ARREST VAN HET HOF VAN 7 MEI 1991. - COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN TEGEN KONINKRIJK BELGIE. - GELIJKE BEHANDELING VAN MANNEN EN VROUWEN OP HET GEBIED VAN DE SOCIALE ZEKERHEID - VASTSTELLING VAN HET BEDRAG VAN DE WERKLOOSHEIDS- EN INVALIDITEITSUITKERINGEN. - ZAAK C-229/89.
Jurisprudentie 1991 bladzijde I-02205
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
Sociale politiek - Gelijke behandeling van mannen en vrouwen op gebied van sociale zekerheid - Bedrag van werkloosheids- en invaliditeitsuitkeringen afhankelijk van gezinslasten en inkomen van personen ten laste - Toelaatbaarheid - Voorwaarden
(Richtlijn 79/7 van de Raad, art. 4, lid 1)
Artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7/EEG moet aldus worden uitgelegd, dat een stelsel van werkloosheids- of invaliditeitsuitkeringen dat bij de vaststelling van het bedrag van de uitkering zowel rekening houdt met het bestaan van personen ten laste van de uitkeringsgerechtigde als met hun eventuele inkomen, ermee verenigbaar is, wanneer dat stelsel beoogt om aan de gezinnen een minimum vervangingsinkomen te verzekeren en wanneer het aan degenen die samenwonen met een echtgenoot of kinderen zonder inkomen, enkel toeslagen toekent die niet hoger zijn dan de lasten die de aanwezigheid van die personen redelijkerwijs meebrengt.
Een dergelijk stelsel beantwoordt immers aan een gerechtvaardigde doelstelling van sociaal beleid en gebruikt middelen die ter bereiking van dat doel geschikt en noodzakelijk zijn, zodat het zijn rechtvaardiging vindt in redenen die geen verband houden met discriminatie op grond van geslacht.
In zaak C-229/89,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Wolfcarius, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, bijgestaan door F. Herbert, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk België, vertegenwoordigd door R. Hoebaer, bestuursdirecteur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, Buitenlandse handel en Ontwikkelingssamenwerking, als gemachtigde, bijgestaan door C. Deneve, bestuursdirecteur bij het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid, en door M. Loix, adjunct-adviseur bij het Ministerie van Sociale voorzorg, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Belgische ambassade, Rue des Girondins 4,
verweerder,
betreffende een verzoek tot vaststelling van de onverenigbaarheid van de voorwaarden voor de bepaling van het bedrag van de werkloosheids- en invaliditeitsuitkeringen met richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (PB 1979, L 6, blz. 24),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, G. F. Mancini, T. F. O' Higgins, J. C. Moitinho de Almeida, G. C. Rodríguez Iglesias en M. Díez de Velasco, kamerpresidenten, Sir Gordon Slynn, C. N. Kakouris, R. Joliet, F. A. Schockweiler, F. Grévisse, M. Zuleeg en P. J. G. Kapteyn, rechters,
advocaat-generaal: M. Darmon,
griffier: J. A. Pompe, adjunct-griffier,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 17 oktober 1990,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 20 november 1990,
het navolgende
Arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 18 juli 1989, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EEG-Verdrag beroep ingesteld tot vaststelling dat het Koninkrijk België de krachtens het Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, door niet binnen de termijn van artikel 8, lid 1, van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (PB 1979, L 6, blz. 24) de nodige maatregelen te nemen voor de volledige en nauwkeurige toepassing van deze richtlijn en in het bijzonder door een stelsel voor de berekening van werkloosheids- en invaliditeitsuitkeringen te handhaven dat leidt tot indirecte, objectief niet gerechtvaardigde discriminatie van vrouwelijke rechthebbenden.
2 De in het verzoekschrift vermelde Belgische regelingen zijn neergelegd in de Koninklijke Besluiten van 8 augustus 1986 (Belgisch Staatsblad van 27 augustus 1986, blz. 11825, houdende wijziging van artikel 160 van het Koninklijk Besluit van 20 december 1963) en van 30 juli 1986 (Belgisch Staatsblad van 2 augustus 1986, blz. 10854, houdende wijziging van de artikelen 226, tweede lid, en 227, paragraaf 1, van het Koninklijk Besluit van 4 november 1963).
3 Volgens artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7, houdt het beginsel van gelijke behandeling in, "dat iedere vorm van discriminatie op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect door verwijzing naar met name echtelijke staat of gezinssituatie, is uitgesloten in het bijzonder met betrekking tot (...) de berekening van de prestaties, waaronder begrepen verhogingen verschuldigd uit hoofde van de echtgenoot en voor ten laste komende personen, alsmede de voorwaarden inzake duur en behoud van het recht op de prestaties".
4 Krachtens artikel 8, lid 1, van de richtlijn moesten de Lid-Staten de nodige maatregelen nemen om binnen een termijn van zes jaar volgende op de kennisgeving ervan, dat wil zeggen vóór 22 december 1984, aan haar bepalingen te voldoen.
5 De Belgische regeling betreffende werkloosheidsuitkeringen, die na deze datum van kracht bleef, voorzag met betrekking tot de berekening van deze uitkeringen in een voorkeursbehandeling voor de werklozen die als gezinshoofd een echtgenoot, concubant, verwant of kind zonder inkomen ten laste hebben. Van mening dat deze groep overwegend uit mannen bestond, heeft de Commissie op 2 juni 1986 krachtens artikel 169 EEG-Verdrag een met redenen omkleed advies uitgebracht, waarin zij stelde dat het Koninkrijk België zijn verplichtingen niet nakwam door een stelsel voor de berekening van werkloosheidsuitkeringen te handhaven dat leidt tot indirecte, objectief niet gerechtvaardigde discriminatie van vrouwelijke rechthebbenden, die voor het merendeel behoren tot de beide andere groepen werklozen die de Belgische regeling kent, te weten de "alleenstaanden", dat wil zeggen de werklozen die alleen wonen, en de "samenwonenden" die samenleven met een echtgenoot, concubant of kind die een beroeps- of vervangingsinkomen heeft.
6 Ten gevolge van dit met redenen omkleed advies is de betwiste regeling gewijzigd bij Koninklijk Besluit van 8 augustus 1986 en bij ministerieel besluit van 23 januari 1987 (Belgisch Staatsblad van 11 februari 1987, blz. 1817). De uitkeringsregeling deelt de gerechtigden in drie groepen in:
- werknemers die samenwonen met een echtgenoot of concubant, een verwant of een kind zonder beroepsinkomen of vervangingsinkomen (groep 1);
- werknemers die alleen wonen (groep 2);
- werknemers die samenwonen met een persoon die over een beroeps- of vervangingsinkomen beschikt (groep 3).
7 Het bedrag van de betrokken uitkeringen wordt berekend op basis van het geplafonneerde vroegere beroepsinkomen, volgens percentages die per groep verschillend zijn. In de eerste plaats ontvangen alle betrokkenen een basisuitkering van 35 % van het vroegere inkomen. Na achttien maanden werkloosheid, verlengd met drie maanden voor elk jaar van arbeid, ontvangen de rechthebbenden van groep 3 echter een forfaitaire uitkering die wordt verhoogd met een toeslag wanneer de gecumuleerde maandelijkse uitkeringen van de samenwonende personen onder een bepaald bedrag blijven. In de tweede plaats ontvangen de rechthebbenden van de groepen 1 en 2 een toeslag voor het verlies van een enig inkomen, die 5 % van het vroegere inkomen bedraagt. In de derde plaats ontvangen alle rechthebbenden een aanpassingstoeslag van 20 % van het vroegere inkomen, maar voor wie tot de groepen 2 of 3 behoort, wordt deze toeslag enkel tijdens het eerste jaar van werkloosheid verleend.
8 Wat de invaliditeitsverzekering betreft, huldigt de bij koninklijk besluit van 30 juli 1986 ingestelde regeling dezelfde principes als de werkloosheidsverzekering, zowel ten aanzien van de indeling van de uitkeringsgerechtigden in drie groepen als ten aanzien van de berekeningswijze van de uitkering, die evenredig is aan het geplafonneerde vroegere inkomen. Deze uitkering bedraagt 65 % van dit inkomen voor groep 1, 45 % voor groep 2 en 40 % voor groep 3.
9 Enerzijds meent de Commissie, dat de nieuwe bepalingen eigenlijk alleen de benaming van twee van de drie groepen werklozen hebben veranderd en dat, afgezien van de groep van zogenoemde "alleenstaande" werklozen waarvan de naam niet is gewijzigd, de groepen "gezinshoofden" en "samenwonenden" overeenstemmen met respectievelijk de groepen 1 en 3.
10 Anderzijds betoogt de Commissie, dat het huidige stelsel van werkloosheidsuitkeringen lijkt op het vorige en dat de berekeningswijze van dit stelsel is uitgebreid tot de invaliditeitsverzekering. Volgens haar bevoordeelt het stelsel van werkloosheids- en invaliditeitsuitkeringen groep 1 en veroorzaakt het daardoor een discriminatie tussen mannen, die deze groep in overwegende mate bevolken, en vrouwen, die hoofdzakelijk in groep 3 te vinden zijn; deze discriminatie is in strijd met artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7 van de Raad.
11 In de met redenen omklede adviezen van 2 juni 1986 en 20 juni 1988 en vervolgens in het verzoekschrift komt de Commissie op tegen een discriminatie in het voordeel van de mannen door de gunstiger behandeling van de personen in groep 1. Het verschil in behandeling tussen de rechthebbenden van groep 2 en van groep 3, in verband met de toeslag van 5 % van het vroegere inkomen voor het verlies van een enig inkomen, die uitsluitend wordt toegekend aan werklozen van de groepen 1 en 2, laakt zij echter niet.
12 Voor een nadere uiteenzetting van de toepasselijke nationale wettelijke regeling, de bedragen van de uitkeringen en vergoedingen, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
13 Vooraf moet eraan worden herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7 zich verzet tegen de ongunstiger behandeling van een sociale groep wanneer blijkt, dat die groep uit een veel groter aantal personen van het ene dan van het andere geslacht bestaat, tenzij de betrokken maatregel "haar rechtvaardiging vindt in objectieve factoren, die geen verband houden met discriminatie op grond van geslacht" (arrest van 27 juni 1990, zaak C-33/89, Kowalska, Jurispr. 1990, blz. I-2591, r.o. 16).
14 Tevens moet eraan worden herinnerd, dat het Hof in het bijzonder heeft verklaard, dat een stelsel van uitkeringen waarin verhogingen zijn voorzien die niet direct verband houden met het geslacht van de uitkeringsgerechtigde, doch die rekening houden met zijn echtelijke staat of gezinssituatie, en waarbij blijkt dat een aanzienlijk lager percentage vrouwen dan mannen voor toekenning van deze verhogingen in aanmerking komt, in strijd zou zijn met artikel 4, lid 1, van de richtlijn, indien het geen rechtvaardiging vindt in redenen die discriminatie op grond van geslacht uitsluiten (arrest van 11 juni 1987, zaak 30/85, Teuling, Jurispr. 1987, blz. 2497, r.o. 13).
15 Uit het dossier en met name uit het door de Belgische regering verstrekte cijfermateriaal blijkt, dat de mannelijke werklozen of invaliden aanzienlijk talrijker zijn in groep 1, terwijl vrouwen de meerderheid vormen in groep 3.
16 Derhalve zou een stelsel van werkloosheids- en invaliditeitsuitkeringen dat rekening houdt met de gezinslasten van de enen en met het inkomen van de echtgenoot voor de anderen, in strijd zijn met artikel 4, lid 1, van de richtlijn, indien de Belgische regering het niet kan rechtvaardigen met redenen die geen verband houden met discriminatie op grond van geslacht.
17 Volgens de Belgische regering is de ongelijke verdeling van vrouwen en mannen over de drie groepen de afspiegeling van een maatschappelijk fenomeen, namelijk dat minder vrouwen dan mannen een beroep uitoefenen.
18 Uit dergelijke overwegingen betreffende de verschillende plaats die mannen en vrouwen in de Belgische beroepsbevolking innemen, kunnen echter geen objectieve criteria worden afgeleid die geen verband houden met discriminatie op grond van geslacht.
19 Indien het Koninkrijk België daarentegen kan aantonen, dat de gekozen middelen beantwoorden aan een noodzakelijke doelstelling van zijn sociaal beleid en ter bereiking van dat doel geschikt en noodzakelijk zijn, dan kan in het enkele feit dat het uitkeringsstelsel een veel groter aantal mannelijke werknemers bevoordeelt, geen schending van het beginsel van gelijke behandeling worden gezien (arrest van 13 juli 1989, zaak 171/88, Rinner-Kuehn, Jurispr. 1989, blz. 2743, r.o. 14).
20 Dienaangaande betoogt het Koninkrijk België, dat zijn nationale stelsel beoogt om, binnen de door de begroting gestelde grenzen, aan iedereen en zonder tijdsbeperking een minimum vervangingsinkomen toe te kennen, rekening houdend met de gezinssituatie van de betrokkene die kan zijn geconfronteerd met de bijkomende behoeften van personen ten laste, of die integendeel een echtgenoot met een inkomen heeft.
21 Opgemerkt moet worden, dat de toekenning van zulk een inkomen een integrerend onderdeel vormt van het sociale beleid van de Lid-Staten.
22 De Belgische wettelijke regeling beoogt het bestaan van uiteenlopende behoeften in aanmerking te nemen. Enerzijds erkent zij, dat werkloosheid zwaardere lasten veroorzaakt voor gezinnen met slechts één inkomen, anderzijds houdt zij rekening met de financiële steun die het inkomen van de echtgenoot voor de werkloze betekent. Voorts wil zij de aanpassing van de betrokkenen aan hun nieuwe financiële situatie vergemakkelijken door een te plotselinge daling van hun inkomen in het eerste jaar te verhinderen en tegelijk de werkloze met personen ten laste ook na afloop van een periode van achttien maanden in staat te stellen, de lasten van een gezin te dragen. Deze beginselen en deze doelstellingen passen in een sociaal beleid, dat in de huidige stand van het gemeenschapsrecht behoort tot de bevoegdheid van de Lid-Staten die met betrekking tot de aard van de sociale beschermingsmaatregelen en de concrete uitvoeringsmodaliteiten ervan over een redelijke beleidsmarge beschikken (arrest van 12 juli 1984, zaak 184/83, Hofmann, Jurispr. 1984, blz. 3047, r.o. 27).
23 De begrenzing van de inaanmerkingneming van het vroegere inkomen, het bestaan van een maximumuitkering, de vaststelling van een forfait voor de werklozen van groep 3 na een bepaalde tijd van werkloosheid en de verhoging van de uitkering wanneer de gecumuleerde maandelijkse uitkeringen van samenwonenden van groep 3 lager zijn dan het maximumbedrag dat aan de gerechtigden van groep 1 wordt uitgekeerd, zijn factoren die, naast andere, aan het Belgische vervangingsinkomen het karakter verlenen van een gewaarborgd bestaansminimum voor de gezinnen. Uit het dossier blijkt, dat de toeslagen voor degenen die samenwonen met een echtgenoot of met kinderen zonder inkomen, niet hoger zijn dan de lasten die de aanwezigheid van die personen redelijkerwijs meebrengt.
24 Met betrekking tot de waarborg van een bestaansminimum heeft het Hof reeds vastgesteld, dat het gemeenschapsrecht zich er niet tegen verzet, dat een Lid-Staat, om zijn sociale uitgaven te beheersen, rekening houdt met de relatief grotere behoeften van uitkeringsgerechtigden met een echtgenoot of kind ten laste of wier echtgenoot een zeer laag inkomen heeft, in vergelijking met die van alleenstaanden. Het Hof heeft immers verklaard, dat richtlijn 79/7 zich niet verzet tegen een wet die de voordien voor alle arbeidsongeschikte werknemers met een inkomen van om of nabij het wettelijk minimumloon geldende garantie, dat de (netto-)uitkering ten minste gelijk is aan het (netto-)wettelijk minimumloon, beperkt tot degenen die een echtgenoot of kind ten laste hebben of wier echtgenoot een zeer laag inkomen heeft (arrest van 11 juni 1987, reeds geciteerd, r.o. 22 en 23).
25 Daaruit volgt, dat indien een Lid-Staat in verband met zijn sociaal beleid aan alleenstaande werknemers een uitkering mag ontzeggen, hij a fortiori de aan hen betaalde uitkering mag verminderen wegens het ontbreken van personen ten laste .
26 Uit een en ander volgt, dat de Belgische regering heeft aangetoond dat haar stelsel van werkloosheids- en invaliditeitsuitkeringen beantwoordt aan een gerechtvaardigde doelstelling van sociaal beleid, dat de toegekende verhogingen ter bereiking van dat doel geschikt en noodzakelijk zijn en dat het derhalve zijn rechtvaardiging vindt in redenen die geen verband houden met discriminatie op grond van geslacht.
27 Mitsdien is het beroep van de Commissie niet gegrond en moet het worden verworpen.
Kosten
28 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep van de Commissie.
2) Verwijst de Commissie in de kosten van de procedure.