Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Hout als energiebron in de zich uitbreidende Europese Unie
Publicatieblad Nr. C 110 van 09/05/2006 blz. 0060 - 0067
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over "Hout als energiebron in de zich uitbreidende Europese Unie" (2006/C 110/11) De Europese Commissie heeft in een door haar leden Rehn, Fischer Boelin en Piebalgs ondertekende brief d.d. 11 februari 2005 het Europees Economisch en Sociaal Comité, overeenkomstig art. 262 van het EG-Verdrag, verzocht een advies op te stellen over Hout als energiebron in de zich uitbreidende Europese Unie. De gespecialiseerde afdeling Landbouw, plattelandsontwikkeling, milieu, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies goedgekeurd op 27 februari 2006. Rapporteur was de heer Kallio. Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 425e zitting van 15 en 16 maart 2006 (vergadering van 15 maart) het volgende advies uitgebracht, dat werd goedgekeurd met 130 stemmen vóór en geen stemmen tegen, bij 6 onthoudingen: 1. Conclusies 1.1 Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) is van mening dat aan het gebruik van hout als brandstof vooral drie aspecten kleven, nl.: exploitatie van een in Europa voorhanden potentieel aan hernieuwbare energie, dat anders onbenut zou blijven [1]; terugdringing van de uitstoot van het broeikasgas kooldioxide, waardoor de klimaatverandering wordt afgeremd, en waarborging van de functie van bossen voor het algemeen belang (milieubescherming en instandhouding van de biodiversiteit). Opvoering van het gebruik van hout als brandstof maakt het tevens gemakkelijker om een potentieel aan grondstoffen waar verder geen bestemming voor is, aan te wenden in de industrie. Het gebruik van hout voor de opwekking van energie levert een bijdrage aan de bestrijding van de klimaatverandering, brengt verbetering in de lage zelfvoorzieningsgraad van de EU op het gebied van energie en bevordert de continuïteit van de energievoorziening. Dit zijn allemaal doelstellingen van het energiebeleid van de EU. Hout kan slechts voor een deel onze energieproblemen oplossen. Daarnaast zullen ook andere alternatieve energiebronnen tot ontwikkeling moeten worden gebracht en zal er ook meer werk moeten worden gemaakt van maatregelen op het gebied van energiebesparing (bijv. warmte-isolatie van gebouwen). Tijdens zijn groei bindt hout de kooldioxide die aanwezig is in de atmosfeer. Een kubieke meter hout slaat gemiddeld ca. 800 kilo kooldioxide op. In principe is het dus zo dat uitgebreide houtbestanden van groot belang zijn voor een duurzame opslag van kooldioxide in bossen. Als bossen goed worden beheerd en de aanwas van bomen en bestanden wordt gegarandeerd, zal er meer kooldioxide worden opgeslagen. Opvoering van het verbruik van houtbrandstoffen biedt een alternatief voor het gebruik van niet-hernieuwbare energievoorraden en zorgt er tegelijkertijd voor dat de uitstoot ten gevolge van het gebruik van fossiele brandstoffen wordt teruggedrongen. Dankzij het verbruik van houtbrandstoffen kan het bosbeheer worden verbeterd en kan er op de lange termijn voor worden gezorgd dat de houtvoorraden toenemen. 1.2 Verder is het EESC van mening dat er ter bevordering van het gebruik van hout als brandstof een lange-termijnstrategie dient te worden uitgestippeld. Deze zal gericht moeten zijn op het afschaffen van regels die een toename van dit gebruik in de weg staan of remmend werken. Door het afschaffen van fiscale en subsidieregelingen die fossiele brandstoffen bevoordelen, moet worden bereikt dat voor energiewinning uit hout gelijkwaardige voorwaarden worden geschapen. Ten aanzien van vaste houtbrandstoffen is inmiddels een Europese specificatie met kwaliteitseisen en een indeling in klassen gepubliceerd (CEN/TS 14961). 1.3 Het EESC acht het van belang dat het duurzame gebruik van hout in alle landen wordt opgevoerd en dat de brandstoffenmarkt zich openstelt voor restproducten van de houtverwerkende industrie, voor houtmateriaal dat in bossen voor energieproductie wordt gewonnen, en voor hout dat in verwerkte vorm als brandstof wordt aangeboden. Productie en gebruik van brandstof zijn vaak nauw gekoppeld aan de houtbewerkende en -verwerkende industrie. Inmiddels is er ook al een internationale markt ontstaan voor moderne soorten houtbrandstof, zoals pellets, briketten en vloeibare biobrandstoffen. Voor de ontwikkeling van de houtbrandstofmarkt zijn economisch sturende instrumenten nodig, die het ook voor nieuwe prducenten mogelijk maken toegang tot de markt te krijgen. Met deze instrumenten kunnen de vraag naar en het aanbod van hout worden gestimuleerd. Kooldioxidebelasting op fossiele brandstoffen en lage btw-tarieven voor houtbrandstof vergroten de vraag naar houtenergie. Met investeringssubsidies kan de vraag van energieproducenten naar houtbrandstof worden vergroot. Tegelijkertijd moeten de voorlichting over houtenergie, de scholing op dit gebied en de betreffende O&TO-activiteiten worden verbeterd. De economisch sturende instrumenten dienen in de eerste plaats te worden afgestemd op de sectoren die buiten de handel in emissierechten vallen. Wat de nieuwe lidstaten betreft kan het van buitengewoon belang zijn als de sector wordt gesteund door overdracht van technologie en goede praktijken en het uitstippelen van een voorlichtingsstrategie. 1.4 Het EESC is van mening dat deze hulpbronnen die anders ongebruikt zouden blijven, alleen kunnen worden geëxploiteerd en gemobiliseerd als de betrokken producenten economisch in staat zijn zich op de markt te handhaven. Het zou mogelijk moeten zijn om in landen waar zich nog geen markt voor houtenergie heeft ontwikkeld, producenten tijdelijk te steunen, bijv. via het programma voor plattelandsontwikkeling, zodat ze het hoofd boven water kunnen houden. Het is van vitaal belang dat verenigingen van boseigenaren, plaatselijke ondernemers en kleinschalige bedrijven worden gesteund. 1.5 Het EESC hoopt dat de vraag naar houtbrandstof zal worden vergroot door gebruikmaking van milieuvriendelijke, economisch sturende instrumenten, waarbij geen onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende verbruikers en waarbij het gebruik van houtbrandstof in alle martksectoren wordt gestimuleerd. Hierbij moet worden gedacht aan: de verwarming van particuliere woningen met brandhout en industrieel verwerkte houtbrandstoffen; de verwarming van aparte grote gebouwen; eenheden die stadsverwarming en stroom voor dorpen, gemeentelijke kernen en steden produceren, en natuurlijk de houtverwerkende sector en andere warmte en kracht afnemende industrieën die gebruik kunnen maken van lokaal en regionaal aanwezige houtbrandstoffen. Overigens mag pas op grotere schaal gebruik worden gemaakt van hout als energiebron wanneer eerst alle mogelijkheden van warmte-isolatie zijn uitgeput en er een strategie voor warmte-opwekking wordt uitgestippeld waarin ook plaats is voor andere alternatieve energiebronnen (m.n. zonne-energie). 1.6 Het EESC wijst erop dat er speciale maatregelen moeten worden genomen ter stimulering van commerciële activiteiten op het gebied van de productie van houtbrandstof en de levering van warmte en kracht op basis van hout. Dit geldt voor bijna alle lidstaten, maar vooral in de nieuwe en de kandidaat-lidstaten, waar de bosbouwbedrijven een kleine omvang hebben, de particuliere boseigenaren slecht georganiseerd zijn en de benuttingsgraad van bossen laag is. Vaak ligt de drempel voor startende ondernemers te hoog. Als deze wordt verlaagd, zal dit de economische bedrijvigheid ten goede komen en de stoot geven tot het ontstaan en de ontwikkeling van een markt. De structuurfondsen van de EU dienen actief te worden gebruikt om economische bedrijvigheid op gang te brengen en lokale en regionale markten tot ontwikkeling te brengen. 1.7 Naar de mening van het EESC moeten alle biobrandstoffen op voet van gelijkheid worden behandeld. De concurrentiepositie van hout t.o.v. andere biobrandstoffen mag niet in gevaar worden gebracht door maatregelen die bepaalde EU-beleidssectoren stimuleren. Moderne technologieën maken het mogelijk om houtbiomassa te gebruiken voor alle soorten energieproductie, bijv. voor de vervaardiging van brandstof in het vervoer. 1.8 Het EESC is van oordeel dat afspraken en regels die het vrije verkeer van brandstoffen op basis van hout aan banden leggen, moeten worden afgeschaft en dat ook andere handelsbelemmeringen in de EU moeten worden opgeruimd. Hout kan een belangrijke rol spelen bij het vergroten van de concurrentie in de energiesector. Vooral op lokaal en regionaal niveau kan hout tezamen met andere energiedragers een sterke concurrentiepositie veroveren. 1.9 Het EESC stelt vast dat in de EU te weinig bekend is over het beschikbare potentieel aan houtbrandstoffen en het gebruik ervan. In alle lidstaten, ook de toekomstige, zal beter in kaart moeten worden gebracht welke houtvoorraden geschikt zijn als energiebron. Kennis vormt immers het fundament van duurzame ontwikkeling. Er is hier behoefte aan een gedifferentieerde aanpak. In de grote loofbosgebieden in Midden-Europa moeten bijv. voldoende houtbestanden in stand worden gehouden ter waarborging van de biologische diversiteit in bossen. We weten te weinig af van bosbestanden die door hun ligging niet interessant zijn voor de industrie. Het is dan ook zaak de houtvoorraden in kwestie duidelijk te identificeren, te classificeren en te standaardiseren om te voorkomen dat er binnen de EU t.a.v. de handel in hout concurrentievervalsing optreedt. Het is nodig om op nationaal niveau het potentieel aan houtbrandstoffen te inventariseren en het gebruik ervan in het oog te houden en om de mogelijkheden ervan grondiger en op basis van onderling vergelijkbare criteria te onderzoeken. Op basis daarvan kunnen er doelstellingen worden geformuleerd en kan de doeltreffendheid van de diverse beleidsinstrumenten worden gemeten. 1.10 Het EESC is van mening dat opvoering van het gebruik van hout als brandstof in bepaalde gebieden een belangrijke bijdrage levert aan de bestrijding van bosbranden als er sprake is van naaldhoutmonoculturen die door mensenhand zijn ontstaan. Een efficiënter gebruik, m.n. bij de energieproductie, zou de kans op bosbranden waarschijnlijk kunnen verkleinen en het aantal bosbranden kunnen terugdringen. 1.11 In het kader van het programma ter bevordering van hout als energiebron dient onderzoek te worden verricht naar de keuze van geschikte soorten en ecotypes, intensieve kweekmethoden en verkorting van de productiecyclus. Er moet meer gedaan worden aan de ontwikkeling van een bepaalde vorm van bosbeheer die "plantagebosbouw" wordt genoemd. Het zoeken naar effectieve methoden voor het oogsten van hout voor energiedoeleinden mag geen negatieve gevolgen voor het behoud van de biodiversiteit met zich mee brengen noch problemen veroorzaken voor het waterbeheer op lokaal en regionaal niveau. Naar de mening van het EESC moet de verbrandingstechnologie verder worden ontwikkeld, evenals de technische en logistieke methoden die worden gebruikt bij het oogsten van de in bossen aanwezige voorraden houtbrandstof. Door steun te verlenen aan onderzoek en ontwikkeling, voorlichtingscampagnes en de overdracht van energie kunnen duurzame resultaten worden bereikt. Ten aanzien van kleine verbrandingsketels voor vaste brandstoffen zullen gemeenschappelijke Europese normen moeten worden ontwikkeld om scheeftrekking van de concurrentieverhoudingen tegen te gaan. 1.12 Er zal meer voorlichting moeten worden gegeven over de mogelijkheden die er zijn om hout te gebruiken als energiebron. Dit geldt voor het hele spectrum aan benuttingsmogelijkheden, van het gebruik van pellets in woonhuizen tot het grootschalige verbruik van bosafval en industriële restproducten en in steden. In veel moderne warmte-krachtcentrales kan hout tegelijk met andere vaste brandstoffen worden verbrand. 1.13 Dankzij het gebruik van houtbrandstoffen, restproducten uit de houtverwerkende sector en kapafval (boomkruinen, takken, stronken, dunningshout) zal de duurzame bosbouw rendabeler gemaakt kunnen worden en zal het concurrentievermogen van de bos- en houtsector erop vooruitgaan, zonder dat daardoor de grondstofbevoorrading van de houtverwerkende sector serieus in gevaar komt of het aantal arbeidsplaatsen in de bos- en houtsector en andere industrietakken waar hout als grondstof wordt gebruikt, in het gedrang komt. Door meer gebruik te maken van houtenergie zal de bos- en houtsector veel beter in staat zijn om de doelstellingen in het kader van de Lissabonstrategie te verwezenlijken. 1.14 Voor het oogsten van hout voor energiedoeleinden moeten o.a. gebieden worden uitgekozen die onttrokken worden aan de landbouw (aanplant van energiebossen). 2. Algemene opmerkingen 2.1 De Europese Unie voert geen gemeenschappelijk energiebeleid. Wel zijn er de voorbije jaren besluiten genomen die betrekking hebben op de markten voor elektriciteit (Richtlijn 96/92/EG [2]) en aardgas (Richtlijn 98/30/EG [3]), de continuïteit van de energievoorziening, de opvoering van het gebruik van hernieuwbare energiebronnen en de milieuaspecten van energieproductie. Daarentegen is men er niet in geslaagd een gemeenschappelijk belastingtarief voor de uitstoot van koolstofdioxide als gevolg van het verbruik van fossiele brandstoffen in te voeren, hoewel dit de benutting van hernieuwbare energie aanzienlijk ten goede zou komen. 2.2 In een in 1997 gepubliceerd witboek [4] wordt als doelstelling geformuleerd dat het gebruik van hernieuwbare energie van 45 Mtoe (het niveau in 1995) moet worden opgevoerd tot 135 Mtoe (Mtoe= miljoen ton olie-equivalent). Deze doelstelling, die werd geformuleerd m.b.t. de toenmalige EU-15, komt overeen met een toename van het aandeel hernieuwbare energiebronnen van 5,2 % tot 12 % in 2010. In 2001 bedroeg dit aandeel 6 %. In het gunstigste geval kan dit percentage nog stijgen tot 10 %, maar in het slechtste geval zal het op 8 % blijven steken. De maatregelen die zijn genomen om hier iets aan te doen, zijn niet voldoende gebleken om de ontwikkeling in de juiste richting bij te sturen. Ook de Commissie heeft hier in een van haar mededelingen op gewezen [5]. 2.3 Uit het in 2000 gepubliceerde groenboek "Op weg naar een Europese strategie voor een continue energievoorziening" [6] spreekt een sterk verlangen om de EU minder afhankelijk te maken van energie uit het buitenland en om de zelfvoorzieningsgraad op te voeren. Op dit moment bedraagt de zelfvoorzieningsgraad ongeveer 50 %, wat strategisch gezien veel te weinig is. 2.4 Richtlijn 2001/77/EG [7] betreffende de bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen bevat als doelstelling dat tegen 2010 22 % van de elektriciteit die voor de interne markt wordt opgewekt, afkomstig moet zijn van hernieuwbare energiebronnen. Op grond van een analyse van de inmiddels getroffen maatregelen en de geboekte resultaten kan worden geconcludeerd dat het betreffende aandeel in het streefjaar slechts 18 à 19 % zal bedragen. Wel is er een duidelijke stijging te zien van het aandeel elektriciteit dat wordt opgewekt uit biomassa. Tussen de landen onderling zijn grote verschillen. 2.5 In Richtlijn 2003/30/EG [8] ter bevordering van het gebruik van biobrandstoffen wordt als doelstelling geformuleerd dat tegen 2010 5,75 % van alle brandstoffen biobrandstof dient te zijn. De tussentijdse doelstelling voor 2005 was 2 %, maar in dat jaar is men slechts op 1,4 % uitgekomen. 2.6 Richtlijn 2003/96/EG [9] biedt de lidstaten de mogelijkheid om t.a.v. het gebruik houtbrandstoffen geen of een laag belastingtarief toe te passen. Op grond hiervan kunnen biobrandstoffen helemaal of gedeeltelijk worden vrijgesteld van belasting en kan de totale belastingdruk onder het vastgestelde minimumniveau blijven. Belastingvrijstelling kan per keer hoogstens voor zes jaar worden toegekend. Na 31 december 2012 wordt er geen vrijstelling meer verleend en uiterlijk in 2018 dienen ook de reeds toegekende belastingverlichtingen krachtens de Richtlijn te worden opgeheven. 2.7 In het najaar van 2003 is Richtlijn 2003/87/EG [10] inzake broeikasgasemissies goedgekeurd. Hierop is in het najaar van 2004 een nieuwe richtlijn (2004/101/EG [11]) houdende wijziging van de vorige richtlijn goedgekeurd. Daardoor is handel in emissierechten mogelijk geworden in het geval van ontwikkelingsprojecten buiten de EU (CDM=mechanisme voor schone ontwikkeling) en tussen de geïndustrialiseere landen onderling (JI=gemeenschappelijke uitvoering). 2.8 In december 2005 heeft de Commissie de mededeling "Actieplan Biomassa" [12] gepubliceerd, die bedoeld is om meer vaart te zetten achter het gebruik van bioenergie in de lidstaten en dit te bevorderen. 2.9 Het grootste deel van de biomassa die wordt benut voor energieproductie, dient voor de opwekking van warmte. Er zou een richtlijn moeten worden opgesteld over de bevordering van het verbruik van biomassa bij warmteproductie. 2.10 Vanuit een oogpunt van energie-efficiency verdient de gelijktijdige opwekking van warmte en kracht in dezelfde centrale de voorkeur boven andere procédés. Een dergelijke gekoppelde productie is van bijzonder belang bij het leveren van stadsverwarming en bij de inspanningen om het verbruik van biomassa op te voeren. Ter bevordering van warmtekrachtkoppeling is Richtlijn 2004/8/EG [13] opgesteld. 2.11 Op dit moment is men bezig met het opstellen van het zevende kaderprogramma O&TO voor de periode 2007-2013. Vanuit de Europese bos- en houtsector is het initiatief genomen tot de oprichting van een zog. technologisch platform voor de houtverwerkende sector (Forest-based sector technology platform), die in zijn onderzoeksprogramma o.a. sterk de nadruk legt op onderzoek en ontwikkeling inzake houtenergie. 2.12 De concurrentieverhoudingen op de energiemarkt hebben zich in de verschillende delen van Europa op geheel verschillende wijze ontwikkeld. Dit geldt in de eerste plaats voor de productie en distributie in de elektriciteitssector, maar tot op grote hoogte ook voor de verkoop van fossiele brandstoffen. De concurrentie in de energiesector komt niet goed van de grond. Hout kan als brandstof op lokaal en regionaal niveau de concurrentie op de markt vergroten. 2.13 Nieuwe actoren, vooral kleinschalige ondernemingen, die op voet van gelijkheid met andere actoren stroom willen leveren, hebben in de energiesector moeite het hoofd te bieden aan de concurrentie. Deze situatie varieert sterk per lidstaat. 2.14 Het Europees Parlement heeft op 30 september 2005 een resolutie aangenomen waarin het oproept, het aandeel hernieuwbare energiebronnen tegen 2020 op te voeren tot 20 %. In de tekst staat met zoveel woorden dat hernieuwbare energiebronnen geen vrije toegang tot de markt hebben. Administratieve regelingen die de ontwikkeling ervan in de weg staan, moeten worden afgeschaft. De externe kosten van het gebruik van fossiele brandstoffen moeten worden doorberekend in de energieprijs, terwijl de subsidies voor schadelijke traditionele energievormen en belastingen die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen ontmoedigen, moeten worden afgeschaft. 2.15 Niet-gouvernementele organisaties in Europa beijveren zich ervoor hun standpunten over hernieuwbare energiebronnen te coördineren m.b.v. groene-stroomcertificaten. Als hernieuwbare natuurlijke hulpbron voldoet hout aan de eisen van duurzame energieproductie. Het gebruik van hout voor energiedoeleinden schept betere voorwaarden voor duurzame bosbouw. Vanuit het oogpunt van een duurzaam houtverbruik is het belangrijk dat er niet meer hout wordt gehakt dan de omvang van de jaarlijkse aanwas. Duurzaam bosbeheer is gebaseerd op en wordt gewaarborgd door de besluiten van de Ministersconferentie over de Bescherming van de Bossen in Europa (Ministerial Conference on the Protection of Forests in Europe). Daarnaast wordt duurzame bosbouw gewaarborgd door certificatiesystemen voor bossen. De methode waarop biomassa aan de hand van de criteria voor duurzaam bosbeheer, zoals opgesteld tijdens de bijeenkomst van bosbouwministers te Lissabon, voor energiedoeleinden in bossen wordt geoogst, zal zodanig moeten worden opgezet dat daardoor het voortbestaan van de koolstofcyclus in de bodem niet in gevaar komt. Er moeten ook garanties komen dat de evolutieprocessen, de toevoer van voedende bestanddelen en de fysiochemische samenstelling van de bodem onaangetast blijven. In dit stadium zal men zich moeten concentreren op een duurzame opvoering van het verbruik en de productie van hout. Tegelijkertijd moeten er adequate methoden voor het oogsten van hout voor energiedoeleinden worden ontwikkeld. In tal van lidstaten vinden we goede voorbeelden van certificeringssystemen voor houtenergie, met behulp waarvan het toezicht op de energieproductie wordt gegarandeerd en de consument informatie krijgt over het in acht nemen van milieuoverwegingen. 2.16 De Europese bosbestanden (stamvolume in kubieke meters zonder restbiomassa=stem volume without residuals) zijn met de toetreding van de tien nieuwe lidstaten tot de EU in 2004 met ca. 30 % toegenomen. Het totale bosareaal in de EU bedraagt op dit moment 140 miljoen ha en dat in de kandidaat-lidstaten ca. 22 miljoen ha. De totale oppervlakte productiebos (forests available for wood supply=bos waarin de houtproductie niet merkbaar wordt beïnvloed door wettelijke bepalingen, economische factoren of milieubeschermingsvoorschriften) in de EU-lidstaten bedraagt 117 miljoen ha en in de kandidaat-lidstaten 19 miljoen ha. De houtvoorraden in de EU hebben een jaarlijkse nettoaanwas (=brutoaanwas minus verlies aan geboomte door natuurlijke oorzaken) van 560 miljoen kubieke meter. In 2002 werd er voor 350 miljoen m3 aan hout gekapt (waarvan 41 miljoen m3 traditionele houtkap voor het verkrijgen van brandhout). De EU voert netto ca. 25 miljoen kubieke meter aan ruwhout in. In totaal 62 % van de jaarlijke aanwas vindt een bestemming in de industrie en in particuliere huishoudens. Daarvan wordt 7 % benut in de vorm van traditioneel brandhout voor eigen gebruik. Ruim 10 % van de totale aanwas valt onder bosbeschermingsmaatregelen of kan om een andere reden niet worden geëxploiteerd. 2.16.1 Al met al wordt bijna 30 % van de aanwas niet benut, zodat de staande houtvoorraad in de EU al vijftig jaar groeit en nog steeds groeiende is. Een deel van deze onbenut blijvende houtreserves bestaat uit klein rondhout (170 miljoen m3), dat alleen geschikt is voor energiewinning. Hiervan zou 30 miljoen m3 samen met andere soorten houtgrondstof voor het opwekken van energie kunnen worden benut. Elk jaar blijft er na het oogsten van stamhout 173 miljoen kubieke meter aan kapafval en ander houtmateriaal als gevolg van hakwerkzaamheden in de bossen liggen. Rekening houdend met alle technische, economische en ecologische beperkingen kan hiervan voor 70 miljoen m3 (kapafval en stronkhout) worden benut. 2.16.2 Het grootste potentieel wordt gevormd door restproducten van de houtverwerkende sector (zwart residuloog, schors, zaagsel e.d.) en kringloophout, waar in veel landen al een efficiënte toepassing, vooral in het kader van geïntegreerde houtverwerkingsprocédés, voor gevonden is. De energie die wordt gewonnen uit restproducten en kringloophout, kan oplopen tot 30 à 50 % van die uit ruwhout (wat overeenkomt met 100 à 167 miljoen m3 ruwhout). 2.16.3 Op grond hiervan wordt het duurzame potentieel aan hout in de EU dat geschikt is voor energiewinning, geschat op zo'n 267 miljoen m3. De industriële restproducten die hiervan deel uitmaken, worden voor een deel al geëxploiteerd. De omvang van dit totale potentieel komt overeen met ca. 50 Mtoe. De onbenut blijvende houtenergiereserves in onze bossen hebben derhalve een omvang van tenminste 100 miljoen kubieke meter. Hoe meer ruwhout de houtverwerkende sector gebruikt, des te groter zal ook de hoeveelheid restproducten zijn. Een beperkte hoeveelheid hout dat geschikt is voor energiewinning, kan verder nog worden verkregen via het beheer van cultuurlandschappen. Het FAO/UNECE Timber Committee is op dit moment bezig met de ontwikkeling van de monitoring van het gebruik van houtbrandstoffen en het testen van een systeem van dataverzameling in tien landen. 2.16.4 In 2001 werd in EU-25 voor 1668 Mtoe aan energie verbruikt, waarvan slechts 101,3 Mtoe werd geleverd op basis van hernieuwbare enrgiebronnen. In de meeste landen (op vier na) werd de hernieuwbare energie grotendeels op basis van biomassa geproduceerd. In elf landen kwam het aandeel biomassa uit boven de 75 %. Dit aandeel was opvallend hoog in de nieuwe lidstaten, met uitzondering van Malta en Cyprus. 3. Broeikasgassen en houtverbruik als alternatief 3.1 De hoogste rekening die wordt gepresenteerd als gevolg van het gebruik van fossiele brandstoffen, betreffen de kosten van de klimaatverandering. Koolstofdioxide is het broeikasgas dat voor de meeste problemen zorgt. In enkele landen is geprobeerd een oplossing te vinden voor de uitstoot van koolstofdioxide door een speciale belasting hierop in te voeren. Verder zijn er nog externe kosten door de emissie van zwavel, stikstofdioxide en fijne deeltjes. Hout is een kooldioxideneutrale brandstof, die geen extra netto-uitstoot in de atmosfeer veroorzaakt. Vergeleken met andere brandstoffen bevat hout slechts weinig zwavel en stikstof. Wat de fijne deeltjes betreft wordt het meest uitgestoten bij het traditionele stoken door particuliere gebruikers. 3.2 Vandaag de dag berust de welvaart op onze planeet bijna uitsluitend op de exploitatie van niet-hernieuwbare natuurlijke hulpbronnen. Het gaat hierbij in de eerste plaats om de productie en het verbruik van energie waarbij de belangrijkste brandstof een fossiele energiebron is, zoals bruinkool, steenkool, aardolie, oliehoudende schaal of aardgas. 3.3 De uitstoot van broeikasgassen in de wereld is voor het grootste deel te wijten aan het energieverbruik (59 %). Hierbij gaat het voornamelijk om koolstofdioxide, waarvan het gehalte in de atmosfeer al sinds tientallen jaren toeneemt. 3.4 Het gebruik van fossiele brandstoffen leidt ook tot de uitstoot van andere stoffen die schadelijk zijn voor het milieu, zoals zwaveldioxide, stikstofdioxide en fijne deeltjes van verschillende grootte. Wanneer als alternatieve brandstof hout wordt gebruikt, wordt de uitstoot van deze stoffen kleiner. Houtbrandstoffen vormen dus een alternatief voor de productie van energie op basis van de voor het milieu veel schadelijkere fossiele brandstoffen. 3.5 Het gebruik van hout in verschillende producten is een adequaat middel om de uitstoot van koolstofdioxide terug te dringen, want bij de fabricage van houtproducten wordt normaliter veel minder energie verbruikt dan in het geval van concurrerende materialen. In plaats van niet-hernieuwbare hulpbronnen kan hout als materiaal worden gebruikt. Door emissiehandel wordt de concurrentiepositie van houtproducten ten opzichte van energie-intensieve producten als staal en beton verbeterd. 3.6 Als fossiele brandstoffen worden vervangen door hernieuwbare energiebronnen, kan de uitstoot van broeikasgassen worden teruggedrongen. In welke mate de uitstoot wordt teruggedrongen, hangt van af de vraag welke soort brandstoffen en productiemethoden worden vervangen door hernieuwbare energiebronnen. Elke fossiele brandstof heeft zijn eigen emissiefactor voor koolstofdioxide. Met het oog op terugdringing van de uitstoot is het van cruciaal belang dat er gebruik wordt gemaakt van energievormen waarvan de uitstoot lage eenheidskosten heeft. 3.7 Wanneer elektriciteit uitsluitend m.b.v. fossiele brandstoffen wordt opgewekt, is dat voor het milieu een slechte zaak. Bij veel industriële procédés wordt gebruik gemaakt van grote hoeveelheden warmte, stoom en elektriciteit; zonder stroomopwekking kunnen deze procédés niet plaatsvinden. 3.8 In de houtbewerkende- en verwerkende industrie wordt hout vooral gebruikt voor de fabricage van hout- en papierproducten. Tijdens het productieproces ontstaan verschillende soorten restproducten die geschikt zijn om te worden gebruikt als brandstof bij energieopwekking. Moderne cellolusefabrieken en houtzagerijen zijn meestal nettoproducenten van energie, d.w.z. dat ze meer energie kunnen produceren dan ze zelf gebruiken. Restproducten die niet nodig zijn voor de eigen energieproductie, kunnen worden afgezet op de markt voor biobrandstoffen. 3.9 Het belangrijkste restproduct van sulfaatcellulosefabrieken is zwart residuloog dat lignine bevat en dat kan worden gebruikt voor de opwekking van warmte en kracht. Zwart residuloog kan in de toekomst ook dienen als grondstof voor de productie van brandstof in voertuigen. Hiervoor zal nog meer moeten worden geïnvesteerd in O&TO. Andere waarschijnlijke bronnen van energie in de toekomst zijn ethanol uit lignocellulose, vergassing en synthetische diesel. 3.10 De nieuwe lidstaten beschikken over aanzienlijke mogelijkheden om hun houtverwerkende sector uit te breiden en het gebruik van hout als grondstof voor de productie van artikelen en energie op basis van hout op te voeren. 3.11 De markt voor biobrandstoffen is gewoonlijk lokaal of regionaal gebonden wat o.m. te maken heeft met de kosten van vervoer. Door de restproducten van bijv. de meubelindustrie of zaaghoutsector te verwerken tot pellets, bio-olie uit pyrolyse of briketten kunnen er zonder veel moeite nieuwe, grotere afzetgebieden worden gecreëerd. Er zouden ook distributienetwerken moeten worden opgezet, met toezicht op de activiteiten daarvan, zodat de consumenten gemakkelijker toegang krijgen tot de betreffende producten. Distributie en handel worden er gemakkelijker op dankzij de nieuwe CEN-classificatie. 3.12 Bosbranden zijn een groot probleem, vooral in de mediterrane landen, zoals Portugal, Spanje, Frankrijk, Italië en Griekenland. Ook voor de Noord-Europese landen houden ze een zeker gevaar in. Door bosgebieden te beheren en het materiaal dat het gevaar op bosbranden vergroot, op te ruimen, kan de economische schade beperkt worden gehouden. Er zijn veel oorzaken voor bosbranden aan te wijzen, maar drie springen eruit: de staat van de bossen (kapafval dient te worden verwijderd om het brandgevaar te verkleinen), het gedrag van mensen en gebrekkig functionerende bewakings- en bestrijdingssystemen. Bosbranden zijn ernstige natuurrampen die met alle mogelijke middelen moeten worden voorkomen en bestreden, zowel door de lidstaten als door de EU. 4. Beleid en ontwikkelingen op internationaal vlak 4.1 De situatie op de energiemarkt is in de loop van 2005 verslechtert door de stijging van de prijs van ruwe olie en een ontoereikende raffinagecapaciteit. Tegelijkertijd is elektriciteit over het algemeen genomen duurder geworden. Een van de oorzaken hiervoor is de emissiehandel. Op dit moment valt nog niet te zeggen welke invloed deze handel in zijn totaliteit zal hebben. Bovendien is bij de liberalisering van de elektriciteitsmarkt nog maar weinig vooruitgang geboekt. 4.2 Het internationale klimaatbeleid speelt een centrale rol bij het bevorderen van het gebruik van hernieuwbare energiebronnen. De EU heeft zich door ondertekening van het op 18 februari 2005 van kracht geworden Kyoto-protocol vastgelegd op een reductie van de uitstoot van koolstofdioxide met 8 % vergeleken bij het niveau van 1992. De verantwoordelijkheid voor de reductie is verdeeld onder de lidstaten, waarbij gekeken is naar de mogelijkheden die elk land heeft om zijn uitstoot te verminderen. De emissiehandel van de EU is onderdeel van de klimaatstrategie van de EU en slechts gedeeltelijk gekoppeld aan het Kyoto-protocol. 4.3 De interne emissiehandel van de EU is van start gegaan op 1 januari 2005. De eerste periode loopt van 2005 t/m 2007 en heeft uitsluitend betrekking op koolstofdioxide. De interne verdeling binnen de EU-15 gaat alleen door als de vijftien landen er tezamen in slagen de uitstoot terug te dringen. Zo niet, dan zou elke lidstaat er net als andere landen zelf voor moeten zorgen dat zijn uitstoot met 8 % vermindert. Enkele lidstaten hebben zichzelf voor de periode 2008-2012 nog ambitieuzere doelstellingen opgelegd. Het is nog niet duidelijk welke spelregels na 2012 de situatie op de internationale markt zullen bepalen. Enkele afzonderlijke landen hebben verschillende doelstellingen voor de EU als geheel en voor zichzelf geformuleerd. 4.4 De Europese Unie voert geen gemeenschappelijk bosbeleid. De lidstaten zijn zelf verantwoordelijk voor het eigen nationale bosbouwprogramma en gevoerde beleid. De Raad van ministers van de EU heeft in 1998 de bosbouwstrategie van de EU goedgekeurd. Een van de pijlers van deze strategie is het subsidiariteitsbeginsel, die bepaalt dat het bosbouwbeleid in hoofdzaak onder de bevoegdheden van de lidstaten valt. In 2005 heeft de Commissie een mededeling over de tenuitvoerlegging van de bosbouwstrategie van de EU gepubliceerd [14]. In deze mededeling benadrukt de Commissie dat ontwikkeling van de houtenergiesector het EU-beleid voor duurzame ontwikkeling een toegevoegde waarde verleent. In zijn eigen advies van oktober 2005 over deze mededeling [15] heeft het EESC zich achter de Commissie geschaard. Op dit moment is de Commissie bezig met de voorbereiding van een actieplan voor duurzame bosbouw, dat volgens plan in 2006 klaar moet zijn. 4.5 Het bosareaal in de EU is sinds 1998 met 20 % toegenomen en het aantal particuliere boseigenaren is van 12 miljoen gestegen tot 16 miljoen. In de meeste nieuwe lidstaten zijn de bossen nog altijd voor een groot deel eigendom van de staat. Er zullen beslist betere exploitatievoorwaarden voor de beoefening van particuliere bosbouw in de nieuwe en de toekomstige lidstaten moeten worden geschapen. In veel landen is de houtmarkt tot nog toe zwak ontwikkeld. De bossector staat in deze landen nog maar in de kinderschoenen, maar er zijn goede mogelijkheden voor het bevorderen van bosbouw mits er een adequaat en efficient bosbouwbeleid wordt gevoerd. Tegelijkertijd kan dan meer belangstelling worden gewekt voor de levering van hout voor energiedoeleinden. Daarvoor is het nodig dat de hele bosbouwsector op grote schaal wordt gemobiliseerd, met name onderaan in de productieketen. 4.6 In de EU opereren veel kleine bosbouwbedrijfjes. Men zal er zich veel aan gelegen moeten laten liggen om deze te organiseren en tot samenwerking aan te zetten, zodat de bosbouwsector zich verder kan ontwikkelen en het opwekken van energie op basis van hout kan worden geïntensiveerd. De EU zou steun kunnen verlenen bij het opbouwen van de know-how en capaciteit van organisaties in deze sector. 4.7 Concurrerende energievormen worden dikwijls tot ontwikkeling gebracht in een marktsituatie, gekenmerkt door monopolisme, waardoor het uiterst moeilijk is lokaal en regionaal een goed functionerende houtmarkt van de grond te krijgen. 4.8 De brandstoffenmarkt kent geen grenzen. Ook elektriciteit kan in grote hoeveelheden van het ene land naar het andere worden getransporteerd. Toch is Europa niet geheel zelfvoorzienend wat zijn energieproductie betreft en zal het dat in de toekomst ook niet kunnen zijn. Om de energievoorziening van de EU te verbeteren, zal er doelgerichter naar moeten worden gestreefd, het eigen aandeel van de EU in de energieproductie te vergroten en een eind te maken aan de afhankelijkheid van invoer. 5. Houtbrandstoffen en bevordering van het gebruik daarvan 5.1 Hout speelt een belangrijke rol in de energievoorziening in landen met veel bos. Omdat slechts 50 % van het door bossen geboden potentieel wordt benut voor industriële doeleinden, moet ernaar worden gestreefd om gebruik te maken van kapafval en materiaal dat overblijft bij de energieproductie. Vanuit een oogpunt van duurzame ontwikkeling is hernieuwbare houtenergie altijd een beter alternatief dan productie op basis van fossiele grondstoffen. Aldus wordt ook bijgedragen tot een verantwoord en duurzaam beheer van bossen, waarbij vooral moet worden gedacht aan bosvernieuwing en het uitdunnen van jonge bossen. 5.2 Hout is een hernieuwbare natuurlijke hulpbron en houtproducten hebben tevens een functie bij de opname van kooldioxide. Houtproducten worden ook steeds vaker gerecycleerd. 5.3 Na allerlei recyclingprocessen kan een houtproduct ten slotte worden verbrand en aldus nieuwe energie opwekken. Op dezelfde manier kunnen alle restproducten uit de houtverwerkende en — bewerkende industrie als grondstof voor energieopwekking worden gebruikt. Houtverwerking en energieopwekking zijn dus in combinatie met elkaar een effectieve milieuvriendelijke factor. 5.4 Hout als brandstof is geschikt om te voldoen aan de energiebehoeften van eigen woningen, flatgebouwen en fabrieken en kan worden gebruikt bij stadsverwarming. De meest effectieve wijze om elektriciteit op te wekken is in het kader van stadsverwarming of als nevenproduct bij industriële procédés met verwarmings- en processtoom (zog. WWK-productie ofwel warmtekrachtkoppeling). 5.5 Kooldioxidebelasting zou een goed middel zijn om de concurrentiepositie van houtenergie op de energiemarkt te verbeteren. Verder kan het verbruik van energie op basis van hout worden opgevoerd via middelen voor het stimuleren van de brandstofproductie, zoals financiële steun aan boseigenaren ter dekking van de kosten van houtkap op lokaties waar geen grondstoffen worden gewonnen voor de industrie. Zo'n kooldioxidebelasting mag er natuurlijk niet toe leiden dat de houtvoorrraden afnemen, anders komt de functie van bossen als CO2-opnamepunt in het gedrang. Aanvullend zouden boseigenaren dus fiscaal beloond moeten worden voor een toename van de voorraden en de daarmee gepaard gaande opname van CO2. 5.6 Beleidsinstrumenten ter bevordering van het gebruik van hout als brandstof vergroten ook de vraag naar die soorten houtgrondstof die geschikt zijn om te worden verwerkt tot bouwplaten. Warmte wordt alleen regionaal geproduceerd op plaatsen waar behoefte is aan energie, zodat er een met energieproductie geïntegreerde houtbewerkende industrie zal moeten worden ontwikkeld waarin ook gerecycled hout kan worden gebruikt. 5.7 De houtverwerkende sector heeft als structureel voordeel dat de productie-eenheden reeds over bedrijfsklare logistieke middelen beschikken, die ook geschikt zijn om houtgrondstoffen te oogsten en te exploiteren. 5.8 De concurrentiepositie van houtenergie kan ook worden verbeterd d.m.v. belastingverlichtingen, bijv. door verlaging van het BTW-tarief op houtpellets, brandhout en elektriciteit uit hout. 5.9 Om snel de elektriciteitsproductie op basis van hout op gang te krijgen, zouden producenten die stroom opwekken uit hout, concurrerende prijzen voor hun product moeten kunnen krijgen. Degenen die investeren in productie-eenheden, moeten de mogelijkheid hebben in te schatten hoeveel hernieuwbare houtgrondstoffen voorradig zijn en in hoeverre productie-investeringen lonend zijn. 5.10 Teneinde het aandeel hernieuwbare energievormen op de elektriciteitsmarkt te vergroten heeft een aantal lidstaten steunregelingen ingevoerd, gebaseerd op quota's en inkoopprijzen (gegarandeerde vaste prijzen voor hernieuwbare energie). Deze regelingen zijn in veel landen noodzakelijk om het gebruik van energie uit hout te bevorderen. Groene-stroomcertificaten voor elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen, m.n. hout, kunnen het verbruik van houtenergie stimuleren. 5.11 In het beginstadium zou er investeringssteun moeten worden toegekend aan productie-eenheden waar energie op basis van hout wordt opgewekt, en zou de aanschaf van machines en speciale apparatuur, nodig voor de opwekking, gesubsidieerd moeten worden, want met de oprichting van dergelijke productie-eenheden zijn zeer hoge kosten gemoeid. 5.12 Ook O&TO-activiteiten moeten worden ondersteund. Hierbij gaat het in de eerste plaats om ontwikkeling van de houtoogstmethoden, de technologie, de energie-opwekking en het gebruik van houtbrandstoffen. Daarnaast zouden in het kader van het bosbeheer scenario's en prognoses moeten worden uitgewerkt die gericht zijn op een algehele duurzame ontwikkeling van bossen waarbij tevens oog is voor de instandhouding van de biodiversiteit. Ook moet worden onderzocht hoe de restproducten van de cellulose-industrie kunnen worden benut bij het ontwikkelen van brandstoffen met een hoge verwerkingsgraad, zoals vloeibare brandstof voor voertuigen. 5.13 Het gebruik van hout als brandstof kan worden opgevoerd als bijv. de uitstoot van zwavel nog strikter aan banden wordt gelegd. Het zou ook goed zijn als er belasting werd geheven op emissies, slakken en andere afvalproducten die ontstaan bij het gebruik van andere brandstoffen. 5.14 De markt voor houtbrandstoffen en vooral brandhout is plaatselijk gebonden, maar als er meer houtenergie in de EU wordt verbruikt, brengt dit meer arbeidsplaatsen in de machine- en apparatenbouw met zich mee, omdat de uitrusting die nodig is om hout langs mechanische weg uit het bos te transporteren, min of meer dezelfde is in de verschillende landen. Er zijn ook speciale machines en apparaten nodig voor de productie van pellets, briketten en andere verwerkte houtbrandstoffen. Voor het opwekken van energie zijn heel wat ketels en andere voorzieningen nodig die een grote economische waarde en een belangrijk groeipotentieel vertegenwoordigen. Uitbreiding van het gebruik van houtenergie biedt ook goede kansen voor de export van technologie naar derde landen. 5.15 De overdracht van technologie en het verspreiden van informatie tussen de lidstaten van de EU vragen om grootschalige voorlichtingsactiviteiten. Verschillende ngo's kunnen hier een rol spelen. Campagnes kunnen geheel of gedeeltelijk worden gefinancierd uit de openbare middelen. 5.16 De financiële middelen kunnen het meest effectief worden aangewend als de besluitvorming aan de lidstaten wordt overgelaten en de EU een coördinerende rol speelt. 6. Werkgelegenheid en plattelandsontwikkeling 6.1 Hout is een belangrijke hernieuwbare natuurlijke hulpbron die kan worden gebruikt om het platteland tot ontwikkeling te brengen en arbeidsplaatsen te genereren. De directe netto-effecten voor de werkgelegenheid worden geschat op ruim 1000 manjaren per miljoen kubieke meter hout en de totale effecten, incl. multiplicatoreffecten, op 1500 à 2000 manjaren [16]. Het gebruik van brandhout door particuliere huishoudens is hier niet onder begrepen. 6.2 Als in plaats van ingevoerde brandstoffen houtbrandstoffen worden gebruikt, betekent dit dat voor de aankoop van brandstoffen geen kapitaal meer verdwijnt naar het buitenland, maar dat wordt geïnvesteerd in plaatselijke werkgelegenheid en andere lokale en regionale objecten. Hoe groot de totale effecten zullen zijn, hangt er vanaf hoeveel ingevoerde brandstoffen er uiteindelijk worden vervangen door lokaal en regionaal geproduceerde brandstoffen. 6.3 Vervanging van ingevoerde brandstoffen door houtbrandstoffen komt de werkgelegenheid van de plaatselijke plattelandsbevolking ten goede. Het gaat om kleinschalige bedrijven die meer know-how en ontwikkelingssteun nodig hebben om te kunnen groeien. Als men het houtverbruik en de houtenergie wil opvoeren, is het zaak om de houtkapsector tot ontwikkeling te brengen en ondernemingsmodellen op te stellen. 6.4 In de bosrijke nieuwe lidstaten wordt door particuliere huishoudens op het platteland nog altijd betrekkelijk veel brandhout verstookt, terwijl er vrij weinig industriële toepassingsmogelijkheden voor hout zijn. Houtenergie is ook bij uitstek geschikt om naast restproducten van kleinschalige zagerijen te worden gebruikt. 6.5 Om de miljoenen kleine boseigenaren in Europa een actieve rol te laten spelen op de houtenergiemarkt, moet er een marktgeoriënteerde samenwerking op gang worden gebracht, bijv. via verenigingen of joint ventures. Dit is naar de mening van velen de sleutel tot de benutting van het "slapende" houtpotentieel. Ook is het zaak de samenwerking, vooral onderaan in de houtproductieketen en tussen de verschillende betrokkenen, te verbeteren. Zeker in veel nieuwe en kandidaat-lidstaten zijn de boseigenaren nog maar slecht georganiseerd. Organisaties van boseigenaren en andere betrokkenen in tal van oude lidstaten hebben bewezen dat ze het meest effectieve instrument zijn om boseigenaren te scholen en hen ertoe aan te zetten hernieuwbare houtenergie op de markt te brengen. Als de samenwerking goed verloopt, kan dit belangrijke kostenbesparingen opleveren bij het oogsten van houtgrondstoffen. 6.6 Ook machinewerkplaatsen zullen veel meer nieuwe mensen tewerk kunnen stellen als meer gebruik wordt gemaakt van houtbrandstoffen en als de verwerkingsgraad van de producten hoger wordt. Brussel, 15 maart 2006. De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité Anne-Marie Sigmund [1] Richtlijn 2001/77/EG, PB L 283, 27.10.2001, blz. 35, art. 2(b). [2] Richtlijn 96/92/EG, PB L 27, 30.1.1997, blz. 20-29. [3] Richtlijn 98/30/EG, PB L 204, 21.7.1998, blz. 1-2. [4] COM(97) 599 final, 26.11.1997. [5] COM(2004) 366 final, 25.5.2004. [6] COM(2000) 769 final, 1.12.2000. [7] Richtlijn 2001/77/EG, PB L 283, 27.10.2001, blz. 33-40. [8] Richtlijn 2003/30/EG, PB L 123, 17.5.2003, blz. 42-46. [9] Richtlijn 2003/96/EG, PB L 283, 31.10.2003, blz. 51-70. [10] Richtlijn 2003/87/EG, PB L 275, 25.10.2003, blz. 32-46. [11] Richtlijn 2004/101/EG, PB L 338, 13.11.2004, blz. 18-13. [12] COM(2005) 628 final, 7.12.2005. [13] Richtlijn 2004/8/EG, PB L 52, 21.2.2004, blz. 50-66. [14] COM(2005) 84 final, 10.3.2005. [15] CESE 1252/2005, PB C 28, 3.2.2006, blz. 57-65. [16] Zie bronnenlijst. --------------------------------------------------