Bilingual display

Parties
Grounds
Operative part

BG CS DA DE EN ES ET FI FR HU IT LT LV MT NL PL PT RO SL SV  BG CS DA DE EN ES ET FI FR HU IT LT LV MT NL PL PT RO SL SV 

en

nl

 

Parties


In Case C‑225/11,
In zaak C‑225/11,
REFERENCE for a preliminary ruling under Article 267 TFEU, from the Upper Tribunal (Tax and Chancery Chamber) (United Kingdom), made by decision of 9 May 2011, received at the Court on 13 May 2011, in the proceedings
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Upper Tribunal (Tax and Chancery Chamber) (Verenigd Koninkrijk) bij beslissing van 9 mei 2011, ingekomen bij het Hof op 13 mei 2011, in de procedure
The Commissioners for Her Majesty’s Revenue and Customs
The Commissioners for Her Majesty’s Revenue and Customs
v
tegen
Able UK Ltd ,
Able UK Ltd,
THE COURT (Eighth Chamber),
wijst
composed of A. Prechal (Rapporteur), President of the Chamber, K. Schiemann and L. Bay Larsen, Judges,
HET HOF (Achtste kamer),
Advocate General: P. Mengozzi,
samengesteld als volgt: A. Prechal (rapporteur), kamerpresident, K. Schiemann en L. Bay Larsen, rechters,
Registrar: A. Calot Escobar,
advocaat-generaal: P. Mengozzi,
having regard to the written procedure,
griffier: A. Calot Escobar,
after considering the observations submitted on behalf of:
gezien de stukken,
– the United Kingdom Government, by L. Seeboruth, acting as Agent,
gelet op de opmerkingen van:
– the Polish Government, by M. Szpunar, acting as Agent,
– de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door L. Seeboruth als gemachtigde,
– the European Commission, by R. Lyal and C. Soulay, acting as Agents,
– de Poolse regering, vertegenwoordigd door M. Szpunar als gemachtigde,
having decided, after hearing the Advocate General, to proceed to judgment without an Opinion,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door R. Lyal en C. Soulay als gemachtigden,
gives the following
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
Judgment
het navolgende
Arrest
 

Grounds


1. This reference for a preliminary ruling relates to the interpretation of Article 151(1)(c) of Council Directive 2006/112/EC of 28 November 2006 on the common system of value added tax (OJ 2006 L 347, p. 1. ‘the VAT Directive’).
1. Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 151, lid 1, sub c, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347, blz. 1; hierna „btw-richtlijn”).
2. The reference has been made in the course of proceedings between the Commissioners for Her Majesty’s Revenue and Customs (‘the Commissioners’) and Able UK Ltd (‘Able’) concerning value added tax (‘VAT’) on services of dismantling obsolete United States Navy (‘US Navy’) ships.
2. Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Commissioners for Her Majesty’s Revenue and Customs (hierna: „Commissioners”) en Able UK Ltd. (hierna: „Able”) betreffende de op diensten voor ontmanteling van verouderde schepen van de Amerikaanse marine toepasselijke belasting over de toegevoegde waarde (hierna: „btw”).
Legal context
Toepasselijke bepalingen
International law
Internationaal recht
3. The North Atlantic Treaty was signed in Washington (United States) on 4 April 1949.
3. Het Noord-Atlantische Verdrag is op 4 april 1949 te Washington (Verenigde Staten) ondertekend.
4. The Protocol on the Status of International Military Headquarters set up pursuant to the North Atlantic Treaty, signed in Paris on 28 August 1952 (‘the Protocol on Military Headquarters’), provides in Article VIII(1):
4. Artikel 8, punt 1, van het Protocol nopens de rechtspositie van internationale militaire hoofdkwartieren, ingesteld uit hoofde van het Noord-Atlantische Verdrag, ondertekend te Parijs op 28 augustus 1952 (hierna: „protocol betreffende de internationale militaire hoofdkwartieren”), luidt als volgt:
‘1. For the purpose of facilitating the establishment, construction, maintenance and operation of Allied Headquarters, these Headquarters shall be relieved, so far as practicable, from duties and taxes, affecting expenditures by them in the interest of common defence and for their official and exclusive benefit, and each Party to the present Protocol shall enter into negotiations with any Allied Headquarters operating in its territory for the purpose of concluding an agreement to give effect to this provision.’
„Teneinde de vestiging, de bouw, de instandhouding en de werkzaamheden van geallieerde hoofdkwartieren te vergemakkelijken wordt aan deze hoofdkwartieren zoveel mogelijk vrijstelling verleend van rechten en heffingen welke uitgaven betreffen, door hen gedaan in het belang van de gemeenschappelijke verdediging en uitsluitend ten behoeve van hun officiële werkzaamheden. Elke staat [die] partij is bij dit protocol zal in onderhandeling treden met elk geallieerd hoofdkwartier dat in zijn gebied werkzaam is, met het doel een overeenkomst te sluiten ter uitvoering van deze bepaling.”
European Union law
Unierecht
5. Under Article 151(1) of the VAT Directive:
5. Artikel 151, lid 1, van de btw-richtlijn luidt als volgt:
‘Member States shall exempt the following transactions:
„De lidstaten verlenen vrijstelling voor de volgende handelingen:
...
[...]
(c) the supply of goods or services within a Member State which is a party to the North Atlantic Treaty, intended either for the armed forces of other States party to that Treaty for the use of those forces, or of the civilian staff accompanying them, or for supplying their messes or canteens when such forces take part in the common defence effort;
c) goederenleveringen en diensten verricht in de lidstaten die partij zijn bij het Noord-Atlantische Verdrag, en bestemd voor de strijdkrachten van de andere staten die partij bij dat verdrag zijn, ten behoeve van deze strijdkrachten of het hen begeleidende burgerpersoneel of voor de bevoorrading van hun messes of kantines, voor zover deze strijdkrachten deelnemen aan de gemeenschappelijke defensie-inspanning;
(d) the supply of goods or services to another Member State, intended for the armed forces of any State which is a party to the North Atlantic Treaty, other than the Member State of destination itself, for the use of those forces, or of the civilian staff accompanying them, or for supplying their messes or canteens when such forces take part in the common defence effort;
d) goederenleveringen en diensten verricht voor een andere lidstaat, bestemd voor de strijdkrachten van andere staten die partij zijn bij het Noord-Atlantische Verdrag dan de lidstaat van bestemming zelf, ten behoeve van deze strijdkrachten of het hen begeleidende burgerpersoneel of voor de bevoorrading van hun messes of kantines, voor zover deze strijdkrachten deelnemen aan de gemeenschappelijke defensie-inspanning;
...’
[...]”
The dispute in the main proceedings and the question referred
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
6. According to the order for reference, Able had secured a contract with the United States Department of Transportation Maritime Administration to dismantle thirteen vessels which were in the service of the US Navy, but had latterly been consigned to the US Navy’s Reserve Fleet and moored in the James River in Virginia (United States). The contract was in two distinct parts; firstly the ships had to be prepared and then towed from the United States to the United Kingdom. Secondly, once they were secured at Able’s facility on Teesside (United Kingdom), they were to be dismantled. United States Government inspectors were to have a presence on the site throughout the duration of the contract.
6. Blijkens de verwijzingsbeslissing heeft Able met het Amerikaanse ministerie van Vervoer, afdeling Maritieme Zaken (United States Department of Transportation Maritime Administration), een overeenkomst gesloten voor het ontmantelen van dertien schepen die in de vaart waren voor de Amerikaanse marine, maar die vervolgens aan de reservevloot waren overgedragen en voor anker lagen in de James River in Virginia (Verenigde Staten). De overeenkomst bestond uit twee onderdelen. In de eerste plaats dienden de schepen in gereedheid te worden gebracht en vervolgens van de Verenigde Staten naar het Verenigd Koninkrijk te worden gesleept. In de tweede plaats dienden de schepen, na op de werf van Able in Teesside (Verenigd Koninkrijk) te zijn gedokt, te worden ontmanteld. Inspecteurs van de regering van de Verenigde Staten moesten tijdens de volledige duur van de overeenkomst op de werf aanwezig zijn.
7. In a letter dated 27 August 2008 Able sought a ruling from the Commissioners as to the VAT liability of the dismantling service which it provided. Able argued that the supply was exempt pursuant to the third indent of Article 15(10) of Sixth Council Directive 77/388/EEC of 17 May 1977 on the harmonisation of the laws of the Member States relating to turnover taxes – Common system of value added tax: uniform basis of assessment (OJ 1977 L 145, p. 1), subsequently replaced by Article 151(1)(c) of the VAT Directive.
7. Bij brief van 27 augustus 2008 heeft Able de Commissioners verzocht om zich uit te spreken over de btw-plichtigheid voor de door haar verrichte ontmantelingsactiviteiten. Able betoogde dat haar dienstverrichtingen waren vrijgesteld overeenkomstig artikel 15, punt 10, derde streepje, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1), zoals inmiddels vervangen door artikel 151, lid 1, sub c, van de btw-richtlijn.
8. The HMRC gave a ruling on 15 October 2008 that Able’s dismantling services were standard rated. Able sought a reconsideration of that decision on 21 October 2008. The Commissioners confirmed their ruling on 18 November 2008 and Able then appealed against that decision to the First-tier Tribunal (Tax Chamber), which, by a decision of 24 November 2009, held that the services supplied by Able of dismantling ships were exempt.
8. Bij beslissing van 15 oktober 2008 hebben de Commissioners geoordeeld dat op de door Able verrichte ontmantelingsactiviteiten het normale btw-tarief toepasselijk was. Op 21 oktober 2008 heeft Able om herziening van die beslissing verzocht. De Commissioners hebben die beslissing op 18 november 2008 bevestigd, waarop Able beroep heeft ingesteld bij het First-tier Tribunal (Tax Chamber), dat op 24 november 2009 heeft geoordeeld dat de activiteiten van Able op het gebied van de ontmanteling van schepen waren vrijgesteld.
9. The Commissioners appealed against that decision before the referring court. In their view, Article 151(1)(c) of the VAT Directive applies only to armed forces of a State party to the North Atlantic Treaty visiting a Member State which is another party to the same treaty and only where those forces take part in an activity directly related to the common defence effort.
9. De Commissioners hebben tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter. Volgens hen geldt artikel 151, lid 1, sub c, van de btw-richtlijn slechts voor strijdkrachten van een staat die partij is bij het Noord-Atlantische Verdrag, die in een lidstaat verblijven die eveneens partij is bij datzelfde verdrag, en enkel indien die strijdkrachten deelnemen aan een activiteit die rechtstreeks is verbonden met de gemeenschappelijke defensie-inspanning.
10. Taking the view that, in order to decide the dispute before it, it required an interpretation of Article 151(1)(c) of the VAT Directive, the Upper Tribunal (Tax and Chancery Chamber) decided to stay the proceedings and to refer the following question to the Court of Justice for a preliminary ruling:
10. Aangezien het Upper Tribunal (Tax and Chancery Chamber) van oordeel is dat de beslechting van het bij hem aanhangige geding de uitlegging vereist van artikel 151, lid 1, sub c, van de btw-richtlijn, heeft het de behandeling van de zaak geschorst en het Hof om een antwoord op de volgende prejudiciële vraag verzocht:
‘Is Article 151(1)(c) of the [VAT Directive] to be interpreted as exempting a supply in the UK of services of dismantling obsolete US Navy ships for the US Department of Transportation Maritime Administration in either or both of the following circumstances:
„Moet artikel 151, lid 1, sub c, van de [btw-richtlijn] aldus worden uitgelegd dat de ontmanteling in het Verenigd Koninkrijk van verouderde schepen van de Amerikaanse marine voor het United States Department of Transportation Maritime Administration van btw is vrijgesteld in één van de hiernavolgende omstandigheden of in allebei:
(a) where that supply was not made to a part of the armed forces of a NATO member taking part in the common defence effort or to civilian staff accompanying them;
a) wanneer deze dienst niet is verricht voor een onderdeel van de strijdkrachten van een NAVO [Noord-Atlantische Verdragsorganisatie]-lid die deelnemen aan de gemeenschappelijke defensie-inspanning of voor het hen begeleidende burgerpersoneel;
(b) where that supply was not made to a part of the armed forces of a NATO member stationed in or visiting the UK or to civilian staff accompanying such forces?’
b) wanneer deze dienst niet is verricht voor een onderdeel van de strijdkrachten van een NAVO-lid die zijn gelegerd of verblijven in het Verenigd Koninkrijk of voor het hen begeleidende burgerpersoneel?”
The question referred for a preliminary ruling
Beantwoording van de prejudiciële vraag
11. According to the order for reference, the origin of the first part of the question referred is to be found in the wording of Article 151(1)(c) of the VAT Directive. That wording allowed the last clause of that provision, that is, the words ‘when such forces take part in the common defence effort’, to be taken to qualify only the part of the sentence immediately preceding them, namely ‘[the supply of goods or services] for supplying their messes or canteens’ and not as qualifying that provision as a whole. The absence, in certain language versions, such as the English and French versions, of a comma before that last clause, bears out such a reading.
11. Wat het eerste onderdeel van de vraag betreft, blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat dit zijn oorsprong vindt in de bewoordingen van artikel 151, lid 1, sub c, van de btw-richtlijn. Op grond van die bewoordingen kan het laatste zinsdeel van die bepaling, namelijk de woorden „voor zover deze strijdkrachten deelnemen aan de gemeenschappelijke defensie-inspanning”, immers aldus worden uitgelegd dat het enkel betrekking heeft op het zinsdeel dat daaraan onmiddellijk voorafgaat, namelijk „[goederenleveringen en diensten verricht] voor de bevoorrading van hun messes of kantines”, en niet op de volledige bepaling. Het feit dat in sommige taalversies, zoals de Engelse en de Franse, geen komma aan dat laatste zinsdeel voorafgaat, ondersteunt een dergelijke uitlegging.
12. In that connection, it must be pointed out that there is a comma in that place in certain other language versions of that provision, such as the Spanish, Danish and Dutch versions. Accordingly, the presence or absence of a comma cannot be taken as decisive in the interpretation of Article 151(1)(c) of the VAT Directive.
12. In dit verband moet worden opgemerkt dat in bepaalde andere taalversies van die bepaling, zoals de Spaanse, de Deense en de Nederlandse, op diezelfde plaats een komma staat. In die omstandigheden kan de aanwezigheid of het ontbreken van een komma niet als doorslaggevend worden beschouwd voor de uitlegging van artikel 151, lid 1, sub c, van de btw-richtlijn.
13. It is settled case-law that the wording used in one language version of a provision of European Union (‘EU’) law cannot serve as the sole basis for the interpretation of that provision, or be made to override the other language versions in that regard. Such an approach would be incompatible with the requirement for uniform application of EU law. Where there is divergence between the various language versions, the provision in question must be interpreted by reference to the purpose and general scheme of the rules of which it forms part (see, inter alia, Case C‑41/09 Commission v Netherlands [2011] ECR I-0000, paragraph 44 and the case-law cited).
13. Volgens vaste rechtspraak van het Hof kan de in een van de taalversies van een Unierechtelijke bepaling gebruikte formulering immers niet als enige grondslag voor de uitlegging van die bepaling dienen of in zoverre voorrang hebben boven de andere taalversies. Een dergelijke benadering zou onverenigbaar zijn met het vereiste van eenvormige toepassing van het Unierecht. Wanneer er verschillen zijn tussen de taalversies, moet bij de uitlegging van de betrokken bepaling worden gelet op de algemene opzet en de doelstelling van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt (zie onder meer arrest van 3 maart 2011, Commissie/Nederland, C‑41/09, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
14. Here, it should be borne in mind that, according to settled case-law, VAT exemptions, which include that provided for by Article 151(1)(c) of the VAT Directive, must be interpreted strictly, since they constitute exceptions to the general principle that such tax is to be levied on each service supplied for consideration by a taxable person (see, to that effect, inter alia, Case C-116/10 Feltgen and Bacino Charter Company [2010] ECR I-0000, paragraph 19 and the case-law cited).
14. In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat volgens eveneens vaste rechtspraak van het Hof de btw-vrijstellingen, waaronder die van artikel 151, lid 1, sub c, van de btw-richtlijn, strikt moeten worden uitgelegd omdat zij uitzonderingen vormen op het algemene beginsel dat elke dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht, aan btw is onderworpen (zie in die zin onder meer arrest van 22 december 2010, Feltgen en Bacino Charter Company, C‑116/10, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
15. An interpretation according to which the last phrase of Article 151(1)(c) of the VAT Directive qualifies only the part of the sentence which immediately precedes it would result in giving the exemption provided for by that provision a scope which was not only wide but also illogical, as the United Kingdom government correctly pointed out.
15. Een uitlegging waarbij het laatste zinsdeel van artikel 151, lid 1, sub c, van de btw-richtlijn enkel betrekking heeft op het onmiddellijk daaraan voorafgaande deel van de zin, leidt echter niet enkel tot een ruime, maar eveneens tot een onsamenhangende werkingssfeer van de vrijstelling van die bepaling, zoals de regering van het Verenigd Koninkrijk terecht heeft opgemerkt.
16. If such an interpretation were accepted, supplies of goods and services in the Member States party to the North Atlantic Treaty and intended for the armed forces of other States party to that treaty for the use of those forces or of the civilian staff accompanying them would be exempt from VAT in any circumstances, whereas supplies of goods and services for supplying their messes or canteens would be exempt only when those forces take part in the common defence effort. To make such a distinction as regards the scope of the exemption provided for by Article 151(1)(c) of the VAT Directive appears to make no sense.
16. Een dergelijke uitlegging leidt er immers toe dat de goederenleveringen en diensten verricht in de lidstaten die partij zijn bij het Noord-Atlantische Verdrag en die zijn bestemd voor de strijdkrachten van de andere staten die partij zijn bij dat verdrag voor gebruik door die strijdkrachten of door het hen begeleidende burgerpersoneel, in alle omstandigheden van btw zijn vrijgesteld, terwijl de goederenleveringen en diensten verricht voor de bevoorrading van hun messes of kantines dat enkel zijn wanneer genoemde strijdkrachten deelnemen aan de gemeenschappelijke defensie-inspanning. Een dergelijke differentiatie in de omvang van de vrijstelling van artikel 151, lid 1, sub c, van de btw-richtlijn lijkt zinloos.
17. Moreover, that provision must be understood in the light of the objective of the exemption it establishes. There is no evidence that that objective was, as argued before the referring court, to prevent the Member States party to the North Atlantic Treaty from enjoying a tax advantage as a result of their membership of NATO. For the rest, as the referring court itself observed, such an objective would imply the existence of a general exemption for supplies of goods and services for the purposes of commitments made under the auspices of NATO, including by the armed forces of the Member State in which that supply of goods or services took place. However, it is clear that Article 151(1)(c) of the VAT Directive does not provide for such a wide-ranging exemption.
17. Bovendien moet bij de uitlegging van de genoemde bepaling rekening worden gehouden met de doelstelling van de erin voorziene vrijstelling. Wat die doelstelling betreft wijst niets erop dat – zoals voor de verwijzende rechter is gesuggereerd – die erin bestond de lidstaten die partij zijn bij het Noord-Atlantische Verdrag te verhinderen een belastingvoordeel te ontlenen aan hun NAVO-lidmaatschap. Zoals de verwijzende rechter zelf heeft opgemerkt zou een dergelijke doelstelling overigens veronderstellen dat voor de goederenleveringen en dienstverrichtingen voor de in het kader van de NAVO aangegane verbintenissen, daaronder begrepen die van de eigen strijdkrachten van de lidstaat waarin die leveringen of verrichtingen plaatsvinden, een algemene vrijstelling geldt. Het is echter duidelijk dat artikel 151, lid 1, sub c, van de btw-richtlijn niet in een dermate ruime vrijstelling voorziet.
18. However, it appears that the objective pursued by the Union legislature in adopting that provision must, rather, be understood, as the Commission argued, as being to allow the Member States to honour certain commitments made under the auspices of NATO. Nothing in the documents in the case that have been submitted to the Court indicates that the interpretation of Article 151(1)(c) outlined in paragraph 15 of the present judgment is required so that such commitments can be honoured.
18. Zoals de Europese Commissie heeft aangevoerd, lijkt de Uniewetgever bij de vaststelling van de genoemde bepaling daarentegen veeleer de bedoeling te hebben gehad, de lidstaten in staat te stellen om bepaalde in het kader van de NAVO aangegane verbintenissen na te komen. Op basis van niets in het aan het Hof overgelegde dossier kan echter worden geconstateerd dat voor het nakomen van dergelijke verbintenissen de in punt 15 van het onderhavige arrest uiteengezette uitlegging van artikel 151, lid 1, sub c, geboden is.
19. On the contrary, Article VIII of the Protocol on the Status of International Military Headquarters, which, as the Commission points out, the European Union legislature had in mind when it adopted Article 151(1)(c) of the VAT Directive, refers precisely to an exemption from duties and taxes relating to expenditure ‘in the interest of common defence’.
19. Veeleer verwijst artikel 8 van het protocol betreffende de internationale militaire hoofdkwartieren – waardoor, zoals de Commissie heeft opgemerkt, de Uniewetgever zich meer bepaald heeft laten leiden bij de vaststelling van artikel 151, lid 1, sub c, van de btw-richtlijn – juist naar een vrijstelling van de rechten en heffingen die „in het belang van de gemeenschappelijke verdediging” gedane uitgaven betreffen.
20. Article 151(1)(c) of the VAT Directive must therefore be interpreted as meaning that a supply of services such as that at issue in the main proceedings, made in a Member State party to the North Atlantic Treaty and consisting in dismantling obsolete ships of the Navy of another State party to that treaty, is exempt from VAT under that provision only where those services are supplied for staff of the armed forces of that other State taking part in the common defence effort or for the civilian staff accompanying them.
20. Bijgevolg dient artikel 151, lid 1, sub c, van de btw-richtlijn aldus te worden uitgelegd dat een dienst zoals aan de orde in het hoofdgeding, die wordt verricht in een lidstaat die partij is bij het Noord-Atlantische Verdrag en bestaat in de ontmanteling van verouderde schepen van een andere staat die partij is bij dat verdrag, krachtens die bepaling slechts van btw is vrijgesteld wanneer die dienst wordt verricht voor een onderdeel van de strijdkrachten van die andere staat die aan de gemeenschappelijke defensie-inspanning deelnemen of voor het hen begeleidende burgerpersoneel.
21. As regards the second part of the question asked by the referring court, it must be observed that the wording of Article 151(1)(c) of the VAT Directive does not, in itself, indicate whether a supply of services such as that at issue in the main proceedings, made in a Member State party to the North Atlantic Treaty, must, in order to be exempt from VAT, be made for members of the armed forces of another State party to that treaty who are stationed in or visiting the Member State concerned or for the civilian staff accompanying them.
21. Wat het tweede onderdeel van de vraag van de verwijzende rechter betreft, moet worden opgemerkt dat uit de bewoordingen zelf van artikel 151, lid 1, sub c, van de btw-richtlijn niet blijkt of een dienst zoals aan de orde in het hoofdgeding, verricht in een lidstaat die partij is bij het Noord-Atlantische Verdrag, slechts van btw is vrijgesteld wanneer hij wordt verricht voor een onderdeel van de op het grondgebied van de betrokken lidstaat gelegerde of verblijvende strijdkrachten van een andere staat die partij is bij dat verdrag of voor het hen begeleidende burgerpersoneel.
22. However, according to the Court’s settled case‑law, in interpreting a provision of European Union law, it is necessary to consider not only its wording but also the context in which it occurs and the objectives pursued by the rules of which it is part (see, inter alia, Feltgen and Bacino Charter Company , paragraph 12 and the case-law cited).
22. Volgens vaste rechtspraak van het Hof dient bij de uitlegging van een bepaling van het recht van de Unie echter niet enkel rekening te worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen die de regeling waarvan zij deel uitmaakt, nastreeft (zie onder meer arrest Feltgen en Bacino Charter Company, reeds aangehaald, punt 12 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
23. As regards the context of Article 151(1)(c) of the VAT Directive, account should be taken, as the United Kingdom and Polish Governments rightly observe, of Article 151(1)(d). Whereas the first of those provisions exempts supplies of goods and services in Member States party to the North Atlantic Treaty for the armed forces of other States party to that treaty from VAT under certain conditions, the second provision exempts, under the same conditions, supplies of goods and services to another Member State and intended for the armed forces of any State party to the North Atlantic Treaty other than the Member State of destination itself.
23. Wat de context van artikel 151, lid 1, sub c, van de btw-richtlijn betreft moet, zoals de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Poolse regering terecht hebben opgemerkt, rekening worden gehouden met lid 1, sub d, van dat artikel. Terwijl de eerste van die twee bepalingen onder bepaalde voorwaarden van btw vrijstelt goederenleveringen en diensten verricht in de lidstaten die partij zijn bij het Noord-Atlantische Verdrag en bestemd voor de strijdkrachten van de andere staten die partij zijn bij dat verdrag, zijn ingevolge de tweede bepaling onder dezelfde voorwaarden vrijgesteld goederenleveringen en diensten verricht voor een andere lidstaat en bestemd voor de strijdkrachten van andere staten die partij zijn bij het Noord-Atlantische Verdrag dan de lidstaat van bestemming zelf.
24. It is apparent from those two provisions that, as stated in paragraph 17 of the present judgment, the legislature of the European Union wished to exclude from VAT exemption supplies of goods and services for the armed forces of the Member State in which those goods or services are supplied.
24. Uit die twee bepalingen blijkt dat, zoals in punt 17 van onderhavig arrest reeds is uiteengezet, de Uniewetgever de goederenleveringen of de dienstenverrichtingen die bestemd zijn voor de strijdkrachten van de lidstaat van ontvangst van die goederen of diensten van de btw-vrijstelling heeft willen uitsluiten.
25. First, that exclusion, in that it is intended precisely for armed forces which are stationed in or are visiting their own Member State, already suggests, as such, that the place where the armed forces are stationed or which they are visiting is relevant for the application of those provisions.
25. Enerzijds geeft die uitsluiting immers – juist omdat zij de strijdkrachten betreft die op het grondgebied van hun eigen lidstaat zijn gelegerd of er verblijven – als zodanig reeds aan dat de plaats waar de troepen zijn gelegerd of verblijven voor de toepassing van de genoemde bepalingen relevant is.
26. Second, if Article 151(1)(c) of the VAT Directive were interpreted as exempting from VAT supplies of goods and services in a Member State party to the North Atlantic Treaty and intended for the armed forces of another State party to that treaty, even if those forces were not stationed in or visiting that Member State, those supplies of goods or services could, ultimately, be for the benefit, without having been subject to VAT, of the armed forces of another Member State which are stationed in or visiting that State. Such an interpretation of that provision would be contrary to the intention of the Union legislature outlined in paragraph 24 of the present judgment.
26. Anderzijds leidt een uitlegging van artikel 151, lid 1, sub c, van de btw-richtlijn waarbij de goederenleveringen en diensten verricht in een lidstaat die partij is bij het Noord-Atlantische Verdrag en bestemd voor de strijdkrachten van een andere staat die partij is bij dat verdrag, van btw zijn vrijgesteld zelfs indien die strijdkrachten niet op het grondgebied van de genoemde lidstaat zijn gelegerd of er verblijven, ertoe dat die goederen of diensten uiteindelijk, zonder onderworpen te zijn aan btw, ten goede kunnen komen aan de strijdkrachten van een andere lidstaat die op het grondgebied van die lidstaat zijn gelegerd of er verblijven. Een dergelijke uitlegging druist echter in tegen de in punt 24 van het onderhavige arrest uiteengezette wil van de Uniewetgever.
27. Accordingly, taking account of the foregoing observations and, moreover, of the need to interpret VAT exemptions strictly, noted in paragraph 14 of the present judgment, Article 151(1)(c) of the VAT Directive must be interpreted as exempting, under the conditions it lays down, supplies of goods and services in a Member State party to the North Atlantic Treaty for the armed forces of another State party to that treaty, provided that those forces are stationed in or visiting the Member State concerned.
27. Derhalve moet, gelet op het voorgaande en overigens mede gelet op de in punt 14 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte noodzaak om de btw-vrijstellingen strikt uit te leggen, artikel 151, lid 1, sub c, van de btw-richtlijn aldus worden uitgelegd dat het, onder de in deze bepaling gestelde voorwaarden, goederenleveringen en diensten verricht in een lidstaat die partij is bij het Noord-Atlantische Verdrag en bestemd voor de strijdkrachten van een andere staat die partij is bij dat verdrag, vrijstelt voor zover die strijdkrachten op het grondgebied van de betrokken lidstaat zijn gelegerd of verblijven.
28. It does not appear from the documents submitted to the Court that an interpretation of that provision other than that upheld in the previous paragraph might be called for in order to allow the Member States to honour the commitments made under the auspices of NATO.
28. Uit het aan het Hof overgelegde dossier blijkt niet dat een andere uitlegging van voormelde bepaling dan die in het voorgaande punt geboden zou zijn om de lidstaten in staat te stellen, de door hen in het kader van de NAVO aangegane verbintenissen na te komen.
29. On the contrary, it is apparent fr om Article VIII of the Protocol on the Status of International Military Headquarters that, by providing for an exemption from duties and taxes in order to facilitate the establishment, construction, maintenance and operation of Allied Headquarters on the territory of a State party to the North Atlantic Treaty, that article implies that, by definition, it concerns armed forces stationed in or visiting that State.
29. Uit artikel 8 van het protocol betreffende de internationale militaire hoofdkwartieren blijkt veeleer dat dit artikel, door te voorzien in vrijstelling van rechten en heffingen om de vestiging, de bouw, de instandhouding en de werkzaamheden van geallieerde hoofdkwartieren op het grondgebied van een staat die partij is bij het Noord-Atlantische Verdrag te vergemakkelijken, per definitie impliceert dat het gaat om strijdkrachten die zijn gelegerd of verblijven op het grondgebied van die staat.
30. Accordingly, the answer to the question referred is that Article 151(1)(c) of the VAT Directive must be interpreted as meaning that a supply of services such as that at issue in the main proceedings, made in a Member State party to the North Atlantic Treaty and consisting in dismantling obsolete ships of the Navy of another State party to that treaty, is exempt from VAT under that provision only where
30. Bijgevolg moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 151, lid 1, sub c, van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat een dienst zoals aan de orde in het hoofdgeding, die wordt verricht in een lidstaat die partij is bij het Noord-Atlantische Verdrag en die bestaat in de ontmanteling van verouderde schepen van de marine van een andere staat die partij is bij dat verdrag, krachtens die bepaling enkel van btw is vrijgesteld indien:
– those services are supplied for staff of the armed forces of that other State taking part in the common defence effort or for the civilian staff accompanying them, and
– die dienst wordt verricht voor een onderdeel van de strijdkrachten van die andere staat die deelnemen aan de gemeenschappelijke defensie-inspanning of voor het hen begeleidende burgerpersoneel, en
– those services are supplied for members of the armed forces who are stationed in or visiting the Member State concerned or for the civilian staff accompanying them.
– diezelfde dienst wordt verricht voor een onderdeel van die strijdkrachten die op het grondgebied van de betrokken lidstaat zijn gelegerd of verblijven of voor het hen begeleidende burgerpersoneel.
Costs
Kosten
31. Since these proceedings are, for the parties to the main proceedings, a step in the action pending before the national court, the decision on costs is a matter for that court. Costs incurred in submitting observations to the Court, other than the costs of those parties, are not recoverable.
31. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
 

Operative part


On those grounds, the Court (Eighth Chamber) hereby rules:
Het Hof (Achtste kamer) verklaart voor recht:
Article 151(1)(c) of Council Directive 2006/112/EC of 28 November 2006 on the common system of value added tax must be interpreted as meaning that a supply of services such as that at issue in the main proceedings, made in a Member State party to the North Atlantic Treaty and consisting in dismantling obsolete ships of the Navy of another State party to that treaty, is exempt from VAT under that provision only where
Artikel 151, lid 1, sub c, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, moet aldus worden uitgelegd dat een dienst zoals aan de orde in het hoofdgeding, die wordt verricht in een lidstaat die partij is bij het Noord-Atlantische Verdrag en die bestaat in de ontmanteling van verouderde schepen van de marine van een andere staat die partij is bij dat verdrag, krachtens die bepaling enkel van btw is vrijgesteld indien:
– those services are supplied for staff of the armed forces of that other State taking part in the common defence effort or for the civilian staff accompanying them, and
– die dienst wordt verricht voor een onderdeel van de strijdkrachten van die andere staat die deelnemen aan de gemeenschappelijke defensie-inspanning of voor het hen begeleidende burgerpersoneel, en
– those services are supplied for members of the armed forces who are stationed in or visiting the Member State concerned or for the civilian staff accompanying them.
– diezelfde dienst wordt verricht voor een onderdeel van die strijdkrachten die op het grondgebied van de betrokken lidstaat zijn gelegerd of verblijven of voor het hen begeleidende burgerpersoneel.
Top


Managed by the Publications Office