2006/135/EG: Beschikking van de Commissie van 22 februari 2006 betreffende bepaalde beschermende maatregelen in verband met hoogpathogene aviaire influenza bij pluimvee in de Gemeenschap (Kennisgeving geschied onder nummer C(2006) 597) Voor de EER relevante tekst

Publicatieblad Nr. L 052 van 23/02/2006 blz. 0041 - 0053


Beschikking van de Commissie

van 22 februari 2006

betreffende bepaalde beschermende maatregelen in verband met hoogpathogene aviaire influenza bij pluimvee in de Gemeenschap

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2006) 597)

(Voor de EER relevante tekst)

(2006/135/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op Richtlijn 89/662/EEG van de Raad van 11 december 1989 inzake veterinaire controles in het intracommunautaire handelsverkeer in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt [1], en met name op artikel 9, lid 4,

Gelet op Richtlijn 90/425/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake veterinaire en zoötechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in bepaalde levende dieren en producten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt [2], en met name op artikel 10, lid 4,

Gelet op Verordening (EG) nr. 998/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren en houdende wijziging van Richtlijn 92/65/EEG van de Raad [3], en met name op artikel 18,

Gelet op Richtlijn 2005/94/EG van de Raad van 20 december 2005 betreffende communautaire maatregelen ter bestrijding van aviaire influenza en tot intrekking van Richtlijn 92/40/EEG [4], en met name op artikel 66, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Aviaire influenza is een besmettelijke virale ziekte bij pluimvee en andere vogels, die leidt tot sterfte en anomalieën die snel de vorm van een epizoötie kunnen aannemen en daardoor een ernstige bedreiging vormen voor de diergezondheid en voor de rentabiliteit van de pluimveehouderij. Onder bepaalde omstandigheden kan de ziekte ook een bedreiging vormen voor de menselijke gezondheid. Het gevaar bestaat dat de ziekteverwekker via de internationale handel in levende vogels of producten daarvan wordt verspreid naar andere bedrijven, naar wilde vogels, van de ene lidstaat naar de andere en naar derde landen.

(2) Het hoogpathogene aviaire influenza A-virus van het subtype H5N1 is in sommige delen van de Gemeenschap en in derde landen die aan de Gemeenschap grenzen of 's winters door trekvogels worden bevolkt, bij wilde vogels geïsoleerd. De waarschijnlijkheid van een insleep van het virus via wilde vogels neemt met het komende trekseizoen toe.

(3) Wanneer op het grondgebied van een lidstaat bij pluimvee een aviaire-influenzavirus van het type H5 is geïsoleerd en wanneer, in afwachting van de bepaling van het neuraminidasetype (N) of de pathogeniteitsindex, op grond van het klinische beeld en de epidemiologische omstandigheden wordt vermoed dat het hier gaat om hoogpathogene aviaire influenza, veroorzaakt door een hoogpathogeen aviaire influenza A-virus van het subtype H5N1, of wanneer de aanwezigheid van hoogpathogene aviaire influenza, met name van dat subtype, is bevestigd, moet de lidstaat in kwestie bepaalde beschermende maatregelen toepassen om het gevaar van verspreiding van de ziekte tot een minimum te beperken.

(4) Deze beschermende maatregelen moeten worden genomen in aanvulling op de maatregelen als bedoeld in Richtlijn 92/40/EEG van de Raad van 19 mei 1992 tot vaststelling van communautaire maatregelen voor de bestrijding van aviaire influenza [5].

(5) De in Richtlijn 92/40/EEG bedoelde maatregelen zijn echter minimale bestrijdingsmaatregelen, die moeten worden aangevuld met andere maatregelen, met name inzake het verkeer van bepaalde vogels en van producten van pluimvee en andere vogels die uit het door de ziekte getroffen gebied afkomstig zijn.

(6) Gezien het bijzondere risico van de ziekte en de epidemiologische situatie met betrekking tot hoogpathogene aviaire influenza, en gelet op de ernstige economische gevolgen die de ziekte kan hebben, met name in gebieden met een dichte pluimveepopulatie, moeten de aanvullende maatregelen gericht zijn op aanscherping van de plaatselijke bestrijdingsmaatregelen, regionalisatie van de getroffen lidstaat door het getroffen gedeelte van het grondgebied te isoleren van het ziektevrije gedeelte, en herstel van het vertrouwen van de pluimveesector en de handelspartners in de veiligheid van de uit het ziektevrije deel van het land afkomstige producten.

(7) Gelet op de verschillen in risico van de ziekte in geval van een uitbraak van hoogpathogene aviaire influenza, moeten door de getroffen lidstaat in nauwe samenwerking met de Commissie een hoog- en laagrisicogebied worden ingesteld.

(8) Indien de epidemiologische situatie zulks vereist, moeten ten aanzien van de door de uitbraak of vermoedelijke uitbraak van hoogpathogene aviaire influenza getroffen gebieden passende maatregelen genomen worden, met name door deze gebieden overeenkomstig de procedure van artikel 10, lid 3 of 4, van Richtlijn 90/425/EEG en artikel 9, lid 3 of 4, van Richtlijn 89/662/EEG in de bijlage bij deze beschikking af te bakenen en deze afbakening aan de situatie aan te passen.

(9) Met het oog op de consistentie moeten voor de toepassing van deze beschikking bepaalde definities gelden van Richtlijn 2005/94/EG van de Raad van 20 december 2005 betreffende communautaire maatregelen ter bestrijding van aviaire influenza en tot intrekking van Richtlijn 92/40/EEG [6], Richtlijn 90/539/EEG van de Raad van 15 oktober 1990 tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer en de invoer uit derde landen van pluimvee en broedeieren [7], Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong [8] en Verordening (EG) nr. 998/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren en houdende wijziging van Richtlijn 92/65/EEG van de Raad [9].

(10) De maatregelen van Beschikking 2005/734/EG van de Commissie van 19 oktober 2005 tot vaststelling van bioveiligheidsmaatregelen ter beperking van het risico van overdracht van hoogpathogene aviaire influenza, veroorzaakt door het influenza A-virus subtype H5N1, van in het wild levende vogels naar pluimvee en andere in gevangenschap gehouden vogels en tot instelling van een systeem voor vroege opsporing in risicogebieden [10] moeten in de door de ziekte getroffen gebieden worden uitgevoerd.

(11) Richtlijn 92/65/EEG van de Raad van 13 juli 1992 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften voor het handelsverkeer en de invoer in de Gemeenschap van dieren, sperma, eicellen en embryo's waarvoor ten aanzien van de veterinairrechtelijke voorschriften geen specifieke communautaire regelgeving als bedoeld in bijlage A, onder I, van Richtlijn 90/425/EEG geldt [11] voorziet in officieel erkende instellingen, instituten en centra, alsmede in een modelcertificaat voor dieren of gameten die tussen dergelijke erkende inrichtingen in verschillende lidstaten worden verhandeld. Voor vogels afkomstig van en bestemd voor overeenkomstig die richtlijn erkende instellingen, instituten en centra moet een afwijking van de vervoersbeperkingen mogelijk zijn.

(12) Het vervoer van broedeieren uit de beschermingsgebieden moet onder bepaalde voorwaarden worden toegestaan. Het vervoer van broedeieren naar andere landen kan worden toegestaan met inachtneming van met name de voorwaarden van Richtlijn 2005/94/EG. In dat geval moet op de diergezondheidscertificaten overeenkomstig Richtlijn 90/539/EEG naar deze beschikking worden verwezen.

(13) De verzending uit de beschermingsgebieden van vlees, gehakt vlees, vleesbereidingen en vleesproducten moet onder bepaalde voorwaarden worden toegestaan, waarbij met name moet worden voldaan aan bepaalde voorschriften van Verordening (EG) nr. 853/2004 en Verordening (EG) nr. 854/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke voorschriften voor de organisatie van de officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong [12].

(14) Richtlijn 2002/99/EG van de Raad van 16 december 2002 houdende vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor de productie, de verwerking, de distributie en het binnenbrengen van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong [13] bevat een lijst van behandelingen waardoor vlees uit gebieden met beperkende maatregelen veilig wordt, biedt de mogelijkheid om een bijzonder identificatiemerk te gebruiken en bevat het identificatiemerk voor vlees dat om veterinairrechtelijke redenen niet in de handel mag worden gebracht. De verzending uit de beschermingsgebieden van vlees met het in die richtlijn bedoelde merk en van vleesproducten die de daarin genoemde behandelingen hebben ondergaan, moet worden toegestaan.

(15) Krachtens Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten [14] is het in de handel brengen van een reeks dierlijke bijproducten, onder meer gelatine voor technische toepassingen en stoffen voor farmaceutisch gebruik, van oorsprong uit gebieden van de Gemeenschap waarvoor beperkende veterinairrechtelijke maatregelen gelden, toegestaan, omdat die producten veilig geacht worden vanwege de specifieke omstandigheden bij de productie, de verwerking en het gebruik, waardoor eventuele ziekteverwekkers doeltreffend worden geïnactiveerd of contact met vatbare dieren wordt voorkomen.

(16) Deze beschikking moet opnieuw worden bezien in het licht van de omzetting van Richtlijn 2005/94/EG door de lidstaten.

(17) Gezien het risico van de ziekte moeten op communautair niveau beschermende maatregelen worden genomen om de specifieke risico's in verschillende gebieden te bestrijden.

(18) De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Onderwerp, toepassingsgebied en definities

1. Deze beschikking bevat bepaalde beschermende maatregelen die moeten worden toegepast in gevallen van hoogpathogene aviaire influenza bij pluimvee op het grondgebied van een lidstaat (hierna de "getroffen lidstaat" genoemd), veroorzaakt door het influenza A-virus van subtype H5 waarvan wordt vermoed ("vermoedelijke uitbraak") of is bevestigd ("uitbraak") dat het neuraminidasetype N1 is, om de verspreiding van aviaire influenza naar de ziektevrije gebieden van de Gemeenschap via het vervoer van pluimvee, andere vogels en de producten daarvan te voorkomen.

2. Tenzij anders bepaald gelden de definities van Richtlijn 2005/94/EG. Daarnaast zijn de volgende definities van toepassing:

a) "broedeieren": eieren als omschreven in artikel 2, punt 2, van Richtlijn 90/539/EEG;

b) "vrij vederwild": wild als bedoeld in punt 1.5, tweede streepje, en punt 1.7 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 853/2004;

c) "andere in gevangenschap levende vogels": vogels als omschreven in artikel 2, punt 6, van Richtlijn 2005/94/EEG, waaronder:

i) gezelschapsvogels als bedoeld in artikel 3, onder a), van Verordening (EG) nr. 998/2003, en

ii) vogels bestemd voor officieel erkende instellingen, instituten of centra als omschreven in artikel 2, lid 1, onder c), van Richtlijn 92/65/EEG.

3. Voor de toepassing van deze beschikking geldt tevens:

a) Het in deel A van bijlage I vermelde gebied, hierna "gebied A" genoemd, wordt als hoogrisicogebied beschouwd dat het overeenkomstig artikel 9, leden 2 en 3, van Richtlijn 92/40/EEG ingestelde beschermingsgebied en de overeenkomstig artikel 9, lid 4, van diezelfde richtlijn ingestelde toezichtsgebieden omvat, doch daar niet toe beperkt is.

b) Het in deel B van bijlage I vermelde gebied, hierna "gebied B" genoemd, is gelegen tussen gebied A en het ziektevrije deel van de getroffen lidstaat, voor zover dat er is, en het risico van de ziekte in dit gebied wordt als minimaal beschouwd.

4. De in deze beschikking vastgestelde maatregelen zijn van toepassing onverminderd de maatregelen die bij een uitbraak van aviaire influenza bij pluimvee overeenkomstig Richtlijn 92/40/EEG genomen moeten worden.

Artikel 2

Instelling van de gebieden A en B

1. Onmiddellijk na een uitbraak of vermoedelijke uitbraak van hoogpathogene aviaire influenza veroorzaakt door het influenza A-virus van subtype H5 waarvan wordt vermoed of is bevestigd dat het neuraminidasetype N1 is, stelt de getroffen lidstaat gebieden A en B in, rekening houdend met factoren van geografische, administratieve, ecologische en epizoötiologische aard in verband met aviaire influenza, en stelt hij de Commissie, de andere lidstaten en zo nodig de bevolking daarvan in kennis.

2. In samenwerking met de getroffen lidstaat onderzoekt de Commissie de door de getroffen lidstaat ingestelde gebieden en neemt zij voor die gebieden de nodige maatregelen overeenkomstig artikel 9, leden 3 en 4, van Richtlijn 89/662/EEG of artikel 10, lid 3 of 4, van Richtlijn 90/425/EEG.

3. Indien het niet om het neuraminidasetype N1 blijkt te gaan of indien het virus laagpathogeen blijkt te zijn, trekt de getroffen lidstaat de voor de betrokken gebieden genomen maatregelen in en stelt hij de Commissie en de andere lidstaten daarvan in kennis.

In samenwerking met de getroffen lidstaat neemt de Commissie de nodige maatregelen krachtens artikel 9, leden 3 en 4, van Richtlijn 89/662/EEG en artikel 10, lid 3 of 4, van Richtlijn 90/425/EEG.

4. Indien de aanwezigheid van een hoogpathogeen influenza A-virus van het subtype H5N1 bij pluimvee wordt bevestigd:

a) informeert de getroffen lidstaat de Commissie en de andere lidstaten;

b) past hij de maatregelen van artikel 3, leden 1 en 2, tot de in bijlage I genoemde datum zo lang toe als nodig is gezien de factoren van geografische, administratieve, ecologische en epizoötiologische aard in verband met aviaire influenza, doch in ieder geval minimaal 21 dagen in het beschermingsgebied en 30 dagen in het toezichtsgebied gerekend vanaf de datum van voltooiing van de voorbereidende reinigings- en ontsmettingswerkzaamheden op het uitbraakbedrijf overeenkomstig artikel 11 van Richtlijn 92/40/EEG;

c) houdt hij de Commissie en de andere lidstaten op de hoogte van de ontwikkelingen in die gebieden.

In samenwerking met de getroffen lidstaat neemt de Commissie de nodige maatregelen krachtens artikel 9, leden 3 en 4, van Richtlijn 89/662/EEG en artikel 10, lid 3 of 4, van Richtlijn 90/425/EEG.

Artikel 3

Algeheel verbod

1. De getroffen lidstaat zorgt ervoor dat geen levend pluimvee, andere levende vogels dan pluimvee en broedeieren daarvan:

a) van de gebieden A en B naar andere lidstaten en derde landen worden vervoerd;

b) van de gebieden A en B naar het overige deel van het nationale grondgebied van de getroffen lidstaat worden vervoerd;

c) binnen de gebieden A en B worden vervoerd; en

d) van gebied A naar gebied B of omgekeerd worden vervoerd.

2. De getroffen lidstaat zorgt ervoor dat geen andere producten dan broedeieren van de in lid 1 bedoelde soorten en van vrij vederwild:

a) van de gebieden A en B naar andere lidstaten en derde landen worden vervoerd;

b) van de gebieden A en B naar het overige deel van het nationale grondgebied van de getroffen lidstaat worden vervoerd, en

c) van gebied A naar gebied B of omgekeerd worden vervoerd.

Artikel 4

Afwijkingen voor levende vogels en eendagskuikens

1. In afwijking van artikel 3, lid 1, mag de getroffen lidstaat het vervoer van pluimvee en gekweekt vederwild, met inbegrip van uitgelegde hennen, toestaan:

a) van bedrijven in het beschermingsgebied naar een bij voorkeur in het beschermingsgebied gelegen slachthuis voor onmiddellijke slachting of, indien dat niet mogelijk is, naar een door de bevoegde autoriteit aangewezen slachthuis buiten het beschermingsgebied in de getroffen lidstaat;

b) van bedrijven in het toezichtsgebied, en wel binnen 15 dagen na instelling van het gebied, rechtstreeks naar een door de bevoegde autoriteit aangewezen slachthuis binnen of buiten het toezichtsgebied in de getroffen lidstaat;

c) van bedrijven in gebied A die hetzij binnen het toezichtsgebied gelegen zijn (in dit geval binnen 15 dagen na instelling daarvan), hetzij buiten het toezichtsgebied, of van bedrijven in gebied B, naar door de bevoegde autoriteit aangewezen slachthuizen in de getroffen lidstaat;

d) van bedrijven buiten de gebieden A of B om onmiddellijk geslacht te worden in een door de bevoegde autoriteit aangewezen slachthuis in gebied A of B;

e) van buiten de gebieden A of B gelegen bedrijven in doorvoer via hoofdwegen of per spoor door gebied A buiten het beschermingsgebied of gebied B.

2. In afwijking van artikel 3, lid 1, mag de getroffen lidstaat het vervoer van eendagskuikens toestaan van:

a) een in het beschermingsgebied gelegen broederij naar een bedrijf binnen het beschermings- of toezichtsgebied waar geen ander pluimvee wordt gehouden en dat overeenkomstig artikel 8, lid 2, van Richtlijn 92/40/EEG onder officiële controle is geplaatst;

b) een broederij in het toezichtsgebied naar een bedrijf of een stal op een bedrijf in dezelfde lidstaat, mits adequate bioveiligheidsmaatregelen worden genomen en het bedrijf na het vervoer onder officieel toezicht wordt geplaatst en de eendagskuikens gedurende ten minste 21 dagen op het bedrijf van bestemming blijven;

c) een in gebied A in het toezichtsgebied gelegen broederij naar een bedrijf, mits zij afkomstig zijn van broedeieren die zijn verzameld op buiten het beschermings- en toezichtsgebied gelegen bedrijven en de broederij op grond van haar logistiek en hygiënische arbeidsomstandigheden kan waarborgen dat deze eieren niet in aanraking zijn gekomen met andere broedeieren of met eendagskuikens, afkomstig van pluimveekoppels in deze gebieden, die derhalve een andere gezondheidsstatus hebben;

d) een broederij in het buiten het toezichtsgebied gelegen gedeelte van gebied A of in gebied B op een afstand van minimaal 10 km van verdachte of besmette broederijen of bedrijven, naar bedrijven die in de getroffen lidstaat onder officiële controle staan;

e) een broederij in het buiten het beschermingsgebied gelegen gedeelte van gebied A of in gebied B naar bedrijven binnen of buiten het gebied A, mits de eendagskuikens afkomstig zijn van broedeieren die voldoen aan de voorschriften van artikel 5, lid 1, onder d).

3. In afwijking van artikel 3, lid 1, mag de getroffen lidstaat het vervoer van legrijpe hennen, mestkalkoenen en ander pluimvee en gekweekt vederwild toestaan van:

a) bedrijven in het beschermingsgebied naar een bedrijf binnen het toezichtsgebied waar geen ander pluimvee wordt gehouden en dat overeenkomstig artikel 8, lid 2, van Richtlijn 92/40/EEG onder officiële controle is geplaatst;

b) van bedrijven in het toezichtsgebied (binnen 15 dagen na instelling daarvan) naar een bedrijf in dezelfde lidstaat waar geen ander pluimvee wordt gehouden; dat bedrijf wordt na aankomst van het legrijp pluimvee onder officieel toezicht geplaatst en het legrijp pluimvee blijft minimaal 21 dagen op het bedrijf van bestemming;

c) bedrijven in het buiten het toezichtsgebied gelegen gedeelte van gebied A of in gebied B op een afstand van minimaal 10 km van verdachte bedrijven, naar bedrijven die in de getroffen lidstaat onder officiële controle staan.

4. In afwijking van artikel 3, lid 1, mag de getroffen lidstaat het vervoer toestaan van vogels die hun eigenaar naar inrichtingen buiten het gebied A of B vergezellen, mits de zending uit niet meer dan vijf gekooide vogels bestaat en afkomstig is van bedrijven waar geen pluimvee wordt gehouden, of bestemd is voor plaatsing in quarantaine overeenkomstig Beschikking 2000/666/EG, en de vogels vergezeld gaan van een veterinair certificaat volgens het model in bijlage II, waaruit blijkt dat voldaan is aan de veterinairrechtelijke voorschriften, zo nodig op grond van een verklaring van de eigenaar overeenkomstig het model in bijlage III.

5. Op de diergezondheidscertificaten volgens model 2 van bijlage IV bij Richtlijn 90/539/EEG van de Raad die de in lid 2, onder c) en e), bedoelde zendingen eendagskuikens vergezellen, wordt het volgende vermeld:

"Deze zending voldoet aan de veterinairrechtelijke voorschriften van Beschikking 2006/135/EG van de Commissie.".

6. Het in lid 1, onder a), lid 2, onder a), en lid 3, onder a), bedoelde vervoer moet rechtstreeks en onder officieel toezicht geschieden. Het vervoer mag slechts worden toegestaan nadat de officiële dierenarts op het bedrijf een gezondheidsinspectie heeft verricht. De gebruikte vervoermiddelen moeten vóór en na gebruik worden gereinigd en ontsmet.

Artikel 5

Afwijkingen voor broedeieren

1. In afwijking van artikel 3, lid 1, mag de getroffen lidstaat het vervoer van broedeieren toestaan die:

a) zijn verzameld op bedrijven die op de dag van verzameling in het beschermingsgebied gelegen waren, naar een door de bevoegde autoriteit aangewezen broederij, mits de eieren en de verpakking voor verzending worden ontsmet;

b) zijn verzameld op bedrijven die op de dag van verzameling in het toezichtsgebied gelegen waren, naar een door de bevoegde autoriteit aangewezen broederij in de getroffen lidstaat, mits de eieren en de verpakking voor verzending worden ontsmet;

c) zijn verzameld op bedrijven die op de dag van verzameling in gebied A buiten het toezichtsgebied of in gebied B gelegen waren, op een afstand van minimaal 10 km van verdachte bedrijven, naar een aangewezen broederij in de getroffen lidstaat of, na overeenstemming tussen de bevoegde autoriteiten, naar een aangewezen broederij in een andere lidstaat of in een derde land;

d) zijn verzameld op bedrijven in gebied A buiten het beschermings- of toezichtsgebied of in gebied B waar het pluimvee met negatief resultaat een serologisch onderzoek op aviaire influenza heeft ondergaan waarmee de ziekte bij een prevalentie van 5 % met een betrouwbaarheid van ten minste 95 % kan worden aangetoond en waarbij de traceerbaarheid gewaarborgd is, naar broederijen binnen of buiten de gebieden A of B.

2. Het in lid 1, onder a), bedoelde vervoer moet rechtstreeks en onder officieel toezicht geschieden en slechts nadat de officiële dierenarts op het bedrijf een gezondheidsinspectie heeft verricht en indien de gebruikte vervoermiddelen vóór en na gebruik worden gereinigd en ontsmet.

3. Op de diergezondheidscertificaten volgens model 1 van bijlage IV bij Richtlijn 90/539/EEG van de Raad die de in lid 1, onder c) en d), bedoelde zendingen broedeieren naar andere lidstaten vergezellen, wordt het volgende vermeld:

"Deze zending voldoet aan de veterinairrechtelijke voorschriften van Beschikking 2006/135/EG van de Commissie.".

Artikel 6

Afwijkingen voor vlees, gehakt vlees, vleesbereidingen, separatorvlees en vleesproducten

1. In afwijking van artikel 3, lid 2, mag de getroffen lidstaat het vervoer toestaan van:

a) vers vlees van pluimvee, met inbegrip van vlees van loopvogels, als bedoeld in artikel 4, lid 1, onder a) en b), indien dat vlees is voorzien van het identificatiemerk bedoeld in bijlage II bij Richtlijn 2002/99/EG en bestemd is voor vervoer naar een inrichting waar het een behandeling tegen aviaire influenza zal ondergaan overeenkomstig tabel 1, onder a), b) of c), van bijlage III bij die richtlijn;

b) vers vlees van pluimvee, met inbegrip van vlees van loopvogels, afkomstig uit gebied A, buiten de beschermings- en toezichtsgebieden (binnen 15 dagen na instelling daarvan), of uit gebied B, of dat afkomstig is van pluimvee als bedoeld in artikel 4, lid 1, onder d), en geproduceerd is overeenkomstig bijlage II en bijlage III, secties II en III, bij Verordening (EG) nr. 853/2004 en is gecontroleerd overeenkomstig bijlage I, secties I, II en III en sectie IV, hoofdstukken V en VII, bij Verordening (EG) nr. 854/2004;

c) gehakt vlees, vleesbereidingen, separatorvlees en vleesproducten met vlees als bedoeld onder b), geproduceerd overeenkomstig bijlage III, secties V en VI, bij Verordening (EG) nr. 853/2004;

d) vers vlees van pluimvee en gekweekt vederwild, gehakt vlees, en vleesbereidingen en separatorvlees die dergelijk vlees bevatten, verkregen van slachtpluimvee of gekweekt vederwild van oorsprong uit het deel van gebied A dat buiten het beschermingsgebied van gebied A gelegen is, of uit gebied B naar het overige gedeelte van zijn nationaal grondgebied, indien dit vlees:

i) voorzien werd van een rond stempel, zoals overeenkomstig artikel 4, lid 2, van Richtlijn 2002/99/EG is vastgesteld in bijlage IV bij deze beschikking; en

ii) gescheiden van ander voor het intracommunautaire handelsverkeer of voor uitvoer naar derde landen bestemd vers vlees van pluimvee of gekweekt vederwild werd verkregen, uitgesneden, opgeslagen en vervoerd; en

iii) zodanig gebruikt wordt dat het niet wordt verwerkt in vleesproducten of vleesbereidingen die voor het intracommunautaire handelsverkeer of voor uitvoer naar derde landen bestemd zijn, tenzij het een van de in tabel 1, onder a), b) of c), van bijlage III bij Richtlijn 2002/99/EG vermelde behandelingen tegen aviaire influenza heeft ondergaan.

2. In afwijking van artikel 3, lid 2, mag de getroffen lidstaat het vervoer toestaan van:

a) vers vlees van vrij vederwild van oorsprong uit gebied A of B, indien dat vlees is voorzien van het identificatiemerk bedoeld in bijlage II bij Richtlijn 2002/99/EG en bestemd is voor vervoer naar een inrichting waar het een behandeling tegen aviaire influenza zal ondergaan overeenkomstig tabel 1, onder a), b) of c), van bijlage III bij die richtlijn;

b) producten van vlees van vrij vederwild afkomstig uit gebied A of gebied B, die een behandeling tegen aviaire influenza hebben ondergaan overeenkomstig tabel 1, onder a), b) of c), van bijlage III van Richtlijn 2002/99/EG;

c) vers vlees van vrij vederwild afkomstig van buiten de gebieden A en B, dat is geproduceerd in inrichtingen binnen gebied A of gebied B overeenkomstig bijlage III, sectie IV, bij Verordening (EG) nr. 853/2004 en is gecontroleerd overeenkomstig bijlage I, sectie IV, hoofdstuk VIII, bij Verordening (EG) nr. 854/2004;

d) gehakt vlees, vleesbereidingen, separatorvlees en vleesproducten met vlees als bedoeld onder c), geproduceerd in inrichtingen in gebied A of gebied B overeenkomstig bijlage III, secties V en VI, bij Verordening (EG) nr. 853/2004.

3. De getroffen lidstaat zorgt ervoor dat de in lid 1, onder b) en c), en lid 2, onder b), c) en d), bedoelde zendingen vergezeld gaan van handelsdocumenten met de volgende vermelding:

"Deze zending voldoet aan de veterinairrechtelijke voorschriften van Beschikking 2006/135/EG van de Commissie.".

Artikel 7

Afwijkingen voor eieren voor menselijke consumptie en eiproducten

1. In afwijking van artikel 3, lid 2, mag de getroffen lidstaat het vervoer toestaan van eieren afkomstig van bedrijven in het beschermings- of toezichtsgebied:

a) voor menselijke consumptie naar een door de bevoegde autoriteit aangewezen verpakkingscentrum, mits zij in wegwerpverpakkingen worden verpakt en alle door de bevoegde autoriteit verlangde bioveiligheidsmaatregelen worden toegepast;

b) naar een inrichting voor de vervaardiging van eiproducten zoals vastgesteld in bijlage III, sectie X, hoofdstuk II, van Verordening (EG) nr. 853/2004 om te worden verwerkt en behandeld overeenkomstig bijlage II, hoofdstuk XI, van Verordening (EG) nr. 852/2004;

c) voor verwijdering overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1774/2002.

2. In afwijking van artikel 3, lid 2, is het vervoer naar iedere bestemming toegestaan van:

a) eieren voor menselijke consumptie afkomstig van bedrijven in gebied A, buiten het beschermings- of toezichtsgebied, of in gebied B;

b) gepasteuriseerde eiproducten overeenkomstig bijlage III, sectie X, hoofdstuk II, van Verordening (EG) nr. 853/2004.

3. De getroffen lidstaat zorgt ervoor dat de in lid 1, onder a), bedoelde zendingen eieren voor menselijke consumptie vergezeld gaan van handelsdocumenten met de volgende vermelding:

"Deze zending voldoet aan de veterinairrechtelijke voorschriften van Beschikking 2006/135/EG van de Commissie.".

Artikel 8

Afwijking voor dierlijke bijproducten

1. In afwijking van artikel 3, lid 2, staat de getroffen lidstaat het vervoer toe:

a) uit gebied A of gebied B van dierlijke bijproducten die voldoen aan de voorwaarden van bijlage VII, hoofdstuk II, onder A, hoofdstuk III, onder B, hoofdstuk IV, onder A, hoofdstuk VI, onder A en B, hoofdstuk VII, onder A, hoofdstuk VIII, onder A, hoofdstuk IX, onder A en hoofdstuk X, onder A, en bijlage VIII, hoofdstuk II, onder B, hoofdstuk III, punt II, onder A, en hoofdstuk VII, onder A, punt 1, onder a), bij Verordening (EG) nr. 1774/2002;

b) uit gebied B van onbewerkte veren of delen van veren overeenkomstig bijlage VIII, hoofdstuk VIII, onder A, punt 1, onder a), bij Verordening (EG) nr. 1774/2002, afkomstig van pluimvee of gekweekt vederwild;

c) uit gebied A of gebied B van veren en delen van veren, verkregen van pluimvee of gekweekt vederwild, die zijn behandeld met stoom of op een andere wijze zodat alle ziekteverwekkers worden geëlimineerd.

2. De getroffen lidstaat zorgt ervoor dat de in lid 1, onder b) en c), van dit artikel bedoelde producten vergezeld gaan van een handelsdocument overeenkomstig bijlage II, hoofdstuk X, bij Verordening (EG) nr. 1774/2002, waarin, in geval van producten als bedoeld in lid 1, onder c), van dit artikel, in punt 6.1 wordt verklaard dat de producten zijn behandeld met stoom of op een andere wijze zodat alle ziekteverwekkers worden geëlimineerd.

Een dergelijk handelsdocument is echter niet vereist voor bewerkte sierveren, bewerkte veren die door reizigers voor eigen gebruik worden vervoerd en zendingen van bewerkte veren die voor niet-industriële doeleinden aan privé-personen worden gestuurd.

Artikel 9

Voorwaarden voor verplaatsingen

1. Indien de verplaatsing van onder deze beschikking vallende dieren of producten daarvan krachtens de artikelen 4 tot en met 8 wordt toegestaan, wordt deze beslissing gebaseerd op het gunstige resultaat van een door de bevoegde autoriteit uitgevoerde risicobeoordeling, en worden alle nodige bioveiligheidsmaatregelen genomen om de verspreiding van aviaire influenza te voorkomen.

2. Indien de verzending, de verplaatsing of het vervoer van de in lid 1 bedoelde producten krachtens de artikelen 5 tot en met 8 en onder gerechtvaardigde voorwaarden of met beperkingen wordt toegestaan, worden deze producten verkregen, gehanteerd, behandeld, opgeslagen en vervoerd zonder afbreuk te doen aan de diergezondheidsstatus van andere producten die aan alle veterinairrechtelijke voorschriften voor het handelsverkeer, het in de handel brengen of de uitvoer naar derde landen voldoen.

Artikel 10

Naleving en informatie

Alle lidstaten nemen onmiddellijk de nodige maatregelen om aan deze beschikking te voldoen en maken die maatregelen bekend. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

De getroffen lidstaat past deze maatregelen toe zodra hij bij pluimvee redelijkerwijs de aanwezigheid vermoedt van hoogpathogene aviaire influenza, met name van het subtype H5N1.

De getroffen lidstaat verschaft de Commissie en de andere lidstaten regelmatig de nodige informatie over de epidemiologie van de ziekte en in voorkomend geval over de extra controle- en toezichtsmaatregelen en de bewustmakingscampagnes.

Artikel 11

Adressaten

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 22 februari 2006.

Voor de Commissie

Markos Kyprianou

Lid van de Commissie

[1] PB L 395 van 30.12.1989, blz. 13. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/41/EG (PB L 157 van 30.4.2004, blz. 33).

[2] PB L 224 van 18.8.1990, blz. 29. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2002/33/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 315 van 19.11.2002, blz. 14).

[3] PB L 146 van 13.6.2003, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 18/2006 van de Commissie (PB L 4 van 7.1.2006, blz. 3).

[4] PB L 10 van 14.1.2006, blz. 16.

[5] PB L 167 van 22.6.1992, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 806/2003.

[6] PB L 10 van 14.1.2006, blz. 16.

[7] PB L 303 van 31.10.1990, blz. 6. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij de Toetredingsakte van 2003.

[8] PB L 139 van 30.4.2004, blz. 206; rectificatie in PB L 226 van 25.6.2004, blz. 83. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2076/2005 van de Commissie (PB L 338 van 22.12.2005, blz. 83).

[9] PB L 146 van 13.6.2003, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 18/2006 van de Commissie (PB L 4 van 7.1.2006, blz. 3).

[10] PB L 274 van 20.10.2005, blz. 105. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2005/855/EG (PB L 316 van 2.12.2005, blz. 21).

[11] PB L 268 van 14.9.1992, blz. 54. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/68/EG (PB L 139 van 30.4.2004, blz. 321).

[12] PB L 139 van 30.4.2004, blz. 55; rectificatie in PB L 226 van 25.6.2004, blz. 22. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2076/2005 van de Commissie (PB L 338 van 22.12.2005, blz. 83).

[13] PB L 18 van 23.1.2003, blz. 11.

[14] PB L 273 van 10.10.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 416/2005 van de Commissie (PB L 66 van 12.3.2005, blz. 10).

--------------------------------------------------

BIJLAGE I

DEEL A

Gebied A als bedoeld in artikel 2, lid 1:

ISO-landcode | Lidstaat | Gebied A | Datum einde geldigheid |

| | | |

| | | |

DEEL B

Gebied B als bedoeld in artikel 2, lid 2:

ISO-landcode | Lidstaat | Gebied B | Datum einde geldigheid |

| | | |

| | | |

--------------------------------------------------

BIJLAGE II

Modelcertificaat voor de verplaatsing van gezelschapsvogels overeenkomstig artikel 4, lid 4

+++++ TIFF +++++

+++++ TIFF +++++

--------------------------------------------------

BIJLAGE III

Verklaring van de eigenaar van de gezelschapsvogels of diens vertegenwoordiger, overeenkomstig artikel 4, lid 4

+++++ TIFF +++++

--------------------------------------------------

BIJLAGE IV

Nadere gegevens betreffende het in artikel 6, lid 1, onder d), i), bedoelde identificatiemerk:

Afmetingen:

XYZ [1] = 8 mm

1234 [2] = 11 mm

Uitwendige diameter cirkel = minimaal 30 mm

Lijndikte cirkel = 3 mm

+++++ TIFF +++++

[1] Landcode overeenkomstig bijlage II, sectie I, deel B, punt 6, van Verordening (EG) nr. 853/2004

[2] Erkenningsnummer van de inrichting bedoeld in bijlage II, sectie I, deel B, punt 7, van Verordening (EG) nr. 853/2004

--------------------------------------------------


Beheerd door het Publicatiebureau