Richtlijn 2009/61/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de installatie van verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (Gecodificeerde versie) Voor de EER relevante tekst
Publicatieblad Nr. L 203 van 05/08/2009 blz. 0019 - 0051
Richtlijn 2009/61/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de installatie van verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (Gecodificeerde versie) (Voor de EER relevante tekst) HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 95, Gezien het voorstel van de Commissie, Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité [1], Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag [2], Overwegende hetgeen volgt: (1) Richtlijn 78/933/EEG van de Raad van 17 oktober 1978 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de installatie van verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen [3] is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd [4]. Ter wille van de duidelijkheid en een rationele ordening van de tekst dient tot codificatie van deze richtlijn te worden overgegaan. (2) Richtlijn 78/933/EEG is één van de bijzondere richtlijnen van het bij Richtlijn 74/150/EEG van de Raad van 4 maart 1974 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de goedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen geregelde EG-typegoedkeuringssysteem, thans geregeld in Richtlijn 2003/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de typegoedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers en aanhangwagens, verwisselbare getrokken machines, systemen, onderdelen en technische eenheden daarvan [5] en stelt de technische voorschriften vast betreffende het ontwerp en de constructie van landbouw- of bosbouwtrekkers met betrekking tot de installatie van verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen. Deze technische voorschriften beogen de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten, teneinde de uitvoering van de bij Richtlijn 2003/37/EG geregelde EG-typegoedkeuringsprocedure ten aanzien van elk type trekker mogelijk te maken. Derhalve zijn de bepalingen van Richtlijn 2003/37/EG betreffende land- of bosbouwtrekkers, aanhangwagens en verwisselbare getrokken machines, alsmede de systemen, onderdelen en technische eenheden daarvan op de onderhavige richtlijn van toepassing. (3) Deze richtlijn dient de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage III, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing van de aldaar genoemde richtlijnen onverlet te laten, HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD: Artikel 1 1. Onder landbouw- of bosbouwtrekker wordt verstaan ieder motorvoertuig op wielen of rupsbanden met ten minste twee assen, waarvan de hoofdfunctie in het tractievermogen ligt en dat in het bijzonder is ontworpen voor het trekken, duwen, dragen of in beweging brengen van bepaalde werktuigen, machines of aanhangwagens die voor gebruik in de land- of bosbouw zijn bestemd. De trekker kan zijn ingericht voor het vervoer van een lading en van meerijders. 2. Deze richtlijn geldt slechts voor de in lid 1 omschreven trekkers, gemonteerd op luchtbanden, met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid die ligt tussen 6 en 40 km/h. Artikel 2 1. De lidstaten mogen de EG-goedkeuring of de nationale goedkeuring van een trekker niet weigeren om redenen die verband houden met de installatie van de verplichte of facultatieve verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen, vermeld in de punten 1.5.7 tot en met 1.5.21 van bijlage I, indien deze overeenkomstig de voorschriften van deze bijlage zijn aangebracht. 2. Ten aanzien van voertuigen die niet voldoen aan deze richtlijn geldt dat de lidstaten om redenen die verband houden met het onderwerp van deze richtlijn: - niet langer de EG-typegoedkeuring mogen verlenen; - de nationale typegoedkeuring mogen weigeren. 3. Ten aanzien van nieuwe voertuigen die niet voldoen aan deze richtlijn geldt dat de lidstaten om redenen die verband houden met het onderwerp van deze richtlijn: - de certificaten van overeenstemming waarvan nieuwe voertuigen overeenkomstig Richtlijn 2003/37/EG vergezeld gaan, als niet langer geldig moeten beschouwen voor de toepassing van artikel 7, lid 1, van die richtlijn; - de registratie, de verkoop of het in het verkeer brengen van deze nieuwe voertuigen mogen weigeren. Artikel 3 De lidstaten mogen de registratie niet weigeren of de verkoop, het in het verkeer brengen of het gebruik van trekkers niet verbieden om redenen die verband houden met de installatie van verplichte of facultatieve verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen vermeld in de punten 1.5.7 tot en met 1.5.21 van bijlage I, indien deze overeenkomstig de voorschriften van deze bijlage zijn aangebracht. Artikel 4 De lidstaat die tot EG-goedkeuring is overgegaan, treft de nodige maatregelen om op de hoogte te worden gesteld van elke wijziging van een der in bijlage I, punt 1.1, bedoelde onderdelen of kenmerken. De bevoegde autoriteiten van deze lidstaat beoordelen of het gewijzigde type trekker moet worden onderworpen aan nieuwe proefnemingen aan de hand waarvan een nieuw keuringsrapport wordt opgesteld. Indien uit deze proefnemingen blijkt dat niet aan de voorschriften van deze richtlijn is voldaan, wordt de wijziging niet toegestaan. Artikel 5 De wijzigingen die noodzakelijk zijn om de voorschriften van de bijlagen I en II aan de technische vooruitgang aan te passen, worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 20, lid 3, van Richtlijn 2003/37/EG bedoelde procedure. Artikel 6 De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen. Artikel 7 Richtlijn 78/933/EEG, zoals gewijzigd bij de in bijlage III, deel A, genoemde richtlijnen, wordt ingetrokken, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage III, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing van de aldaar genoemde richtlijnen. Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage IV. Artikel 8 Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie. Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2010. Artikel 9 Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten. Gedaan te Brussel, 13 juli 2009. Voor het Europees Parlement De voorzitter H.-G. Pöttering Voor de Raad De voorzitter E. Erlandsson [1] PB C 175 van 27.7.2007, blz. 40. [2] Advies van het Europees Parlement van 19 februari 2008 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 22 juni 2009. [3] PB L 325 van 20.11.1978, blz. 16. [4] Zie bijlage III, deel A. [5] PB L 171 van 9.7.2003, blz. 1. -------------------------------------------------- BIJLAGE I INSTALLATIE VAN VERLICHTINGS- EN LICHTSIGNAALINRICHTINGEN 1. DEFINITIES 1.1. Type trekker voor wat betreft de installatie van de verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen Onder "type trekker voor wat betreft de installatie van de verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen", worden trekkers verstaan die onderling geen wezenlijke verschillen vertonen, met name ten aanzien van de volgende punten: 1.1.1. buitenafmetingen en uitwendige vorm van de trekker; 1.1.2. aantal en plaats van de inrichtingen. Niet als "andere typen trekkers" worden beschouwd, de trekkers die verschillen vertonen in de zin van de punten 1.1.1 en 1.1.2 welke echter geen wijzigingen meebrengen qua aard, aantal, plaats en geometrische zichtbaarheid van de voor het betrokken type trekker voorgeschreven lichten; alsmede de al dan niet van facultatieve lichten voorziene trekkers. 1.2. Dwarsvlak Onder "dwarsvlak" verstaat men een verticaal vlak dat loodrecht staat op het middenlangsvlak van de trekker. 1.3. Onbelaste trekker Onder "onbelaste trekker" verstaat men de trekker in bedrijfsklare toestand zoals omschreven onder punt 2.1.1 van bijlage I, model inlichtingenformulier van Richtlijn 2003/37/EG. 1.4. Trekker in belaste toestand Onder "trekker in belaste toestand" verstaat men de trekker die is belast tot zijn technisch toelaatbaar maximumgewicht, als aangegeven door de constructeur, die eveneens de verdeling van de belasting over de assen vaststelt. 1.5. Licht Onder "licht" verstaat men een inrichting voor het verlichten van de weg (koplicht) of het uitzenden van een lichtsignaal. De achterkentekenplaatverlichting en de retroflectoren worden eveneens als lichten beschouwd. 1.5.1. Gelijkwaardige lichten Onder "gelijkwaardige lichten" verstaat men lichten met dezelfde functie die in het land waar de trekker is ingeschreven zijn toegelaten; de kenmerken van deze lichten kunnen verschillen van die van de lichten die reeds op de trekker bevestigd zijn bij de goedkeuring, mits zij voldoen aan de in deze bijlage voorgeschreven eisen. 1.5.2. Afzonderlijke lichten Onder "afzonderlijke lichten" verstaat men lichten met verschillende lenzen, verschillende lichtbronnen en verschillende lamphuizen. 1.5.3. Gegroepeerde lichten Onder "gegroepeerde lichten" verstaat men lichten met verschillende lenzen en lichtbronnen, maar met een zelfde lamphuis. 1.5.4. Gecombineerde lichten Onder "gecombineerde lichten" verstaat men lichten met verschillende lenzen, maar met een zelfde lichtbron en met een zelfde lamphuis. 1.5.5. Samengebouwde lichten Onder "samengebouwde lichten" verstaat men lichten met verschillende lichtbronnen (of één lichtbron die op verschillende manieren werkt), geheel of gedeeltelijk gemeenschappelijke lenzen en een zelfde lamphuis. 1.5.6. Camoufleerbaar koplicht Onder "camoufleerbaar koplicht" verstaat men een koplicht dat geheel of gedeeltelijk aan het oog kan worden onttrokken wanneer dit niet in gebruik is. Dit kan gebeuren of door een verschuifbaar kapje of door verplaatsing van het licht, dan wel op iedere andere geschikte manier. "Intrekbaar licht" wordt meer in het bijzonder genoemd een camoufleerbaar licht, dat in de carrosserie kan worden verzonken. 1.5.6.1. Verstelbare koplichten Onder "verstelbare koplichten" verstaat men op de trekker gemonteerde lichten die ten opzichte van de trekker in zekere mate kunnen worden versteld en waarvan de lens niet camoufleerbaar is. 1.5.7. Groot licht Onder "groot licht" verstaat men een licht dat de weg vóór de trekker over een grote afstand verlicht. 1.5.8. Dimlicht Onder "dimlicht" verstaat men een licht waarmede de weg vóór de trekker wordt verlicht zonder dat hierdoor de bestuurders van het tegemoetkomend verkeer of andere weggebruikers worden verblind of gehinderd. 1.5.9. Mistlicht voor Onder "mistlicht voor" verstaat men een licht dat dient voor een betere verlichting van de weg bij mist, sneeuwval, onweer of stofwolken. 1.5.10. Achteruitrijlicht Onder "achteruitrijlicht" verstaat men een licht bestemd tot verlichting van de weg achter de trekker en om de overige weggebruikers te waarschuwen dat het voertuig achteruitrijdt, of achteruit gaat rijden. 1.5.11. Richtingaanwijzer Onder "richtingaanwijzer" verstaat men een licht bestemd om de andere weggebruikers kenbaar te maken dat de bestuurder het voornemen heeft naar rechts of naar links van richting te veranderen. 1.5.12. Waarschuwingsknipperlicht Onder "waarschuwingsknipperlicht" verstaat men de inrichting die de gelijktijdige werking van alle richtingaanwijzers mogelijk maakt en die is bestemd om aan te geven dat de trekker tijdelijk een bijzonder gevaar oplevert voor de overige weggebruikers. 1.5.13. Stoplicht Onder "stoplicht" verstaat men een licht bestemd om de weggebruikers die zich achter de trekker bevinden kenbaar te maken dat de bestuurder de bedrijfsrem bedient. 1.5.14. Achterkentekenplaatverlichting Onder "achterkentekenplaatverlichting" verstaat men de inrichting die de plaats verlicht waar zich de kentekenplaat aan de achterzijde bevindt; deze kan uit verschillende optische elementen bestaan. 1.5.15. Breedtelicht Onder "breedtelicht" verstaat men een licht dat, van de voorzijde gezien, de aanwezigheid van de trekker kenbaar maakt en een aanwijzing is voor de breedte van de trekker. 1.5.16. Achterlicht Onder "achterlicht" verstaat men een licht dat, van de achterzijde gezien, de aanwezigheid van de trekker kenbaar maakt en een aanwijzing is voor de breedte van het voertuig. 1.5.17. Mistlicht achter Onder "mistlicht achter" verstaat men een licht dat de trekker bij dichte mist van achteren beter waarneembaar maakt. 1.5.18. Parkeerlicht Onder "parkeerlicht" verstaat men een licht dat dient om de aanwezigheid van een binnen de bebouwde kom geparkeerde trekker zonder aanhanger aan te geven. Het vervangt in dat geval de breedte- en achterlichten. 1.5.19. Markeringslicht Onder "markeringslicht" verstaat men een licht dat op het breedste punt van de trekker zo hoog mogelijk is aangebracht, waardoor duidelijk de totale breedte van de trekker wordt aangegeven. Dit licht is bestemd om voor bepaalde trekkers de breedte- en achterlichten aan te vullen door in het bijzonder de aandacht te vestigen op de breedte. 1.5.20. Retroflector Onder "retroflector" verstaat men een inrichting die dient om de aanwezigheid van een trekker kenbaar te maken door weerkaatsing van het licht afkomstig van een niet tot deze trekker behorende lichtbron, waarbij de waarnemer zich nabij deze lichten bevindt. In de zin van deze richtlijn worden niet als retroflector aangemerkt: - retroflecterende kentekenplaten; - andere retroflecterende platen en tekens die volgens de gebruiksvoorschriften van een lidstaat moeten worden gebruikt, met betrekking tot bepaalde categorieën voertuigen of bepaalde verrichtingen. 1.5.21. Werklicht Onder "werklicht" verstaat men een licht bestemd om een werkterrein of -proces te verlichten. 1.6. Lichtdoorlatend gedeelte van een licht 1.6.1. Lichtdoorlatend gedeelte van een licht bestemd voor het verlichten van de weg Onder "lichtdoorlatend gedeelte van een licht bestemd voor het verlichten van de weg" (punten 1.5.7 tot en met 1.5.10) verstaat men de orthogonale projectie van de gehele opening van de reflector op een dwarsvlak. Indien de lens (lenzen) van het licht slechts een gedeelte van de totale reflectoropening beslaat (beslaan), wordt slechts de projectie van dat gedeelte in aanmerking genomen. Bij een dimlicht wordt het lichtdoorlatende gedeelte aan de kant van de snede begrensd door het op de lens zichtbare spoor van de snede. Indien de reflector en de lens onderling verstelbaar zijn, wordt de gemiddelde instelstand gebruikt. 1.6.2. Lichtdoorlatend gedeelte van een signaallicht dat geen retroflector is Onder "lichtdoorlatend gedeelte van een signaallicht dat geen retroflector is" (punten 1.5.11 tot en met 1.5.19) verstaat men de orthogonale projectie van het licht op een vlak loodrecht op zijn referentie-as dat raakt aan het lichtdoorlatende uitwendige oppervlak van het licht; deze projectie is begrensd door de bekleding van de schermranden die in dit vlak liggen en die slechts 98 % van de totale lichtsterkte van het licht in de richting van de referentie-as doorlaten. Om de onder-, boven- en zijranden van het licht te bepalen, worden slechts schermen met horizontale of verticale rand in aanmerking genomen. 1.6.3. Lichtdoorlatend gedeelte van een retroflector Onder "lichtdoorlatend gedeelte van een retroflector" (punt 1.5.20), verstaat men de orthogonale projectie van het weerkaatsende oppervlak van de retroflector in een vlak dat loodrecht staat op de referentie-as ervan, dat wordt begrensd door met deze as evenwijdig lopende raakvlakken aan de buitenste retroflecterende delen. Om de onder-, boven- en zijranden van de lichten te bepalen, worden slechts verticale en horizontale vlakken in aanmerking genomen. 1.6.4. Zichtbaar vlak Onder "zichtbaar vlak", in een bepaalde waarnemingsrichting, verstaat men de orthogonale projectie van het uitvalsvlak van het licht op een vlak loodrecht op de waarnemingsrichting (zie tekening in aanhangsel 1). 1.7. Referentie-as Onder "referentie-as" verstaat men de voor de lichtinrichting karakteristieke as bepaald door de fabrikant van het licht om de richting aan te geven waarin het licht uitstraalt (H = 0 °, V = 0 °) bij het vaststellen van de hoeken voor fotometrische metingen en het plaatsen van het licht op de trekker. 1.8. Referentiepunt Onder "referentiepunt" verstaat men het snijpunt van de referentie-as met het uitvalsvlak van het door de lamp uitgestraalde licht zoals opgegeven door de fabrikant van het licht. 1.9. Geometrische zichtbaarheidshoeken Onder "geometrische zichtbaarheidshoeken" verstaat men hoeken die het veld bepalen van de kleinste ruimtehoek waarbinnen het zichtbare vlak van het licht waarneembaar moet zijn. Dit veld van de ruimtehoek wordt bepaald door de segmenten van een bol waarvan het middelpunt samenvalt met het referentiepunt van het licht en waarvan de equator evenwijdig is aan de weg. Deze segmenten worden bepaald uitgaande van de referentie-as. De horizontale hoeken β komen overeen met de geografische lengte, de verticale hoeken α met de geografische breedte. Binnen de geometrische zichtbaarheidshoeken mag de voortplanting van het licht van enig deel van het zichtbare vlak niet worden gehinderd. Hindernissen die bestaan bij de goedkeuring van het licht, indien deze is vereist, worden buiten beschouwing gelaten. 1.10. Punt van de grootste breedte Onder "punt van de grootste breedte", aan elke kant van de trekker, verstaat men het raakpunt van het vlak evenwijdig aan het middenlangsvlak van de trekker aan de zijkant ervan, waarbij de volgende uitstekende delen buiten beschouwing worden gelaten: 1.10.1. banden, in de buurt van het punt waar ze de grond raken en aansluitingen van de bandenspanningsverklikkers; 1.10.2. eventueel op de wielen aangebrachte anti-slipinrichtingen; 1.10.3. achteruitkijkspiegels; 1.10.4. aan de zijkant van het voertuig aangebrachte richtingaanwijzers, markeringslichten, breedtelichten, achterlichten en parkeerlichten; 1.10.5. door de douane op de lading aangebrachte verzegelingen en inrichtingen ter bevestiging en bescherming van deze verzegelingen. 1.11. Grootste breedte Onder "grootste breedte" verstaat men de afstand tussen de twee onder 1.10 bepaalde verticale vlakken. 1.12. Eén enkel licht Onder "één enkel licht" verstaat men elke combinatie van twee of meer al dan niet identieke lichten die dezelfde functie vervullen en van dezelfde kleur zijn en die een verlichtingsinrichting vormen waarvan de lichtdoorlatende gedeelten van de lichten op een zelfde verticaal vlak ten minste 60 % beslaan van het oppervlak van de kleinste rechthoek die om de lichtdoorlatende gedeelten van de genoemde lichten kan worden beschreven en, indien goedkeuring vereist is, mits een dergelijke combinatie als één enkel licht wordt goedgekeurd. Deze combinatiemogelijkheid is niet van toepassing op groot licht, dimlicht en mistlichten voor. 1.13. Twee lichten of een even aantal lichten Onder "twee lichten of een even aantal lichten" verstaat men één enkel lichtdoorlatend gedeelte van het licht dat de vorm heeft van een band, wanneer dit gedeelte symmetrisch is ten opzichte van het middenlangsvlak van de trekker en wanneer dit zich uitstrekt tot op ten minste 400 mm van het punt van grootste breedte van de trekker, aan weerszijden hiervan, met een minimumlengte van 800 mm. De verlichting van dit gedeelte moet plaatsvinden door middel van ten minste twee lichtbronnen die zo dicht mogelijk bij de uiteinden ervan zijn aangebracht. Het lichtdoorlatende gedeelte van het licht kan bestaan uit een aantal naast elkaar geplaatste elementen, voor zover de lichtdoorlatende gedeelten van de lichten op hetzelfde dwarsvlak ten minste 60 % beslaan van het oppervlak van de kleinste rechthoek die daarom is beschreven. 1.14. Afstand tussen twee lichten Onder "afstand tussen twee lichten", die in dezelfde richting schijnen, verstaat men de afstand tussen de orthogonale projecties, op een vlak dat loodrecht staat op de referentie-assen, van de omtrekken van beide lichtdoorlatende gedeelten die naar gelang van het geval in punt 1.6 zijn gedefinieerd. 1.15. Facultatief Onder "facultatief" verstaat men een licht waarvan de aanwezigheid aan de keuze van de fabrikant wordt overgelaten. 1.16. Verklikkersignaal voor de werking Onder "verklikkersignaal voor de werking" verstaat men een verklikkersignaal dat aangeeft dat een inrichting, die in werking is gesteld, al of niet correct functioneert. 1.17. Inschakelverklikkerlicht Onder "inschakelverklikkerlicht" verstaat men een verklikkerlicht dat wel aangeeft dat een inrichting in werking is gesteld, doch niet of deze al of niet correct functioneert. 2. VERZOEK OM EG-GOEDKEURING 2.1. Het verzoek om EG-goedkeuring van een type trekker, voor wat betreft de installatie van de verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen, wordt ingediend door de fabrikant van de trekker of diens gevolmachtigde. 2.2. Deze aanvraag gaat vergezeld van de volgende in drievoud opgestelde bescheiden en van de volgende gegevens: 2.2.1. beschrijving van het type trekker wat betreft de onder punt 1.1 genoemde gegevens; 2.2.2. lijst van de door de fabrikant vastgestelde inrichtingen die de verlichtings- en lichtsignaaluitrusting vormen. Deze lijst kan voor elke functie verschillende typen inrichtingen bevatten; elk type moet duidelijk zijn omschreven (met name goedkeuringsmerk, naam en adres van de fabrikant, enzovoort); voorts kan de lijst voor elke functie de volgende aanvullende vermelding bevatten: "of gelijkwaardige inrichtingen"; 2.2.3. tekening van de gehele verlichtings- en lichtsignaaluitrusting met aanduiding van de plaats van de verschillende lichten op de trekker; 2.2.4. tekening(en) met voor elk licht de aanduiding van de lichtdoorlatende gedeelten in de zin van punt 1.6. 2.3. Een onbelaste trekker, voorzien van een verlichtings- en lichtsignaaluitrusting, zoals beschreven in punt 2.2.2, die representatief is voor het goed te keuren type trekker, moet ter beschikking worden gesteld van de technische dienst die met de goedkeuringsproeven is belast. 2.4. De mededeling als bedoeld in bijlage II wordt bij het goedkeuringsformulier gevoegd. 3. ALGEMENE BEPALINGEN 3.1. De verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen moeten zo zijn aangebracht dat zij onder normale gebruiksomstandigheden en ondanks de trillingen waaraan zij kunnen zijn blootgesteld, de kenmerken behouden die in deze bijlage zijn voorgeschreven en dat de trekker voldoet aan de voorschriften van deze bijlage. In het bijzonder moet een onopzettelijk veroorzaakte ontregeling van de lichten uitgesloten zijn. 3.1.1. De trekkers moeten zijn voorzien van elektrische verbindingen voor gebruik van een afneembare signaalinrichting. De trekker moet in het bijzonder zijn voorzien van de vaste contactdoos aanbevolen in ISO-normen R 1724 (elektrische verbindingen voor voertuigen met elektrische uitrusting van 6 of 12 V; deze hebben meer in het bijzonder betrekking op particuliere auto’s en lichte aanhangwagens of caravans) (1e uitgave — april 1970) of ISO R 1185 (elektrische verbindingen tussen trekkende en getrokken voertuigen met elektrische uitrusting van 24 V voor internationaal handelsvervoer) (1e uitgave — maart 1970). Ten aanzien van de ISO-norm R 1185 is de functie van contact 2 beperkt tot het achterlicht en het markeringslicht aan de linkerzijde. 3.2. De sub 1.5.7, 1.5.8 en 1.5.9 beschreven lichten moeten zo zijn aangebracht dat een juiste instelling van de stand gemakkelijk uitvoerbaar is. 3.3. Voor alle lichtsignaalinrichtingen moet de referentie-as van het op de trekker aangebrachte licht evenwijdig zijn aan het vlak waarop de trekker op de weg rust alsmede aan het middenlangsvlak van de trekker. Voor alle richtingen is een tolerantie van ± 3 ° toegestaan. Indien door de fabrikant bijzondere aanwijzingen voor de installatie zijn gegeven, moeten ook deze in acht worden genomen. 3.4. Behoudens bijzondere voorschriften, worden de hoogte en de instelling van de lichten gecontroleerd bij een onbelaste trekker die op een plat horizontaal vlak rust. 3.5. Behalve in geval van bijzondere voorschriften moeten de lichten die een stel vormen: 3.5.1. symmetrisch ten opzichte van het middenlangsvlak zijn aangebracht, 3.5.2. symmetrisch ten opzichte van elkaar, en ten opzichte van het middenlangsvlak zijn, 3.5.3. aan dezelfde colorimetrische voorschriften voldoen, 3.5.4. vrijwel overeenkomstige fotometrische kenmerken bezitten. 3.6. Bij trekkers waarvan de uitwendige vorm asymmetrisch is, moeten de voorwaarden van de punten 3.5.1 en 3.5.2 zoveel mogelijk in acht worden genomen. Aan deze voorwaarden wordt geacht te zijn voldaan indien de afstand van beide lichten tot het middenlangsvlak en tot het vlak waarop de trekker op de weg rust, gelijk is. 3.7. Lichten met verschillende functies kunnen afzonderlijk of gegroepeerd, gecombineerd of samengebouwd in een zelfde inrichting voorkomen, mits al deze lichten aan de desbetreffende voorschriften voldoen. 3.8. De maximumhoogte boven de grond wordt gemeten vanaf het hoogste punt van het lichtdoorlatende gedeelte en de minimumhoogte vanaf het laagste punt. 3.9. Behoudens bijzondere voorschriften mag geen enkel licht knipperen, behalve de richtingaanwijzers en het waarschuwingsknipperlicht. 3.10. Geen enkel rood licht mag vanaf de voorzijde zichtbaar zijn en geen enkel wit licht vanaf de achterzijde, met uitzondering van het (de) achteruitrijlicht(en) en de werklichten. Of aan deze voorwaarde is voldaan wordt als volgt nagegaan: 3.10.1. Voor de zichtbaarheid van een rood licht vanaf de voorzijde: een rood licht mag niet rechtstreeks zichtbaar zijn voor het oog van een waarnemer die zich verplaatst in zone 1 van een dwarsvlak dat zich op 25 meter vóór de trekker bevindt (zie tekening in aanhangsel 2, figuur 1). 3.10.2. Voor de zichtbaarheid van een wit licht vanaf de achterzijde: een wit licht mag niet rechtstreeks zichtbaar zijn voor het oog van een waarnemer die zich verplaatst in zone 2 van een dwarsvlak dat zich op 25 meter achter de trekker bevindt (zie tekening in aanhangsel 2, figuur 2). 3.10.3. In hun respectieve vlakken worden de door het oog van de waarnemer bestreken zones 1 en 2 begrensd: 3.10.3.1. in de hoogte door twee horizontale vlakken respectievelijk op 1 en 2,20 m boven de grond, 3.10.3.2. in de breedte door twee verticale vlakken naar voren en twee verticale vlakken naar achteren die een hoek van 15 ° naar buiten vormen ten opzichte van het middenvlak van de trekker en die door het (de) raakpunt(en) gaan van de trekker met de verticale vlakken evenwijdig aan het middenvlak en die de grootste breedte van de trekker bij brede spoorbreedte afbakenen. Indien er verschillende raakpunten zijn wordt voor zone 1 het voorste raakpunt en voor zone 2 het achterste raakpunt gekozen. 3.11. De schakelingen van de elektrische installatie moeten zodanig zijn dat de breedtelichten, de achterlichten, de markeringslichten (indien aanwezig) en de achterkentekenplaatverlichting slechts tegelijkertijd kunnen worden ontstoken en gedoofd. 3.12. De schakelingen van de elektrische installatie moeten zodanig zijn dat het groot licht, het dimlicht en de mistlichten voor en achter slechts kunnen worden ontstoken indien de sub 3.11 aangegeven lichten eveneens branden. Deze voorwaarde geldt echter niet voor groot of dimlicht wanneer lichtsignalen worden gegeven door het met korte tussenpozen ontsteken en doven van het dimlicht of van een groot licht of door het met korte tussenpozen afwisselend ontsteken van groot en dimlicht. 3.13. De door de lichten uitgestraalde lichtkleuren zijn als volgt: - groot licht: wit; - dimlicht: wit; - mistlicht voor: wit of geel; - achteruitrijlicht: wit; - richtingaanwijzer: ambergeel; - waarschuwingsknipperlicht: ambergeel; - stoplicht: rood; - achterkentekenplaatverlichting: wit; - breedtelicht: wit; - achterlicht: rood; - mistlicht achter: rood; - parkeerlicht: wit voorzijde, rood achterzijde, ambergeel indien samengebouwd met zijrichtingaanwijzers; - werklicht: geen voorschriften; - markeringslichten: wit voorzijde, rood achterzijde; - niet-driehoekige achterretroflector: rood. 3.14. De functie van inschakel-verklikkerlicht kan worden vervuld door het verklikkersignaal voor de werking. 3.15. Camoufleerbare lichten 3.15.1. Het camoufleren van lichten is verboden, met uitzondering van het groot licht, het dimlicht en de mistlichten voor, die mogen worden gecamoufleerd als ze niet in werking zijn. 3.15.2. Een licht dat zich in bedrijfsstand bevindt moet in deze stand blijven indien het onder 3.15.2.1 genoemde defect alleen of tezamen met één der defecten genoemd onder 3.15.2.2 optreedt. 3.15.2.1. Ontbreken van drijfkracht voor de bediening van het licht. 3.15.2.2. Onopzettelijke stroomonderbreking, storing, kortsluiting aan de massa in de stroomkringen, een defect in de water- of luchtleidingen, schuifkabels, solenoïden of andere onderdelen met behulp waarvan de voor de camouflage-inrichting bestemde drijfkracht wordt ingeschakeld of overgebracht. 3.15.3. In geval van defect aan de bediening van de camouflage-inrichting moet een gecamoufleerd licht zonder gereedschap in zijn bedrijfsstand kunnen worden gebracht. 3.15.4. Het moet mogelijk zijn de lichten in bedrijfsstand te brengen en ze te ontsteken met behulp van één schakelaar, hetgeen de mogelijkheid niet uitsluit om ze, zonder ze te ontsteken, in bedrijfsstand te brengen. Bij gegroepeerde lichten voor groot en dimlicht echter wordt genoemde schakelaar slechts vereist voor het ontsteken van het dimlicht. 3.15.5. Het mag van de plaats van de bestuurder niet mogelijk zijn opzettelijk de beweging van de ontstoken koplichten te stoppen, voordat ze hun bedrijfsstand hebben bereikt. Ingeval er gevaar bestaat dat andere weggebruikers door de beweging van de koplichten worden verblind, moeten deze lichten pas kunnen gaan branden nadat zij de bedrijfsstand hebben bereikt. 3.15.6. Een verlichtingsinrichting moet bij temperaturen tussen - 30 °C en + 50 °C binnen drie seconden na de eerste bedieningshandeling zijn bedrijfsstand bereiken. 3.16. Verstelbare lichten 3.16.1. Bij trekkers met een spoorbreedte die kleiner is dan of gelijk aan 1150 mm mogen de richtingaanwijzers, de breedtelichten en achterlichten, alsmede de stoplichten verstelbaar zijn indien 3.16.1.1. deze lichten zichtbaar blijven, zelfs als ze versteld zijn, en 3.16.1.2. deze lichten in de voor het wegverkeer vereiste stand kunnen worden vergrendeld. Deze vergrendeling dient automatisch te geschieden. 4. BIJZONDERE SPECIFICATIES 4.1. Groot licht 4.1.1. Aanwezigheid Facultatief. 4.1.2. Aantal 2 of 4. 4.1.3. Installatieschema Geen bijzondere specificaties. 4.1.4. Plaats 4.1.4.1. In de breedterichting De buitenste randen van het lichtdoorlatende gedeelte mogen zich in geen geval dichter bij het punt van de grootste breedte van de trekker bevinden dan de buitenste randen van het lichtdoorlatende gedeelte van het dimlicht. 4.1.4.2. In de hoogterichting Geen bijzondere specificaties. 4.1.4.3. In de lengterichting Zo ver mogelijk vooraan de trekker; in geen geval mag de bestuurder direct of indirect door het via de achteruitkijkspiegels en/of andere lichtweerkaatsende oppervlakten van de trekker weerkaatste licht van deze lichten worden gehinderd. 4.1.5. Geometrische zichtbaarheid De zichtbaarheid van het lichtdoorlatende gedeelte, ook van velden die niet verlicht lijken vanuit de betrokken observatierichting, moet gewaarborgd zijn binnen een divergerende ruimte die begrensd wordt door krommen die de gehele omtrek van het lichtdoorlatende gedeelte raken en die een hoek van ten minste 5 ° maken met de referentie-as van het koplicht. 4.1.6. Richting Naar voren. Afgezien van de inrichtingen die nodig zijn om een juiste afstelling te waarborgen en bij aanwezigheid van twee paar lichten voor groot licht, kan een paar koplichten dat uitsluitend voor "groot licht" dient, beweegbaar zijn afhankelijk van de draaiing van het stuurwiel, waarbij deze lichten om een vrijwel verticale as draaien. 4.1.7. Mag "gegroepeerd" zijn met het dimlicht en andere voorlichten. 4.1.8. Mag niet "gecombineerd" zijn met enig ander licht. 4.1.9. Mag "samengebouwd" zijn 4.1.9.1. met het dimlicht, tenzij het groot licht beweegbaar is met de draaiing van het stuurwiel; 4.1.9.2. met het breedtelicht; 4.1.9.3. met het mistlicht voor; 4.1.9.4. met het parkeerlicht. 4.1.10. Functionele elektrische schakeling 4.1.10.1 Het ontsteken van de lichten voor groot licht kan gelijktijdig of paarsgewijze plaatsvinden. Bij overgang van gedimde lichtbundels naar ongedimde lichtbundels is het ontsteken van ten minste één paar lichten voor groot licht vereist. Bij overgang van ongedimde lichtbundels naar gedimde lichtbundels moeten alle lichten voor groot licht gelijktijdig worden gedoofd. 4.1.10.2. Het dimlicht kan tegelijk met het groot licht blijven branden. 4.1.11. Inschakel-verklikkerlicht Verplicht. 4.1.12. Overige voorschriften 4.1.12.1. De maximale sterkte van alle ongedimde lichtbundels die tegelijkertijd kunnen worden ontstoken mag niet meer bedragen dan 225000 candela. 4.1.12.2. Deze maximale sterkte wordt verkregen door optelling van de afzonderlijke maximale sterkten gemeten tijdens de typegoedkeuring en aangeduid op de betrokken goedkeuringsformulieren. 4.2. Dimlicht 4.2.1. Aanwezigheid Verplicht. 4.2.2. Aantal 2. 4.2.3. Installatieschema Geen bijzondere bepalingen. 4.2.4. Plaats 4.2.4.1. In de breedterichting Geen bijzondere bepalingen. 4.2.4.2. In de hoogterichting 4.2.4.2.1. indien slechts twee dimlichten worden geïnstalleerd: - minimaal 500 mm; - maximaal 1200 mm boven het wegdek. Deze waarde mag evenwel tot 1500 mm worden verhoogd indien de hoogte van 1200 mm ingevolge de constructie van de trekker niet in acht kan worden genomen, rekening houdende met de gebruiksomstandigheden van de trekker en van zijn werkuitrusting; 4.2.4.2.2. voor trekkers die zijn uitgerust voor het monteren van frontaal gedragen inrichtingen, zijn naast de sub 4.2.4.2.1 vermelde lichten twee bijkomende dimlichten toegelaten op een hoogte van maximaal 3000 mm, indien de elektrische aansluiting zodanig is uitgevoerd dat er geen twee paar dimlichten tegelijk kunnen zijn ingeschakeld. 4.2.4.3. In de lengterichting Zo ver mogelijk vooraan de trekker; in geen geval mag de bestuurder direct of indirect door het via achteruitkijkspiegels en/of andere lichtweerkaatsende oppervlakken van de trekker weerkaatste licht van deze lichten worden gehinderd. 4.2.5. Geometrische zichtbaarheid Deze wordt bepaald door de hoeken α en β als aangegeven in punt 1.9.: α = 15 ° naar boven en 10 ° naar beneden; β = 45 ° naar buiten en 5 ° naar binnen. Binnen dit veld moet het lichtdoorlatende gedeelte van het licht nagenoeg geheel zichtbaar zijn. Plaatdelen of andere uitrustingsstukken in de buurt van het koplicht mogen geen nevenwerkingen veroorzaken die hinder opleveren voor andere weggebruikers. 4.2.6. Richting 4.2.6.1. De richting van de gedimde lichten mag niet veranderen met de draaiing van het stuurwiel. 4.2.6.2. Wanneer de hoogte van dimlichten ten minste 500 mm of meer en ten hoogste 1200 mm bedraagt, moet de gedimde lichtbundel tussen 0,5 en 4 % omlaag gericht kunnen worden. 4.2.6.3. Wanneer de hoogte van de dimlichten groter is dan 1200 mm en ten hoogste 1500 mm bedraagt wordt de in punt 4.2.6.2 genoemde maximumgrens van 4 % verhoogd tot 6 %; de in punt 4.2.4.2.2 genoemde dimlichten moeten zodanig zijn gericht dat de horizontale lijn tussen het verlichte en het niet-verlichte vlak, gemeten op 15 meter van het licht, zich bevindt op een hoogte die hoogstens gelijk is aan de helft van de afstand tussen de grond en het midden van het licht. 4.2.7. Mag "gegroepeerd" zijn met het groot licht en de andere voorlichten. 4.2.8. Mag niet "gecombineerd" zijn met enig ander licht. 4.2.9. Mag "samengebouwd" zijn met 4.2.9.1. het groot licht, tenzij dit beweegbaar is met de draaiing van het stuurwiel; 4.2.9.2. de overige voorlichten. 4.2.10. Functionele elektrische schakeling Bij inschakeling van het dimlicht moet tegelijkertijd het groot licht uitgaan. Het dimlicht mag tegelijk met het groot licht blijven branden. 4.2.11 Inschakel-verklikkerlicht Facultatief. 4.2.12. Overige voorschriften De voorschriften onder 3.5.2 zijn niet van toepassing op de lichtbundels van het dimlicht. 4.3. Mistlicht voor 4.3.1. Aanwezigheid Facultatief. 4.3.2. Aantal 2. 4.3.3. Installatieschema Geen bijzondere bepalingen. 4.3.4. Plaats 4.3.4.1. In de breedterichting Geen bijzondere bepalingen. 4.3.4.2. In de hoogterichting Ten minste 250 mm boven het wegdek. Geen enkel punt van het lichtdoorlatende gedeelte mag zich boven het hoogste punt van het lichtdoorlatende gedeelte van het dimlicht bevinden. 4.3.4.3. In de lengterichting Zo ver mogelijk vooraan de trekker; in geen geval mag de bestuurder direct of indirect door het via achteruitkijkspiegels en/of andere lichtweerkaatsende oppervlakken van de trekker weerkaatste licht van deze lichten worden gehinderd. 4.3.5. Geometrische zichtbaarheid Deze wordt bepaald door de hoeken α en β als aangegeven in punt 1.9. α = 5 ° naar boven en naar beneden; β = 45 ° naar buiten en 5 ° naar binnen. 4.3.6. Richting De richting van de mistlichten mag niet veranderen met de draaiing van het stuurwiel. Zij moeten naar voren zijn gericht zonder dat tegemoetkomende bestuurders of andere weggebruikers door het licht worden verblind of gehinderd. 4.3.7. Mag "gegroepeerd" zijn met andere voorlichten. 4.3.8. Mag niet "gecombineerd" zijn met andere voorlichten. 4.3.9. Mag "samengebouwd" zijn: 4.3.9.1. met de lichten voor groot licht die niet beweegbaar zijn met de draaiing van het stuurwiel, wanneer er vier lichten voor groot licht zijn; 4.3.9.2. met de breedtelichten; 4.3.9.3. met het parkeerlicht. 4.3.10. Functionele elektrische schakeling De mistlichten voor moeten afzonderlijk van het groot licht of het dimlicht kunnen worden gedoofd en ontstoken, en vice-versa. 4.3.11. Inschakel-verklikkerlicht Facultatief. 4.4. Achteruitrijlicht 4.4.1. Aanwezigheid Facultatief. 4.4.2. Aantal 1 of 2. 4.4.3. Installatieschema Geen bijzondere bepalingen. 4.4.4. Plaats 4.4.4.1. In de breedterichting Geen bijzondere bepalingen. 4.4.4.2. In de hoogterichting Minimaal 250 mm en maximaal 1200 mm boven het wegdek. 4.4.4.3. In de lengterichting Achteraan de trekker. 4.4.5. Geometrische zichtbaarheid Deze wordt bepaald door de hoeken α en β als aangegeven in punt 1.9. α = 15 ° naar boven en 5 ° naar beneden; β = 45 ° naar rechts en naar links indien er slechts één licht is; β = 45 ° naar buiten en 30 ° naar binnen indien er twee lichten zijn. 4.4.6. Richting Naar achteren. 4.4.7. Mag "gegroepeerd" zijn met elk ander licht aan de achterzijde. 4.4.8. Mag niet "gecombineerd" zijn met enig ander licht. 4.4.9. Mag niet "samengebouwd" zijn met enig ander licht. 4.4.10. Functionele elektrische schakeling Dit licht mag uitsluitend branden als de versnellingshefboom in "achteruit" staat en als de inrichting met behulp waarvan de motor wordt in- of uitgeschakeld (het contact) zich in een zodanige stand bevindt dat de motor kan draaien. Dit licht mag niet kunnen aangaan of aanblijven indien aan een van de hierboven genoemde voorwaarden niet is voldaan. 4.4.11. Verklikkerlicht Facultatief. 4.5. Richtingaanwijzers 4.5.1. Aanwezigheid (zie aanhangsel 3) Verplicht. De verschillende typen richtingaanwijzers zijn ingedeeld in categorieën (1, 2 en 5), die overeenkomstig een installatieschema (A tot en met D) op een trekker worden aangebracht. Schema A is slechts toegestaan bij trekkers die niet langer zijn dan 4,60 m, waarbij de afstand tussen de buitenranden van de lichtdoorlatende oppervlakken niet meer dan 1,60 m mag bedragen. De schema’s B, C en D zijn op alle trekkers van toepassing. Aanvullende richtingaanwijzers zijn facultatief. 4.5.2. Aantal Het aantal inrichtingen moet zodanig zijn dat zij aanwijzingen kunnen geven die beantwoorden aan één van de in punt 4.5.3 bedoelde installatieschema’s. 4.5.3. Montageschema (zie aanhangsel 3) A - 2 voorrichtingaanwijzers (categorie 1); - 2 achterrichtingaanwijzers (categorie 2). Deze lichten mogen onafhankelijk, gegroepeerd of gecombineerd zijn. B - 2 voorrichtingaanwijzers (categorie 1); - 2 zijrichtingaanwijzers (categorie 5); - 2 achterrichtingaanwijzers (categorie 2). De voor- en de zijlichten mogen onafhankelijk, gegroepeerd of gecombineerd zijn. C - 2 voorrichtingaanwijzers (categorie 1); - 2 achterrichtingaanwijzers (categorie 2); - 2 zijrichtingaanwijzers (categorie 5). D - 2 voorrichtingaanwijzers (categorie 1); - 2 achterrichtingaanwijzers (categorie 2). 4.5.4. Plaats 4.5.4.1. In de breedterichting De rand van het verste van het middenlangsvlak van de trekker verwijderde lichtdoorlatende oppervlak mag zich op niet meer dan 400 mm van het uiteinde van de trekker bevinden. De minimale afstand tussen de binnenranden van beide lichtdoorlatende oppervlakken moet 500 mm bedragen. Wanneer de verticale afstand tussen de achterrichtingaanwijzer en het overeenkomstige achterlicht 300 mm of minder bedraagt, mag de afstand tussen het punt van grootste breedte van de trekker en de buitenrand van de achterrichtingaanwijzer niet meer dan 50 mm meer bedragen dan de afstand tussen het punt van grootste breedte van de trekker en het overeenkomstige achterlicht. Het lichtdoorlatende gedeelte van voorrichtingaanwijzers moet zich op minstens 40 mm bevinden van het lichtdoorlatende gedeelte van de dimlichten of mistlichten. Een kleinere afstand wordt toegestaan indien de lichtsterkte ter plaatse van de referentie-as van de richtingaanwijzer ten minste 400 candela bedraagt. 4.5.4.2. In de hoogterichting: Boven het wegdek: - minimaal 500 mm voor richtingaanwijzers van categorie 5; - minimaal 400 mm voor richtingaanwijzers van de categorieën 1 en 2; - maximaal 1900 mm voor alle categorieën, indien het in verband met de constructie van de trekker niet mogelijk is deze maximale grens aan te houden, mag het hoogste punt van het lichtdoorlatende gedeelte zich op een hoogte van 2300 mm bevinden voor de richtingaanwijzers van categorie 5, voor die van de categorieën 1 en 2 van schema A, voor die van de categorieën 1 en 2 van schema B en voor die van de categorieën 1 en 2 van schema D en op een hoogte van 2100 mm voor die van de categorieën 1 en 2 van de andere schema’s; - maximaal 4000 mm voor facultatieve richtingaanwijzers. 4.5.4.3. In de lengterichting De afstand tussen het referentiepunt van het lichtdoorlatende gedeelte van de zijrichtingaanwijzers (schema’s B en C) en het dwarsvlak dat de maximale lengte van de trekker aan de voorzijde begrenst, mag niet meer bedragen dan 1800 mm. Indien het op grond van de constructie van de trekker niet mogelijk is de minimale zichtbaarheidshoeken aan te houden, mag deze afstand worden gebracht op 2600 mm. 4.5.5. Geometrische zichtbaarheid Horizontale hoeken: Zie aanhangsel 3. Verticale hoeken: 15 ° boven en onder het horizontale vlak. De verticale hoek onder het horizontale vlak kan tot 10 ° worden teruggebracht bij zijrichtingaanwijzers van de schema’s B en C als de hoogte ervan minder dan 1500 mm bedraagt. Dit geldt ook voor de lichten van categorie 1 van de schema’s B en D. 4.5.6. Richting Indien de fabrikant bijzondere montagevoorschriften heeft gegeven, moeten deze worden opgevolgd. 4.5.7. Mag "gegroepeerd" zijn met een of meer lichten die niet mogen worden gecamoufleerd. 4.5.8. Mag niet "gecombineerd" zijn met enig ander licht, behalve overeenkomstig de in punt 4.5.3 vermelde schema’s. 4.5.9. Mag slechts "samengebouwd" zijn met het parkeerlicht, uitsluitend voor wat betreft de richtingaanwijzers van categorie 5. 4.5.10. Functionele elektrische schakeling Het inschakelen van de richtingaanwijzers moet onafhankelijk van de ontsteking van de andere lichten geschieden. Alle richtingaanwijzers die zich aan dezelfde zijde van de trekker bevinden worden met dezelfde schakelaar bediend en dienen synchroon te knipperen. 4.5.11. Verklikkersignaal (voor de werking) Vereist voor alle richtingaanwijzers die niet rechtstreeks voor de bestuurder zichtbaar zijn. Het kan optisch en/of akoestisch zijn. Een optische inrichting moet knipperen, en uitgaan of aanblijven zonder te knipperen of een duidelijk waarneembare frequentiewijziging vertonen indien een van de richtingaanwijzers, met uitzondering van de zijverklikkerlichten, niet goed functioneert. Bij een uitsluitend akoestische inrichting moet het signaal goed hoorbaar zijn en bij storing een duidelijk waarneembare frequentiewijziging ondergaan. Indien een trekker ingericht is om een aanhangwagen te trekken, moet dit voertuig uitgerust zijn met een speciale optische verklikker voor de richtingaanwijzers van de aanhangwagen, behalve indien het verklikkersignaal van de trekker het mogelijk maakt het defect zijn van één van de richtingaanwijzers van het aldus gevormde samenstel te ontdekken. 4.5.12. Overige voorschriften Knipperlicht met een frequentie van 90 ± 30 perioden per minuut. Het lichtsignaal moet binnen een seconde na het inschakelen functioneren en binnen anderhalve seconde voor het eerst doven. Indien een trekker ingericht is om een aanhangwagen te trekken, moet de schakelaar van de richtingaanwijzers van de trekker tevens de richtingaanwijzers van de aanhangwagen in werking kunnen stellen. Wanneer een richtingaanwijzer door een andere oorzaak dan kortsluiting defect is, moeten de andere knipperlichten blijven werken, doch in dit geval mag de frequentie afwijken van die welke is voorgeschreven. 4.6. Waarschuwingsknipperlicht 4.6.1. Aanwezigheid Verplicht 4.6.2.Aantal | overeenkomstig de voorschriften van de desbetreffende rubrieken van punt 4.5. | 4.6.3.Installatieschema | 4.6.4.Plaats | 4.6.4.1.in de breedterichting | 4.6.4.2.in de hoogterichting | 4.6.4.3.in de lengterichting | 4.6.5.Geometrische zichtbaarheid | 4.6.6.Richting | 4.6.7.Mag/mag niet "gegroepeerd" zijn met | 4.6.8.Mag/mag niet "gecombineerd" zijn met | 4.6.9.Mag/mag niet "samengebouwd" zijn met | 4.6.10. Functionele elektrische schakeling De bediening van het signaal moet geschieden door middel van een afzonderlijke schakelaar die alle richtingaanwijzers synchroon moet laten functioneren. 4.6.11. Inschakel-verklikkerlicht Vereist. Knipperlicht dat kan werken in combinatie met het in punt 4.5.11 voorgeschreven verklikkersignaal. 4.6.12. Overige voorschriften Overeenkomstig de voorschriften van punt 4.5.12. Indien een trekker is ingericht om een aanhangwagen te trekken, moet de schakelaar van het waarschuwingsknipperlicht tevens de richtingaanwijzers van de aanhangwagen in werking kunnen stellen. Het waarschuwingsknipperlicht moet kunnen werken, ook al bevindt zich de inrichting waarmede de motor wordt aangezet of afgezet zich in een zodanige stand dat het draaien van de motor onmogelijk is. 4.7. Stoplicht 4.7.1. Aanwezigheid Verplicht. 4.7.2. Aantal 2. 4.7.3. Installatieschema Geen bijzondere bepalingen. 4.7.4. Plaats 4.7.4.1. In de breedterichting Minimaal 500 mm tussen de beide lichten. Deze afstand kan tot 400 mm worden teruggebracht wanneer de grootste breedte van de trekker minder dan 1400 mm bedraagt. 4.7.4.2. In de hoogterichting Minimaal 400 mm en maximaal 1900 mm boven het wegdek, of 2300 mm indien het door de vorm van de carrosserie niet mogelijk is de maximumhoogte van 1900 mm aan te houden. 4.7.4.3. In de lengterichting Aan de achterzijde van de trekker. 4.7.5. Geometrische zichtbaarheid Horizontale hoek: 45 ° naar buiten en naar binnen. Verticale hoek: 15 ° boven en onder het horizontale vlak. De verticale hoek onder het horizontale vlak mag tot 10 ° worden beperkt als het licht zich op minder dan 1500 mm boven het wegdek bevindt en tot 5 ° als het licht zich op minder dan 750 mm boven het wegdek bevindt. 4.7.6. Richting Naar achteren. 4.7.7. Mag "gegroepeerd" zijn met een of meer lichten aan de achterzijde. 4.7.8. Mag niet "gecombineerd" zijn met enig ander licht. 4.7.9. Mag "samengebouwd" zijn met het achterlicht of het parkeerlicht. 4.7.10. Elektrische schakeling Moet gaan branden zodra de bedrijfsrem wordt bediend. 4.7.11. Verklikkersignaal voor de werking Facultatief. Indien aanwezig, moet het een niet knipperend lichtsein zijn dat gaat branden bij slechte werking van de stoplichten. 4.7.12. Overige voorschriften De lichtsterkte van de stoplichten moet aanzienlijk groter zijn dan die van de achterlichten. 4.8. Achterkentekenplaatverlichting 4.8.1. Aanwezigheid Verplicht. 4.8.2.Aantal | Zodanig dat de plaats waar zich de kentekenplaat bevindt goed verlicht wordt | 4.8.3.Installatieschema | 4.8.4.Plaats | 4.8.4.1.In de breedterichting | 4.8.4.2.In de hoogterichting | 4.8.4.3.In de lengterichting | 4.8.5.Geometrische zichtbaarheid | 4.8.6.Richting | 4.8.7. Mag "gegroepeerd" zijn met een of meerdere lichten aan de achterzijde. 4.8.8. Mag "gecombineerd" zijn met de achterlichten. 4.8.9. Mag niet "samengebouwd" zijn met enig ander licht. 4.8.10. Functionele elektrische schakeling De verlichting mag uitsluitend tegelijk met de achterlichten branden. 4.8.11. Inschakel-verklikkerlicht Facultatief. Indien aanwezig, moet de functie ervan worden vervuld door het voor de breedtelichten en achterlichten voorgeschreven verklikkerlicht. 4.9. Breedtelicht 4.9.1. Aanwezigheid Verplicht. 4.9.2. Aantal 2 of 4 (cf. punt 4.2.4.2.2). 4.9.3. Installatieschema Geen bijzondere bepalingen. 4.9.4. Plaats 4.9.4.1. In de breedterichting Het punt van het lichtdoorlatende gedeelte dat het verst verwijderd is van het middenlangsvlak van de trekker mag zich niet verder dan 400 mm bevinden van het punt van de grootste breedte van de trekker. De afstand tussen de binnenranden van de beide lichtdoorlatende oppervlakken moet minimaal 500 mm bedragen. 4.9.4.2. In de hoogterichting Boven het wegdek: minimaal 400 mm, maximaal 1900 mm, of maximaal 2300 mm indien het door de vorm van de opbouw niet mogelijk is de maximumhoogte van 1900 mm aan te houden. 4.9.4.3. In de lengterichting Geen nadere bepalingen, op voorwaarde dat de lichten naar voren gericht zijn en dat aan onderstaande eisen met betrekking tot de geometrische zichtbaarheidshoeken wordt voldaan. 4.9.5. Geometrische zichtbaarheid Horizontale hoek Voor de beide breedtelichten 10 ° naar binnen en 80 ° naar buiten. De hoek van 10 ° naar binnen kan tot 5 ° worden beperkt, indien door de vorm van de opbouw 10 ° niet kan worden aangehouden. Bij trekkers waarvan de grootste breedte niet meer bedraagt dan 1400 mm kan, indien het door de vorm van de opbouw niet mogelijk is een hoek van 10 ° aan te houden, de hoek tot 3 ° worden teruggebracht. Verticale hoek 15 ° boven en onder het horizontale vlak. De verticale hoek onder het horizontale vlak mag worden verminderd tot 10 ° indien het licht zich op minder dan 1500 mm boven het wegdek bevindt en tot 5 ° indien het zich op minder dan 750 mm boven het wegdek bevindt. 4.9.6. Richting Naar voren. 4.9.7. Mag "gegroepeerd" zijn met elk ander voorlicht. 4.9.8. Mag niet "gecombineerd" zijn met enig ander licht. 4.9.9. Mag "samengebouwd" zijn met elk ander voorlicht. 4.9.10. Functionele elektrische schakeling Geen bijzondere bepalingen. 4.9.11. Verklikkerlicht Verplicht. Dit verklikkerlicht mag geen knipperlicht zijn. Het is niet vereist wanneer de dashbordverlichting slechts samen met de breedtelichten kan worden ontstoken. 4.10. Achterlicht 4.10.1. Aanwezigheid Verplicht. 4.10.2. Aantal 2. 4.10.3. Installatieschema Geen bijzondere bepalingen. 4.10.4. Plaats 4.10.4.1. In de breedterichting Het punt van het lichtdoorlatend gedeelte dat het verst is verwijderd van het middenlangsvlak van de trekker mag zich niet verder dan 400 mm bevinden van het punt van de grootste breedte van de trekker. De minimale afstand tussen de binnenranden van de beide lichtdoorlatende gedeelten moet 500 mm bedragen. Deze afstand kan tot 400 mm worden teruggebracht wanneer de grootste breedte van de trekker minder dan 1400 mm bedraagt. 4.10.4.2. In de hoogterichting Boven het wegdek, minimaal 400 mm, maximaal 1900 mm of 2300 mm indien het door de vorm van de opbouw niet mogelijk is de maximumhoogte van 1900 mm aan te houden. 4.10.4.3. In de lengterichting Aan de achterzijde van de trekker 4.10.5. Geometrische zichtbaarheid Horizontale hoek Voor de beide achterlichten - 45 ° naar binnen en 80 ° naar buiten of, - 80 ° naar binnen en 45 ° naar buiten. Verticale hoek 15 ° boven en onder het horizontale vlak. De verticale hoek onder het horizontale vlak mag worden verminderd tot 10 ° indien het licht zich op minder dan 1500 mm boven het wegdek bevindt; tot 5 ° indien deze hoogte minder dan 750 mm bedraagt. 4.10.6. Richting Naar achteren. 4.10.7. Mag "gegroepeerd" zijn met elk ander licht aan de achterzijde. 4.10.8. Mag "gecombineerd" zijn met de achterkentekenplaatverlichting. 4.10.9. Mag "samengebouwd" zijn met het stoplicht, het mistlicht achter of het parkeerlicht. 4.10.10. Functionele elektrische schakeling Geen bijzondere bepalingen. 4.10.11. Inschakel-verklikkerlicht Verplicht. Het moet gecombineerd zijn met dat van de breedtelichten. 4.11. Mistlicht achter 4.11.1. Aanwezigheid Facultatief. 4.11.2. Aantal 1 of 2. 4.11.3. Installatieschema Het moet voldoen aan de geometrische zichtbaarheidsvoorwaarden. 4.11.4. Plaats 4.11.4.1. In de breedterichting Bij aanwezigheid van één mistlicht achter moet dit zich bevinden aan de kant van het middenlangsvlak van de trekker tegengesteld aan de verkeersrichting (rechts of links verkeer) die is voorgeschreven in het land van inschrijving. In ieder geval moet de afstand tussen het mistlicht achter en het stoplicht groter zijn dan 100 mm. 4.11.4.2. In de hoogterichting Boven het wegdek, minimaal 400 mm, maximaal 1900 mm of 2100 mm indien het door de vorm van de opbouw niet mogelijk is de maximumhoogte van 1900 mm aan te houden. 4.11.4.3. In de lengterichting Aan de achterzijde van de trekker. 4.11.5. Geometrische zichtbaarheid Horizontale hoek 25 ° naar binnen en naar buiten Verticale hoek 5 ° boven en onder het horizontale vlak. 4.11.6. Richting Naar achteren. 4.11.7. Mag "gegroepeerd" zijn met elk ander licht aan de achterzijde. 4.11.8. Mag niet "gecombineerd" zijn met enig ander licht. 4.11.9. Mag "samengebouwd" zijn met de achterlichten of het parkeerlicht. 4.11.10. Functionele elektrische schakeling Dit licht mag alleen kunnen worden ontstoken als het dimlicht of de mistlichten voor branden. Indien zich aan de voorkant van de trekker mistlichten bevinden moet het doven van het mistlicht achter mogelijk zijn onafhankelijk van de mistlichten voor. 4.11.11. Inschakel-verklikkerlicht Verplicht. Afzonderlijk niet-knipperend licht. 4.12. Parkeerlicht 4.12.1. Aanwezigheid Facultatief. 4.12.2. Aantal Afhankelijk van het installatieschema. 4.12.3. Installatieschema - twee lichten aan de voorzijde en twee aan de achterzijde, of - één licht aan elke kant van de trekker. 4.12.4. Plaats 4.12.4.1. In de breedterichting Het punt van het lichtdoorlatend gedeelte dat het verst verwijderd is van het middenlangsvlak van de trekker mag zich niet verder dan 400 mm bevinden van het punt van de grootste breedte van de trekker. Als er twee parkeerlichten zijn moeten deze zich bovendien op de zijkanten van de trekker bevinden. 4.12.4.2. In de hoogterichting Boven het wegdek: minimaal 400 mm, maximaal 1900 mm of 2100 mm indien het door de constructie van de opbouw niet mogelijk is de maximumhoogte van 1900 mm aan te houden. 4.12.4.3. In de lengterichting Geen bijzondere bepalingen. 4.12.5. Geometrische zichtbaarheid Horizontale hoek 45 ° naar binnen, naar voren en naar achteren. Verticale hoek 15 ° boven en onder het horizontale vlak. De verticale hoek onder het horizontale vlak mag worden verminderd tot 10 ° indien het licht zich op minder dan 1500 mm boven het wegdek bevindt en tot 5 ° indien deze hoogte minder dan 750 mm bedraagt. 4.12.6. Richting Zodanig dat de lichten voldoen aan de zichtbaarheidsvoorwaarden naar voren en naar achteren. 4.12.7. Mag "gegroepeerd" zijn met elk ander licht. 4.12.8. Mag niet "gecombineerd" zijn met enig ander licht. 4.12.9. Mag "samengebouwd" zijn - aan de voorkant van de trekker: met de breedtelichten, het dimlicht, het groot licht en de mistlichten voor; - aan de achterkant van de trekker: met de achterlichten, de stoplichten en de mistlichten achter; - met de richtingaanwijzers van categorie 5. 4.12.10. Functionele elektrische schakeling De schakeling moet ontsteken mogelijk maken van de parkeerlichten aan dezelfde zijde van de trekker, zonder dat enig ander licht daardoor gaat branden. 4.12.11. Verklikkerlicht Facultatief. Indien aanwezig, mag het niet verward kunnen worden met het verklikkerlicht voor de breedtelichten. 4.12.12. Overige voorschriften De functie van dit licht kan ook worden vervuld door het breedtelicht en het achterlicht, die aan één zijde van de trekker tegelijk kunnen worden ontstoken. 4.13. Markeringslicht 4.13.1. Aanwezigheid Facultatief op trekkers met een breedte van meer dan 2,10 m. Verboden op alle overige trekkers. 4.13.2. Aantal 2 zichtbaar van voren en 2 zichtbaar van achteren. 4.13.3. Installatieschema Geen bijzondere bepalingen. 4.13.4. Plaats 4.13.4.1. In de breedterichting Zo dicht mogelijk bij het punt van de grootste breedte van de trekker. 4.13.4.2. In de hoogterichting Zo hoog mogelijk als verenigbaar is met de eis ten aanzien van de plaats in de breedterichting en de symmetrie der lichten. 4.13.4.3. In de lengterichting Geen bijzondere bepalingen. 4.13.5. Geometrische zichtbaarheid Horizontale hoek 80 ° naar buiten. Verticale hoek 5 ° boven en 20 ° onder het horizontale vlak. 4.13.6. Richting Zodanig dat de lichten voldoen aan de zichtbaarheidsvoorwaarden naar voren en naar achteren. 4.13.7.Mag niet "gegroepeerd" zijn | met enig ander licht, behoudens het in punt 4.2.4.2.2 bedoelde geval. | 4.13.8.Mag niet "gecombineerd" zijn | 4.13.9.Mag niet "samengebouwd" zijn | 4.13.10. Functionele elektrische schakeling Geen bijzondere bepalingen. 4.13.11. Verklikkerlicht Facultatief. 4.13.12. Overige voorschriften Voor zover aan alle overige voorwaarden is voldaan, mogen het licht dat zichtbaar is van voren en het licht dat zichtbaar is van achter aan dezelfde kant van de trekker in één richting zijn verenigd. De plaats van een markeringslicht ten opzichte van het overeenkomstige breedte- of achterlicht moet zodanig zijn dat de afstand tussen de projecties op een verticaal dwarsvlak door de dichtstbijzijnde punten van de lichtdoorlatende gedeelten van de twee betrokken lichten niet minder dan 200 mm bedraagt. 4.14. Niet-driehoekige achterretroflector 4.14.1. Aanwezigheid Verplicht. 4.14.2. Aantal 2 of 4 (cf, punt 4.14.5.2). 4.14.3. Installatieschema Geen bijzondere bepalingen. 4.14.4. Plaats 4.14.4.1. In de breedterichting Het punt van het lichtdoorlatende gedeelte dat het verst verwijderd is van het middenlangsvlak van de trekker, mag zich niet verder dan 400 mm van het punt van de grootste breedte van de trekker bevinden. Afstand tussen de binnenranden van de retroflectoren: minimaal 600 mm. Deze afstand kan tot 400 mm worden teruggebracht wanneer de grootste breedte van de trekker minder dan 1300 mm bedraagt. 4.14.4.2. In de hoogterichting Boven het wegdek: minimaal 400 mm, maximaal 900 mm. De maximumwaarde mag worden verhoogd tot 1200 mm, wanneer het onmogelijk is de hoogte van 900 mm aan te houden zonder gebruikmaking van installatie-inrichtingen die gemakkelijk beschadigd of ontregeld dreigen te worden. 4.14.4.3. In de lengterichting Geen bijzondere voorschriften. 4.14.5. Geometrische zichtbaarheid 4.14.5.1. Horizontale hoek 30 ° naar binnen en naar buiten. Verticale hoek 15 ° boven en onder het horizontale vlak. De verticale hoek onder het horizontale vlak mag worden verminderd tot 5 ° indien de hoogte van het licht minder dan 750 mm bedraagt. 4.14.5.2. Als de bepalingen inzake plaats en zichtbaarheid niet in acht kunnen worden genomen, mogen vier retroflectoren worden geïnstalleerd die aan de volgende installatievoorschriften beantwoorden: 4.14.5.2.1. Voor twee daarvan gelden de volgende eisen: een maximale hoogte van 900 mm boven het wegdek, een minimale afstand tussen de binnenranden van 400 mm en een verticale zichtbaarheidshoek boven het horizontale vlak van 15 °. 4.14.5.2.2. De overige twee moeten een hoogte van maximaal 2300 mm boven het wegdek hebben en dienen te voldoen aan de voorschriften van de punten 4.14.4.1 en 4.14.5.1. 4.14.6. Richting Naar achteren gericht. 4.14.7. Mag "gegroepeerd" zijn met elk ander licht. 4.14.8. Overige voorschriften Het lichtdoorlatende gedeelte van de retroflector kan bepaalde delen gemeen hebben met dat van ieder ander licht aan de achterzijde. 4.15. Werklicht 4.15.1. Aanwezigheid Facultatief. 4.15.2. Aantal Geen bijzondere bepalingen. 4.15.3.Installatieschema | geen bijzondere voorschriften. | 4.15.4.Plaats | 4.15.4.1.In de breedterichting | 4.15.4.2.In de hoogterichting | 4.15.4.3.In de lengterichting | 4.15.5.Geometrische zichtbaarheid | 4.15.6.Richting | 4.15.7.Mag "gegroepeerd" zijn | met enig ander licht. | 4.15.8Mag niet "gecombineerd" zijn | 4.15.9.Mag niet "samengebouwd" zijn | 4.15.10. Functionele elektrische schakeling De ontsteking van deze lamp moet onafhankelijk zijn van de ontsteking van alle andere lichten, aangezien deze niet ter verlichting van de weg of voor signalisatie in het verkeer dient. 4.15.11. Verklikkerlicht Facultatief. 5. OVEREENSTEMMING VAN DE PRODUCTIE 5.1. Elke trekker van een serie moet overeenstemmen met het goedgekeurde type voor wat betreft de installatie van de verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen en de in deze richtlijn genoemde kenmerken daarvan. -------------------------------------------------- Aanhangsel 1 1.2 — Lichtdoorlatend gedeelte 2 — Referentie-as 3 — Referentiepunt 4 — Geometrische zichtbaarheid 5 — Afstand tussen lichten 6 — Uitvalsvlak 7 — Nuttig vlak 8 — Zichtbaar vlak ↔ — Geometrische zichtbaarheid in de richtingen 4′ en 4″ +++++ TIFF +++++ -------------------------------------------------- Aanhangsel 2 Figuur 1 Zone 1 Zichtbaarheid van een irood Iicht vanaf de voorzijde De zichtbaarheid moet worden uitgevoerd bij maximale spoorbreedte +++++ TIFF +++++ Figuur 2 Zichtbaarheid van een wit Iicht vanaf de achterzijde Zone 2 +++++ TIFF +++++ -------------------------------------------------- Aanhangsel 3 Richtingaanwijzers: geometrische zichtbaarheid +++++ TIFF +++++ -------------------------------------------------- BIJLAGE II MODEL Aanduiding van de Administratie BIJLAGE BIJ HET EG-GOEDKEURINGSFORMULIER VAN EEN TYPE TREKKER MET BETREKKING TOT DE INSTALLATIE VAN DE VERLICHTINGS- EN LICHTSIGNAALINRICHTINGEN Artikel 4, lid 3, van Richtlijn 2003/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de typegoedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers en aanhangwagens, verwisselbare getrokken machines, systemen, onderdelen en technische eenheden daarvan EG-goedkeuringsnummer: … 1. Merk (firma): … 2. Type en handelsbenaming: … 3. Naam en adres van de fabrikant: … … 4. Eventueel, naam en adres van diens gevolmachtigde: … … … 5. De op de ter goedkeuring aangeboden trekker aanwezige verlichtingsinrichtingen [1]: … 5.1. Groot licht: ja/neen [2] 5.2. Dimlicht: ja/neen [2] 5.3. Mistlichten voor: ja/neen [2] 5.4. Achteruitrijlichten: ja/neen [2] 5.5. Voorrichtingaanwijzers: ja/neen [2] 5.6. Achterrichtingaanwijzers: ja/neen [2] 5.7. Zijrichtingaanwijzers: ja/neen [2] 5.8. Waarschuwingsknipperlicht: ja/neen [2] 5.9. Stoplichten: ja/neen [2] 5.10. Achterkentekenplaatverlichting: ja/neen [2] 5.11. Breedtelichten: ja/neen [2] 5.12. Achterlichten: ja/neen [2] 5.13. Mistlichten achter: ja/neen [2] 5.14. Parkeerlichten: ja/neen [2] 5.15. Markeringslichten: ja/neen [2] 5.16. Niet-driehoekige retroflectoren achterzijde: ja/neen [2] 5.17. Werklicht: ja/neen [2] 6. Gelijkwaardige lichten: ja/neen [2] (zie punt 15): … … 7. De trekker is op … ter goedkeuring aangeboden. 8. Technische dienst belast met de goedkeuringsproeven: … … 9. Datum van het door deze dienst afgegeven goedkeuringsrapport: … 10. Nummer van het door deze dienst afgegeven goedkeuringsrapport: … 11. De EG-goedkeuring met betrekking tot de verlichtings- en lichtsignaalinrichingen is verleend/geweigerd [2]. 12. Plaats: … 13. Datum: … 14. Handtekening: 15. Aan dit formulier zijn de volgende stukken gehecht, die het hierboven aangegeven goedkeuringsnummer dragen: … lijst(en) van de door de fabrikant vastgestelde inrichtingen die de verlichtings- en lichtsignaaluitrusting vormen; voor iedere inrichting worden het fabrieksmerk en het type goedkeuringsmerk aangegeven. Deze lijst(en) omvat(ten) een opsomming van de "gelijkwaardige lichten" [2]. 16. Opmerkingen: … … … [1] De onder punt 2.2.3 van bijlage I bij Richtlijn 2009/61/EG van 13 juli 2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de installatie van verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen. [2] Doorhalen hetgeen niet van toepassing is. -------------------------------------------------- BIJLAGE III DEEL A Ingetrokken richtlijn met overzicht van de achtereenvolgende wijzigingen ervan (bedoeld in artikel 7) Richtlijn 78/933/EEG van de Raad (PB L 325 van 20.11.1978, blz. 16) | | Richtlijn 82/890/EEG van de Raad (PB L 378 van 31.12.1982, blz. 45) | Uitsluitend wat de verwijzingen door artikel 1, lid 1, naar Richtlijn 78/933/EEG betreft | Richtlijn 97/54/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 277 van 10.10.1997, blz. 24) | Uitsluitend wat de verwijzingen door artikel 1 naar Richtlijn 78/933/EEG betreft | Richtlijn 1999/56/EG van de Commissie (PB L 146 van 11.6.1999, blz. 31) | | Richtlijn 2006/26/EG van de Commissie (PB L 65 van 7.3.2006, blz. 22) | Uitsluitend wat de verwijzingen door artikel 3 en bijlage III naar Richtlijn 78/933/EEG betreft | DEEL B Termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing (bedoeld in artikel 7) Richtlijn | Omzettingstermijn | Toepassingsdatum | 78/933/EEG | 25 april 1980 | — | 82/890/EEG | 22 juni 1984 | — | 97/54/EG | 22 september 1998 | 23 september 1998 | 1999/56/EG | 30 juni 2000 [1] | — | 2006/26/EG | 31 december 2006 [2] | — | [1] Overeenkomstig artikel 2 van Richtlijn 1999/56/EG:"1.Met ingang van 1 juli 2000 mogen de lidstaten:noch voor een type trekker de EG-typegoedkeuring, de afgifte van het in artikel 10, lid 1, derde streepje, van Richtlijn 74/150/EEG bedoelde document, of de nationale typegoedkeuring weigeren,noch het voor de eerste maal in het verkeer brengen van trekkers verbieden,indien deze trekkers voldoen aan de voorschriften van Richtlijn 78/933/EEG, als gewijzigd bij deze richtlijn.2.Met ingang van 1 januari 2001 mogen de lidstaten:niet langer het in artikel 10, lid 1, derde streepje, van Richtlijn 74/150/EEG bedoelde document afgeven voor een type trekker, indien dit niet voldoet aan de voorschriften van Richtlijn 78/933/EEG, als gewijzigd bij deze richtlijn,de nationale typegoedkeuring weigeren voor een type trekker, indien dit niet voldoet aan de voorschriften van Richtlijn 78/933/EEG, als gewijzigd bij deze richtlijn." [2] Overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2006/26/EG:"1.Met ingang van 1 januari 2007 geldt ten aanzien van voertuigen die voldoen aan de Richtlijnen 74/151/EEG, 78/933/EEG, 77/311/EEG en 89/173/EEG, zoals gewijzigd bij deze richtlijn, dat de lidstaten om redenen die verband houden met het onderwerp van de desbetreffende richtlijn:a)niet de EG-typegoedkeuring of de nationale typegoedkeuring mogen weigeren, enb)niet de registratie, de verkoop of het in het verkeer brengen van dergelijke voertuigen mogen verbieden.2.Met ingang van 1 juli 2007 geldt ten aanzien van voertuigen die niet voldoen aan de Richtlijnen 74/151/EEG, 78/933/EEG, 77/311/EEG en 89/173/EEG, zoals gewijzigd bij deze richtlijn, dat de lidstaten om redenen die verband houden met het onderwerp van de desbetreffende richtlijn:a)niet langer de EG-typegoedkeuring mogen verlenen, enb)de nationale typegoedkeuring mogen weigeren.3.Met ingang van 1 juli 2009 geldt ten aanzien van voertuigen die niet voldoen aan de Richtlijnen 74/151/EEG, 78/933/EEG, 77/311/EEG en 89/173/EEG, zoals gewijzigd bij deze richtlijn, dat de lidstaten om redenen die verband houden met het onderwerp van de desbetreffende richtlijn:a)de certificaten van overeenstemming waarvan nieuwe voertuigen overeenkomstig Richtlijn 2003/37/EG vergezeld gaan, als niet langer geldig moeten beschouwen voor de toepassing van artikel 7, lid 1, van die richtlijn, enb)de registratie, de verkoop of het in het verkeer brengen van deze nieuwe voertuigen mogen weigeren.". -------------------------------------------------- BIJLAGE IV Concordantietabel Richtlijn 78/933/EEG | Richtlijn 2006/26/EG | De onderhavige richtlijn | Artikel 1 | | Artikel 1 | Artikel 2 | | — | — | Artikel 5 | Artikel 2 | Artikelen 3 tot en met 5 | | Artikelen 3 tot en met 5 | Artikel 6 | | — | Artikel 7, lid 1 | | — | Artikel 7, lid 2 | | Artikel 6 | — | | Artikel 7 | — | | Artikel 8 | Artikel 8 | | Artikel 9 | Bijlage I | | Bijlage I | Bijlage II | | Bijlage II | — | | Bijlage III | — | | Bijlage IV | --------------------------------------------------