52005PC0507




[pic] | COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN |

Brussel, 20.10.2005

COM(2005) 507 definitief

2005/0214 (COD)

Uitvoering van het communautaire Lissabon-programma: Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de verbetering van de meeneembaarheid van aanvullende pensioenrechten {SEC(2005)1293}

(ingediend door de Commissie)

TOELICHTING

ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL |

Motivering en doel van het voorstel De herziene strategie van Lissabon[1] en de Sociale Agenda[2] onderstrepen het belang van mobiliteit voor het verbeteren van het aanpassingsvermogen van werknemers en ondernemingen en van de flexibiliteit van de arbeidsmarkten. Gezien het toenemende belang van de aanvullende pensioenregelingen voor de dekking van het ouderdomsrisico wordt het ook steeds belangrijker eventuele obstakels voor mobiliteit die uit die regelingen voortvloeien, te beperken. In het Lissabon-actieplan heeft de Commissie aangekondigd wetgeving op dit terrein te willen voorstellen. Het doel van dit voorstel is de belemmeringen van zowel het vrije verkeer tussen lidstaten als van de mobiliteit binnen een lidstaat als gevolg van bepaalde bepalingen van de aanvullende pensioenregelingen te beperken. Deze belemmeringen betreffen de voorwaarden voor het verwerven van pensioenrechten, de voorwaarden voor het behouden van slapende pensioenrechten, en de overdraagbaarheid van verworven rechten. Verder is het voorstel gericht op verbetering van de informatievoorziening aan werknemers betreffende de gevolgen van mobiliteit voor aanvullende pensioenrechten. |

Algemene context De stelsels van sociale bescherming van de lidstaten moeten het hoofd bieden aan het probleem van de vergrijzing. De in de meeste lidstaten ingevoerde of geplande hervormingen gaan in de richting van een grotere rol voor aanvullende pensioenregelingen, waarvan de ontwikkeling overigens actief bevorderd wordt door bepaalde lidstaten. Het wordt daarom noodzakelijk te waarborgen dat de regels voor het organiseren van deze regelingen de mobiliteit van werknemers niet belemmeren doordat zij de mobiele werknemer minder kansen bieden om voldoende pensioenrechten op te bouwen tegen het einde van hun beroepsleven, waardoor de flexibiliteit en de effectiviteit van de arbeidsmarkt nadelig beïnvloed zouden worden. De beslissing van een individu om al of niet van werkkring te veranderen kan door veel factoren beïnvloed worden, maar het is wel duidelijk dat het vooruitzicht een aanzienlijk deel van de aanvullende pensioenrechten te verliezen het enthousiasme voor verandering niet zal stimuleren. Dit voorstel is het eindresultaat van meerdere jaren overleg op Europees niveau over de noodzaak en de meest geschikte aanpak van de verbetering van de organisatie van de aanvullende pensioenregelingen, met het oog op het vergemakkelijken van de mobiliteit van werknemers. |

Bestaande bepalingen op het door het voorstel bestreken gebied Het ontbreken van een gemeenschappelijk regelgevend kader inzake de meeneembaarheid van aanvullende pensioenrechten blijft een belemmering van het vrije verkeer van werknemers en van de beroepsmobiliteit in het algemeen, ook binnen de grenzen van de lidstaten. Een eerste stap ter verwijdering van deze belemmeringen is gezet met Richtlijn 1998/49/EG[3], die met name gericht is op het garanderen van het recht op gelijke behandeling van personen die zich van het ene naar het andere land begeven. |

Samenhang met andere beleidsgebieden en doelstellingen van de Unie De recente Mededeling van de Commissie aan de Raad van het voorjaar van 2005[4] en de geïntegreerde richtsnoeren[5] onderstrepen het grote belang van beleid dat het reactievermogen van de arbeidsmarkten verbetert door met name de beroeps- en geografische mobiliteit te bevorderen. Tegen het einde van 2005 zal de Commissie een actieplan betreffende legale migratie goedkeuren dat eveneens initiatieven in die zin zal omvatten. |

RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDE PARTIJEN EN EFFECTBEOORDELING |

Raadpleging van belanghebbende partijen |

Gebruikte methoden van raadpleging, voornaamste benaderde sectoren en algemeen profiel van de respondenten De Commissie heeft de sociale partners tweemaal geraadpleegd. De eerste raadpleging had betrekking op het nut en de mogelijke richting van een communautaire actie betreffende de meeneembaarheid van arbeidspensioenrechten[6]. De reacties van de sociale partners waren over het algemeen positief. De Commissie heeft daarom een tweede ronde van raadpleging van de Europese sociale partners gehouden[7] over de mogelijke inhoud van een communautaire actie. Bij deze raadpleging is gebleken dat de sociale partners uiteenlopende voorstellingen hadden met betrekking tot het onderwerp van deze actie en de te gebruiken instrumenten. Zij zijn dan ook geen onderhandelingen met het oog op een autonoom akkoord begonnen. Sinds de oprichting ervan in 2001 was het Comité voor aanvullende pensioenen[8] (hierna "Pensioenforum") nauw betrokken bij het onderzoek van de belemmeringen van de mobiliteit die voortvloeien uit de regels voor aanvullende pensioenregelingen. het Pensioenforum bestaat uit vertegenwoordigers van de lidstaten, van de sociale partners, van de pensioenfondsen en van andere instellingen die op dit terrein werkzaam zijn. |

Samenvatting van de ontvangen reacties en van de wijze waarop daarmee rekening is gehouden De reacties die zijn ontvangen van de kant van de leden van het Pensioenforum, waaronder vertegenwoordigers van de lidstaten en van sociale partners, zijn verwerkt in de effectbeoordeling die bij dit voorstel is gevoegd. |

Bijeenbrengen en benutten van deskundigheid |

Het was niet noodzakelijk een beroep te doen op externe deskundigheid. |

Effectbeoordeling Hoewel dit voorstel geen deel uitmaakt van het werkprogramma van de Commissie, en een effectbeoordeling dus formeel gezien niet noodzakelijk was, waren de diensten van de Commissie van mening dat het met het oog op betere wetgeving en meer transparantie zinvol was de verschillende opties inzake mogelijke maatregelen op dit terrein, en de gevolgen daarvan in termen van kosten en baten, te onderzoeken. |

JURIDISCHE ELEMENTEN VAN HET VOORSTEL |

Samenvatting van de voorgestelde maatregel Dit voorstel behelst gemeenschappelijke beginselen die de uitoefening van het recht op vrij verkeer, een van de fundamentele vrijheden van de Gemeenschap, moeten vergemakkelijken, alsmede het functioneren van de interne markt. Deze beginselen sluiten aan bij de aanpassingen van de aanvullende pensioensystemen die al gaande zijn in de lidstaten. De mobiliteit van de werkenden, zowel binnen een lidstaat als tussen verschillende lidstaten, is een essentieel element voor het goed functioneren van de Europese arbeidsmarkt en vormt een integrerend onderdeel van de in de strategie van Lissabon aangekondigde doelstellingen betreffende het stimuleren van werkgelegenheid en economische groei. Het gaat er dus niet alleen om de mobiliteit van de ene naar de andere lidstaat te verbeteren, maar ook de beroepsmobiliteit binnen een land. Bepaalde regels voor aanvullende pensioenregelingen, met name wat het opbouwen van rechten betreft, belemmeren deze interne mobiliteit. Dit creëert met name een obstakel voor de ontwikkeling van ondernemingen uit een andere lidstaat, vanwege de problemen bij het vinden van gekwalificeerd personeel (dit personeel wordt in ondernemingen "vastgehouden" door de regels van de aanvullende pensioenregelingen). Deze richtlijn is dan ook gericht op de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten op dit terrein teneinde de concurrentievoorwaarden op de Europese arbeidsmarkt te verbeteren. |

Juridische grondslag De juridische grondslagen van dit voorstel zijn de artikelen 42 en 94 van het EG-Verdrag. Artikel 42 was ook al de juridische grondslag voor Richtlijn 1998/49/EG. Artikel 94 van het EG-Verdrag is een passende grondslag omdat een echte verbetering van de meeneembaarheid van aanvullende pensioenrechten niet mogelijk is zonder een verbetering van de beroepsmobiliteit in het algemeen, ook binnen de lidstaten. Een betere algemene beroepsmobiliteit is overigens ook noodzakelijk om een goede werking van de gemeenschappelijke markt mogelijk te maken, op basis van een flexibel arbeidspotentieel dat niet in zijn bewegingen wordt belemmerd door de toepassing van bepaalde regels voor aanvullende pensioenregelingen, zoals bijvoorbeeld regels die werknemers verplichten om een langere periode bij dezelfde werkgever te blijven voordat zij rechten beginnen te verwerven. |

Subsidiariteitsbeginsel Het subsidiariteitsbeginsel is van toepassing, aangezien het voorstel een terrein betreft dat niet onder de exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap valt. |

De doelstellingen van het voorstel kunnen niet in voldoende mate door de lidstaten worden verwezenlijkt, om de volgende redenen. |

De arbeidsmarkten houden niet op bij de grenzen van de lidstaten, het is daarom zinvol om op communautair niveau een maatregel te nemen om deze markten flexibeler en doelmatiger te maken, door bepaalde uit beroepspensioenregelingen voortvloeiende belemmeringen van de mobiliteit van de werkenden weg te nemen. |

De doelstellingen van het voorstel kunnen beter worden verwezenlijkt door een actie van de Gemeenschap, om de volgende redenen. |

De verschillende richtsnoeren en aanbevelingen die de Europese instellingen in de afgelopen tien jaar geformuleerd hebben, hebben niet geleid tot een wezenlijke onderlinge aanpassing van de nationale wetgevingen en de verschillen dreigen integendeel nog groter te worden in een Unie met 25 lidstaten. De actuele en toekomstige context van de ontwikkeling op Europees niveau van de pensioenstelsels maakt het noodzakelijk om nu al een communautair instrument goed te keuren: enerzijds beschikt de Unie sinds 2003 over een juridisch kader dat een grensoverschrijdend beheer van aanvullende pensioenregelingen stimuleert, en anderzijds is het duidelijk dat deze regelingen een dynamische ontwikkeling zullen doormaken, zoals ook blijkt uit een onlangs door het Comité sociale bescherming en de Commissie verrichte studie betreffende de toekomst van de aanvullende beroepspensioenregelingen. Dit is dus het juiste moment om gemeenschappelijke referenties te verstrekken. |

Het voorstel is dus in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel. |

Evenredigheidsbeginsel Het voorstel is in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, om de volgende redenen |

De keuze van het instrument en de modaliteiten ervan beantwoorden aan de eisen van evenredigheidsbeginsel: er is gekozen voor een richtlijn en niet voor een verordening, teneinde rekening te houden met de verschillen tussen de organisatie van de stelsels van aanvullende pensioenen in de lidstaten, terwijl tegelijkertijd een algemeen kader wordt vastgesteld dat de door de lidstaten te verwezenlijken doelstellingen aangeeft zonder in detail aan te geven door welke maatregelen dat dient te gebeuren. |

Tenslotte zijn de voorgestelde bepalingen zorgvuldig afgestemd op de absoluut noodzakelijke minimumeisen, rekening houdende, dankzij de effectbeoordeling, met de mogelijke repercussies op de bestaande nationale systemen; zij voorzien bovendien in ruime termijnen voor de omzetting van bepaalde bepalingen van deze richtlijn. |

Keuze van instrumenten |

Voorgesteld instrument: richtlijn. |

Andere instrumenten zouden niet geschikt zijn, om de volgende redenen. Een minder dwingend instrument, zoals bijvoorbeeld een gedragscode, zou hoogstwaarschijnlijk niet tot het gewenste resultaat leiden, gezien het feit dat de discussies die al sinds meer dan 15 jaar op Europees niveau gevoerd worden geen dergelijk initiatief op vrijwillige basis hebben opgeleverd. Bovendien worden veel van de elementen waarop de aanvullende pensioenregelingen gebaseerd zijn, gereglementeerd door de wetgevingen van de lidstaten. Een dwingender instrument, zoals bijvoorbeeld een verordening, zou niet de nodige flexibiliteit bieden om rekening te kunnen houden met de grote verscheidenheid van aanvullende pensioenregelingen en het vaak vrijwillige karakter daarvan. |

GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING |

Het voorstel heeft dus geen effect op de begroting van de Gemeenschap. |

AANVULLENDE INFORMATIE |

Concordantietabel De lidstaten moeten de Commissie de tekst van de nationale bepalingen ter omzetting van de richtlijn meedelen, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn. |

Europese Economische Ruimte Dit wetsvoorstel betreft een terrein dat onder de EER-overeenkomst valt en moet daarom worden uitgebreid tot de Europese Economische Ruimte. |

Gedetailleerde toelichting op het voorstel, per hoofdstuk of per artikel Onderwerp (artikel 1) Artikel 1 noemt de onder 1.2 genoemde doelstellingen en vat deze samen. Werkingssfeer (artikel 2) Met het oog op coherentie met Richtlijn 98/49/EG is de werkingssfeer van de voorgestelde richtlijn identiek aan die van eerstgenoemde richtlijn. Het voorstel heeft dus betrekking op alle aanvullende pensioenregelingen (zoals gedefinieerd in artikel 3), met uitzondering van regelingen die onder Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 (als gewijzigd) vallen. Definities (artikel 3) Gezien de grote verschillen tussen de aanvullende pensioenregelingen in de lidstaten is het noodzakelijk bepaalde in dit voorstel gebruikte termen te definiëren. De paragrafen a) ("aanvullend pensioen"), b) ("aanvullende pensioenregeling") en d) ("pensioenrechten") bevatten definities die identiek zijn aan de definities die gebruikt worden voor de doeleinden van Richtlijn 98/49/EG teneinde de coherentie met de werkingssfeer daarvan te verzekeren. De term "meeneembaarheid" zoals gebruikt in dit voorstel doelt op de mogelijkheid voor een vertrekkende werknemer om rechten op aanvullend pensioen te verwerven en te behouden. Voorwaarden voor verwerving (Artikel 4) Met het oog op het verkleinen van de negatieve effecten van de voorwaarden voor het verwerven van rechten op een aanvullend pensioen op de uitoefening van het recht op vrij verkeer voorziet de voorgestelde richtlijn in de volgende versoepelingen: - Een werknemer die nog geen rechten heeft opgebouwd in het kader van een aanvullende pensioenregeling, maar al wel bijdragen heeft betaald, mag die niet verliezen. Daartoe dient het totale bedrag van de bijdragen terugbetaald of overgedragen te worden. - De eis van een minimumleeftijd benadeelt mobiele jonge werknemers als zij, door te vertrekken voordat zij die minimumleeftijd bereikt hebben, hun pensioenrechten voor de al gewerkte periode verliezen. Werknemers moeten uiterlijk vanaf de leeftijd van 21 jaar aanvullende pensioenrechten beginnen te verwerven. - De wachttijd gedurende welke de werknemer nog niet aan de regeling kan deelnemen, dient verkort te worden. Deze periode zou niet langer mogen zijn dan een jaar (behalve als de minimumleeftijd nog niet bereikt is). Zo behouden de regelingen de mogelijkheid de wachttijd aan de proeftijd (meestal niet langer dan een jaar) te koppelen. - Teneinde vertrekkende werknemers in staat te stellen voldoende aanvullende pensioenrechten op te bouwen in de loop van hun loopbaan, met name diegenen die verschillende betrekkingen hebben gehad, is het zinvol de mogelijkheid van opbouwperiodes (stageperiodes), dat wil zeggen de periode van aansluiting na afloop waarvan de werknemer verworven rechten verkrijgt, te beperken. Deze periode mag niet langer zijn dan twee jaar. Behoud van slapende pensioenrechten (Artikel 5) Een mobiele werknemer dient niet te worden geconfronteerd met een gevoelige vermindering van de verworven rechten die hij in de aanvullende pensioenregeling van zijn oude betrekking heeft achtergelaten. De lidstaten beschikken over uiteenlopende instrumenten om deze aanpassing te bewerkstelligen, afhankelijk van de ontwikkeling van de rechten van de actieve aangeslotenen. Om te hoge administratiekosten van het beheer van grote aantallen slapende rechten van geringe omvang te vermijden, voorziet het voorstel in de mogelijkheid om de stelsels toe te staan dergelijke rechten niet in stand te houden maar over te dragen, of een kapitaal uit te betalen dat deze verworven rechten vertegenwoordigt, wanneer die onder een bepaalde door de betreffende lidstaat vast te stellen drempel blijven. Overdraagbaarheid (Artikel 6) De voorgestelde richtlijn bepaalt dat de vertrekkende werknemer de keuze moet hebben tussen het behoud van rechten in de aanvullende regeling van zijn oude betrekking en de overdracht van zijn verworven rechten, behalve als zijn nieuwe betrekking onder dezelfde aanvullende pensioenregeling valt, of als de regeling een kapitaal uitbetaalt gezien de geringe omvang van de verworven rechten. De vertrekkende werknemer die voor overdracht van zijn rechten kiest, mag niet worden benadeeld door de berekening van de waarde van de overgedragen rechten door de twee bij de overdracht betrokken regelingen, noch door overdreven hoge administratiekosten. Te verstrekken gegevens (Artikel 7) Artikel 7 is bedoeld ter aanvulling van de bestaande bepalingen op Europees niveau inzake informatievoorziening van Richtlijn 2003/41/EG. Aangezien de werkingssfeer van de voorgestelde richtlijn, die ook van toepassing zal zijn op regelingen die niet op basis van kapitalisatie gefinancierd worden, ruimer is dan die van Richtlijn 2003/41/EG, moeten op dat terrein aanvullende bepalingen worden vastgesteld. Richtlijn 2003/41/EG bepaalt alleen welke informatie aan deelnemers (aangeslotenen) en pensioengerechtigden dient te worden verstrekt; aanvulling is dus noodzakelijk in die zin dat aan iedere (potentieel) vertrekkende werknemer, ook aan niet-deelnemers, informatie moet worden verstrekt over de consequenties van een beëindiging van de arbeidsverhouding voor de rechten op aanvullend pensioen. Minimumvoorschriften – non-regressie (Artikel 8) In de geest van de tenuitvoerlegging van de interne markt en de bijbehorende sociale bepalingen vormt dit voorstel voor een richtlijn geen belemmeringen voor verdergaande bepalingen inzake meeneembaarheid die lidstaten eventueel zouden kunnen invoeren; daarnaast sluit het alle initiatieven uit die zouden kunnen leiden tot een achteruitgang ten opzichte van de bestaande mate van meeneembaarheid. Tenuitvoerlegging (artikel 9) Gezien de diversiteit van de aanvullende pensioenregelingen in de lidstaten kiest dit voorstel voor een richtlijn voor een soepele aanpak voor de tenuitvoerlegging van bepaalde bepalingen in verband met de voorwaarden voor het verwerven van pensioenrechten en voor overdracht. De lidstaten kunnen gebruik maken van een verlengde termijn voor de omzetting van bepaalde bepalingen als dat op korte termijn problemen zou opleveren. Gezien de belangrijke rol van de sociale partners bij de organisatie en het beheer van de aanvullende beroepspensioenregelingen bepaalt het voorstel dat de lidstaten de tenuitvoerlegging van de richtlijn aan hen kunnen opdragen. |

. |

1. 2005/0214 (COD)

Uitvoering van het communautaire Lissabon-programma:Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de verbetering van de meeneembaarheid van aanvullende pensioenrechten

(voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op de artikelen 42 en 94,

Gezien het voorstel van de Commissie[9],

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité[10],

Gezien het advies van het Comité van de Regio's[11],

Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag[12],

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Het vrije verkeer van personen is een van de fundamentele vrijheden van de Gemeenschap; artikel 42 van het Verdrag bepaalt dat de Raad volgens de procedure van artikel 251 de maatregelen vaststelt welke op het gebied van de sociale zekerheid noodzakelijk zijn voor de totstandkoming van het vrije verkeer van werknemers.

(2) De sociale bescherming van de werknemers inzake pensioenen wordt verzekerd door wettelijke socialezekerheidsregelingen, aangevuld door aanvullende socialezekerheidsregelingen die gekoppeld zijn aan de arbeidsovereenkomst en die een steeds belangrijkere rol spelen in de lidstaten.

(3) De Raad beschikt over een ruime beoordelingsvrijheid wat betreft de keuze van de meest passende maatregelen om de doelstelling van artikel 42 van het Verdrag te verwezenlijken; het coördinatiesysteem dat is voorzien in Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen[13] en in Verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71[14], en in het bijzonder ook de geldende regels voor samentelling, hebben geen betrekking op de aanvullende pensioenregelingen, met uitzondering van de regelingen die onder de term "wetgeving" als gedefinieerd in de eerste alinea van artikel 1, punt j), van Verordening (EEG) nr. 1408/71 vallen, of die in een verklaring van een lidstaat uit hoofde van dit artikel als zodanig zijn aangemerkt. De aanvullende pensioenregelingen zouden daarom onderwerp moeten zijn van specifieke maatregelen, om rekening te houden met hun aard en bijzondere kenmerken, en ook met de verscheidenheid van regelingen binnen lidstaten en de verschillen tussen lidstaten onderling, en met name met de rol van de sociale partners bij de tenuitvoerlegging van die regelingen.

(4) Richtlijn 98/49/EG van de Raad van 29 juni 1998 betreffende de bescherming van de rechten op aanvullend pensioen van werknemers en zelfstandigen die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen[15] vormt een eerste specifieke maatregel ter verbetering van de uitoefening van het recht op vrij verkeer van de werknemers op het terrein van de aanvullende pensioenregelingen.

(5) Ook dient verwezen te worden naar artikel 94 van het Verdrag, aangezien de dispariteiten tussen de nationale wetgevingen met betrekking tot de aanvullende pensioenregelingen zowel de uitoefening van het recht op vrij verkeer van werknemers als het functioneren van de interne markt kunnen belemmeren. Om de meeneembaarheid van de aanvullende pensioenrechten van werknemers die zich binnen de Gemeenschap of binnen een lidstaat verplaatsen, te verbeteren, dienen bepaalde voorwaarden voor het verwerven van pensioenrechten geharmoniseerd te worden en dienen de regels inzake het behoud van slapende rechten en de overdracht van verworven rechten onderling aangepast te worden.

(6) Om te verzekeren dat de voorwaarden voor het verwerven van aanvullende pensioenrechten geen belemmering vormen voor de uitoefening van het recht op vrij verkeer van werknemers in de Europese Unie, dienen bepaalde grenzen te worden vastgesteld met betrekking tot deze voorwaarden, opdat een werknemer die gebruik maakt van zijn recht op vrij verkeer, of zich binnen een lidstaat verplaatsen, aan het einde van hun beroepsleven een adequaat pensioen ontvangen.

(7) Er dient ook gezorgd te worden voor een redelijke aanpassing van slapende pensioenrechten, om te voorkomen dat een vertrekkende werknemer benadeelt wordt. Deze doelstelling zou verwezenlijkt kunnen worden door een aanpassing van de slapende rechten op basis van verschillende referentiewaarden, waaronder de inflatie, de hoogte van salarissen of van lopende pensioenuitkeringen, of ook het rendement van de activa van de betreffende aanvullende pensioenregeling.

(8) Om te hoge administratiekosten van het beheer van grote aantallen slapende rechten van geringe omvang te vermijden, is het zinvol om de stelsels toe te staan dergelijke rechten niet in stand te houden maar over te dragen, eventueel in de vorm van een kapitaal dat deze verworven rechten vertegenwoordigt, wanneer die onder een bepaalde door de betreffende lidstaat vast te stellen drempel blijven.

(9) Werknemers die van betrekking veranderen dienen de mogelijkheid te hebben om te kiezen tussen handhaving van hun verworven pensioenrechten in hun oude aanvullende pensioenregeling en de overdracht van het corresponderende kapitaal naar een andere aanvullende pensioenregeling, eventueel ook in een andere lidstaat.

(10) Om redenen van financiële houdbaarheid van de aanvullende pensioenregelingen hebben de lidstaten de mogelijkheid om niet gekapitaliseerde regelingen vrij te stellen van de verplichting om werknemers de mogelijkheid te bieden om verworven rechten over te dragen. Met het oog op gelijke behandeling van de werknemers die onder gekapitaliseerde regelingen vallen enerzijds en degenen die onder niet-gekapitaliseerde regelingen vallen anderzijds, dienen de lidstaten er echter naar te streven de overdraagbaarheid van rechten op basis van niet-gekapitaliseerde regelingen geleidelijk te verbeteren.

(11) Onverminderd Richtlijn 2003/41/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 juni 2003 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening[16] zouden werknemers die gebruik maken van hun recht op vrij verkeer, of van plan zijn dat te doen, behoorlijk geïnformeerd moeten worden door de beheerders van de aanvullende pensioenregelingen, met name over de consequenties van een beëindiging van de arbeidsverhouding op hun rechten op aanvullend pensioen.

(12) Gezien de diversiteit van de bestaande aanvullende socialezekerheidsregelingen dient de Gemeenschap zich te beperken tot het aangeven van de binnen een algemeen kader te verwezenlijken doelstellingen, en een richtlijn is het juiste juridische instrument daarvoor.

(13) Aangezien de doelstellingen van de geplande maatregel, namelijk het wegnemen van belemmeringen van de uitoefening van het recht op vrij verkeer van werknemers en van het functioneren van de interne markt, niet in voldoende mate door de lidstaten verwezenlijkt kunnen worden en dus, ook gezien de dimensies van de maatregel, beter op communautair niveau verwezenlijkt kunnen worden, kan de Gemeenschap maatregelen nemen, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel zoals vastgelegd in artikel 5 van het Verdrag. Wat het in dat artikel vastgelegde evenredigheidsbeginsel betreft, gaat deze richtlijn, die met name ook berust op een effectbeoordeling waaraan het Comité voor aanvullende pensioenen heeft meegewerkt, niet verder dan wat noodzakelijk is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(14) Deze richtlijn stelt minimumeisen vast, waardoor de lidstaten de mogelijkheid behouden om gunstigere bepalingen in te voeren of te handhaven. De tenuitvoerlegging van deze richtlijn kan niet als rechtvaardiging worden aangevoerd voor een verslechtering ten opzichte van de bestaande situatie in de afzonderlijke lidstaten.

(15) Gezien de noodzaak rekening te houden met de gevolgen van deze Richtlijn, met name voor de financiële houdbaarheid van de aanvullende pensioenregelingen, kunnen de lidstaten gebruik maken van een verlengde termijn voor de geleidelijke tenuitvoerlegging van de bepalingen die dergelijke gevolgen kunnen hebben.

(16) De lidstaten kunnen, met inachtneming van de nationale bepalingen betreffende de organisatie van de aanvullende pensioenregelingen, de sociale partners, indien zij gezamenlijk daarom verzoeken, belasten met de uitvoering van deze richtlijn voor wat betreft de bepalingen die onder collectieve overeenkomsten vallen, op voorwaarde dat de lidstaten alle noodzakelijke maatregelen nemen om op ieder moment de ingevolge deze richtlijn vereiste resultaten te kunnen garanderen,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

Deze richtlijn beoogt de uitoefening van het recht op vrij verkeer van werknemers, en van het recht op beroepsmobiliteit binnen een lidstaat, te vergemakkelijken door het verminderen van belemmeringen als gevolg van bepaalde regels voor aanvullende pensioenregelingen in de lidstaten.

Artikel 2

Toepassingsgebied

Deze richtlijn is van toepassing op aanvullende pensioenregelingen, met uitzondering van regelingen die onder Verordening (EEG) nr. 1408/71 vallen.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

2. "aanvullend pensioen": ouderdomspensioenen en, indien een in overeenstemming met de nationale wetgeving en gebruiken ingestelde aanvullende pensioenregeling daarin voorziet, invaliditeits- en nabestaandenuitkeringen ter aanvulling op of ter vervanging van de uitkeringen die voor dezelfde risico's door de wettelijke socialezekerheidsregelingen worden verstrekt;

3. "aanvullende pensioenregeling": elke in overeenstemming met de nationale wetgeving en gebruiken ingestelde ondernemings-, bedrijfs- en beroepspensioenregeling, zoals een groepsverzekeringscontract, een door een of meer bedrijfstakken of sectoren gesloten en via het omslagstelsel gefinancierde regeling, een op kapitalisatie gebaseerde regeling, een uit pensioenreserves bekostigde pensioentoezegging of elke collectieve of vergelijkbare regeling ter verschaffing van een aanvullend pensioen aan werknemers of zelfstandigen;

4. "deelnemers": personen die door hun beroepsactiviteit recht hebben of kunnen hebben op een aanvullend pensioen, overeenkomstig de bepalingen van een aanvullende pensioenregeling;

5. "pensioenrechten": alle uitkeringen waarop deelnemers aan de regeling en andere rechthebbenden uit hoofde van de bepalingen van een aanvullende pensioenregeling en, voorzover van toepassing, de nationale wetgeving, recht hebben;

6. "beëindiging van de arbeidsverhouding": de beslissing een arbeidsverhouding te beëindigen;

7. "vertrekkende werknemer": een werknemer die, alvorens recht te krijgen op een pensioen, een betrekking verlaat waarin hij pensioenrechten heeft opgebouwd, dan wel pensioenrechten had kunnen verwerven als hij was gebleven;

8. "meeneembaarheid": de mogelijkheid voor de werknemer om pensioenrechten te verwerven en te behouden bij de uitoefening van zijn recht op vrij verkeer of bij beroepsmobiliteit;

9. "begunstigde met uitgestelde rechten": een ex-deelnemer die pensioenrechten bezit die slapend blijven in de aanvullende pensioenregeling totdat voldaan wordt aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een aanvullend pensioen;

10. "slapende pensioenrechten": pensioenrechten die behouden blijven in de regeling waarin ze zijn verworven door een begunstigde met uitgestelde rechten, die een pensioen zal ontvangen afkomstig van deze aanvullende pensioenregeling zodra aan de voorwaarden om in aanmerking te komen wordt voldaan;

11. "overdracht": overmaking door een aanvullende pensioenregeling van een kapitaal dat alle of een deel van de in het kader van die regeling verworven pensioenrechten vertegenwoordigt; dit kapitaal kan worden overgebracht naar een nieuwe aanvullende pensioenregeling of naar een andere financiële instelling die pensioenrechten verleent.

Artikel 4

Voorwaarden voor verwerving

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om er zorg voor te dragen dat:

12. wanneer er nog geen pensioenrechten zijn verworven op het tijdstip van de beëindiging van de arbeidsverhouding, het totale bedrag van de door of ten behoeve van de werknemer betaalde bijdragen wordt terugbetaald of overgedragen;

13. wanneer een minimumleeftijd vereist is voor het verwerven van pensioenrechten, deze leeftijd niet hoger is dan 21 jaar;

14. een werknemer zich bij een aanvullende pensioenregeling kan aansluiten na een jaar bij dezelfde werkgever gewerkt te hebben, dan wel zodra hij de minimumleeftijd heeft bereikt en een jaar gewerkt heeft;

15. een werknemer pensioenrechten verwerft uiterlijk na twee jaar aangesloten te zijn geweest.

Artikel 5

Behoud van slapende pensioenrechten

1. De lidstaten nemen de maatregelen die zij noodzakelijk achten om een redelijke aanpassing van slapende pensioenrechten te verzekeren, om te voorkomen dat de vertrekkende werknemer benadeelt wordt.

2. De lidstaten kunnen aanvullende pensioenregelingen toestaan om de verworven rechten van deelnemers niet te handhaven, maar gebruik te maken van een overmaking of uitbetaling van een kapitaal dat de verworven rechten vertegenwoordigt, wanneer die onder een door de betreffende lidstaat bepaalde drempel blijven. De lidstaat stelt de Commissie op de hoogte van deze drempel.

Artikel 6

Overdraagbaarheid

1. Afgezien van de gevallen waarin een kapitaal wordt uitbetaald overeenkomstig artikel 5, lid 2, nemen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat wanneer een vertrekkende werknemer in zijn nieuwe betrekking niet onder dezelfde aanvullende pensioenregeling valt, hij op zijn verzoek en uiterlijk binnen 18 maanden na beëindiging van de arbeidsverhouding, een overdracht van al zijn verworven pensioenrechten kan verkrijgen, hetzij binnen een lidstaat of naar een andere lidstaat.

2. De lidstaten zorgen ervoor, overeenkomstig hun nationale praktijken, dat indien actuariële ramingen en schattingen van de ontwikkeling van de rentevoet van invloed zijn op de vaststelling van de overgedragen verworven rechten, deze ramingen en schattingen de vertrekkende werknemer niet benadelen.

3. De aanvullende pensioenregeling die de overdracht ontvangt, mag geen voorwaarden voor verwerving stellen en handhaaft deze rechten op ten minste hetzelfde niveau als de slapende rechten overeenkomstig artikel 5, lid 1.

4. Indien bij een overdracht administratiekosten berekend worden, nemen de lidstaten de nodige maatregelen om te voorkomen dat die in onevenredige verhouding staan tot de duur van de aansluiting van de vertrekkende werknemer bij de regeling.

Arti kel 7

Inlichtingen

1. Onverminderd de uit artikel 11 van Richtlijn 2003/41/EG voortvloeiende verplichtingen van beroepspensioeninstellingen met betrekking tot de aan deelnemers en pensioengerechtigden te verstrekken inlichtingen, nemen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de werknemers door de beheerder van de aanvullende pensioenregeling worden ingelicht over de gevolgen van een beëindiging van de arbeidsverhouding voor hun aanvullende pensioenrechten.

2. Werknemers die daarom verzoeken, ontvangen binnen een redelijke termijn voldoende inlichtingen over met name:

16. de voorwaarden voor het verwerven van aanvullende pensioenrechten en de gevolgen van de toepassing van die voorwaarden bij beëindiging van de arbeidsverhouding;

17. de geplande pensioenuitkeringen bij beëindiging van de arbeidsverhouding;

18. de voorwaarden voor behoud van de slapende pensioenrechten;

19. de voorwaarden voor overdracht van verworven rechten.

3. Een begunstigde met uitgestelde rechten die daarom verzoekt, ontvangt van de beheerder van de aanvullende pensioenregeling inlichtingen over zijn slapende pensioenrechten en over iedere verandering van de regels betreffende de aanvullende pensioenregeling die hem aangaan.

4. De in dit artikel bedoelde inlichtingen worden schriftelijk en in begrijpelijke vorm verstrekt.

Artikel 8

Minimumvoorschriften – non-regressie

1. De lidstaten kunnen bepalingen betreffende de meeneembaarheid van aanvullende pensioenrechten invoeren of handhaven die voor de betrokkenen gunstiger zijn dan de bepalingen van deze richtlijn.

2. De tenuitvoerlegging van deze richtlijn kan in geen geval als rechtvaardiging dienen voor het verlagen van de bestaande mate van meeneembaarheid van aanvullende pensioenrechten in de lidstaten.

Arti kel 9

Tenuitvoerlegging

1. De lidstaten keuren de noodzakelijke wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen goed om uiterlijk op 1 juli 2008 aan de bepalingen van deze richtlijn te voldoen. Zij kunnen ook de sociale partners, indien die gezamenlijk daarom verzoeken, belasten met de tenuitvoerlegging van deze richtlijn voor wat betreft de bepalingen die onder collectieve overeenkomsten vallen. In dat geval verzekeren de lidstaten zich ervan dat de sociale partners uiterlijk op 1 juli 2008 op basis van akkoorden de noodzakelijke maatregelen hebben genomen; de lidstaten zijn verplicht om alle noodzakelijke maatregelen te nemen om op ieder moment de ingevolge deze richtlijn vereiste resultaten te kunnen garanderen. Zij stellen de Commissie onmiddellijk op de hoogte van deze maatregelen.

2. Onverminderd het eerste lid van dit artikel kunnen de lidstaten indien nodig gebruik maken van een aanvullende termijn van 60 maanden, met ingang van 1 juli 2008, voor de verwezenlijking van de in artikel 4, punt d), aangegeven doelstelling. Iedere lidstaat die gebruik wenst te maken van deze langere termijn, stelt de Commissie daarvan op de hoogte, en geeft aan om welke regelingen het gaat en welke redenen deze aanvullende termijn rechtvaardigen.

3. Onverminderd het eerste lid van dit artikel, en om rekening te houden met overtuigend aangetoonde bijzondere omstandigheden in verband met de financiële houdbaarheid van de aanvullende pensioenregelingen, kunnen de lidstaten regelingen die op basis van een omslagstelsel functioneren, ondersteuningskassen, en ondernemingen die boekreserves opbouwen om een pensioen aan hun werknemers te kunnen uitbetalen, vrijstellen van de toepassing van artikel 1, lid 6. Iedere lidstaat die van deze mogelijkheid gebruik wenst te maken, stelt de Commissie daarvan onmiddellijk op de hoogte, en geeft aan om welke regelingen het gaat en welke specifieke redenen deze vrijstelling rechtvaardigen, en welke maatregelen genomen zijn of nog zullen worden om de overdraagbaarheid van de uit de regeling in kwestie voortvloeiende rechten te verbeteren.

4. Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen of bij de officiële publicatie ervan naar de onderhavige richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

5. De lidstaten stellen de Commissie op de hoogte van de maatregelen die zijn genomen met het oog op de tenuitvoerlegging van de bepalingen van artikel 5.

Artikel 10

Verslag

1. Om de vijf jaar na 1 juli 2008 stelt de Commissie op basis van de door de lidstaten verstrekte gegevens een verslag op en legt dit voor aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's.

2. Uiterlijk 10 jaar na 1 juli 2008 stelt de Commissie een specifiek verslag op betreffende de toepassing van artikel 9, lid 3. Op basis daarvan dient de Commissie, indien nodig, een voorstel betreffende eventueel noodzakelijk gebleken wijzigingen van deze richtlijn met het oog op gelijke behandeling, wat de overdraagbaarheid van verworven rechten betreft, tussen werknemers die zijn aangesloten bij op kapitalisatie gebaseerde regelingen en werknemers die zijn aangesloten bij regelingen als bedoeld in artikel 9, lid 3.

Artikel 11

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 12

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, op

Voor het Europees Parlement Voor de Raad,

De Voorzitter, De Voorzitter,

[1] "Samen werken aan werkgelegenheid en groei. Een nieuwe start voor de Lissabon-strategie" - COM (2005) 24, Brussel, 2 februari 2005.

[2] Mededeling van de Commissie over de Sociale Agenda - COM(2005) 33 definitief, Brussel, 9 februari 2005.

[3] Richtlijn 98/49/EG betreffende de bescherming van de rechten op aanvullend pensioen van werknemers en zelfstandigen die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, PB L 209 van 25 juli 1998.

[4] "Samen werken aan werkgelegenheid en groei. Een nieuwe start voor de Lissabon-strategie", Mededeling aan de Europese Voorjaarsraad - COM (2005) 24, Brussel, 2 februari 2005.

[5] Met name richtsnoer 21.

[6] SEC(2002) 597, gepubliceerd op 27 mei 2002.

[7] SEC(2003) 916 van 12.9.2003.

[8] Comité opgericht bij Besluit C(2001) 1775 van de Commissie van 9 juli 2001, PB L 196 van 20.7.2001, blz. 26-27.

[9] PB C […] van […] , blz […].

[10] PB C […] van […] , blz […].

[11] PB C […] van […] , blz […].

[12] PB C […] van […] , blz […].

[13] PB L 149 van 5.7.1971, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 631/2004 (PB L 100 van 6.4.2004, blz. 1).

[14] PB L 74 van 27.3.1972, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 77/2005 (PB L 16 van 20.1.2005, blz. 3)

[15] PB L 209 van 25.7.1998, blz. 46.

[16] PB L 235 van 23.9.2003, blz. 10.


Beheerd door het Publicatiebureau