62011CJ0024


Titel en vindplaats

Arrest van het Hof (Derde kamer) van 3 mei 2012.

Koninkrijk Spanje tegen Europese Commissie.

Hogere voorziening - EOGFL - Afdeling Garantie - Van communautaire financiering uitgesloten uitgaven - Uitgaven gedaan door Koninkrijk Spanje - Productiesteun voor olijfolie.

Zaak C-24/11 P.

 Jurisprudentie 2012 bladzijde 00000

Tekst

BG ES CS DA DE ET EL EN FR GA IT LV LT HU MT NL PL PT RO SK SL FI SV
html html html html html html html html html   html html html html html html html html html html html html html

Authentieke taal

Data

Classificatie

Allerlei informatie

Procedure

Verbindingen tussen documenten

Tekst

Twee talen naast elkaar: BG CS DA DE EL EN ES ET FI FR HU IT LT LV MT NL PL PT RO SK SL SV

Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum

Partijen


In zaak C‑24/11 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 14 januari 2011,

Koninkrijk Spanje , vertegenwoordigd door M. Muñoz Pérez als gemachtigde,

rekwirant,

andere partij bij de procedure:

Europese Commissie , vertegenwoordigd door F. Jimeno Fernández als gemachtigde,

verweerster in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, J. Malenovský, R. Silva de Lapuerta, G. Arestis (rapporteur) en D. Šváby, rechters,

advocaat-generaal: E. Sharpston,

griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 26 oktober 2011,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 december 2011,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


1. Met zijn hogere voorziening verzoekt het Koninkrijk Spanje om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 12 november 2010, Spanje/Commissie (T‑113/08, hierna: „bestreden arrest”), waarbij is verworpen zijn beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking 2008/68/EG van de Commissie van 20 december 2007 houdende onttrekking aan communautaire financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten voor het Europees Oriëntatie‑ en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, hebben verricht (PB 2008, L 18, blz. 12; hierna: „litigieuze beschikking”), voor zover deze beschikking betrekking heeft op bepaalde uitgaven die het Koninkrijk Spanje heeft verricht in de sectoren olijfolie en akkerbouwgewassen.

Toepasselijke bepalingen

Regeling betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid

2. Bij verordening (EEG) nr. 729/70 van de Raad van 21 april 1970 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB L 94, blz. 13), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1287/95 van de Raad van 22 mei 1995 (PB L 125, blz. 1, hierna: „verordening nr. 729/70”), zijn de algemene regels op het gebied van de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid vastgesteld. Verordening (EG) nr. 1258/1999 van de Raad van 17 mei 1999 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB L 160, blz. 103) is in de plaats gekomen van verordening nr. 729/70 voor de uitgaven vanaf 1 januari 2000.

3. Krachtens de artikelen 1, lid 2, sub b, en 3, lid 1, van verordening nr. 729/70 en de artikelen 1, lid 2, sub b, en 2, lid 2, van verordening nr. 1258/1999 financiert de afdeling Garantie van het Europees Oriëntatie‑ en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) in het kader van de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten de interventies ter regulering van deze markten waartoe volgens de communautaire voorschriften wordt overgegaan.

4. Volgens artikel 5, lid 2, sub c, van verordening nr. 729/70 en artikel 7, lid 4, van verordening nr. 1258/1999 neemt de Commissie, wanneer zij constateert dat de uitgaven niet overeenkomstig de communautaire voorschriften zijn verricht, een besluit tot uitsluiting van deze bedragen van communautaire financiering. Voordat een besluit tot weigering van financiering wordt genomen, doet de Commissie schriftelijk mededeling van de resultaten van de verificaties, en de betrokken lidstaat van zijn antwoorden dienaangaande, waarna beide partijen overeenstemming proberen te bereiken over het daaraan te geven gevolg. Indien overeenstemming uitblijft, kan de lidstaat vragen om opening van een procedure die de standpunten binnen vier maanden tot elkaar moet brengen, waarvan de resultaten worden neergelegd in een verslag dat aan de Commissie wordt toegezonden en door deze instelling wordt bestudeerd voordat een eventueel besluit tot weigering van financiering wordt genomen. Bij de bepaling van de van financiering uit te sluiten bedragen houdt de Commissie rekening met de aard en de ernst van de inbreuk, alsmede met de voor de Europese Gemeenschap ontstane financiële schade.

5. Artikel 7, lid 4, vijfde alinea, van verordening nr. 1258/1999 bepaalt:

„Financiering kan niet worden geweigerd voor:

a) [...] uitgaven die meer dan 24 maanden voordat de Commissie de resultaten van de verificaties schriftelijk aan de betrokken lidstaat heeft meegedeeld, zijn gedaan;

b) uitgaven voor [...] maatregelen waarvoor de definitieve betaling meer dan 24 maanden voordat de Commissie de resultaten van de verificaties schriftelijk aan de betrokken lidstaat heeft meegedeeld, is verricht.”

6. Artikel 5, lid 2, sub c, vijfde alinea, van verordening nr. 729/70 bevat een soortgelijke bepaling.

7. Artikel 8, lid 1, van verordening (EG) nr. 1663/95 van de Commissie van 7 juli 1995 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 729/70 aangaande de procedure inzake de goedkeuring van de rekeningen van het EOGFL, afdeling Garantie (PB L 158, blz. 6), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2245/1999 van de Commissie van 22 oktober 1999 (PB L 273, blz. 5, hierna: „verordening nr. 1663/95”), luidt:

„Indien de Commissie op grond van een onderzoek van mening is, dat bepaalde uitgaven niet overeenkomstig de communautaire voorschriften zijn gedaan, stelt zij de betrokken lidstaat in kennis van haar bevindingen en van de correctiemaatregelen die moeten worden genomen om naleving in de toekomst te garanderen.

In de kennisgeving wordt naar deze verordening verwezen. De lidstaat geeft binnen twee maanden een antwoord en de Commissie kan haar positie wijzigen. In gegronde gevallen kan de Commissie toestemming verlenen tot een verlenging van deze antwoordtermijn.

Na afloop van de antwoordtermijn stelt de Commissie een bilaterale bespreking vast en beide partijen proberen tot overeenstemming te komen omtrent de te nemen maatregelen, alsook omtrent de ernst van de overtreding en de omvang van het financiële nadeel voor de Europese Gemeenschap. Na afloop van deze bespreking en na het verstrijken van de termijn die eventueel door de Commissie, in overleg met de lidstaat, in aansluiting op de bilaterale bespreking is vastgesteld voor het verstrekken van aanvullende inlichtingen of, indien de lidstaat niet binnen een door de Commissie gestelde termijn op de uitnodiging voor een bespreking ingaat, na afloop van deze termijn, doet de Commissie haar conclusies formeel aan de lidstaat toekomen, onder verwijzing naar beschikking 94/442/EG van de Commissie [...]. Onverminderd het bepaalde in de vierde alinea van dit lid, wordt in deze kennisgeving opgave gedaan van uitgaven die de Commissie voornemens is aan de financiering te onttrekken overeenkomstig artikel 5, lid 2, sub c, van verordening [...] nr. 729/70.

De lidstaat stelt de Commissie zo spoedig mogelijk in kennis van de correctiemaatregelen die worden genomen om naleving van de communautaire voorschriften te verzekeren en van de datum waarop zij effectief zijn geworden. De Commissie neemt in voorkomend geval een of meerdere beschikkingen op grond van artikel 5, lid 2, sub c, van verordening [...] nr. 729/70 waarbij de uitgaven waarvoor de communautaire voorschriften niet zijn nageleefd, aan de financiering worden onttrokken totdat de correctiemaatregelen effectief worden.”

Regeling inzake de productiesteun voor olijfolie

8. Aangaande de betaling van de productiesteun voor olijfolie bepaalt artikel 12 van verordening (EEG) nr. 2261/84 van de Raad van 17 juli 1984 houdende algemene voorschriften inzake de toekenning van de productiesteun voor olijfolie en de steun aan de producentenorganisaties (PB L 208, blz. 3), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1639/98 van de Raad van 20 juli 1998 (PB L 210, blz. 38, hierna: „verordening nr. 2261/84”), dat elke olijvenproducent een voorschot op het bedrag van de aangevraagde steun kan krijgen.

9. Artikel 16 van verordening (EG) nr. 2366/98 van de Commissie van 30 oktober 1998 houdende uitvoeringsbepalingen van de productiesteunregeling voor olijfolie voor de verkoopseizoenen 1998/1999 tot en met 2000/2001 (PB L 293, blz. 50) preciseert in lid 1 dat de lidstaat, onder voorbehoud van de resultaten van de verrichte controles, het in artikel 12 van verordening nr. 2261/84 bedoelde voorschot betaalt vanaf 16 oktober van elk verkoopseizoen. Lid 2 van voormeld artikel 16 preciseert met betrekking tot de definitieve betaling het volgende:

„Na uitvoering van alle controles waarin hiertoe is voorzien, en onder voorbehoud van de resultaten daarvan, keert de lidstaat het saldo van de steun aan de producenten uit binnen 90 dagen na de vaststelling door de Commissie van de werkelijke productie voor het betrokken verkoopseizoen en van het in artikel 17 bis, lid 2, van verordening [...] nr. 2261/84 bedoelde bedrag van de productiesteun per eenheid product.”

Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie

10. Artikel 36 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat krachtens artikel 53 daarvan van toepassing is op de procedure voor het Gerecht, bepaalt dat de arresten met redenen zijn omkleed en de namen van de rechters die hebben beslist vermelden.

Voorgeschiedenis van het geding

11. De voorgeschiedenis van het geding is door het Gerecht in de punten 37 tot en met 43 van het bestreden arrest uiteengezet als volgt:

„37 Op 20 december 2007 heeft de Commissie de [litigieuze] beschikking vastgesteld [, waarbij met name van de communautaire financiering zijn uitgesloten] bepaalde door het Koninkrijk Spanje gedeclareerde uitgaven in de sectoren olijfolie en akkerbouwgewassen.

38 Het onderhavige beroep betreft de volgende financiële correcties:

– Een forfaitaire correctie van 5 % van het bedrag van de productiesteun voor olijfolie voor de verkoopseizoenen 1998/1999, 1999/2000 en 2000/2001, behalve het gedeelte van deze correctie die het verkoopseizoen 1999/2000 in Andalusië betreft, wat overeenstemt met een totaalbedrag van 113 517 396,10 EUR;

– [...]

1. De financiële correctie op de uitgaven in de sector olijfolie

39 In het kader van de onderzoeken met als referentienummers HO/2002/01/ES en OT/2003/05/ES heeft de Commissie van 11 tot 15 februari 2002 respectievelijk van 7 tot 11 juli 2003 verificaties verricht in Spanje. De desbetreffende opmerkingen van de Commissie uit hoofde van artikel 8 van verordening nr. 1663/95 zijn opgenomen in de brief met kenmerk AGR 16844 van 11 juli 2002 [(hierna: ‚brief AGR 16844’)], respectievelijk in de brief met kenmerk AGR 8 316 van 23 maart 2004.

40 Op 21 december 2004 heeft betreffende deze twee onderzoeken een bilaterale bespreking tussen de Commissie en de Spaanse autoriteiten plaatsgevonden. Op 10 november 2005 heeft de Commissie de notulen van deze bespreking gezonden aan de Spaanse autoriteiten, die bij brieven van 13 en 16 januari 2006 hebben geantwoord.

41 Op 11 augustus 2006 heeft de Commissie formeel haar conclusies meegedeeld aan de Spaanse autoriteiten. Zij stelde voor elk van de betrokken verkoopseizoenen een forfaitaire correctie van 5 % voor.

42 Nadat het bemiddelingsorgaan op 15 maart 2007 zijn advies had uitgebracht en de Spaanse autoriteiten informatie hadden verstrekt, heeft de Commissie haar definitieve standpunt meegedeeld, hetwelk is vermeld in punt 13.1.5 van syntheseverslag AGRI-63341‑01-2007 van 3 september 2007 over de resultaten van de controles in het kader van de goedkeuring van de rekeningen betreffende het EOGFL, afdeling Garantie, overeenkomstig artikel 5, lid 2, sub c, van verordening nr. 729/70 en artikel 7, lid 4, van verordening nr. 1258/1999 [...].

43 Wat de uitvoering van de essentiële controles in de sector olijfolie betreft, zijn met name de volgende tekortkomingen geconstateerd die de toepassing van een financiële correctie rechtvaardigen:

a) ter zake van de verkoopseizoenen 1998/1999 en 1999/2000:

– een ontoereikend toezicht op de door het Agencia del Aceite de Oliva (hierna: „AAO”) uitgevoerde controles van de oliefabrieken;

– het niet functioneren van de geautomatiseerde gegevensbestanden en het olijfoliedossier, waardoor vraagtekens kunnen worden geplaatst bij alle op de opbrengsten gebaseerde controles, welke tekortkoming gedeeltelijk wordt gecompenseerd door de uitvoering van het voorgeschreven minimumpercentage voor controles ter plaatse op nationaal niveau.

b) ter zake van het verkoopseizoen 2000/2001:

– tekortkomingen in de controles van de oliefabrieken;

– in de twee autonome gemeenschappen die een grafisch gegevensbestand hebben gebruikt, bevatte dit nog een groot aantal fouten op het vlak van de kadastrale informatie en de vaststelling van het aantal tegenstrijdigheden is sterk neerwaarts bijgesteld door de inaanmerkingneming van technische toleranties. De berekening van de sancties in geval van tegenstrijdigheden voldeed niet aan de voorschriften;

– in de elf andere autonome gemeenschappen bestonden dezelfde tekortkomingen als in het verkoopseizoen 1998/1999;

– in alle autonome gemeenschappen zijn de controles van de atypische opbrengsten gebaseerd op een uiterst beknopte analyse.”

Procesverloop voor het Gerecht en bestreden arrest

12. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Gerecht op 29 februari 2008 heeft het Koninkrijk Spanje beroep ingesteld tot gedeeltelijke nietigverklaring van de litigieuze beschikking, voor zover zij betrekking heeft op bepaalde uitgaven die deze lidstaat heeft verricht in de sectoren olijfolie en akkerbouwgewassen.

13. Ter ondersteuning van dit beroep heeft het Koninkrijk Spanje betreffende de financiële correctie op de uitgaven in de sector olijfolie drie middelen aangevoerd: 1) schending van artikel 8 van verordening nr. 1663/95; 2) schending van de artikelen 2 en 3 van verordening nr. 729/70 alsook van artikel 2 van verordening nr. 1258/1999, en 3) niet-inachtneming van de in artikel 7, lid 4, van verordening nr. 1258/999 vastgestelde termijn van 24 maanden. Deze lidstaat heeft voorts vier andere middelen aangevoerd die verband houden met de financiële correctie op de areaalsteun voor akkerbouwgewassen.

14. Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht al deze middelen afgewezen en het beroep in zijn geheel verworpen.

15. Betreffende het eerste middel dat is aangevoerd in het kader van de financiële correctie op de uitgaven in de sector olijfolie, dat ontleend is aan schending van artikel 8 van verordening nr. 1663/95, overwoog het Gerecht in de punten 63 tot en met 66 van het bestreden arrest het volgende:

„63 Gelet op de door het Koninkrijk Spanje geformuleerde grieven moet dus in casu worden nagegaan of de Commissie in haar mededeling in de zin van artikel 8 van verordening nr. 1663/95, te weten in haar brief AGR 16844, de resultaten van het onderzoek, en bijgevolg de tekortkomingen, die uiteindelijk de grondslag vormden voor de financiële correctie in de sector olijfolie met betrekking tot de in onderzoek HO/2002/01/ES aan de orde zijnde verkoopseizoenen 1998/1999 en 1999/2000, voldoende heeft geïdentificeerd.

64 Partijen zijn het erover eens dat de Commissie de hierboven bedoelde financiële correctie heeft gebaseerd op het ontoereikende toezicht op de door het AAO uitgevoerde controles van de oliefabrieken en op het niet functioneren van de geautomatiseerde gegevensbestanden en van het olijfoliedossier.

65 Wat in de eerste plaats de grief betreft dat de Spaanse autoriteiten onvoldoende gevolg hebben gegeven aan de voorstellen van het AAO, zij opgemerkt dat deze grief, zoals de Commissie erkent, niet was vermeld in brief AGR 16844, waarin louter werd verwezen naar de omstandigheid dat de onderzoeksmissie in het algemeen haar tevredenheid had geuit over het werk van dat agentschap. Zoals het Koninkrijk Spanje heeft opgemerkt, is de enige verwijzing naar dat agentschap te vinden in punt 2.2, waarin te lezen staat dat ‚de bezoeken aan de twee oliefabrieken bevredigend waren en het werk van het controleagentschap AAO hebben bevestigd, zodat dienaangaande geen opmerkingen zijn gemaakt’.

66 Die vaststelling, die uitsluitend het werk van het AAO betreft, sloot evenwel niet uit dat de Commissie, in het kader van het verdere verloop van de procedure inzake de goedkeuring van de rekeningen en rekening houdend met de door de Spaanse autoriteiten verstrekte informatie en cijfers, met name in het vooruitzicht van de bilaterale bespreking van 21 december 2004, tot de conclusie kon komen dat de Spaanse autoriteiten onvoldoende gevolg hadden gegeven aan de door dit agentschap voorgestelde sancties. De blijken van tevredenheid betreffende het werk van het AAO vormen integendeel immers juist een aanwijzing dat een groot belang moet worden gehecht aan het gevolg dat moet worden gegeven aan de vaststellingen van dat agentschap, overeenkomstig het bepaalde in artikel 1, lid 4, van verordening nr. 2262/84.”

16. Voorts overwoog het Gerecht, betreffende het derde middel dat is aangevoerd in het kader van de financiële correctie op de uitgaven in de sector olijfolie, dat is ontleend aan de niet-inachtneming van de in artikel 7, lid 4, van verordening nr. 1258/1999 vastgestelde termijn van 24 maanden, in de punten 118 tot en met 123 van het bestreden arrest het volgende:

„118 Artikel 7, lid 4, vijfde alinea, van verordening nr. 1258/1999 bepaalt dat ‚[f]inanciering niet [kan] worden geweigerd voor [...] uitgaven die meer dan 24 maanden voordat de Commissie de resultaten van de verificaties schriftelijk aan de betrokken lidstaat heeft meegedeeld, zijn gedaan’.

119 In casu staat thans vast dat, conform de in de rechtspraak geformuleerde regels [...], de Commissie de resultaten van de verificaties heeft meegedeeld bij brief AGR 16844 van 11 juli 2002, die uit hoofde van artikel 8, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 1663/95 is verzonden.

120 Voorts staat met betrekking tot onderzoek HO/2002/01/ES vast dat die brief op 15 juli 2002 ter kennis van het Koninkrijk Spanje. is gebracht.

121 Bijgevolg dient slechts te worden vastgesteld welke datum in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van de termijn van 24 maanden (de dies ad quem ) bedoeld in artikel 7, lid 4, vijfde alinea, van verordening nr. 1258/1999, dit is de datum die moet worden beschouwd als de datum waarop de litigieuze steun werkelijk is betaald.

122 Aangezien de relevante wetgeving daarover niets preciseert, moet worden gezien naar de rechtspraak ter zake en in het bijzonder naar de overwegingen van het arrest van het Hof van 19 juni 2003, Spanje/Commissie (C‑329/00, Jurispr. blz. I‑6103, punt 43). Met betrekking tot steun in de sector bananen heeft het Hof namelijk geoordeeld dat de datum waarop het definitieve bedrag van de compenserende steun is vastgesteld en het saldo is betaald, bepalend is voor de toepassing van de termijn van 24 maanden bedoeld in artikel 5, lid 2, sub c, van verordening nr. 729/70 (waarvan de normatieve inhoud in wezen overeenstemt met die van artikel 7, lid 4, vijfde alinea, van verordening nr. 1258/1999). De in de loop van het voorgaande jaar uitgekeerde bedragen zijn immers, ook al kunnen zij voorkomen in de beschikking tot goedkeuring van de rekeningen, slechts voorlopige betalingen waarvoor zekerheid diende te worden gesteld, zodat zij, wat de toepassing van de termijn van 24 maanden betreft, niet relevant zijn voor de bepaling van de datum waarop de steun is uitbetaald.

123 Zoals ook het geval was bij de in dat arrest aan de orde zijnde steunregeling in de sector bananen, blijkt in casu uit artikel 12 van verordening nr. 2261/84 juncto artikel 16 van verordening nr. 2366/98 dat de olijfolieproducenten bij het begin van het verkoopseizoen een voorschot op de aangevraagde steun ontvangen. De lidstaat betaalt het saldo na de uitvoering van de daartoe voorziene controles, daarbij rekening houdend met de resultaten van deze controles. Derhalve is de datum waarop het saldo van de betalingen wordt betaald de relevante datum voor de berekening van de termijn van 24 maanden.”

Conclusie van partijen

17. Het Koninkrijk Spanje verzoekt het Hof:

– het bestreden arrest te vernietigen;

– alle bij de litigieuze beschikking opgelegde financiële correcties betreffende de productiesteun voor olijfolie nietig te verklaren;

– subsidiair, die correcties nietig te verklaren voor zover zij verband houden met uitgaven waarvoor de voorschotten vóór 24 november 2002 waren betaald, dan wel met uitgaven waarvoor de voorschotten vóór 15 juli 2000 waren betaald, en

– de Commissie te verwijzen in de kosten.

18. De Commissie verzoekt het Hof:

– de hogere voorziening af te wijzen, en

– het Koninkrijk Spanje te verwijzen in de kosten.

De hogere voorziening

19. Tot staving van zijn hogere voorziening voert het Koninkrijk Spanje drie middelen aan: 1) schending van artikel 8 van verordening nr. 1663/95; 2) schending van de artikelen 36 en 53 van het Statuut van het Hof wegens een ontoereikende motivering van het bestreden arrest, en 3) niet-inachtneming van de termijn van 24 maanden waarin is voorzien bij artikel 5, lid 2, sub c, vijfde alinea, van verordening nr. 729/70 en artikel 7, lid 4, vijfde alinea, van verordening nr. 1258/1999. Dit derde middel valt uiteen in twee onderdelen, te weten: 1) onjuiste inaanmerkingneming van de datum van brief AGR 16844 als referentiepunt voor de berekening van de termijn van 24 maanden en 2) onjuiste toepassing in het onderhavige geval van het reeds aangehaalde arrest van het Hof in de zaak Spanje/Commissie.

Eerste middel en eerste onderdeel van het derde middel: schending van artikel 8 van verordening nr. 1663/95 en onjuiste inaanmerkingneming van de datum van brief AGR 16844 als referentiepunt voor de berekening van de termijn van 24 maanden waarin is voorzien bij artikel 5, lid 2, sub c, vijfde alinea, van verordening nr. 729/70 en artikel 7, lid 4, vijfde alinea, van verordening nr. 1258/1999

Argumenten van partijen

20. Met zijn eerste middel verwijt het Koninkrijk Spanje het Gerecht dat het in de punten 63 tot en met 66 van het bestreden arrest inbreuk heeft gemaakt op artikel 8 van verordening nr. 1663/95 doordat het heeft toegestaan dat de Commissie in het kader van het verdere verloop van de procedure inzake de goedkeuring van de rekeningen een nieuwe grond heeft aangedragen, die was ontleend aan het feit dat de Spaanse autoriteiten onvoldoende gevolg hadden gegeven aan de voorstellen van het AAO, en die uiteindelijk de grondslag vormde voor de financiële correctie in de sector olijfolie voor de verkoopseizoenen 1998/1999 en 1999/2000, hoewel deze grond niet specifiek was vermeld in de mededeling van de Commissie in de zin van die bepaling, zoals het Gerecht in punt 65 van zijn arrest zelf heeft erkend.

21. Volgens het Koninkrijk Spanje is het Gerecht aldus voorbijgegaan aan de in die bepaling neergelegde waarborgen ten gunste van de lidstaten, zoals blijkt uit de rechtspraak van het Hof volgens welke de schriftelijke mededeling in de zin van artikel 8 van verordening nr. 1663/95 de betrokken regering volledig moet inlichten omtrent de bezwaren van de Commissie en de correcties die voor de betrokken sector waarschijnlijk zullen worden verricht, zodat zij de waarschuwende functie kan vervullen die een schriftelijke mededeling volgens deze bepaling moet hebben.

22. De Commissie wijst deze argumenten van het Koninkrijk Spanje af en betoogt dat dit eerste middel ongegrond is. Zij preciseert dat het Gerecht in het bestreden arrest een logische en teleologische uitlegging geeft van de vereiste inhoud van de eerste mededeling in de zin van artikel 8 van verordening nr. 1663/95.

23. Met het eerste onderdeel van zijn derde middel verwijt het Koninkrijk Spanje het Gerecht dat het inbreuk heeft gemaakt op artikel 5, lid 2, sub c, vijfde alinea, van verordening nr. 729/70 en artikel 7, lid 4, vijfde alinea, van verordening nr. 1258/1999 door de litigieuze beschikking niet nietig te verklaren voor zover zij betalingen betreft die vóór 24 november 2002 zijn verricht, dus buiten de in die voorschriften vastgestelde termijn van 24 maanden.

24. Die lidstaat betoogt dat het Gerecht, aangezien het in punt 65 van het bestreden arrest heeft erkend dat het feit dat de Spaanse autoriteiten onvoldoende gevolg hadden gegeven aan de voorstellen van het AAO in brief AGR 16844 niet als grond voor de financiële correctie was vermeld, en in punt 66 van dat arrest heeft gesteld dat er evenwel geen sprake was van een procedurefout aangezien alle gronden voor de financiële correctie waren vermeld in de met het oog op een bilaterale bespreking opgestelde brief van de Commissie van 24 november 2004, had moeten oordelen dat de termijn van 24 maanden moest worden berekend vanaf die datum, en bijgevolg voormelde beschikking nietig had moeten verklaren. Bij de berekening van die termijn moet immers worden uitgegaan van de datum van de mededeling van de Commissie waarin nieuwe, niet in een eerdere mededeling vervatte gronden voor de financiële correctie zijn vermeld, zodat de betrokken regering volledig op de hoogte kan zijn van de bezwaren van de Commissie, zoals artikel 8 van verordening nr. 1663/95 volgens de rechtspraak verlangt.

25. De Commissie is het oneens met deze argumenten van het Koninkrijk Spanje en betoogt dat ook het eerste onderdeel van het derde middel ongegrond is. Zij stelt dat brief AGR 16844 voldoet aan de voorwaarden van artikel 8 van verordening nr. 1663/95 en dat de litigieuze financiële correctie bijgevolg kon worden toegepast op alle uitgaven waarvoor het saldo was betaald binnen de termijn van 24 maanden vóór de mededeling van deze brief, dus na 15 juli 2000.

Beoordeling door het Hof

26. Volgens artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1663/95 moet de Commissie, indien zij op grond van een onderzoek van mening is dat bepaalde uitgaven niet overeenkomstig de voorschriften van de Unie zijn gedaan, de betrokken lidstaat in kennis stellen van haar bevindingen en van de correctiemaatregelen die moeten worden genomen om naleving in de toekomst te garanderen.

27. Volgens de rechtspraak van het Hof moet de „schriftelijke mededeling” in de zin van deze bepaling de betrokken regering volledig inlichten omtrent de bezwaren van de Commissie, zodat zij de waarschuwende functie kan vervullen die een dergelijke mededeling volgens deze bepaling moet hebben (zie arresten van 24 januari 2002, Finland/Commissie, C‑170/00, Jurispr. blz. I‑1007, punt 34, en 7 oktober 2004, Spanje/Commissie, C‑153/01, Jurispr. blz. I‑9009, punt 93).

28. Artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1663/95 verlangt dan ook dat de aan de betrokken lidstaat verweten onregelmatigheid voldoende nauwkeurig is vermeld in de schriftelijke mededeling bedoeld in de eerste alinea van die bepaling, zodat die staat er volledig van op de hoogte is. Voldoet een mededeling niet aan die voorwaarde, dan kan zij dus niet worden aangemerkt als een schriftelijke mededeling in de zin van die bepaling.

29. Bovendien holt de niet-naleving van die in artikel 8, lid 1, gestelde voorwaarde de procedurele waarborg uit die artikel 5, lid 2, sub c, vijfde alinea, van verordening nr. 729/70 en artikel 7, lid 4, vijfde alinea, van verordening nr. 1258/1999 aan de lidstaten toekennen en die inhoudt dat het EOGFL de financiering slechts kan weigeren wanneer de uitgaven binnen een bepaalde periode zijn gedaan (zie in die zin met name arresten van 13 juni 2002, Luxemburg/Commissie, C‑158/00, Jurispr. blz. I‑5373, punt 24, en 24 februari 2005, Griekenland/Commissie, C‑300/02, Jurispr. blz. I‑1341, punt 70).

30. Artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1663/95 moet dus worden gelezen in samenhang met artikel 5, lid 2, sub c, vijfde alinea, van verordening nr. 729/70 en artikel 7, lid 4, vijfde alinea, van verordening nr. 1258/1999, waarin is bepaald dat de Commissie geen uitgaven kan uitsluiten die meer dan 24 maanden voordat de Commissie de resultaten van de verificaties schriftelijk aan de betrokken lidstaat heeft meegedeeld, zijn gedaan. De schriftelijke mededeling bedoeld in de eerste alinea van voormeld artikel 8, lid 1, is dus een waarschuwing dat de uitgaven die tijdens de periode van 24 maanden voorafgaand aan de kennisgeving van deze mededeling zijn gedaan, kunnen worden uitgesloten van de financiering door het EOGFL, en vormt dan ook het referentiepunt voor de berekening van de aldus vastgestelde termijn van 24 maanden.

31. Om haar waarschuwende functie te vervullen moet de in artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1663/95 bedoelde mededeling, met name gelet op artikel 5, lid 2, sub c, vijfde alinea, van verordening nr. 729/70 en artikel 7, lid 4, vijfde alinea, van verordening nr. 1258/1999, derhalve voldoende nauwkeurig melding maken van alle onregelmatigheden die aan de betrokken lidstaat worden verweten en die uiteindelijk de grondslag vormden voor de toegepaste financiële sanctie. Slechts een dergelijke mededeling kan waarborgen dat de bezwaren van de Commissie volledig bekend zijn in de zin van de in punt 27 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak van het Hof, en het referentiepunt vormen voor de berekening van de termijn van 24 maanden waarin is voorzien bij artikel 5, lid 2, sub c, vijfde alinea, van verordening nr. 729/70 en artikel 7, lid 4, vijfde alinea, van verordening nr. 1258/1999.

32. In casu heeft het Gerecht met betrekking tot de bij de litigieuze beschikking toegepaste financiële correctie in de sector olijfolie in punt 65 van het bestreden arrest vastgesteld dat de grief volgens welke de Spaanse autoriteiten onvoldoende gevolg hadden gegeven aan de voorstellen van het AAO, niet was vermeld in brief AGR 16844. Volgens het Gerecht werd daarin immers louter verwezen naar de omstandigheid dat de onderzoeksmissie in het algemeen haar tevredenheid had geuit over het werk van dat agentschap.

33. Bovendien heeft het Gerecht, wat die grief betreft, in de punten 119 en 120 van het bestreden arrest de brief met kenmerk AGR 16844 aangemerkt als een mededeling in de zin van artikel 8, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 1663/95, waarvan de kennisgeving aan het Koninkrijk Spanje, op 15 juli 2002, het referentiepunt vormde voor de berekening van de termijn van 24 maanden bedoeld in artikel 5, lid 2, sub c, vijfde alinea, van verordening nr. 729/70 en artikel 7, lid 4, vijfde alinea, van verordening nr. 1258/1999.

34. Door aldus te oordelen heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste opvatting van artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1663/95, van artikel 5, lid 2, sub c, vijfde alinea, van verordening nr. 729/70 en van artikel 7, lid 4, vijfde alinea, van verordening nr. 1258/1999. Zoals uiteengezet in punt 31 van het onderhavige arrest kan een mededeling immers slecht worden aangemerkt als een mededeling in de zin van artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1663/95, die het referentiepunt vormt voor de berekening van de termijn van 24 maanden bedoeld in artikel 5, lid 2, sub c, vijfde alinea, van verordening nr. 729/70 en artikel 7, lid 4, vijfde alinea, van verordening nr. 1258/1999, wanneer zij voldoende nauwkeurig melding maakt van alle onregelmatigheden die aan de betrokken lidstaat worden verweten. Blijkens de feitelijke vaststellingen van het Gerecht, voldoet brief AGR 16844 echter niet aan die eisen op het punt van de in punt 32 van het onderhavige arrest vermelde grief.

35. Mitsdien moeten het eerste middel en het eerste onderdeel van het derde middel van de hogere voorziening worden aanvaard.

Tweede middel: schending van de artikelen 36 en 53 van het Statuut van het Hof door een ontoereikende motivering van het bestreden arrest

Argumenten van partijen

36. Met zijn tweede middel verwijt het Koninkrijk Spanje het Gerecht dat het in strijd met de artikelen 36 en 53 van het Statuut van het Hof het bestreden arrest ontoereikend heeft gemotiveerd. Nadat het de argumenten van die lidstaat betreffende de nietigheid van alle financiële correcties had afgewezen, had het Gerecht immers moeten ingaan op de kwestie van de datum die in aanmerking moet worden genomen als referentiepunt voor de berekening van de termijn van 24 maanden bedoeld in artikel 5, lid 2, sub c, vijfde alinea, van verordening nr. 729/70 en artikel 7, lid 4, vijfde alinea, van verordening nr. 1258/1999, en bijgevolg antwoorden op de subsidiaire argumenten die deze lidstaat in dat verband ter terechtzitting voor het Gerecht had aangevoerd. In het arrest wordt evenwel niet ingegaan op die kwestie en dus evenmin op die argumenten, zodat het dient te worden vernietigd.

37. De Commissie bestrijdt dit betoog van het Koninkrijk Spanje en stelt dat het tweede middel ongegrond moet worden verklaard. Zij merkt op dat het Gerecht die subsidiaire argumenten impliciet heeft beantwoord in punt 66 van het bestreden arrest.

Beoordeling door het Hof

38. Gelet op het antwoord op het eerste middel en op het eerste onderdeel van het derde middel van de hogere voorziening, hoeft het tweede middel van de hogere voorziening niet te worden onderzocht.

39. Immers, ook al zou dit middel worden aanvaard, dan nog blijft het een feit dat het Gerecht blijkens dat antwoord de termijn van 24 maanden bedoeld in artikel 5, lid 2, sub c, vijfde alinea, van verordening nr. 729/70 en artikel 7, lid 4, vijfd e alinea, van verordening nr. 1258/1999 niet in acht heeft genomen, en dus noodzakelijkerwijs de als referentiepunt voor de berekening van die termijn in aanmerking te nemen datum onjuist heeft beoordeeld, zodat de vraag of het Gerecht in de motivering van het bestreden arrest is ingegaan op het punt van die datum irrelevant is.

40. Bijgevolg moet het tweede middel worden afgewezen.

Tweede onderdeel van het derde middel: onjuiste toepassing in casu van de overwegingen van het reeds aangehaalde arrest van 19 juni 2003, Spanje/Commissie

Argumenten van partijen

41. Met het tweede onderdeel van zijn derde middel verwijt het Koninkrijk Spanje het Gerecht dat het in punt 122 van het bestreden arrest blijkt heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de redenering van het Hof in diens reeds aangehaalde arrest van 19 juni 2003, Spanje/Commissie, ten onrechte op het onderhavige geval toe te passen om tot de conclusie te komen dat de litigieuze financiële correctie betrekking kon hebben op alle uitgaven waarvoor het saldo was betaald binnen de termijn van 24 maanden waarin is voorzien bij artikel 5, lid 2, sub c, vijfde alinea, van verordening nr. 729/70 en artikel 7, lid 4, vijfde alinea, van verordening nr. 1258/1999, ongeacht of de voorschotten buiten die termijn waren betaald.

42. Het Koninkrijk Spanje betoogt dat deze redenering van het Hof steun voor de afzet van bananen betreft en dat zij, aangezien die steun wezenlijk verschilt van de steun voor de productie van olijfolie, niet kan worden toegepast op laatstbedoelde steun. Deze lidstaat voert aan dat die redenering gebaseerd is op de gedachte dat, wat een uitgave in verband met steun in de sector bananen betreft, de voorschotten slechts voorlopige betalingen zijn waarvoor zekerheid moet worden gesteld, zodat zij, wat de toepassing van de termijn van 24 maanden betreft, niet relevant zijn voor de bepaling van de datum waarop deze uitgave is gedaan, en dat dit echter anders ligt in de sector olijfolie, aangezien de voorschotten daarin louter een vooruitbetaling zijn waarvoor vooraf geen zekerheid dient te worden gesteld.

43. De Commissie betwist deze argumenten van het Koninkrijk Spanje en betoogt dat ook het tweede onderdeel van het derde middel van de hogere voorziening moet worden afgewezen. Zij preciseert dat het Gerecht in het bestreden arrest niet heeft verklaard dat de bananensector en de olijfoliesector volledig vergelijkbaar zijn, maar er slechts heeft op gewezen dat, in overeenstemming met het arrest van 19 juni 2003, Spanje/Commissie, de relevante datum voor de toepassing van de termijn van 24 maanden de datum moet zijn waarop het uiteindelijke bedrag van de compenserende steun wordt vastgesteld en het saldo wordt betaald. Voorts merkt de Commissie op dat moeilijk kan worden aangenomen dat de betaling van het saldo uitsluitend afhangt van de vaststelling van het bedrag van de steun per eenheid product, terwijl de toepasselijke regeling en met name artikel 16 van verordening nr. 2366/98 uitdrukkelijk bepaalt dat het saldo moet worden betaald na de uitvoering van alle daartoe voorziene controles en onder voorbehoud van de resultaten daarvan, zoals het Gerecht in punt 123 van het bestreden arrest heeft geoordeeld.

Beoordeling door het Hof

44. Het onderhavige middel betreft de vraag of het Gerecht in de punten 122 en 123 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door niet de datum waarop het voorschot is betaald, maar de datum waarop het saldo is betaald aan te merken als de datum waarop de uitgaven zijn gedaan in de zin van artikel 5, lid 2, sub c, vijfde alinea, van verordening nr. 729/70 en artikel 7, lid 4, vijfde alinea, van verordening nr. 1258/1999.

45. Er zij aan herinnerd dat het Hof in de punten 41 tot en met 43 van het arrest van 19 juni 2003, Spanje/Commissie, heeft geoordeeld dat de relevante datum voor de beoordeling van de vraag of een uitgave is gedaan binnen de termijn van 24 maanden bedoeld in artikel 5, lid 2, sub c, vijfde alinea, van verordening nr. 729/70 en artikel 7, lid 4, vijfde alinea, van verordening nr. 1258/1999, de datum is waarop het uiteindelijke bedrag van de compenserende steun wordt bepaald en het saldo door de betrokken lidstaat wordt betaald.

46. Zoals ook het geval was bij de in dat arrest aan de orde zijnde steunregeling in de sector bananen, blijkt uit artikel 12 van verordening nr. 2261/84 juncto artikel 16 van verordening nr. 2366/98 dat ook de olijfolieproducenten bij het begin van elk verkoopseizoen een voorschot ontvangen op het gevraagde steunbedrag. Anders dan is voorgeschreven voor de sector bananen, hoeven de olijfolieproducenten echter geen zekerheid te stellen voor een eventuele verplichting tot terugbetaling in het geval dat het uiteindelijke steunbedrag lager is dan het betaalde voorschot. Op grond van die bepalingen en zoals het Gerecht in punt 123 van het bestreden arrest heeft opgemerkt, betaalt de betrokken lidstaat het saldo van de steun evenwel slechts aan de producenten nadat hij alle daartoe voorziene controles heeft uitgevoerd en onder voorbehoud van de resultaten daarvan. Het uiteindelijk verschuldigde steunbedrag is dus niet bekend vóór de betaling van dat saldo.

47. Het Gerecht kan dan ook niet worden verweten dat het in de punten 122 en 123 van het bestreden arrest de overwegingen van het arrest van 19 juni 2003, Spanje/Commissie, heeft toegepast en heeft geoordeeld dat de betaling van het saldo de datum bepaalt waarop de uitgave is gedaan in de zin van artikel 5, lid 2, sub c, vijfde alinea, van verordening nr. 729/70 en artikel 7, lid 4, vijfde alinea, van verordening nr. 1258/1999. Dat is immers de datum waarop de verplichting van de betrokken lidstaat en het overeenkomstige recht van de producent definitief worden vastgesteld. In dat verband maakt het feit dat er geen zekerheid behoeft te worden gesteld om het voorschot op de aangevraagde steun te ontvangen, de betaling van dit voorschot niet meer of minder voorlopig.

48. Het tweede onderdeel van het derde middel van de hogere voorziening moet dus ongegrond worden verklaard.

49. Uit een en ander volgt dat het bestreden arrest moet worden vernietigd voor zover het, door brief AGR 16844 aan te merken als een mededeling in de zin van artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1663/95, uitgaat van de datum van kennisgeving van die brief als referentiepunt voor de berekening van de termijn van 24 maanden waarin is voorzien bij artikel 5, lid 2, sub c, vijfde alinea, van verordening nr. 729/70 en artikel 7, lid 4, vijfde alinea, van verordening nr. 1258/1999, voor de toepassing van de financiële correctie die bij de litigieuze beschikking in de sector olijfolie is opgelegd omdat de Spaanse autoriteiten onvoldoende gevolg hadden gegeven aan de voorstellen die het AAO had geformuleerd na de uitvoering van de controles in de oliefabrieken.

Beroep voor het Gerecht

50. Overeenkomstig artikel 61, eerste alinea, tweede volzin, van het Statuut van het Hof kan het Hof in geval van vernietiging van de beslissing van het Gerecht zelf de zaak afdoen wanneer deze in staat van wijzen is. Dit is in de onderhavige zaak het geval.

51. De vordering van het Koninkrijk Spanje waarmee het Gerecht wordt verzocht de litigieuze beschikking gedeeltelijke nietig te verklaren en die, wat de financiële correctie op de uitgaven van die lidstaat in de sector olijfolie betreft, gebaseerd is op schending van artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1663/95 en op niet-inachtneming van de termijn van 24 maanden waarin is voorzien bij artikel 5, lid 2, sub c, vijfde alinea, van verordening nr. 729/70 en artikel 7, lid 4, vijfde alinea, van verordening nr. 1258/999, moet gelet op de overwegingen in de punten 26 tot en met 34 van het onderhavige arrest worden toegewezen.

52. In het bijzonder blijkt uit die punten dat de in artikel 8, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 1663/95 bedoelde mededeling van meet af aan voldoende nauwkeurig melding moet maken van alle aan de betrokken lidstaat verweten onregelmatigheden waarop de toegepaste financiële correctie uiteindelijk is gebaseerd.

53. Gelet op de specifieke grieven die het Koninkrijk Spanje voor het Gerecht heeft aangevoerd, moet in casu worden nagegaan of de Commissie in haar mededeling in de zin van voormeld artikel 8, lid 1, dus in haar brief AGR 16844, voldoende melding heeft gemaakt van de resultaten van het onderzoek en bijgevolg van de tekortkomingen die uiteindelijk de grondslag vormden voor de financiële correctie die is toegepast op de uitgaven in de sector olijfolie met betrekking tot de in onderzoek HO/2002/01/ES aan de orde zijnde verkoopseizoenen 1998/1999 en 1999/2000.

54. Zoals het Gerecht in punt 64 van het bestreden arrest heeft opgemerkt, zijn partijen het erover eens dat de Commissie voormelde financiële correctie met name heeft gebaseerd op „het ontoereikende toezicht op de door het AAO uitgevoerde controles van de oliefabrieken”.

55. Wat de grief betreft dat de Spaanse autoriteiten onvoldoende gevolg hebben gegeven aan de voorstellen van het AAO, stelt het Gerecht in punt 65 van dat arrest dat deze grief, zoals de Commissie erkent, niet specifiek was vermeld in brief AGR 16844, waarin louter werd verwezen naar de omstandigheid dat de onderzoeksmissie in het algemeen haar tevredenheid had geuit over het werk van dat agentschap.

56. Hieruit volgt dat deze brief geen mededeling in de zin van artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1663/95 kan zijn, aangezien daarin onvoldoende nauwkeurig melding wordt gemaakt van de onregelmatigheid, die in casu inhield dat de Spaanse autoriteiten onvoldoende gevolg hebben gegeven aan de voorstellen die het AAO had geformuleerd na de uitvoering van de controles bij de oliefabrieken, en die uiteindelijk de grondslag vormde voor de litigieuze beschikking.

57. Bovendien moet worden opgemerkt dat de brief van de Commissie van 24 november 2004, waarbij de bilaterale bespreking van 21 december 2004 werd geconvoceerd, die onregelmatigheid voor de eerste maal uitdrukkelijk noemt. Die brief is dus de eerste mededeling van de Commissie die in casu voldoet aan de vereisten van voormelde bepaling.

58. Hieruit volgt dat, overeenkomstig artikel 5, lid 2, sub c, vijfde alinea, van verordening nr. 729/70 en artikel 7, lid 4, vijfde alinea, van verordening nr. 1258/999, de in die bepalingen vastgestelde termijn van 24 maanden moet worden berekend vanaf de datum van kennisgeving van voormelde brief.

59. Uit een en ander volgt dat de litigieuze beschikking nietig moet worden verklaard voor zover daarbij van communautaire financiering zijn uitgesloten de uitgaven die het Koninkrijk Spanje in de sector olijfolie heeft verricht buiten de termijn van 24 maanden vóór de datum van kennisgeving van de brief van de Commissie van 24 november 2004, waarbij de bilaterale bespreking van 21 december 2004 werd geconvoceerd, voor zover de correctie op die uitgaven is toegepast omdat de Spaanse autoriteiten onvoldoende gevolg hadden gegeven aan de voorstellen die het AAO na de uitvoering van de controles in de oliefabrieken had geformuleerd.

Kosten

60. Volgens artikel 122, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof beslist het Hof ten aanzien van de proceskosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is of wanneer, bij gegrondheid ervan, het Hof zelf de zaak afdoet.

61. Volgens artikel 69, lid 2, van dit Reglement, dat krachtens artikel 118 daarvan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen voor zover dit is gevorderd. Ingevolge artikel 69, lid 3, eerste alinea, van voormeld Reglement kan het Hof evenwel de proceskosten over de partijen verdelen of beslissen dat elke partij haar eigen kosten zal dragen, indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld, en voorts wegens bijzondere redenen.

62. Aangezien zowel het Koninkrijk Spanje als de Commissie op bepaalde punten gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld in het kader van de hogere voorziening en van het beroep in eerste aanleg, moet worden beslist dat zij elk hun eigen kosten zullen dragen, zowel voor de procedure in eerste aanleg als voor de onderhavige hogere voorziening.

Dictum


Het Hof (Derde kamer) verklaart:

1) Het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 12 november 2010, Spanje/Commissie (T‑113/08), wordt vernietigd voor zover het, door brief AGR 16844 van de Commissie van 11 juli 2002 aan te merken als een mededeling in de zin van artikel 8, lid 1, van verordening (EG) nr. 1663/95 van de Commissie van 7 juli 1995 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EEG) nr. 729/70 aangaande de procedure inzake de goedkeuring van de rekeningen van het EOGFL, afdeling Garantie, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2245/1999 van de Commissie van 22 oktober 1999, uitgaat van de datum van kennisgeving van die brief als referentiepunt voor de berekening van de termijn van 24 maanden waarin is voorzien bij artikel 5, lid 2, sub c, vijfde alinea, van verordening (EEG) nr. 729/70 van de Raad van 21 april 1970 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1287/95 van de Raad van 22 mei 1995, en artikel 7, lid 4, vijfde alinea, van verordening (EG) nr. 1258/1999 van de Raad van 17 mei 1999 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, voor de toepassing van de financiële correctie die in de sector olijfolie is opgelegd bij beschikking 2008/68/EG van de Commissie van 20 december 2007 houdende onttrekking aan communautaire financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten voor het Europees Oriëntatie‑ en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, hebben verricht, omdat de Spaanse autoriteiten onvoldoende gevolg hadden gegeven aan de voorstellen die het Agencia del Aceite de Oliva had geformuleerd na de uitvoering van de controles in de oliefabrieken.

2) Beschikking 2008/68 wordt nietig verklaard voor zover daarbij van communautaire financiering zijn uitgesloten de uitgaven die het Koninkrijk Spanje in de sector olijfolie heeft verricht buiten de termijn van 24 maanden vóór de datum van kennisgeving van de brief van de Commissie van 24 november 2004, waarbij de bilaterale bespreking van 21 december 2004 werd geconvoceerd, voor zover de correctie op die uitgaven is toegepast omdat de Spaanse autoriteiten onvoldoende gevolg hadden gegeven aan de voorstellen die het Agencia del Aceite de Oliva had geformuleerd na de uitvoering van de controles in de oliefabrieken.

3) Het Koninkrijk Spanje en de Europese Commissie dragen elk hun eigen kosten, zowel voor de procedure in eerste aanleg als voor de onderhavige hogere voorziening.

Naar boven

Beheerd door het Publicatiebureau