Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1073/1999 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) {SEC(2006) 638 } /* COM/2006/0244 def. - COD 2006/0084 */
[pic] | COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN | Brussel, 24.5.2006 COM(2006) 244 definitief 2006/0084 (COD) Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1073/1999 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) (door de Commissie ingediend) {SEC(2006) 638 } TOELICHTING Motivering en doelstellingen Het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) is opgericht in 1999. Het wettelijk kader waarbinnen het optreden van het Bureau plaatsvindt, bestaat uit twee basiselementen: Verordeningen (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad[1], en (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad van 25 mei 1999[2], waarin de voorwaarden voor de interne en externe onderzoeken van het OLAF worden vastgesteld, en Besluit nr. 1999/352/EG,EGKS,Euratom van de Commissie van 28 april 1999[3] houdende oprichting van het Bureau. In april 2003 heeft de Commissie een eerste evaluatie van de werkzaamheden van het OLAF goedgekeurd[4], die ook een aantal aanbevelingen ter verbetering van de werkzaamheden van het OLAF bevatte. De Commissie concludeerde dat synergieën mogelijk zijn en dat de institutionele organisatie van het Bureau (een dienst van de Commissie met functionele onafhankelijkheid) kan functioneren, maar dat de doeltreffendheid van het optreden en de samenwerking met de lidstaten voor verbetering vatbaar zijn. Het Europees Parlement heeft het voornemen van de Commissie toegejuicht om passende wetgevingsvoorstellen te doen[5]. In februari 2004 keurde de Commissie voorstellen goed tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1073/1999 en (Euratom) nr. 1074/1999[6]. Deze hadden tot doel de procedurerechten van personen en de controle op de duur van de onderzoeken te versterken, evenals de uitwisseling van informatie tussen het Bureau en de betrokken instellingen en de doeltreffendheid van de operationele activiteiten te verbeteren. Alvorens tot de lezing van deze voorstellen over te gaan, vroegen het Europees Parlement en de Raad een aanvullende evaluatie van het functioneren van het Bureau. Dat is de achtergrond van het speciaal verslag[7] dat de Rekenkamer over het Beheer van het OLAF heeft opgesteld en dat een aantal aanbevelingen en een advies over de in februari 2004 voorgestelde wijzigingen[8] bevat. De Rekenkamer erkent dat de huidige organisatie van het Bureau, een dienst van de Commissie met functionele onafhankelijkheid, bevredigend is. De Rekenkamer beveelt evenwel aan om extra inspanningen te leveren om de efficiëntie van het Bureau te vergroten, in het bijzonder waar het gaat om het beheer en de duur van de onderzoeken, de samenwerking met de nationale autoriteiten, de oriëntering op de kerntaken en de bevoegdheden van het Comité van toezicht. In juli 2005 organiseerde de commissie Begrotingscontrole in het Europees Parlement een openbare hoorzitting over de versterking van het Bureau, waarbij onder anderen vice-voorzitters Kallas en Fratini, vertegenwoordigers van de Rekenkamer en het Hof van Justie, en eminente deskundigen aanwezig waren. Bij die gelegenheid wees vice-voorzitter Kallas op het belang van politieke governance van de onderzoeks- en fraudebestrijdingswerkzaamheden van het OLAF en op de behoefte aan onafhankelijke controle op de procedures en de duur van de onderzoeken, zonder afbreuk te doen aan de geheimhouding van het onderzoek. De conclusies van de hoorzitting waren dat de huidige institutionele organisatie van het Bureau niet nadelig is voor zijn onafhankelijkheid, dat de rechten van de verdediging moeten worden versterkt en dat de controletaak moet worden onderzocht. Met het onderhavige voorstel wordt gevolg gegeven aan die conclusies. Het bevat, naast een aantal andere, de in februari 2004 voorgestelde wijzigingen. Rekening houdende met de conclusies van de evaluatie, van de audit door de Rekenkamer en van de openbare hoorzitting, raakt dit voorstel niet aan de institutionele organisatie van het Bureau en is het uitsluitend erop gericht de werking binnen het bestaande kader te verbeteren. In verband met de omvang van de wijzigingen vervangt dit voorstel dat van 10 februari 2004, dat wordt ingetrokken. Door de governance te versterken, de taak van adviseur-revisor in te stellen en de informatiestromen tussen het OLAF en de betrokken instellingen, organen of instanties te optimaliseren, wordt bijgedragen tot een goed evenwicht tussen onafhankelijkheid en controle. Samen met dit voorstel is door de diensten van de Commissie een ontwerp voor een intern besluit opgesteld, waarvan het college kennis heeft genomen en dat ter informatie aan de wetgever zal worden meegedeeld. Dat besluit bevat uitvoeringsbepalingen en regels voor de toepassing van de nieuwe bepalingen van Verordening (EG) nr. 1073/1999. Het zal mettertijd aangepast moeten worden aan de uiteindelijk door het Europees Parlement en de Raad goedgekeurde tekst van de basisverordening. Dat geldt eventueel ook voor het Interinstitutioneel Akkoord van 25 mei 1999 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie. Andere aspecten van de samenwerking tussen het OLAF en de instellingen en diensten zullen later behandeld dienen te worden. Het voorstel heeft samengevat betrekking op de volgende hoofdelementen: Governance, samenwerking tussen de instellingen en het Comité van toezicht De hoorzitting van juli 2005 heeft geleerd dat bij de nieuwe , door de Commissie in februari 2004 voorgestelde rol van het Comité van toezicht vraagtekens worden geplaatst. Anderzijds vindt de Commissie een politieke governance betreffende de prioriteiten voor de onderzoekswerkzaamheden noodzakelijk. Het is dienstig de relaties tussen het Comité van toezicht, het Bureau en de instellingen, organen en instanties te herzien en de samenwerking te intensiveren. Daartoe stelt de Commissie aan het Comité van toezicht voor om periodiek of op verzoek samen te komen met vertegenwoordigers van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie in het kader van een gestructureerde dialoog waarbij niet over het verloop van onderzoeken wordt gesproken. Deze dialoog moet een gelegenheid zijn om de strategische prioriteiten, het programma van werkzaamheden van het Bureau, het jaarlijks activiteitenverslag van het Comité van toezicht en dat van de directeur-generaal van het Bureau te bespreken. Bedoeling is dat via deze gestructureerde dialoog politieke controle wordt uitgeoefend op de onderzoekwerkzaamheden en de efficiëntie van het Bureau en van het Comité van toezicht, en wordt gewaakt over de goede betrekkingen tussen het Bureau en de instellingen, organen en instanties van de EG, in het bijzonder wat het doorgeven van informatie betreft. De taak van het Comité van toezicht bestaat erin om in het kader van de gestructureerde dialoog adviezen uit te brengen en aanbevelingen te doen, onder meer voor de benoeming van de directeur-generaal van het Bureau en voor eventuele tuchtmaatregelen tegen deze laatste. Waarborgen van de rechten van betrokken personen De voorstellen van februari 2004 bevatten procedurele waarborgen, die in het onderhavige voorstel worden overgenomen. Het doel is de procedures voor interne en externe onderzoeken maximaal op elkaar af te stemmen om de afwikkeling ervan te vereenvoudigen en de rechtszekerheid te vergroten. De Commissie stelt voor om in de verordening een gedetailleerde bepaling op te nemen betreffende de bij interne en externe onderzoeken in acht te nemen procedurele waarborgen. Deze waarborgen berusten op bepalingen in het interinstitutioneel akkoord betreffende de interne onderzoeken (en de diverse uitvoeringsbesluiten), in het Statuut en in het OLAF-handboek, en vullen deze aan. Door de opneming van deze bepalingen in de verordening zelf, zal er een uniform pakket basiswaarborgen bestaan die van toepassing zijn op alle (interne en externe) onderzoeken van het OLAF. In februari 2004 zijn de volgende aanvullende waarborgen voorgesteld: - bepalingen over de gegevens die het OLAF vóór een onderhoud moet verstrekken en over de opstelling van een verslag over het onderhoud; - het recht van de betrokkene om zich tijdens een onderhoud door een persoon van zijn keuze te laten bijstaan; - het recht van de betrokkene om niet tegen zichzelf te getuigen. Deze waarborgen moeten niet alleen worden gerespecteerd voordat het eindverslag wordt opgesteld, maar ook voordat informatie aan de nationale autoriteiten wordt verstrekt. Verscherpte controle van de onderzoeken Het opnemen (in artikel 7 bis) van gedetailleerde bepalingen inzake de bij interne en externe onderzoeken in acht te nemen procedurele waarborgen is één zaak; daarnaast is het noodzakelijk de naleving ervan te garanderen door middel van een verscherpte controle en te voorzien in de mogelijkheid om een advies aan te vragen. Deze controle wordt verricht door een adviseur-revisor, die volkomen onafhankelijk zijn taken binnen het Bureau uitoefent en daarbuiten geen andere werkzaamheden heeft. Zijn onafhankelijkheid wordt gewaarborgd door artikel 14 van het voorstel, en met name door de rol van het Comité van toezicht bij zijn aanstelling. De controle geschiedt met inachtneming van de geheimhouding van het onderzoek en het beginsel van behoorlijk bestuur, het beroepsgeheim en de gegevensbeschermingsregels, en onverminderd de respectieve bevoegdheden van de tuchtrechtelijke instanties en de gerechtelijke autoriteiten. De verscherpte controle geldt voor alle fasen van interne of externe onderzoeken en garandeert zodoende dat een unieke controleregeling wordt toegepast voor alle onderzoekwerkzaamheden van het Bureau. De procedurevoorschriften betreffende de adviezen die de adviseur-revisor uitbrengt, dienen te worden vastgesteld in een intern besluit van de Commissie. Het instellen van de taak van adviseur-revisor is een additonele maatregel, die niet in de plaats komt van de controle door de communautaire rechter, maar tot doel heeft de controlemechanismen in een eerder stadium te versterken. De voorgestelde bepalingen behelzen een nieuwe regeling voor langdurige onderzoeken. De bij een onderzoek “betrokken” instellingen en het Comité van toezicht moeten van het advies van de adviseur-revisor in kennis worden gesteld wanneer het OLAF op grond van dat advies besluit om het onderzoek voort te zetten en de duur daarvan twaalf maanden overschrijdt. De adviseur-revisor doet de statistische en analytische verslagen die hij opstelt over de duur van interne en externe onderzoeken toekomen aan de Commissie en het Comité van toezicht. De controle die lopende een onderzoek wordt verricht, is in de eerste plaats een snelle, binnen het Bureau uitgevoerde controle. Het is de taak van de adviseur-revisor om adviezen uit te brengen: - over de procedurele waarborgen van artikel 6, lid 5 (redelijke duur van een onderzoek) en artikel 7 bis van deze verordening, op eigen initiatief of op verzoek van een ambtenaar of ander personeelslid van de EG of een marktdeelnemer die persoonlijk bij een lopend onderzoek is betrokken. Het verzoek een advies uit te brengen kan op eender welk moment tijdens het onderzoek worden gedaan; - over de duur van onderzoeken die meer dan twaalf maanden in beslag nemen en bij opeenvolgende verlengingen van de duur tot meer dan achttien maanden op verzoek van de directeur-generaal van het Bureau; dit advies wordt ter kennis gebracht van de betrokken instellingen, organen of instanties en van het Comité van toezicht; - wanneer de nakoming van de verplichting om de persoonlijk betrokken persoon uit te nodigen zijn opmerkingen te maken, moet worden opgeschort; - eender wanneer tijdens het onderzoek, op elk met de controle van de onderzoeken verband houdend verzoek van de directeur-generaal van het Bureau. De voorgestelde regeling verleent elke ambtenaar of elk ander personeelslid van de EG of elke andere natuurlijke persoon of marktdeelnemer die persoonlijk bij de onderzochte feiten betrokken is, in de eindfase van een onderzoek het recht om door het Bureau in kennis te worden gesteld van de conclusies en aanbevelingen van het eindverslag van het onderzoek; zij stelt de betrokkene die vindt dat de procedurele waarborgen ten aanzien van hem/haar niet zijn gerespecteerd tijdens het onderzoek in de gelegenheid een verzoek tot het uitbrengen van een advies in te dienen bij de adviseur-revisor. Op dit recht op kennisgeving in de eindfase van een onderzoek geldt een uitzondering, met name wanneer absolute geheimhouding vereist is om de strafrechtelijke vervolging van de onderzochte feiten en de doeltreffendheid van de samenwerking tussen het OLAF en de wetshandhavings- en gerechtelijke autoriteiten niet te schaden. Een betere circulatie van informatie a) tussen het OLAF en de Europese instellingen en organen De bepalingen inzake kennisgeving aan de betrokken instelling of het betrokken orgaan zijn onmisbaar opdat de Europese instellingen zich van hun politieke verantwoordelijkheid kunnen kwijten wanneer ambtenaren ervan worden verdacht overtredingen te hebben begaan en/of wanneer administratieve maatregelen nodig zijn om de belangen van de Unie te beschermen. In dergelijke gevallen moet het OLAF de plicht hebben om informatie te verstrekken aan de betrokken instelling of het betrokken orgaan. Voorts moet de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie in kennis worden gesteld wanneer het OLAF informatie aan de gerechtelijke autoriteiten toezendt. De desbetreffende bepalingen van het voorstel van februari 2004 worden in extenso overgenomen. Tevens is het gerechtvaardigd dat, naast de lidstaten, ook de Commissie als hoedster van de financiële belangen van de Gemeenschappen kan vragen een extern onderzoek in te stellen, informatie te ontvangen wanneer het dienstig blijkt maatregelen te nemen om lopende een onderzoek de financiële belangen van de Gemeenschappen te beschermen en in kennis te worden gesteld van de uitkomst van een onderzoek. Voorts is het noodzakelijk de uitwisseling van informatie tussen, enerzijds, het OLAF en, anderzijds, Europol en Eurojust te versterken om de strijd tegen fraude, corruptie en alle andere illegale activiteiten tegen de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen doeltreffender te maken. b) tussen het OLAF en de lidstaten Het voorstel beoogt een verdere verbetering van de harmonieuze samenwerking tussen het OLAF en de lidstaten op het gebied van externe onderzoeken en de bijbehorende informatiestromen. Het bepaalt dat het Bureau in het kader van alle onderzoeken door de gerechtelijke autoriteiten van de lidstaten in kennis moet worden gesteld van het verder gevolg dat zij hebben gegeven aan inlichtingen die door het OLAF tijdens of na afsluiting van een onderzoek zijn verstrekt. c) tussen het OLAF en informanten Elke persoon binnen een instelling, orgaan, bureau of agentschap die aan het OLAF inlichtingen verstrekt over gevallen van fraude of onregelmatigheid, zal ervan in kennis worden gesteld of op grond daarvan al dan niet een onderzoek wordt ingesteld. Bovendien kan eenieder die het Bureau informatie heeft verstrekt over vermoedens van fraude of onregelmatigheden, op zijn verzoek door het Bureau erover worden ingelicht wanneer een onderzoek is afgesloten en, in voorkomend geval, wanneer het eindverslag aan de bevoegde autoriteiten is doorgestuurd, mits die kennisgeving geen afbreuk doet aan de rechten van de betrokken personen of aan de doeltreffendheid van het onderzoek, noch het verdere gevolg of de vertrouwelijkheid in gevaar brengt. Versterking van de operationele efficiëntie van het OLAF Het voorstel bevat bepalingen die het OLAF in staat moeten stellen om zich op prioritaire acties te concentreren. Het is dienstig te verduidelijken dat het OLAF bevoegd is om te besluiten al dan niet een onderzoek in te stellen en om de bevoegde autoriteiten te verzoeken minder belangrijke dossiers of dossiers die niet tot zijn onderzoeksprioriteiten behoren in behandeling te nemen en het Bureau in kennis te stellen van het aan de verzoeken gegeven gevolg. Meer in het algemeen moet duidelijkheid worden geschapen over de procedures voor het instellen en afsluiten van onderzoeken en over het verband tussen interne maatregelen van Europese instellingen en organen enerzijds en onderzoeken van het OLAF anderzijds. Zolang een intern onderzoek van het OLAF loopt, dienen de instellingen, organen en instanties geen parallelle onderzoeken in te stellen. Zoals altijd het geval is geweest, is de beslissing om al dan niet een onderzoek in te stellen een zaak van het OLAF, dat daarbij rekening houdt met zijn prioriteiten en zijn programma van werkzaamheden op het gebied van onderzoeken evenals met het evenredigheidsbeginsel; de functionele onafhankelijkheid waarmee het Bureau zijn onderzoeken verricht, wordt onverminderd nauwlettend geëerbiedigd en gewaarborgd door het Comité van toezicht. Verbetering van de doeltreffendheid van OLAF-onderzoeken Overeenkomstig de in het evaluatieverslag met betrekking tot de directe uitgaven gedane aanbevelingen wordt voorgesteld duidelijkheid te scheppen over de onderzoeksbevoegdheden van OLAF op het gebied van externe onderzoeken met betrekking tot marktdeelnemers die op grond van subsidieovereenkomsten of –besluiten communautaire middelen (directe uitgaven) hebben ontvangen. Deze verduidelijkingen moeten ook bijdragen tot een grotere doeltreffendheid van OLAF-onderzoeken op het gebied van de indirecte uitgaven. Het is dienstig het OLAF ten behoeve van het verrichten van externe onderzoeken te verzekeren van een betere toegang tot de informatie waarover de Europese instellingen en organen beschikken. Ook de toegang tot informatie die de marktdeelnemers in hun bezit hebben in het kader van interne onderzoeken moet worden vergemakkelijkt. Mandaat van de directeur-generaal van het Bureau Het leek dienstig het mandaat van de directeur-generaal van het Bureau niet-hernieuwbaar te maken om zijn onafhankelijkheid te vergroten. Er is bepaald – om de procedure van interinstitutioneel overleg te vergemakkelijken - dat de directeur-generaal door de Commissie wordt gekozen na overleg met de vertegenwoordigers van de andere instellingen en het Comité van toezicht in het kader van de gestructureerde dialoog. De directeur-generaal zou uitdrukkelijk over de mogelijkheid beschikken om informatie over feiten die mogelijk strafrechtelijk vervolgbaar zijn, niet aan de nationale autoriteiten door te sturen wanneer het vanuit het oogpunt van evenredigheid en voor de doeltreffendheid van de vervolging onverantwoord zou zijn om dat toch te doen. Het Comité van toezicht en de adviseur-revisor worden ervan in kennis gesteld wanneer de directeur-generaal een dergelijk besluit neemt. Aanverwante wet- en regelgeving De Commissie stelt tegelijkertijd de wijziging van Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 voor, die het juridische kader vormt voor de onderzoeken die OLAF in het kader van het Euratom-Verdrag verricht. Rechtsgrondslag Het voorstel van de Commissie beoogt de bestaande Verordening (EG) nr. 1073/1999 te wijzigen en berust derhalve op artikel 280 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. Subsidiariteit en evenredigheid De voorgestelde verordening is volledig in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel. Evenals Verordening (EG) nr. 1073/1999 beperkt dit wijzigingsvoorstel op generlei wijze de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de lidstaten om maatregelen te nemen ter bestrijding van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschappen worden geschaad. De instrumenten van het OLAF in het kader van externe onderzoeken worden slechts daar verduidelijkt en uitgebreid waar in het bestaande systeem juridische leemten bleken voor te komen en waar alleen een doeltreffender optreden van het Bureau kan zorgen voor betrouwbare externe onderzoeken die bruikbaar zijn voor de autoriteiten van de lidstaten. Voorts moeten de procedurele waarborgen ook gaan gelden voor externe onderzoeken om een uniform juridisch kader voor alle onderzoeken van het OLAF tot stand te brengen. Aangezien met betrekking tot de bovengenoemde punten duidelijke, in de communautaire wetgeving verankerde regels nodig zijn om OLAF in staat te stellen doeltreffend op te treden binnen een degelijk juridisch kader, voldoen de genoemde regels ook aan het evenredigheidsbeginsel. Fundamentele rechten Zoals het Hof van Justitie heeft bevestigd (arrest van 10 juli 2003 in zaak C-11/00, Commissie tegen ECB, rechtsoverweging 139), vertolkt Verordening (EG) nr. 1073/99 in haar oorspronkelijke vorm reeds de vaste wil van de wetgever om de toekenning van de bevoegdheden aan het OLAF te binden aan de volledige eerbiediging van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het lijkt dienstig om de procedurele waarborgen nog sterker te maken dan ze nu al zijn en ze te laten gelden voor alle, interne en externe, onderzoeken die door het OLAF worden verricht. Deze waarborgen zijn in overeenstemming met de fundamentele rechten die met name in het Handvest van de grondrechten van de Unie zijn neergelegd en gaan zelfs verder dan het daarin bepaalde minimum beschermingsniveau. Gevolgen voor de begroting Zoals het bij het voorstel gevoegde financieel memorandum vermeldt, heeft het voorstel geen gevolgen voor de begroting. 2006/0084 (COD) Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1073/1999 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 280, Gezien het voorstel van de Commissie[9], Gezien het advies van de Rekenkamer, Na raadpleging van de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming, Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag[10], Overwegende hetgeen volgt: (1) Er moeten duidelijke regels worden opgesteld die niet alleen bevestigen dat het Europees Bureau voor fraudebestrijding (hierna "het Bureau" genoemd) in eerste instantie bevoegd is om interne onderzoeken te verrichten, maar ook mechanismen invoeren die de instellingen, organen en instanties in staat stellen het onderzoek snel over te nemen in gevallen waarin het Bureau besluit niet op te treden. (2) Verduidelijkt moet worden dat het instellen van een onderzoek door het Bureau valt onder het opportuniteitsbeginsel, dat het Bureau in staat stelt geen onderzoek in te stellen in een zaak van gering belang of een zaak die niet tot de jaarlijks door het Bureau vastgestelde onderzoeksprioriteiten behoort. Dergelijke gevallen moeten voortaan in geval van een intern onderzoek worden behandeld door de instellingen en in geval van een extern onderzoek door de bevoegde nationale autoriteiten volgens de toepasselijke regels in de betrokken lidstaat. (3) De verplichting voor het Bureau om de instellingen, organen en instanties tijdig van lopende onderzoeken in kennis te stellen wanneer een lid, hoofd, ambtenaar of personeelslid bij de onderzochte feiten betrokken is of wanneer administratieve maatregelen moeten worden genomen om de belangen van de Unie te beschermen, moet in gedetailleerde bepalingen worden omschreven. (4) Om de doeltreffendheid van het optreden van het Bureau te vergroten, moeten, in het licht van de evaluatie van zijn activiteiten door de instellingen, met name het evaluatieverslag van april 2003 van de Commissie en het speciaal verslag van de Rekenkamer nr. 1/2005 over het beheer van het Bureau, bepaalde aspecten worden verduidelijkt en bepaalde maatregelen die het Bureau bij het verrichten van zijn onderzoeken kan nemen, worden verbeterd. Het Bureau moet enerzijds in het kader van interne onderzoeken en in gevallen van fraude in verband met overeenkomsten waarmee communautaire middelen gemoeid zijn, de controles en verificaties in de zin van Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden[11] kunnen verrichten en anderzijds in het kader van externe onderzoeken toegang hebben tot informatie die de instellingen, organen en instanties van de Unie in bezit hebben. (5) Het is nodig gebleken om in het belang van de rechtszekerheid de voor interne of externe onderzoeken van het Bureau geldende procedurele waarborgen te verduidelijken. Dit laat een eventuele verdergaande bescherming die uit de Verdragen, het Statuut of de toepasselijke nationale bepalingen voortvloeit, onverlet. (6) Om de bescherming van de rechten van onderzochte personen te verbeteren, en onverminderd artikel 90 bis van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de bevoegdheden van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen krachtens het Verdrag, moet de persoonlijk betrokken persoon in het eindstadium van een onderzoek het recht hebben de conclusies en aanbevelingen van het eindverslag te verkrijgen en, indien hij van mening is dat de procedurele waarborgen te zijnen aanzien niet in acht zijn genomen, zich tot de bij deze verordening in te stellen adviseur-revisor te wenden. (7) In het belang van een grotere transparantie moet worden gezorgd voor passende informatieverstrekking aan de informant, die in kennis moet worden gesteld van het besluit om al dan niet een onderzoek in te stellen en, op zijn uitdrukkelijk verzoek, van het eindresultaat van de actie die naar aanleiding van de door hem verstrekte informatie is ondernomen. (8) Wanneer blijkt dat de door het eindverslag van een intern onderzoek aan het licht gebrachte feiten strafbaar kunnen zijn, maar niet op doeltreffende wijze gerechtelijk kunnen worden vervolgd wegens met name hun aard, hun geringe ernst of de geringe omvang van de financiële schade, dient de directeur-generaal van het Bureau het eindverslag rechtstreeks aan de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie toe te zenden, zodat hieraan een beter gevolg kan worden gegeven. Hij dient het Comité van toezicht en de adviseur-revisor in kennis te stellen van elk – naar behoren gemotiveerd - besluit om het eindverslag niet aan de gerechtelijke autoriteiten toe te zenden. (9) Gezien de in de praktijk opgedane ervaring is het wenselijk de directeur-generaal van het Bureau in staat te stellen de uitoefening van bepaalde van zijn taken aan een of meer personeelsleden van het Bureau te delegeren bij schriftelijk besluit waarin de voorwaarden en grenzen van deze delegatie zijn vastgesteld. (10) De controle van het Comité van toezicht moet worden versterkt, met name ten aanzien van de verstrekking van informatie tussen het Bureau en de instellingen, organen en instanties en de ontwikkelingen op het gebied van de toepassing van de procedurele waarborgen en de duur van de onderzoeken. Voorts moet worden gezorgd voor samenwerking tussen het Comité van toezicht en het Europees Parlement, de Raad en de Commissie door het Comité van toezicht in staat te stellen om, zonder dat dit afbreuk doet aan de onafhankelijkheid van zijn leden, in het kader van een gestructureerde dialoog bijeen te komen met vertegenwoordigers van deze instellingen. (11) Om de volledige onafhankelijkheid van de leiding van het Bureau te versterken, moet de directeur-generaal worden benoemd voor een periode van zeven jaar, die niet kan worden verlengd. (12) Om de naleving van de procedurele waarborgen te verbeteren, moet een adviseur-revisor worden aangesteld die zich geheel onafhankelijk op eigen initiatief of op verzoek uitspreekt over deze waarborgen en die in bepaalde andere gevallen, met name op verzoek van de persoonlijk betrokken persoon, advies geeft. (13) De voor de uitvoering van deze verordening vereiste maatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden[12]. (14) Verordening (EG) nr. 1073/1999 moet derhalve worden gewijzigd. (15) Bij deze verordening worden de instrumenten van het Bureau in het kader van externe onderzoeken worden slechts daar verduidelijkt en uitgebreid waar in het bestaande systeem juridische leemten bleken voor te komen en waar alleen een doeltreffender optreden van het Bureau kan zorgen voor betrouwbare externe onderzoeken die bruikbaar zijn voor de autoriteiten van de lidstaten. Voorts moeten de procedurele waarborgen ook voor externe onderzoeken gaan gelden om een uniform juridisch kader voor alle onderzoeken van het Bureau tot stand te brengen. Deze verordening is geheel in overeenstemming met het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel. Overeenkomstig het in dat artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken. (16) Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name worden erkend door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en in het bijzonder de artikelen 47 en 48, . HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD: Artikel 1 Verordening (EG) nr. 1073/1999 wordt als volgt gewijzigd: 1) Artikel 3 komt als volgt te luiden: "Artikel 3 Externe onderzoeken 1. Het Bureau oefent de bij Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 aan de Commissie toegekende bevoegdheid uit om in de lidstaten en, conform de lopende overeenkomsten, in derde landen en bij internationale organisaties controles en verificaties ter plaatse te verrichten. In het kader van zijn onderzoekstaak verricht het Bureau controles en verificaties overeenkomstig artikel 9, lid 1, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 en overeenkomstig de sectorale regelingen als bedoeld in artikel 9, lid 2, van die verordening in de lidstaten, en overeenkomstig de lopende samenwerkingsovereenkomsten in derde landen. 2. Om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of een andere onwettige activiteit als bedoeld in artikel 1 in verband met een subsidieovereenkomst of –besluit of een overeenkomst betreffende een communautaire financiering, kan het Bureau op de door Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 voorgeschreven wijze controles ter plaatse verrichten bij de betrokken marktdeelnemers. 3. Tijdens een extern onderzoek kan het Bureau, voorzover dit absoluut noodzakelijk is om te kunnen vaststellen of er sprake is van fraude, corruptie of een andere onwettige activiteit als bedoeld in artikel 1, toegang verkrijgen tot relevante gegevens met betrekking tot de onderzochte feiten die in het bezit zijn van de instellingen, organen of instanties. In dat geval is artikel 4, leden 2 en 4, van toepassing. 4. Wanneer het Bureau vóór de instelling van een onderzoek over aanwijzingen voor fraude, corruptie of een andere onwettige activiteit als bedoeld in artikel 1 beschikt, kan de directeur-generaal van het Bureau de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten hiervan in kennis stellen; onverminderd de in lid 1 bedoelde sectorale regelingen geven deze autoriteiten hieraan een passend gevolg en stellen zij zo nodig overeenkomstig het toepasselijke nationale recht onderzoeken in, waaraan personeelsleden van het Bureau kunnen deelnemen. De bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten stellen de directeur-generaal van het Bureau in kennis van de hierbij verkregen resultaten." 2) Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd: a) lid 3 komt als volgt te luiden: "3. Op de door Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 voorgeschreven wijze kan het Bureau bij marktdeelnemers controles ter plaatse verrichten om toegang te krijgen tot relevante gegevens met betrekking tot de feiten waarnaar een intern onderzoek is ingesteld." b) lid 5 wordt geschrapt. 3) Artikel 5 komt als volgt te luiden: "Artikel 5 Instelling van onderzoeken 1. Het Bureau kan een onderzoek instellen bij voldoende ernstige verdenking van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten als bedoeld in artikel 1. Bij de beslissing om al dan niet een onderzoek in te stellen, wordt rekening gehouden met de prioriteiten van het onderzoeksbeleid en het programma van de onderzoeksactiviteiten van het Bureau, die overeenkomstig artikel 11 bis en artikel 12, lid 5, worden vastgesteld. Bij deze beslissing wordt tevens gelet op het efficiënte gebruik van de middelen van het Bureau en de evenredigheid van de ingezette middelen. 2. Externe onderzoeken worden ingesteld bij besluit van de directeur-generaal van het Bureau, die op eigen initiatief dan wel op verzoek van een belanghebbende lidstaat of de Commissie handelt. Interne onderzoeken worden ingesteld bij besluit van de directeur-generaal van het Bureau, die op eigen initiatief handelt, dan wel op verzoek van een instelling of het orgaan of de instantie waarbij het interne onderzoek moet worden verricht. Wanneer het Bureau een onderzoek in de zin van deze verordening verricht, stellen de instellingen, organen en instanties met betrekking tot dezelfde feiten geen parallel administratief onderzoek in. 3. Wanneer een instelling, orgaan of instantie voornemens is in het kader van de administratieve autonomie een onderzoek in te stellen, wordt aan het Bureau gevraagd of naar de betrokken feiten reeds een intern onderzoek is ingesteld. Indien reeds een onderzoek is ingesteld of het Bureau voornemens is een onderzoek in te stellen overeenkomstig lid 4, deelt het Bureau dit binnen 15 werkdagen mede. Wanneer een antwoord uitblijft, geldt dat als stilzwijgend besluit van het Bureau om geen intern onderzoek in te stellen. 4. Het besluit om al dan niet een onderzoek in te stellen wordt binnen twee maanden na ontvangst van het in lid 2 bedoelde verzoek of de in lid 3 bedoelde vraag genomen. Dit besluit wordt onverwijld aan de instelling, het orgaan, de instantie of de lidstaat in kwestie medegedeeld. Het besluit om geen onderzoek in te stellen wordt met redenen omkleed. Wanneer een ambtenaar of ander personeelslid van een instelling, orgaan of instantie overeenkomstig artikel 22 bis van het Statuut of de overeenkomstige bepalingen van de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden, rechtstreeks aan het Bureau gegevens verstrekt over een vermoeden van fraude of onregelmatigheid, stelt het Bureau hem in kennis van het besluit om al dan niet een intern onderzoek naar de betrokken feiten in te stellen. 5. Indien het Bureau op grond van het opportuniteitsbeginsel of op grond van zijn onderzoeksprioriteiten besluit geen intern onderzoek in te stellen, zendt het de beschikbare informatie onverwijld aan de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie toe, zodat hieraan overeenkomstig de toepasselijke regels een passend gevolg kan worden gegeven. In voorkomend geval komt het Bureau met de instelling, het orgaan of de instantie passende maatregelen overeen om het vertrouwelijke karakter van de bron van de informatie te beschermen, en zo nodig vraagt het Bureau om in kennis te worden gesteld van het hieraan gegeven gevolg. Indien het Bureau op grond van het opportuniteitsbeginsel of zijn onderzoeksprioriteiten besluit geen extern onderzoek in te stellen, is artikel 3, lid 4, van toepassing." 4) Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd: a) in de leden 1 en 3 wordt "de directeur" vervangen door "de directeur-generaal". b) het volgende lid 5 bis wordt ingevoegd: "5bis. Zodra uit de nasporingen de mogelijke betrokkenheid van een lid, hoofd, ambtenaar, personeelslid of andere persoon in dienst van een instelling, orgaan of instantie blijkt of blijkt dat het wenselijk zou kunnen zijn om bewarende of administratieve maatregelen te nemen om de belangen van de Unie te beschermen, wordt de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie van het lopende onderzoek in kennis gesteld. Hierbij worden de volgende gegevens toegezonden: a) de identiteit van de persoon of personen op wie het onderzoek betrekking heeft en een samenvatting van de feiten; b) alle informatie die de instelling, het orgaan of de instantie kan helpen beslissen of het wenselijk is bewarende of administratieve maatregelen te nemen om de belangen van de Unie te beschermen; c) in voorkomend geval, de aanbevolen bijzondere maatregelen in verband met de vertrouwelijkheid; In voorkomend geval houdt de instelling, het orgaan of de instantie bij de beslissing over de wenselijkheid van eventuele bewarende of administratieve maatregelen rekening met het belang van een efficiënt verloop van het onderzoek en met de door het Bureau aanbevolen bijzondere maatregelen in verband met de vertrouwelijkheid." c) het volgende lid 7 wordt toegevoegd: "7. Wanneer blijkt dat een onderzoek niet binnen twaalf maanden nadat het is ingesteld kan worden afgesloten, kan de directeur-generaal van het Bureau besluiten het onderzoek met ten hoogste zes maanden te verlengen. Voordat hij dit besluit neemt, wint hij het advies van de in artikel 14 bedoelde adviseur-revisor in. De adviseur-revisor zendt de directeur-generaal van het Bureau binnen vijftien werkdagen een advies toe waarin hij zich uitspreekt over de vraag of bij het lopende onderzoek artikel 5, lid 6, in acht is genomen en over de redenen die door de directeur-generaal van het Bureau voor de verlenging zijn aangevoerd, en formuleert, in voorkomend geval, aanbevelingen voor het verdere verloop van het onderzoek. De adviseur-revisor doet een kopie van zijn advies toekomen aan de secretaris-generaal van de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie en aan het Comité van toezicht. Een besluit tot verlenging kan zo nodig meermaals onder dezelfde voorwaarden worden genomen." 5) De volgende artikelen 7 bis en 7 ter worden ingevoegd: "Artikel 7 bis Waarborgen tijdens de procedure 1. De onderzoeken van het Bureau zijn gericht op zowel belastende als ontlastende feiten. 2. Zodra uit een onderzoek blijkt dat een lid, hoofd, ambtenaar, personeelslid of andere persoon in dienst van een instelling, orgaan of instantie, dan wel een marktdeelnemer mogelijk bij een zaak betrokken is, wordt de betrokkene hiervan in kennis gesteld voorzover hierdoor het verloop van het onderzoek niet wordt geschaad. In ieder geval mogen na afloop van een onderzoek geen conclusies over een met naam genoemde natuurlijke of rechtspersoon worden getrokken zonder dat de persoonlijk betrokken persoon in staat is gesteld om zijn opmerkingen te maken over alle feiten die op hem betrekking hebben. De tot hem gerichte uitnodiging om opmerkingen te maken moet een samenvatting van deze feiten bevatten. Hij kan zich laten bijstaan door een persoon naar zijn keuze. Iedere persoonlijk betrokken persoon heeft het recht zich uit te drukken in een officiële taal van de Gemeenschap van zijn keuze; ambtenaren of andere personeelsleden van de Gemeenschappen kan echter worden verzocht zich uit te drukken in een taal van de Gemeenschap die zij goed beheersen. Een persoonlijk betrokken persoon heeft het recht om niet tegen zichzelf te getuigen. Indien het onderzoek absolute geheimhouding vereist en opsporingsprocedures worden toegepast die onder de bevoegdheid van de nationale rechter dan wel, bij een extern onderzoek, van een nationale bevoegde autoriteit vallen, kan de directeur-generaal van het Bureau besluiten de nakoming van de verplichting om de persoonlijk betrokken persoon uit te nodigen zijn opmerkingen te maken, op te schorten. Hij stelt de adviseur-revisor hiervan van tevoren in kennis; de adviseur-revisor brengt overeenkomstig artikel 14, lid 3, een advies uit. Bij een intern onderzoek neemt de directeur-generaal van het Bureau dit besluit in overleg met de instelling, het orgaan of de instantie waartoe de betrokkene behoort. 3. De uitnodiging voor een onderhoud met een getuige of een persoonlijk betrokken persoon in de zin van lid 2 moet ten minste acht werkdagen van tevoren worden verzonden; deze termijn kan met instemming van de te horen persoon worden verkort. De uitnodiging bevat een opsomming van de rechten van de te horen persoon. Het Bureau stelt over elk onderhoud een verslag op en geeft de gehoorde persoon hierin inzage, zodat hij het kan goedkeuren dan wel er opmerkingen over kan maken. Wanneer tijdens het onderhoud blijkt dat de gehoorde persoon wellicht bij de onderzochte feiten betrokken is, zijn de procedureregels van lid 2 onmiddellijk van toepassing. 4. De procedurele waarborgen van dit artikel zijn van toepassing onverminderd: a) een eventuele verdergaande bescherming die uit de Verdragen en de toepasselijke nationale bepalingen voortvloeit; b) de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit het Statuut. Artikel 7 ter Kennisgeving van de afsluiting van het onderzoek zonder verder gevolg Indien na afloop van een onderzoek een lid, hoofd, ambtenaar, personeelslid of andere persoon in dienst van een instelling, orgaan of instantie dan wel een marktdeelnemer geen enkel feit ten laste kan worden gelegd, wordt het hem betreffende onderzoek zonder verder gevolg afgesloten bij besluit van de directeur-generaal van het Bureau, die de betrokkene en, in voorkomend geval, zijn instelling, orgaan of instantie daarvan schriftelijk in kennis stelt." 6) Artikel 8, leden 3 en 4, komen als volgt te luiden: "3. Het Bureau houdt zich aan de communautaire en nationale bepalingen betreffende de bescherming van persoonsgegevens, en met name aan die van Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad(*). 4. De directeur-generaal van het Bureau ziet toe op de toepassing van dit artikel en artikel 287 van het Verdrag. ___________________________ (*) PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1.” 7) Het volgende artikel 8 bis wordt ingevoegd: "Artikel 8 bis Kennisgeving van het eindverslag bij afsluiting van het onderzoek Voordat het eindverslag van een intern of extern onderzoek aan de betrokken instellingen, organen of instanties of de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten wordt toegezonden, stelt het Bureau de persoonlijk bij de onderzochte feiten betrokken persoon in kennis van de conclusies en aanbevelingen van het eindverslag. De directeur-generaal van het Bureau kan uitsluitend in de gevallen waarin absolute geheimhouding vereist is en waarin onderzoeksmiddelen moeten worden ingezet die onder de bevoegdheid van een nationale gerechtelijke autoriteit vallen, besluiten van de in de eerste alinea bedoelde kennisgeving af te zien. Bij een intern onderzoek neemt hij dit besluit in overleg met de instelling, het orgaan of de instantie waartoe de betrokkene behoort. Wanneer de persoonlijk betrokken persoon van mening is dat de procedurele waarborgen van artikel 6, lid 5, en artikel 7 bis niet in acht zijn genomen en daardoor de conclusies van het onderzoek kunnen zijn beïnvloed, kan hij binnen tien werkdagen na de ontvangst van de conclusies van het eindverslag een verzoek om advies indienen bij de adviseur-revisor." 8) Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd: a) lid 1 komt als volgt te luiden: "1. Na afloop van een door het Bureau uitgevoerd onderzoek stelt het Bureau onder het gezag van de directeur-generaal een verslag op; dit bevat met name een overzicht van het verloop van de procedure, de rechtsgrondslag, de geconstateerde feiten en de juridische kwalificatie daarvan, in voorkomend geval het financiële nadeel en de conclusies van het onderzoek, met inbegrip van de aanbevelingen voor het aan het onderzoek te geven gevolg." b) lid 3 komt als volgt te luiden: "3. Het na afloop van een extern onderzoek opgestelde verslag en alle dienstige daarmee verband houdende documenten worden overeenkomstig de regels betreffende externe onderzoeken aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten en aan de Commissie toegezonden. De bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten stellen, voorzover het nationale recht zich hiertegen niet verzet, de directeur-generaal van het Bureau in kennis van het gevolg dat aan de hun toegezonden onderzoeksverslagen is gegeven." c) het volgende lid 3 bis wordt ingevoegd: "3bis. Wanneer uit het na afloop van een intern onderzoek opgestelde verslag blijkt dat sprake is van strafrechtelijk vervolgbare feiten, wordt het eindverslag aan de gerechtelijke autoriteiten van de betrokken lidstaat toegezonden. De directeur-generaal van het Bureau kan evenwel besluiten dit eindverslag niet aan de gerechtelijke autoriteiten toe te zenden indien hij, gezien met name de aard van de feiten, de geringe ernst ervan of de geringe omvang van de financiële schade, van oordeel is dat er interne maatregelen zijn waarmee daaraan een passender gevolg kan worden gegeven. Hij zendt het eindverslag in alle gevallen overeenkomstig lid 4 aan de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie toe. De adviseur-revisor en het Comité van toezicht worden in kennis gesteld van elk besluit, dat naar behoren wordt gemotiveerd, om het eindverslag niet aan de gerechtelijke autoriteiten toe te zenden." d) het volgende lid 5 wordt toegevoegd: "5. Een informant die het Bureau gegevens over vermoedens van fraude of onregelmatigheden heeft verstrekt, kan op zijn verzoek door het Bureau in kennis worden gesteld van het feit dat een onderzoek is afgesloten en dat, in voorkomend geval, een eindverslag aan de bevoegde autoriteiten is toegezonden. Het Bureau kan het verzoek evenwel afwijzen indien het van oordeel is dat het verzoek afbreuk zou kunnen doen aan de wettelijke rechten van de betrokkenen, de doeltreffendheid van het onderzoek en het gevolg dat daaraan wordt gegeven dan wel aan de vereisten inzake vertrouwelijkheid.” 9) Artikel 10 komt als volgt te luiden: “Artikel 10 Uitwisseling van informatie tussen het Bureau en de nationale autoriteiten van de lidstaten 1. Onverminderd de artikelen 8 en 9 van deze verordening en de bepalingen van Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96, kan het Bureau in het kader van externe onderzoeken verkregen informatie te allen tijde aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten meedelen. 2. Onverminderd de artikelen 8 en 9 deelt de directeur-generaal van het Bureau in het kader van interne onderzoeken de gerechtelijke autoriteiten van de betrokken lidstaat de gegevens mede die het Bureau heeft verkregen over feiten waarvoor een beroep moet worden gedaan op onderzoeksprocedures die onder de bevoegdheid van een nationale gerechtelijke autoriteit vallen, of waarvoor, gezien de ernst ervan, dringend strafrechtelijke vervolging moet worden ingesteld. In dit geval stelt hij de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie hiervan van tevoren in kennis. De medegedeelde informatie omvat met name de identiteit van de bij het onderzoek betrokken persoon, een samenvatting van de geconstateerde feiten, de voorlopige juridische kwalificatie en het eventuele financiële nadeel. Voordat de in de eerste alinea bedoelde informatie wordt medegedeeld, stelt het Bureau de bij het onderzoek betrokken persoon in de gelegenheid zijn mening te geven over de feiten die hem betreffen, onder de voorwaarden en volgens de voorschriften van artikel 7 bis, lid 2, tweede en derde alinea. 3. De bevoegde autoriteiten, met name de gerechtelijke, van de betrokken lidstaat stellen, voorzover het nationale recht zich hiertegen niet verzet, de directeur-generaal van het Bureau zo spoedig mogelijk in kennis van het gevolg dat is gegeven aan gegevens die hun uit hoofde van dit artikel zijn medegedeeld." 10) Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd: a) lid 1 komt als volgt te luiden: “1. De onafhankelijkheid van het Bureau wordt gesterkt door de geregelde controles waaraan het Comité van toezicht de uitoefening van de onderzoekstaak onderwerpt. Het Comité van toezicht ziet toe op de naleving van de regels inzake de toezending van informatie tussen het Bureau en de instellingen, organen of instanties. Het Comité van toezicht let in nauwe samenwerking met de directeur-generaal van het Bureau op de ontwikkelingen betreffende de toepassing van de procedurele waarborgen en de duur van de onderzoeken, aan de hand van de door de directeur-generaal van het Bureau verstrekte periodieke statistieken en de door de adviseur-revisor opgestelde adviezen en regelmatige analytische verslagen op deze gebieden. Het Comité van toezicht geeft op eigen initiatief of op verzoek van de directeur-generaal van het Bureau, een instelling, orgaan of instantie adviezen aan de directeur-generaal van het Bureau, zonder zich evenwel in de afwikkeling van lopende onderzoeken te mengen. De verzoeker ontvangt een kopie van deze adviezen.” b) de leden 7 en 8 komen als volgt te luiden: “7. De directeur-generaal van het Bureau doet jaarlijks het programma van de onderzoeksactiviteiten van het Bureau aan het Comité van toezicht toekomen. Hij stelt het Comité van toezicht op gezette tijden in kennis van de activiteiten van het Bureau, de uitoefening van de onderzoekstaak en het gevolg dat aan de onderzoeken is gegeven. De directeur-generaal van het Bureau stelt het Comité van toezicht in kennis van: a) de gevallen waarin de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie geen gevolg heeft gegeven aan zijn aanbevelingen b) de gevallen waarin gegevens aan de gerechtelijke autoriteiten van een lidstaat moeten worden verstrekt. 8. Het Comité van toezicht stelt minstens één activiteitenverslag per jaar op, dat met name betrekking heeft op de toepassing van de procedurele waarborgen en de duur van de onderzoeken; deze verslagen zijn gericht tot de instellingen. Het comité kan aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer verslag uitbrengen over het resultaat van de onderzoeken van het Bureau en over het gevolg dat eraan is gegeven." 11) Het volgende artikel 11 bis wordt ingevoegd: "Artikel 11 bis Gestructureerde dialoog met de instellingen Het Comité van toezicht komt minstens tweemaal per jaar en op verzoek van een van de instellingen bijeen met een respectievelijk door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie aangewezen vertegenwoordiger in het kader van een gestructureerde dialoog op politiek niveau, om tot gemeenschappelijke richtsnoeren te komen. De gestructureerde dialoog heeft betrekking op de uitoefening van de onderzoekstaak van het Bureau, en met name op: a) het jaarlijkse activiteitenverslag van het Comité van toezicht en dat van de directeur-generaal van het Bureau; b) het programma van de onderzoeksactiviteiten van het Bureau; c) de aspecten in verband met de prioriteiten van het onderzoeksbeleid van het Bureau; d) de goede betrekkingen tussen het Bureau en de instellingen, organen en instanties; e) de doeltreffendheid van de onderzoekswerkzaamheden van het Bureau en van het Comité van toezicht. Tijdens de gestructureerde dialoog wordt niet ingegaan op het verloop van de onderzoeken. Het Bureau geeft een passend gevolg aan de tijdens de gestructureerde dialoog geuite standpunten. 12) Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd: a) het opschrift en lid 1 komen als volgt te luiden: “Artikel 12 Directeur-generaal 1. Na overleg met de vertegenwoordigers van de andere instellingen, die met het Comité van toezicht zijn bijeengekomen in het kader van de gestructureerde dialoog, wijst de Commissie de directeur-generaal van het Bureau aan voor een periode van zeven jaar, die niet kan worden verlengd. Dit overleg geschiedt op basis van een lijst van kandidaten die door de Commissie wordt opgesteld na een sollicitatieoproep." b) lid 2 wordt geschrapt. c) in lid 3 wordt "de directeur" vervangen door "de directeur-generaal". d) lid 4 komt als volgt te luiden: "4. Voordat de Commissie een tuchtmaatregel tegen de directeur-generaal neemt, raadpleegt zij het Comité van toezicht, dat is bijeengekomen met de vertegenwoordigers van de andere instellingen in het kader van de gestructureerde dialoog. Tuchtmaatregelen tegen de directeur-generaal worden met redenen omkleed en ter informatie aan het Europees Parlement, de Raad en het Comité van toezicht worden meegedeeld.” e) de volgende leden 5 en 6 worden toegevoegd: "5. De directeur-generaal stelt elk jaar na advies van het Comité van toezicht het activiteitenprogramma en de prioriteiten van het onderzoeksbeleid van het Bureau vast. 6. De directeur-generaal kan de uitoefening van zijn taken uit hoofde van artikel 5, artikel 6, lid 3, artikel 7 ter en artikel 10, lid 2, bij schriftelijk besluit waarin de voorwaarden en grenzen zijn vastgesteld, aan een of meer personeelsleden van het Bureau delegeren." 13) Artikel 13 komt als volgt te luiden: "Artikel 13 Financiering De kredieten van het Bureau, waarvan het totaalbedrag wordt opgevoerd op een speciaal begrotingsonderdeel binnen de afdeling Commissie van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen, worden in detail vermeld in een bijlage bij die afdeling. De personeelsformatie van het Bureau vormt een bijlage bij de personeelsformatie van de Commissie." 14) Artikel 14 komt als volgt te luiden: "Artikel 14 Adviseur-revisor 1. De directeur-generaal van het Bureau benoemt op voordracht van het Comité van toezicht een adviseur-revisor voor een termijn van vijf jaar, die niet kan worden verlengd. Het Comité van toezicht baseert zijn voordracht op een lijst van kandidaten die na een sollicitatieoproep zijn geselecteerd. 2. De adviseur-revisor oefent zijn functie geheel onafhankelijk uit. Bij de uitoefening van zijn taken vraagt noch aanvaardt hij instructies van wie dan ook. Hij vervult bij het Bureau geen andere taken dan die in verband met de naleving van de procedures. Voordat de directeur-generaal van het Bureau een tuchtmaatregel tegen de adviseur-revisor neemt, raadpleegt hij het Comité van toezicht. 3. Ieder persoonlijk bij een onderzoek betrokken persoon kan de adviseur-revisor om advies vragen in verband met de in artikel 6, lid 5, en artikel 7 bis genoemde procedurele waarborgen. De adviseur-revisor kan ter zake op eigen initiatief adviezen uitbrengen. 4. De adviseur-revisor wordt door de directeur-generaal van het Bureau om advies gevraagd in de in artikel 6, lid 7, en artikel 7 bis, lid 2, genoemde gevallen. Voorts kan de directeur-generaal van het Bureau verzoeken tot de adviseur-revisor richten in verband met de controle van de onderzoeken. 5. De adviseur-revisor brengt over zijn werkzaamheden regelmatig verslag uit aan het Comité van toezicht; hij dient bij het comité en bij de Commissie regelmatige statistische en analytische verslagen in over vragen in verband met de duur van de onderzoeken en over vragen in verband met de procedurele waarborgen. De verslagen van de adviseur-revisor hebben geen betrekking op individuele onderzochte gevallen." 15) Artikel 15 komt geschrapt. 16) De volgende artikelen 15 bis en 15 ter worden ingevoegd: "Artikel 15 bis Uitvoeringsmaatregelen De uitvoeringsmaatregelen inzake de toepassing van de procedurele waarborgen bij de administratieve onderzoeken van het Bureau als bedoeld in deze verordening worden vastgesteld volgens de in artikel 15 ter, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure. Artikel 15 ter Comité 1. De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 43 van Verordening (EG) nr. 515/97 van de Raad ingestelde comité(*). 2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit. De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden. 3. Het Comité stelt zijn reglement van orde vast.____________________________(*) PB L 82 van 22.3.1997, blz. 1" Artikel 2 Artikel 12, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1073/1999, zoals gewijzigd bij de onderhavige verordening, is niet van toepassing op de op de datum van inwerkingtreding van deze verordening in functie zijnde directeur-generaal van het Bureau, wiens mandaat met vijf jaar is verlengd. Artikel 3 Deze verordening treedt in werking op de […] dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie . Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Gedaan te Brussel, Voor het Europees Parlement Voor de Raad […] […] De voorzitter De voorzitter FINANCIEEL MEMORANDUM 1. BENAMING VAN HET VOORSTEL Wijziging van de verordeningen (EG) nr. 1073/1999 en (Euratom) nr. 1074/1999 2. ABM/ABB-KADER Betrokken beleidsterrein(en) en bijbehorende activiteit(en): 24.01 Administratieve uitgaven voor het beleidsterrein fraudebestrijding 24.02 Fraudebestrijding: 3. BEGROTINGSONDERDELEN 3.1. Begrotingsonderdelen (beleidsuitgaven en bijbehorende uitgaven voor technische en administratieve bijstand (vroegere BA-onderdelen)) inclusief omschrijving: 24.010600.03.0100 Uitgaven die voortvloeien uit het mandaat van de leden van het Comité van toezicht 3.2. Duur van de actie en van de financiële gevolgen: Onbepaald. Geen gevolgen 3.3. Begrotingskenmerken (voeg zo nodig rijen toe) : Begrotings-onderdeel | Aard van de uitgave | Nieuwe | Deelname EVA | Deelname kandidaat-lidstaten | Rubriek financiële voor-uitzichten | 24.0106 | NVU | NGK[13] | NEE | NEE | NEE | 5 | 4. OVERZICHT VAN DE MIDDELEN 4.1. Financiële middelen 4.1.1. Overzicht van de vastleggingskredieten (VK) en betalingskredieten (BK) in miljoen euro (tot op 3 decimalen) Aard van de uitgave | Punt nr. | Jaar n | n + 1 | n + 2 | n + 3 | n + 4 | n + 5 e.v. | Totaal | Beleidsuitgaven[14] | Vastleggingskredieten (VK) | 8.1 | a | Betalingskredieten (BK) | b | Administratieve uitgaven binnen het referentiebedrag[15] | Technische & administratieve bijstand (NGK) | 8.2.4 | c | TOTAAL REFERENTIEBEDRAG | Vastleggingskredieten | a+c | Betalingskredieten | b+c | Administratieve uitgaven die niet in het referentiebedrag zijn begrepen[16] | Personeelsuitgaven en aanverwante uitgaven (NGK) | 8.2.5 | d | 0,972 | Andere niet in het referentiebedrag begrepen administratieve uitgaven (NGK) | 8.2.6 | e | 0,200 | Totale indicatieve kosten van de maatregel TOTAAL VK inclusief personeelsuitgaven | a+c+d+e | 1,172 | TOTAAL BK inclusief personeelsuitgaven | b+c+d+e | 1,172 | Medefinanciering Geen in miljoen euro (tot op 3 decimalen) Medefinancieringsbron | Jaar n | n + 1 | n + 2 | n + 3 | n + 4 | n + 5 e.v. | Totaal | …………………… | f | TOTAAL VK inclusief medefinanciering | a+c+d+e+f | 4.1.2. Verenigbaarheid met de financiële programmering x Het voorstel is verenigbaar met de bestaande financiële programmering. ( Het voorstel vergt herprogrammering van de betrokken rubriek van de financiële vooruitzichten. ( Het voorstel vergt wellicht toepassing van de bepalingen van het Interinstitutioneel Akkoord[17] (flexibiliteitsinstrument of herziening van de financiële vooruitzichten). 4.1.3. Financiële gevolgen voor de ontvangsten x Het voorstel heeft geen financiële gevolgen voor de ontvangsten ( Financiële gevolgen - Het effect op de ontvangsten is als volgt: Geen. . in miljoen euro (tot op een decimaal) Vóór de actie [Jaar n-1] | Situatie na de actie | Totale personele middelen in VTE | 9 | 9 | 9 | 9 | 9 | 5. KENMERKEN EN DOELSTELLINGEN Gegevens over de context van het voorstel moeten in de toelichting worden verstrekt. Geef in dit deel van het financieel memorandum de volgende aanvullende informatie: 5.1. Behoefte waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien De voorstellen tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1073/1999 en (Euratom) nr. 1074/1999 zijn op 10 februari 2004 door de Commissie goedgekeurd, naar aanleiding van het evaluatieverslag van april 2003 over de werkzaamheden van het Bureau en de toespraken van voorzitter Prodi in het Europees Parlement in september en november 2003. In zijn conclusies van 22 december 2003 heeft de Raad tevens gewezen op het belang van de inachtneming van de regels inzake de bescherming van de grondrechten. Vervolgens heeft de Rekenkamer speciaal verslag nr. 1/2005 over het beheer van het Bureau uitgebracht, dat een aantal aanbevelingen bevatte, en advies nr. 6/2005 over de voorstellen van februari 2004. Voorts heeft het Europees Parlement op 12-13 juli 2005 een openbare hoorzitting over de versterking van het Bureau georganiseerd, waarbij vice-voorzitter Kallas een initiatief heeft aangekondigd. Dit initiatief wordt op korte termijn door de wetgever verwacht. 5.2. Meerwaarde van het communautaire optreden, samenhang van het voorstel met andere financiële instrumenten en mogelijke synergie Verschillende aspecten van de gewijzigde voorstellen beogen op communautair niveau een meerwaarde te bieden ten opzichte van de huidige situatie, met name: - instelling van samenwerking tussen de instellingen en het Comité van toezicht (art. 11 bis). - benoeming van een adviseur-revisor (artikel 14). Verenigbaarheid met het Financieel Reglement (met name artikel 13). 5.3. Doelstellingen, verwachte resultaten en bijbehorende indicatoren van het voorstel in de context van het ABM / 5.4. Wijze van uitvoering (indicatief) Voor de uitvoering van de actie gekozen methode(n) [19]. X Gecentraliseerd beheer X rechtstreeks door de Commissie ( gedelegeerd aan: ( uitvoerende agentschappen ( door de Gemeenschappen opgerichte organen als bedoeld in artikel 185 van het Financieel Reglement ( nationale publiekrechtelijke organen of organen met een openbaredienstverleningstaak ( Gedeeld of gedecentraliseerd beheer ( met lidstaten ( met derde landen ( Gezamenlijk beheer met internationale organisaties (geef aan welke) Opmerkingen: / 6. TOEZICHT EN EVALUATIE 6.1. Toezicht Het Europees Parlement en de Raad zullen de situatie van OLAF met name in het licht van de toekomstige verslagen evalueren. 6.2. Evaluatie 6.2.1. Evaluatie vooraf / 6.2.2. Naar aanleiding van een tussentijdse evaluatie of evaluatie achteraf genomen maatregelen (ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan) Zie 5.1. 6.2.3. Vorm en frequentie van toekomstige evaluaties Naast de verplichtingen die door deze voorstellen niet worden gewijzigd, zal de adviseur-revisor over zijn werkzaamheden regelmatig verslag uitbrengen aan het Comité van toezicht, dat door de directeur-generaal van het Bureau regelmatig op de hoogte zal worden gesteld van de onderzoeksactiviteiten van het Bureau. 7. FRAUDEBESTRIJDINGSMAATREGELEN Tenuitvoerlegging overeenkomstig het nieuwe Financieel Reglement. Toepassing van Verordening (EG) nr. 1073/1999. 8. MIDDELEN 8.1. Financiële kosten van de doelstellingen van het voorstel Vastleggingskredieten, in miljoen euro (tot op 3 decimalen) Jaar n | Jaar n+1 | Jaar n+2 | Jaar n+3 | Jaar n+4 | Jaar n+5 | Ambtenaren of tijdelijk personeel9 (XX 01 01) | A*/AD | 6 | 6 | 6 | 6 | 6 | B*, C*/AST | 2 | 2 | 2 | 2 | 2 | Uit art. XX 01 02 gefinancierd personeel10 | Uit art. XX 01 04/05 gefinancierd ander personeel11 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | TOTAAL | 9 | 9 | 9 | 9 | 9 | Het Comité van toezicht beschikt thans over 8 posten (3 A, 2 C, 3 TF) + 1 hulpfunctionaris. 8.2.2. Omschrijving van de taken die uit de actie voortvloeien Op dit moment wordt niet overwogen extra personeel aan te trekken voor de taken van de adviseur-revisor. 8.2.3. Herkomst van het (statutaire) personeel (Wanneer meer dan een bron wordt vermeld, geef dan het aantal posten per bron) X Posten die momenteel zijn toegewezen aan het beheer van het te vervangen of te verlengen programma ( Posten die al zijn toegewezen in het kader van de JBS/VOB-procedure voor jaar n ( Posten waarom in het kader van de volgende JBS/VOB-procedure zal worden gevraagd ( Bestaande posten binnen de beherende dienst die worden heringedeeld (interne herindeling) ( Posten die voor jaar n nodig zijn maar die in het kader van de JBS/VOB-procedure voor dat jaar nog niet zijn toegewezen 8.2.4. Andere administratieve uitgaven binnen het referentiebedrag (XX 01 04/05 – Uitgaven voor administratief beheer) in miljoen euro (tot op 3 decimalen) Begrotingsonderdeel (nummer en omschrijving) | Jaar n | Jaar n+1 | Jaar n+2 | Jaar n+3 | Jaar n+4 | Jaar n+5 e.v. | TOTAAL | 1. Technische en administratieve bijstand (inclusief bijbehorende personeelsuitgaven) | Uitvoerende agentschappen12 | Andere technische en administratieve bijstand | - intern | - extern | Totaal Technische en administratieve bijstand | 8.2.5. Personeelsuitgaven en aanverwante uitgaven die niet in het referentiebedrag zijn begrepen in miljoen euro (tot op 3 decimalen) Soort posten | Jaar n | Jaar n+1 | Jaar n+2 | Jaar n+3 | Jaar n+4 | Jaar n+5 e.v. | Ambtenaren en tijdelijk personeel (XX 01 01) | 0,864 | Uit art. XX 01 02 gefinancierd personeel (hulpfunctionarissen, gedetacheerde nationale deskundigen, personeel op contractbasis, enz.) (vermeld begrotingsonderdeel) | 0,108 | Totaal Personeelsuitgaven en aanverwante uitgaven die NIET in het referentiebedrag zijn begrepen) | 0,972 | Berekening – Ambtenaren en tijdelijke functionarissen Verwijs zo nodig naar punt 8.2.1 9 x 108 000 = 972 000 Berekening – Uit artikel XX 01 02 gefinancierd personeel Verwijs zo nodig naar punt 8.2.1 8.2.6. Andere administratieve uitgaven die niet in het referentiebedrag zijn begrepen in miljoen euro (tot op 3 decimalen) Jaar n | Jaar n+1 | Jaar n+2 | Jaar n+3 | Jaar n+4 | Jaar n+5 e.v. | TOTAAL | XX 01 02 11 01 – Dienstreizen | XX 01 02 11 02 – Conferenties en vergaderingen | 0,200 | 0,200 | 0,200 | 0,200 | 0,200 | 0,200 | XX 01 02 11 03 – Comités13 | XX 01 02 11 04 – Studies en adviezen | XX 01 02 11 05 - Informatiesystemen | . 2. Totaal Andere beheersuitgaven (XX 01 02 11) | 3. Andere uitgaven van administratieve aard (vermeld welke en verwijs naar het begrotingsonderdeel) | Totaal Andere administratieve uitgaven die NIET in het referentiebedrag zijn begrepen | Berekening – Andere administratieve uitgaven die niet in het referentiebedrag zijn begrepen Berekening voor de vergaderingen van het Comité van toezicht: 10 x 20 000 = 200 000 [1] PB L 136 van 31.5.1999, blz. 1. [2] PB L 136 van 31.5.1999, blz. 8. [3] PB L 136 van 31.5.1999, blz. 20. [4] COM(2003)154 def. [5] Resolutie over de evaluatie van de werkzaamheden van het Europees bureau voor fraudebestrijding van 4 november 2003; COM(2003) 154 – 2002/2237 (INI). Resolutie van het Europees Parlement over de door de Commissie genomen maatregelen naar aanleiding van de opmerkingen vervat in de resolutie, gevoegd bij het besluit tot verlening van kwijting voor de tenuitvoerlegging van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2001 (COM(2003) 651 - C5-0536/2003 - 2003/2200(DEC)). [6] COM(2004) 103 en 104. [7] Speciaal verslag nr. 1/2005 (PB C 202 van 18.8.2005, blz. 1), goedgekeurd door de Raad in de conclusies van de zitting van 8 november 2005. [8] Advies nr. 6/2005, PB C 202 van 18.8.2005, blz. 33. [9] PB C [...] van [...], blz. [...]. [10] PB C [...] van [...], blz. [...]. [11] PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2. [12] PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23. [13] Niet-gesplitste kredieten. [14] Uitgaven die niet onder hoofdstuk xx 01 van de betrokken titel xx vallen. [15] Uitgaven in het kader van artikel xx 01 04 van titel xx. [16] Uitgaven in het kader van hoofdstuk xx 01, met uitzondering van de artikelen xx 01 04 en xx 01 05. [17] Zie de punten 19 en 24 van het Interinstitutioneel Akkoord. [18] Indien de actie meer dan 6 jaar duurt, moeten extra kolommen worden toegevoegd. [19] Verstrek, indien meer dan een methode wordt aangekruist, extra informatie onder Opmerkingen. 8 Zoals beschreven in punt 5.3. 9 Waarvan de kosten NIET door het referentiebedrag worden gedekt. 10 Waarvan de kosten NIET door het referentiebedrag worden gedekt. 11 Waarvan de kosten door het referentiebedrag worden gedekt. 12 Verwijs naar het specifieke financieel memorandum voor de betrokken uitvoerende agentschappen. 13 Vermeld het soort comité en de groep waartoe het behoort.