CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

Y. BOT

van 5 juli 2012 (1)

Zaak C‑402/11 P

Jager & Polacek GmbH

tegen

Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)

„Hogere voorziening – Gemeenschapsmerk – Verordening (EG) nr. 40/94 – Verordening (EG) nr. 2868/95 – Oppositieprocedure tegen inschrijving van gemeenschapsmerk – Rechtskarakter van na onderzoek van ontvankelijkheid van oppositie vastgestelde handeling – Herroepingsprocedure – Beginsel van effectieve rechterlijke bescherming – Rechtszekerheidsbeginsel”





1.        Is de handeling waarbij het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) een oppositie tegen de inschrijving van een gemeenschapsmerk ontvankelijk verklaart, een eenvoudige „maatregel tot organisatie van de [oppositie]procedure” dan wel een „besluit” in de zin van het Unierecht?

2.        Dit is, kort gezegd, de vraag waarom het draait in deze hogere voorziening die door Jager & Polacek GmbH is ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 12 mei 2011, Jager & Polacek/BHIM(2). Het antwoord op deze vraag bepaalt enerzijds welke rechtsmiddelen de belanghebbende tegen de betrokken handeling kan aanwenden, en anderzijds de voorwaarden waaronder die handeling door het BHIM kan worden herroepen.

I –    Rechtskader

A –    Procedurele behandeling van oppositie tegen inschrijving van een gemeenschapsmerk

3.        Volgens artikel 8, lid 4, van verordening (EG) nr. 40/94 inzake het gemeenschapsmerk(3) kan het BHIM de inschrijving van een gemeenschapsmerk weigeren wegens oppositie door de houder van een niet-ingeschreven ouder merk. Deze oppositie moet overeenkomstig artikel 42 van dezelfde verordening worden ingesteld, dat wil zeggen schriftelijk en met redenen omkleed binnen een termijn van drie maanden na de dag waarop de gemeenschapsmerkaanvraag is gepubliceerd. Zij wordt pas geacht te zijn ingesteld nadat de oppositietaks is betaald.

4.        De oppositieprocedure is nader uitgewerkt in de regels 15 tot en met 22 van verordening (EG) nr. 2868/95(4). Zo bevat regel 17 nadere voorschriften met betrekking tot de toetsing van de ontvankelijkheid van de oppositie, die luiden als volgt:

„1.      Indien de oppositietaks niet binnen de oppositietermijn is voldaan, wordt de oppositie geacht niet te zijn ingediend. [...]

2.      Indien het oppositiebezwaarschrift niet binnen de oppositietermijn is ingediend, niet duidelijk aangeeft tegen welke aanvrage de oppositie gericht is of op welk ouder merk [...] de oppositie overeenkomstig regel 15, lid 2, sub a en b, berust, dan wel geen oppositiegronden overeenkomstig regel 15, lid 2, sub c, bevat en indien deze gebreken voor het verstrijken van de oppositietermijn niet zijn opgeheven, verklaart het [BHIM] de oppositie niet-ontvankelijk.

3.      Indien de opposant niet de ingevolge regel 16, lid 1, vereiste vertaling overlegt, wordt de oppositie niet-ontvankelijk verklaard. [...]

4.      Indien het oppositiebezwaarschrift niet aan de andere bepalingen van regel 15 voldoet, doet het [BHIM] hiervan mededeling aan de opposant en verzoekt het hem de vastgestelde gebreken binnen twee maanden op te heffen. Indien de gebreken niet tijdig worden opgeheven, verklaart het [BHIM] de oppositie niet-ontvankelijk.

5.      Iedere vaststelling ingevolge lid 1 dat het oppositiebezwaarschrift geacht wordt niet te zijn ingediend, en iedere beslissing waarbij een oppositie krachtens de leden 2, 3 en 4 niet-ontvankelijk wordt verklaard, wordt meegedeeld aan de aanvrager.”

5.        Ingevolge regel 17 van de uitvoeringsverordening dient de oppositie dus te voldoen aan de in regel 15, lid 2, sub a tot en met c, van deze verordening geformuleerde absolute ontvankelijkheidscriteria.(5) Het oppositiebezwaarschrift moet derhalve bevatten het dossiernummer van de aanvraag waartegen de oppositie is gericht en de naam van de aanvrager van het gemeenschapsmerk, een duidelijke identificatie van het oudere merk waarop de oppositie berust, alsook een verklaring dat aan de vereisten van artikel 8, lid 4, van verordening nr. 40/94 is voldaan.

6.        De oppositie moet bovendien voldoen aan de in regel 15, lid 2, sub d tot en met h, van de uitvoeringsverordening geformuleerde relatieve ontvankelijkheidscriteria. Het oppositiebezwaarschrift dient onder meer te bevatten de datum van indiening en, indien beschikbaar, de datum van inschrijving en de datum van voorrang van het oudere merk, een afbeelding van dit merk, de waren en diensten waarop de oppositie berust en de naam en het adres van de opposant dan wel van diens vertegenwoordiger.

7.        Regel 18, lid 1, van de uitvoeringsverordening bepaalt:

„Wanneer de oppositie overeenkomstig regel 17 ontvankelijk wordt verklaard, stuurt het [BHIM] de partijen een mededeling om hen te laten weten dat de oppositieprocedure twee maanden na ontvangst van de mededeling geacht wordt een aanvang te nemen. [...]”

8.        Regel 19 van de uitvoeringsverordening preciseert vervolgens de aard van de feiten en bewijzen die de opposant wordt verzocht over te leggen dan wel aan te vullen om zijn oppositie te onderbouwen. Volgens het tweede lid van deze regel dient de opposant met name bewijs van het bestaan, de geldigheid en de beschermingsomvang van zijn oudere merk over te leggen.

9.        Regel 20 van de uitvoeringsverordening ten slotte bevat de voor de inhoudelijke beoordeling van de oppositie geldende procedureregels.

B –    Regels betreffende de herroeping van een door het BHIM genomen beslissing

10.      Artikel 77 bis van verordening nr. 40/94 bevat de voorwaarden voor de herroeping van een door het BHIM genomen beslissing. Dit artikel bepaalt:

„1.   Indien het [BHIM] [...] een beslissing heeft genomen waarbij het een kennelijke procedurefout heeft gemaakt, ziet het toe op [...] de herroeping van deze beslissing. [...]

2.     De [...] herroeping wordt, ambtshalve of op verzoek van een der partijen in de procedure, uitgevoerd door de instantie die [...] de beslissing heeft genomen. De [...] herroeping wordt uitgevoerd binnen zes maanden na de datum van [...] de aanneming van de beslissing, na raadpleging van de partijen in de procedure [...].

[...]”

11.      De herroepingsprocedure is nader uitgewerkt in regel 53 bis van de uitvoeringsverordening, waarin is bepaald dat het BHIM de betrokken partij van de voorgenomen herroeping in kennis moet stellen en dat deze partij daarover haar opmerkingen kan indienen.

II – Voorgeschiedenis van de zaak

12.      De voorgeschiedenis van het geding, de procedure voor het Gerecht en het bestreden arrest laten zich als volgt samenvatten.(6)

13.      Op 25 maart 2008 heeft rekwirante overeenkomstig artikel 42 van verordening nr. 40/94 oppositie ingesteld tegen de door RT Mediasolutions s.r.o.(7) aangevraagde inschrijving van het woordmerk „REDTUBE”.

14.      Bij brieven van 20 mei 2008 heeft de afdeling merken van het BHIM elk van de twee partijen bij de procedure een mededeling toegezonden. In die brieven heeft het verklaard dat de oppositie ontvankelijk werd geoordeeld in zoverre zij gebaseerd was op het niet-ingeschreven oudere merk Redtube. Het heeft de twee partijen meegedeeld dat zij tot 21 juli 2008 de tijd hadden om een minnelijke regeling te treffen, bij gebreke waarvan de contradictoire fase van de oppositieprocedure daags daarna zou aanvangen. Daarnaast heeft het rekwirante en RT Mediasolutions een termijn gesteld om de oppositie te onderbouwen respectievelijk erop te reageren.

15.      Op 10 september 2008 heeft RT Mediasolutions aangevoerd dat rekwirante haar oppositietaks niet binnen de daartoe bepaalde termijn had betaald. Daarom heeft zij het BHIM verzocht de mededeling van 20 mei 2008 nietig te verklaren en vast te stellen dat de oppositie werd geacht niet te zijn ingediend.

16.      Op 2 oktober 2008 heeft de afdeling merken van het BHIM rekwirante in een brief met het opschrift „Correctie” laten weten dat de mededeling van 20 mei 2008 per abuis was verstuurd en als zonder voorwerp moest worden beschouwd. Op verzoek van RT Mediasolutions heeft de oppositieafdeling van het BHIM op 22 januari 2009 een beslissing gegeven volgens welke de oppositie werd geacht niet te zijn ingesteld omdat de oppositietaks niet binnen de daartoe bepaalde termijn was betaald.

17.      Op 20 maart 2009 heeft rekwirante tegen die beslissing beroep ingesteld. Zij heeft aangevoerd dat het BHIM bij beslissing van 20 mei 2008 de oppositie ontvankelijk had verklaard en deze beslissing niet overeenkomstig de procedureregels van artikel 77 bis van verordening nr. 40/94 had herroepen. Op 29 september 2009 heeft de vierde kamer van beroep van het BHIM rekwirantes beroep verworpen met als belangrijkste argument dat de brief van 20 mei 2008 een eenvoudige procedurele maatregel was en geen beslissing.

III – Conclusies van partijen voor het Gerecht

18.      Bij op 4 december 2009 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft rekwirante beroep tot vernietiging van de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 29 september 2009 ingesteld.

19.      Zij heeft daartoe drie middelen aangevoerd, waarvan alleen het tweede het voorwerp van deze hogere voorziening vormt en dus door mij zal worden behandeld.

20.      Het tweede middel was gebaseerd op schending van artikel 77 bis, leden 1 en 2, van verordening nr. 40/94. In het kader van dit middel heeft rekwirante aangevoerd dat de mededeling van het BHIM van 20 mei 2008 een beslissing was. Aangezien namelijk volgens regel 17, lid 5, van de uitvoeringsverordening bij beslissing wordt vastgesteld dat de oppositie wordt geacht niet te zijn ingesteld dan wel niet-ontvankelijk is, zou op grond van het beginsel van de actus contrarius of van het parallellisme van vormen ook de handeling waarbij het BHIM de oppositie ontvankelijk verklaart, als „beslissing” moeten worden gekwalificeerd.

21.      Dit betekende volgens rekwirante dat die beslissing slechts kon worden herroepen met inachtneming van de procedure van artikel 77 bis van verordening nr. 40/94, gelezen in samenhang met regel 53 bis van de uitvoeringsverordening.

22.      Het Gerecht heeft zich op het standpunt gesteld dat de brief van 20 mei 2008 geen beslissing was, maar een eenvoudige maatregel tot organisatie van de oppositieprocedure. Daartoe heeft het om te beginnen geoordeeld dat die brief slechts een tot rekwirante gerichte mededeling was betreffende de datum waarop de contradictoire fase van de oppositieprocedure zou aanvangen, alsmede een uitnodiging om de oppositie met feiten, bewijzen en opmerkingen te onderbouwen. Verder heeft het verklaard dat die brief voor rekwirante geen enkel rechtsgevolg teweegbracht. Tot slot heeft het geoordeeld dat de brief niet het karakter had van een definitieve standpuntbepaling van het BHIM ten aanzien van de ontvankelijkheid van de oppositie.

23.      Vervolgens heeft het Gerecht rekwirantes argumenten betreffende het beginsel van de actus contrarius en van het parallellisme van vormen van de hand gewezen. Het heeft bovendien geoordeeld dat waar de brief van 20 mei 2008 geen beslissing was, rekwirante zich niet kon beroepen op het gewettigd vertrouwen dat die brief bij haar zou hebben doen ontstaan.

24.      Tot slot heeft het Gerecht vastgesteld dat de zaak geen betrekking had op een internationale inschrijving waarin de Europese Unie wordt aangewezen en dat het zich niet behoefde uit te spreken over het rechtskarakter van de kennisgeving die het BHIM aan de Wereldorganisatie voor de Intellectuele Eigendom (WIPO) had gezonden ter zake van de ontvankelijk verklaarde opposities.

25.      Na zijn onderzoek van de overige twee middelen heeft het Gerecht bij het bestreden arrest het door rekwirante ingestelde beroep verworpen.

IV – Conclusies van partijen voor het Hof

26.      Rekwirante verzoekt het Hof het bestreden arrest te vernietigen en het BHIM in de kosten te verwijzen.

27.      Het BHIM concludeert tot afwijzing van de hogere voorziening en tot verwijzing van rekwirante in de kosten.

V –    De hogere voorziening

28.      Met haar enige middel verwijt rekwirante het Gerecht schending van artikel 77 bis, leden 1 en 2, van verordening nr. 40/94, dat voorziet in een bijzondere procedure voor de herroeping van een onrechtmatige beslissing.

29.      Dit middel bestaat uit drie onderdelen. Rekwirante is in de eerste plaats van mening dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de brief van 20 mei 2008 als een eenvoudige procedurele maatregel te bestempelen, en dat het daarmee de beginselen van effectieve rechterlijke bescherming en van rechtszekerheid heeft geschonden. Zij stelt in de tweede plaats dat het Gerecht het begrip mededeling niet correct heeft geïnterpreteerd, aangezien een mededeling als zodanig een beslissing kan bevatten. In de derde plaats vertoont het bestreden arrest volgens rekwirante een motiveringsgebrek.

A –    Eerste onderdeel: onjuiste kwalificatie van de litigieuze handeling en schending van de beginselen van effectieve rechterlijke bescherming en van rechtszekerheid

30.      Het eerste onderdeel omvat twee grieven. Rekwirante stelt ten eerste dat de brief van 20 mei 2008, waarbij het BHIM haar oppositie ontvankelijk heeft verklaard, een beslissing bevat en dus overeenkomstig de procedure van artikel 77 bis van verordening nr. 40/94 had moeten worden herroepen. Ten tweede verwijt zij het Gerecht haar recht op een effectieve rechterlijke bescherming en het rechtszekerheidsbeginsel te hebben geschonden.

31.      Het BHIM betwist deze argumenten.

1.      Eerste grief: onjuiste rechtsopvatting aangaande het rechtskarakter van de litigieuze handeling

32.      Het lijkt mij duidelijk dat de betrokken procedure, gezien het verloop ervan en de beoordelingsfouten die zijn gemaakt, niet bevredigend is. Ik zie ook in dat het feit dat de litigieuze handeling niet is geformaliseerd in een „beslissing”, rekwirante bij voorbaat berooft van de procedurele waarborgen zoals die zijn geformuleerd in artikel 57 van verordening nr. 40/94, dat voorziet in de mogelijkheid van een beroep tot nietigverklaring, en in artikel 77 bis van deze verordening, dat regels voor de herroeping van handelingen met beslissingskarakter bevat.

33.      Toch deel ik de mening van het Gerecht dat de litigieuze handeling geen beslissing is, met name omdat zij voor rekwirante geen bindende rechtsgevolgen in het leven roept.

34.      Daartoe moet om te beginnen worden herinnerd aan de rechtspraak van het Hof betreffende de aard van handelingen waartegen kan worden opgekomen. Vervolgens moeten de inhoud en het procedurele kader van de litigieuze handeling worden onderzocht.

a)      Rechtspraak van het Hof betreffende de aard van handelingen die vatbaar zijn voor beroep tot nietigverklaring

35.      Volgens de door het Gerecht in punt 90 van het bestreden arrest in herinnering geroepen rechtspraak moet een handeling bindende rechtsgevolgen kunnen hebben om als zodanig vatbaar te zijn voor een beroep tot nietigverklaring in de zin van artikel 263 VWEU. Met andere woorden, volgens het Hof moeten de belangen van de verzoeker zijn aangetast en moet zijn rechtspositie aanmerkelijk zijn gewijzigd.(8)

36.      Ook staat vast dat, om te bepalen of een handeling dergelijke gevolgen teweegbrengt, moet worden gekeken naar haar inhoud en niet naar de vorm waarin zij is gegoten.(9) Zo is het irrelevant dat de handeling niet als een besluit is aangemerkt door degene die haar heeft opgesteld.

37.      Op grond van die rechtspraak kan ook beroep tot nietigverklaring worden ingesteld tegen handelingen die formeel niet aan de kwalificatie „besluit” beantwoorden, maar die in wezen bindende rechtsgevolgen hebben. Tevens kan erdoor worden vermeden dat de instellingen zich aan het toezicht van de rechter van de Unie onttrekken door de enkele niet-inachtneming van formele vereisten zoals de titel van de handeling, de motivering ervan of de vermelding van de bepalingen die de rechtsgrondslag ervan vormen.

38.      De aanwezigheid van bindende rechtsgevolgen is van bijzonder belang wanneer het erom gaat de vatbaarheid voor beroep te bepalen van een handeling die tot stand is gekomen in een administratieve procedure die meerdere fasen omvat, zoals die betreffende het onderzoek van een bij het BHIM ingestelde oppositie. In het kader daarvan stelt het BHIM tal van handelingen vast, waarbij het niet alleen beslist over de organisatie van de procedure, maar ook definitief oordeelt over de gegrondheid van de oppositie. Niet al die handelingen hebben rechtsgevolgen voor de partijen bij de procedure.

39.      Het Hof deelt die handelingen dan ook in verschillende categorieën in.

40.      Bij de eerste categorie gaat het om handelingen waarmee de betrokken instelling definitief haar standpunt bepaalt aan het einde van de procedure. Deze handelingen zijn voor beroep vatbaar aangezien zij bindende rechtsgevolgen hebben en er geen handeling op volgt die tot een beroep tot nietigverklaring kan leiden. Dit is het geval met de beslissing waarbij het BHIM de door een onderneming ingestelde oppositie gegrond verklaart en om die reden de inschrijving van een gemeenschapsmerk weigert.

41.      Bij de tweede categorie gaat het om tussenhandelingen ter voorbereiding van de eindbeslissing.

42.      Dit zijn aan de ene kant maatregelen die weliswaar zijn vastgesteld in het kader van de voorbereidende procedure, maar het einde vormen van een fase die moet worden onderscheiden van de hoofdprocedure en rechtsgevolgen sorteren.(10)

43.      Veel voorbeelden zijn te vinden in het kader van procedures voor de toepassing van de artikelen 101 VWEU en 102 VWEU. Die procedures zijn georganiseerd in meerdere opeenvolgende fasen, zoals het voorafgaand onderzoek, de instructie op tegenspraak en vervolgens de hoorzittingen. Zo heeft het Hof in de arresten Hoechst/Commissie(11) en Orkem/Commissie(12) erkend dat beschikkingen waarbij de Europese Commissie ondernemingen om informatie verzoekt of onderzoeken ter plaatse verricht, voor beroep vatbare handelingen vormen.

44.      Evenzo heeft het Hof verklaard dat de beschikking waarmee de Commissie aan het einde van haar vooronderzoek de formele onderzoeksprocedure inleidt, een aanvechtbare handeling vormt.(13) Volgens het Hof heeft een dergelijke beschikking rechtsgevolgen jegens de betrokken lidstaat en ondernemingen, daar de Commissie opschorting van de maatregel kan gelasten. Volgens het Hof zijn dat zelfstandige gevolgen ten opzichte van de eindbeschikking, die niet kunnen worden geregulariseerd in een beroep tegen de eindbeschikking, zodat de verzoekers van een genoegzame rechterlijke bescherming worden beroofd.(14)

45.      Aan de andere kant zijn er de „zuivere”(15) of „eenvoudige”(16) voorbereidende maatregelen. Die maatregelen zijn slechts één van de etappes waarmee de instelling haar eindbeslissing kan vaststellen. Zij hebben geen rechtsgevolgen en volgens de rechtspraak zijn dit geen voor beroep vatbare handelingen. Derhalve is het Hof van oordeel dat eventuele aan die maatregelen klevende onregelmatigheden kunnen worden aangevoerd in een beroep tegen de eindbeschikking ter voorbereiding waarvan zij zijn genomen.(17) In het mededingingsrecht is dat het geval met de handeling waarbij de Commissie haar punten van bezwaar aan de ondernemingen meedeelt.

46.      Dit rechtspraakoverzicht maakt duidelijk door welke vereisten het Hof zich op dit gebied laat leiden.

47.      Zoals zojuist is gebleken, wil het Hof een daadwerkelijke rechterlijke bescherming waarborgen van de rechten die de justitiabelen aan het recht van de Unie ontlenen. In het arrest Athinaïki Techniki/Commissie(18) heeft het Hof in herinnering gebracht dat aangezien de Unie een rechtsgemeenschap is, de procesregels voor beroepen zo veel mogelijk aldus moeten worden uitgelegd, dat zij kunnen worden toegepast op een wijze die bijdraagt tot de verwezenlijking van voormeld doel.(19) Daarom moet volgens het Hof tegen voorbereidende handelingen die rechtsgevolgen kunnen hebben en waarmee een einde komt aan een procedure die accessoir is ten opzichte van de hoofdprocedure, beroep tot nietigverklaring kunnen worden ingesteld.

48.      Het Hof wil echter ook een veelvoud van beroepen tegen voorbereidende handelingen, dat tot verlamming van het optreden van de instellingen zou leiden, vermijden.

49.      In de context van deze rechtspraak moet de litigieuze handeling worden gekwalificeerd. Vormt deze, zoals het Gerecht in het bestreden arrest verklaart, een eenvoudige maatregel tot organisatie van de oppositieprocedure, die om die reden niet vatbaar is voor beroep, of is zij, zoals rekwirante betoogt, een beslissing?

50.      Om deze vraag te beantwoorden, moeten de inhoud en het procedurele kader van de brief van 20 mei 2008 worden onderzocht.

b)      De inhoud en het procedurele kader van de litigieuze handeling

51.      Zoals uit de in punt 9 van het bestreden arrest uiteengezette feiten en uit de vaststellingen van het Gerecht in de punten 91, 92 en 95 van dit arrest blijkt, werd in de brief van 20 mei 2008 om te beginnen aan rekwirante meegedeeld dat haar oppositie „ontvankelijk [was] geoordeeld in zoverre zij gebaseerd [was] op het niet-ingeschreven oudere merk Redtube” en dat, indien de oppositie gebaseerd was op andere oudere rechten, de ontvankelijkheid nog niet was beoordeeld. Daarnaast werd met die brief aan rekwirante en aan RT Mediasolutions meegedeeld hoeveel tijd zij hadden om een minnelijke regeling te treffen, en wanneer de contradictoire fase van de procedure zou aanvangen. Tot slot werd in die brief de termijn bepaald waarbinnen rekwirante haar oppositie moest onderbouwen, alsook de termijn waarbinnen RT Mediasolutions daarop moest reageren.

52.      Het is duidelijk dat het tweede gedeelte van de brief het karakter heeft van een eenvoudige mededeling zonder beslissingskarakter. Het BHIM stelt de partijen daarmee immers overeenkomstig regel 18, lid 1, van de uitvoeringsverordening in kennis van de voor het verloop van de oppositieprocedure van belang zijnde termijnen.

53.      Toch kan de brief van 20 mei 2008 niet worden opgevat als een loutere kennisgeving aan de partijen van de aanvang van de oppositieprocedure en van de voor die procedure geldende termijnen. Er moet namelijk rekening worden gehouden met het eerste gedeelte van die brief, waarin het BHIM aan rekwirante meedeelt dat haar oppositie „ontvankelijk is geoordeeld” in zoverre zij gebaseerd is op het niet-ingeschreven oudere merk Redtube.

54.      Volgens rekwirante vormt deze mededeling op zich een beslissing, aangezien het BHIM daarmee in wezen een definitief oordeel velt over de ontvankelijkheid van de oppositie, dat bindende rechtsgevolgen kan teweegbrengen. Het gebruik van het werkwoord „oordelen” wijst er inderdaad op dat het BHIM daadwerkelijk over de ontvankelijkheid van de oppositie heeft beslist.

55.      Toch is dit naar mijn mening onvoldoende om aan de litigieuze handeling beslissingskarakter toe te kennen.

56.      De oppositieprocedure bestaat uit twee fasen die van elkaar moeten worden onderscheiden: enerzijds de in regel 17 van de uitvoeringsverordening bedoelde fase waarin de ontvankelijkheid van de oppositie wordt beoordeeld, en anderzijds de eigenlijke onderzoeksfase bedoeld in artikel 43 van verordening nr. 40/94, die wordt beheerst door de regels 18 tot en met 20 van de uitvoeringsverordening.

57.      De fase waarin de ontvankelijkheid van de oppositie wordt getoetst, heeft een voorbereidend karakter. Deze fase moet het BHIM in staat stellen de ontvankelijkheid van de oppositie te beoordelen in het licht van de in de regels 15 en 16 van de uitvoeringsverordening uitdrukkelijk geformuleerde voorwaarden. Het BHIM dient zich bijgevolg ervan te vergewissen of is voldaan aan de in de regels 15, lid 2, sub a tot en met c, en 16, lid 1, van deze verordening geformuleerde absolute voorwaarden, dat wil zeggen of het oppositiebezwaarschrift duidelijk vermeldt tegen welke gemeenschapsmerkaanvraag de oppositie is gericht en op welk ouder merk en op welke gronden zij berust, en of het oppositiebezwaarschrift is vertaald. Het moet daarnaast nagaan of is voldaan aan de in regel 15, lid 2, sub d tot en met h, van de uitvoeringsverordening geformuleerde relatieve voorwaarden, dat wil zeggen of het oppositiebezwaarschrift een afbeelding van het oudere merk bevat, aangeeft op welke waren en diensten de oppositie berust en de naam van de opposant of dienst vertegenwoordiger vermeldt.

58.      Als aan deze voorwaarden niet is voldaan, dient het BHIM de oppositie niet-ontvankelijk te verklaren in de vorm van een beslissing, die dus een einde maakt aan de oppositieprocedure. Het is enkel in dit geval dat de Uniewetgever het BHIM verplicht een beslissing te geven waartegen overeenkomstig artikel 57 van verordening nr. 40/94 beroep kan worden ingesteld.

59.      Indien daarentegen aan alle voorwaarden is voldaan, verklaart het BHIM de oppositie ontvankelijk met een handeling die de Uniewetgever inderdaad niet nader heeft omschreven.

60.      In dat geval leidt die handeling overeenkomstig regel 18, lid 1, eerste volzin, van de uitvoeringsverordening het eigenlijke onderzoek van de oppositie in.(20) In die fase moet het BHIM een volledig beeld kunnen krijgen van alle ter onderbouwing van de oppositie aangedragen informatie en zich kunnen uitspreken over de met die oppositie verband houdende materiële vragen. Het is derhalve pas in die fase van de procedure dat de opposant overeenkomstig regel 19 van de uitvoeringsverordening feiten, bewijzen en argumenten voor zijn oppositie dient aan te dragen, op basis waarvan het BHIM dan de gegrondheid van de oppositie onderzoekt door te beoordelen of inschrijving van het aangevraagde merk de door de opposant verworven rechten dreigt aan te tasten. Pas na dit onderzoek zal het BHIM met een definitieve beslissing komen, waarbij het ofwel de oppositie volledig of ten dele afwijst, ofwel haar gegrond verklaart en dus de gemeenschapsmerkaanvraag volledig of ten dele afwijst. Overeenkomstig artikel 57 van verordening nr. 40/94 zal tegen deze beslissing beroep tot nietigverklaring kunnen worden ingesteld.

61.      Vastgesteld moet worden dat de handeling waarbij het BHIM de oppositie ontvankelijk verklaart, dus niet een handeling is waarbij de eindbeslissing van het BHIM in het kader van de oppositieprocedure wordt vastgesteld, maar een voorbereidende procedurele handeling die, in zoverre daarmee het onderzoek ten gronde van de oppositie wordt ingeleid, het beginpunt vormt van het uit meerdere etappes bestaande proces van totstandkoming van de eindbeslissing.

62.      Bovendien brengt die handeling in mijn ogen geen enkel bindend rechtsgevolg teweeg. Zij markeert het begin van de verzoeningsfase en, indien er tussen de partijen geen minnelijke regeling tot stand komt, vormt zij het startpunt voor de behandeling van de met de oppositie verband houdende vragen ten gronde. De inleiding van de eigenlijke oppositieprocedure brengt voor de opposant slechts één verplichting mee – als hij tenminste zijn doel wil bereiken −, namelijk die om zijn oppositie met alle bewijzen, feiten en opmerkingen te onderbouwen.

63.      Mijns inziens kan dan ook niet worden gezegd dat de litigieuze handeling rekwirantes belangen aantast dan wel haar rechtspositie wijzigt. Die rechtspositie is niet vergelijkbaar met die van de lidstaat die wegens de inleiding door de Commissie van de formele onderzoeksprocedure ten aanzien van een steunmaatregel die reeds ten uitvoer wordt gebracht, verplicht is de toepassing van die maatregel op te schorten, noch met die van de particulier die, doordat zijn schuldsaneringsaanvraag ontvankelijk is verklaard, de executiemaatregelen tegen zijn goederen automatisch ziet opgeschort. In casu zijn de gevolgen van de litigieuze handeling eenvoudig de normale gevolgen van iedere procedurele handeling en hebben zij geen invloed op de rechtspositie van rekwirante, afgezien dan van haar processuele situatie(21), en, ruimer, op die van de partijen bij de procedure.

64.      In dit verband moet worden opgemerkt dat rekwirante geen enkel belang heeft bij een beroep tegen de handeling waarbij het BHIM haar oppositie ontvankelijk heeft verklaard.

65.      Gelet op een en ander ben ik van mening dat de handeling waarbij het BHIM de door rekwirante ingestelde oppositie ontvankelijk heeft verklaard, een voorbereidende maatregel is die voor rekwirante geen bindende rechtsgevolgen teweegbrengt.

66.      Naar mijn mening heeft het Gerecht dan ook geen onjuiste rechtsopvatting vertolkt door in punt 102 van het bestreden arrest te oordelen dat de brief van 20 mei 2008 geen beslissing is.(22) Ik geef het Hof daarom in overweging deze eerste grief ongegrond te verklaren.

2.      Tweede grief: schending van de beginselen van effectieve rechterlijke bescherming en van rechtszekerheid

67.      Met haar tweede grief verwijt rekwirante het Gerecht dat het haar recht op een effectieve rechterlijke bescherming heeft geschonden door zich op het standpunt te stellen dat de litigieuze handeling geen beslissingskarakter heeft. Zij stelt bovendien dat het Gerecht het rechtszekerheidsbeginsel heeft geschonden in zoverre zij ervan mocht uitgaan dat het BHIM definitief over de ontvankelijkheid van haar oppositie besliste en de oppositieprocedure zou openen, alsook dat het de in artikel 77 bis van verordening nr. 40/94 geformuleerde vereisten zou eerbiedigen.

a)      Schending van het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming

68.      Het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming is een algemeen beginsel van het recht van de Unie, dat – zoals bekend – ook is neergelegd in de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden(23) en in artikel 47, eerste alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.(24) Dit beginsel verlangt dat eenieder wiens rechten zijn geschonden, over de mogelijkheid beschikt een effectief rechtsmiddel in te stellen bij een rechterlijke instantie.

69.      Ik meen niet dat het Gerecht het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming in casu heeft miskend door zich op het standpunt te stellen dat de litigieuze handeling geen beslissing is. Om te beginnen verleent die handeling rekwirante immers geen enkel recht en heeft zij dus geen gevolgen voor haar rechtspositie. Zoals gezegd, heeft rekwirante ook geen enkel belang bij een beroep tot nietigverklaring van die handeling, waarmee immers de door haarzelf ingestelde oppositie ontvankelijk is verklaard. Bovendien staat vast dat rekwirante niet de mogelijkheid is ontnomen haar rechten te doen gelden en eventuele aan de betrokken procedure klevende onregelmatigheden aan de kaak te stellen, aangezien zij de nietigverklaring heeft kunnen vorderen van de beslissing van het BHIM van 22 januari 2009 volgens welke de oppositie werd geacht niet te zijn ingesteld.

70.      Deze grief moet naar mijn mening dan ook van de hand worden gewezen.

b)      Schending van het rechtszekerheidsbeginsel

71.      Uit de inhoud van de brief van 2 oktober 2008 met het opschrift „Correctie” blijkt dat het BHIM de litigieuze handeling heeft ingetrokken met als verklaring dat deze per abuis was verstuurd en als zonder voorwerp moest worden beschouwd. Het is evident − zoals het BHIM overigens ter zitting heeft erkend – dat die handeling in werkelijkheid op een beoordelingsfout berustte, die het onderzoek van de ontvankelijkheid van de betrokken oppositie heeft aangetast en ten onrechte ertoe heeft geleid dat de oppositieprocedure een aanvang heeft genomen. Zowel de wijze waarop de handeling is ingetrokken als de termijn waarbinnen het BHIM heeft gereageerd, is in mijn ogen zeer dubieus en doet uiteraard vragen betreffende de eerbiediging van het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel rijzen.

72.      Vaststaat dat het BHIM het recht heeft om een handeling die haar onjuist lijkt, in te trekken.(25) Die bevoegdheid vindt haar grondslag in het legaliteitsbeginsel, dat gebiedt een onrechtmatigheid niet te laten voortbestaan, door de administratie in staat te stellen om via het ongedaan maken van de gebrekkige handeling de op ongeoorloofde wijze verstoorde rechtsorde te herstellen. Zij maakt het ook mogelijk om juridische procedures te voorkomen en draagt uiteraard bij aan het verzekeren van een behoorlijk bestuur.

73.      Het is vaste rechtspraak dat de intrekking van een gebrekkige handeling aan zeer strenge voorwaarden is onderworpen, aangezien het legaliteitsbeginsel in overeenstemming moet worden gebracht met het rechtszekerheidsbeginsel en in dit kader het gewettigd vertrouwen moet worden gerespecteerd van degene die aan die handeling rechten ontleent en op de wettigheid ervan mocht vertrouwen.(26) Het rechtszekerheidsbeginsel, dat een algemeen beginsel van het Unierecht is(27), beoogt immers te waarborgen dat door dit recht beheerste rechtssituaties en ‑betrekkingen voorzienbaar zijn(28) en verlangt van de instellingen van de Unie dat zij de onaantastbaarheid van de door hen vastgestelde handelingen respecteren. In geval van intrekking van een gebrekkige handeling verlangt het Hof dan ook dat de betrokken instelling de daarvoor geldende bevoegdheids‑ en vormvoorschriften in acht neemt, binnen een redelijke termijn tot die intrekking overgaat en rekening houdt met de mate waarin de betrokkene in voorkomend geval op de wettigheid van de handeling mocht vertrouwen.

74.      Zo heeft in het kader van verordening nr. 40/94 de Uniewetgever in artikel 77 bis voorzien in een bijzondere procedure die het BHIM de mogelijkheid biedt een beslissing waarbij het een kennelijke procedurefout heeft gemaakt, te herroepen. Volgens het tweede lid van dit artikel dient het BHIM een dergelijke beslissing binnen zes maanden na de datum van de aanneming ervan te herroepen, na de partijen bij de procedure te hebben geraadpleegd. Deze procedure bindt de herroeping van een onwettige handeling aan een termijn, wat rechtszekerheid biedt, en geeft elk der partijen bij de procedure het recht te worden gehoord.

75.      De waarborgen die de belanghebbende in dit verband geniet, worden hem echter slechts toegekend voor zover de betrokken handeling rechten schept en wijziging brengt in zijn feitelijke en rechtssituatie.

76.      Wij hebben echter vastgesteld dat de litigieuze handeling, die het karakter heeft van een procedurele handeling ter voorbereiding van de eindbeslissing, geen rechtsgevolgen kan teweegbrengen voor rekwirante en als zodanig geen beslissing is. Naar mijn mening kan rekwirante dan ook niet stellen dat door de intrekking van die handeling het rechtszekerheidsbeginsel is geschonden.

77.      Gelet op een en ander ben ik van mening dat rekwirantes tweede grief eveneens moet worden afgewezen.

78.      Ik zou het Hof dan ook willen verzoeken het eerste onderdeel van rekwirantes enige middel ongegrond te verklaren.

B –    Tweede onderdeel: onjuiste uitlegging van het begrip mededeling

79.      Met het tweede onderdeel van haar enige middel maakt rekwirante het Gerecht het verwijt dat het zijn redenering in punt 114 van het bestreden arrest erop heeft gebaseerd dat regel 17, lid 5, van de uitvoeringsverordening spreekt van een „vaststelling” ingeval het oppositiebezwaarschrift wordt geacht niet te zijn ingediend, terwijl in regel 18, lid 1, van deze verordening de term „mededeling” wordt gebruikt. Volgens rekwirante blijkt namelijk uit regel 62, lid 1, van dezelfde verordening dat een beslissing ook in een mededeling kan zijn vervat.(29)

80.      Het BHIM betwist dit argument.

81.      Ik ben met het BHIM van mening dat dit argument niet kan worden aanvaard.

82.      Om te beginnen kan rekwirante het Gerecht niet verwijten dat het zijn beoordeling van het rechtskarakter van de litigieuze handeling heeft gebaseerd op de in de toepasselijke wetgeving gebruikte bewoordingen.

83.      Bovendien houdt rekwirante geen rekening met de aan punt 114 van het bestreden arrest voorafgaande overwegingen, met name die in de punten 88 tot en met 102 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht de redenen heeft uiteengezet waarom de litigieuze handeling niet als een beslissing kon worden beschouwd. Daarbij heeft het zeker niet miskend dat een mededeling als de in geding zijnde als zodanig een beslissing kan bevatten. In punt 94 van het bestreden arrest heeft het Gerecht namelijk in herinnering geroepen dat „niet kan worden volstaan met een onderzoek van de vorm van de brief van 20 mei 2008” en dat, om te bepalen of die brief een beslissing is, conform de rechtspraak van het Hof de inhoud van de handeling in aanmerking moet worden genomen, en niet de vorm waarin zij is gegoten.

84.      Gelet op het bovenstaande geef ik het Hof derhalve in overweging dit tweede onderdeel ongegrond te verklaren.

C –    Derde onderdeel: schending van de motiveringsplicht

85.      Met het derde onderdeel van haar enige middel stelt rekwirante in wezen dat het Gerecht zijn motiveringsplicht heeft geschonden door onvoldoende in te gaan op haar argument inzake de concrete rechtsgevolgen van de internationale inschrijving van een merk waarin de Europese Unie wordt aangewezen. Rekwirante heeft namelijk in eerste instantie betoogd dat het BHIM bij dergelijke inschrijvingen de WIPO in kennis moet stellen van het feit dat een oppositie ontvankelijk is verklaard. Die kennisgeving zou concrete rechtsgevolgen teweegbrengen in zoverre in het internationale merkenregister melding wordt gemaakt van de voorlopige weigering van bescherming. In punt 132 van het bestreden arrest zou het Gerecht in antwoord op dit betoog enkel hebben verklaard:

„[...] volstaat de vaststelling dat de onderhavige zaak geen betrekking heeft op een internationale inschrijving waarin de Unie wordt aangewezen, maar op een gemeenschapsmerkaanvraag. Er behoeft dus geen uitspraak te worden gedaan over het rechtskarakter van een dergelijke kennisgeving van het BHIM aan de WIPO in het kader van aanvragen om internationale inschrijvingen waarin de Unie wordt aangewezen.”

86.       Rekwirante verwijt het Gerecht eraan te zijn voorbijgegaan dat de handeling waarbij het BHIM aan de WIPO meedeelt dat een oppositie ontvankelijk is verklaard, een beslissing is. Dit betekende volgens rekwirante namelijk dat ingevolge de beginselen van effectieve rechterlijke bescherming en rechtszekerheid ook de litigieuze handeling, in zoverre zij een in dezelfde context gedane mededeling aan de aanvrager van het merk is, als „beslissing” had moeten worden gekwalificeerd.

87.      Het BHIM betwist dit argument en voert daartoe met name aan dat de procedure voor de inschrijving van een gemeenschapsmerk en die voor de internationale registratie van een merk niet vergelijkbaar zijn.

88.      Voor de beoordeling van de gegrondheid van dit argument moet worden herinnerd aan de omvang van de op het Gerecht rustende motiveringsplicht.

89.      De verplichting tot motivering van arresten vloeit voort uit artikel 36 van het Statuut van het Hof, dat geldt voor het Gerecht krachtens artikel 53, eerste alinea, van dit Statuut, en uit artikel 81 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.

90.      Volgens vaste rechtspraak moet de motivering van het arrest de redenering van het Gerecht duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking brengen, zodat de belanghebbenden kennis kunnen nemen van de gronden voor de genomen beslissing en het Hof zijn rechterlijke controle kan uitoefenen.(30) Waar het een op artikel 263 VWEU gebaseerd beroep betreft, impliceert het motiveringsvereiste dat het Gerecht de door de verzoeker aangevoerde middelen tot nietigverklaring onderzoekt en de redenen uiteenzet die leiden tot afwijzing van het middel of tot nietigverklaring van de litigieuze handeling.

91.      Het Hof heeft echter in het arrest Connolly/Commissie(31) grenzen gesteld aan deze verplichting om te antwoorden op de aangevoerde middelen. Volgens het Hof moet de motivering van een arrest worden beoordeeld in het licht van de omstandigheden van het geval(32) en kan niet worden geëist dat het Gerecht „op elk argument van [de verzoeker] in detail [antwoordt], met name wanneer het argument niet voldoende duidelijk en nauwkeurig is en niet wordt gestaafd door een omstandig bewijs”(33).

92.      Gelet op deze factoren meen ik dat het Gerecht rechtens genoegzaam heeft geantwoord op het door rekwirante aangevoerde argument. Het heeft uitgelegd waarom het van oordeel was dat het zich niet behoefde uit te spreken over het rechtskarakter van de handeling waarbij het BHIM in het kader van een aanvraag tot de internationale inschrijving van een merk waarin de Unie wordt aangewezen, aan de WIPO meedeelt dat een oppositie ontvankelijk is verklaard. Deze uitleg is weliswaar summier, maar desondanks toereikend, aangezien het rechtskarakter van de litigieuze handeling uiteraard niet kan worden gebaseerd op dat van een handeling die is vastgesteld in het kader van een andere procedure en voor die procedure specifieke gevolgen teweegbrengt. Dat rechtskarakter moet integendeel worden beoordeeld aan de hand van de inhoud van de litigieuze handeling en de rechtsgevolgen die deze handeling in het leven roept.

93.      Bovendien heeft deze uitleg rekwirante in staat gesteld de beoordeling van het Gerecht te bekritiseren, en maakt het ook voor het Hof mogelijk zijn rechterlijke controle uit te oefenen.

94.      In deze omstandigheden ben ik van mening dat de door het Gerecht in punt 132 van het bestreden arrest gegeven motivering niet ontoereikend is.

95.      Ik geef het Hof derhalve in overweging het derde onderdeel van het enige middel ongegrond te verklaren.

96.      Gelet op het voorgaande stel ik het Hof voor om het enige door rekwirante aangevoerde middel, ontleend aan schending van artikel 77 bis, leden 1 en 2, van verordening nr. 40/94, ongegrond te verklaren en bijgevolg de hogere voorziening af te wijzen.

VI – Conclusie

97.      Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging als volgt te beslissen:

„1)      De hogere voorziening wordt afgewezen.

2)     Jager & Polacek GmbH wordt in de kosten verwezen.”


1 – Oorspronkelijke taal: Frans.


2 − T‑488/09, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie (hierna: „bestreden arrest”).


3 − Verordening van de Raad van 20 december 1993 (PB 1994, L 11, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1891/2006 van de Raad van 18 december 2006 (PB L 386, blz. 14; hierna: „verordening nr. 40/94”). Verordening nr. 40/94 is ingetrokken en vervangen door verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het gemeenschapsmerk (PB L 78, blz. 1), die op 13 april 2009 in werking is getreden. Toch blijft verordening nr. 40/94 van toepassing op het onderhavige geding, gelet op de datum van de feiten.


4 − Verordening van de Commissie van 13 december 1995 tot uitvoering van verordening nr. 40/94 (PB L 303, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1041/2005 van de Commissie van 29 juni 2005 (PB L 172, blz. 4; hierna: „uitvoeringsverordening”).


5 − Zie de op de website van het BHIM beschikbare richtsnoeren betreffende de oppositieprocedure, deel 1: procedurekwesties, met name A.V, punten 1 en 2.


6 − Voor een volledige uiteenzetting van de voorgeschiedenis van het geding verwijs ik naar de punten 1 tot en met 20 van het bestreden arrest.


7 − Hierna: „RT Mediasolutions”.


8 − Arresten van 27 maart 1980, Sucrimex en Westzucker/Commissie (133/79, Jurispr. blz. 1299, punt 15), en 11 november 1981, IBM/Commissie (60/81, Jurispr. blz. 2639, punt 9). Zie ook arrest van 18 november 2010, NDSHT/Commissie (C‑322/09 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


9 − Arrest van 22 juni 2000, Nederland/Commissie (C‑147/96, Jurispr. blz. I‑4723, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


10 − Arrest IBM/Commissie, reeds aangehaald (punt 11).


11 − Arrest van 21 september 1989 (46/87 en 227/88, Jurispr. blz. 2859).


12 − Arrest van 18 oktober 1989 (374/87, Jurispr. blz. 3283).


13 − Arrest van 9 oktober 2001, Italië/Commissie (C‑400/99, Jurispr. blz. I‑7303).


14 − Ibidem (punten 59, 60, 62 en 63).


15 − Arrest IBM/Commissie, reeds aangehaald (punt 12).


16 − Arrest Italië/Commissie, reeds aangehaald (punt 63).


17 − Arrest IBM/Commissie, reeds aangehaald (punt 12).


18 − Arrest van 17 juli 2008 (C‑521/06 P, Jurispr. blz. I‑5829).


19 − Punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak.


20 − Ook dient te worden opgemerkt dat het BHIM volgens artikel 43, lid 4, van verordening nr. 40/94 in die fase de partijen kan voorstellen om tot een minnelijke schikking te komen. Het bepaalt daartoe een termijn, na het verstrijken waarvan eventueel de fase van het eigenlijke onderzoek aanvangt. Indien het BHIM onderlinge beslechting van het geschil niet zinvol acht of indien partijen er niet in zijn geslaagd een minnelijke regeling tot stand te brengen, start de fase waarin de gegrondheid van de oppositie wordt onderzocht.


21 − Zie in dit verband de overwegingen van het Gerecht in de punten 128 en 129 van het bestreden arrest.


22 − Ik heb echter wel bedenkingen bij de kwalificatie van de litigieuze handeling als eenvoudige „maatregel tot organisatie van de procedure”. Dit punt is echter geen voorwerp van geschil, zodat de eventuele onjuistheid van die kwalificatie geen enkele consequentie kan hebben voor de uitkomst van de zaak.


23 − Ondertekend te Rome op 4 november 1950.


24 − Zie onder meer arrest van 13 maart 2007, Unibet (C‑432/05, Jurispr. blz. I‑2271, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


25 − Arrest van 4 mei 2006, Commissie/Verenigd Koninkrijk (C‑508/03, Jurispr. blz. I‑3969, punt 68 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


26 − Arrest Hof van 17 april 1997, de Compte/Parlement (C‑90/95 P, Jurispr. blz. I‑1999, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en arrest Gerecht van 20 november 2002, Lagardère en Canal+/Commissie (T‑251/00, Jurispr. blz. II‑4825, punt 140).


27 − Arrest van 6 april 1962, De Geus (13/61, Jurispr. blz. 93).


28 − Zie in die zin arresten van 15 december 1987, Ierland/Commissie (325/85, Jurispr. blz. 5041, punt 18), en 18 mei 2000, Rombi en Arkopharma (C‑107/97, Jurispr. blz. I‑3367, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


29 − Deze bepaling luidt als volgt:


      „De kennisgeving van beslissingen waarvoor een termijn voor beroep geldt, van oproepen en van andere door de voorzitter van het [BHIM] vast te stellen documenten geschiedt per aangetekende brief met ontvangstbevestiging. Alle overige kennisgevingen geschieden per gewone brief.”


30 − Arrest van 14 oktober 2010, Deutsche Telekom/Commissie (C‑280/08 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 136). Zie ook arresten van 14 mei 1998, Raad/De Nil en Impens (C‑259/96 P, Jurispr. blz. I‑2915, punten 32‑34), en 17 mei 2001, IECC/Commissie (C‑449/98 P, Jurispr. blz. I‑3875, punt 70); alsook beschikkingen van de president van het Hof van 19 juli 1995, Commissie/Atlantic Container Line e.a. [C‑149/95 P(R), Jurispr. blz. I‑2165, punt 58]; 14 oktober 1996, SCK en FNK/Commissie [C‑268/96 P(R), Jurispr. blz. I‑4971, punt 52], en 25 juni 1998, Nederlandse Antillen/Raad [C‑159/98 P(R), Jurispr. blz. I‑4147, punt 70].


31 − Arrest van 6 maart 2001 (C‑274/99 P, Jurispr. blz. I‑1611).


32 − Punt 120.


33 − Punt 121. Zie ook arrest van 11 september 2003, België/Commissie (C‑197/99 P, Jurispr. blz. I‑8461, punt 81).