Grounds
|
|
1. This reference for a preliminary ruling concerns the interpretation of the principle of non-discrimination on grounds of age and of Council Directive 2000/78/EC of 27 November 2000 establishing a general framework for equal treatment in employment and occupation (OJ 2000 L 303, p. 16).
|
1. Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van het beginsel van non-discriminatie op grond van leeftijd en van richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (PB L 303, blz. 16).
|
|
2. The reference was made in the course of proceedings between Ms Kücükdeveci and her former employer Swedex GmbH & Co. KG (‘Swedex’) concerning the calculation of the notice period applicable to her dismissal.
|
2. Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen S. Kücükdeveci en haar vroegere werkgever, Swedex GmbH & Co. KG (hierna: „Swedex”), over de berekening van de voor haar ontslag geldende opzegtermijn.
|
|
Legal context
|
Toepasselijke bepalingen
|
|
European Union legislation
|
Regeling van de Unie
|
|
3. Directive 2000/78 was adopted on the basis of Article 13 EC. Recitals 1, 4 and 25 in the preamble to the directive read as follows:
|
3. Richtlijn 2000/78 is vastgesteld op grond van artikel 13 EG. De punten 1, 4 en 25 van de considerans van deze richtlijn luiden als volgt:
|
|
‘(1) In accordance with Article 6 of the Treaty on European Union, the European Union is founded on the principles of liberty, democracy, respect for human rights and fundamental freedoms, and the rule of law, principles which are common to all Member States and it respects fundamental rights, as guaranteed by the European Convention for the Protection of Human Rights and Fundamental Freedoms [signed at Rome on 4 November 1950] and as they result from the constitutional traditions common to the Member States, as general principles of Community law.
|
„(1) Overeenkomstig artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie is de Europese Unie gegrondvest op de beginselen van vrijheid, democratie, eerbiediging van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en van de rechtsstaat, welke beginselen de lidstaten gemeen hebben, en eerbiedigt de Unie de grondrechten, zoals die worden gewaarborgd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden [,ondertekend te Rome op 4 november 1950,] en zoals die uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten voortvloeien, als algemene beginselen van het Recht van de Unie.
|
|
…
|
[...]
|
|
(4) The right of all persons to equality before the law and protection against discrimination constitutes a universal right recognised by the Universal Declaration of Human Rights, the United Nations Convention on the Elimination of All Forms of Discrimination against Women, United Nations Covenants on Civil and Political Rights and on Economic, Social and Cultural Rights and by the European Convention for the Protection of Human Rights and Fundamental Freedoms, to which all Member States are signatories. Convention No 111 of the International Labour Organisation (ILO) prohibits discrimination in the field of employment and occupation.
|
(4) Gelijkheid voor de wet en bescherming van eenieder tegen discriminatie is als universeel recht erkend door de Universele Verklaring van de rechten van de mens, door het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen, door de Internationale Verdragen van de Verenigde Naties inzake burgerrechten en politieke rechten, respectievelijk inzake economische, sociale en culturele rechten, en door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, die door alle lidstaten zijn ondertekend; Verdrag nr. 111 van de Internationale Arbeidsorganisatie verbiedt discriminatie op het terrein van arbeid en beroep.
|
|
…
|
[...]
|
|
(25) The prohibition of age discrimination is an essential part of meeting the aims set out in the Employment Guidelines and encouraging diversity in the workforce. However, differences in treatment in connection with age may be justified under certain circumstances and therefore require specific provisions which may vary in accordance with the situation in Member States. It is therefore essential to distinguish between differences in treatment which are justified, in particular by legitimate employment policy, labour market and vocational training objectives, and discrimination which must be prohibited.’
|
(25) Het verbod op discriminatie op grond van leeftijd vormt een fundamenteel element om de in de werkgelegenheidsrichtsnoeren gestelde doelen te bereiken en de diversiteit bij de arbeid te bevorderen; niettemin kunnen verschillen in behandeling op grond van leeftijd in bepaalde omstandigheden gerechtvaardigd zijn en derhalve specifieke bepalingen nodig maken die naargelang de situatie in de lidstaten kunnen verschillen; het is derhalve van essentieel belang onderscheid te maken tussen verschillen in behandeling die gerechtvaardigd zijn, met name door legitieme doelstellingen van het beleid op het terrein van de werkgelegenheid, de arbeidsmarkt en de beroepsopleiding, en discriminatie die verboden moet worden.”
|
|
4. According to Article 1 of Directive 2000/78, its purpose is to lay down a general framework for combating discrimination on the grounds of religion or belief, disability, age or sexual orientation as regards employment and occupation, with a view to putting into effect in the Member States the principle of equal treatment.
|
4. Volgens artikel 1 van richtlijn 2000/78 heeft deze tot doel met betrekking tot arbeid en beroep een algemeen kader te creëren voor de bestrijding van discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid, zodat in de lidstaten het beginsel van gelijke behandeling kan worden toegepast.
|
|
5. Article 2 of the directive states:
|
5. Artikel 2 van de richtlijn luidt:
|
|
‘1. For the purposes of this Directive, the “principle of equal treatment” shall mean that there shall be no direct or indirect discrimination whatsoever on any of the grounds referred to in Article 1.
|
„1. Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder het beginsel van gelijke behandeling verstaan de afwezigheid van elke vorm van directe of indirecte discriminatie op basis van een van de in artikel 1 genoemde gronden.
|
|
2. For the purposes of paragraph 1:
|
2. Voor de toepassing van lid 1 is er:
|
|
(a) direct discrimination shall be taken to occur where one person is treated less favourably than another is, has been or would be treated in a comparable situation, on any of the grounds referred to in Article 1;
|
a) ,directe discriminatie’ wanneer iemand ongunstiger wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld op basis van een van de in artikel 1 genoemde gronden;
|
|
…’
|
[...]”
|
|
6. Article 3(1) of the directive provides:
|
6. Artikel 3, lid 1, van de richtlijn preciseert:
|
|
‘Within the limits of the areas of competence conferred on the Community, this Directive shall apply to all persons, as regards both the public and private sectors, including public bodies, in relation to:
|
„1. Binnen de grenzen van de aan de Gemeenschap verleende bevoegdheden, is deze richtlijn zowel in de overheidssector als in de particuliere sector, met inbegrip van overheidsinstanties, op alle personen van toepassing met betrekking tot:
|
|
…
|
[...]
|
|
(c) employment and working conditions, including dismissals and pay;
|
c) werkgelegenheid en arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van ontslag en beloning;
|
|
…’
|
[...]”
|
|
7. Article 6(1) of the directive provides:
|
7. Artikel 6, lid 1, van de richtlijn bepaalt:
|
|
‘Notwithstanding Article 2(2), Member States may provide that differences of treatment on grounds of age shall not constitute discrimination, if, within the context of national law, they are objectively and reasonably justified by a legitimate aim, including legitimate employment policy, labour market and vocational training objectives, and if the means of achieving that aim are appropriate and necessary.
|
„Niettegenstaande artikel 2, lid 2, kunnen de lidstaten bepalen dat verschillen in behandeling op grond van leeftijd geen discriminatie vormen indien zij in het kader van de nationale wetgeving objectief en redelijk worden gerechtvaardigd door een legitiem doel, met inbegrip van legitieme doelstellingen van het beleid op het terrein van de werkgelegenheid, de arbeidsmarkt of de beroepsopleiding, en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn.
|
|
Such differences of treatment may include, among others:
|
Dergelijke verschillen in behandeling kunnen onder meer omvatten:
|
|
(a) the setting of special conditions on access to employment and vocational training, employment and occupation, including dismissal and remuneration conditions, for young people, older workers and persons with caring responsibilities in order to promote their vocational integration or ensure their protection;
|
a) het creëren van bijzondere voorwaarden voor toegang tot arbeid en beroepsopleiding, van bijzondere arbeidsvoorwaarden en ‑omstandigheden, met inbegrip van voorwaarden voor ontslag en beloning voor jongeren, oudere werknemers en werknemers met personen ten laste, teneinde hun opneming in het arbeidsproces te bevorderen, en hun bescherming te verzekeren;
|
|
(b) the fixing of minimum conditions of age, professional experience or seniority in service for access to employment or to certain advantages linked to employment;
|
b) de vaststelling van minimumvoorwaarden met betrekking tot leeftijd, beroepservaring of ‑anciënniteit in een functie voor toegang tot de arbeid of bepaalde daaraan verbonden voordelen;
|
|
(c) the fixing of a maximum age for recruitment which is based on the training requirements of the post in question or the need for a reasonable period of employment before retirement.’
|
c) de vaststelling van een maximumleeftijd voor aanwerving, gebaseerd op de opleidingseisen voor de betrokken functie of op de noodzaak van een aan pensionering voorafgaand redelijk aantal arbeidsjaren.”
|
|
8. In accordance with the first paragraph of Article 18 of the directive, it was to be transposed into the legal systems of the Member States by 2 December 2003 at the latest. The second paragraph of Article 18 provided, however, that:
|
8. Ingevolge artikel 18, eerste alinea, van richtlijn 2000/78 moesten de lidstaten deze richtlijn uiterlijk op 2 december 2003 uitvoeren. In artikel 18, tweede alinea, is echter bepaald:
|
|
‘In order to take account of particular conditions, Member States may, if necessary, have an additional period of three years from 2 December 2003, that is to say a total of six years, to implement the provisions of this Directive on age and disability discrimination. In that event they shall inform the Commission forthwith …’
|
„Teneinde met bijzondere omstandigheden rekening te houden kunnen de lidstaten indien nodig beschikken over drie extra jaren vanaf 2 december 2003, ofwel een totaal van maximaal 6 jaar, om de bepalingen met betrekking tot discriminatie op grond van leeftijd en handicap uit te voeren. In dat geval stellen zij de Commissie daarvan onverwijld in kennis [...].”
|
|
9. The Federal Republic of Germany made use of that option, so that the provisions of the directive relating to discrimination on grounds of age and disability were to be transposed in that Member State by 2 December 2006 at the latest.
|
9. De Bondsrepubliek Duitsland heeft van deze mogelijkheid gebruikgemaakt en moest de bepalingen van richtlijn 2000/78 inzake discriminatie op grond van leeftijd en handicap dus uiterlijk op 2 december 2006 uitvoeren.
|
|
National legislation
|
Nationale regeling
|
|
The General Law on equal treatment
|
Allgemeines Gleichbehandlungsgesetz
|
|
10. Paragraphs 1, 2 and 10 of the General Law on equal treatment (Allgemeines Gleichbehandlungsgesetz) of 14 August 2006 (BGBl. 2006 I, p. 1897), which transposed Directive 2000/78, provide:
|
10. De §§ 1, 2 en 10 van het Allgemeine Gleichbehandlungsgesetz (algemene wet inzake gelijke behandeling) van 14 augustus 2006 (BGBl. 2006 I, blz. 1897), dat richtlijn 2000/78 in nationaal recht heeft omgezet, luiden als volgt:
|
|
‘Paragraph 1 – Object of the Law
|
„§1 – Doel van de wet
|
|
The object of this law is to prevent or eliminate discrimination on grounds of race, ethnic origin, sex, religion or belief, disability, age or sexual orientation.
|
Deze wet heeft tot doel elke benadeling op grond van ras of etnische afstamming, geslacht, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid te voorkomen of weg te werken.
|
|
Paragraph 2 – Scope
|
§ 2 – Werkingssfeer
|
|
…
|
[...]
|
|
(4) For dismissals, the provisions on general and specific protection against dismissal apply exclusively.
|
4) Op ontslagen zijn uitsluitend de bepalingen inzake algemene en bijzondere ontslagbescherming van toepassing.
|
|
…
|
[...]
|
|
Paragraph 10 – Permissible different treatment on grounds of age
|
§ 10 – Toelaatbare verschillen in behandeling op grond van leeftijd
|
|
Paragraph 8 notwithstanding, different treatment on grounds of age is also permissible if it is objectively and reasonably justified by a legitimate aim. The means of achieving that aim must be appropriate and necessary. Such differences of treatment may include in particular the following:
|
Niettegenstaande § 8 is een verschil in behandeling op grond van leeftijd toelaatbaar indien het objectief en redelijk wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel. De voor het bereiken van dat doel aangewende middelen moeten passend en noodzakelijk zijn. Dergelijke verschillen in behandeling kunnen onder meer omvatten:
|
|
…
|
1) het creëren van bijzondere voorwaarden voor toegang tot arbeid en beroepsopleiding, van bijzondere arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden, met inbegrip van voorwaarden voor ontslag en beloning voor jongeren, oudere werknemers en werknemers met personen ten laste, teneinde hun opneming in het arbeidsproces te bevorderen of hun bescherming te verzekeren;
|
|
1. the setting of special conditions on access to employment and vocational training, employment and occupation, including conditions of remuneration and termination of employment relationships, for young people, older workers and persons with caring responsibilities in order to promote their vocational integration or ensure their protection,
|
[...]”
|
|
…’
|
Regeling inzake opzegtermijnen
|
|
Legislation on the notice period for dismissal
|
11. § 622 van het Bürgerliches Gesetzbuch (Duits burgerlijk wetboek; hierna: „BGB”), met als opschrift „Opzegtermijnen in arbeidsverhoudingen”, luidt:
|
|
11. Paragraph 622 of the German Civil Code (Bürgerliches Gesetzbuch, ‘the BGB’) provides:
|
„1) De arbeidsverhouding van een werknemer kan worden opgezegd met inachtneming van een termijn van vier weken ingaande op de 15e dag of aan het eind van een kalendermaand.
|
|
‘(1) Notice may be given to terminate the employment relationship of an employee with a notice period of four weeks to the 15th or to the end of a calendar month.
|
2) In geval van ontslag door de werkgever bedraagt de opzegtermijn, indien de arbeidsverhouding in het bedrijf of de onderneming:
|
|
(2) For termination by the employer, the notice period, if the employment relationship in the business or undertaking
|
– twee jaar geduurd heeft, één maand ingaande aan het eind van een kalendermaand;
|
|
1. has lasted for two years, is one month to the end of a calendar month,
|
– vijf jaar geduurd heeft, twee maanden ingaande aan het eind van een kalendermaand;
|
|
2. has lasted five years, is two months to the end of a calendar month,
|
– acht jaar geduurd heeft, drie maanden ingaande aan het eind van een kalendermaand;
|
|
3. has lasted eight years, is three months to the end of a calendar month,
|
– tien jaar geduurd heeft, vier maanden ingaande aan het eind van een kalendermaand;
|
|
4. has lasted 10 years, is four months to the end of a calendar month,
|
– twaalf jaar geduurd heeft, vijf maanden ingaande aan het eind van een kalendermaand;
|
|
5. has lasted 12 years, is five months to the end of a calendar month,
|
– vijftien jaar geduurd heeft, zes maanden ingaande aan het eind van een kalendermaand;
|
|
6. has lasted 15 years, is six months to the end of a calendar month,
|
– twintig jaar geduurd heeft, zeven maanden ingaande aan het eind van een kalendermaand.
|
|
7. has lasted 20 years, is seven months to the end of a calendar month.
|
Bij de berekening van de duur van de arbeid worden tijdvakken van arbeid die de werknemer vóór het bereiken van de leeftijd van 25 jaar heeft vervuld, niet meegeteld.”
|
|
In calculating the length of employment, periods prior to the completion of the employee’s 25th year of age are not taken into account.’
|
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
|
|
The main proceedings and the order for reference
|
12. Kücükdeveci is geboren op 12 februari 1978. Zij was sinds 4 juni 1996, dat wil zeggen vanaf de leeftijd van 18 jaar, werkzaam bij Swedex.
|
|
12. Ms Kücükdeveci was born on 12 February 1978. She was employed from 4 June 1996, in other words from the age of 18, by Swedex.
|
13. Swedex heeft deze werkneemster bij brief van 19 december 2006, met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn, per 31 januari 2007 ontslagen. De werkgever berekende de opzegtermijn alsof de werkneemster drie jaar anciënniteit had, terwijl zij al tien jaar voor de onderneming had gewerkt.
|
|
13. Swedex dismissed her by letter of 19 December 2006 with effect, taking account of the statutory notice period, from 31 January 2007. The employer calculated the notice period as if the employee had three years’ length of service, although she had been in its employment for 10 years.
|
14. Kücükdeveci is tegen haar ontslag opgekomen bij het Arbeitsgericht Mönchengladbach. Voor deze rechter heeft zij betoogd dat de opzegtermijn overeenkomstig § 622, lid 2, eerste alinea, punt 4, BGB minstens vier maanden had moeten bedragen vanaf 31 december 2006, zodat haar ontslag pas na 30 april 2007 kon ingaan. Deze opzegtermijn geldt voor een dien stbetrekking van tien jaar. Het geschil in het hoofdgeding betreft dus twee particulieren, namelijk Kücükdeveci en Swedex.
|
|
14. Ms Kücükdeveci contested her dismissal before the Arbeitsgericht Mönchengladbach (Labour Court, Mönchengladbach). She argued before that court that her period of notice should have been four months from 31 December 2006, that is, to 30 April 2007, pursuant to point 4 of the second sentence of Paragraph 622(2) of the BGB. That period corresponded to 10 years’ service. The dispute in the main proceedings is thus between two individuals, Ms Kücükdeveci on the one hand and Swedex on the other.
|
15. Kücükdeveci stelt dat § 622, lid 2, tweede alinea, BGB, dat bepaalt dat tijdvakken van arbeid die vóór het bereiken van de leeftijd van 25 jaar zijn vervuld niet in aanmerking worden genomen bij de berekening van de opzegtermijn, een met het recht van de Unie strijdige discriminatie op grond van leeftijd uitmaakt, zodat deze bepaling buiten beschouwing moet blijven.
|
|
15. According to Ms Kücükdeveci, in so far as it provides that periods of employment completed before the age of 25 are not to be taken into account in calculating the notice period, the second sentence of Paragraph 622(2) of the BGB is a measure which discriminates on grounds of age, contrary to European Union law, and must be disapplied.
|
16. Het Landesarbeitsgericht Düsseldorf heeft in hoger beroep vastgesteld dat de termijn voor uitvoering van richtlijn 2000/78 op het tijdstip van het ontslag was verstreken. Dit gerecht oordeelde eveneens dat § 622 BGB een verschil in behandeling bevat dat rechtstreeks te maken heeft met de leeftijd. Die rechter twijfelt niet zozeer aan de grondwettigheid van die bepaling, maar wel aan de overeenstemming met het recht van de Unie. Hij vraagt zich in dit verband af of het eventuele bestaan van een directe discriminatie op grond van leeftijd moet worden getoetst aan het primaire recht van de Unie, zoals het arrest van 22 november 2005, Mangold (C‑144/04, Jurispr. blz. I‑9981), lijkt te suggereren, dan wel aan richtlijn 2000/78. Hij beklemtoont dat de betrokken nationale bepaling duidelijk is en in voorkomend geval niet richtlijnconform kan worden uitgelegd, en hij vraagt zich eveneens af of hij, vooraleer te beslissen om die bepaling in een geding tussen particulieren buiten beschouwing te laten, het Hof ter bescherming van het gewettigd vertrouwen van de justitiabelen krachtens artikel 234 EG een prejudiciële vraag moet stellen, zodat het Hof de strijdigheid van die bepaling met het recht van de Unie kan bevestigen.
|
|
16. The Landesarbeitsgericht Düsseldorf (Higher Labour Court, Düsseldorf), hearing the case on appeal, found that the period for transposing Directive 2000/78 had expired by the date of the dismissal. That court also considered that Paragraph 622 of the BGB contains a difference of treatment directly linked to age, and, while it is not convinced that it is unconstitutional, it regards its compatibility with European Union law as doubtful. It is not sure in this respect whether the possible existence of direct discrimination on grounds of age must be assessed by reference to primary European Union law, as the judgment in Case C‑144/04 Mangold [2005] ECR I‑9981 appears to suggest, or by reference to Directive 2000/78. Noting that the national provision at issue is clear and could not be interpreted, if that were necessary, in a manner compatible with the directive, the court is also uncertain whether, to be able to disapply that provision in a dispute between private individuals, it must first, in order to ensure the protection of the legitimate expectations of persons subject to the law, make a reference to the Court for a preliminary ruling so that the Court can confirm that the provision is incompatible with European Union law.
|
17. Daarom heeft het Landesarbeitsgericht Düsseldorf de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
|
|
17. In those circumstances, the Landesarbeitsgericht Düsseldorf decided to stay the proceedings and refer the following questions to the Court for a preliminary ruling:
|
„1) a) Schendt een nationale wettelijke regeling die de door de werkgever bij ontslag in acht te nemen opzegtermijn trapsgewijs verlengt naargelang van de duur van het dienstverband, doch die dienstjaren die vóór het bereiken van de leeftijd van 25 jaar zijn vervuld, niet meetelt, het gemeenschapsrechtelijke verbod van discriminatie op grond van leeftijd, in het bijzonder het primaire EG-recht of richtlijn 2000/78 [...]?
|
|
‘(1) (a) Does a national provision under which the periods of notice to be observed by employers are extended incrementally as the length of employment increases, but the employee’s periods of employment b efore the age of 25 are disregarded, infringe the Community law prohibition of discrimination on grounds of age, in particular primary Community law or Directive 2000/78 …?
|
b) Kan de omstandigheid dat de werkgever bij het ontslag van jongere werknemers slechts een basisopzegtermijn in acht hoeft te nemen, worden gerechtvaardigd door het feit dat wordt erkend dat de werkgever een bedrijfseconomisch belang bij een flexibel personeelsbeheer heeft – hetgeen zou worden ondermijnd door langere opzegtermijnen – en dat jongere werknemers niet de (door langere opzegtermijnen aan oudere werknemers gewaarborgde) bescherming van verworven rechten genieten, bijvoorbeeld omdat zij op grond van hun leeftijd en/of geringere sociale, gezins‑ en privéverplichtingen geacht worden beroepsmatig en persoonlijk over een grotere flexibiliteit en mobiliteit te beschikken?
|
|
(b) Can the fact that employers are required to observe only a basic period of notice when terminating the employment of younger employees be justified on the grounds that employers are recognised as having an operational interest in flexibility as regards staffing – an interest which would be adversely affected by longer periods of notice – and that younger employees are not recognised as having the protection available to older employees (by means of longer notice periods) with respect to their employment status or arrangements, for example because, having regard to their age and/or their lesser social, family and private obligations, they are assumed to have greater occupational and personal flexibility and mobility?
|
2) Indien de eerste vraag, sub a, bevestigend en de eerste vraag, sub b, ontkennend worden beantwoord:
|
|
(2) If Question 1(a) is answered in the affirmative and Question 1(b) is answered in the negative:
|
Moet de rechterlijke instantie van een lidstaat in een geding tussen particulieren de uitdrukkelijk met het recht van de Unie strijdige wettelijke regeling dan buiten beschouwing laten? Of moet op zodanige wijze rekening worden gehouden met het vertrouwen van de justitiabelen in de toepassing van geldende nationale wetten, dat pas sprake is van niet-toepasselijkheid nadat het Hof van Justitie uitspraak heeft gedaan over de litigieuze of een in wezen daarmee vergelijkbare regeling?”
|
|
In legal proceedings between private individuals, must a court of a Member State disapply a statutory provision which is explicitly contrary to Community law, or is the legitimate expectation of persons subject to the law – that national laws which are in force will be applied – to be taken into account so that a provision becomes inapplicable only after the Court of Justice has ruled on the disputed provision or a substantially similar provision?’
|
Beantwoording van de prejudiciële vragen
|
|
The questions referred for a preliminary ruling
|
Eerste vraag
|
|
Question 1
|
18. Met de eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of een nationale regeling als die in het hoofdgeding, die bepaalt dat tijdvakken van arbeid die een werknemer vóór het bereiken van de leeftijd van 25 jaar heeft vervuld niet in aanmerking worden genomen bij de berekening van de duur van de opzegtermijn, een unierechtelijk verboden verschil in behandeling op grond van leeftijd, met name op grond van het primaire recht of van richtlijn 2000/78 vormt. Hij vraagt zich in het bijzonder af of een dergelijke regeling haar rechtvaardiging hierin vindt dat voor jongere werknemers slechts een basisopzegtermijn hoeft te gelden, enerzijds om de werkgevers de mogelijkheid te geven hun personeel flexibel te beheren, wat bij langere opzegtermijnen niet mogelijk zou zijn, en anderzijds omdat van jonge werknemers redelijkerwijs een grotere persoonlijke en professionele mobiliteit kan worden verlangd dan van oudere werknemers.
|
|
18. By its first question, the referring court asks essentially whether national legislation such as that at issue in the main proceedings, under which periods of employment completed by the employee before reaching the age of 25 are not taken into account in calculating the notice period for dismissal, constitutes a difference of treatment on grounds of age prohibited by European Union law, in particular primary law or Directive 2000/78. It is unsure, in particular, whether such legislation is justified on the ground that only a basic notice period is to be observed in the case of dismissal of younger workers, first, in order to enable employers to manage their personnel flexibly, which would not be possible with longer notice periods, and, second, because it is reasonable to require greater personal and occupational mobility from younger workers than from older ones.
|
19. Om die vraag te kunnen beantwoorden dient, zoals de verwijzende rechter heeft gevraagd, vooraf te worden uitgemaakt of die vraag moet worden getoetst aan het primaire recht van de Unie dan wel aan richtlijn 2000/78.
|
|
19. To answer that question, it must first be ascertained, as the referring court suggests, whether the question should be examined by reference to primary European Union law or to Directive 2000/78.
|
20. Dienaangaande zij er ten eerste aan herinnerd dat de Raad van de Europese Unie, op grond van artikel 13 EG, richtlijn 2000/78 heeft vastgesteld, waaromtrent het Hof heeft geoordeeld dat niet in die richtlijn zelf het beginsel is neergelegd van de gelijke behandeling in arbeid en beroep, dat zijn oorsprong vindt in diverse internationale instrumenten en de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten, maar dat de richtlijn enkel beoogt inzake die materies een algemeen kader te creëren voor de bestrijding van discriminatie op grond van diverse redenen, waaronder de leeftijd (zie arrest Mangold, reeds aangehaald, punt 74).
|
|
20. In the first place, that the Council of the European Union adopted Directive 2000/78 on the basis of Article 13 EC, and the Court has held that that directive does not itself lay down the principle of equal treatment in the field of employment and occupation, which derives from various international instruments and from the constitutional traditions common to the Member States, but has the sole purpose of laying down, in that field, a general framework for combating discrimination on various grounds including age (see Mangold , paragraph 74).
|
21. In die context heeft het Hof het bestaan erkend van een beginsel van non‑discriminatie op grond van leeftijd dat als een algemeen beginsel van recht van de Unie moet worden beschouwd (zie in die zin arrest Mangold, reeds aangehaald, punt 75). Richtlijn 2000/78 concretiseert dat beginsel (zie, naar analogie, arrest van 8 april 1976, Defrenne, 43/75, Jurispr. blz. 455, punt 54).
|
|
21. In that context, the Court has acknowledged the existence of a principle of non-discrimination on grounds of age which must be regarded as a general principle of European Union law (see, to that effect, Mangold , paragraph 75). Directive 2000/78 gives specific expression to that principle (see, by analogy, Case 43/75 Defrenne [1976] ECR 455, paragraph 54).
|
22. Eveneens moet erop worden gewezen dat artikel 6, lid 1, VEU bepaalt dat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie dezelfde juridische waarde als de Verdragen heeft. Artikel 21, lid 1, van dat Handvest bepaalt dat elke discriminatie, met name op grond van leeftijd, verboden is.
|
|
22. It should also be noted that Article 6(1) TEU provides that the Charter of Fundamental Rights of the European Union is to have the same legal value as the Treaties. Under Article 21(1) of the charter, ‘[a]ny discrimination based on … age … shall be prohibited’.
|
23. Het beginsel van non-discriminatie op grond van leeftijd geldt in een situatie als in het hoofdgeding alleen als die situatie binnen de werkingssfeer van het recht van de Unie valt.
|
|
23. For the principle of non-discrimination on grounds of age to apply in a case such as that at issue in the main proceedings, that case must fall within the scope of European Union law.
|
24. Anders dan in de zaak die leidde tot het arrest van 23 september 2008, Bartsch (C‑427/06, Jurispr. blz. I‑7245), deed de gestelde discriminerende handelswijze in het hoofdgeding op grond van de aan de orde zijnde nationale regeling zich voor na het verstrijken van de termijn voor de omzetting door de betrokken lidstaat van richtlijn 2000/78, wat de Bondsrepubliek Duitsland betreft, op 2 december 2006.
|
|
24. In contrast to the situation concerned in Case C‑427/06 Bartsch [2008] ECR I‑7245, the allegedly discriminatory conduct adopted in the present case on the basis of the national legislation at issue occurred after the expiry of the period prescribed for the Member State concerned for the transposition of Directive 2000/78, which, for the Federal Republic of Germany, ended on 2 December 2006.
|
25. Vanaf die datum had de richtlijn tot gevolg dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling, die een materie behandelt die onder diezelfde richtlijn valt, in casu de voorwaarden voor ontslag, binnen de werkingssfeer van het recht van de Unie valt.
|
|
25. On that date, that directive had the effect of bringing within the scope of European Union law the national legislation at issue in the main proceedings, which concerns a matter governed by that directive, in this case the conditions of dismissal.
|
26. Een nationale bepaling namelijk als § 622, lid 2, tweede alinea, BGB, die bepaalt dat de tijdvakken van arbeid die een werknemer vóór het bereiken van de leeftijd van 25 jaar heeft vervuld niet in aanmerking worden genomen bij de berekening van de opzegtermijn, betreft immers de voorwaarden voor ontslag van de werknemers. Een dergelijke regeling moet bijgevolg geacht worden regels in te voeren inzake de ontslagvoorwaarden.
|
|
26. A national provision such as the second sentence of Paragraph 622(2) of the BGB, in that it provides that, in calculating the notice period, periods of employment completed before the employee reaches the age of 25 are not taken into account, affects the conditions of dismissal of employees. Such a provision must therefore be regarded as laying down rules on the conditions of dismissal.
|
27. Bijgevolg moet op basis van het algemene beginsel van het recht van de Unie dat elke discriminatie op grond van leeftijd verbiedt, zoals nader uitgewerkt in richtlijn 2000/78, worden nagegaan of het recht van de Unie zich verzet tegen een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is.
|
|
27. It follows that it is the general principle of European Union law prohibiting all discrimination on grounds of age, as given expression in Directive 2000/78, which must be the basis of the examination of whether European Union law precludes national legislation such as that at issue in the main proceedings.
|
28. Wat ten tweede de vraag betreft of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling een verschil in behandeling op grond van leeftijd behelst, dient eraan te worden herinnerd dat volgens artikel 2, lid 1, van richtlijn 2000/78 voor de toepassing van deze richtlijn onder het „beginsel van gelijke behandeling” wordt verstaan, de afwezigheid van elke vorm van directe of indirecte discriminatie op basis van een van de in artikel 1 van deze richtlijn genoemde gronden. Artikel 2, lid 2, sub a, van de richtlijn preciseert dat er voor de toepassing van lid 1 van dit artikel sprake is van directe discriminatie wanneer iemand op basis van een van de in artikel 1 van de richtlijn genoemde gronden ongunstiger wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie (zie arresten van 16 oktober 2007, Palacios de la Villa, C‑411/05, Jurispr. blz. I‑8531, punt 50, en 5 maart 2009, Age Concern England, C‑388/07, Jurispr. blz. I‑00000, punt 33).
|
|
28. In the second place, as regards the question whether the legislation at issue in the main proceedings contains a difference of treatment on grounds of age, it should be recalled that under Article 2(1) of Directive 2000/78, for the purposes of that directive, the ‘principle of equal treatment’ means that there is to be no direct or indirect discrimination whatsoever on any of the grounds referred to in Article 1 of the directive. Article 2(2)(a) of the directive states that, for the purposes of Article 2(1), direct discrimination is to be taken to occur where one person is treated less favourably than another person in a comparable situation, on any of the grounds referred to in Article 1 (see Case C‑411/05 Palacios de la Villa [2007] ECR I‑8531, paragraph 50, and Case C‑388/07 Age Concern England [2009] ECR I‑0000, paragraph 33).
|
29. In casu worden werknemers die nog geen 25 jaar oud waren toen zij in dienst van de werkgever traden, op grond van § 622, lid 2, tweede alinea, BGB ongunstiger behandeld. Deze nationale regeling levert dus een verschil in behandeling op tussen personen met dezelfde anciënniteit naar gelang van de leeftijd waarop zij in dienst traden van de onderneming.
|
|
29. In the present case, the second sentence of Paragraph 622(2) of the BGB affords less favourable treatment to employees who entered the employer’s service before the age of 25. That national provision thus introduces a difference of treatment between persons with the same length of service, depending on the age at which they joined the undertaking.
|
30. Van twee werknemers met beide twintig jaar anciënniteit, heeft de werknemer die op achttienjarige leeftijd in dienst van de onderneming trad, dus recht op een opzegtermijn van vijf maanden, terwijl de werknemer die vijfentwintig was bij zijn indiensttreding, recht zal hebben op zeven maanden. Zoals de advocaat‑generaal in punt 36 van zijn conclusie heeft vastgesteld, worden jongere werknemers door de betrokken nationale regeling bovendien algemeen benadeeld ten opzichte van oudere werknemers, aangezien zij, zoals blijkt uit de situatie van verzoekster in het hoofdgeding, ondanks meerdere jaren anciënniteit bij de onderneming kunnen worden uitgesloten van de trapsgewijze verlenging van de opzegtermijnen naarmate meer tijd in de onderneming werd doorgebracht, terwijl oudere werknemers met een vergelijkbare anciënniteit daar wel kunnen van genieten.
|
|
30. Thus in the case of two employees each with 20 years’ seniority in service, the one who joined the undertaking at the age of 18 will be entitled to a notice period of five months, whereas the period will be seven months for the one who joined at the age of 25. Moreover, as the Advocate General observes in point 36 of his Opinion, the national legislation at issue in the main proceedings disadvantages younger workers generally compared to older ones, in that the former – as the situation of Ms Kücükdeveci shows – may, despite several years’ seniority in service in the undertaking, be excluded from benefiting from the progressive extension of notice periods in the case of dismissal according to the length of the employment relationship, from which older workers of comparable seniority will, by contrast, be able to benefit.
|
31. De betrokken nationale regeling bevat dus een verschil in behandeling op grond van het criterium leeftijd.
|
|
31. It follows that the national legislation at issue contains a difference of treatment on grounds of age.
|
32. Ten derde dient te worden nagegaan of dit verschil in behandeling een door het beginsel van non-discriminatie op grond van leeftijd, dat werd geconcretiseerd door richtlijn 2000/78, verboden discriminatie kan uitmaken.
|
|
32. In the third place, it must be examined whether that difference of treatment is liable to constitute discrimination prohibited by the principle of non-discrimination on grounds of age given expression by Directive 2000/78.
|
33. Volgens artikel 6, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2000/78 vormt een verschil in behandeling op grond van leeftijd geen discriminatie indien het in het kader van de nationale wetgeving objectief en redelijk wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel, met inbegrip van legitieme doelstellingen van het beleid op het terrein van de werkgelegenheid, de arbeidsmarkt of de beroepsopleiding, en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn.
|
|
33. The first subparagraph of Article 6(1) of Directive 2000/78 states that a difference of treatment on grounds of age does not constitute discrimination if, within the context of national law, it is objectively and reasonably justified by a legitimate aim, including legitimate employment policy, labour market and vocational training objectives, and if the means of achieving that aim are appropriate and necessary.
|
34. Uit de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens en de toelichting van de Duitse regering ter terechtzitting blijkt dat § 622 BGB teruggaat op een wet van 1926. De vastlegging van de leeftijdsgrens van 25 jaar in die wet was het resultaat van een compromis tussen in de eerste plaats de toenmalige regering die de opzegtermijn voor werknemers van meer dan 40 jaar uniform met drie maanden wilde verlengen, in de tweede plaats de voorstanders van een trapsgewijze verlenging van die opzegtermijn voor alle werknemers, en in de derde plaats de voorstanders van een trapsgewijze verlenging van de opzegtermijn, maar zonder het aantal dienstjaren in aanmerking te nemen, waarbij die regeling beoogt de werkgevers gedeeltelijk te laten ontsnappen aan de langere opzegtermijnen voor werknemers die jonger zijn dan 25 jaar.
|
|
34. According to the information provided by the referring court and the statements made at the hearing by the German Government, Paragraph 622 of the BGB originates in a law of 1926. That that law set the threshold at 25 was the outcome of a compromise between, first, the government of the time, which wanted a uniform extension by three months of the notice period for the dismissal of workers aged over 40, second, the supporters of a progressive extension of that period for all workers, and, third, the supporters of a progressive extension of the notice period without taking the period of employment into account, the purpose of the rule being to give employers partial relief from lengthy periods of notice for workers aged under 25.
|
35. § 622, lid 2, tweede alinea, BGB weerspiegelt volgens de verwijzende rechter de inschatting van de wetgever dat jongere werknemers doorgaans met minder moeite en sneller erin slagen om op het verlies van hun arbeidsplaats te reageren en dat van hen een grotere flexibiliteit mag worden verwacht. Ten slotte worden jongere werknemers sneller in dienst genomen als voor hen een kortere opzegtermijn geldt en verhoogt een kortere opzegtermijn de flexibiliteit op het gebied van het personeelsbeheer.
|
|
35. The referring court states that the second sentence of Paragraph 622(2) of the BGB reflects the legislature’s assessment that young workers generally react more easily and more rapidly to the loss of their jobs and greater flexibility can be demanded of them. A shorter notice period for younger workers also facilitates their recruitment by increasing the flexibility of personnel management.
|
36. De door de Duitse regering en de verwijzende rechter genoemde doelstellingen vallen dus onder een beleid op het terrein van werkgelegenheid en de arbeidsmarkt in de zin van artikel 6, lid 1, van richtlijn 2000/78.
|
|
36. Objectives of the kind mentioned by the German Government and the referring court clearly belong to employment and labour market policy within the meaning of Article 6(1) of Directive 2000/78.
|
37. Volgens die bepaling moet nog worden nagegaan of de ter bereiking van een dergelijke legitieme doelstelling gebruikte middelen „passend en noodzakelijk” zijn.
|
|
37. It remains to be ascertained, in accordance with the wording of that provision, whether the means of achieving such a legitimate aim are ‘appropriate and necessary’.
|
38. Dienaangaande beschikken de lidstaten over een ruime beoordelingsvrijheid bij de keuze van de maatregelen die geschikt zijn ter verwezenlijking van hun doelstellingen op het gebied van sociaal beleid en werkgelegenheidsbeleid (zie reeds aangehaalde arresten Mangold, punt 63, en Palacios de la Villa, punt 68).
|
|
38. The Member States enjoy a broad discretion in the choice of the measures capable of achieving their objectives in the field of social and employment policy (see Mangold , paragraph 63, and Palacios de la Villa , paragraph 68).
|
39. De verwijzende rechter geeft aan dat met de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling wordt beoogd de werkgever meer flexibiliteit bij het personeelsbeheer te geven door de lasten van die werkgever te verlagen bij ontslag van jonge werknemers waarvan redelijkerwijs een grotere persoonlijke en professionele mobiliteit mag worden verwacht.
|
|
39. The referring court indicates that the aim of the national legislation at issue in the main proceedings is to afford employers greater flexibility in personnel management by alleviating the burden on them in respect of the dismissal of young workers, from whom it is reasonable to expect a greater degree of personal or occupational mobility.
|
40. Die regeling is echter niet passend ter verwezenlijking van die doelstelling aangezien zij geldt voor alle werknemers die vóór het bereiken van de leeftijd van 25 jaar in dienst traden van de onderneming, ongeacht hun leeftijd op het tijdstip van ontslag.
|
|
40. However, the legislation is not appropriate for achieving that aim, since it applies to all employees who joined the undertaking before the age of 25, whatever their age at the time of dismissal.
|
41. Aangaande het door de Duitse regering in herinnering gebrachte doel van de wetgever bij de vaststelling van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling, namelijk de werknemers meer bescherming te bieden naar gelang van de duur van de tewerkstelling bij de onderneming, blijkt dat ingevolge die regeling de verlenging van de opzegtermijn naargelang van de anciënniteit van de werknemer niet geldt voor werknemers die vóór het bereiken van de leeftijd van 25 jaar in dienst traden van de onderneming, ook niet wanneer die werknemer er bij zijn ontslag een groot aantal arbeidsjaren bij die onderneming heeft opzitten. Die regeling kan dus niet geschikt worden geacht om de aangevoerde doelstelling te bereiken.
|
|
41. As regards the aim pursued by the legislature at the time of adoption of the national legislation at issue in the main proceedings, adduced by the German Government, of strengthening the protection of workers according to their length of service in the undertaking, it is clear that, under that legislation, the extension of the notice period for dismissal according to the employee’s seniority in service is delayed for all employees who joined the undertaking before the age of 25, even if the person concerned has a long length of service in the undertaking at the time of dismissal. The legislation cannot therefore be regarded as appropriate for achieving that aim.
|
42. Bovendien treft de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling, zoals de verwijzende rechter in herinnering brengt, de jonge werknemers op ongelijke wijze, aangezien zij jongeren treft die op jonge leeftijd zonder of slechts na een korte beroepsopleiding gaan werken en niet jongeren die pas na een langere opleiding aan de slag gaan.
|
|
42. It should be added that, as the referring court points out, the national legislation at issue in the main proceedings affects young employees unequally, in that it affects young people who enter active life early after little or no vocational training, but not those who start work later after a long period of training.
|
43. Bijgevolg moet op de eerste vraag worden geantwoord dat het recht van de Unie, en in het bijzonder het beginsel van non‑discriminatie op grond van leeftijd, zoals geconcretiseerd door richtlijn 2000/78, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling als in het hoofdgeding die bepaalt dat tijdvakken van arbeid die een werknemer vóór het bereiken van de leeftijd van 25 jaar heeft vervuld, niet in aanmerking worden genomen bij de berekening van de opzegtermijn.
|
|
43. It follows from all the above considerations that the answer to Question 1 is that European Union law, more particularly the principle of non-discrimination on grounds of age as given expression by Directive 2000/78, must be interpreted as precluding national legislation, such as that at issue in the main proceedings, which provides that periods of employment completed by an employee before reaching the age of 25 are not taken into account in calculating the notice period for dismissal.
|
Tweede vraag
|
|
Question 2
|
44. Met de tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of hij, in een geding tussen particulieren, een nationale regeling die hij strijdig acht met het recht van de Unie eerst dan buiten beschouwing kan laten nadat hij het Hof ter bescherming van het gewettigd vertrouwen van de justitiabelen krachtens artikel 267 VWEU een prejudiciële vraag heeft gesteld en het Hof de onverenigbaarheid van die regeling met het recht van de Unie heeft vastgesteld.
|
|
44. By its second question, the referring court asks whether, where it is hearing proceedings between individuals, in order to disapply a national provision which it considers to be contrary to European Union law, it must first, to ensure protection of the legitimate expectations of persons subject to the law, make a reference to the Court under Article 267 TFEU, so that the Court can confirm that the legislation is incompatible with European Union law.
|
45. Aangaande ten eerste de rol van de nationale rechter bij de beslechting van een geschil tussen particulieren waarbij blijkt dat de betrokken nationale regeling strijdig is met het recht van de Unie, heeft het Hof geoordeeld dat het aan de nationale rechterlijke instanties staat om de voor de justitiabelen uit het recht van de Unie voortvloeiende rechtsbescherming te verzekeren en de volle werking ervan te waarborgen (zie in die zin arresten van 5 oktober 2004, Pfeiffer e.a., C‑397/01–C‑403/01, Jurispr. blz. I‑8835, punt 111, en 15 april 2008, Impact, C‑268/06, Jurispr. blz. I‑2483, punt 42).
|
|
45. As regards, first, the role of the national court when called on to give judgment in proceedings between individuals in which it is apparent that the national legislation at issue is contrary to European Union law, the Court has held that it is for the national courts to provide the legal protection which individuals derive from the rules of European Union law and to ensure that those rules are fully effective (see, to that effect, Joined Cases C‑397/01 to C‑403/01 Pfeiffer and Others [2004] ECR I‑8835, paragraph 111, and Case C‑268/06 Impact [2008] ECR I‑2483, paragraph 42).
|
46. Inzake gedingen tussen particulieren is het vaste rechtspraak van het Hof dat een richtlijn uit zichzelf aan particulieren geen verplichtingen kan opleggen en dat een bepaling van een richtlijn als zodanig niet tegenover een particulier kan worden ingeroepen (zie met name arresten van 26 februari 1986, Marshall, 152/84, Jurispr. blz. 723, punt 48, en 14 juli 1994, Faccini Dori, C‑91/92, Jurispr. blz. I‑3325, punt 20, en arrest Pfeiffer e.a., reeds aangehaald, punt 108).
|
|
46. In this respect, where proceedings between individuals are concerned, the Court has consistently held that a directive cannot of itself impose obligations on an individual and cannot therefore be relied on as such against an individual (see, inter alia, Case 152/84 Marshall [1986] ECR 723, paragraph 48; Case C‑91/92 Faccini Dori [1994] ECR I‑3325, paragraph 20; and Pfeiffer and Others , paragraph 108).
|
47. De uit een richtlijn voortvloeiende verplichting van de lidstaten om het ermee beoogde doel te verwezenlijken, alsook de op hen rustende verplichting om alle algemene of bijzondere maatregelen te treffen die geschikt zijn om de nakoming van die verplichting te verzekeren, gelden evenwel voor alle autoriteiten van de lidstaten, en dus, binnen het kader van hun bevoegdheden, ook voor de rechterlijke instanties (zie in die zin met name arresten van 10 april 1984, von Colson en Kamann, 14/83, Jurispr. blz. 1891, punt 26, en 13 november 1990, Marleasing, C‑106/89, Jurispr. blz. I‑4135, punt 8; arrest Faccini Dori, reeds aangehaald, punt 26; arrest van 18 december 1997, Inter-Environnement Wallonie, C‑129/96, Jurispr. blz. I‑7411, punt 40; arrest Pfeiffer e.a., reeds aangehaald, punt 110, en arrest van 23 april 2009, Angelidaki e.a., C‑378/07–C‑380/07, Jurispr. blz. I‑00000, punt 106).
|
|
47. However, the Member States’ obligation arising from a directive to achieve the result envisaged by that directive and their duty to take all appropriate measures, whether general or particular, to ensure the fulfilment of that obligation are binding on all the authorities of the Member States including, for matters within their jurisdiction, the courts (see, inter alia, to that effect, Case 14/83 von Colson and Kamann [1984] ECR 1891, paragraph 26; Case C‑106/89 Marleasing [1990] ECR I‑4135, paragraph 8; Faccini Dori , paragraph 26; Case C‑129/96 Inter-Environnement Wallonie [1997] ECR I‑7411, paragraph 40; Pfeiffer and Others , paragraph 110; and Joined Cases C‑378/07 to C‑380/07 Angelidaki and Others [2009] ECR I‑0000, paragraph 106).
|
48. Derhalve moet de nationale rechter bij de toepassing van het nationale recht dit zoveel mogelijk uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van die richtlijn, teneinde het met de richtlijn beoogde resultaat te bereiken en aldus aan artikel 288, derde alinea, VWEU te voldoen (zie in die zin de reeds aangehaalde arresten von Colson en Kamann, punt 26; Marleasing, punt 8; Faccini Dori, punt 26, alsook Pfeiffer e.a., punt 113). Het vereiste van een richtlijnconforme uitlegging van het nationale recht is inherent aan het systeem van het Verdrag, aangezien het de nationale rechter in staat stelt binnen het kader van zijn bevoegdheden de volle werking van het recht van de Unie bij de beslechting van het bij hem aanhangige geschil te verzekeren (zie arrest Pfeiffer e.a., reeds aangehaald, punt 114).
|
|
48. It follows that, in applying national law, the national court called on to interpret it is required to do so, as far as possible, in the light of the wording and the purpose of the directive in question, in order to achieve the result pursued by the directive and thereby comply with the third paragraph of Article 288 TFEU (see, to that effect, von Colson and Kamann , paragraph 26; Marleasing , paragraph 8; Faccini Dori , paragraph 26; and Pfeiffer and Others , paragraph 113). The requirement for national law to be interpreted in conformity with European Union law is inherent in the system of the Treaty, since it permits the national court, within the limits of its jurisdiction, to ensure the full effectiveness of European Union law when it determines the dispute before it (see, to that effect, Pfeiffer and Others , paragraph 114).
|
49. De verwijzende rechter meent echter dat § 622, lid 2, tweede alinea, BGB, gelet op de duidelijkheid en de precisie ervan, niet conform richtlijn 2000/78 kan worden uitgelegd.
|
|
49. According to the national court, however, because of its clarity and precision, the second sentence of Paragraph 622(2) of the BGB is not open to an interpretation in conformity with Directive 2000/78.
|
50. Dienaangaande moet eraan worden herinnerd, zoals werd uiteengezet in punt 20 van het onderhavige arrest, dat richtlijn 2000/78 het beginsel van gelijke behandeling in arbeid en beroep slechts concretiseert, zonder dat dit beginsel in de richtlijn verankerd is, en bovendien dat het beginsel van non-discriminatie op grond van leeftijd een algemeen beginsel van recht van de Unie is voor zover het een bijzondere toepassing is van het algemene beginsel van gelijke behandeling (zie arrest Mangold, reeds aangehaald, punten 74‑76).
|
|
50. It must be recalled here that, as stated in paragraph 20 above, Directive 2000/78 merely gives expression to, but does not lay down, the principle of equal treatment in employment and occupation, and that the principle of non-discrimination on grounds of age is a general principle of European Union law in that it constitutes a specific application of the general principle of equal treatment (see, to that effect, Mangold , paragraphs 74 to 76).
|
51. In deze omstandigheden moet de nationale rechter aan wie een geschil is voorgelegd waarbij het beginsel van non-discriminatie op grond van leeftijd, zoals geconcretiseerd in richtlijn 2000/78, aan de orde is, in het kader van zijn bevoegdheden de voor de justitiabelen uit het recht van de Unie voortvloeiende rechtsbescherming verzekeren en de volle werking daarvan waarborgen, waarbij hij indien nodig elke met dit beginsel strijdige nationale regeling buiten beschouwing moet laten (zie in die zin arrest Mangold, reeds aangehaald, punt 77).
|
|
51. In those circumstances, it for the national court, hearing a dispute involving the principle of non-discrimination on grounds of age as given expression in Directive 2000/78, to provide, within the limits of its jurisdiction, the legal protection which individuals derive from European Union law and to ensure the full effectiveness of that law, disapplying if need be any provision of national legislation contrary to that principle (see, to that effect, Mangold , paragraph 77).
|
52. Aangaande ten tweede de verplichting voor de nationale rechter aan wie een geschil tussen particulieren werd voorgelegd, om vooraleer te beslissen een nationale bepaling die hij strijdig acht met het recht van de Unie buiten beschouwing te laten, het Hof om een prejudiciële beslissing inzake de uitlegging van het recht van de Unie te verzoeken, moet erop worden gewezen dat dit deel van de vraag blijkens de verwijzingsbeslissing van de nationale rechter werd gesteld omdat de verwijzende rechter op grond van het nationale recht een van kracht zijnde bepaling van de nationale wettelijke regeling niet buiten beschouwing mag laten zolang het Bundesverfassungsgericht die bepaling niet ongrondwettig heeft verklaard.
|
|
52. As regards, second, the obligation of the national court, hearing proceedings between individuals, to make a reference to the Court for a preliminary ruling on the interpretation of European Union law before it can disapply a national provision which it considers to be contrary to that law, it is apparent from the order for reference that this aspect of the question has been raised because, under national law, the referring court cannot decline to apply a national provision in force unless that provision has first been declared unconstitutional by the Bundesverfassungsgericht (Federal Constitutional Court).
|
53. De noodzaak de volle werking van het beginsel van non-discriminatie op grond van leeftijd, zoals geconcretiseerd door richtlijn 2000/78, te verzekeren betekent dat de nationale rechter die meent dat een binnen de werkingssfeer van het Unierecht vallende nationale bepaling onverenigbaar is met dit beginsel en niet conform dit beginsel kan worden uitgelegd, die bepaling buiten beschouwing moet laten; daarbij is hij niet verplicht het Hof vooraf om een prejudiciële beslissing te verzoeken, maar dit kan hem evenmin worden verhinderd.
|
|
53. The need to ensure the full effectiveness of the principle of non-discrimination on grounds of age, as given expression in Directive 2000/78, means that the national court, faced with a national provision falling within the scope of European Union law which it considers to be incompatible with that principle, and which cannot be interpreted in conformity with that principle, must decline to apply that provision, without being either compelled to make or prevented from making a reference to the Court for a preliminary ruling before doing so.
|
54. De bepaling in het nationale recht dat de nationale rechter een door hem met de grondwet strijdig geachte nationale bepaling niet buiten beschouwing mag laten zolang het Bundesverfassungsgericht niet de ongrondwettigheid van die bepaling heeft bevestigd, mag er niet toe leiden dat de mogelijkheid die de nationale rechter krachtens artikel 267, tweede alinea, VWEU heeft om het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken vooraleer een met het recht van de Unie strijdige bepaling buiten beschouwing te laten, een verplichting wordt. Volgens het beginsel van voorrang van het recht van de Unie, dat eveneens geldt voor het beginsel van non-discriminatie op grond van leeftijd, moet namelijk een daarmee strijdige nationale regeling die binnen de werkingssfeer van het recht van de Unie valt, buiten beschouwing blijven (zie in die zin arrest Mangold, reeds aangehaald, punt 77).
|
|
54. The possibility thus given to the national court by the second paragraph of Article 267 TFEU of asking the Court for a preliminary ruling before disapplying the national provision that is contrary to European Union law cannot, however, be transformed into an obligation because national law does not allow that court to disapply a provision it considers to be contrary to the constitution unless the provision has first been declared unconstitutional by the Constitutional Court. By reason of the principle of the primacy of European Union law, which extends also to the principle of non-discrimination on grounds of age, contrary national legislation which falls within the scope of European Union law must be disapplied (see, to that effect, Mangold , paragraph 77).
|
55. Uit deze overwegingen volgt dat de nationale rechter aan wie een geschil tussen particulieren werd voorgelegd, niet verplicht is maar de mogelijkheid heeft om het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken omtrent de uitlegging van het beginsel van non-discriminatie op grond van leeftijd, zoals geconcretiseerd door richtlijn 2000/78, vooraleer te beslissen om een bepaling van een nationale regeling die hij met dit beginsel strijdig acht buiten beschouwing te laten. Het facultatieve karakter van deze procedure staat los van de naar nationaal recht voor de nationale rechter geldende modaliteiten om een door die rechter ongrondwettig geachte nationale bepaling buiten beschouwing te laten.
|
|
55. It follows that the national court, hearing proceedings between individuals, is not obliged but is entitled to make a reference to the Court for a preliminary ruling on the interpretation of the principle of non-discrimination on grounds of age, as given expression by Directive 2000/78, before disapplying a provision of national law which it considers to be contrary to that principle. The optional nature of such a reference is not affected by the conditions of national law under which a court may disapply a national provision which it considers to be contrary to the constitution.
|
56. Gelet op het voorgaande, dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat de nationale rechter aan wie een geschil tussen particulieren werd voorgelegd, de naleving moet verzekeren van het beginsel van non-discriminatie op grond van leeftijd, zoals geconcretiseerd in richtlijn 2000/78, en daarbij indien nodig elke strijdige bepaling van de nationale regeling buiten beschouwing laten, ongeacht de mogelijkheid waarover hij beschikt om in de in artikel 267, tweede alinea, VWEU bedoelde gevallen het Hof om een prejudiciële beslissing inzake de uitlegging van dit beginsel te verzoeken.
|
|
56. In the light of the foregoing, the answer to Question 2 is that it is for the national court, hearing proceedings between individuals, to ensure that the principle of non-discrimination on grounds of age, as given expression in Directive 2000/78, is complied with, disapplying if need be any contrary provision of national legislation, independently of whether it makes use of its entitlement, in the cases referred to in the second paragraph of Article 267 TFEU, to ask the Court for a preliminary ruling on the interpretation of that principle.
|
Kosten
|
|
Costs
|
57. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
|
|
57. Since these proceedings are, for the parties to the main proceedings, a step in the action pending before the national court, the decision on costs is a matter for that court. Costs incurred in submitting observations to the Court, other than the costs of those parties, are not recoverable.
|
|