Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's „Europa 2020-vlaggenschipinitiatief — Innovatie-Unie” (COM(2010) 546 definitief)
Publicatieblad Nr. C 132 van 03/05/2011 blz. 0039 - 0046
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's "Europa 2020-vlaggenschipinitiatief — Innovatie-Unie" (COM(2010) 546 definitief) 2011/C 132/07 Rapporteur: Gerd WOLF Corapporteur: Erik SVENSSON De Commissie heeft op 6 oktober 2010 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te raadplegen over de Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's: Europa 2020-vlaggenschipinitiatief – Innovatie-Unie COM(2010) 546 definitief. De afdeling Interne markt, productie en consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 4 maart 2011 goedgekeurd. Het Comité heeft tijdens zijn op 15 en 16 maart 2011 gehouden 470e zitting (vergadering van 15 maart) het volgende advies uitgebracht, dat met 184 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 2 onthoudingen, is goedgekeurd. 1. Samenvatting 1.1 Innovaties zijn een voedingsbodem voor vooruitgang, groei, welvaart, sociale zekerheid, internationaal concurrentievermogen en werkgelegenheid, en moeten helpen de grote maatschappelijke uitdagingen aan te gaan. Ze vergen en ondersteunen een maatschappelijk klimaat van optimisme en zelfvertrouwen, dat in de context van mondiale concurrentie kan leiden tot verdere vooruitgang en constructieve dynamiek. Voor hun bloei is een Europese aanpak en een Europese eengemaakte markt nodig, waarbij de Europese onderzoeksruimte met een krachtige O&O-kaderprogramma een sleutelrol kan spelen. 1.2 In dit verband verwelkomt en steunt het Europees Economisch en Sociaal Comité uitdrukkelijk de mededeling en bijbehorende doelstellingen van de Commissie, alsook de desbetreffende conclusies van de Raad Concurrentievermogen van 25 en 26 november 2010 en 4 februari 2011. De "Innovatie-Unie" is een essentiële bouwsteen van de Europa 2020-strategie. 1.3 Het Comité verwelkomt in het bijzonder het feit dat innovatie in ruime en geïntegreerde zin is gedefinieerd. Innovaties omvatten niet alleen onderzoek, technologie en producten, maar ook alle maatschappelijke verbanden en organisatievormen zoals sociale diensten, bedrijfspraktijken en -modellen, design, merkenbeleid, productieprocessen en diensten, en hun talrijke onderlinge relaties. Met betrekking tot "sociale innovaties" pleit het Comité ervoor om bij de uitwerking ook de sociale partners te raadplegen. 1.4 Het Comité staat achter het idee van de innovatiepartnerschappen op voorwaarde dat ze op basis van goed gedefinieerde governance compatibel zijn met en voortbouwen op de bestaande processen en instrumenten, en op voorwaarde dat ze beantwoorden aan de eisen voor de stroomlijning en vereenvoudiging van de administratieve procedures. Het Comité pleit ervoor om te starten met het bijzonder wenselijke innovatiepartnerschap "Actief en gezond ouder worden" en ervaringen op te doen. Dat innovatiepartnerschap zou meteen ook een uitstekend voorbeeld zijn van de samenwerking tussen sociale en wetenschappelijk-technische innovaties. 1.5 Het Comité adviseert om begeleidende maatregelen, financiële middelen en beoordelingscriteria voor beide soorten innovaties te voorzien: zowel voor de incrementele innovaties, die inspelen op heersende marktkrachten en maatschappelijke behoeften, als voor de meer grensverleggende innovaties, die zelf marktkrachten opwekken en nieuwe maatschappelijke behoeften creëren, maar vaak eerst een bijzonder zware periode moeten zien te doorstaan. 1.6 Gezien de dringende behoefte aan een EU-octrooi verwelkomt en ondersteunt het Comité uitdrukkelijk het recente voorstel van de Commissie. Het zou octrooien in de deelnemende lidstaten immers aanzienlijk goedkoper maken en een beslissende stap voorwaarts betekenen op de weg naar een echt EU-octrooi. 1.7 Het Comité wijst erop dat het MKB en micro-ondernemingen een belangrijke rol spelen in het innovatieproces en beveelt aan om steun en maatregelen specifiek af te stemmen op hun behoeften. Bovendien zou moeten worden nagedacht over de vraag of en hoe startende bedrijven gedurende een voldoende lange periode kunnen worden vrijgesteld van de gebruikelijke administratieve rompslomp en regelgeving en of er nog verdere speciale stimulansen zouden kunnen komen. Dat geldt ook voor de ondernemingen van de sociale economie. 1.8 De belangrijkste politieke taak is om in heel Europa te zorgen voor een betrouwbaar en innovatievriendelijk kader en voor voldoende ontplooiingsmogelijkheden, en aldus voor potentiële uitvinders en innovaties de obstakels weg te nemen die zijn opgeworpen door de versnippering en wildgroei van de regelgeving en door alle bureaucratische rompslomp van zowel de 27 lidstaten als de Europese Commissie. De ontmoediging en vertraging die dat veroorzaakt bij het uitwerken van goede, nieuwe ideeën tot echte innovaties, ondermijnt het Europese concurrentievermogen en moet dringend worden aangepakt. Dat vereist een mentaliteitsverandering, waarbij we vooruitgang en innovatie niet langer beschouwen als risico, maar als kans en noodzaak, en als iets dat we met alle krachten in de samenleving gestalte moeten zien te geven. 1.9 Het Comité roept daarom op veel meer te werken aan het wegnemen van belemmeringen die een snelle commercialisering van innovaties en de totstandbrenging van de Innovatie-Unie verhinderen. Hoewel voor het octrooivraagstuk nu gelukkig echte vooruitgang mogelijk lijkt, zijn de nog te nemen horden veelal dezelfde als de hinderpalen die een voltooiing van de eengemaakte markt en van de Europese onderzoeksruimte in de weg staan. De EU mag haar inspanningen in dit verband zeker niet laten verslappen, maar moet blijven werken aan meer vereenvoudiging en harmonisatie, betrouwbaarheid en manoeuvreerruimte. Het Comité is dan ook opgetogen over de duidelijke inspanningen die de Commissie in dat opzicht levert in het recente Groenboek [1]. Het Comité roept echter vooral ook de lidstaten en het maatschappelijk middenveld op om bij te dragen aan de oplossing van de genoemde problemen. 2. Inhoud van de mededeling 2.1 In het kader van de Europa 2020-strategie stelt de Commissie het algemene idee van een "Innovatie-Unie" voor als een van zeven vlaggenschipinitiatieven. Met dit initiatief dient de Europese Unie collectieve verantwoordelijkheid te nemen voor een strategisch, inclusief en bedrijfsgericht onderzoeks- en innovatiebeleid om belangrijke maatschappelijke uitdagingen aan te gaan, het concurrentievermogen te vergroten en nieuwe werkgelegenheid te scheppen. Dit initiatief sluit aan bij andere vlaggenschipinitiatieven zoals het "Industriebeleid in een tijd van mondialisering", dat moet zorgen voor een sterke, concurrerende en gediversifieerde productiewaardeketen, met speciale aandacht voor het midden- en kleinbedrijf. 2.2 De verschillende te ondernemen stappen zijn opgenomen in een tienpuntenlijst. Het betreft onder meer maatregelen om de kennisbasis te versterken, goede ideeën naar de markt te brengen, de maatschappelijke en territoriale cohesie te maximaliseren, de externe impact van beleidsmaatregelen te vergroten, de onderzoeks- en innovatiesystemen te hervormen en te meten, en Europese innovatiepartnerschappen op te richten. 2.3 Om die doelstellingen te bereiken wordt in de mededeling een 34-puntenprogramma voorgesteld, dat het hoofdaandeel van de tekst uitmaakt en waarin de verplichtingen van de lidstaten en de door de Commissie geplande maatregelen worden beschreven. 2.4 In drie bijlagen komen de volgende onderwerpen en maatregelen aan bod: - kenmerken van goed werkende nationale en regionale onderzoeks- en innovatiesystemen; - een prestatiescorebord voor onderzoek en innovatie; - Europese innovatiepartnerschappen. 3. Algemene opmerkingen 3.1 Relevantie van het onderwerp. Innovaties zijn een voedingsbodem voor vooruitgang, groei, welvaart, sociale zekerheid, internationaal concurrentievermogen en werkgelegenheid. Ze moeten helpen de grote maatschappelijke uitdagingen aan te gaan. Ze vergen en ondersteunen een maatschappelijk klimaat van optimisme en zelfvertrouwen, dat in de context van mondiale concurrentie kan leiden tot verdere vooruitgang en constructieve dynamiek. Het concept van de "Innovatie-Unie" is daarom een fundamentele bouwsteen van de Europa 2020-strategie, die cruciaal is voor de toekomst van Europa. Die strategie moet ook helpen om de doelstelling te halen die de Europese Unie zichzelf stelde in de Lissabonstrategie: "als we in 2020 3 % van het BBP van de EU aan O&O besteden, zouden we tegen 2025 3,7 miljoen banen kunnen creëren en het jaarlijks BBP met bijna 800 miljard euro kunnen doen toenemen". Dat betekent dat de EU en haar lidstaten zelfs in deze tijden van budgettaire beperkingen meer moeten investeren in onderwijs, onderzoek, ontwikkeling en innovatie. 3.2 Innovatie in een ruimere context. In de meest ruime zin verwijst innovatie naar alle maatschappelijke, economische, educatieve, wetenschappelijke, technische, werkgerelateerde, organisatorische en culturele aspecten en activiteiten. Die bredere definitie van innovatie omvat innovaties op het vlak van producten en diensten, maar ook technische, sociale en functionele innovaties in alle mogelijke sectoren en organisaties, met inbegrip van ondernemingen, vrijwilligersorganisaties, stichtingen en organisaties in de publieke sector. Innovaties zijn niet per se het resultaat van een lineair proces, maar ontstaan vaak uit de versmelting en combinatie van verschillende uitgangspunten. Ze gedijen het best in een gezond "economisch en sociaal ecosysteem" met een combinatie en vermenging van verschillende benaderingen en competenties. 3.3 Werkgroepen Concurrentievermogen en Onderzoek van de Raad. Het is dan ook belangrijk dat de werkgroepen Concurrentievermogen en Onderzoek van de Raad samenwerken en tot een gemeenschappelijk standpunt komen, in lijn met aanverwante beleidsdomeinen zoals industriebeleid, onderwijs, energie en de informatiemaatschappij. Er dient ook een nauwe band te zijn met andere vlaggenschipinitiatieven, zoals die voor onderwijs, opleiding en werkgelegenheid. 3.4 Principiële goedkeuring en steun. In dit verband verwelkomt en aanvaardt het Europees Economisch en Sociaal Comité in essentie de mededeling en bijbehorende doelstellingen van de Commissie, alsook de desbetreffende conclusies van de Raad Concurrentievermogen van 25 en 26 november 2010 en 4 februari 2011. Dat geldt in het bijzonder voor onderstaande punten: - het begrip innovatie [2] duidelijk definiëren, waarbij niet alleen wetenschap en techniek aan bod komen, maar ook bedrijfs- en organisatiemodellen en -processen, designoplossingen, merken en diensten; - ongunstige randvoorwaarden aanpakken, belemmeringen wegnemen, processen vereenvoudigen en Europese samenwerking bevorderen; - alle belanghebbende spelers en regio's bij de innovatiecyclus betrekken; - overheidsopdrachten oormerken als extra mogelijkheid met groot potentieel voor innovaties. - het regionaal fonds en de structuurfondsen van de EU benutten om onderzoeks- en innovatiecapaciteit te ontwikkelen; - het Europees Sociaal fonds benutten om sociale innovaties te ondersteunen; - de toegang tot het kaderprogramma en financieringsmiddelen vergemakkelijken voor het MKB; - excellentie in het onderwijs en bij de ontwikkeling van vaardigheden bevorderen; - universiteiten opwaarderen naar wereldniveau; - de Europese onderzoeksruimte in 2014 gerealiseerd hebben en daarbij open, hoogwaardige en aantrekkelijke onderzoekssystemen bevorderen; - een interne innovatiemarkt tot stand brengen; - overeenkomst bereiken over het EU-octrooi; - de maatschappelijke uitdagingen aangaan. 3.4.1 Doel van het advies. De opzet van de mededeling is te omvangrijk om elk aspect ervan hier te behandelen. Hoewel het Comité de algemene doelstellingen en heel wat van de voorgestelde maatregelen verwelkomt, wordt in dit advies voornamelijk ingegaan op punten die speciale aandacht verdienen of meer verduidelijking behoeven. 3.5 Bestaande processen en successen opnemen. Hoewel het Comité de algemene doelstellingen en heel wat van de voorgestelde maatregelen verwelkomt, wordt in dit advies voornamelijk ingegaan op punten die speciale aandacht verdienen of meer verduidelijking behoeven. Veel van de statusanalyses en doelen betreffen echter problemen en doelstellingen die al geruime tijd aan bod komen in mededelingen van de Commissie, adviezen van het EESC en besluiten van de Raad (bv. het proces van Ljubljana). Er zijn dan ook al uitgebreide maatregelen en processen in werking gesteld [3]. Die zouden beter moeten worden geïntegreerd, voortgezet en erkend om de door de Commissie en de andere belanghebbende partijen geboekte resultaten niet te ondermijnen, maar net te benutten. De voorgestelde nieuwe maatregelen en instrumenten moeten in overeenstemming worden gebracht met lopende processen om complicaties en dubbel werk vermijden en de nodige continuïteit, juridische betrouwbaarheid en stabiliteit te verzekeren [4]. 3.6 Harmonisatie. De nieuwe maatregelen die worden voorgesteld, zoals de innovatiepartnerschappen (zie par. 4.4), moeten ten opzichte van bestaande maatregelen een meerwaarde vertegenwoordigen. Dat betekent dat financieringsinstrumenten voor onderzoek en innovatie moeten worden geharmoniseerd en gestroomlijnd (zie par. 3.8.2) en dat de toegang tot programma's moet worden vereenvoudigd. Tegelijkertijd moet excellentie de leidraad blijven. Onderzoeksresultaten moeten toegankelijker en ruimer beschikbaar worden gemaakt, door de overdracht van kennis en knowhow te verbeteren [5] (zie ook par. 3.8.3 en voetnoot 12). 3.7 Speelruimte voorzien. Ideeën, denkbeelden en ontdekkingen die de broedplaats voor innovaties vormen, zijn per definities onvoorspelbaar. Om ze te laten gedijen en ontwikkelen tot innovaties is daarom voldoende speelruimte met stimulerende en betrouwbare grensvoorwaarden nodig. Vrijheid, ondersteuning en erkenning voeden creativiteit en innovatie, en stimuleren onafhankelijke initiatieven, ondernemerschap en de bereidwilligheid om risico's te nemen en te aanvaarden. De centrale politieke opdracht bestaat dan ook erin een innovatievriendelijk "economisch en sociaal ecosysteem" te creëren, de gepaste omstandigheden voor heel Europa te scheppen en potentiële investeerders en innovatieprocessen te behoeden voor onoverzichtelijke en gefragmenteerde regelgeving en bureaucratie (zie ook par. 3.12 en 3.13). 3.7.1 Krachtenbundeling en brede aanpak. Er zijn een aantal duidelijk definieerbare ontwikkelingsdoelstellingen, zoals het oplossen van het energie- en klimaatprobleem [6], die eventueel een bundeling van alle beschikbare middelen vergen. Even belangrijk is echter een voldoende breed "economisch ecosysteem" van veelsoortige benaderingen en de mogelijke verbindingen hiertussen. Anders bestaat het gevaar van dat juist die oplossingen voortijdig worden uitgesloten, die ondanks hun vernieuwende en baanbrekende karakter zelfs door experts aanvankelijk niet worden erkend. In plaats van een voortrekkersrol te spelen en zelf de toon aan te geven, loopt Europa dan het gevaar om altijd achter de andere spelers aan te hollen en in de mondiale concurrentiestrijd aan het kortste eind te trekken. Dat laatste typeerde staten met een centraal geleide economie. Daarom zijn de typische karakteristieken van dat soort economieën ten stelligste te vermijden en moet het subsidiariteitsbeginsel in acht worden genomen. 3.7.2 Marktkrachten. Gewoonlijk volgen innovatieprocessen de heersende marktkrachten en consumentenbehoeften en zijn ze gericht op het vergroten van de tevredenheid. Echte baanbrekende innovaties daarentegen onderscheiden zich doordat ze zelf marktkrachten losmaken en nieuwe consumentenbehoeften en marktsegmenten creëren [7]. Dergelijke innovaties hebben specifieke steun nodig tijdens de kritische startfase, voor ze erkenning genieten, economisch doorbreken en hun enorme economische impact kunnen bewijzen. 3.8 Fragmentatie. De Commissie herhaalt dat het Europese onderzoeks- en innovatielandschap gefragmenteerd is. Hoewel die uitspraak belangrijke aspecten van de situatie beschrijft, is ze slechts ten dele correct en moet ze nader worden bepaald. 3.8.1 Bestaande samenwerkingsnetwerken. Niet alleen in het bedrijfsleven en de onderzoekswereld [8], maar ook in de sociale en creatieve sector zijn er reeds geruime tijd Europese – en vaak ook mondiale – banden en samenwerkingsnetwerken [9], waarvan de grenzen continu worden bijgesteld en verankerd in het spanningsveld tussen samenwerking en concurrentie. Het gaat om belangrijke autonome organisatieprocessen door de belanghebbende partijen en hun organisaties. Die zou de Commissie moeten opmerken, erkennen, ondersteunen en verder uitwerken. Precies om dergelijke belangrijke processen te bevorderen moeten de resterende belemmeringen voor de eengemaakte markt worden weggenomen ten behoeve van de Europese innovatieruimte. 3.8.2 Regels – vereenvoudiging en harmonisatie. Gestreefd moet worden naar een geleidelijke vereenvoudiging en harmonisatie van de wettelijke, administratieve en financiële regels [10], zowel tussen de lidstaten onderling als tussen hen en de Commissie. Dat zou een belangrijke stap voorwaarts betekenen voor het voltooien van de Europese eengemaakte markt, de Europese onderzoeksruimte en de door de Commissie nagestreefde Europese innovatieruimte. Als met fragmentatie de huidige diversiteit, overregulering, overlapping en complexiteit van die regels wordt bedoeld, dan geniet de Commissie de volle steun van het Comité. 3.8.3 Eerdere adviezen. Fragmentatie en een wirwar van regels en instrumenten kenmerken niet alleen de lidstaten, maar ook de Commissie zelf. Het Comité heeft aan dat onderwerp al een advies gewijd en bevestigt opnieuw de daarin gegeven aanbevelingen [11]. Daarenboven heeft het Comité die belangrijke doelstellingen gesteund via zijn adviezen over gezamenlijke programmaplanning door lidstaten [12], over het kaderprogramma voor onderzoek en ontwikkeling, over het innovatiebeleid in een veranderende wereld [13] en over de samenwerking tussen het bedrijfsleven/MKB en openbare onderzoeksinstellingen [14]. Het Comité herinnert aan zijn aanbevelingen over het verspreiden, overdragen en gebruiken van onderzoeksresultaten, en in het bijzonder over het ontwikkelen van een speciale internetzoekmotor voor dat doel [15]. 3.8.4 Onderzoekinfrastructuur. Ook dure infrastructuur kan een voorbeeld van fragmentatie zijn, als die niet wordt gebruikt en bekostigd door een internationale gemeenschap. In sommige gevallen kan dergelijke infrastructuur het niveau van een individuele lidstaat overstijgen, niet alleen vanwege de noodzakelijke investeringen en operationele middelen, maar ook met het oog op een optimale uitbating en benutting. Het Comité steunt ten volle het in de voetnoot aangehaalde standpunt van de Commissie [16]. Een gemeenschappelijke benadering zou in dergelijke gevallen dan ook een duidelijke meerwaarde hebben [17]. Daarvoor zou tevens een gezamenlijke algemene financiering door de lidstaten en de EU nodig zijn. 3.9 EU-octrooi. Het ontbreken van een EU-octrooi heeft een onaanvaardbare, geldverslindende en schadelijke fragmentatie tot gevolg. Aan die situatie moet een einde worden gesteld om het concurrentievermogen van de Europese Unie te verhogen en een positief signaal te geven aan alle andere domeinen van de Innovatie-Unie. De Commissie heeft al herhaalde malen getracht een aanvaardbare oplossing te vinden voor die achilleshiel van het Europese industriële en innovatiebeleid. Het Comité is dan ook opgetogen met het recente voorstel van de Commissie ( 14 december 2010) voor een betere samenwerking tussen deelnemende lidstaten – overeenkomstig de EU-verdragen – om een beslissende stap te zetten naar het uiteindelijke doel van een EU-octrooi (voor alle lidstaten). Het Comité roept het Parlement [18] en de Raad op om de voorgestelde procedure als een beslissende stap voorwaarts in de richting van het definitieve EU-octrooi goed te keuren. Het deelt de mening [19] dat deze stap "economisch onontbeerlijk en politiek aanvaardbaar " is. 3.10 Maatschappelijke verbanden en organisatievormen. Er is een groot potentieel voor innovatie in het hele spectrum van maatschappelijke verbanden en organisatievormen. Het Comité steunt de doelstelling van de Commissie om dergelijke innovaties aan te moedigen in alle maatschappelijke, economische, wetenschappelijke, technische, ecologische, organisatorische, tewerkstellings- en culturele aspecten en toepassingen. Dat omvat nieuwe bedrijfs- en organisatiemodellen en -processen, private dienstverlening, publieke diensten en diensten van algemeen nut, onderwijs en opleiding, media, kunst en ontspanning, kortom, elk aspect van de menselijke activiteit en samenleving. 3.10.1 Ondernemingen en werkplekken – De rol van werknemers. Een optimale organisatie van het werk is een belangrijk concurrentievoordeel. Innovatieve werkplekken verbeteren dan ook de prestaties van werknemers en verhogen de bedrijfsprestaties. Het innovatievermogen van een onderneming en haar werknemers komt tot uiting in het vermogen om product-, diensten-, sociale of functionele concepten op dusdanige wijze te ontwikkelen of te verbeteren dat een meerwaarde ontstaat voor de klant. Levenslang leren en cumulatieve ervaringen spelen daarbij een belangrijke rol. Bovendien zijn werknemers een belangrijke bron van kennis en ideeën, en moet hun potentieel beter worden benut. Een betere interactie tussen de verschillende hiërarchische niveaus kan de verspreiding van nieuwe ideeën en voorstellen bevorderen. 3.10.2 Samenwerking tussen sociale partners. Op het niveau van de onderneming zijn vertrouwen en samenwerking tussen sociale partners, vooruitziendheid, bekwaamheid, motivatie, engagement en efficiënt innovatiebeheer de belangrijkste componenten. 3.10.3 Diensten en overheidsopdrachten. Ook de overheidssector kan een motor voor innovatie zijn. Het Comité steunt de verklaring van de Commissie (bijlage I) dat de overheidssector incentives verstrekt om innovatie te stimuleren binnen haar organisaties en bij het verlenen van overheidsdiensten. Het betreft niet alleen de (private en publieke) dienstensector, maar ook ondernemingen in de verwerkende nijverheid, die hun concurrentiepositie via nieuwe diensten proberen te versterken. De Innovatie-Unie moet een duidelijke boodschap uitsturen dat de EU vastberaden is om dat (private en publieke) potentieel te benutten. 3.10.4 Sociale innovaties. Sociale innovaties moeten voorzien in maatschappelijke behoeften die onvoldoende worden ondervangen door de markt of de publieke sector. Het betreft nieuwe gewoonten, interacties, institutionele regelingen en netwerken. Technologische en niet-technologische toepassingen zijn bij sociale innovaties vaak verweven en kunnen de interacties tussen fabrikanten en gebruikers, en de ontwikkeling van structuren, ondersteunende methoden en technologieën versterken. Het veelzijdige gebruik van technologieën (bv. ICT) kan leiden tot nieuwe benaderingen, samenwerkings- en managementmethoden. Het Comité verwelkomt het feit dat de Commissie samen met de sociale partners wil onderzoeken hoe de kenniseconomie alle professionele niveaus en sectoren kan omvatten. 3.11 Het concept Innovatie-Unie. Het Comité is van oordeel dat het concept "Innovatie-Unie" perfect de doelstellingen in de mededeling van de Commissie samenvat en weergeeft. Dat concept moet samen en op voet van gelijkheid met de bestaande concepten van de "eengemaakte markt" en de "Europese onderzoeksruimte" worden uitgevoerd. Daarom ondersteunt het Comité ook par. 2.2 van de mededeling van de Commissie zonder enig voorbehoud. Het Comité verwelkomt het feit dat veel van zijn latere aanbevelingen daar aan bod komen. 3.12 Wegnemen van belemmeringen. Een van de hoofddoelstellingen van de Commissie is het wegnemen van belemmeringen voor innovatie op Europees niveau. Hoewel het Comité erkent dat het gaat om een aanzienlijke en complexe opdracht, die nauw verweven is met de verdere vooruitgang bij het voltooien van de eengemaakte markt, wijst het niettemin op een gebrek aan gedetailleerde informatie in de mededeling over wat de Commissie op dit vlak specifiek in gedachten heeft. Het Comité is dan ook opgetogen over de duidelijke inspanningen die de Commissie in dat opzicht levert in het recente Groenboek, waarover het een apart advies zal opstellen [20]. 3.13 Belangrijkste politieke taak en prioritaire aanbeveling. De belangrijkste politieke taak en prioritaire aanbeveling is dan ook om in heel Europa te zorgen voor een betrouwbaar en innovatievriendelijk kader en genoeg ontplooiingsmogelijkheden en aldus voor potentiële uitvinders en innovaties de obstakels weg te nemen die zijn opgeworpen door de overregulering en de versnippering en wildgroei van de regelgeving én door alle bureaucratische rompslomp van zowel de 27 lidstaten als de Europese Commissie. Dit heeft een ontmoedigend effect op eventuele initiatieven en leidt tot vertraging en verslechtering van de processen die nodig zijn om nieuwe en goede ideeën daadwerkelijk tot concrete innovaties te ontwikkelen. In de internationale concurrentie is dit een groot nadeel voor Europa, dat zo snel mogelijk moet worden aangepakt. Daarom moeten we onze mentaliteit veranderen, zodat we vooruitgang en innovatie niet langer beschouwen als risico, maar als kans en noodzaak, en als iets dat we met alle krachten in de samenleving gestalte moeten zien te geven. Het Comité roept echter ook de lidstaten en het maatschappelijk middenveld op om een bijdrage aan de oplossing van de genoemde problemen te leveren. 3.14 Betere opleiding en meer erkenning. Het Comité steunt de doelstelling van de Commissie om ons onderwijsstelsel op alle niveaus te moderniseren. Daarvoor zijn meer universiteiten van wereldklasse nodig en moet de lat voor vaardigheden hoger worden gelegd. Het begrip voor wetenschappelijke en technische beroepen moet worden gestimuleerd en dergelijke beroepen moeten meer erkenning krijgen 3.15 Strak tijdschema. Gezien de complexiteit en diversiteit van de deelaspecten die in de mededeling aan bod komen, de aard van de uitdaging en de verwoorde gezichtspunten is het door de Commissie voorgestelde tijdschema erg strak. Daarom pleit het Comité voor een benadering waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de urgentie van fundamentele doelstellingen en de uitwerking van de specifiek voorgestelde maatregelen en instrumenten. 4. Specifieke opmerkingen 4.1 Het MKB als motor. Het Comité is het eens met de Commissie dat het midden- en kleinbedrijf een sleutelrol speelt in de economie en daarom specifiek voordeel moet kunnen halen uit het innovatie-initiatief en de bijbehorende steunmaatregelen. In dat licht moeten de definitie en rating van kleine en middelgrote ondernemingen opnieuw worden bekeken. Dankzij de nieuwe netwerkmogelijkheden die ICT biedt, winnen micro-ondernemingen en zelfs eenmanszaken immers aan belang. Mogelijk moet ook worden nagedacht over de scheidingslijn tussen deze ondernemers en de beoefenaars van vrije beroepen. Het Comité benadrukt het belang van innovatie in de dienstensector en op de werkplek, in het bijzonder voor het concurrentievermogen en de productiviteit van het MKB (zie par. 3.10.1 en 3.10.2). 4.1.1 MKB in het nadeel. Door veel van de bovengenoemde bureaucratische hindernissen voor innovaties zijn met name kleine en middelgrote bedrijven en startende ondernemingen in het nadeel tegenover grotere bedrijven, die echter ook logger zijn met hun omvangrijke juridische afdelingen, buitenlandse filialen enzovoort. Hieraan zou het zeker mede te wijten kunnen zijn dat de VS de EU op de markt voor innovatieve ICT-producten [21] bijna volledig achter zich heeft gelaten. 4.2 Beoordelingscriteria. Het Comité heeft al eerder het standpunt [22] ingenomen dat de EU in dit opzicht meer analyse-instrumenten nodig heeft. Met het oog op meer coherentie heeft het ook gepleit voor één "Europese waarnemingspost voor innovatie", die de bestaande instrumenten niet alleen overneemt, maar meteen ook beter op elkaar afstemt. Daarnaast vestigt het Comité de aandacht op de volgende punten: - in veel sociale en economische criteria zit ook het deelaspect duurzaamheid vervat; - de crisis heeft bewezen dat kortzichtige streefdoelen en evaluatiecriteria kunnen leiden tot ongewenste resultaten en zelfs crisissituaties; - een trage, maar gestage groei levert vaak meer succes en economische voordelen op; - kleine startende ondernemingen worden zodra ze succes oogsten vaak opgekocht of overgenomen door grote bedrijven, zodat ze uit de statistieken verdwijnen; - belangrijke innovaties hebben vaak een lange aanlooptijd voor ze economisch doorbreken en hun grote economische waarde kunnen bewijzen; - De Europese lidstaten en regio's hebben vaak verschillende uitgangsposities op het gebied van innovatie (bv. klimaat, vervoerssystemen, hulpbronnen) en moeten daarom worden beoordeeld op hun specifieke sterke en zwakke punten. 4.2.1 Om die redenen zou de Commissie haar samenwerking met de OESO moeten voortzetten en één enkel, consistent pakket van uitgebreide en evenwichtige indicatoren moeten ontwikkelen, waarin naast bovenstaande zienswijzen ook het succes van innovaties op de lange termijn zijn opgenomen. Het Comité is van mening dat de "kenmerken van goed werkende nationale en regionale onderzoeks- en innovatiesystemen", zoals beschreven door de Commissie in bijlage 1, in die context nuttig zijn. 4.3 Toegankelijkheid. Er bestaat ook een groot innovatiepotentieel met betrekking tot producten en diensten met behulp waarvan personen met een handicap volwaardig deel kunnen uitmaken van de Europese samenleving, niet alleen als burgers, maar ook als consumenten. Het betreft grotendeels nog niet aangeboorde markt met een groot economisch en maatschappelijk potentieel. 4.4 Innovatiepartnerschappen. De Europese innovatiepartnerschappen (EIP) die de Commissie voorstelt, kunnen interessante mogelijkheden bieden. Ondanks de onduidelijkheid over hun precieze vorm en het voorbehoud dat in par. 3.5 en 3.6 worden geformuleerd, kunnen innovatiepartnerschappen nieuwe mogelijkheden bieden om maatschappelijke uitdagingen aan te pakken. Door haar beleidsinstrumenten voor innovatie bij zowel aanbod als vraag in te zetten en de stuwkracht van onderzoek en technologie te combineren met de trekkracht van de markt, kan de Europese Unie nieuwe concurrentievoordelen verwerven. Om dat potentieel te verwezenlijken is het belangrijk dat de EU zich concentreert op die aspecten van de EIP's die ten opzichte van bestaande maatregelen een meerwaarde betekenen. Innovatiepartnerschappen mogen daarom niet uitgroeien tot een algemeen verplicht en rigide actiekader voor de innovatieoperatoren (met inbegrip van deelnemende steunorganisaties op regionaal en nationaal niveau). Er moet worden gewaakt over het principe van vrijwilligheid, variabele geometrie, transparantie en duidelijke en gemakkelijk te beheren governance. Na het bepalen van de gepaste governancestructuur zou het daarom raadzaam zijn te starten met één zorgvuldig geselecteerd innovatiepartnerschap en de opgedane ervaring vervolgens te gebruiken bij het selecteren van het volgende partnerschap. 4.4.1 Actief en gezond ouder worden. Het Comité beveelt aan om te beginnen met het uiterst geschikte en wenselijke innovatiepartnerschap "Actief en gezond ouder worden". Dat zou bovendien een uitstekend voorbeeld zijn van de complexe samenwerking tussen maatschappelijke en wetenschappelijk-technische innovaties. Specifiek in dit verband wil het Comité het belang onderstrepen van precommercialisering en overheidsopdrachten voor innovatieve diensten. Die kunnen van doorslaggevend belang zijn voor het ontsluiten van nieuwe markten en het verbeteren van de productiviteit en kwaliteit van de openbare dienstverlening. 4.4.2 Water besparend Europa. Als een van de andere mogelijke innovatiepartnerschappen wordt in Bijlage III van de mededeling "Water besparend Europa" voorgesteld. In dit geval pleit het Comité voor een meer flexibele benadering met een duidelijker onderscheid tussen regio's in de EU waar waterschaarste een ernstig probleem vormt en regio's met voldoende neerslag en watervoorziening. Het Comité stelt daarom voor de titel te wijzigen in "Duurzaam waterbeheer". 4.5 Een "resultaatgerichte" aanpak. Het Comité wijst erop dat de financiering van innovatiepartnerschappen volgens de Commissie op basis van resultaten moet gebeuren. Aangezien het Comité ernstige bedenkingen heeft geformuleerd over de definitie van dit begrip in zijn advies Vereenvoudiging van de kaderprogramma's voor onderzoek (par. 1.8 en 4.8) [23], beveelt het aan om te verduidelijken wat dat uit procedureel oogpunt precies betekent. Het Comité herhaalt dat voor belangrijke uitvindingen duurzame financiering op lange termijn essentieel kan zijn. 4.6 Sleutelrol van het O&O-kaderprogramma: de Europese kaderprogramma's voor onderzoek en ontwikkeling hebben significant bijgedragen aan de tot op heden behaalde successen. Daarom moeten ze in de toekomst verder worden versterkt en moet hun autonome belang worden benadrukt. Ongeacht de behoefte aan verdere vereenvoudiging biedt het O&O-kaderprogramma een succesvol pakket instrumenten voor het structureren van de Europese onderzoeksruimte, dat wereldwijd worden erkend en door innovatieoperatoren intensief wordt gebruikt, moet procedures die algemeen bekend en aanvaard zijn. Daarom moet het belang van het kaderprogramma voor onderzoek en van het aanvullende kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie (CIP) voor de doelstellingen van de "Innovatie-Unie" duidelijker op de voorgrond worden geplaatst. De instrumenten voor collaboratief onderzoek hebben bijgedragen aan efficiëntere Europese consortiums, en moeten worden gehandhaafd worden om de noodzakelijke continuïteit te garanderen [24]. In het licht van het innovatiebeleid dat hier ter discussie ligt, moet ook sociaaleconomisch onderzoek meer steun ontvangen. 4.7 Sleutelrol van de Europese onderzoeksruimte – een eengemaakte markt voor onderzoekers: de sleutelrol van de Europese onderzoeksruimte (zie ook par. 3.11) en de voorwaarden voor de totstandbrenging ervan zijn al in tal van eerdere adviezen aan bod gekomen. Het Comité benadrukt nogmaals dat de mobiliteit van onderzoekers en de erkenning van universitaire en onderzoeksdiploma's cruciaal zijn, net als sociale zekerheid en correcte lonen en pensioenregelingen. Met name voor jonge wetenschappers en onderzoekers is de huidige situatie nog steeds zeer ontoereikend en ontmoedigend. Daarom verwelkomt en steunt het Comité uitdrukkelijk de conclusies van de Raad [25] (van 2 maart 2010) betreffende de mobiliteit en carrières van Europese onderzoekers. De Europese Unie heeft een aantrekkelijke en goed functionerende eengemaakte markt voor onderzoekers nodig! 4.8 Risicokapitaal Hoewel het EIT goede aanzetten geeft – in dit verband is het EESC zeer te spreken over de door de Europese Commissie en de EIB opgerichte risicodelende financieringsfaciliteit (RSFF) – is er nog altijd gebrek aan snel beschikbaar risicokapitaal dat startende innovatieve ondernemingen nodig hebben voor hun oprichting en om in de daaropvolgende tijd – tijdens hun eerste stappen, in de "vallei des doods", tot aan het eerste economische succes – te overleven. In dit verband zijn ook kleine en microkredieten nodig die bedrijven in staat stellen om risico's op te vangen en succes te boeken. 4.9 Clusters Het Comité wijst er eens te meer op dat grensoverschrijdende regionale clusters en innovatiekernen een impuls vormen voor innovaties. Het gaat hierbij niet alleen om de inmiddels "klassieke" band tussen onderzoekscentra en ondernemingen, maar ook om het vruchtbare aanvullende netwerk dat zich ontwikkelt tussen de nieuwe gespecialiseerde bedrijven. Een en ander moet uit de structuurfondsen gesteund blijven worden. 4.10 Stimulansen en minder rompslomp voor startende bedrijven Voor startende bedrijven valt eventueel te denken aan een uitzonderingsclausule op grond waarvan zij gedurende een voldoende lange periode worden vrijgesteld van het merendeel van het gebruikelijke scala aan administratieve rompslomp en regelgeving. Bovendien zou zo'n clausule de nodige stimulansen moeten bevatten (zoals belastingvoordelen) Op die manier krijgen zij de tijd en de ruimte om hun economisch-technische kansen op succes aan te tonen. De diverse risico's van dit voorstel, en ook de verschillende belangen die spelen, dienen zorgvuldig te worden afgewogen, maar uitvoering ervan zou nuttig kunnen blijken. Brussel, 15 maart 2011 De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité Staffan Nilsson [1] COM(2011) 48 definitief van 9.2.2011. [2] COM(2009) 442 definitief van 2.9.2009. [3] Het thema Innovatie kwam uitgebreid aan bod in het Aho-verslag (verslag van de Onafhankelijke groep van deskundigen op het gebied van onderzoek, ontwikkeling en innovatie, die is benoemd na de top van Hampton Court en die onder voorzitterschap staat van de heer Esko Aho, januari 2006, EUR 22005.) en in het advies over het thema "Investeren in kennis en innovatie (Lissabonstrategie)" (PB C 256 van 27.10.2007, blz. 17). Een gecoördineerde aanpak van de lidstaten en op partnerschap gebaseerde maatregelen zijn het onderwerp van het proces van Ljubljana (RECH 200 COMPET 216 – "The Ljubljana Process is an enhanced partnership between the Member States, associated countries, stakeholders and the Commission to make European research more effective."), talloze ERA-NET-initiatieven (overeenkomstig artikel 181), "gezamenlijke technologie-initiatieven", kennis- en innovatiegemeenschappen (KIG's) van het Europees instituut voor innovatie en technologie (EIT), "gezamenlijke programmaplanning" en het EESC-advies over de "Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's - Naar een gezamenlijke programmering van het onderzoek: Samenwerken om gemeenschappelijke uitdagingen doeltreffender aan te pakken" (PB C 228 van 22.9.2009, blz. 56). De samenwerking tussen onderzoeksinstellingen en de industrie wordt behandeld in het EESC-advies over "Samenwerking en kennisoverdracht tussen onderzoeksinstellingen, industrie en MKB – een belangrijke voorwaarde voor innovatie" (PB C 218 van 11.9.2009, p. 8), internationale samenwerking is het thema van het EESC-advies over de "Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad: Een strategisch Europees kader voor internationale samenwerking op het gebied van wetenschap en technologie" (PB C 306 van 16.12.2009, blz. 13) en vereenvoudiging komt aan bod in het EESC-advies over de "Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's: Vereenvoudigen van de tenuitvoerlegging van de kaderprogramma's voor onderzoek" (PB C 48 van 15.2.2011, blz. 129). [4] PB C 48 van 15.2.2011, blz. 129. [5] PB C 218 van 11.9.2009, blz. 8 (paragraaf 1.2). [6] PB C 21 van 21.1.2011, blz. 49. [7] Voorbeelden zijn het vliegtuig en andere revolutionaire succesverhalen zoals de televisie, radar, laser, pc, micro-elektronica, glasvezelkabels, internet/e-mail (inclusief zoekmotoren, e-commerce enz.), digitale camera's, per raket gelanceerde satellieten en gps. Bovendien zijn ze met elkaar verweven en vormen ze onderling de voedingsbodem voor nieuwe impulsen. [8] bijvoorbeeld met de instrumenten voor collaboratief onderzoek, paragraaf 4.6 [9] Bijvoorbeeld "Forschung und Lehre 11/10", blz. 788-796, mededelingen van het "Deutscher Hochschulverband", november 2010. [10] PB C 48 van 15.2.2011, blz. 129 (par. 3.5 en 3.7). [11] PB C 48 van 15.2.2011, blz. 129 (par. 1.4). [12] PB C 228 van 22.9.2009, blz. 56. [13] PB C 354 van 28.12.2010, blz. 80. [14] PB C 218 van 11.9.2009, blz. 8. [15] PB C 218 van 11.9.2009, blz. 8 (par. 3.2.4). [16] COM(2010) 546 definitief van 6.10.2010. [17] PB C 182 van 4.8.2009, blz. 40. [18] Inmiddels door het EP goedgekeurd: Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement over het voorstel voor een besluit van de Raad houdende machtiging om nauwere samenwerking aan te gaan op het gebied van de instelling van eenheidsoctrooibescherming (0558/2011 – C7-0044/2011 – 2010/0384(NLE). [19] Mededeling van voorzitter Nilsson ( 7 januari 2011) over zijn gesprek met commissaris Barnier. [20] Zie voetnoot 1. [21] Google Apple, Facebook, … mobiele telefoons [22] PB C 354 van 28.12.2010, blz. 80 (par. 3.2.2). [23] PB C 48 van 15.2.2011, blz. 129. [24] PB C 48 van 15.2.2011, blz. 129 (par. 3.12). [25] 2999e zitting van de Raad Concurrentievermogen, Brussel, 2 maart 2010. --------------------------------------------------