CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
Y. BOT
van 19 april 2012 (1)
Gevoegde zaken C‑71/11 en C‑99/11
Bondsrepubliek Duitsland
tegen
Y (C‑71/11),
Z (C‑99/11)
[verzoeken van het Bundesverwaltungsgericht (Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
„Richtlijn 2004/83/EG– Minimumnormen voor erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling – Voorwaarden voor erkenning als vluchteling – Artikel 9 – Begrip ‚daden van vervolging’– Bestaan van gegronde vrees voor vervolging – Ernstige aantasting van godsdienstvrijheid – Pakistaanse onderdanen, leden van religieuze gemeenschap Ahmadiyya – Handelingen van Pakistaanse overheidsinstanties ter beperking van recht op openbare godsdienstbelijdenis”
1. Met de onderhavige verzoeken om een prejudiciële beslissing wordt het Hof verzocht te bepalen welke handelingen een „daad van vervolging” kunnen vormen in de context van een ernstige schending van de godsdienstvrijheid. Het gaat om een wezenlijke vraag aangezien het antwoord op die vraag bepaalt wie van de asielzoekers aanspraak kan maken op bescherming als vluchteling en internationale bescherming kan genieten in de zin van richtlijn 2004/83/EG.(2)
2. Deze vragen zijn gerezen in gedingen tussen de Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door het Bundesministerium des Inneren (federaal ministerie van Binnenlandse Zaken), zelf vertegenwoordigd door het Bundesamt für Migration und Flüchtlinge (federale dienst voor de migratie en vluchtelingen)(3), en Y (C‑71/11) en Z (C‑99/11), twee Pakistaanse onderdanen die om erkenning als vluchteling verzoeken. Deze twee personen zijn actieve leden van de ahmadiyyagemeenschap, een beweging ter hervorming van de islam, die reeds van oudsher door de soennitische moslimmeerderheid van Pakistan als omstreden wordt beschouwd, en waarvan de godsdienstige activiteiten door het Pakistaanse strafwetboek ernstig worden beperkt. Aldus kunnen Y en Z hun geloof niet in het openbaar uiten zonder het gevaar te lopen dat deze uitingen als godslastering worden beschouwd, een strafbaar feit waarop, volgens de bepalingen van dat wetboek, een gevangenisstraf en zelfs de doodstraf staat.
3. Het Bundesverwaltungsgericht (Duitsland) stelt het Hof in wezen drie vragen. Allereerst wenst het te vernemen in hoeverre een aantasting van de godsdienstvrijheid, en met name van het recht voor het individu om zijn geloof openlijk en volledig te beleven, een „daad van vervolging” kan vormen in de zin van artikel 9, lid 1, sub a, van de richtlijn.
4. Vervolgens vraagt de verwijzende rechter het Hof of het begrip daad van vervolging niet moet worden beperkt tot uitsluitend die schendingen die een gesteld „kerngebied” van de godsdienstvrijheid aantasten.
5. Ten slotte vraagt de verwijzende rechter het Hof of de vrees van een vluchteling om te worden vervolgd, gegrond is in de zin van artikel 2, sub c, van de richtlijn, wanneer de vluchteling van plan is om bij terugkeer in zijn land van herkomst religieuze handelingen te verrichten die hem blootstellen aan een gevaar voor zijn leven, zijn vrijheid of zijn fysieke integriteit, dan wel of redelijkerwijs van hem kan worden verwacht dat hij van het verrichten van die handelingen afziet.
I – Toepasselijke bepalingen van Unierecht
6. Het gemeenschappelijk Europees asielstelsel is gebaseerd op de volledige en niet-restrictieve toepassing van het verdrag betreffende de status van vluchtelingen(4) en op de eerbiediging van de in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie neergelegde rechten en beginselen.(5)
7. Binnen dat stelsel beoogt de richtlijn minimumnormen en voor alle lidstaten van de Unie gemeenschappelijke criteria vast te stellen voor de erkenning van asielzoekers als vluchteling in de zin van artikel 1 van het Verdrag van Genève. Bijgevolg blijven de lidstaten vrij om ter bepaling van wie als vluchteling wordt erkend gunstiger normen vast te stellen of te handhaven voor zover die met de richtlijn verenigbaar zijn.(6)
8. Het begrip „vluchteling” is in artikel 2, sub c, van de richtlijn in dezelfde bewoordingen omschreven als die welke zijn gebruikt in artikel 1A, lid 2, eerste alinea, van het Verdrag van Genève:
„‚vluchteling’: een onderdaan van een derde land die zich wegens een gegronde vrees voor vervolging om redenen van ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, buiten het land bevindt waarvan hij de nationaliteit bezit en de bescherming van dat land niet kan of, wegens deze vrees, niet wil inroepen [...]”.
9. De auteurs van het Verdrag van Genève hebben ervoor gekozen om het begrip daad van vervolging niet te omschrijven. Het begrip is in artikel 9, lid 1, van de richtlijn als volgt omschreven:
„Daden van vervolging in de zin van artikel 1A van het Verdrag van Genève moeten:
a) zo ernstig van aard zijn of zo vaak voorkomen dat zij een ernstige schending vormen van de grondrechten van de mens, met name de rechten ten aanzien waarvan geen afwijking mogelijk is uit hoofde van artikel 15, lid 2, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden[(7)];
b) een samenstel zijn van verschillende maatregelen, waaronder mensenrechtenschendingen, die voldoende ernstig zijn om iemand op een soortgelijke wijze te treffen als omschreven in punt a.”
10. Artikel 9, lid 2, van de richtlijn ten slotte bevat een niet-uitputtende lijst van daden die als daden van vervolging kunnen worden aangemerkt. Daartoe behoren met name de „daden van lichamelijk of geestelijk geweld, inclusief seksueel geweld”, de „wettelijke, administratieve, politiële en/of gerechtelijke maatregelen die op zichzelf discriminerend zijn of op discriminerende wijze worden uitgevoerd”, of nog de „onevenredige of discriminerende vervolging of bestraffing”.
11. Bovendien vereist artikel 9, lid 3, van de richtlijn een oorzakelijk verband tussen de daad van vervolging en de in artikel 10 vermelde gronden. Er zijn tien van die gronden, waaronder godsdienst.
12. Volgens artikel 10, lid 1, sub b, van de richtlijn:
„[...]
b) [omvat] het begrip ‚godsdienst’ [...] met name theïstische, niet-theïstische en atheïstische geloofsovertuigingen, het deelnemen aan of het zich onthouden van formele erediensten in de particuliere of openbare sfeer, hetzij alleen of in gemeenschap met anderen, andere religieuze activiteiten of uitingen, dan wel vormen van persoonlijk of gemeenschappelijk gedrag die op een godsdienstige overtuiging zijn gebaseerd of daardoor worden bepaald”.
II – Hoofdgedingen en prejudiciële vragen
13. De door Y (C‑71/11) en Z (C‑99/11) op grond van artikel 16a, lid 1, van het Grundgesetz (Duitse grondwet) ingediende asielverzoeken zijn door het Bundesamt bij twee beslissingen van 4 mei 2004 en 8 juli 2004 afgewezen. Het Bundesamt heeft geoordeeld dat er niet voldoende elementen waren om te stellen dat de betrokkenen hun land van oorsprong hadden verlaten wegens een gegronde vrees voor vervolging.
14. Evenwel heeft het Oberverwaltungsgericht, na vonnissen van het Verwaltungsgericht, bij arresten van 13 november 2008 geoordeeld dat Y en Z, als actieve ahmadis, waren blootgesteld aan een gevaar voor vervolging in de zin van § 60, lid 1, eerste zin, van het Gesetz über den Aufenthalt, die Erwerbstätigkeit und die Integration von Ausländern im Bundesgebiet (wet betreffende het verblijf, de arbeidsdeelname en de integratie van buitenlanders in de Bondsrepubliek) in de versie zoals bekendgemaakt op 25 februari 2008,(8) en dat zij, indien zij naar hun land van herkomst worden teruggebracht, hun godsdienst niet langer in het openbaar kunnen belijden zonder zich bloot te stellen aan een gevaar voor hun leven, hun fysieke integriteit en hun vrijheid.
15. Voor elke zaak is een beroep tot „Revision” ingesteld bij het Bundesverwaltungsgericht. Deze rechterlijke instantie heeft twijfels over de uitlegging van de richtlijn, met name wegens de uiteenlopende rechtspraak van de Duitse gerechten.
16. Naar aanleiding daarvan zet het Bundesverwaltungsgericht in het kader van zijn verwijzingsbeslissing in de zaak C‑99/11 twee verschillende strekkingen in de rechtspraak uiteen.(9) De eerste, die is verdedigd door het Bundesamt en de Bundesbeauftragter für Asylangelegenheiten (federale gevolmachtigde voor asielzaken), gaat vooraf aan de inwerkingtreding van de richtlijn en beperkt het begrip vervolging tot daden die het „kerngebied” van de godsdienstvrijheid of het „wezenlijke godsdienstige minimum” van de mens aantasten. Dat „kerngebied” bestaat, enerzijds, uit het recht voor eenieder de godsdienst van zijn keuze te hebben of er geen te hebben, en, anderzijds, het recht om zijn geloof privé of in de kring van geloofsgenoten te belijden.(10) Volgens die rechtspraak vormen de beperkingen op het openbaar belijden van het geloof, zoals opgelegd aan de leden van de ahmadiyyagemeenschap, geen voldoende ernstige aantasting van de godsdienstvrijheid om een daad van vervolging te vormen, tenzij indien de betrokkene reeds is blootgesteld aan een gevaar voor zijn leven, voor zijn fysieke integriteit of voor zijn vrijheid. Indien dat niet het geval is, verwachten de autoriteiten van de betrokkene dat hij zich bij zijn terugkeer in zijn land van herkomst redelijk gedraagt en dus elke openbare belijdenis van zijn geloof beperkt of achterwege laat.
17. De tweede strekking in de rechtspraak wordt sedert de inwerkingtreding van de richtlijn door het Oberverwaltungsgericht en andere Duitse bestuursrechters verdedigd. Zij beoogt het begrip vervolging uit te breiden tot beperkingen op bepaalde geloofsbelevingen in het openbaar. In dat laatste geval kan het om geloofsbelevingen gaan die een bijzonder belang hebben voor het individu en/of een wezenlijk bestanddeel vormen van de geloofsleer.
18. In die omstandigheden, en om elke twijfel uit te sluiten, heeft het Bundesverwaltungsgericht de behandeling van de zaak geschorst en het Hof om een prejudiciële beslissing verzocht over de volgende vragen, die in nagenoeg identieke bewoordingen zijn gesteld in de twee zaken C‑71/11 en C‑99/11:
„1) Moet artikel 9, lid 1, sub a, van de richtlijn [...] aldus worden uitgelegd dat niet elke met artikel 9 EVRM strijdige ingreep in de godsdienstvrijheid een daad van vervolging in de zin van eerstgenoemde bepaling uitmaakt, maar is van een ernstige aantasting van de godsdienstvrijheid als fundamenteel mensenrecht slechts sprake wanneer het kerngebied ervan wordt geraakt?
2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:
a) Is het kerngebied van de godsdienstvrijheid beperkt tot de geloofsbelijdenis en geloofsbeleving thuis en in beperkte kring, of kan van daden van vervolging in de zin van artikel 9, lid 1, sub a, van de richtlijn [...] eveneens sprake zijn wanneer in het land van herkomst de uitoefening van het geloof in het openbaar een gevaar inhoudt voor de fysieke integriteit, het leven of de fysieke vrijheid en de asielaanvrager daarom ervan afziet?
b) Indien het kerngebied van de godsdienstvrijheid ook bepaalde geloofsbelevingen in het openbaar kan omvatten:
– volstaat in dit geval voor een ernstige aantasting van de godsdienstvrijheid, dat de aanvrager deze beleving van zijn geloof voor zichzelf als van wezenlijk belang ervaart om zijn godsdienstige identiteit te handhaven,
– of is bovendien vereist dat de geloofsgemeenschap waartoe de aanvrager behoort deze geloofsbeleving beschouwt als een centraal bestanddeel van haar geloofsleer,
– of kunnen ook andere omstandigheden, bijvoorbeeld de algemene situatie in het land van herkomst, bijkomende beperkingen uitmaken?
3) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, is er sprake van gegronde vrees voor vervolging in de zin van artikel 2, sub c, van de richtlijn [...] wanneer vaststaat dat de aanvrager na zijn terugkeer naar zijn land van herkomst bepaalde buiten het kerngebied liggende godsdienstige handelingen zal stellen, ofschoon deze een gevaar voor zijn fysieke integriteit, zijn leven of zijn vrijheid kunnen inhouden, of kan van de aanvrager worden verlangd dat hij in de toekomst van dergelijke handelingen afziet?”
19. Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door partijen in het hoofdgeding, de Duitse, de Franse en de Nederlandse regering en de Europese Commissie.
III – Beoordeling
A – Opmerkingen vooraf
20. Overeenkomstig artikel 2, sub c, van de richtlijn houdt de verlening van de vluchtelingenstatus in dat de betrokken onderdaan van het derde land een gegronde vrees heeft om te worden vervolgd(11) in zijn land van herkomst wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep.
21. Om iemand als vluchteling te erkennen moet de autoriteit die belast is met het onderzoek van de asielaanvraag dus tot de vaststelling komen dat er ten aanzien van de betrokkene een vervolging of een gevaar van vervolging bestaat.
22. Uit artikel 9 juncto artikel 10 van de richtlijn volgt dat het begrip vervolging twee bestanddelen omvat. Het eerste is het materiële bestanddeel. Het gaat om de „daad van vervolging” als omschreven in artikel 9 van de richtlijn. Dit bestanddeel is bepalend aangezien het de vrees van de betrokkene rechtvaardigt en zijn onmogelijkheid of weigering verklaart om een beroep te doen op de bescherming van zijn land van herkomst. Het tweede is het intellectuele bestanddeel. Het gaat om de in artikel 10 van de richtlijn bedoelde grond voor het verrichten of toepassen van de daad of het geheel van de daden of maatregelen.
23. De met het onderzoek van de asielaanvraag belaste autoriteit dient vervolgens, op basis van een beoordeling van de feiten en van de omstandigheden rond het verzoek om internationale bescherming, te onderzoeken of de vrees van de vluchteling voor vervolging bij terugkeer naar zijn land van herkomst gegrond is.
24. Met zijn vragen verzoekt de verwijzende rechter het Hof de draagwijdte te verduidelijken van elk van deze twee voorwaarden in de context van een asielaanvraag gebaseerd op een aantasting van de godsdienstvrijheid.
25. Het belang van het antwoord op de door de verwijzende rechter gestelde vragen is duidelijk.
26. Het gaat erom te bepalen wie van de asielzoekers een gegronde vrees heeft om te worden blootgesteld aan een „daad van vervolging” wegens een aantasting van zijn godsdienstvrijheid, en bijgevolg aanspraak kan maken op erkenning als vluchteling.
27. Op grond daarvan zal het Hof niet enkel de voor alle lidstaten gemeenschappelijke beoordelingscriteria kunnen vastleggen voor de individuele beoordeling van een verzoek om internationale bescherming dat is gebaseerd op godsdienst, maar zal het eveneens een drempel kunnen vastleggen waaronder de lidstaten niet kunnen weigeren het bestaan van een daad van vervolging te erkennen voor een asielzoeker die in zijn land van herkomst wordt geconfronteerd met een ernstige beperking van zijn godsdienstvrijheid.
28. Het antwoord op de vragen van de verwijzende rechter zal worden bepaald door de doelstelling van de Uniewetgever in het kader van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel. Daarbij moet voor ogen worden gehouden dat de doelstelling er niet in bestaat bescherming te verlenen telkens een individu in zijn land van herkomst niet volkomen en daadwerkelijk alle hem door het Handvest of het EVRM toegekende rechten kan uitoefenen, maar wel om de erkenning als vluchteling te beperken tot individuen die het gevaar lopen dat hun meest wezenlijke rechten hen worden ontzegd of dat die rechten systematisch worden geschonden, en wier leven in hun land van herkomst ondraaglijk is geworden.
29. Bijgevolg is het noodzakelijk om het begrip daad van vervolging te onderscheiden van iedere andere soort discriminerende maatregelen. De situatie waarin het individu lijdt onder een beperking of een discriminatie in de uitoefening van één van zijn grondrechten en migreert om redenen van persoonlijke aard of om zijn levensomstandigheden of sociale status te verbeteren, moet dus worden onderscheiden van de situatie waarin het individu lijdt onder een dermate zware beperking dat het gevaar bestaat dat hem zijn meest wezenlijke rechten worden ontzegd zonder dat hij van zijn land van herkomst bescherming mag verwachten.
B – Eerste vraag
30. Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of, en in voorkomend geval in hoeverre, een handeling die de godsdienstvrijheid beperkt en in het bijzonder het recht van eenieder om zijn geloof te belijden, een „daad van vervolging” vormt in de zin van artikel 9, lid 1, sub a, van de richtlijn.
31. Het antwoord op die vraag veronderstelt mijn inziens dat eerst wordt onderzocht of van een individu kan worden verlangd dat hij bepaalde aspecten van de uitoefening van zijn godsdienst beperkt tot wat de verwijzende rechter het „kerngebied” noemt. Een bevestigend antwoord op die vraag zal immers rechtstreeks de werkingssfeer van artikel 9, lid 1, sub a, van de richtlijn beïnvloeden.
1. Het recht op godsdienstvrijheid in het kader van de richtlijn
32. In de Europese Unie is de godsdienstvrijheid neergelegd in artikel 10, lid 1, van het Handvest. Dit recht is eveneens in dezelfde bewoordingen neergelegd in artikel 9, lid 1, EVRM. Overeenkomstig artikel 52, lid 3, van het Handvest dient bij de bepaling van de inhoud en de reikwijdte van die vrijheid rekening te worden gehouden met de door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in dat verband ontwikkelde rechtspraak.(12)
33. Volgens dat Hof vormt de godsdienstvrijheid één van de fundamenten van een democratische samenleving. Het gaat volgens het Hof om een wezenlijk element van de identiteit van gelovigen en van hun levensvisie, en het is een kostbaar goed voor atheïsten, agnosten, sceptici en onverschilligen.(13)
34. De godsdienstvrijheid valt enerzijds onder het forum internum, te weten het recht een godsdienst te hebben, er geen te hebben of van godsdienst te veranderen. Het begrip godsdienst wordt ruim uitgelegd aangezien het blijkens artikel 10, lid 1, sub b, van de richtlijn, de theïstische, de niet-theïstische en de atheïstische overtuigingen omvat. Het begrip betreft niet enkel de traditionele godsdiensten, zoals de katholieke en de islamitische godsdienst, maar eveneens de recentere of minderheidsgodsdiensten.
35. Dit bestanddeel van de godsdienstvrijheid geniet een absolute bescherming.
36. Anderzijds omvat de godsdienstvrijheid de vrijheid zijn geloof te belijden. Die vrijheid kan zeer uiteenlopende vormen aannemen, aangezien zij zowel alleen als met anderen, privé of in het openbaar, in erediensten, in onderricht, in de praktische toepassing ervan of in het onderhouden van geboden en voorschriften kan worden uitgeoefend.
37. De vrijheid zijn godsdienst te belijden is echter niet absoluut. Zij beschermt niet eender welke handeling die is gemotiveerd of geïnspireerd door een godsdienst of een overtuiging, en verzekert niet altijd het recht om zich te gedragen op een wijze die door een godsdienstige overtuiging wordt voorgeschreven.(14) Bovendien kan die vrijheid op nationaal niveau worden beperkt onder de voorwaarden die uitdrukkelijk zijn bepaald in artikel 52, lid 1, van het Handvest en artikel 9, lid 2, EVRM.
38. Is het in dit verband mogelijk om bij godsdiensten een „kerngebied” te onderscheiden dat de nationale autoriteiten kunnen afbakenen, onder toezicht van de nationale rechter en het Hof dat door de nationale rechter, zoals thans, via prejudiciële weg daarover wordt ondervraagd?
39. Wat dat betreft is mijn antwoord om meerdere redenen duidelijk ontkennend.
40. In de eerste plaats lijkt een dergelijke benaderingswijze mij strijdig met de tekst van de artikelen 9 en 10 van de richtlijn.
41. Voor alles is voor iedereen duidelijk hoe groot het gevaar op willekeur is waarmee een dergelijke taak per definitie gepaard gaat, hoe buitengewoon nauwgezet degene die deze taak op zich neemt ook moge zijn. Daardoor ontstaat het gevaar, zo niet de zekerheid, dat er evenveel opvattingen ontstaan als er personen zijn. Een dergelijke relativiteit in een definitie van een dermate wezenlijk en voor ieder persoonlijk begrip is niet verenigbaar met de doelstelling van de richtlijn om een gemeenschappelijke voor eenieder erkenbare grondslag vast te leggen.
42. In die zin heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in het reeds aangehaalde arrest Leyla Şahin v Turkije, dat ging over het dragen van de islamitische hoofddoek op de universiteit van Istanbul (Turkije), geoordeeld dat „het niet mogelijk is om doorheen Europa een eenvormige opvatting over de betekenis van godsdienst in de samenleving waar te nemen [...] en dat de betekenis of invloed van de handelingen die een openbare uitdrukking van een godsdienstige overtuiging vormen, verschilt naargelang van de tijd en de context”.(15) Nog veel moeilijker is het een formule te vinden die geldt voor de wereld en doorheen de eeuwen. Godsdienst omvat niet enkel een overtuiging, maar eveneens onderscheiden groepen die door hun ras of nationaliteit zijn verbonden. Hij vermengt nationale en culturele tradities, houdt radicale, behoudsgezinde of hervormingsgezinde benaderingen in en omvat een ruime waaier aan overtuigingen, rituelen en gewoontes die voor sommige godsdiensten even belangrijk zijn als zij voor andere onbelangrijk zijn.
43. Aldus kan de uitvoering van rituelen bestaan uit ceremoniële handelingen die met bepaalde levensfasen zijn verbonden, evenals verschillende praktische toepassingen die daarvoor kenmerkend zijn, waaronder de bouw van bedeplaatsen, het gebruik van rituele formules en voorwerpen, het vertonen van symbolen en de inachtneming van feest- en rustdagen, evenals gewoonten zoals de inachtneming van voedingsvoorschriften, het dragen van kleding of hoofddeksels overeenkomstig zijn godsdienst. Bovendien kan de praktische toepassing en het onderricht van een godsdienst de vrijheid inhouden zijn godsdienstige verantwoordelijken, priesters en leermeesters te kiezen, bijeenkomsten te houden, seminaries of religieuze scholen te stichten, charitatieve instellingen open te houden, publicaties te schrijven, te drukken of te verspreiden.(16)
44. Elk van deze handelingen krijgt namelijk een bijzonder belang naargelang de voorschriften van het betrokken geloof en, binnen eenzelfde gemeenschap, naargelang de persoonlijkheid van het individu. Dat verklaart waarom volgens het UNHCR de asielaanvragen op basis van geloof de ingewikkeldste zijn.(17)
45. Al deze elementen pleiten dus voor een ruime uitlegging van de godsdienstvrijheid, waarin al haar bestanddelen zijn opgenomen, ongeacht of zij openbaar of privé, gemeenschappelijk of individueel zijn.
46. Dat is ongetwijfeld de reden waarom de Uniewetgever in artikel 9, lid 1, van de richtlijn heeft benadrukt dat de daad van vervolging een materiële daad is, die door zijn aard het objectiefste criterium vormt om het bestaan van een vervolging te beoordelen, zulks ongeacht de aangetaste vrijheid, wanneer de daad is ingegeven door één van de gronden van artikel 10 van de richtlijn. Indien bijvoorbeeld zou worden beslist dat het „kerngebied” bestaat uit wat ik de vrijheid van het forum internum heb genoemd, zou een daad die deze vrijheid ernstig aantast een vervolging vormen, terwijl dat niet het geval zou zijn indien de daad in kwestie slechts de uiterlijke belijdenis van die vrijheid zou beperken. Dat zou volgens mij geen enkele zin hebben.
47. Verder betreft artikel 9, lid 1, sub a, van de richtlijn enkel grondrechten van de mens waarvan geen afwijking mogelijk is. Het was niet de bedoeling van de Uniewetgever de in het kader van de richtlijn beschermde rechten verder onder te verdelen, maar wel een voldoende brede en flexibele tekst vast te stellen zodat uitermate gevarieerde en constant wisselende vormen van vervolging daaronder konden vallen.(18) Een dergelijke uitlegging opent evenwel de deur voor een analoge toepassing op andere vrijheden en grondrechten en creëert het gevaar dat de werkingssfeer van de internationale bescherming veel meer wordt beperkt dan op grond van de door de Uniewetgever gebruikte bewoordingen mogelijk is.
48. In het kader van asielaanvragen op basis van godsdienst kan ten slotte gemakkelijk worden vastgesteld dat de materiële en intellectuele bestanddelen van de vervolging, bedoeld in de artikelen 9 en 10 van de richtlijn, samenvallen. Bijgevolg bestaat er geen enkele objectieve reden om voor wat het gebied van de godsdienstvrijheid betreft een onderscheid te maken al naargelang zij de materiële vervolgingsdaad concretiseert overeenkomstig artikel 9, lid 1, sub a, van de richtlijn, dan wel de grond ervan vormt krachtens artikel 10, lid 1, sub b, ervan.
49. In de tweede plaats biedt de rechtspraak van het Hof, en met name die van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, geen enkele steun voor de zienswijze dat het „kerngebied” van de godsdienstvrijheid dient te worden beperkt tot het forum internum en tot de vrijheid om die godsdienst privé of binnen de kring van geloofsgenoten te belijden, en om aldus de openbare godsdienstbelijdenis uit te sluiten.
50. Zoals het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft geoordeeld in het reeds aangehaalde arrest Église métropolitaine de Bessarabie e.a. v Moldavië is „[h]et getuigen in woord en daad verbonden met het bestaan van godsdienstige overtuigingen”.(19) Het belijden van de godsdienst is onlosmakelijk met het geloof verbonden en vormt een wezenlijk bestanddeel van de godsdienstvrijheid, ongeacht of die godsdienst in het openbaar of privé wordt beleden. Zoals de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens in herinnering heeft gebracht, betekent het in de teksten vermelde alternatief „zowel in het openbaar als privé” niets anders dan dat de gelovige op grond daarvan zijn geloof onder de ene en/of de andere vorm kan belijden, en mag het niet aldus worden uitgelegd dat beide elkaar uitsluiten dan wel dat de autoriteiten een keuze wordt gelaten.(20)
51. In de derde plaats ten slotte, indien het gaat om een vervolging, uitdrukking die het beeld oproept van mensen die worden opgejaagd, zal zelfs de lichtste of onbeduidendste grond voor de folteraars volstaan om de gelovigen te onderwerpen aan hun gewelddaden die, op zich, door hun intrinsieke zwaarwichtigheid samen met de zwaarwichtige gevolgen ervan, het geheel gecombineerd met de ingeroepen grond, het objectieve criterium vormen van de vervolging. Het is bijgevolg op basis van dat criterium dat de voor alle lidstaten gemeenschappelijke beoordelingsdrempel kan worden vastgelegd, zoals beoogd door de richtlijn.
52. Bijgevolg is niet het gebied van de godsdienstvrijheid kenmerkend voor de vervolging, maar wel de aard van de onderdrukking waaraan de betrokkene wordt onderworpen en de gevolgen ervan.
2. De daad van vervolging in de context van de schending van de godsdienstvrijheid
53. Zoals gezegd is de daad van vervolging omschreven in artikel 9, lid 1, van de richtlijn. Volgens die bepaling moet het gaan om een daad of een samenstel van maatregelen die „zo ernstig [...] zijn” van aard en zo vaak voorkomen dat zij een „ernstige schending” vormen van een grondrecht van de mens. Dit begrip is dus goed omschreven op basis van een objectief criterium, namelijk de aard en de intrinsieke ernst van de daad of de beleefde situatie en de door de betrokkene in zijn land van herkomst ondergane gevolgen. Dit element is bepalend aangezien het, overeenkomstig artikel 2, sub c, van de richtlijn, de onmogelijkheid of de weigering van de asielzoeker moet verklaren om naar zijn land van herkomst terug te keren.
54. Om de materiële daad van vervolging te bepalen, moet de met het onderzoek van de asielaanvraag belaste overheid dus de aard van de concrete situatie onderzoeken waaraan de betrokkene zich in zijn land van herkomst blootstelt wanneer hij zijn fundamentele vrijheid uitoefent of wanneer hij zich niet houdt aan de in dat land aan die vrijheid gestelde beperkingen.
55. Om bovengenoemde redenen die verband houden met het doel van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel, moet de betrokken daad, mijn inziens, een bijzondere ernst vertonen, waardoor de betrokken persoon terecht niet langer in zijn land van herkomst kan leven, en evenmin bereid is daar te leven.
56. De vervolging betreft een daad van uiterste zwaarwichtigheid aangezien zij flagrant en onverbiddelijk de meest wezenlijke rechten van de mens ontkent wegens zijn huidskleur, zijn nationaliteit, zijn geslacht en zijn seksuele geaardheid, zijn politieke of godsdienstige overtuiging. Ongeacht de vorm die zij aanneemt en bovenop de ongelijke behandeling die zij met zich meebrengt, gaat de vervolging gepaard met de verwerping van de betrokkene als mens en strekt zij ertoe hem van de samenleving uit te sluiten. Achter de vervolging gaat de idee schuil van een verbod, het verbod in gemeenschap met anderen te leven wegens het geslacht van de betrokkene, het verbod om op voet van gelijkheid te worden behandeld wegens zijn overtuigingen, of om toegang te hebben tot zorg en tot onderwijs wegens zijn ras. Deze verboden houden op zich een bestraffing in, een bestraffing van wat het individu is of van wat hij voorstelt.
57. Om deze reden vormt de vervolging een misdrijf tegen de menselijkheid in de zin van artikel 7, lid 1, sub h, van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof(21) en krachtens de statuten van de internationale strafgerechten, indien zij collectief en stelselmatig ten aanzien van een bepaalde bevolking wordt gepleegd.
58. Wanneer hij individueel en tegen één persoon wordt gepleegd, vormt een daad van vervolging een even ernstige en onduldbare aantasting van de mens, en met name van zijn wezenlijkste rechten.
59. Zulks blijkt overigens uit de voorbereidende werken van de richtlijn.
60. De Raad heeft reeds in zijn gemeenschappelijk standpunt 96/196/JBZ(22) het begrip „vervolging” omschreven als feiten die een ernstige schending vormen van de mensenrechten, waaronder het recht op leven, het recht op vrijheid en het recht op lichamelijke integriteit, of die de persoon kennelijk beletten het leven in zijn land van herkomst verder te zetten.(23)
61. Vervolgens heeft de Uniewetgever in 2002 in de werkzaamheden van de Raad verwezen naar de grondrechten van de mens en daarbij allereerst „[het] recht op leven, [het] recht niet te worden gefolterd, [het] recht op vrijheid en op veiligheid” benadrukt, alvorens naar aanleiding van het voorbehoud van sommige lidstaten, nader in te gaan op de rechten waarvan volgens artikel 15, lid 2, EVRM geen enkele afwijking mogelijk is.(24)
62. De in die bepaling bedoelde rechten zijn de zogenaamde „absolute” of „onvervreemdbare” rechten van elk individu. Zij kunnen op geen enkele wijze worden beperkt, zelfs niet in geval van algemene noodtoestand. Het gaat om het recht op leven, het recht niet aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen te worden onderworpen, het recht niet in slavernij of dienstbaarheid te worden gehouden evenals het recht niet willekeurig te worden aangehouden of gedetineerd.(25)
63. Indien aldus wegens een van de gronden vermeld in artikel 10 van de richtlijn een man het gevaar loopt te worden terechtgesteld, te worden gefolterd of zonder enige vorm van proces te worden opgesloten, of indien een vrouw het gevaar loopt te worden onderworpen aan gedwongen genitale verminkingen of aan slavernij, bestaat er op zich, vanzelfsprekend en onbetwistbaar, een daad van vervolging. Het mogelijke leed is, op zichzelf, zwaar en onherstelbaar, en het onvermogen van een staat om zijn onderdanen tegen dergelijke gewelddaden te beschermen maakt een internationale bescherming noodzakelijk. Overigens zijn de lidstaten gehouden die personen niet naar hun land van herkomst terug te sturen, indien zij niet aansprakelijk willen worden gesteld op basis van artikel 19, lid 2, van het Handvest en van artikel 21 van de richtlijn, evenals op basis van de door hen aangegane verplichtingen in het kader van het EVRM.(26)
64. Wanneer de daad van vervolging een aantasting vormt van een recht waarvan geen afwijking mogelijk is, staat het bestaan van de vervolging ipso facto vast wanneer die aantasting is gemotiveerd door de discriminatiegrond godsdienst.
65. Quid wanneer de betrokkene zijn asielaanvraag baseert op een schending van de vrijheid zijn godsdienst uit te oefenen, wat geen absoluut recht is als bedoeld in artikel 15, lid 2, EVRM?
66. Het komt mij voor dat hier eveneens hetzelfde criterium dient te worden gehanteerd.
67. De vrijheid om zijn godsdienst te beoefenen is geen recht waarvan niet kan worden afgeweken. Wel is het een grondrecht en men zou kunnen denken dat de beperking van dat recht of een aantasting ervan, zelfs in lichte vorm, moet worden afgekeurd.
68. Die beperking is evenwel van nature noodzakelijk voor het evenwicht van de samenleving. Daarom vormt de beperking van een godsdienstige praktijk via een regeling ter verzekering van het evenwicht tussen de praktijken van de verschillende in een staat aanwezige godsdiensten geen „daad van vervolging”, en zelfs geen aantasting van de godsdienstvrijheid. Integendeel, een dergelijke regeling spruit voort uit de zorg een werkelijk godsdienstig pluralisme in stand te houden en te verzekeren dat in een rechtsstaat en overeenkomstig de artikel 52, lid 1, van het Handvest en artikel 9, lid 2, EVRM, verschillende overtuigingen vreedzaam naast elkaar bestaan, zoals dat betaamt in een democratische samenleving.(27) Die doelstelling rechtvaardigt dat aan bepaalde verboden strafsancties worden verbonden, op voorwaarde dat de voorziene sancties evenredig zijn en dat zij worden vastgesteld met eerbied voor het verzekeren van de individuele vrijheden, en met name van het recht van verdediging.
69. Het niveau van de maatregelen en de sancties die tegen de betrokkene zijn genomen of kunnen worden genomen, kan er dus op wijzen dat zij onevenredig zijn, wat het objectieve kenmerk van de vervolging vormt, dat wil zeggen een aantasting van een recht van de mens waarvan niet kan worden afgeweken.
70. In dat verband staat het aan de autoriteiten die met het onderzoek van de asielaanvraag zijn belast om concreet te onderzoeken welke de ingeroepen bepaling in het land van herkomst is en welke de vervolgingspraktijk, in ruime zin en niet enkel met betrekking tot de loutere strafwetgeving, is die daar daadwerkelijk wordt toegepast.
71. De door mij voorgestelde uitlegging ligt in dezelfde lijn als die van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in zijn verklaring van niet-ontvankelijkheid in de zaak Z. en T. v het Verenigd Koninkrijk.(28)
72. Die zaak moet worden vermeld aangezien de aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens voorgelegde vraag nauw verwant, om niet te zeggen identiek is, aan die welke het Bundesverwaltungsgericht in zijn verwijzingsbeslissingen voorlegt. Bovendien moet het standpunt van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens worden uiteengezet aangezien, zoals gezegd, de godsdienstvrijheid in het Handvest en in het EVRM in dezelfde bewoordingen is neergelegd, zodat de betekenis en de draagwijdte van die vrijheid moeten worden bepaald rekening houdend met de bewoordingen van de rechtspraak die door dat Hof is ontwikkeld.
73. In de genoemde zaak diende het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zich uit te spreken over de vraag of een verdragsluitende staat op basis van artikel 9 EVRM verantwoordelijk kan worden gesteld voor de weigering de vluchtelingenstatus te verlenen aan een persoon die, bij zijn terugkeer in zijn land van herkomst, het recht zou worden ontzegd zijn geloof openlijk en ongehinderd te beleven. In die zaak voerden twee Pakistaanse onderdanen, aanhangers van het christelijke geloof, aan dat zij bij hun terugkeer in hun land van herkomst onmogelijk als christenen konden leven zonder het gevaar te lopen op vijandige reacties of zonder maatregelen te moeten nemen om hun geloofsovertuiging te verbergen. Volgens deze verzoeksters kwam de eis dat zij, in de praktijk, hun gedrag veranderden door te verbergen dat zij christenen waren en door afstand te doen van de mogelijkheid over hun geloof te praten en er over te getuigen ten aanzien van anderen, op zich neer op een ontkenning van hun recht op godsdienstvrijheid.
74. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft hun verzoekschrift niet‑ontvankelijk verklaard op basis van een onderscheid tussen de fundamentele waarborgen van de artikelen 2 tot 6 EVRM en de andere bepalingen van het EVRM.
75. Het Hof heeft nogmaals verklaard dat een verdragsluitende staat verantwoordelijk kan worden gesteld wanneer een maatregel van verwijdering van het grondgebied voor een persoon een werkelijk gevaar inhoudt om bij terugkeer in zijn land van herkomst om het leven te komen, te worden gefolterd, willekeurig te worden gedetineerd, of bij de rechter geen gehoor te vinden. Die rechtspraak steunt op het wezenlijke belang van deze bepalingen. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft echter niet automatisch de bedoeling gehad om deze „dwingende” overwegingen toe te passen op de andere bepalingen van het EVRM, aangezien, op louter pragmatische gronden, aldus het Hof, „niet kan worden verlangd dat de verdragsluitende staat die de vreemdeling uitzet, die enkel terugstuurt naar een land waar de omstandigheden volledig en daadwerkelijk stroken met elk van de waarborgen van de in het [EVRM] neergelegde rechten en vrijheden.”
76. Aldus heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geweigerd om die rechtspraak tot artikel 9 EVRM uit te breiden wanneer het individu enkel in de beoefening van zijn eredienst wordt belemmerd. Volgens het Hof zouden de verdragsluitende staten anders namelijk verplicht zijn „indirect in te staan voor het vrijwaren van de godsdienstvrijheid overal ter wereld”. Enkel in uitzonderlijke omstandigheden, wanneer de betrokkene een „werkelijk gevaar voor een flagrante schending” van die vrijheid loopt, kan de staat verantwoordelijk worden gesteld. Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is het echter moeilijk zich een zaak voor te stellen waarin een voldoende flagrante schending van de genoemde vrijheid niet eveneens een werkelijk gevaar inhoudt voor de betrokkene om het leven te verliezen, te worden gefolterd en onmenselijk of vernederend te worden behandeld, en zelfs om geen enkel gehoor te vinden bij de rechter of willekeurig te worden gedetineerd.
77. Gelet op deze elementen meen ik dat artikel 9, lid 1, sub a, van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat een ernstige aantasting van de godsdienstvrijheid een „daad van vervolging” kan vormen indien de asielzoeker, wegens de uitoefening van die vrijheid of wegens de miskenning van de in zijn land van herkomst op die vrijheid gestelde beperkingen, een werkelijk gevaar loopt op terechtstelling of foltering, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen, slavernij of dwangarbeid, of willekeurige vervolging of gevangenzetting.
78. Op grond van die uitlegging kan volgens mij, enerzijds, een voor alle lidstaten gemeenschappelijke drempel worden vastgesteld waar de lidstaten niet onder mogen gaan, en, anderzijds, overeenkomstig artikel 3 van de richtlijn, hen de vrijheid worden gelaten gunstiger normen vast te stellen of te handhaven voor zover die althans met de richtlijn verenigbaar zijn.
79. In wat volgt zal ik die redenering toepassen op de situatie van verzoekers in het hoofdgeding.
80. In Pakistan, waar de soennitische islam de staatsgodsdienst is en waar de meerderheid van de bevolking deze strekking aanhangt, vormt de ahmadiyyagemeenschap een godsdienstige minderheid waarvan de leden als ketters worden beschouwd. Sedert de inwerkingtreding van besluit XX op 28 april 1984 heeft de godslasteringwet de artikelen 295 en 298‑A van het Pakistaanse strafwetboek strenger gemaakt door de invoering van de doodstraf en gevangenisstraf voor eenieder die, in woord of in geschrift, door gebaren of zichtbare afbeeldingen, via directe of indirecte insinuaties, de heilige naam van de profeet Mohammed of de met de islam verbonden symbolen en plaatsen beledigt. Bovendien wordt krachtens de artikelen 298‑B en 298‑C van dat wetboek met een gevangenisstraf van drie jaar en een boete gestraft elk lid van de ahmadiyyagemeenschap dat zijn geloof in het openbaar verkondigt, het vereenzelvigt met de islam, er propaganda voor voert, bekeringen aanmoedigt, benamingen, beschrijvingen, titels of begroetingen gebruikt of ontleent die met de islamitische godsdienst zijn verbonden, in het openbaar verzen uit de Koran opzegt, handelwijzen aanneemt die met de islam zijn verbonden zoals begrafenisrituelen of, op welke andere wijze ook, de islam beledigt.
81. Gelet op deze informatie, is aan de criteria van de artikelen 9 en 10 van de richtlijn voldaan. Het in artikel 10 van de richtlijn bedoelde intellectuele bestanddeel van de daad van vervolging ligt in de godsdienstige grond, waarbij de ahmadis overigens duidelijk het mikpunt zijn van de artikelen 298‑B en 298‑C van het Pakistaanse strafwetboek. Wat het materiële bestanddeel betreft, dit maakt deel uit van strafwetgeving, daaronder begrepen de daarmee gepaard gaande straffen.
82. Indien deze wetgeving door de Pakistaanse autoriteiten daadwerkelijk wordt toegepast – hetgeen de met het onderzoek van de asielaanvraag belaste autoriteit moet nagaan op basis van rapporten die door de staten en door de organisaties ter bescherming van de mensenrechten regelmatig worden gepubliceerd – kan zij het niveau van een vervolging bereiken.
83. Het niet naleven van genoemde wetgeving leidt immers tot ernstige en onduldbare aantastingen van de menselijke persoon
84. Enerzijds vormt het daarin opgenomen verbod een ernstige aantasting van de godsdienstvrijheid, waarbij het individu een wezenlijk bestanddeel van zijn persoonlijkheid wordt ontzegd. Bovendien leidt het tot een schending van de in de artikelen 11 en 12 van het Handvest en de artikelen 10 en 11 EVRM neergelegde vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging, aangezien door de beperking van het recht om zijn godsdienst in het openbaar te belijden de wetgeving de gelovigen het recht ontzegt zich vrij te verenigen en uiting te geven aan hun overtuiging.
85. Anderzijds leiden de sancties die met dit verbod gepaard gaan ertoe dat wie volhardt in het belijden van zijn geloof zijn meest wezenlijke rechten worden ontzegd door hem met een gevangenisstraf en zelfs met de doodstraf te bedreigen.
86. Met betrekking tot de eerste vraag van de verwijzende rechter meen ik bijgevolg dat artikel 9, lid 1, sub a, van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat een ernstige aantasting van de godsdienstvrijheid, ongeacht welk aspect daarvan wordt aangetast, een „daad van vervolging” kan vormen wanneer de asielzoeker, wegens het uitoefenen van die vrijheid of het niet naleven van de beperkingen die in zijn land van herkomst aan die vrijheid zijn gesteld, een werkelijk gevaar loopt op terechtstelling of foltering, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen, slavernij of dwangarbeid of willekeurige vervolging of gevangenzetting.
87. Tegen die achtergrond en overeenkomstig artikel 3 van de richtlijn, blijven de lidstaten vrij om gunstiger normen vast te stellen of te handhaven, voor zover die althans met deze richtlijn verenigbaar zijn.
88. Gelet op het door mij voorgestelde antwoord op deze eerste vraag, meen ik dat de tweede vraag van de verwijzende rechter niet dient te worden onderzocht.
C – Derde vraag
89. Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de vrees van een vluchteling voor vervolging, gegrond is in de zin van artikel 2, sub c, van de richtlijn, wanneer die vluchteling van plan is om bij zijn terugkeer in zijn land van herkomst godsdienstige handelingen te verrichten die hem blootstellen aan een gevaar voor zijn leven, zijn vrijheid of zijn fysieke integriteit, dan wel of van die persoon redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij in de toekomst van dergelijke handelingen afziet.
90. Zeer concreet is de vraag of wij die bepaling aldus kunnen uitleggen dat de vrees van de vluchteling voor vervolging ongegrond is indien hij een daad van vervolging in zijn land van herkomst kan vermijden door zijn godsdienst niet langer in het openbaar te belijden.
91. Ik ben het volstrekt niet eens met een dergelijke uitlegging, om de volgende redenen.
92. In de eerste plaats vindt een dergelijke uitlegging geen enkele steun in de tekst van de richtlijn, en met name niet in artikel 4 ervan.
93. Wij weten dat in het kader van een verzoek om internationale bescherming de met het onderzoek van de asielaanvraag belaste autoriteit, overeenkomstig artikel 2, sub c, van de richtlijn, dient te controleren of de vrees van het individu voor vervolging bij zijn terugkeer naar zijn land van herkomst, gegrond is. Aangezien angst een subjectief gevoelen is, dient te worden aangetoond dat dat gevoelen ook zijn rechtvaardiging vindt in objectievere elementen. De beoordeling van de gegrondheid van de vrees zal dus enkel berusten op een concrete evaluatie van de gevaren waaraan de betrokkene zich blootstelt bij zijn terugkeer naar zijn land van herkomst.
94. Dit veronderstelt een individuele beoordeling van het verzoek om internationale bescherming, waarvan de beginselen zijn opgenomen in artikel 4 van de richtlijn.
95. Overeenkomstig artikel 4, lid 3, sub a, ervan vereist dit een onderzoek van alle beschikbare gegevens en van alle relevante feiten met betrekking tot de algemene toestand van het land van herkomst van de aanvrager, en met name van zijn wetgeving en van de manier waarop deze wordt toegepast.
96. Vervolgens dient te worden onderzocht hoe de betrokkene zich zal gedragen bij zijn terugkeer in zijn land van herkomst, en met name wat hij van plan is te ondernemen.
97. Overeenkomstig artikel 4, leden 2, 3, sub b tot en met d, en 4, van de richtlijn dient de met het onderzoek van de asielaanvraag belaste autoriteit bijgevolg rekening te houden met alle beschikbare gegevens over de asielzoeker, en met name die betreffende zijn persoonlijkheid, zijn karakter, zijn persoonlijke situatie, zijn geestestoestand, zijn leeftijd evenals zijn verleden en wat hij al dan niet heeft gedaan sedert hij zijn land van herkomst heeft verlaten.
98. Het gaat dus om erg concrete gegevens die er enkel toe dienen te bepalen of na de terugkeer van de asielzoeker in zijn land van herkomst een gegronde vrees bestaat dat zijn activiteiten hem blootstellen aan een daad van vervolging. Niets in die bepaling wijst er evenwel op dat, bij de beoordeling van de gegrondheid van de vrees, gepoogd moet worden een permanente oplossing te vinden waardoor de asielzoeker in zijn land van herkomst kan leven zonder vrees voor gewelddaden, door hem met name te vragen afstand te doen van de hem gewaarborgde rechten en vrijheden.
99. In de tweede plaats kan een dergelijke uitlegging, anders dan volgt uit punt 10 van de considerans van de richtlijn en uit een vaste rechtspraak van het Hof, niet de eerbiediging van de in het Handvest neergelegde grondrechten verzekeren.
100. Enerzijds lijkt een dergelijke uitlegging mij strijdig met de door artikel 1 van het Handvest verlangde eerbied voor de menselijke waardigheid. Door van de asielzoeker te verlangen dat hij de openbare belijdenis van zijn geloof verbergt, wijzigt of er afstand van doet, vragen wij hem immers te wijzigen wat mogelijk een wezenlijk bestanddeel van zijn identiteit vormt, anders gezegd, wij vragen hem eigenlijk zichzelf te verloochenen. Niemand heeft het recht daartoe.
101. Anderzijds is die uitlegging strijdig met artikel 10 van het Handvest, aangezien zij ertoe leidt dat de betrokkene buiten de in artikel 52, lid 1, van het Handvest uitdrukkelijk toegestane gevallen een in die bepaling neergelegd grondrecht wordt ontzegd.
102. Bovendien houdt een dergelijke uitlegging het gevaar in dat de met het onderzoek van de asielaanvraag belaste autoriteit de schending van de grondrechten van de asielzoeker in zijn land van herkomst, nog erger maakt. Verder leidt zij ertoe dat hij deels verantwoordelijk wordt gehouden voor ondergane gewelddaden terwijl hij slachtoffer is van de vervolging.
103. In de derde plaats kunnen wij van een asielzoeker redelijkerwijs niet verwachten dat hij om aan vervolging te ontkomen, afziet van het belijden van zijn geloof of dat hij om het even welk ander wezenlijk bestanddeel van zijn identiteit verbergt, zonder daarbij het gevaar te lopen dat afbreuk wordt gedaan aan de rechten die de richtlijn beoogt te beschermen en de doelstellingen die zij nastreeft.(29)
104. Het is immers niet zo dat een vervolging niet langer een vervolging is omdat de betrokkene bij terugkeer in zijn land van herkomst blijk kan geven van terughoudendheid en discretie bij de uitoefening van zijn rechten en vrijheden door zijn seksuele geaardheid en zijn politieke opvattingen te veinzen, zijn lidmaatschap van een gemeenschap te verbergen, of door af te zien van het beleven van zijn godsdienst.(30) Indien dit het geval was, zou de richtlijn duidelijk geen nuttig effect hebben aangezien zij niet de personen zou kunnen beschermen die zich blootstellen aan daden van vervolging wegens hun keuze om hun rechten en vrijheden in hun land van herkomst uit te oefenen. In zaken zoals aan de orde in het hoofdgeding zou dit afbreuk doen aan de rechten die de richtlijn voor Y en Z beoogt te vrijwaren, en waarop juist hun asielaanvraag is gebaseerd, namelijk hun recht om zonder angst voor vervolging hun godsdienst in het openbaar te belijden.
105. In de vierde plaats wordt deze materie niet beheerst door rationele overwegingen. Zoals het Hof heeft geoordeeld in zijn arrest Salahadin Abdulla e.a.,(31) moet de beoordeling betreffende de omvang van het risico in alle gevallen met nauwlettendheid en voorzichtigheid worden uitgevoerd, aangezien de integriteit van de mens en de individuele vrijheden, die behoren tot de fundamentele waarden van de Unie, in het geding zijn.(32) De verwachting dat een asielzoeker zich redelijk gedraagt terwijl hij in de onzekerheid leeft en in angst voor agressie of gevangenzetting, laat niet toe om correct het gevaar in te schatten waaraan de betrokkene zal worden blootgesteld. Het gaat om een gewaagde gok en het asielrecht kan niet op een dergelijke voorspelling worden gebaseerd. Bovendien zou dit volgens mij blijk geven van onzorgvuldigheid. Ongeacht de inspanningen die de betrokkene zich immers in zijn openbare levenswijze getroost, is en blijft hij in zijn land van herkomst een ketter, een dissident of een homoseksueel. Wij weten immers dat, in bepaalde landen, alle handelingen, hoe onbeduidend ook, een voorwendsel kunnen zijn voor diverse vormen van geweldpleging.
106. Gelet op deze elementen denk ik bijgevolg dat artikel 2, sub c, van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat er een gegronde vrees voor vervolging bestaat indien de asielzoeker voornemens is om bij zijn terugkeer in zijn land van herkomst, voort te gaan met de godsdienstige activiteiten die hem aan een gevaar voor vervolging blootstellen. In deze context en ter verzekering van de eerbiediging van de in het Handvest neergelegde grondrechten, meen ik dat de met het onderzoek van de asielaanvraag belaste autoriteit niet redelijkerwijs van die asielzoeker kan verwachten dat hij afziet van die activiteiten, en met name van het belijden van zijn geloof.
IV – Conclusie
107. Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de door het Bundesverwaltungsgericht gestelde vragen te beantwoorden als volgt:
„1) Artikel 9, lid 1, sub a, van richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderzijds internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming, moet aldus worden uitgelegd dat een ernstige aantasting van de godsdienstvrijheid, ongeacht om welk aspect ervan het gaat, een ‚daad van vervolging’ kan vormen wanneer de asielzoeker, wegens de uitoefening van die vrijheid of wegens het overtreden van beperkingen die in zijn land van herkomst aan die vrijheid zijn gesteld, een werkelijk gevaar loopt op terechtstelling, foltering, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen, slavernij of dwangarbeid of willekeurige vervolging of gevangenzetting.
Overeenkomstig artikel 3 van richtlijn 2004/83 blijven de lidstaten vrij om gunstiger normen vast te stellen of te handhaven, althans voor zover die met deze richtlijn verenigbaar zijn.
2) Artikel 2, sub c, van richtlijn 2004/83 moet aldus worden uitgelegd dat er een gegronde vrees voor vervolging bestaat wanneer de asielzoeker voornemens is bij zijn terugkeer in zijn land van herkomst, voort te gaan met de godsdienstige activiteiten die hem blootstellen aan een gevaar voor vervolging. In die context en ter verzekering van de eerbiediging van de in het Handvest neergelegde grondrechten kan de met het onderzoek van de asielaanvraag belaste autoriteit niet redelijkerwijs van die asielzoeker verwachten dat hij afziet van die activiteiten en met name van het belijden van zijn geloof.”
1 – Oorspronkelijke taal: Frans.
2 – Richtlijn van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (PB L 304, blz. 12, en rectificatie PB L 204, blz. 24, hierna: „richtlijn”).
3 – Hierna: „Bundesamt”.
4 – Dat verdrag, dat op 28 juli 1951 te Genève is ondertekend [Recueil des traités des Nations unies, vol. 189, blz. 150, nr. 2545 (1954) (hierna: „Verdrag van Genève”)] is op 22 april 1954 in werking getreden. Het is aangevuld door het protocol betreffende de status van vluchtelingen van 31 januari 1967, dat op 4 oktober 1967 in werking is getreden. Tevens verwijs ik naar de Guide des procédures et critères à appliquer pour déterminer le statut de réfugié au regard de la convention de 1951 et du protocole de 1967 relatifs au statut des réfugiés, opgesteld door het Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties (UNHCR), januari 1992, beschikbaar op de volgende website: http://unhcr.org/refworld/docid/3ae6b32b0.html.
5 – Hierna: „Handvest”. Zie artikel 78, lid 1, VWEU en artikel 18 van het Handvest, evenals punt 10 van de considerans van de richtlijn.
6 – Artikel 3 van de richtlijn.
7 ‑ Dit verdrag is op 4 november 1950 te Rome ondertekend (hierna: „EVRM”).
8 ‑ BGBl. 2008 I, blz. 162. Volgens die bepaling kan „[o]vereenkomstig het Verdrag [van Genève] een vreemdeling niet naar een land worden teruggebracht waarin zijn leven of zijn vrijheid worden bedreigd wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een sociale groep of zijn politieke overtuigingen”.
9 ‑ Zie eveneens de overwegingen van het Bundesverwaltungsgericht in zijn arrest van 5 maart 2009 (BVerwG 10 C 51.07), beschikbaar in het Engels op de website van dat rechtscollege (http://www.bverwg.de).
10 ‑ Die rechtspraak verklaart de opmerkingen van de Bondsrepubliek Duitsland tijdens de werkzaamheden rond de vaststelling van de richtlijn, en met name die met betrekking tot het artikel 10, lid 1, sub b, ervan. De Bondsrepubliek merkt op dat „het Verdrag van Genève [...] de particuliere godsdienstuitoefening [beschermt], maar niet de openbare” [zie artikel 12, sub b, van het document dat beschikbaar is op de website van de Raad van de Europese Unie onder referentienummer 7882/02].
11 – Mijn cursivering.
12 – Arrest van 22 december 2010, DEB (C‑279/09, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 35).
13 – Zie EHRM, arrest Église métropolitaine de Bessarabie e.a. v Moldavië van 13 december 2001, Recueil des arrêts et décisions 2001-XII, § 114, en volgende, evenals aldaar aangehaalde rechtspraak.
14 – Zie EHRM, arrest Leyla Şahin v Turkije van 10 november 2005, Recueil des arrêts et décisions 2005-XI, § 105.
15 – § 109 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
16 – Zie artikel 6 van de Verklaring inzake de uitbanning van alle vormen van intolerantie en discriminatie op grond van religie en overtuiging, aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 25 november 1981, en punt 4 van General Comment nr. 22 van het Mensenrechtencomité betreffende artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, vastgesteld op 16 december 1966 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties en op 23 maart 1976 in werking getreden.
17 – Zie ter informatie de Principes directeurs sur la protection internationale no. 6: Demandes d'asile fondées sur la religion au sens de l'article 1A(2) de la convention de 1951 et/ou du protocole de 1967 relatifs au statut des réfugiés, gepubliceerd door het UNHCR op 28 april 2004, beschikbaar op de volgende website: http://www.unhcr.org/refworld/docid/415a9af54.html, evenals General Comment nr. 22, vermeld in voetnoot 16 van deze conclusie.
18 – Zie de toelichting van de Commissie bij artikel 11, met als opschrift „De aard van de vervolging” (thans artikel 9 van de richtlijn) bij het voorstel van richtlijn van de Raad betreffende minimumnormen voor de erkenning en de status van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven, ingediend door de Commissie op 12 september 2011 [COM(2001) 510 definitief].
19 – § 114.
20 – Zie ECRM, beslissing X. v Verenigd Koninkrijk van 12 maart 1981, D.R. 22, blz. 39, § 5.
21 – Dit statuut is goedgekeurd in Rome op 17 juli 1998 en is in werking getreden op 1 juli 2002, Recueil des traités des Nations unies, vol. 2187, nr. 38544. In artikel 7, lid 2, sub g, van dat statuut is het begrip „vervolging” omschreven als „het opzettelijk en in ernstige mate ontnemen van fundamentele rechten in strijd met het internationaal recht op gronden die verband houden met de identiteit van de groep of collectiviteit”.
22 – Gemeenschappelijk standpunt van 4 maart 1996 door de Raad vastgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie inzake de geharmoniseerde toepassing van de definitie van de term „vluchteling” in artikel 1 van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen (PB L 63, blz. 2).
23 – Punt 4.
24 – Zie de documenten die beschikbaar zijn op de website van de Raad onder referentienummers 13620/01, 11356/02, 12620/02 et 13648/02.
25 – Deze rechten zijn neergelegd in de artikelen 2, 3, 4, lid 1, en 7 EVRM en in de artikelen 2, 4, 5, lid 1, en 49 van het Handvest.
26 – Zie EHRM, arresten Soering v Verenigd Koninkrijk van 7 juli 1989, série A, nr. 161, § 88 en 113; Mamatkoulov en Askarov v Turkije van 4 februari 2005, Recueil des arrêts et décisions 2005-I, § 91; Khodzhayev v Rusland van 12 mei 2010, § 89 tot 105, evenals Abdulazhon Isakov v Rusland van 8 juli 2010, § 106 tot 112 en 120 tot 131.
27 – Voor een toepassing van die beginselen, zie met name arrest Leyla Șahin v Turkije, reeds aangehaald, § 104 tot 123, en aldaar aangehaalde rechtspraak.
28 – Zie EHRM, beslissing, Z. en T. v het Verenigd Koninkrijk van 28 februari 2006, Recueil des arrêts et décisions 2006-III.
29 – Vanzelfsprekend geldt mijn zienswijze niet voor de situaties waarin de godsdienstrituelen buitengewoon onredelijk zijn, zoals mensenoffers of drugsgebruik.
30 – Zie het arrest van het Supreme Court of the United Kingdom (Verenigd Koninkrijk) HJ (Iran) v Secretary of State for the Home Department en HT (Cameroon) v Same [2010] UKSC 31.
31 – Arrest van 2 maart 2010 (C‑175/08, C‑176/08, C‑178/08 en C‑179/08, Jurispr. blz. I‑1493).
32 – Punt 90.