aanzienlijk korter heeft geduurd) een verhoging van 10 % per jaar hebben gerechtvaardigd, kan de Commissie zich niet onttrekken aan haar verplichting om haar discretionaire bevoegdheid correct uit te oefenen.
|
|
180. The Commission contests the applicant’s arguments.
|
180. De Commissie betwist de argumenten van verzoekster.
|
|
Findings of the Court
|
Beoordeling door het Gerecht
|
|
181. Before examining the pleas raised by the applicant, it should be pointed out that it is clear from recitals 489 and 692 of the contested decision that the fines which the Commission imposed for the infringement were imposed by virtue of Article 15(2) of Regulation No 17 and Article 23(2) of Regulation No 1/2003. Moreover, the Commission fixed the amount of the fines by applying the method set out in the Guidelines and the 1996 Leniency Notice.
|
181. Alvorens de door verzoeksters aangevoerde middelen te onderzoeken, zij eraan herinnerd dat de Commissie blijkens de punten 489 en 692 van de bestreden beschikking de wegens de inbreuk verschuldigde geldboeten heeft opgelegd krachtens artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003. Bovendien heeft de Commissie het bedrag van de geldboeten bepaald aan de hand van de in de richtsnoeren en in de mededeling inzake medewerking van 1996 omschreven methode.
|
|
182. Whilst the Guidelines may not be regarded as rules of law, they nevertheless form rules of practice from which the Commission may not depart in an individual case without giving reasons which are compatible with the principle of equal treatment (see Case C‑397/03 P Archer Daniels Midland and Archer Daniels Midland Ingredients v Commission [2006] ECR I‑4429, paragraph 91 and the case-law cited).
|
182. De richtsnoeren kunnen weliswaar niet worden aangemerkt als een rechtsregel, maar zij vormen wel een gedragsregel voor de te volgen praktijk waarvan de Commissie in een concreet geval niet mag afwijken zonder redenen op te geven die verenigbaar zijn met het beginsel van gelijke behandeling (zie arrest Hof van 18 mei 2006, Archer Daniels Midland en Archer Daniels Midland Ingredients/Commissie, C‑397/03 P, Jurispr. blz. I‑4429, punt 91 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
|
|
183. It is therefore for the Court to verify, when reviewing the legality of the fines imposed by the contested decision, whether the Commission exercised its discretion in accordance with the method set out in the Guidelines and, should it be found to have depa rted from that method, to verify whether that departure is justified and supported by sufficient legal reasoning. In that regard, it should be noted that the Court of Justice has confirmed the validity, first, of the principle of the Guidelines and, second, of the general method which is there indicated (Joined Cases C‑189/02 P, C‑202/02 P, C‑205/02 P to C‑208/02 P and C‑213/02 P Dansk Rørindustri and Others v Commission [2005] ECR I‑5425, paragraphs 252 to 255, 266, 267, 312 and 313).
|
183. Het staat dus aan het Gerecht om in het kader van het toezicht op de rechtmatigheid van de door de Commissie opgelegde geldboeten na te gaan of deze haar beoordelingsbevoegdheid heeft uitgeoefend volgens de in de richtsnoeren uiteengezette methode en, indien de Commissie daarvan is afgeweken, na te gaan of dit gerechtvaardigd is en rechtens afdoende is gemotiveerd. In dit verband zij opgemerkt dat het Hof de geldigheid van de richtsnoeren zelf en van de daarin uiteengezette algemene methode heeft bevestigd (arrest Hof van 28 juni 2005, Dansk Rørindustri e.a./Commissie, C‑189/02 P, C‑202/02 P, C‑205/02 P–C‑208/02 P en C‑213/02 P, Jurispr. blz. I‑5425, punten 252‑255, 266 en 267, 312 en 313).
|
|
184. The self-limitation on the Commission’s discretion arising from the adoption of the Guidelines is not incompatible with the Commission’s maintaining a substantial margin of discretion. The Guidelines display flexibility in a number of ways, enabling the Commission to exercise its discretion in accordance with the provisions of Regulations No 17 and No 1/2003, as interpreted by the Court of Justice ( Dansk Rørindustri and Others v Commission , paragraph 183 above, paragraph 267).
|
184. De zelfbeperking van de beoordelingsbevoegdheid van de Commissie die volgt uit de vaststelling van de richtsnoeren, is immers niet onverenigbaar met het behoud van een aanzienlijke beoordelingsmarge voor de Commissie. De richtsnoeren laten de Commissie enige speelruimte om haar discretionaire bevoegdheid uit te oefenen overeenkomstig de bepalingen van de verordeningen nr. 17 en nr. 1/2003, zoals deze zijn uitgelegd door het Hof (arrest Dansk Rørindustri e.a./Commissie, aangehaald in punt 183, punt 267).
|
|
185. Therefore, in areas where the Commission has maintained a discretion, for example as regards the starting amount of a fine or the uplift for duration, review of the legality of those assessments is limited to determining the absence of manifest error of assessment (see, to that effect, Case T‑241/01 Scandinavian Airlines System v Commission [2005] ECR II‑2917, paragraphs 64 and 79).
|
185. Op gebieden waar de Commissie nog steeds over een beoordelingsmarge beschikt, bijvoorbeeld met betrekking tot het uitgangsbedrag of het verhogingspercentage dat wegens de duur van de inbreuk op het boetebedrag dient te worden toegepast, gaat het bij de controle of deze beoordelingen rechtmatig zijn dus enkel erom of geen kennelijke beoordelingsfout is gemaakt (zie in die zin arrest Gerecht van 18 juli 2005, Scandinavian Airlines System/Commissie, T‑241/01, Jurispr. blz. II‑2917, punten 64 en 79).
|
|
186. Nor, in principle, does the discretion enjoyed by the Commission and the limits which it has imposed in that regard prejudge the exercise by the Court of its unlimited jurisdiction ( JFE Engineering and Others v Commission , paragraph 39 above, paragraph 538), which empowers it to annul, increase or reduce the fine imposed by the Commission (see, to that effect, Case C‑3/06 P Groupe Danone v Commission [2007] ECR I‑1331, paragraphs 60 to 62, and Case T‑368/00 General Motors Nederland and Opel Nederland v Commission [2003] ECR II‑4491, paragraph 181).
|
186. De beoordelingsmarge van de Commissie en de grenzen die zij daaraan heeft gesteld, kunnen overigens in beginsel geen afbreuk doen aan de uitoefening door de rechter van zijn volledige rechtsmacht (arrest JFE Engineering e.a./Commissie, aangehaald in punt 39, punt 538), op basis waarvan deze de door de Commissie opgelegde geldboete kan intrekken, verlagen of verhogen (zie in die zin arrest Hof van 8 februari 2007, Groep Danone/Commissie, C‑3/06 P, Jurispr. blz. I‑1331, punten 60‑62, en arrest Gerecht van 21 oktober 2003, General Motors Nederland en Opel Nederland/Commissie, T‑368/00, Jurispr. blz. II‑4491, punt 181).
|
|
187. It follows that the mere fact that the Commission reserved for itself the possibility of increasing the fine per year of infringement – in the case of long-lasting infringements by up to 10% of the amount adopted for the gravity of the infringement – does not in any way oblige it to fix that uplift by reference to the intensity of the activities of the cartel or its effects, or of the gravity of the infringement. It is for the Commission to choose, in the context of its broad discretion (see paragraph 183 above), the uplift which it intends to apply in respect of the duration of the infringement (Case T‑19/05 Boliden and Others v Commission [2010] ECR II‑0000, paragraph 98).
|
187. Hieruit volgt dat het loutere feit dat de Commissie zich voor inbreuken van lange duur de mogelijkheid heeft voorbehouden het boetebedrag per inbreukjaar te verhogen met maximaal 10 % van het wegens de zwaarte van de inbreuk vastgestelde bedrag, haar geenszins verplicht dit percentage vast te stellen op basis van de intensiteit of de gevolgen van de activiteiten van het kartel, of zelfs van de zwaarte van de inbreuk. Het staat namelijk aan de Commissie om in het kader van haar ruime beoordelingsmarge (zie punt 183 hierboven) het verhogingspercentage te kiezen dat zij van plan is wegens de duur van de inbreuk toe te passen (arrest Gerecht van 19 mei 2010, Boliden e.a./Commissie, T‑19/05, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 98).
|
|
188. The applicant’s arguments seeking to show that the Commission should have taken into account, first, the weakness of the evidence on which it relied in order to find the infringement; second, the long gaps between the manifestations of the cartel and, third, the absence of any knowledge of the infringement on the part of the applicant’s senior management, are inseparable from those raised in the context of the first and third pleas. Thus, since the Court concluded that the Commission did not commit any error in considering, on the basis of the various items of evidence at its disposal, that there was a single and continuous infringement which lasted from 15 January 1977 to 15 July 1998, the applicant’s arguments can only be rejected.
|
188. De argumenten van verzoekster dat de Commissie rekening had moeten houden, ten eerste, met het feit dat de bewijzen waarop zij zich heeft gebaseerd om de inbreuk vast te stellen, zwak waren, ten tweede, met de lange tussenpozen tussen de tijdstippen waarop de mededingingsregeling aan het licht is getreden en, ten derde, met het feit dat de directie van verzoekster helemaal niet van de inbreuk op de hoogte was, vallen samen met die welke in het kader van het eerste en het derde middel zijn aangevoerd. Verzoeksters argumenten moeten dan ook worden verworpen, aangezien het Gerecht tot de conclusie is gekomen dat de Commissie geen vergissing heeft begaan door op basis van de verschillende bewijzen waarover zij beschikte, ervan uit te gaan dat sprake was van één enkele voortdurende inbreuk die van 15 januari 1977 tot 15 juli 1998 heeft geduurd.
|
|
189. In so far as concerns the applicant’s argument that there was no evidence of implementation of the infringement, it should be noted that, under the last subparagraph of Article 15(2) of Regulation No 17, in fixing the amount of the fine regard must be had not only to the gravity of the infringement but also, to the duration of the infringement. It follows that the impact of the duration of the infringement on the basic amount of the fine must, as a general rule, be significant. Except in special circumstances, that militates against a purely symbolic increase of the starting amount on account of the duration of the infringement. Thus, where an agreement with an anti-competitive object is not implemented, it is nevertheless necessary to take account of the period during which the agreement existed, that is, the time between the date on which it was entered into and the date on which it was terminated (Case T‑213/00 CMA CGM and Others v Commission [2003] ECR II‑913, paragraph 280).
|
189. Wat het argument van verzoekster betreft dat er geen bewijzen zijn dat de mededingingsregeling is uitgevoerd, zij eraan herinnerd dat artikel 15, lid 2, laatste alinea, van verordening nr. 17 bepaalt dat bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete niet alleen rekening moet worden gehouden met de zwaarte, maar ook met de duur van de inbreuk. Bijgevolg dient de duur van de inbreuk in de regel aanzienlijke invloed op het basisbedrag van de geldboete te hebben. Tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden staat dit in de weg aan een zuiver symbolische verhoging van het uitgangsbedrag wegens de duur van de inbreuk. Wanneer een overeenkomst met een mededingingsbeperkend doel niet is uitgevoerd, moet derhalve toch rekening worden gehouden met de periode gedurende welke deze overeenkomst heeft bestaan, dat wil zeggen met de periode die is verstreken tussen de datum waarop zij is gesloten en die waarop zij is beëindigd (arrest Gerecht van 19 maart 2003, CMA CGM e.a./Commissie, T‑213/00, Jurispr. blz. II‑913, punt 280).
|
|
190. In the present case, the Commission found that the bilateral cooperation between the Prym and Coats groups had existed for 21½ years, namely for a long duration for the purposes of the Guidelines. Consequently, on that basis the Commission increased the starting amount of the fine imposed on the applicant by 215%. It should be noted that, in accordance with the third indent of Section 1B of the Guidelines, in respect of long‑term infringements, the starting amount of the fine imposed to reflect gravity may be increased by up to 10% per year of infringement. It must thus be found that, in doing so, the Commission did not disregard its self-imposed rules in the Guidelines.
|
190. In casu heeft de Commissie vastgesteld dat de bilaterale samenwerking tussen de Prym-groep en de Coats-groep 21,5 jaar heeft geduurd, dat wil zeggen van lange duur was in de zin van de richtsnoeren. Bijgevolg heeft de Commissie het uitgangsbedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboete op die grond met 215 % verhoogd. Volgens punt 1 B, derde streepje, van de richtsnoeren, kan het uitgangsbedrag van de geldboete dat op basis van de zwaarte is opgelegd, voor inbreuken van lange duur worden verhoogd met 10 % per jaar dat de inbreuk heeft geduurd. Door een dergelijke verhoging op te leggen, is de Commissie niet afgeweken van de regels die zij zichzelf in de richtsnoeren heeft opgelegd.
|
|
191. The fifth plea in law must therefore be rejected.
|
191. Bijgevolg moet het vijfde middel worden verworpen.
|
|
192. It is apparent from all of the foregoing considerations that none of the pleas raised by the applicant can be upheld. The action for annulment must therefore be dismissed in its entirety, without it being necessary, in the circumstances of the case, for the Court to exercise its unlimited jurisdiction to adjust the amount of the fine imposed on the applicant.
|
192. Uit al het voorgaande volgt dat geen van de middelen van verzoekster kan worden aanvaard. Het beroep tot nietigverklaring moet dus in zijn geheel worden verworpen, zonder dat het Gerecht in casu in het kader van de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht de hoogte van de aan verzoekster opgelegde geldboete hoeft te herzien.
|
|
Costs
|
Kosten
|
|
193. Under Article 87(2) of the Rules of Procedure, the unsuccessful party is to be ordered to pay the costs, if they have been asked for in the successful party’s pleadings. Since the applicant has been unsuccessful, it must be ordered to pay the costs in accordance with the form of order sought by the Commission.
|
193. Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie worden verwezen in de kosten.
|
|
|
HET GERECHT (Derde kamer),
|