Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG wat betreft banken die zijn aangesloten bij centrale instellingen, bepaalde eigenvermogensbestanddelen, grote posities, het toezichtkader en het crisisbeheer {SEC(2008) 2532} {SEC(2008) 2533} /* COM/2008/0602 def. - COD 2008/0191 */
[pic] | COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN | Brussel, 1.10.2008 COM(2008) 602 definitief 2008/0191 (COD) Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG wat betreft banken die zijn aangesloten bij centrale instellingen, bepaalde eigenvermogensbestanddelen, grote posities, het toezichtkader en het crisisbeheer {SEC(2008) 2532} {SEC(2008) 2533} TOELICHTING 1. ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL Eén enkele financiële EU-markt is van essentieel belang om het concurrentievermogen van de Europese economie te bevorderen en de kapitaalkosten voor het bedrijfsleven te verlagen. Met het Actieplan voor financiële diensten 1999-2005 moest de grondslag worden gelegd voor een sterke financiële EU-markt. Het plan had drie strategische doelen: - totstandbrenging van een interne wholesalemarkt voor financiële diensten; - totstandbrenging van open en veilige retailmarkten; - modernisering van de prudentiële regels en het toezicht. In dit verband is in juni 2006 op basis van het Bazel II-akkoord van de G-10 een nieuw kader voor kapitaalvereisten vastgesteld: de Richtlijn Kapitaalvereisten (RKa) bestaande uit de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG. Met het huidige voorstel moet in brede zin worden voorkomen dat de effectiviteit van de RKa wordt ondermijnd. Bij de herziening gaat het om een: - wijziging van voorschriften uit voorgaande richtlijnen, zoals de regeling voor grote posities en de afwijkingsregeling waarbij banknetwerken niet aan bepaalde prudentiële vereisten hoeven te voldoen; - vaststelling van uitgangspunten en regels die niet op EU-niveau waren geformaliseerd, zoals de behandeling van hybride kapitaalinstrumenten binnen het oorspronkelijk eigen vermogen; - verduidelijking van het toezichtkader voor crisisbeheer en oprichting van colleges die de efficiëntie en effectiviteit van het toezicht moeten vergroten. Op andere gebieden is een herziening van de regels noodzakelijk geworden door de onrust op de financiële markten die in 2007 uitbrak. Het doel van deze herziening is tweeledig: een deugdelijke bescherming van de belangen van crediteuren en waarborging van de financiële stabiliteit. Voorts moeten inconsistenties die bij de omzetting van de RKa aan het licht zijn gekomen, worden geëlimineerd om te voorkomen dat de onderliggende RKa-doelen niet worden ondermijnd. Ze zijn merendeels van technische aard en er zijn afzonderlijke comitologiemaatregelen voor getroffen. 2. RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDE PARTIJEN Van 16 april tot 17 juni 2008 heeft op internet een openbare raadpleging plaatsgevonden. De Commissie ontving 118 reacties. Deze reacties zijn met uitzondering van die welke als vertrouwelijk zijn aangemerkt, te vinden op: http://circa.europa.eu/Public/irc/markt/markt_consultations/library?l=/financial_services/cross-sector_issues&vm=detailed&sb=Title. Drie problemen zijn vaak te berde gebracht. Deze verdienen dus bijzondere aandacht. 2.1. Grote interbancaire posities De Commissie acht interbancaire posities niet zonder risico en een verstandig beheer ervan wenselijk. Zij stelt voor om alle interbancaire posities tezamen te beperken tot 25% van het eigen vermogen of anders 150 miljoen euro, als dit laatste bedrag hoger is. 2.2. Kapitaalvereisten voor securitisatie In het raadplegingsdocument is gesteld dat initiatoren voor de door hen gesecuritiseerde vorderingen een bepaald percentage aan kapitaal moeten aanhouden. In reactie op de raadpleging wordt thans voorgesteld dat initiatoren en sponsoren een deel van de risico's moeten blijven dragen en dat beleggers ervoor moeten zorgen dat dit ook inderdaad het geval is. Op basis van de reacties op een verdere openbare raadpleging houdt de Commissie vast aan haar eis dat aantoonbaar de nodige zorgvuldigheid en gestrengheid moeten worden betracht in het bedrijfsmodel van het verstrekken, verpakken en verhandelen van kredieten ("originate to distribute" – OTD). 2.3. Colleges van toezichthouders Volgens het raadplegingsdocument is het noodzakelijk om voor alle grensoverschrijdende banken "colleges" van toezichthouders op te richten waarin toezichthouders overleg plegen en tot overeenstemming komen over concrete zaken, en om daarbij een mechanisme van niet-bindende bemiddeling via het Comité van Europese bankentoezichthouders (CEBS) in te stellen, zonder dat getornd wordt aan de taakverdeling tussen de toezichthouders van de lidstaat van herkomst en die van de lidstaat van ontvangst. De meeste belanghebbenden vonden het om verschillende redenen geen goed voorstel. De effectiviteit en efficiëntie van het toezicht van dergelijke colleges op bankgroepen moeten echter centraal blijven staan. Daarom acht de Commissie het niet alleen wenselijk dat een grotere informatiestroom op gang komt, maar ook dat de consoliderende toezichthouder het laatste woord krijgt over twee centrale aspecten (kapitaalvereisten tweede pijler en rapportageverplichtingen). 2.4. Deskundigheid Van 2005 tot 2007 heeft de Commissie het CEBS diverse malen om advies gevraagd over hybride kapitaalinstrumenten en grote posities. Wat hybride kapitaalinstrumenten betreft, heeft het CEBS voorgesteld dat hybride instrumenten aan bepaalde voorwaarden moeten voldoen voordat ze in de EU als Tier 1-kapitaal kunnen worden erkend. Wat grote posities betreft, is het CEBS met voorstellen gekomen op het gebied van definities, het toepassingsgebied van de regeling voor grote posities, positielimieten en de berekening van de waarde van posities. Met de uitgangspunten die zijn geformuleerd in de reacties van het comité, is in grote lijnen rekening gehouden. De CEBS-adviezen zijn te vinden op: http://www.c-ebs.org/Advice/advice.htm. De diensten van de Commissie hebben ook een werkgroep opgericht met vertegenwoordigers van het EBC, die in 2007 en 2008 in totaal negenmaal bijeen is gekomen. Op zijn bijeenkomst van 20 juni 2008 heeft het een ontwerp van dit voorstel formeel goedgekeurd. 3. EFFECTBEOORDELING De effectbeoordeling is te vinden op de volgende website: http://ec.europa.eu/internal_market/bank/regcapital/index_en.htm#capitalrequire. Al met al zijn meer dan zestig verschillende beleidsopties beoordeeld. Hieronder wordt in het kort beschreven aan welke beleidsopties op elk van de zes themagebieden van de effectbeoordeling de voorkeur is gegeven en welke gevolgen deze opties vermoedelijk zullen hebben voor de voornaamste belanghebbenden. 3.1. Grote posities Een gewijzigde, op limieten gebaseerde backstopregeling wordt het meest effectief geacht omdat deze bij uitstek geschikt is om de geconstateerde tekortkomingen van de huidige regeling te verhelpen. Voorts worden in deze optie de kosten en baten het eerlijkst verdeeld over de verschillende groepen van belanghebbenden. Door een sterkere harmonisatie van de regeling en door een nauwere afstemming ervan op de solvabiliteitsregeling zal het bankwezen administratieve kosten besparen. Bepaalde soorten beleggingsondernemingen zullen worden vrijgesteld van de regeling. Belangrijk is ook dat de financiële stabiliteit toeneemt dankzij de zekerheid dat het maximale risico van een bepaalde kredietinstelling op een derde wordt beperkt. 3.2. Hybride kapitaalinstrumenten De huidige tekortkomingen kunnen worden verholpen met een gemeenschappelijk Europees regelgevingskader dat de convergentie tussen de lidstaten en sectoren bevordert en daarmee leidt tot een gelijker speelveld op de interne markt. Met duidelijke EU-regelgeving zal de kwaliteit van kapitaal vanuit het oogpunt van de sector en de toezichthouders verbeteren en zullen beleggers kunnen profiteren van een groter aanbod en een grotere liquiditeit. 3.3. Herkomst-ontvangst en crisisbeheer Colleges bestaande uit autoriteiten die toezicht houden op groepsentiteiten in de verschillende lidstaten, zoeken een oplossing voor eventuele geschillen en overlappingen op toezichtgebied. Daarnaast worden de bevoegdheden van de consoliderende toezichthouder versterkt. In crisissituaties zullen de belanghebbenden profiteren van het feit dat de toezichthouders nauwer samenwerken en de taken duidelijker zijn verdeeld. Geschillen worden beslecht via bemiddelingsmechanismen en financiële spanningen kunnen vroegtijdig aan het licht komen dankzij periodieke uitwisselingen van informatie. 3.4. Afwijkingsregeling waarbij banknetwerken niet aan bepaalde prudentiële vereisten hoeven te voldoen Het is wenselijk om de situatie te "legaliseren" in de lidstaten die de afwijkingen ingevolge artikel 3 van de RKa ná de genoemde termijnen in hun rechtssysteem hebben geïmplementeerd. In andere lidstaten ontstaat daarmee voor EU-banknetwerken met activa van me er dan 311 miljard euro en met meer dan vijf miljoen leden de mogelijkheid om ook in aanmerking te komen voor de toezichtregeling ingevolge dit artikel. Bij dergelijke netwerken gaat het doorgaans, maar niet uitsluitend, om coöperatieve banken. 3.5. Behandeling van instellingen voor collectieve belegging (ICB's) in de interne-ratingbenadering (IRB) Een solide en risicogevoelig alternatief voor de behandeling van positie s jegens ICB's is een meer gerichte verhoging van de standaardrisicogewichten. Daarbij valt de stijging van het risicogewicht lager uit bij posities met een goede rating en hoger uit bij posities met een lagere of geen rating. 3.6. Kapitaalvereisten en risicobeheer bij securitisatieposities Mogelijke belangenconflicten in het OTD-model moeten worden tegeng egaan. Daarom moeten initiators en sponsors van de overdracht van het kredietrisico een deel van de door hen aangegane risico's zelf blijven dragen. Om die reden zullen beleggers ervoor moeten zorgen dat een wezenlijk deel van de risico's en in elk geval niet minder dan 5% van het totaal bij de initiators en sponsors blijft, ongeacht of de initiators en sponsors onder de RKa vallen of niet. Een steviger en strenger securitisatiekader moet ertoe leiden dat doordachter risico's worden aangegaan en dat een herhaling van de enorme verliezen die beleggers en financiële instellingen in de afgelopen 18 maanden hebben geleden, wordt voorkomen. 4. JURIDISCHE ELEMENTEN VAN HET VOORSTEL Een richtlijn tot wijziging van de huidige richtlijnen is het meest aangewezen instrument. Het voorstel is gebaseerd op artikel 47, lid 2, van het Verdrag. Deze bepaling vormt de rechtsgrond voor de vaststelling van communautaire maatregelen om een interne markt voor financiële diensten tot stand te brengen. Overeenkomstig het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel van artikel 5 van het EG-Verdrag kunnen de doelstellingen van het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten worden verwezenlijkt en kunnen deze derhalve beter door de Gemeenschap worden verwezenlijkt. De bepalingen van de richtlijn gaan niet verder dan hetgeen nodig is om de nagestreefde doelen te bereiken. Alleen middels Gemeenschapswetgeving kunnen kredietinstellingen en groepen van kredietinstellingen die in meer dan een lidstaat actief zijn, worden onderworpen aan dezelfde prudentiële vereisten. Daardoor ontstaat een gelijk speelveld, worden onnodige nalevingskosten bij grensoverschrijdende activiteiten voorkomen en wordt een verdere integratie van de interne markt mogelijk. Een communautair optreden zorgt ook voor een hoge mate van financiële stabiliteit in de EU. Dit voorstel leidt niet tot een grotere administratieve belasting voor de lidstaten of marktdeelnemers. Integendeel, de regeling voor grote posities wordt vereenvoudigd en rapportageverplichtingen worden beperkt. De harmonisatie van de behandeling van hybride kapitaalinstrumenten leidt ook tot een vereenvoudiging en daarmee tot een beperking van de administratieve belasting voor banken die grensoverschrijdend opereren. 5. GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING Het voorstel heeft geen gevolgen voor de begroting van de Gemeenschap. 6. NADERE UITLEG VAN HET VOORSTEL 6.1. Hybride kapitaal (hoofdstuk 2, afdeling 1, van Richtlijn 2006/48/EG) Hybride kapitaalinstrumenten zijn effecten met de kenmerken van zowel eigen als vreemd vermogen. Dergelijke instrumenten worden uitgegeven om de kapitaalbehoefte van banken te dekken en zijn interessant voor beleggers die meer risico willen nemen dan bij vastrentende (vreemdvermogens)producten en die dus ook een hoger rendement verwachten. Gewoonlijk worden deze instrumenten zo ontworpen dat ze voor regelgevingsdoeleinden als "oorspronkelijk eigen vermogen" in aanmerking komen. Het gebrek aan EU-wetgeving heeft EU-breed geleid tot uiteenlopende erkenningscriteria en limieten, met als gevolg een ongelijk speelveld en de mogelijkheid tot regelgevingsarbitrage voor banken die op de interne markt opereren, aangezien de verschillen in behandeling tussen de lidstaten van invloed zijn op de emissiekosten van hybride kapitaalinstrumenten. 6.1.1. Onderscheid tussen het "kernbestanddeel" van het eigen vermogen van een bank en hybride kapitaalinstrumenten die als oorspronkelijk eigen vermogen van een bank kunnen worden erkend (artikel 57, onder a) en c bis), van Richtlijn 2006/48/EG) Tot dusver bestaat er nog geen duidelijke terminologie voor de beschrijving van hybride instrumenten die als oorspronkelijk eigen vermogen van een bank ("Tier 1"-kapitaal) kunnen worden erkend. Aangezien een opsomming van afzonderlijke instrumenten in de richtlijn vanwege de voortdurende innovaties al gauw gedateerd zou zijn, zijn er beginselen uitgewerkt aan de hand waarvan kan worden vastgesteld welke hybride kapitaalinstrumenten als "oorspronkelijk eigen vermogen" kunnen worden erkend. Het kernkapitaal binnen het oorspronkelijk eigen vermogen van een bank omvat alle instrumenten die onder de nationale definitie van aandelenkapitaal vallen, verliezen in normale situaties volledig opvangen en bij liquidatie de meest achtergestelde schuldvordering vormen. Meer in het bijzonder moeten deze instrumenten voor een bank zowel in normale omstandigheden als bij liquidatie de laatste "verdedigingslinie" vormen. Doorgaans bestaan deze instrumenten uit gewone aandelen en agio's, maar meer in het algemeen valt daaronder elk instrument waaraan geen preferente rechten zijn verbonden bij ongunstige economische resultaten. Er zijn echter ook instrumenten die daar niet onder vallen, zoals preferente aandelen, waaraan preferente rechten zijn verbonden bij dividenduitkeringen en liquidatie en die daardoor tot de hybride kapitaalinstrumenten worden gerekend. 6.1.2. Erkenningscriteria (artikel 63 bis, van Richtlijn 2006/48/EG) Hybride kapitaalinstrumenten kunnen als "oorspronkelijk eigen vermogen" worden erkend als ze verliezen opvangen, de mogelijkheid tot schrapping van uitkeringen in crisissituaties bieden, bij liquidatie ver achtergesteld zijn en permanent beschikbaar zijn zodat vaststaat dat ze in crisissituaties kunnen worden ingezet ter bescherming van inleggers en andere crediteuren. Deze criteria zijn overeengekomen op G-10-niveau en in 1998 in een persbericht bekendgemaakt, maar niet omgezet in EU-wetgeving. Dergelijke instrumenten gelden als permanent beschikbaar als ze ofwel ongedateerd zijn ofwel een oorspronkelijke looptijd van meer dan dertig jaar hebben. Wel kunnen ze eerder worden afgelost, maar alleen op initiatief van de uitgevende instelling, met goedkeuring van de toezichthouder en bij vervanging ervan door kapitaal van dezelfde kwaliteit, tenzij de toezichthouder bepaalt dat er voldoende kapitaal is. Toezichthouders moeten ook de bevoegdheid krijgen om, afhankelijk van de solvabiliteit van de bank, de aflossing van gedateerde instrumenten op te schorten. De instrumenten kunnen pas worden erkend als ze ook de mogelijkheid bieden om uitkeringen te schrappen of om ze af te lossen zolang aan de minimumkapitaalvereisten wordt voldaan. Ze mogen niet cumulatief zijn, met andere woorden, als een bedrag niet wordt uitgekeerd, dient het te vervallen en mag het niet langer verschuldigd of betaalbaar zijn. Wel is een alternatief mechanisme toegestaan waarbij betaling in natura plaatsvindt (bijv. door de uitgifte van nieuwe aandelen), maar alleen onder strenge, door de toezichthouders gestelde voorwaarden (waarbij de kosten door de aandeelhouders worden gedragen in de vorm van een verwatering van hun aandelenbelang). De instrumenten moeten bij liquidatie verliezen opvangen, maar de instelling ook helpen om haar lopende werkzaamheden voort te zetten, en ze mogen geen belemmering vormen voor een herkapitalisatie van de uitgevende instelling. Hybride kapitaalinstrumenten mogen dus alleen voorrang krijgen boven gewoon aandelenkapitaal en dienen ondergeschikt te zijn aan de hybride kapitaalinstrumenten van het aanvullend eigen vermogen van een bank. 6.1.3. Kwantitatieve beperkingen (artikel 66 van Richtlijn 2006/48/EG) De in artikel 57, onder a), genoemde "kernkapitaalbestanddelen" van banken en beleggingsondernemingen mogen niet voor een al te groot deel bestaan uit hybride kapitaalinstrumenten. Daarom stelt de Commissie een limitering op basis van verschillende categorieën voor. Het belangrijkste criterium voor het onderscheid tussen de verschillende categorieën, de convertibiliteit van hybride kapitaalinstrumenten in noodgevallen, vormt een stimulans om hybride kapitaalinstrumenten te ontwikkelen die de kwaliteit van kapitaal in crisissituaties (door een vergroting van het aandeel van kernkapitaal) verhogen. In noodsituaties mogen de toezichthoudende autoriteiten de limieten dan tijdelijk opheffen. De meest achtergestelde instrumenten van een kredietinstelling die volgens nationaal recht geen eigenaars of aandeelhouders heeft, zoals de ledencertificaten van sommige coöperatieve banken, moeten worden behandeld als convertibele hybride kapitaalinstrumenten voor zover het kapitaal is gestort en achtergesteld is bij alle andere schuldvorderingen. 6.1.4. Overgangsbepalingen (artikel 154, leden 8 en 9, van Richtlijn 2006/48/EG) De Commissie erkent dat hybride kapitaalinstrumenten als financieringsbron een belangrijke rol spelen en dat de nieuwe regelgeving niet al te ingrijpende gevolgen mag hebben. Daarom biedt het voorstel ondernemingen die nog niet aan de nieuwe kwantitatieve limieten voldoen, de mogelijkheid om zich over een periode van dertig jaar geleidelijk in te stellen op de nieuwe regels. 6.1.5. Openbaarmakingsvoorschriften (bijlage XII, deel 2, punt 3, onder a) en b), van Richtlijn 2006/48/EG) In verband met de vaststelling van criteria waaraan hybride kapitaalinstrumenten moeten voldoen om als oorspronkelijk eigen vermogen te worden erkend, moet bijlage XII worden aangepast. In het onderhavige voorstel wordt daarmee rekening gehouden. Banken moeten concrete informatie verschaffen over hybride kapitaalinstrumenten, en met name die welke alleen in de overgangsperiode kunnen worden erkend. 6.2. Grote posities De huidige RKa berust op de algemene aanname dat banken hun risico's spreiden. Niettemin kunnen instellingen blootstaan aan grote risico's op een en dezelfde cliënt of groep van verbonden cliënten. In extreme situaties kan de vordering deels of zelfs geheel verloren gaan. Met de regeling voor grote posten moet worden voorkomen dat een instelling onevenredig grote verliezen lijdt doordat een individuele cliënt (of een groep van verbonden cliënten) door onvoorziene gebeurtenissen in gebreke blijft. In 1987 heeft de Europese Commissie daarover al een aanbeveling[1] gepubliceerd. In 1992 volgde een richtlijn[2]. Aangezien bij de vaststelling van de RKa de wijzigingen in de regeling voor grote posities qua aantal en omvang beperkt zijn gebleven, is deze eigenlijk al zestien jaar min of meer hetzelfde. Derhalve is in artikel 119 van Richtlijn 2006/48/EG en artikel 28, lid 3, van Richtlijn 2006/49/EG bepaald dat de bestaande voorschriften aan een diepgaandere evaluatie moeten worden onderworpen en dat het bij het Europees Parlement en de Raad in te dienen verslag zo nodig vergezeld moet gaan van passende voorstellen. De huidige RKa-voorschriften vertonen diverse tekortkomingen: hoge kosten voor de sector, waaronder onnodige nalevingkosten voor bepaalde soorten beleggingsondernemingen, onduidelijkheden en geen gelijk speelveld. Daarnaast wordt marktfalen bij bepaalde soorten posities (bijv. posities jegens instellingen) in de huidige regeling niet effectief aangepakt. Hogere kosten voor de belastingbetaler en kapitaalinefficiënties zijn het gevolg. Deze tekortkomingen worden verholpen door de nationale beleidsruimte waar mogelijk te elimineren, bepaalde soorten beleggingsondernemingen vrij te stellen van de regeling, de gehanteerde methoden nauwer af te stemmen op de voor kapitaaltoereikendheidsdoeleinden gehanteerde methoden, de rechtszekerheid door verduidelijking van definities te vergroten en de behandeling van bepaalde soorten posities (bijv. posities jegens instellingen) aan te passen. 6.2.1. Definities (artikel 4, punt 45, en artikel 106 van Richtlijn 2006/48/EG) Wat de definitie van het begrip "verbonden cliënten" in artikel 4 betreft, hebben de toezichthoudende autoriteiten zich tot dusver alleen gericht op de actiefzijde van de entiteiten in kwestie om uit te maken of de ene entiteit betalingsmoeilijkheden kan ondervinden vanwege de financiële problemen van de andere entiteit. Uit recente marktontwikkelingen is gebleken dat twee of meer ondernemingen ook onderling financieel afhankelijk kunnen zijn (en een duidelijk risico opleveren) omdat zij door een en hetzelfde vehikel zijn gefinancierd. Daarom houdt het voorstel niet alleen rekening met het risico dat voortvloeit uit de werkzaamheden en activa van de twee entiteiten, maar ook met het risico dat voortvloeit uit de passiva of de financiering ervan. 6.2.2. Vereenvoudiging van de regeling voor grote posities (hoofdstuk 2, afdeling 5, van Richtlijn 2006/48/EG) De rapportageverplichtingen van artikel 110 zijn vereenvoudigd en geharmoniseerd. Deze verplichtingen vormen een van de voornaamste punten van kritiek van de sector op de huidige regeling. Voortaan is geen tussentijdse verslaggeving meer nodig en moeten instellingen die de IRB-methode hanteren, hun twintig grootste, niet-vrijgestelde posities op geconsolideerde basis melden. Momenteel gelden voor grote posities allerlei limieten. Deze structuur is in artikel 111 vereenvoudigd: voortaan is er nog maar één limiet van 25%. De lijst van vrijstellingen in artikel 113 is momenteel lang en leidt tot gecompliceerde verschillen tussen de lidstaten en tot een ongelijk speelveld. Alleen posities jegens centrale, regionale en lagere overheden, posities die kenmerkend zijn voor coöperatieve banken, intragroepposities die zijn vrijgesteld in de huidige solvabiliteitsregeling, posities die zijn gedekt door bepaalde zekerheden, en posities die voortvloeien uit niet-opgenomen kredietfaciliteiten, mits de feitelijk opgenomen kredietfaciliteit de voorgeschreven limiet niet overschrijdt, worden nog vrijgesteld. Doordat momenteel verschillende berekenings- en risicolimiteringsmethoden in gebruik zijn, zijn de door financiële ondernemingen en hun toezichthouders te beoordelen resultaten niet bepaald transparanter geworden. In de artikelen 114, 115 en 117 worden de methoden verduidelijkt en zoveel mogelijk aangepast aan de methoden die gebruikt worden in het kader van de kapitaaltoereikendheidsregeling. Om de ondernemingen meer vrijheid te geven, wordt de huidige nationale beleidsruimte met betrekking tot de desbetreffende methoden omgezet in keuzemogelijkheden voor de instellingen zelf. 6.2.3. Interbancaire posities (artikel 111 van Richtlijn 2006/48/EG) Interbancaire posities vormen een duidelijk risico omdat banken ondanks de reglementering in gebreke kunnen blijven. Bij het ingebrekeblijven van een instelling kan een kettingreactie ontstaan, met als mogelijk gevolg een systeemcrisis. Daarom moeten grote interbancaire posities zeer zorgvuldig worden beheerd. Omdat een verlies op een positie jegens een instelling even dramatisch kan uitpakken als elk ander verlies op een positie, acht de Commissie de huidige regeling op basis van een complexe mix van risicogewichten en looptijddifferentiatie niet voorzichtig genoeg. Na bestudering van de resultaten van een kosten-batenanalyse van de diverse regelgevingsbenaderingen is zij tot de conclusie gekomen dat er goede redenen zijn om interbancaire posities op dezelfde wijze te behandelen als elke andere positie, ongeacht de looptijd ervan. De Commissie is aan bepaalde bezwaren tegemoetgekomen door een alternatieve drempel van 150 miljoen euro, alsook ontheffingen voor banken die in netwerken opereren, voor spaarbanken (alleen onder bepaalde voorwaarden) en voor bepaalde soorten posities die verband houden met clearing- en afwikkelingstransacties, toe te staan. 6.2.4. Ontheffing voor bepaalde beleggingsondernemingen (artikel 28 van Richtlijn 2006/49/EG) De huidige regeling zadelt bepaalde beleggingsondernemingen met onnodige nalevingskosten op, zonder dat daar duidelijke sociale baten tegenover staan. Daarom wordt voorgesteld om beleggingsondernemingen met een "beperkte vergunning" en met "beperkte werkzaamheden" ontheffing te verlenen voor de regeling voor grote posities van Richtlijn 2006/49/EG. 6.3. Toezichtkader 6.3.1. Informatie-uitwisseling en samenwerking – artikelen 40, 42 bis, 42 ter, 49 en 50 van Richtlijn 2006/48/EG In noodsituaties is een vlotte en onbelemmerde multilaterale uitwisseling van informatie van groot belang. Daarom wordt voorgesteld om in artikel 42 bis de informatierechten te verbeteren van de autoriteiten uit de lidstaat van ontvangst die toezicht houden op systeemrelevante bijkantoren, en om in de artikelen 49 en 50 het rechtskader voor de mededeling van informatie aan de ministeries van Financiën en aan de centrale banken te preciseren. In artikel 42 bis van het voorstel wordt aangegeven wat onder een systeemrelevant bijkantoor wordt verstaan. De toegang tot relevante informatie wordt vergemakkelijkt doordat houders van toezicht op systeemrelevante bijkantoren worden betrokken bij colleges van toezichthouders. De consoliderende toezichthouder beslist over deze deelname op basis van de te bespreken onderwerpen. Met de eis dat autoriteiten rekening moeten houden met de gevolgen van hun beslissingen voor de financiële stabiliteit in andere lidstaten, schetst artikel 40, lid 3, een Europese dimensie in de besluitvorming van toezichthouders, die van essentieel belang is voor de samenwerking tussen de verschillende autoriteiten. 6.3.2. Colleges van toezichthouders - artikelen 42 bis, 129 en 131 bis (nieuw) van Richtlijn 2006/48/EG De voorgestelde wijzigingen zijn bedoeld om de efficiëntie en effectiviteit van het toezicht op grensoverschrijdende bankgroepen te vergroten door: - de oprichting van colleges van toezichthouders om de taken van de consoliderende toezichthouder en de toezichthouders uit de lidstaat van ontvangst te verlichten; - een gemeenschappelijke besluitvorming over twee centrale aspecten bij het toezicht op groepen (pijler 2 en rapportageverplichtingen), waarbij de consoliderende toezichthouder het laatste woord heeft. Dit wordt gecombineerd met een mechanisme van bemiddeling in gevallen waarin zij het onderling niet eens kunnen worden; - een consequente toepassing van de prudentiële richtlijnvereisten op een bankgroep door de bevoegde autoriteiten die betrokken zijn bij het toezicht op een groep. Om de samenhang in de aanpak van de verschillende colleges te bevorderen, moeten de consoliderende toezichthouders aan het CEBS verslag uitbrengen over de werkzaamheden van de colleges. Colleges zijn ook vereist voor toezichthouders voor grensoverschrijdende entiteiten die in andere lidstaten geen dochterondernemingen, maar wel systeemrelevante bijkantoren hebben. 6.4. Technische wijzigingen 6.4.1. Afwijkingen voor kredietinstellingen die aangesloten zijn bij een centrale instelling (artikel 3 van Richtlijn 2006/48/EG) In artikel 3 van Richtlijn 2006/48/EG wordt voorgesteld de beperkende termijnen (15 december 1977 en 15 december 1979) te schrappen. Door de recente toetreding van nieuwe lidstaten bleek het noodzakelijk om alle lidstaten in aanmerking te laten komen voor de afwijkingen die op grond van dit artikel mogelijk zijn, en niet alleen de landen die dertig jaar geleden al deel uitmaakten van de EU. 6.4.2. Kapitaalvereisten voor beleggingen in instellingen voor collectieve belegging (artikel 87 van Richtlijn 2006/48/EG) Kredietinstellingen vinden dat de kapitaalvereisten voor beleggingen in instellingen voor collectieve belegging (ICB's) zoals gemeenschappelijke beleggingsfondsen, in de IRB te streng zijn wanneer banken geen interne rating voor de ICB-positie kunnen of willen leveren. In het voorstel worden de kapitaalvereisten voor minder riskante ICB-activa verlaagd, maar blijven deze hoog wanneer de activa ofwel een hoog ofwel een onbekend risico lopen. Zo blijft het voor een bank onaantrekkelijk om onbekende risico's op de balans te verbergen achter ICB-beleggingen die niet met voldoende kapitaal worden gedekt. 6.4.3. Securitisatie (nieuw artikel 122 bis van Richtlijn 2006/48/EG) Mogelijke belangenconflicten in het OTD-model moeten worden tegengegaan. Daarom moeten initiators en sponsors van de ondoorzichtigere kredietrisico-overdrachtsinstrumenten zelf een deel van de risico's blijven dragen die aan beleggers worden overgedragen. Om die reden moeten beleggers ervoor zorgen dat een wezenlijk deel (ten minste 5%) van de risico's voor rekening van de initiators en sponsors blijft, ongeacht of de initiators en sponsors onder de RKa vallen of niet. Daarnaast moet ervoor gezorgd worden dat beleggers een gedegen inzicht hebben in de onderliggende risico's en de complexe structurele kenmerken van hetgeen zij kopen. Om met kennis van zaken beslissingen te kunnen nemen, moeten beleggers over gedetailleerde informatie beschikken. 6.4.4. Tegenpartijkredietrisico (bijlage III en artikel 150 van Richtlijn 2006/48/EG) In deze bijlage wordt beschreven hoe de kapitaalvereisten voor het tegenpartijkredietrisico moeten worden berekend. De voorgestelde technische wijzigingen zijn bedoeld om een aantal problemen glad te strijken die bij de omzetting van de RKa zijn gesignaleerd. De inhoud van de bijlage ondergaat geen wezenlijke veranderingen. Wel wordt meer duidelijkheid verschaft over en meer lijn gebracht in de toepassing ervan. Voortaan moeten technische wijzigingen in bijlage III worden vastgesteld volgens de comitologieprocedure. Momenteel wordt bij de uitvoeringsbevoegdheden niet expliciet verwezen naar deze bijlage. 6.4.5. Liquiditeitsrisico (bijlagen V en XI van Richtlijn 2006/48/EG) De huidige onrust op de markt heeft duidelijk gemaakt dat liquiditeit van doorslaggevend belang is voor een gezond bankwezen. Met de voorgestelde wijzigingen worden de door het CEBS en het Bazels Comité voor het bankentoezicht uitgewerkte solide beginselen voor het beheer van het liquiditeitsrisico overgenomen. Blijkens de voorgestelde wijzigingen in bijlage V moet de raad van bestuur een passend tolerantieniveau voor het liquiditeitsrisico vaststellen. De voorgestelde wijzigingen in bijlage XI zijn bedoeld om banken te stimuleren een beter inzicht te krijgen in hun liquiditeitsrisicoprofiel. Nationale toezichthouders moeten banken helpen om dit inzicht te vergroten, zonder dat wordt uitgesloten dat voor toezichtsdoeleinden in beperkte mate kan worden uitgegaan van interne modellen. Aangezien het om substantiële wijzigingen gaat, moeten ze worden opgenomen in dit voorstel. 2008/0191 (COD) Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG wat betreft banken die zijn aangesloten bij centrale instellingen, bepaalde eigenvermogensbestanddelen, grote posities, het toezichtkader en het crisisbeheer (Voor de EER relevante tekst) HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 47, lid 2, Gezien het voorstel van de Commissie[3], Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité[4], Gezien het advies van de Europese Centrale Bank[5], Gezien het advies van het Comité van de Regio's[6], Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag[7], Overwegende hetgeen volgt: (1) Ingevolge artikel 3 van Richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen[8] kunnen lidstaten voor kredietinstellingen die sinds 15 december 1977 blijvend bij een centrale instelling zijn aangesloten, een bijzondere prudentiële regeling treffen, mits de genoemde eisen uiterlijk 15 december 1979 in nationale wetgeving waren vastgelegd. Door deze termijnen kunnen lidstaten, en met name die welke sinds 1980 tot de Europese Unie zijn toegetreden, zo'n regeling niet invoeren voor soortgelijke aansluitingen van kredietinstellingen die later op hun grondgebied zijn opgericht. Om gelijke concurrentieverhoudingen tussen de kredietinstellingen in de lidstaten te scheppen, moeten de termijnen genoemd in artikel 3, dus worden geschrapt. Het Comité van Europese bankentoezichthouders moet niet-bindende richtsnoeren vaststellen om de convergentie van toezichtpraktijken ter zake te versterken. (2) Hybride kapitaalinstrumenten spelen een belangrijke rol bij het lopende kapitaalbeheer van kredietinstellingen. Met deze instrumenten kunnen kredietinstellingen hun kapitaalstructuur diversificeren en een breed scala aan financiële beleggers bereiken. Op 28 oktober 1998 heeft het Bazels Comité voor het bankentoezicht een akkoord gesloten over zowel de criteria als de limieten voor de erkenning van bepaalde soorten hybride kapitaalinstrumenten als oorspronkelijk eigen vermogen van kredietinstellingen. (3) Het is dus van belang om criteria vast te leggen aan de hand waarvan kan worden bepaald welke kapitaalinstrumenten kunnen worden erkend als oorspronkelijk eigen vermogen van kredietinstellingen, en om Richtlijn 2006/48/EG met dit akkoord in overeenstemming te brengen. De wijzigingen in bijlage XII bij Richtlijn 2006/48/EG zijn een rechtstreeks gevolg van de vastlegging van deze criteria. De erkenningscriteria moeten betrekking hebben op de meest achtergestelde instrumenten van een kredietinstelling die volgens nationaal recht geen eigenaars of aandeelhouders heeft, zoals bepaalde ledencertificaten van coöperatieve banken, voor zover het kapitaal is gestort en achtergesteld is bij alle andere schuldvorderingen. (4) Om verstoring van de markten te voorkomen en de continuïteit van de algemene hoogtes van het eigen vermogen te garanderen, dient te worden voorzien in specifieke overgangsregelingen voor de nieuwe regeling voor hybride kapitaalinstrumenten. (5) Ter versterking van het communautaire kader voor crisisbeheer is het van essentieel belang dat de bevoegde autoriteiten hun maatregelen efficiënt coördineren met andere bevoegde autoriteiten en zo nodig met de centrale banken. Voor een efficiënter prudentieel toezicht op moederkredietinstellingen met vergunning in de Gemeenschap en om de bevoegde autoriteiten in staat te stellen het toezicht op geconsolideerde basis op een bankgroep beter uit te oefenen, moeten de toezichtactiviteiten effectiever worden gecoördineerd. Daarom moeten colleges van toezichthouders worden opgericht. De oprichting van colleges mag geen afbreuk doen aan de rechten en plichten van de bevoegde autoriteiten in het kader van Richtlijn 2006/48/EG. De oprichting ervan moet een middel tot nauwere samenwerking worden waarbij de bevoegde autoriteiten tot overeenstemming komen over de voornaamste toezichthoudende taken. De colleges moeten het lopende toezicht en de aanpak van noodsituaties vergemakkelijken. De consoliderende toezichthouder kan samen met de andere leden van het college besluiten om bijeenkomsten of activiteiten te organiseren die niet van algemeen belang zijn, en daarmee de presentie waar nodig stroomlijnen. (6) Bij het mandaat van de bevoegde autoriteiten moet de Gemeenschapsdimensie meewegen. Daarom moeten zij rekening houden met de gevolgen van hun beslissingen voor de stabiliteit van het financiële stelsel in alle andere lidstaten. (7) De bevoegde autoriteiten moeten kunnen deelnemen aan colleges die zijn opgericht voor het toezicht op kredietinstellingen waarvan de moederonderneming in een derde land is gelegen. Het Comité van Europese bankentoezichthouders moet zo nodig niet-bindende richtsnoeren en aanbevelingen vaststellen om de convergentie van toezichtpraktijken overeenkomstig Richtlijn 2006/48/EG te versterken. (8) Informatielacunes tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en van ontvangst kunnen schadelijk blijken voor de financiële stabiliteit in de lidstaat van ontvangst. Daarom moeten de informatierechten van de toezichthouders van de lidstaat van ontvangst, met name bij een crisis van systeemrelevante bijkantoren, worden versterkt. Met dat doel moet het begrip systeemrelevant bijkantoor gedefinieerd worden. De bevoegde autoriteiten moeten informatie doorgeven die voor centrale banken en ministeries van Financiën van essentieel belang is om hun taken bij financiële crises te kunnen uitoefenen. (9) Een overmatige concentratie van risico's bij één cliënt of groep van verbonden cliënten kan leiden tot een onaanvaardbaar risico op verliezen. Een dergelijke situatie kan worden geacht nadelig te zijn voor de solvabiliteit van een kredietinstelling. Daarom moet de bewaking en beheersing van grote posities van kredietinstellingen een integrerend deel van het toezicht op deze instellingen vormen. (10) De huidige regeling voor grote posities dateert van 1992. Daarom moeten de bestaande vereisten voor grote posities in Richtlijn 2006/48/EG en Richtlijn 2006/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen[9] worden herzien. (11) Aangezien kredietinstellingen op de interne markt rechtstreeks met elkaar concurreren, moeten de essentiële voorschriften voor de bewaking en beheersing van grote posities van kredietinstellingen verder worden geharmoniseerd. Om de administratieve lasten voor kredietinstellingen te beperken, is een terugdringing nodig van het aantal opties waaruit de lidstaten kunnen kiezen als het om grote posities gaat. (12) Om uit te maken of er sprake is van een groep van verbonden cliënten en daarmee van posities die uit een oogpunt van risico een geheel vormen, is het van belang dat ook rekening wordt gehouden met de risico's die voortvloeien uit het feit dat hun vreemd vermogen voor een aanzienlijk deel afkomstig is van dezelfde kredietinstelling of beleggingsonderneming of van dezelfde financiële groep of verbonden partijen. (13) Hoewel het wenselijk is om bij de berekening van de waarde van posities uit te gaan van hetgeen bepaald is voor de berekening van het minimale eigen vermogen, moeten voor de bewaking van grote posities voorschriften zonder risicogewichten of risicograden worden vastgesteld. Bovendien is bij de risicolimiteringstechnieken van de solvabiliteitsregeling uitgegaan van een goede spreiding van het kredietrisico. Bij grote posities met een single-name concentratierisico is het kredietrisico niet goed gespreid. Daarom moeten de effecten van deze technieken onderworpen zijn aan prudentiële voorzorgsmaatregelen. In dit verband moet bij grote posities worden voorzien in een effectieve uitwinning van de kredietprotectie. (14) Aangezien een verlies op een positie jegens een kredietinstelling of een beleggingsonderneming even ernstig kan zijn als elk ander verlies op een positie, moeten dergelijke posities worden behandeld en gemeld als elke andere positie. (15) Het is van belang om een slechte afstemming van belangen tussen ondernemingen die leningen in verhandelbare effecten en andere financiële instrumenten "herverpakken" (initiators), en ondernemingen die in deze effecten of instrumenten beleggen (beleggers), te voorkomen. Daarom moeten initiators op de leningen in kwestie een bepaald risico blijven lopen. Met name bij een overdracht van het kredietrisico door middel van securitisatie moeten beleggers hun beslissingen pas nemen na het nodige onderzoek te hebben verricht, waarvoor zij wel deugdelijke informatie over de securitisaties nodig hebben. (16) Bijlage III bij Richtlijn 2006/48/EG moet worden aangepast om bepaalde voorschriften met het oog op een sterkere convergentie van de toezichtpraktijken te verduidelijken. (17) Uit recente marktontwikkelingen is gebleken dat het beheer van het liquiditeitsrisico van essentieel belang is voor de soliditeit van kredietinstellingen. De criteria van bijlage V en XI bij Richtlijn 2006/48/EG moeten worden aangescherpt om de desbetreffende bepalingen in overeenstemming te brengen met hetgeen het Comité van Europese bankentoezichthouders en het Bazels Comité voor het bankentoezicht hebben uitgewerkt. (18) De voor de uitvoering van Richtlijn 2006/48/EG vereiste maatregelen dienen te worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden[10]. (19) Met name moet de Commissie worden gemachtigd om bijlage XIII bij Richtlijn 2006/48/EG in verband met ontwikkelingen op de financiële markten of op het gebied van standaarden voor of eisen aan jaarrekeningen die rekening houden met de Gemeenschapswetgeving, te wijzigen of om het percentage dat genoemd wordt in artikel 111, lid 1, van die richtlijn, in verband met ontwikkelingen op de financiële markten te wijzigen. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van Richtlijn 2006/48/EG, moeten zij worden vastgesteld volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG bepaalde regelgevingsprocedure met toetsing. (20) Aangezien de doelstellingen van de voorgestelde maatregel, namelijk de invoering van regelgeving inzake de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen en inzake het prudentiële toezicht op deze instellingen niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt omdat zulks de harmonisatie vereist van een veelheid van verschillende voorschriften die thans in de rechtsstelsels van de diverse lidstaten bestaan, en derhalve beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken. (21) Daarom moeten de Richtlijn 2006/48/EG en 2006/49/EG dienovereenkomstig worden gewijzigd, HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD: Artikel 1 Wijzigingen van Richtlijn 2006/48/EG Richtlijn 2006/48/EG wordt als volgt gewijzigd: 1. artikel 3, lid 1, wordt als volgt gewijzigd: a) de inleidende zin van de eerste alinea komt als volgt te luiden: "Een of meer in eenzelfde lidstaat bestaande kredietinstellingen die op dat tijdstip blijvend waren aangesloten bij een in diezelfde lidstaat gevestigd centraal orgaan dat op die kredietinstellingen toezicht uitoefent, kunnen van de vereisten in artikel 7 en in artikel 11, lid 1, worden vrijgesteld, mits de nationale wetgeving erin heeft voorzien dat:"; b) de tweede en de derde alinea worden geschrapt; 2. artikel 4 wordt als volgt gewijzigd: a) punt (6) komt als volgt te luiden: "(6) "instellingen" voor de toepassing van de afdelingen 2, 3 en 5 van titel V, hoofdstuk 2: instellingen in de zin van artikel 3, lid 1, onder c), van Richtlijn 2006/49/EG;"; b) punt (45), onder b), komt als volgt te luiden: "b) hetzij twee of meer natuurlijke of rechtspersonen tussen wie geen zeggenschapsrelatie als bedoeld in letter a) bestaat, maar die uit een oogpunt van risico als een geheel moeten worden beschouwd omdat zij zodanig onderling verbonden zijn dat, indien een van hen financiële problemen zou ondervinden, en met name financierings- of betalingsmoeilijkheden, andere of alle anderen waarschijnlijk in financierings- of betalingsmoeilijkheden zouden komen;"; c) het volgende punt (48) wordt toegevoegd: "(48) "consoliderende toezichthouder": de bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op geconsolideerde basis op EU-moederkredietinstellingen en kredietinstellingen die onder de zeggenschap staan van een financiële EU-moederholding"; 3. aan artikel 40 wordt het volgende lid 3 toegevoegd: "3. De bevoegde autoriteiten in de ene lidstaat houden rekening met de gevolgen die hun besluiten, met name in noodsituaties, kunnen hebben voor de stabiliteit van het financiële stelsel van alle andere betrokken lidstaten."; 4. het volgende artikel 42 bis wordt ingevoegd: "Artikel 42 bis 1. De bevoegde autoriteiten van een lidstaat van ontvangst kunnen in gevallen waarin artikel 129 lid 1, van toepassing is, de consoliderende toezichthouder of anders de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst verzoeken een bijkantoor van een kredietinstelling als systeemrelevant aan te merken. Het verzoek vermeldt de redenen waarom het bijkantoor als systeemrelevant moet worden aangemerkt, en met name: a) of het marktaandeel in deposito's van dit bijkantoor in de lidstaat van ontvangst meer dan 2% bedraagt; b) wat de vermoedelijke gevolgen van een opschorting of beëindiging van de werkzaamheden van de kredietinstelling voor de betalings-, clearing- en afwikkelingssystemen in de lidstaat van ontvangst zullen zijn; c) de omvang en het belang van het bijkantoor, wat het aantal cliënten betreft, binnen het bankwezen en het financiële stelsel in de lidstaat van ontvangst. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en de lidstaat van ontvangst, alsmede de consoliderende toezichthouder in gevallen waarin artikel 129 lid 1, van toepassing is, stellen alles in het werk om tot een gezamenlijk besluit te komen over de kwalificatie van een bijkantoor als systeemrelevant. Als binnen twee maanden na ontvangst van een verzoek ingevolge de eerste alinea geen gezamenlijk besluit wordt genomen, beslissen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst uiterlijk twee maanden daarna zelf of het bijkantoor systeemrelevant is. Bij deze beslissing houden zij rekening met de standpunten en voorbehouden van de consoliderende toezichthouder of van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst. De in de derde en vierde alinea bedoelde besluiten worden op schrift gesteld met volledige opgaaf van redenen, worden aan de betrokken bevoegde autoriteiten toegezonden, worden als bepalend erkend en worden door de bevoegde autoriteiten in de betrokken lidstaten toegepast. De kwalificatie van een bijkantoor als systeemrelevant doet geen afbreuk aan de rechten en plichten van de bevoegde autoriteiten in het kader van deze richtlijn. 2. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst zenden de bevoegde autoriteiten van een lidstaat van ontvangst waarin een systeemrelevant bijkantoor is gevestigd, de in artikel 132, lid 1, onder c) en d), genoemde informatie toe en voeren de in artikel 129, lid 1, onder c), genoemde taken in samenwerking met de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst uit. Als een bevoegde autoriteit van een lidstaat van herkomst kennis krijgt van een noodsituatie in een kredietinstelling in de zin van artikel 130, lid 1, zo spoedig mogelijk waarschuwt zij de in artikel 49, vierde alinea, en in artikel 50 genoemde autoriteiten. 3. Ingeval artikel 131 bis niet van toepassing is, richten de bevoegde autoriteiten die toezicht houden op een kredietinstelling met systeemrelevante bijkantoren in andere lidstaten, een door hen voorgezeten college van toezichthouders op om de samenwerking ingevolge artikel 42 en lid 2 van dit artikel te vergemakkelijken. Na raadpleging van de betrokken bevoegde autoriteiten stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst de regeling voor de oprichting en werking van het college schriftelijk vast."; 5. het volgende artikel 42 ter wordt ingevoegd: "Artikel 42 ter 1. Bij de uitoefening van hun taken houden de bevoegde autoriteiten rekening met de convergentie van de toezichtinstrumenten en -praktijken bij de toepassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die overeenkomstig deze richtlijn zijn vastgesteld. Daartoe zorgen de lidstaten ervoor dat de bevoegde autoriteiten deelnemen aan de werkzaamheden van het Comité van Europese bankentoezichthouders en rekening houden met de niet-bindende richtsnoeren en aanbevelingen van het comité. 2. Vanaf 31 december 2010 brengt het Comité van Europese bankentoezichthouders om de drie jaar aan de Raad, het Europees Parlement en de Europese Commissie verslag uit over de voortgang in de toezichtconvergentie."; 6. artikel 49 wordt als volgt gewijzigd: a) in de eerste alinea komt punt a) als volgt te luiden: "a) de centrale banken en andere instanties met een soortgelijke taak in hun hoedanigheid van monetaire autoriteit als deze gegevens van belang zijn voor de uitoefening van hun wettelijke taken, waaronder het voeren van monetair beleid, de uitoefening van toezicht op betalings- en effectenafwikkelingssystemen en de waarborging van de financiële stabiliteit; en"; b) de volgende alinea wordt toegevoegd: "In een noodsituatie als bedoeld in artikel 130, lid 1, staan de lidstaten de bevoegde autoriteiten toe dat zij gegevens toezenden aan centrale banken in de Gemeenschap als deze gegevens van belang zijn voor de uitoefening van hun wettelijke taken, waaronder het voeren van monetair beleid, de uitoefening van toezicht op betalings- en effectenafwikkelingssystemen en de waarborging van de financiële stabiliteit."; 7. aan artikel 50 wordt de volgende alinea toegevoegd: "In een noodsituatie als bedoeld in artikel 130, lid 1, staan de lidstaten de bevoegde autoriteiten toe dat zij gegevens mededelen aan de in de eerste alinea genoemde diensten in alle betrokken lidstaten."; 8. artikel 57 wordt als volgt gewijzigd: a) punt a) komt als volgt te luiden: "a) gestort kapitaal in de zin van artikel 22 van Richtlijn 86/635/EEG plus agiorekening, voor zover het verliezen in normale omstandigheden volledig opvangt en het in geval van faillissement of liquidatie achtergesteld is bij alle andere schuldvorderingen;"; b) het volgende punt c) bis wordt ingevoegd: "c bis) "andere dan de in punt a) bedoelde instrumenten die aan de vereisten van artikel 63, lid 2, onder a), c), d) en e), en van artikel 63 bis voldoen;"; 9. artikel 61, eerste alinea, komt als volgt te luiden: "Het begrip "eigen vermogen" als gedefinieerd in artikel 57, onder a) tot en met h), houdt een maximum aan bestanddelen en bedragen in. De lidstaten kunnen beslissen over het gebruik van deze bestanddelen en over de aftrek van andere bestanddelen dan die welke worden genoemd in artikel 57, onder i) tot en met r)."; 10. aan artikel 63, lid 2, wordt de volgende alinea toegevoegd: "de in artikel 57, onder c bis), bedoelde instrumenten voldoen aan de vereisten van de punten a), c), d) en e)."; 11. het volgende artikel 63 bis wordt ingevoegd: "Artikel 63 bis 1. De in artikel 57, onder c bis), bedoelde instrumenten voldoen aan de vereisten van de leden 2 tot en met 5. 2. De instrumenten zijn ongedateerd en hebben een oorspronkelijke looptijd van ten minste dertig jaar. Ze kunnen een of meer, alleen door de uitgevende instelling naar eigen goeddunken uit te oefenen callopties omvatten maar worden niet binnen vijf jaar na de datum van uitgifte afgelost. Als van de wettelijke of contractuele bepalingen die voor ongedateerde instrumenten gelden, naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten een aflossingsprikkel voor de kredietinstelling uitgaat, ontstaat een dergelijke prikkel niet binnen tien jaar na de datum van uitgifte. Gedateerde en ongedateerde instrumenten kunnen alleen met voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteiten worden opgeëist of afgelost. De bevoegde autoriteiten kunnen deze toestemming verlenen mits het verzoek op initiatief van de kredietinstelling wordt gedaan en de financiële dan wel de solvabiliteitspositie van de kredietinstelling niet sterk wordt aangetast. De bevoegde autoriteiten kunnen van instellingen verlangen dat zij het instrument vervangen door in artikel 57, onder c bis), bedoelde bestanddelen van dezelfde of een betere kwaliteit. De bevoegde autoriteiten verlangen dat de aflossing van gedateerde instrumenten wordt opgeschort als de kredietinstelling niet aan de kapitaalvereisten van artikel 75 voldoet. De bevoegde autoriteit kan te allen tijde toestemming verlenen voor een vroegtijdige aflossing van gedateerde en ongedateerde instrumenten ingeval de toepasselijke fiscale behandeling of indeling volgens de regelgeving een wijziging ondergaat die bij uitgifte niet was voorzien. 3. De wettelijke of contractuele bepalingen die voor het instrument gelden, bieden de kredietinstelling de mogelijkheid om de uitkering van rente of dividend zo nodig voor onbepaalde tijd en op niet-cumulatieve basis te schrappen. De kredietinstelling schrapt dergelijke uitkeringen echter sowieso als zij niet voldoet aan de kapitaalvereisten van artikel 75. De bevoegde autoriteiten kunnen verlangen dat dergelijke uitkeringen op grond van de financiële en solvabiliteitssituatie van de kredietinstelling worden geschrapt. Daarmee wordt geen afbreuk gedaan aan het recht van de kredietinstelling om in plaats van de rente- of dividenduitkering een betaling te doen in de vorm van een instrument als bedoeld in artikel 57, onder a), mits de kredietinstelling daardoor financiële middelen kan behouden. De bevoegde autoriteiten kunnen aan een dergelijk alternatief voorwaarden verbinden. 4. De wettelijke of contractuele bepalingen die voor het instrument gelden, schrijven voor dat de hoofdsom en niet-uitgekeerde rente of dividend van dien aard moeten zijn dat verliezen ermee worden opgevangen en dat ze geen belemmering vormen voor de herkapitalisatie van de kredietinstelling. 5. Bij het faillissement of de liquidatie van de kredietinstelling zijn de instrumenten achtergesteld bij de in artikel 63, lid 2, bedoelde bestanddelen."; 6. Het Comité van Europese bankentoezichthouders stelt richtsnoeren op voor de convergentie van toezichtpraktijken met betrekking tot de in lid 1 bedoelde instrumenten en controleert de toepassing ervan. Uiterlijk in januari 2012 onderwerpt de Commissie de toepassing van het onderhavige artikel aan een evaluatie en brengt zij verslag uit aan het Parlement en de Raad." 12. artikel 65, lid 1, onder a), komt als volgt te luiden: "a) minderheidsbelangen in de zin van artikel 21 van Richtlijn 83/349/EEG als de integrale consolidatiemethode wordt toegepast. De in artikel 57, onder c bis), bedoelde instrumenten die aan de basis liggen van een minderheidsbelang, voldoen aan de vereisten van de artikelen 63 bis en 66 en artikel 63, lid 2, onder a), c), d) en e)."; 13. artikel 66 wordt als volgt gewijzigd: a) lid 1 komt als volgt te luiden: "1. Voor de in artikel 57, onder d) tot en met h), bedoelde bestanddelen gelden de volgende limieten: a) de som van de bestanddelen genoemd in artikel 57, onder d) tot en met h), mag niet meer bedragen dan 100% van de som van de bestanddelen genoemd in dat artikel, onder a) tot en met c bis), verminderd met de som van de bestanddelen onder i), j) en k); en b) de som van de bestanddelen genoemd in artikel 57, onder g) en h), mag niet meer bedragen dan 50% van de som van de bestanddelen genoemd in dat artikel, onder a) tot en met c bis), verminderd met de som van de bestanddelen onder i), j) en k)."; b) het volgende lid 1 bis wordt ingevoegd: "1 bis. Onverminderd lid 1 gelden voor de som van de bestanddelen genoemd in artikel 57, onder c bis), de volgende limieten: a) instrumenten die in noodsituaties binnen een vooraf bepaalde marge geconverteerd moeten worden in bestanddelen genoemd in artikel 57, onder a), en volgestort kapitaal dat verliezen in normale omstandigheden volledig opvangt en bij faillissement of liquidatie achtergesteld is bij alle andere schuldvorderingen, mogen tezamen niet meer bedragen dan 50% van de som van de bestanddelen genoemd in artikel 57, onder a) tot en met c bis), verminderd met de som van de bestanddelen genoemd onder i), j) en k); b) binnen de onder a) genoemde limiet bedragen alle andere instrumenten tezamen niet meer dan 35% van de som van de bestanddelen genoemd in artikel 57, onder a) tot en met c bis), verminderd met de som van de bestanddelen onder i), j) en k); c) binnen de onder a) en b) bedoelde limieten bedraagt de som van gedateerde instrumenten en instrumenten waarvan de wettelijke of contractuele bepalingen een aflossingsprikkel voor de kredietinstelling bevatten, niet meer dan 15% van de bestanddelen genoemd in artikel 57, onder a) tot en met c bis), verminderd met de som van de bestanddelen onder i), j) en k); d) voor het bedrag van de bestanddelen dat uitkomt boven de limieten van a), b) en c), geldt de limiet van lid 1."; c) lid 2 komt als volgt te luiden: "2. De som van de bestanddelen genoemd in artikel 57, onder l) tot en met r), wordt voor de helft in mindering gebracht op de som van de bestanddelen a) tot en met c bis), verminderd met i), j) en k), en voor de helft op de som van de bestanddelen d) tot en met h) van dat artikel, na toepassing van de in lid 1 van dit artikel bepaalde limieten. Ingeval de helft van de som van de bestanddelen l) tot en met r) van artikel 57 meer bedraagt dan de som van de bestanddelen d) tot en met h) van dat artikel, wordt het meerbedrag in mindering gebracht op de som van de bestanddelen a) tot en met c bis), verminderd met i), j) en k) van dat artikel. Bestanddelen onder punt r) van artikel 57, worden niet in mindering gebracht indien zij voor de toepassing van artikel 75 zijn meegeteld in de berekening van de risicogewogen posten zoals aangegeven in bijlage IX, deel 4."; d) lid 4 komt als volgt te luiden: "4. De bevoegde autoriteiten kunnen kredietinstellingen toestemming geven om de in de leden 1 en 1 bis genoemde limieten in noodsituaties tijdelijk te overschrijden."; 14. artikel 87 wordt als volgt gewijzigd: a) lid 11 komt als volgt te luiden: "11. Als vorderingen in de vorm van een instelling voor collectieve belegging (ICB) voldoen aan de criteria van bijlage VI, deel 1, punten 77 en 78, en de kredietinstelling op de hoogte is van alle of een deel van de onderliggende vorderingen van de ICB, controleert de kredietinstelling deze vorderingen en berekent zij de risicogewogen posten en de verwachte verliesposten op basis van de methodieken die in deze onderafdeling worden beschreven. Lid 12 is van toepassing op het deel van de onderliggende vorderingen van de ICB waarvan de kredietinstelling niet op de hoogte is en redelijkerwijs niet op de hoogte kan zijn. Wanneer de kredietinstelling niet voldoet aan de voorwaarden om de in deze onderafdeling beschreven methodieken voor alle of een deel van de onderliggende vorderingen van de ICB te mogen gebruiken, worden de risicogewogen posten en de verwachte verliesposten als volgt berekend: a) bij vorderingen die onder de in artikel 86, lid 1, onder e), genoemde categorie vallen, de benadering van bijlage VII, deel 1, punten 19 tot en met 21; b) bij alle overige onderliggende vorderingen de in de artikelen 78 tot en met 83 beschreven benadering, die echter op de volgende punten afwijkt: i) bij vorderingen waarvoor een bepaald risicogewicht voor vorderingen zonder rating geldt of waarvoor de hoogste kredietkwaliteitscategorie voor een bepaalde categorie vorderingen geldt, wordt het risicogewicht vermenigvuldigd met de factor 2, maar kan dit gewicht niet meer bedragen dan 1250%; ii) bij alle overige vorderingen wordt het risicogewicht vermenigvuldigd met de factor 1,1 en bedraagt dit gewicht ten minste 5%. Als de kredietinstelling niet in staat is om voor de toepassing van a) een onderscheid te maken tussen posities in niet ter beurze verhandelde, ter beurze verhandelde en overige aandelen, behandelt zij de desbetreffende vorderingen als posities in overige aandelen. Wanneer deze vorderingen tezamen met de rechtstreekse vorderingen van de kredietinstelling in deze categorie vorderingen niet omvangrijk zijn in de zin van artikel 89, lid 2, kan lid 1 van dat artikel worden toegepast, mits de bevoegde autoriteiten daarmee instemmen."; b) in lid 12 komt de tweede alinea als volgt te luiden: "Als alternatief voor de in de eerste alinea beschreven methodiek kunnen kredietinstellingen aan een derde opdracht geven de gemiddelde risicogewogen posten op basis van de onderliggende vorderingen op de ICB te berekenen en hen van de resultaten op de hoogte te brengen, of zij kunnen deze posten zelf berekenen. Wel moet voldoende gewaarborgd zijn dat de berekening en de rapportage volgens de regels plaatsvinden. Voor de berekeningen worden de in lid 11, onder a) en b), genoemde benaderingen gevolgd."; 15. in artikel 89 komt de inleidende zin van punt d) als volgt te luiden: "d) vorderingen op de centrale overheid, regionale overheden, lagere overheden en administratieve organen in de lidstaten, mits:"; 16. artikel 106 wordt als volgt gewijzigd: a) lid 2 komt als volgt te luiden: "2. Onder posities vallen niet: a) in het geval van valutatransacties, de posities die tijdens de normale afwikkeling worden ingenomen in de periode van 48 uur nadat betaling heeft plaatsgevonden; b) in het geval van transacties betreffende de verkoop of aankoop van effecten, de risico's die zich tijdens de normale afwikkeling voordoen in de periode van vijf werkdagen nadat betaling heeft plaatsgevonden of nadat de effecten geleverd zijn indien deze levering eerder plaatsvindt; of c) in het geval van betalingsverrichtingen of effectenclearing en –afwikkeling ten behoeve van cliënten, uitgestelde opbrengsten bij de financiering en andere uit klantenactiviteiten voortvloeiende posities die uiterlijk tot en met de volgende werkdag bestaan."; b) het volgende lid 3 wordt toegevoegd: "3. Om uit te maken of er bij de vorderingen als bedoeld in artikel 79, lid 1, onder m), o) en p), sprake is van een groep van verbonden cliënten, beoordeelt een kredietinstelling bij posities in onderliggende activa de constructie als zodanig en de onderliggende posities ervan. Daartoe beoordeelt zij de economische kenmerken en de risico's die verbonden zijn aan de structuur van de transactie."; 17. artikel 107 komt als volgt te luiden: "Artikel 107 Voor de berekening van de waarde van de posities overeenkomstig deze afdeling heeft de term "kredietinstelling" ook betrekking op iedere particuliere of openbare onderneming, inclusief haar bijkantoren, die aan de definitie van "kredietinstelling" voldoet en waaraan in een derde land vergunning is verleend."; 18. artikel 110 komt als volgt te luiden: "Artikel 110 1. Een kredietinstelling deelt de bevoegde autoriteiten over elke grote positie en dus ook over grote posities die zijn vrijgesteld van de toepassing van artikel 111, lid 1, de volgende informatie mede: a) de identiteit van de cliënt of groep van verbonden cliënten jegens wie zij een grote positie heeft; b) de waarde van de positie zonder inaanmerkingneming van het effect van de kredietrisicolimitering, voor zover mogelijk; c) in voorkomend geval het soort kredietprotectie, al dan niet volgestort; d) de voor de toepassing van artikel 111, lid 1, berekende waarde van de positie met inaanmerkingneming van het effect van de risicolimitering. Als een kredietinstelling onderworpen is aan de artikelen 84 tot en met 89, worden haar twintig grootste posities op geconsolideerde basis, ongerekend de posities die zijn vrijgesteld van de toepassing van artikel 111, lid 1, ter beschikking gesteld van de bevoegde autoriteiten. 2. De lidstaten schrijven voor dat de mededeling ten minste tweemaal per jaar moet plaatsvinden. 3. De lidstaten schrijven voor dat kredietinstellingen voor zover mogelijk hun posities jegens uitgevers van zekerheden en jegens verschaffers van niet-volgestorte kredietprotectie moeten analyseren op eventuele concentraties en zo nodig moeten ingrijpen en bevindingen van betekenis moeten doorgeven aan hun bevoegde autoriteit."; 19. artikel 111 wordt als volgt gewijzigd: a) lid 1 komt als volgt te luiden: "1. Een kredietinstelling kan, met inaanmerkingneming van het effect van de kredietrisicolimitering overeenkomstig de artikelen 112 tot en met 117, jegens een cliënt of een groep van verbonden cliënten geen positie innemen waarvan de waarde meer dan 25% van haar eigen vermogen bedraagt. Wanneer deze cliënt een instelling is of wanneer een groep van verbonden cliënten een of meer instellingen omvat, kan deze waarde niet meer bedragen dan 25% van het eigen vermogen van de kredietinstelling of – als dit hoger is - het bedrag van 150 miljoen euro, voor zover de som van de waarde van de posities, met inaanmerkingneming van het effect van de kredietrisicolimitering overeenkomstig de artikelen 112 tot en met 117, jegens alle verbonden cliënten die geen instelling zijn, niet meer bedraagt dan 25% van het eigen vermogen van de kredietinstelling. De lidstaten kunnen een limiet vaststellen die lager is dan 150 miljoen euro, en stellen de Commissie daarvan in kennis."; b) de leden 2 en 3 worden geschrapt; c) lid 4 komt als volgt te luiden: "4. Een kredietinstelling neemt te allen tijde de limiet van lid 1 in acht. Indien in een uitzonderlijk geval deze limiet toch wordt overschreden, wordt de waarde van de positie onverwijld gemeld aan de bevoegde autoriteiten, die, indien de omstandigheden zulks rechtvaardigen, de kredietinstelling een beperkte termijn kunnen toestaan om alsnog aan de limiet te voldoen."; 20. artikel 112 wordt als volgt gewijzigd: a) lid 2 komt als volgt te luiden: "2. Wanneer op grond van de artikelen 113 tot en met 117 al dan niet volgestorte kredietprotectie in aanmerking wordt genomen, wordt behoudens lid 3 voldaan aan de voorwaarden van inaanmerkingneming en andere minimumeisen die in de artikelen 90 tot en met 93 worden genoemd."; b) het volgende lid 4 wordt toegevoegd: "4. Voor de toepassing van deze afdeling houdt een kredietinstelling geen rekening met de zekerheden als genoemd in bijlage VIII, deel 1, punten 20, 21 en 22, tenzij dit ingevolge artikel 115 is toegestaan."; 21. artikel 113 wordt als volgt gewijzigd: a) de leden 1 en 2 worden geschrapt; b) lid 3 wordt als volgt gewijzigd: i) de inleidende zin komt als volgt te luiden: "3. De volgende posities worden vrijgesteld van de toepassing van artikel 111, lid 1,:"; ii) de punten e) en f) komen als volgt te luiden: "e) activa die vorderingen vertegenwoordigen op regionale en lagere overheden van de lidstaten als deze vorderingen ingevolge de artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht van 0 % zouden krijgen, alsmede andere posities jegens of gegarandeerd door deze overheden als deze ingevolge de artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht van 0% zouden krijgen; f) posities jegens tegenpartijen als bedoeld in artikel 70, leden 7 of 8, als deze ingevolge de artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht van 0% zouden krijgen. Posities die niet aan deze criteria voldoen, worden ongeacht of ze van artikel 111, lid 1, zijn vrijgesteld, behandeld als posities jegens derden;"; iii) punt i) komt als volgt te luiden: "i) posities die voortvloeien uit niet-opgenomen kredietfaciliteiten die in bijlage II zijn ingedeeld bij de posten buiten de balanstelling met een laag risico, mits met de cliënt of groep van verbonden cliënten een overeenkomst is gesloten waarin is bepaald dat de faciliteit alleen mag worden opgenomen als vaststaat dat de limiet die ingevolge artikel 111, lid 1, van toepassing is, daardoor niet wordt overschreden."; iv) de punten j) tot en met t) worden geschrapt; c) de derde, vierde en vijfde alinea worden geschrapt; d) het volgende lid 4 wordt toegevoegd: "4. De lidstaten kunnen de volgende posities geheel of gedeeltelijk vrijstellen van de toepassing van artikel 111, lid 1: a) gedekte obligaties in de zin van bijlage VI, deel 1, punten 68, 69 en 70; b) activa die vorderingen vertegenwoordigen op regionale en lagere overheden van de lidstaten als deze vorderingen ingevolge de artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht van 20% zouden krijgen, alsmede andere posities jegens of gegarandeerd door deze overheden als deze ingevolge de artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht van 20% zouden krijgen; c) onverminderd lid 1, onder f), posities die door een kredietinstelling zijn ingenomen ten opzichte van haar moederonderneming, de andere dochterondernemingen van de moederonderneming en haar eigen dochterondernemingen, voor zover deze ondernemingen opgenomen zijn in het toezicht op geconsolideerde basis waaraan de kredietinstelling zelf onderworpen is, overeenkomstig de onderhavige richtlijn of overeenkomstig de in een derde land geldende gelijkwaardige normen. Posities die niet aan deze criteria voldoen, worden, ongeacht of ze van artikel 111, lid 1, zijn vrijgesteld, behandeld als posities jegens derden; d) activa die posities jegens of deelnemingen of andere belangen in regionale of centrale kredietinstellingen vertegenwoordigen waarmede de leningverstrekkende kredietinstelling krachtens wettelijke of statutaire bepalingen in het kader van een netwerk is verbonden en die op grond van deze bepalingen belast zijn met de verevening van onderlinge geldposities binnen het netwerk; e) activa die vorderingen op en andere posities jegens kredietinstellingen vertegenwoordigen, ingenomen door kredietinstellingen die op niet-concurrerende basis werkzaam zijn en in het kader van wetgevingsprogramma's of overeenkomstig hun statuten leningen verstrekken waarmee steun wordt verleend aan bepaalde economische sectoren, waarbij de overheid op de een of andere wijze toezicht houdt en beperkingen gelden voor de besteding van de leningen. Voorwaarde is wel dat de desbetreffende posities voortvloeien uit leningen die via andere kredietinstellingen zijn doorgegeven aan de begunstigden;f) activa die vorderingen op en andere posities jegens instellingen vertegenwoordigen, mits deze posities geen eigen vermogen van de instellingen vormen, uiterlijk tot en met de volgende werkdag bestaan en luiden in een munt van de lidstaat die van deze mogelijkheid gebruikmaakt, mits deze munt niet de euro is."; 22. artikel 114 wordt als volgt gewijzigd: a) lid 1 komt als volgt te luiden: "1. Behoudens lid 3 kan een kredietinstelling bij de berekening van de waarde van posities voor de toepassing van artikel 111, lid 1, gebruikmaken van de overeenkomstig de artikelen 90 tot en met 93 berekende "volledig aangepaste waarde van de positie" waarbij rekening is gehouden met kredietrisicolimitering, volatiliteitsaanpassingen en eventuele looptijdverschillen (E*)."; b) lid 2 wordt als volgt gewijzigd: i) de eerste alinea wordt vervangen door: "Behoudens lid 3 maakt een kredietinstelling die voor een categorie vorderingen gebruik mag maken van eigen LGD-ramingen en omrekeningsfactoren op basis van de artikelen 84 tot en met 89 en die ten genoegen van de bevoegde autoriteiten het effect van financiële zekerheden op haar posities kan inschatten, los van andere LGD-relevante aspecten, toestemming worden verleend om deze effecten in aanmerking te nemen bij de berekening van de waarde van posities voor de toepassing van artikel 111, lid 1."; ii) de vierde alinea komt als volgt te luiden: "Een kredietinstelling die voor een categorie vorderingen haar eigen LGD-ramingen en omrekeningsfactoren op basis van de artikelen 84 tot en met 89 mag gebruiken en voor de berekening van de waarde van haar posities niet gebruikmaakt van de in de eerste alinea genoemde methode, kan deze waarde berekenen aan de hand van de uitgebreide benadering van financiële zekerheden of de benadering van artikel 117, lid 1, onder b)."; c) lid 3 wordt als volgt gewijzigd: i) de eerste alinea komt als volgt te luiden: "Een kredietinstelling die voor de berekening van de waarde van posities voor de toepassing van artikel 111, lid 1, gebruikmaakt van de uitgebreide benadering van financiële zekerheden of gebruik mag maken van de in lid 2 genoemde benadering, voert op gezette tijden een stresstest op hun kredietconcentraties uit die ook de realiseerbare waarde van de zekerheden omvat."; ii) de vierde alinea komt als volgt te luiden: "Mocht uit een dergelijke test blijken dat de realiseerbare waarde van een zekerheid lager is dan die waarvan op grond van de uitgebreide benadering van financiële zekerheden of de in lid 2 genoemde benadering eigenlijk uit mag worden gegaan, wordt de waarde van de zekerheid die bij de berekening van de waarde van de posities voor de toepassing van artikel 111, lid 1, in aanmerking mag worden genomen, dienovereenkomstig verlaagd."; iii) in de vijfde alinea komt punt b) als volgt te luiden: "b) gedragslijnen en procedures voor het geval dat bij een stresstest blijkt dat de realiseerbare waarde van een zekerheid lager is dan die waarvan op grond van de uitgebreide benadering van financiële zekerheden of de in lid 2 genoemde benadering mocht worden uitgegaan; en"; d) lid 4 wordt geschrapt; 23. artikel 115 komt als volgt te luiden: " Artikel 115 1. Een kredietinstelling kan voor de toepassing van deze afdeling de waarde van de positie met maximaal 50% van de waarde van het niet-zakelijk onroerend goed in kwestie verlagen indien aan een van de volgende voorwaarden is voldaan: a) de positie is gegarandeerd door een hypotheek op niet-zakelijk onroerend goed of door aandelen in Finse bedrijven voor de bouw van woningen, die werkzaam zijn volgens de Finse wet op de woningbouwverenigingen van 1991 of latere gelijkwaardige wetgeving; b) de positie houdt verband met een transactie inzake financieringshuur (leasing) krachtens welke de lessor de volledige eigendom van het verhuurde niet-zakelijk onroerend goed behoudt zolang de huurder (lessee) zijn koopoptie niet heeft uitgeoefend. De waarde van het goed wordt ten genoegen van de bevoegde autoriteiten berekend op basis van strikte, in wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vastgelegde waarderingsnormen. De waardering vindt ten minste eenmaal per jaar plaats. Onder niet-zakelijk onroerend goed wordt verstaan: een woning die bewoond of verhuurd wordt/zal worden door de leningnemer. 2. Een kredietinstelling kan voor de toepassing van deze afdeling de waarde van de positie met maximaal 50% van de waarde van het zakelijk onroerend goed in kwestie verlagen indien de posities ingevolge de artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht van 50% zouden krijgen: a) de posities zijn gegarandeerd door een hypotheek op kantoren of andere panden voor handelsdoeleinden of door aandelen in Finse bedrijven voor de bouw van woningen, die werkzaam zijn volgens de Finse wet op de woningbouwverenigingen van 1991 of latere gelijkwaardige wetgeving die betrekking heeft op kantoren of andere panden voor handelsdoeleinden; of b) de posities houden verband met transacties inzake financieringshuur (leasing) van kantoren of andere panden voor handelsdoeleinden. Het zakelijk onroerend goed is volledig afgebouwd, volledige geleased en levert voldoende huurinkomsten op."; 24. artikel 116 wordt geschrapt; 25. artikel 117 wordt als volgt gewijzigd: a) lid 1 komt als volgt te luiden: "1. Wanneer een positie jegens een cliënt is gegarandeerd door een derde, dan wel door een zekerheid uitgegeven door een derde, kan een kredietinstelling: a) het gegarandeerde deel van de positie beschouwen als een positie jegens de garantiegever en niet jegens de cliënt, mits de niet-gegarandeerde positie jegens de garantiegever op basis van de artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht zou worden toegekend dat gelijk is aan of lager is dan een risicogewicht van de niet-gegarandeerde positie jegens de cliënt; b) het deel van de positie dat met de marktwaarde van een erkende zekerheid is gedekt, beschouwen als een positie jegens de derde en niet jegens de cliënt, als de positie met een zekerheid is gedekt en het gedekte deel van de positie op basis van de artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht zou worden toegekend dat gelijk is aan of lager is dan een risicogewicht van de ongedekte positie jegens de cliënt. Een kredietinstelling past de benadering van punt b) niet toe wanneer er sprake is van een verschil tussen de looptijd van de positie en de looptijd van de protectie. Een kredietinstelling kan voor de toepassing van deze afdeling zowel de uitgebreide benadering van financiële zekerheden als de aanpak overeenkomstig de eerste alinea, onder b) alleen hanteren, als zij voor de toepassing van artikel 75, onder a), zowel de uitgebreide als de eenvoudige benadering van financiële zekerheden mag hanteren."; b) in lid 2 komt de inleidende zin als volgt te luiden: "Wanneer een kredietinstelling lid 1, onder a), toepast, dan geldt het volgende:"; 26. artikel 119 wordt geschrapt; 27. de volgende afdeling 7 wordt toegevoegd aan hoofdstuk 2: "Afdeling 7 Blootstelling aan overgedragen kredietrisico's Artikel 122 bis 1. Een kredietinstelling staat alleen bloot aan het kredietrisico van een verplichting of potentiële verplichting of aan een pool van verplichtingen of potentiële verplichtingen - voor zover zij niet betrokken was bij de rechtstreekse onderhandelingen over en structurering en documentatie van de oorspronkelijke overeenkomst waarmee de verplichtingen of potentiële verplichtingen zijn ontstaan - indien: a) de personen of entiteiten die de oorspronkelijke overeenkomst met de debiteur of potentiële debiteur rechtstreeks hebben uitonderhandeld, gestructureerd en gedocumenteerd, of anders en indien van toepassing, b) de personen of entiteiten die dergelijke verplichtingen of potentiële verplichtingen rechtstreeks of indirect voor de kredietinstelling beheren of aankopen, een expliciete verbintenis jegens de kredietinstelling zijn aangegaan om permanent een materieel netto economisch belang en in elk geval niet minder dan 5% in posities met hetzelfde risicoprofiel te houden als dat waaraan de kredietinstelling blootstaat. 2. Lid 1 is niet van toepassing op verplichtingen of potentiële verplichtingen die een vordering of voorwaardelijke vordering vertegenwoordigen op of gegarandeerd zijn door: a) centrale overheden of centrale banken; b) instellingen die overeenkomstig bijlage VI, deel 1, punt 29, ten hoogste in kredietkwaliteitscategorie 3 zijn ondergebracht; en c) multilaterale ontwikkelingsbanken.Lid 1 is niet van toepassing op consortiumleningen of kredietverzuimswaps wanneer deze instrumenten niet worden gebruikt voor het verpakken en/of afdekken van een verplichting die onder lid 1 valt. 3. De leden 1 en 2 zijn van toepassing op posities die de kredietinstelling na 1 januari 2011 heeft ingenomen. De bevoegde autoriteiten kunnen besluiten om de vereisten in tijden van algemene liquiditeitsspanningen op de markt tijdelijk op te schorten. 4. Kredietinstellingen kunnen aan de bevoegde autoriteiten te allen tijde vóór een belegging en doorlopend voor elk van hun individuele securitisatieposities schriftelijk aantonen dat zij beschikken over een breed en gedegen inzicht in en formele gedragslijnen en procedures hebben ingevoerd voor de analyse en registratie van: a) de in lid 1 bedoelde verbintenis van initiators en/of sponsors om een netto economisch belang in de securitisatie te houden, alsook de periode waarvoor zo'n verbintenis wordt aangegaan; b) de risicokenmerken van de individuele securitisatiepositie; c) de risicokenmerken van de onderliggende posities van de securitisatieposities; d) de reputatie en verlieservaring in eerdere securitisaties van de initiators in de desbetreffende onderliggende positiecategorieën van de securitisatiepositie; e) de verklaringen van de initiators en sponsors over de nodige zorgvuldigheid die zij in acht hebben genomen met betrekking tot de debiteuren en, in voorkomend geval, met betrekking tot de kwaliteit van de zekerheden ter dekking van de onderliggende posities van de securitisatiepositie; f) in voorkomend geval, de methodieken en concepten waarop de waardering van de kwaliteit van de zekerheden ter dekking van de onderliggende posities van de securitisatiepositie berust, alsook de gedragslijnen die de initiators hebben vastgesteld om de onafhankelijkheid van de schatter te waarborgen; en g) alle structurele kenmerken van de securitisatie die van wezenlijke invloed kunnen zijn op de resultaten van de securitisatiepositie van de kredietinstelling. Daartoe verrichten en registreren kredietinstellingen vóór de belegging en periodiek daarna deugdelijke stresstests, die onafhankelijk van de EKBI of EKBI's die de securitisatie een rating hebben gegeven, worden uitgevoerd en die berusten op alle relevante informatie die de initiator daartoe heeft verstrekt. 5. Kredietinstellingen stellen formele procedures vast om prestatie-informatie over de onderliggende posities van hun securitisatieposities doorlopend en tijdig te monitoren. In voorkomend geval wordt ten minste gekeken naar: het soort positie, de duur van de periode waarin de initiator de posities heeft aangehouden, waaronder het percentage dat de initiator minder dan twee jaar heeft aangehouden, het percentage leningen met meer dan dertig, zestig en negentig achterstallige dagen, wanbetalingsgraden, het percentage vervroegde aflossingen, leningen in de executiefase, het soort zekerheid en de bezetting, de frequentieverdeling van de kredietscores of andere maatstaven voor de kredietwaardigheid over de onderliggende posities, de sectorale en geografische spreiding en de frequentieverdeling van de LTV-ratio's (Loan to Value-ratio's) met bandbreedtes die een deugdelijke gevoeligheidsanalyse vergemakkelijken. Wanneer de onderliggende posities zelf securitisatieposities vormen, zijn de vereisten om de informatie te controleren en toegang daartoe te krijgen, van toepassing op de onderliggende posities van de securitisatieposities. Wanneer niet wordt voldaan de vereisten van lid 4 en van het onderhavige lid, passen kredietinstellingen overeenkomstig hoofdstuk IX, deel 4, een risicogewicht van 1250% op deze securitisatieposities toe. 6. Als initiator en als sponsor optredende kredietinstellingen passen op te securitiseren posities dezelfde gedegen en welomschreven criteria voor de kredietverlening als bedoeld in bijlage V, punt 3, toe als zij toepassen op posities die zij op hun eigen niet-handelsboek zullen aanhouden. Daartoe volgen de als initiator en als sponsor optredende kredietinstellingen dezelfde procedures voor de acceptatie en, in voorkomend geval, aanpassing, vernieuwing en herfinanciering van kredieten. Kredietinstellingen passen ook dezelfde analysenormen toe op van derden afkomstige deelnemingen in en/of overnemingen van securitisaties, ongeacht of dergelijke deelnemingen en/of overnemingen op hun handelsboek dan wel niet-handelsboek worden aangehouden. 7 . Als sponsor en als initiator optredende kredietinstellingen maken aan beleggers bekend welk netto economisch belang zij uit hoofde van de in lid 1 bedoelde verbintenis in de securitisatie aanhouden. Als sponsor en als initiator optredende kredietinstellingen zorgen ervoor dat aspirant-beleggers gemakkelijk toegang krijgen tot alle wezenlijk relevante gegevens over de kredietkwaliteit en de resultaten van de individuele onderliggende posities, kasstromen en zekerheden ter dekking van een securitisatiepositie, alsook tot de informatie die nodig is om omvangrijke en op goede informatie gebaseerde stresstests op de kasstromen en de waarde van de zekerheden voor de onderliggende posities te kunnen uitvoeren. Wanneer niet aan deze vereisten en die van artikel 6 wordt voldaan, wordt artikel 95, lid 1, niet toegepast door een als initiator optredende kredietinstelling en mag zij de gesecuritiseerde posities niet buiten de berekening van haar kapitaalvereisten ingevolge deze richtlijn laten.8. De leden 4 tot en met 7 zijn van toepassing op securitisaties die vanaf de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn worden uitgegeven, en op bestaande securitisaties ingeval na die datum onderliggende posities worden toegevoegd of vervangen. 9. De bevoegde autoriteiten publiceren ten minste eenmaal per jaar: a) de methodieken die zijn vastgesteld om na te gaan of aan de leden 1 tot en met 7 wordt voldaan; b) welke en hoeveel maatregelen zijn getroffen om na te gaan of in de twaalf voorafgaande maanden aan de leden 1 tot en met 7 is voldaan; en c) het aantal gevallen waarin de twaalf voorafgaande maanden niet aan de leden 1 tot en met 7 is voldaan, en een korte beschrijving ervan. Op dit vereiste is artikel 144, tweede alinea, van toepassing. 10. Het Comité van Europese bankentoezichthouders brengt jaarlijks aan de Commissie verslag uit over de naleving door de bevoegde autoriteiten van het onderhavige artikel. De Commissie brengt uiterlijk december 2014 aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de toepassing en effectiviteit van het onderhavige artikel in het licht van de marktontwikkelingen."; 28. artikel 129 wordt als volgt gewijzigd: a) lid 1 wordt als volgt gewijzigd: i) punt b) komt als volgt te luiden: "b) ze plant en coördineert toezichtactiviteiten in normale omstandigheden, waaronder de in de artikelen 123, 124 en 136, in hoofdstuk V en in bijlage V genoemde activiteiten, en werkt daarbij samen met de andere bevoegde autoriteiten"; ii) het volgende punt c) wordt toegevoegd: "c) ze plant en coördineert toezichtactiviteiten bij de voorbereiding op en in noodsituaties, zoals ongunstige ontwikkelingen in kredietinstellingen en op de financiële markten, en werkt daarbij samen met de andere bevoegde autoriteiten en zo nodig met centrale banken. De planning en coördinatie van de in punt c) genoemde toezichtactiviteiten omvat ook buitengewone maatregelen als bedoeld in artikel 132, lid 3, onder b), gezamenlijke evaluaties, de uitvoering van calamiteitenplannen en de communicatie met het publiek."; b) het volgende lid 3 wordt toegevoegd: "3. De consoliderende toezichthouder en de autoriteiten die bevoegd zijn voor het toezicht op dochterondernemingen van een EU-moederkredietinstelling of een financiële EU-moederholding in een lidstaat stellen alles in het werk om tot een gezamenlijk besluit te komen over: a) de toepassing van de artikelen 123 en 124 om uit te maken of het geconsolideerde eigen vermogen van de groep toereikend is voor haar financiële situatie en risicoprofiel en dus hoeveel eigen vermogen voor de toepassing van artikel 136, lid 2, voor elke entiteit binnen de bankgroep en op geconsolideerde basis noodzakelijk is; b) uniforme rapportageformaten, -frequenties en -termijnen voor de toepassing van artikel 74, lid 2, op alle entiteiten binnen de bankgroep. Voor de toepassing van punt a) wordt het gezamenlijk besluit genomen zes maanden nadat de consoliderende toezichthouder een verslag met de risicobeoordeling van de groep overeenkomstig de artikelen 123 en 124 bij de andere relevante bevoegde autoriteiten heeft ingediend. Voor de toepassing van punt b) wordt het gezamenlijk besluit uiterlijk 30 juni 2011 genomen. Het in de eerste alinea bedoelde besluit wordt op schrift gesteld met volledige opgaaf van redenen en de consoliderende toezichthouder doet dit document aan de EU-moederkredietinstelling toekomen. Bij een geschil raadpleegt de consoliderende toezichthouder op verzoek van een van de andere betrokken bevoegde autoriteiten het Comité van Europese bankentoezichthouders. De consoliderende toezichthouder kan dit comité ook op eigen initiatief raadplegen. Als de bevoegde autoriteiten niet binnen zes maanden tot een gezamenlijk besluit komen, beslist de consoliderende toezichthouder alleen over de toepassing van artikel 74, lid 2, de artikelen 123 en 124 en artikel 136, lid 2. Het besluit wordt op schrift gesteld met volledige opgaaf van redenen en met inaanmerkingneming van de gedurende de zes maanden door de andere bevoegde autoriteiten geuite standpunten en voorbehouden. De consoliderende toezichthouder doet het besluit toekomen aan de andere bevoegde autoriteiten. In geval van raadpleging van het Comité van Europese bankentoezichthouders houdt de consoliderende toezichthouder rekening met diens advies en wanneer duidelijk wordt afgeweken van dit advies, legt hij uit waarom. Het in de alinea bedoelde gezamenlijk besluit en het in de zesde alinea bedoelde besluit worden als bepalend erkend en worden door de bevoegde autoriteiten in de betrokken lidstaat toegepast."; 29. artikel 130, lid 1, wordt vervangen door: "1. Als zich in een bankgroep een noodsituatie, waaronder ongunstige ontwikkelingen op de financiële markten, voordoet die de stabiliteit van het financiële stelsel kan ondermijnen in een van de lidstaten waar aan entiteiten van de groep vergunning is verleend of systeemrelevante bijkantoren als bedoeld in artikel 42 bis zijn gevestigd, waarschuwt de consoliderende toezichthouder, behoudens hoofdstuk 1, afdeling 2, zo spoedig mogelijk de in artikel 49, vierde alinea, en artikel 50 genoemde autoriteiten en deelt hij alle informatie mede die voor de uitoefening van hun taken van essentieel belang is. Dit geldt voor alle bevoegde autoriteiten die in de artikelen 125 en 126 wordt genoemd, alsmede voor de bevoegde autoriteit die in lid 1 van artikel 129 wordt genoemd. Als de in artikel 49, vierde alinea, genoemde autoriteit kennis krijgt van een situatie als beschreven in de eerste alinea, waarschuwt zij de zo spoedig mogelijk in de artikelen 125 en 126 bedoelde bevoegde autoriteiten. Indien mogelijk gebruiken de bevoegde autoriteit en de in artikel 49, vierde alinea, genoemde autoriteit de bestaande gedefinieerde communicatiekanalen."; 30. het volgende artikel 131 bis wordt ingevoegd: "Artikel 131 bis 1. De consoliderende toezichthouder richt colleges van toezichthouders op om de uitoefening van de in artikel 129 en artikel 130, lid 1, genoemde taken te vergemakkelijken. Colleges van toezichthouders bakenen het kader af waarbinnen de consoliderende toezichthouder en de andere betrokken bevoegde autoriteiten de volgende taken verrichten: a) zij wisselen onderling informatie uit; b) zij komen tot overeenstemming over een toewijzing van taken en overdracht van verantwoordelijkheden op basis van vrijwilligheid; c) zij stellen op basis van een overeenkomstig artikel 124 verrichte risicobeoordeling van de groep programma's voor toezichtonderzoek vast; d) zij vergroten de efficiëntie van het toezicht door te voorkomen dat tweemaal aan hetzelfde toezichtvereiste moet worden voldaan, hetgeen bijvoorbeeld kan voorkomen bij de informatieverzoeken als bedoeld in artikel 130, lid 2, en artikel 132, lid 2; e) zij passen de prudentiële vereisten in het kader van de richtlijn consequent toe op alle entiteiten in een bankgroep; f) zij houden bij de toepassing van artikel 129, lid 1, rekening met het werk van andere fora die eventueel op dit gebied zijn opgericht. De bevoegde autoriteiten die deelnemen aan het college van toezichthouders, werken nauw samen. De geheimhoudingsvereisten ingevolge hoofdstuk 1, afdeling 2, beletten de bevoegde autoriteiten niet binnen colleges van toezichthouders vertrouwelijke informatie uit te wisselen. De oprichting van colleges doet geen afbreuk aan de rechten en plichten van de bevoegde autoriteiten in het kader van deze richtlijn. 2. Na raadpleging van de betrokken bevoegde autoriteiten stelt de consoliderende toezichthouder de in artikel 131 bedoelde regeling voor de oprichting en werking van het college schriftelijk vast. Het Comité van Europese bankentoezichthouders stelt richtsnoeren op voor de operationele werking van de colleges. De autoriteiten die bevoegd zijn voor het toezicht op dochterondernemingen van een EU-moederkredietinstelling of een financiële EU-moederholding, en de bevoegde autoriteiten van een lidstaat van ontvangst waar systeemrelevante bijkantoren als bedoeld in artikel 42 bis zijn gevestigd, alsook in voorkomend geval de autoriteiten van derde landen kunnen deelnemen aan colleges van toezichthouders. De consoliderende toezichthouder zit de bijeenkomsten van het college voor en beslist welke bevoegde autoriteiten deelnemen aan een vergadering of activiteit van het college. De consoliderende toezichthouder houdt alle leden van het college volledig op de hoogte van de organisatie van dergelijke bijeenkomsten en activiteiten, alsook van de besluiten die op deze bijeenkomsten zijn genomen. Bij zijn beslissing houdt de consoliderende toezichthouder rekening met de relevantie van de te plannen of coördineren toezichtactiviteit voor deze autoriteiten en met de vereisten in het kader van artikel 40, lid 3, en artikel 42,bis, lid 2. De consoliderende toezichthouder stelt, onverminderd de geheimhoudingsvereisten in het kader van hoofdstuk 1, afdeling 2, het Comité van Europese bankentoezichthouders in kennis van de activiteiten van het college van toezichthouders, met inbegrip van de activiteiten in noodsituaties, en deelt dit comité alle informatie mede die voor de convergentie van het toezicht van bijzonder belang is."; 31. artikel 132 wordt als volgt gewijzigd: a) in lid 1, onder d), wordt "artikel 136" vervangen door "artikel 136, lid 1"; b) in lid 3, onder b), wordt "artikel 136" vervangen door "artikel 136, lid 1"; 32. artikel 150 wordt als volgt gewijzigd: a) lid 1 wordt als volgt gewijzigd: ii) de punten k) en l) komen als volgt te luiden: "k) de lijst en de indeling van de posten buiten de balanstelling in de bijlagen II en IV; l) aanpassing van de bijlagen III en V tot en met XII om rekening te houden met de ontwikkelingen op de financiële markten (met name nieuwe financiële producten) en op het gebied van standaarden voor of eisen aan jaarrekeningen die rekening houden met de Gemeenschapswetgeving, of met het oog op de convergentie van toezichtpraktijken; of"; ii) het volgende punt m) wordt toegevoegd: "m) wijziging van het in artikel 111, lid 1, genoemde bedrag en percentage om rekening te houden met de ontwikkelingen op de financiële markten."; b) lid 2, onder c), komt als volgt te luiden: "c) verduidelijking van de vrijstellingen genoemd in artikel 113;"; 33. aan artikel 154 worden de volgende leden 8 en 9 toegevoegd: "8. Kredietinstellingen die op [ datum van artikel 4 – in te voegen zodra deze bekend is] niet aan de limieten van artikel 166, lid 1 bis, voldoen, stellen strategieën en procedures als bedoeld in artikel 123 vast voor de nodige maatregelen om deze situatie vóór de data van lid 9 te verhelpen. Deze maatregelen worden in het kader van artikel 124 aan een evaluatie onderworpen. 9. Instrumenten die op [ datum van artikel 4 – in te voegen zodra deze bekend is ] in het nationaal recht als gelijkwaardig zijn aangemerkt met de bestanddelen genoemd in artikel 57, onder a), b) of c), maar niet onder artikel 57, onder a), vallen of niet voldoen aan de criteria van artikel 63 bis, worden nog als gelijkwaardig aangemerkt tot [ dertig jaar na de datum van artikel 4 – in te voegen zodra deze bekend is ], en wel voor maximaal a) 20% van de som van de bestanddelen van artikel 57, onder a) tot en met c bis), verminderd met de som van de bestanddelen van artikel 57, onder i), j) en k), [ tussen tien en twintig jaar na de datum van artikel 4 – in te voegen zodra deze bekend is ]; b) 10% van de som van de bestanddelen van artikel 57, onder a) tot en met c bis), verminderd met de som van de bestanddelen van artikel 57, onder i), j) en k), [ tussen twintig en dertig jaar na de datum van artikel 4 – in te voegen zodra deze bekend is ]."; 34. bijlage III wordt als volgt gewijzigd: a) aan deel 1, punt 5, wordt de volgende zin toegevoegd: "Volgens de methode van deel 6 van deze bijlage (IMM) kunnen alle samenstellen van verrekenbare transacties met een en dezelfde tegenpartij worden behandeld als één samenstel indien de negatieve gesimuleerde marktwaarden van de afzonderlijke samenstellen bij de raming van de verwachte positie (EE) op 0 worden bepaald."; b) deel 2, punt 3, komt als volgt te luiden: "3. Wanneer een kredietinstelling protectie in de vorm van een kredietderivaat koopt ter afdekking van een positie in de niet-handelsportefeuille of van een CCR-positie, mag zij haar kapitaalvereiste voor het afgedekte activum berekenen overeenkomstig bijlage VIII, deel 3, punten 83 tot en met 92, of, mits de bevoegde autoriteiten daarmee instemmen, overeenkomstig bijlage VII, deel 1, punt 4 dan wel bijlage VII, deel 4, punten 96 tot en met 104. In deze gevallen en wanneer geen gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid die genoemd wordt in bijlage II, punt 11, tweede zin, van Richtlijn 2006/48/EG, wordt de positiewaarde voor het CCR voor dergelijke kredietderivaten op nul bepaald. Een instelling mag er echter voor kiezen om voor de berekening van kapitaalvereisten voor het tegenpartijkredietrisico consequent rekening te houden met alle niet in de handelsportefeuille opgenomen kredietderivaten die zijn gekocht als protectie voor een positie in de niet-handelsportefeuille of voor een CCR-positie wanneer de kredietprotectie op grond van deze richtlijn is erkend."; c) deel 5, punt 15, komt als volgt te luiden: "15. Er is één samenstel van afdekkingsinstrumenten voor elke uitgevende instelling van een referentieschuldinstrument dat als onderliggende waarde van een kredietverzuimswap fungeert. Basketkredietverzuimswaps voor het n-de kredietverzuim worden als volgt behandeld: a) de omvang van een risicopositie in een referentieschuldinstrument in een basket die als onderliggende waarde van een kredietverzuimswap voor het n-de kredietverzuim fungeert, is de effectieve nominale waarde van het referentieschuldinstrument, vermenigvuldigd met de gewijzigde looptijd van het n-de kredietverzuimderivaat als gevolg van een verandering in de creditspread van het referentieschuldinstrument; b) er is één samenstel van afdekkingsinstrumenten voor elk referentieschuldinstrument in een basket die als onderliggende waarde van een bepaalde kredietverzuimswap voor het n-de kredietverzuim fungeert. Risicoposities die uit verschillende kredietverzuimswaps voor het n-de kredietverzuim voortvloeien, worden niet in hetzelfde samenstel van afdekkingsinstrumenten opgenomen; c) de CCR-vermenigvuldigingsfactor voor elk samenstel van afdekkingsinstrumenten voor een van de referentieschuldinstrumenten van een derivaat voor het n-de kredietverzuim bedraagt 0,3% voor referentieschuldinstrumenten die van een erkende EKBI een kredietbeoordeling hebben gekregen die overeenkomt met kredietkwaliteitscategorie 1 tot 3, en 0,6% voor andere schuldinstrumenten."; 35. bijlage V wordt als volgt gewijzigd: a) punt 14 komt als volgt te luiden: "14. Voor de vaststelling, meting en het beheer van het liquiditeitsrisico over een passende reeks tijdshorizonten, waaronder intra-day, zijn er deugdelijke strategieën, gedragslijnen, procedures en systemen die ervoor zorgen dat de kredietinstellingen voldoende liquiditeitsbuffers aanhouden. Deze strategieën, gedragslijnen, procedures en systemen zijn toegesneden op de business lines, valuta's en juridische entiteiten en bevatten deugdelijke mechanismen voor de liquiditeitskostenallocatie."; e) het volgende punt 14 bis wordt ingevoegd: "14 bis De in punt 14 bedoelde strategieën, gedragslijnen, procedures en systemen staan in verhouding tot de complexiteit, het risicoprofiel en het werkterrein van de onderneming en tot de door het leidinggevende orgaan vastgestelde risicotolerantie en houden rekening met de systeemrelevantie van de kredietinstelling in elke lidstaat waarin zij werkzaam is."; f) punt 15 komt als volgt te luiden: "15. Kredietinstellingen ontwikkelen methodieken voor de vaststelling, de meting, het beheer en de monitoring van financieringsposities, en met name door middel van een systeem van limieten. Deze omvatten de kasstromen die voortvloeien uit activa, passiva, posten buiten de balanstelling, waaronder voorwaardelijke verplichtingen, en de mogelijke gevolgen van het reputatierisico."; g) de volgende punten 16 tot en met 22 worden toegevoegd: "16. Kredietinstellingen maken een onderscheid tussen in pand gegeven en niet-bezwaarde activa die te allen tijde, en met name in noodsituaties, beschikbaar zijn. Zij houden rekening met de juridische entiteit waarin de activa zich bevinden en met de toelaatbaarheid en tijdige inzetbaarheid ervan. 17. Kredietinstellingen nemen ook de bestaande juridische, operationele en regelgevingsbeperkingen op mogelijke overdrachten van liquiditeit en niet-bezwaarde activa tussen juridische entiteiten in en buiten de EER in aanmerking. 18. Een kredietinstelling overweegt verschillende middelen om het liquiditeitsrisico te limiteren, waarbij te denken valt aan liquiditeitsbuffers voor uiteenlopende probleemsituaties, en aan een voldoende gediversificeerde financieringsstructuur en voldoende toegang tot financieringsbronnen. De desbetreffende instrumenten worden regelmatig tegen het licht gehouden. 19. Er worden alternatieve scenario's voor liquiditeitsposities en risicovermindering in overweging genomen en de hypothesen die aan beslissingen betreffende de financiële positie ten grondslag liggen, worden regelmatig aan een nieuw onderzoek onderworpen. Daartoe wordt in deze scenario's met name gelet op posten buiten de balanstelling en andere voorwaardelijke verplichtingen, waaronder die van SSPE's en andere special purpose entities waarbij de kredietinstelling als sponsor fungeert of wezenlijke liquiditeitssteun verleent. 20. Kredietinstellingen kijken ook naar de mogelijke gevolgen van instellingsspecifieke, marktbrede en gecombineerde alternatieve scenario's. Daarbij worden verschillende tijdshorizonten en stressniveaus in aanmerking genomen. 21. Kredietinstellingen passen hun strategieën, interne gedragslijnen en liquiditeitsrisicolimieten aan en ontwikkelen effectieve calamiteitenplannen op basis van de resultaten van de in punt 19 bedoelde alternatieve scenario's. 22. Met het oog op eventuele liquiditeitscrises beschikken de kredietinstellingen over calamiteitenplannen met deugdelijke strategieën en uitvoeringsmaatregelen om mogelijke liquiditeitstekorten het hoofd te kunnen bieden. Deze plannen worden regelmatig getest, bijgewerkt op basis van de resultaten van alternatieve scenario's als beschreven in punt 16, en gemeld aan en goedgekeurd door de directie, zodat interne gedragslijnen en procedures dienovereenkomstig kunnen worden aangepast."; 36. bijlage XI wordt als volgt gewijzigd: a) punt 1, onder e), wordt vervangen door: "e) de blootstelling aan en de meting en het beheer van het liquiditeitsrisico door de kredietinstellingen, waaronder onderzoek van alternatieve scenario's, het beheer van risicovermindering (met name de omvang, samenstelling en kwaliteit van liquiditeitsbuffers) en effectieve calamiteitenplannen;"; b) het volgende punt 1 bis wordt ingevoegd: "1 bis. Voor de toepassing van punt 1, onder e), onderwerpen de bevoegde autoriteiten het algehele liquiditeitsrisicobeheer van kredietinstellingen regelmatig aan een uitgebreide evaluatie en bevorderen zij de ontwikkeling van solide interne methodieken. Bij deze evaluaties letten zij op de rol die kredietinstellingen op de financiële markten spelen. De bevoegde autoriteiten in de ene lidstaat letten ook op de gevolgen die hun besluiten kunnen hebben voor de stabiliteit van het financiële stelsel van alle andere betrokken lidstaten."; 37. bijlage XII, deel 2, punt 3, onder a) en b), komt als volgt te luiden: "a) beknopte informatie over de voornaamste kenmerken van alle eigenvermogensposten en bestanddelen daarvan, waaronder de in artikel 57, onder c bis), bedoelde instrumenten, instrumenten waarvan de wettelijke of contractuele bepalingen een aflossingsprikkel voor de kredietinstelling bevatten, en instrumenten als bedoeld in artikel 154, lid 9; b) het bedrag van het oorspronkelijk eigen vermogen, met afzonderlijke vermelding van alle positieve posten en aftrekposten. Het totaalbedrag van de instrumenten als bedoeld in artikel 57, onder c bis), en de instrumenten waarvan de wettelijke of contractuele bepalingen een aflossingsprikkel voor de kredietinstelling bevatten, wordt ook afzonderlijk openbaar gemaakt. Ook wordt telkens gespecificeerd welke instrumenten onder artikel 154, lid 9, vallen.". Artikel 2 Wijzigingen in Richtlijn 2006/49/EG Richtlijn 2006/49/EG wordt als volgt gewijzigd: 1) artikel 12, eerste alinea, komt als volgt te luiden: "Onder "oorspronkelijk eigen vermogen" wordt verstaan, de som van de bestanddelen in de punten a) tot en met c bis), minus de som van de bestanddelen in de punten i), j) en k) van artikel 57 van Richtlijn 2006/48/EG."; 2) artikel 28 wordt als volgt gewijzigd: a) lid 1 komt als volgt te luiden: "1. Instellingen, behalve beleggingsondernemingen die aan de criteria van artikel 20, leden 2 of 3, van deze richtlijn voldoen, bewaken en beheersen hun grote risico's overeenkomstig de artikelen 106 tot en met 118 van Richtlijn 2006/48/EG."; b) lid 3 wordt geschrapt; 3) artikel 30, lid 4, wordt geschrapt; 4) artikel 31 wordt als volgt gewijzigd: a) in de eerste alinea komen de punten a) en b) als volgt te luiden: "a) het risico buiten de handelsportefeuille op de betrokken cliënt of groep van cliënten is niet groter dan de in artikel 111, lid 1, van Richtlijn 2006/48/EG gestelde grenswaarde, berekend met betrekking tot het eigen vermogen als omschreven in die richtlijn, zodat de overschrijding zich integraal voordoet binnen de handelsportefeuille; b) de instelling voldoet aan een aanvullend kapitaalvereiste voor de overschrijding van de in artikel 111, lid 1, van Richtlijn 2006/48/EG gestelde grenswaarde, berekend overeenkomstig bijlage VI bij deze richtlijn;"; b) in de eerste alinea komt punt e) als volgt te luiden: "e) de instellingen dienen om de drie maanden aan de bevoegde autoriteiten alle gevallen te melden waarin de grenswaarde van artikel 111, lid 1, van Richtlijn 2006/48/EG in de afgelopen drie maanden is overschreden."; c) de tweede alinea wordt vervangen door: Voor elk geval waarin de onder e) bedoelde grenswaarde is overschreden, wordt opgave gedaan van de hoogte van de overschrijding en van de naam van de betrokken cliënt."; 5) in artikel 32, lid 1, komt de eerste alinea als volgt te luiden: "1. De bevoegde autoriteiten stellen procedures vast om te voorkomen dat instellingen de aanvullende kapitaalvereisten die voortvloeien uit het langer dan tien dagen voortduren van risico's boven de grenswaarde van artikel 111, lid 1, van Richtlijn 2006/48/EG, opzettelijk omzeilen door deze risico's tijdelijk naar een andere onderneming, al of niet behorend tot dezelfde groep, over te dragen en/of door middel van kunstmatige transacties waardoor het risico binnen de periode van tien dagen wordt beëindigd en een nieuw risico wordt gecreëerd."; 6) aan artikel 38 wordt de volgende alinea toegevoegd: "3. Artikel 42 bis, behalve punt a), van Richtlijn 2006/48/EG is van overeenkomstige toepassing op het toezicht op beleggingsondernemingen, tenzij deze voldoen aan de criteria van artikel 20, leden 2 of 3, of artikel 46, lid 1, van deze richtlijn."; 7) in artikel 45, lid 1, wordt "31 december 2010" vervangen door "31 december 2012"; 8) in artikel 48, lid 1, wordt "31 december 2010" vervangen door "31 december 2012". Artikel 3Omzetting 1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk 31 januari 2010 aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn. Zij passen die bepalingen toe vanaf 31 maart 2010. Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten. 2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen. Artikel 4Inwerkingtreding Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie . Artikel 5Adressaten Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten. Gedaan te Brussel, Voor het Europees Parlement Voor de Raad De voorzitter De voorzitter [pic][pic][pic][pic][pic][pic] [1] Aanbeveling 87/62/EEG betreffende het toezicht en de controle op grote risico's van kredietinstellingen. [2] Richtlijn 92/121/EEG betreffende het toezicht op en de beheersing van grote risico's van kredietinstellingen. [3] PB C […] van […], blz. […]. [4] PB C […] van […], blz. […]. [5] PB C […] van […], blz. […]. [6] PB C […] van […], blz. […]. [7] PB C […] van […], blz. […]. [8] PB L 177 van 30.6.2006, blz. 1. [9] PB L 177 van 30.6.2006, blz. 201. [10] PB L184 van 17.7.1999, blz. 23.