Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende strafrechtelijke sancties voor handel met voorwetenschap en marktmanipulatie
/* COM/2011/0654 definitief - 2011/0297 (COD) */
| BG | ES | CS | DA | DE | ET | EL | EN | FR | GA | IT | LV | LT | HU | MT | NL | PL | PT | RO | SK | SL | FI | SV |
| html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | |
| doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc |
| Twee talen naast elkaar: BG CS DA DE EL EN ES ET FI FR HU IT LT LV MT NL PL PT RO SK SL SV |
TOELICHTING
1. ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL
De richtlijn marktmisbruik (Market Abuse Directive, MAD) 2003/6/EG werd begin 2003 goedgekeurd en stelde een omvattend kader in om handel met voorwetenschap en marktmanipulatie, ondergebracht onder de gezamenlijke noemer "marktmisbruik", aan te pakken. De richtlijn is erop gericht om het vertrouwen van de beleggers en de marktintegriteit te verhogen door personen die over voorwetenschap beschikken te verbieden om handel te drijven in financiële instrumenten waarop die voorwetenschap betrekking heeft en door marktmanipulatie via praktijken zoals het verspreiden van geruchten en valse of misleidende berichten en het afsluiten van handelstransacties om de koers op een abnormaal niveau te houden, te verbieden.
Om de naleving van Richtlijn 2003/6/EG te garanderen, dienen de lidstaten ervoor te zorgen dat overeenkomstig hun nationale wetgeving passende administratieve maatregelen kunnen worden genomen of administratieve sancties kunnen worden opgelegd aan de verantwoordelijke personen indien de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde bepalingen niet worden nageleefd. Deze verplichting doet geen afbreuk aan het recht van de lidstaten om strafrechtelijke sancties op te leggen.
In het verslag van de groep van deskundigen op hoog niveau inzake financieel toezicht in de EU[1] werd aanbevolen dat een "een streng beleids- en bedrijfsvoeringskader voor de financiële sector gestoeld moet zijn op strenge toezicht- en sanctieregelingen". De groep is daarom van mening dat de toezichthoudende autoriteiten over voldoende bevoegdheden moeten beschikken om op te treden en een beroep moeten kunnen doen op "billijke, strenge en afschrikkende sanctieregelingen voor alle financiële wangedragingen, die doeltreffend moeten worden uitgevoerd."
Een doeltreffende handhaving vereist dat de bevoegde autoriteiten sancties ter beschikking hebben die, in overeenstemming met artikel 14 van Richtlijn 2003/6/EG, "doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn". Een doeltreffende handhaving is bovendien ook afhankelijk van de middelen waarover de bevoegde autoriteiten beschikken en hun wil om misbruik op te sporen en te onderzoeken. De groep op hoog niveau is echter van mening dat "dergelijke sanctieregelingen momenteel niet aanwezig zijn" en dat de sanctieregelingen van de lidstaten over het algemeen zwak en wijd uiteenlopend worden geacht.
Daarom heeft de Commissie een mededeling gepubliceerd[2] met betrekking tot sanctieregelingen in de financiële sector. In de mededeling wordt er geopperd dat strafrechtelijke sancties en met name gevangenisstraffen in het algemeen worden geacht een sterk afkeurend signaal te geven dat het afschrikkende effect van sancties kan verhogen, mits zij door het strafrechtelijke stelsel passend worden toegepast. Het is evenwel mogelijk dat strafrechtelijke sancties niet voor alle soorten schendingen en in alle gevallen passend zijn. In de mededeling concludeert de Commissie dat zij zal beoordelen of en op welke gebieden het invoeren van strafrechtelijke sancties en het vaststellen van minimumvoorschriften voor de bepaling van strafbare feiten en sancties nodig kan blijken voor de doeltreffende uitvoering van de EU-wetgeving inzake financiële diensten.
Het voorstel volgt de benadering van de mededeling van 20 september 2011 "Werken aan een strafrechtbeleid van de EU: de effectieve uitvoering van EU-beleid waarborgen door middel van strafrecht"[3]. Deze omvat een beoordeling, gebaseerd op duidelijk feitelijk bewijsmateriaal, van de bestaande nationale handhavingsregelingen en de toegevoegde waarde van gemeenschappelijke EU-minimumregels inzake strafrecht, met inachtneming van het noodzakelijkheids- het evenredigheids- en het subsidiariteitsbeginsel.
Overeenkomstig het programma van Stockholm en de conclusies van de Raad JBZ van 22 april 2010 betreffende de preventie van economische crisissen en de ondersteuning van economische bedrijvigheid[4], heeft de Europese Commissie de toepassing van de nationale voorschriften voor de tenuitvoerlegging van de richtlijn marktmisbruik onderzocht en heeft zij een aantal problemen vastgesteld die negatieve gevolgen hebben voor de marktintegriteit en de bescherming van de beleggers. Een van de problemen die in de effectbeoordeling naar voren zijn gekomen, is het feit dat de bestaande sancties om feiten van marktmisbruik te bestrijden, onvoldoende effect sorteren en niet voldoende afschrikkend werken, wat leidt tot een gebrekkige handhaving van de richtlijn. Bovendien loopt de definitie van welke handel met voorwetenschap of welke gevallen van marktmanipulatie strafbare feiten vormen, in de verschillende lidstaten sterk uiteen. Vijf lidstaten voorzien bijvoorbeeld niet in strafrechtelijke sancties voor het vrijgeven van voorwetenschap door primaire ingewijden en acht lidstaten voorzien daarin ook niet voor vrijgave van voorwetenschap door secundaire ingewijden. Bovendien is er een lidstaat die momenteel geen strafrechtelijke sancties oplegt aan primaire ingewijden voor handel met voorwetenschap en vier lidstaten doen dat niet voor marktmanipulatie. Aangezien marktmisbruik ook over de grenzen heen kan plaatsvinden, ondermijnt deze divergentie de interne markt en laat zij plegers van marktmisbruik enige ruimte om een dergelijk misbruik te plegen onder rechtsstelsels die niet voorzien in strafrechtelijke sancties voor bepaalde feiten.
Minimumregels voor strafbare feiten en strafrechtelijke sancties voor marktmisbruik, die zouden worden omgezet in het nationale strafrecht en toegepast binnen de strafrechtsstelsels van de lidstaten, kunnen ertoe bijdragen om de doeltreffendheid van dit EU-beleid te verzekeren doordat zij de maatschappelijke afkeuring kwalitatief anders uitdrukken dan administratieve sancties of compensatiemechanismen krachtens het burgerlijke recht. Strafrechtelijke veroordelingen van plegers van marktmisbruik, die vaak uitvoerig besproken worden in de media, versterken het afschrikkende effect, aangezien zij mogelijke daders duidelijk maken dat de autoriteiten ernstige maatregelen nemen om de handhaving te garanderen, wat kan leiden tot opsluiting of andere strafrechtelijke sancties en een strafblad. Gemeenschappelijke minimumregels voor het definiëren van strafbare feiten voor de meest ernstige gevallen van marktmisbruik vereenvoudigen de samenwerking tussen rechtshandhavingsinstanties in de Unie, in het bijzonder aangezien de feiten in veel gevallen over de grenzen heen gepleegd worden.
Hoewel de voorschriften voor het voorkomen en bestrijden van feiten van marktmisbruik al sinds 2003 in werking zijn op EU-niveau, toont de ervaring aan dat het gewenste effect, te weten het op een doeltreffende manier bijdragen tot de bescherming van de financiële markten, niet bereikt werd met het huidige stelsel. Hoewel er in het voorstel voor een verordening (EU) nr. … van het Europees Parlement en de Raad betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie, waarmee men eveneens andere grote problemen in het huidige stelsel wil aanpakken, voorstellen zijn opgenomen om de samenhang tussen administratieve sancties te versterken en te verzekeren, wordt in dit voorstel vastgelegd dat lidstaten minimumvoorschriften voor de definiëring van de meest ernstige feiten van marktmisbruik moeten uitwerken en daar minimumniveaus voor strafrechtelijke sancties aan moeten koppelen.
2. RESULTATEN VAN DE RAADPLEGING VAN DE BETROKKEN PARTIJEN EN EFFECTBEOORDELINGEN
Het initiatief is het resultaat van raadplegingen met alle belangrijke belanghebbenden, met inbegrip van overheden (regeringen en effectenregelgevers), uitgevende instellingen, tussenpersonen en beleggers.
Het houdt rekening met het verslag betreffende de administratieve maatregelen en strafrechtelijke sancties die in de lidstaten beschikbaar zijn krachtens de richtlijn marktmisbruik dat door het Comité van Europese effectenregelgevers (CEER) werd gepubliceerd[5]. Het houdt eveneens rekening met de resultaten van de raadpleging die door de Commissie werd gelanceerd in haar mededeling betreffende het versterken van de sanctieregelingen in de financiële sector.
Op 12 november 2008 heeft de Europese Commissie een openbare conferentie gehouden over de herziening van de richtlijn marktmisbruik[6]. Op 20 april 2009 heeft de Europese Commissie een "call for evidence" gelanceerd betreffende de herziening van de richtlijn marktmisbruik. De diensten van de Commissie hebben 85 bijdragen ontvangen. De niet-vertrouwelijke bijdragen kunnen geraadpleegd worden op de website van de Commissie[7].
Op 28 juni 2010 heeft de Commissie een openbare raadpleging geëntameerd over de herziening van de richtlijn, die op 23 juli 2010 werd afgesloten[8]. De diensten van de Commissie hebben 96 bijdragen ontvangen. De niet-vertrouwelijke bijdragen kunnen geraadpleegd worden op de website van de Commissie[9]. Een samenvatting is terug te vinden in bijlage 2 van het effectbeoordelingsverslag[10]. Op 2 juli 2010 heeft de Commissie een bijkomende openbare conferentie georganiseerd over de herziening van de richtlijn[11].
In overeenstemming met haar beleid voor een betere regelgeving, heeft de Commissie een effectbeoordeling uitgevoerd voor beleidsalternatieven. Als onderdeel van deze voorbereidende werkzaamheden werden beleidsopties met betrekking tot strafrechtelijke sancties werden overwogen. In de effectbeoordeling werd daarover de conclusie geformuleerd dat het van essentieel belang is dat van de lidstaten wordt geëist dat zij strafrechtelijke sancties invoeren voor de meest ernstige feiten van marktmisbruik om de doeltreffende toepassing van het beleid van de Unie inzake marktmisbruik te garanderen. Dat zal, in combinatie met de geprefereerde beleidsopties die in het voorstel voor een verordening (EU) nr. … van het Europees Parlement en de Raad betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie worden behandeld, een positieve invloed hebben op het vertrouwen van de beleggers en verder bijdragen tot de financiële stabiliteit van de financiële markten.
3. JURIDISCHE ASPECTEN VAN HET VOORSTEL 3.1. Rechtsgrondslag
Het voorstel is gebaseerd op artikel 83, lid 2, van het VWEU.
3.2. Subsidiariteit en evenredigheid
Krachtens het subsidiariteitsbeginsel (artikel 5, lid 3, van het VEU) treedt de Unie slechts op indien en voor zover de doelstellingen van het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang of de gevolgen van het overwogen optreden beter door de Unie kunnen worden bereikt.
Marktmisbruik kan plaatsvinden over de grenzen heen en schaadt de integriteit van de financiële markten, die steeds verder in de Unie geïntegreerd zijn. De uiteenlopende benaderingen voor het opleggen van strafrechtelijke sancties voor feiten van marktmisbruik die door de lidstaten gehanteerd worden, laten een zekere bewegingsruimte aan de plegers van dergelijke feiten, die er vaak in slagen om gebruik te maken van de meest inschikkelijke sanctieregelingen. Dat ondermijnt zowel het afschrikkende effect van elke nationale sanctieregeling als de doeltreffende handhaving van het Europese wetgevingskader inzake marktmisbruik. Het vastleggen van minimumvoorschriften in de hele EU voor de vormen van marktmisbruik die beschouwd worden als strafbaar feit, kan bijdragen tot het aanpakken van dit probleem.
In het licht van deze situatie lijkt het, in het kader van het subsidiariteitsbeginsel, gepast dat de EU actie onderneemt.
Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel moet een interventie doelgericht zijn en mag ze niet verder gaan dan hetgeen noodzakelijk is om de doelstellingen te verwezenlijken. Met dit beginsel werd rekening gehouden vanaf de identificatie en evaluatie van alternatieve beleidsopties tot het opstellen van dit voorstel.
3.3. Gedetailleerde toelichting van het voorstel 3.3.1. Strafbare feiten
In samenhang met artikel 2 van het voorstel, wordt in artikel 3 vastgelegd welke feiten van marktmisbruik door de lidstaten beschouwd moeten worden als strafbare feiten en bijgevolg aan strafrechtelijke sancties onderworpen moeten worden.
Twee vormen van marktmisbruik, met name handel met voorwetenschap en marktmanipulatie, dienen als strafbaar feit te worden beschouwd als zij met opzet worden gepleegd. De poging om handel met voorkennis of marktmanipulatie te plegen, dient ook bestraft te worden als strafbaar feit.
Het strafbare feit dat betrekking heeft op voorwetenschap zou van toepassing moeten zijn op personen die weten dat de informatie waarover zij beschikken, voorwetenschap betreft. Het strafbare feit dat betrekking heeft op marktmanipulatie kan op iedereen van toepassing zijn.
3.3.2. Uitlokking, medeplichtigheid en poging
Artikel 4 garandeert dat zowel uitlokking van als medeplichtigheid aan de vastgelegde strafbare feiten eveneens strafbaar zijn in de lidstaten. De poging om een van de strafbare feiten die in artikelen 3 en 4 zijn vastgelegd, te plegen, valt ook onder de richtlijn, met uitzondering van de ongeoorloofde openbaarmaking van voorwetenschap en het verspreiden van informatie waarmee onjuiste of misleidende signalen worden gegeven, aangezien het niet gepast lijkt om pogingen om deze feiten te plegen te omschrijven als strafbare feiten.
3.3.3. Strafrechtelijke sancties
Artikel 5 bepaalt dat de lidstaten de nodige maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat voor de in de artikelen 3 en 4 bedoelde strafbare feiten strafrechtelijke sancties gelden. Deze sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend zijn.
3.3.4. Aansprakelijkheid van rechtspersonen
Artikel 6 bepaalt dat lidstaten ervoor moeten zorgen dat rechtspersonen aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de strafbare feiten die in artikelen 3 en 4 zijn gedefinieerd.
4. GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING
Het voorstel heeft geen gevolgen voor de begroting van de Unie.
2011/0297 (COD)
Voorstel voor een
RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
betreffende strafrechtelijke sancties voor handel met voorwetenschap en marktmanipulatie
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name op artikel 83, lid 2,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité[12],
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,
Overwegende hetgeen volgt:
(1) Voor een geïntegreerde en efficiënte financiële markt is marktintegriteit nodig. Een goede werking van de effectenmarkten en vertrouwen van het publiek in de markten zijn noodzakelijke voorwaarden voor economische groei en welvaart. Marktmisbruik schaadt de integriteit van de financiële markten en schendt het vertrouwen van het publiek in effecten en derivaten.
(2) Richtlijn 2003/6/EG[13] van het Europees Parlement en de Raad betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie (marktmisbruik) bepaalde dat de lidstaten ervoor moesten zorgen dat de bevoegde autoriteiten over de bevoegdheid beschikken om marktmisbruik op te sporen en te onderzoeken. Onverminderd het recht van de lidstaten tot het opleggen van strafrechtelijke sancties, moesten lidstaten krachtens Richtlijn 2003/6/EG er eveneens voor zorgen dat passende administratieve maatregelen kunnen worden genomen of administratieve sancties kunnen worden opgelegd aan de voor schendingen van de nationale voorschriften voor de tenuitvoerlegging van die richtlijn verantwoordelijke personen.
(3) In het verslag van de groep van deskundigen op hoog niveau inzake financieel toezicht in de EU werd aanbevolen dat een streng beleids- en bedrijfsvoeringskader voor de financiële sector gestoeld moet zijn op strenge toezicht- en sanctieregelingen. De groep was daarom van mening dat de toezichtautoriteiten over voldoende bevoegdheden moeten beschikken om op te treden en dat er eveneens doeltreffende, evenredige en afschrikkende sanctieregelingen tegen alle financiële misdaden moeten worden uitgewerkt, met sancties die doeltreffend toegepast moeten worden. De groep concludeerde dat de sanctieregelingen van de lidstaten over het algemeen zwak en wijd uiteenlopend zijn.
(4) Een goed werkend wetgevingskader inzake marktmisbruik vereist een doeltreffende handhaving. Een beoordeling van de nationale regelingen voor administratieve sancties krachtens Richtlijn 2003/6/EG heeft aangetoond dat niet alle nationale bevoegde autoriteiten over de nodige bevoegdheden beschikken om met de gepaste sanctie te kunnen reageren op marktmisbruik. Met name beschikten niet alle lidstaten over administratieve geldboeten die kunnen worden opgelegd voor handel met voorwetenschap en marktmanipulatie, en liep het niveau van die sancties sterk uiteen in de verschillende lidstaten.
(5) De vaststelling van administratieve sancties door de lidstaten bleek onvoldoende om de naleving van de voorschriften om marktmisbruik te voorkomen en te bestrijden, te garanderen.
(6) Het is van essentieel belang dat de naleving versterkt wordt door de mogelijkheid van strafrechtelijke sancties die kwalitatief anders blijk geven van de maatschappelijke afkeuring dan administratieve sancties. Het als strafbaar feit aanmerken van de meest ernstige vormen van marktmisbruik maakt via ondubbelzinnige grenzen in de wet duidelijk dat dergelijk gedrag onaanvaardbaar is en geeft een signaal aan de bevolking en aan mogelijke plegers dat deze feiten bijzonder ernstig genomen worden door de bevoegde autoriteiten.
(7) Niet alle lidstaten hebben strafrechtelijke sancties ingevoerd voor bepaalde vormen van ernstige inbreuken op de nationale wetgeving ter uitvoerlegging van Richtlijn 2003/6/EG. Deze uiteenlopende benaderingen ondermijnen de eenvormigheid van de voorwaarden voor de werking van de interne markt en kunnen personen aanmoedigen om marktmisbruik te begaan in lidstaten die voor deze feiten geen strafrechtelijke sancties opleggen. Bovendien bestond er tot nu toe geen algemene overeenstemming in de EU over welk gedrag beschouwd kan worden als een dergelijke ernstige inbreuk. Daarom moeten er minimumvoorschriften worden uitgewerkt voor het bepalen van strafbare feiten die door natuurlijke en rechtspersonen gepleegd worden en van sancties. Gemeenschappelijke minimumvoorschriften zouden het ook mogelijk maken om doeltreffendere onderzoeksmethoden te hanteren en doeltreffend samen te werken binnen en tussen de lidstaten. Strafrechtelijke veroordelingen voor feiten van marktmisbruik worden vaak uitvoerig besproken in de media, wat mogelijke plegers van dergelijke feiten kan afschrikken, aangezien zij de aandacht van de bevolking vestigen op de inzet van de bevoegde autoriteiten om marktmisbruik aan te pakken.
(8) Het opleggen van strafrechtelijke sancties voor de meest ernstige vormen van marktmisbruik door alle lidstaten is daarom van essentieel belang om de doeltreffende tenuitvoerlegging van het Europese beleid ter bestrijding van marktmisbruik te garanderen in overeenstemming met de voorschriften als omschreven in de mededeling "Werken aan een strafrechtbeleid van de EU: de effectieve uitvoering van EU-beleid waarborgen door middel van strafrecht"[14].
(9) Om het toepassingsgebied van deze richtlijn in overeenstemming te brengen met dat van Verordening (EU) nr. ... van het Europees Parlement en de Raad betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie, dienen de handel in eigen aandelen met het oog op stabilisatie en terugkoopprogramma's evenals transacties, orders en gedragingen die worden uitgevoerd ten behoeve van beheersactiviteiten met betrekking tot monetair beleid en overheidsschuld en handelingen met betrekking tot emissierechten in het kader van het klimaatbeleid van de Unie, niet onder deze richtlijn te vallen.
(10) Lidstaten moeten uitsluitend verplicht moeten zijn om strafbare feiten inzake handel met voorwetenschap of marktmanipulatie in overeenstemming met deze Richtlijn aan strafrechtelijke sancties te onderwerpen wanneer zij opzettelijk worden begaan.
(11) Vanwege de nadelige gevolgen die pogingen tot handel met voorwetenschap en pogingen tot marktmanipulatie hebben voor de integriteit van de financiële markten en het vertrouwen van de beleggers in die markten, moeten ook deze gedragingen bestraft worden als strafbaar feit.
(12) Deze richtlijn moet ook van lidstaten eisen dat uitlokking van of medeplichtigheid aan de bedoelde strafbare feiten eveneens strafbaar worden gesteld. In die context moet het er op grond van voorwetenschap voor zorgen dat een derde financiële instrumenten verkrijgt of vervreemdt waarop die voorwetenschap betrekking heeft, beschouwd worden als uitlokking van handel met voorwetenschap.
(13) Deze richtlijn moet worden toegepast binnen het rechtskader dat werd vastgelegd in Verordening (EU) nr. … van het Europees Parlement en de Raad betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie en de uitvoeringsmaatregelen van die verordening.
(14) Om de doeltreffende tenuitvoerlegging te verzekeren van het Europese beleid ter garantie van de integriteit van de financiële markten dat in Verordening (EU) nr. …. van het Europees Parlement en de Raad betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie is vastgelegd, moeten de lidstaten ook rechtspersonen aansprakelijk en waar mogelijk strafrechtelijk aansprakelijk stellen.
(15) Aangezien deze richtlijn voorziet in minimumvoorschriften, staat het de lidstaten vrij om strengere strafrechtelijke bepalingen voor marktmisbruik uit te werken of te handhaven.
(16) Het verwerken van persoonsgegevens in het kader van de tenuitvoerlegging van deze richtlijn moet gebeuren met inachtneming van Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens[15].
(17) Aangezien de doelstelling van deze richtlijn, namelijk het verzekeren van de beschikbaarheid van strafrechtelijke sancties voor de meest ernstige vormen van marktmisbruik in de hele Unie, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en dit, gelet op de omvang en de effecten van deze richtlijn, derhalve beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel, als vastgelegd in artikel 5 van het Verdrag, maatregelen nemen. Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel als neergelegd in genoemd artikel gaat deze richtlijn niet verder dan hetgeen noodzakelijk is om deze doelstelling te bereiken.
(18) Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, zoals verankerd in het Verdrag. De richtlijn dient in het bijzonder te worden toegepast met inachtneming van de vrijheid van ondernemerschap (artikel 16), het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht (artikel 47), het vermoeden van onschuld en rechten van de verdediging (artikel 48), het legaliteitsbeginsel en evenredigheidsbeginsel inzake delicten en straffen (artikel 49) en recht om niet tweemaal in een strafrechtelijke procedure voor hetzelfde delict te worden berecht of gestraft (artikel 50).
(19) De Commissie dient de tenuitvoerlegging van deze richtlijn in de lidstaten beoordelen, ook met het oog op het beoordelen van een mogelijke behoefte in de toekomst om een minimale harmonisatie van de soorten strafrechtelijke sancties en de maat van die sancties door te voeren.
(20) [Overeenkomstig de artikelen 1, 2, 3 en 4 van het Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, gehecht aan het Verdrag, heeft het Verenigd Koninkrijk te kennen gegeven dat het aan de vaststelling en toepassing van deze richtlijn wenst deel te nemen] OF [Onverminderd artikel 4 van het Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, gehecht aan het Verdrag, zal het Verenigd Koninkrijk niet deelnemen aan de aanneming van deze richtlijn. Deze richtlijn is bijgevolg niet bindend voor, noch van toepassing op het Verenigd Koninkrijk].
(21) [Overeenkomstig artikelen 1, 2, 3 en 4 van het Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, gehecht aan het Verdrag, heeft Ierland te kennen gegeven dat het aan de vaststelling en toepassing van deze richtlijn wenst deel te nemen] OF [Onverminderd artikel 4 van het Protocol nr. 21 betreffende de positie van Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, gehecht aan het Verdrag, zal Ierland niet deelnemen aan de aanneming van deze richtlijn. Deze richtlijn is bijgevolg niet bindend voor, noch van toepassing op Ierland].
(22) Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, dat gehecht is aan het Verdrag, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van deze richtlijn. Deze richtlijn is bijgevolg niet bindend voor, noch van toepassing op Denemarken,
HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1 Onderwerp en toepassingsgebied
1. Deze richtlijn stelt de minimumvoorschriften vast voor strafrechtelijke sancties voor de meest ernstige vormen van marktmisbruik, te weten handel met voorwetenschap en marktmanipulatie.
2. Deze richtlijn is niet van toepassing op handel in eigen aandelen in het kader van terugkoopprogramma's of voor de stabilisatie van een financieel instrument mits die handel plaatsvindt overeenkomstig artikel 3 van Verordening (EU) nr. …. van het Europees Parlement en de Raad betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie, of op transacties, handelsorders of gedragingen die plaatsvinden in het kader van beheersactiviteiten met betrekking tot monetair beleid en overheidsschuld en activiteiten met betrekking tot emissierechten ter uitvoering van het klimaatbeleid van de Unie overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EU) nr. …. van het Europees Parlement en de Raad betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie.
3. Deze richtlijn is ook van toepassing op gedragingen of transacties, waaronder biedingen, met betrekking tot het veilen van emissierechten of andere daarop gebaseerde geveilde producten ingevolge Verordening (EU) nr. 1031/2010 van de Commissie. De bepalingen in deze richtlijn die naar handelsorders verwijzen, zijn van toepassing op biedingen die in het kader van een veiling zijn gedaan[16].
Artikel 2 Definities
Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
1. "Financieel instrument": elk instrument in de zin van artikel 2, lid 1, onder 8) van Verordening (EU) nr. …. van het Europees Parlement en de Raad betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie.
2. "Handel met voorwetenschap": informatie in de zin van artikel 6 van Verordening (EU) nr. …. van het Europees Parlement en de Raad betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie.
Artikel 3 Handel met voorwetenschap
De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de volgende gedragingen strafbaar worden gesteld, mits deze opzettelijk hebben plaatsgevonden:
(a) het wanneer men over voorwetenschap beschikt, gebruiken van die informatie om financiële instrumenten waarop die informatie betrekking heeft te verkrijgen of te vervreemden, voor eigen rekening of voor rekening van derden. Dit omvat ook het gebruik van voorwetenschap om een order met betrekking tot een financieel instrument waarop die informatie betrekking heeft te annuleren of te wijzigen in zoverre die order geplaatst werd voordat over die voorwetenschap werd beschikt; of
(b) het aan een derde meedelen van voorwetenschap, tenzij dit gebeurt in het kader van de wettige uitoefening van plichten die voortvloeien uit werk of beroep.
Artikel 4 Marktmanipulatie
De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de volgende gedragingen strafbaar worden gesteld, mits deze opzettelijk plaatsvinden:
(a) het geven van onjuiste of misleidende signalen met betrekking tot het aanbod van, de vraag naar of de koers van een financieel instrument of een daarmee verband houdend spotcontract voor grondstoffen;
(b) het op een abnormaal of kunstmatig niveau houden van de koers van een of meerdere financiële instrumenten of een daarmee verband houdend spotcontract voor grondstoffen;
(c) het aangaan van een transactie, het plaatsen van een handelsorder of een andere activiteit op de financiële markten die de koers beïnvloedt van een of meerdere financiële instrumenten of een daarmee verband houdend spotcontract voor grondstoffen, waarbij gebruik gemaakt wordt van een kunstgreep of enigerlei andere vorm van bedrog of misleiding;
(d) de verspreiding van informatie die onjuiste of misleidende signalen geeft met betrekking tot financiële instrumenten of daarmee verband houdende spotcontracten voor grondstoffen, waarbij de betrokken verspreiding van de informatie de persoon die de informatie verspreid heeft een voordeel of winst oplevert, voor hemzelf of voor derden.
Artikel 5 Uitlokking, medeplichtigheid en poging
1. De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat uitlokking van en medeplichtigheid aan de in artikelen 3 en 4 vastgelegde strafbare feiten strafbaar worden gesteld als strafbaar feit.
2. De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de poging om de in de artikelen 3, onder a), en 4, onder a), b) en c) genoemde feiten te plegen, strafbaar worden gesteld als strafbaar feit.
Artikel 6 Strafrechtelijke sancties
De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat op de in de artikelen 3 tot en met 5 bedoelde strafbare feiten doeltreffende, evenredige en afschrikkende strafrechtelijke sancties gesteld worden.
Artikel 7 Aansprakelijkheid van rechtspersonen
1. De lidstaten nemen de maatregelen die noodzakelijk zijn om ervoor te zorgen dat rechtspersonen aansprakelijk kunnen worden gesteld voor een van de in de artikelen 3 tot en met 5 bedoelde strafbare feiten, wanneer deze feiten te hunnen voordele zijn gepleegd door personen die in de rechtspersoon een leidende functie bekleden en die hetzij individueel, hetzij als lid van een orgaan van de rechtspersoon optreden op grond van:
(a) de bevoegdheid om de rechtspersoon te vertegenwoordigen;
(b) de bevoegdheid om namens de rechtspersoon beslissingen te nemen; of
(c) de bevoegdheid om binnen de rechtspersoon toezicht uit te oefenen.
2. De lidstaten nemen ook de maatregelen die noodzakelijk zijn om ervoor te zorgen dat rechtspersonen aansprakelijk kunnen worden gesteld wanneer ten gevolge van gebrekkig toezicht of gebrekkige controle door een in lid 1 bedoelde persoon, een strafbaar feit als bedoeld in de artikelen 3 tot en met 5 kon worden begaan ten voordele van die rechtspersoon door een onder het gezag daarvan staande persoon.
3. De aansprakelijkheid van rechtspersonen krachtens de leden 1 en 2 sluit strafvervolging van natuurlijke personen die een in de artikelen 3 tot en met 5 bedoeld strafbaar feit plegen, tot het plegen daarvan aanzetten of aan het plegen daarvan medeplichtig zijn, niet uit.
Artikel 8 Sancties tegen rechtspersonen
De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat aan een rechtspersoon die ingevolge artikel 7 aansprakelijk is gesteld, sancties kunnen worden opgelegd die doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.
Artikel 9 Verslag
Uiterlijk [4 jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] brengt de Commissie verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de toepassing van deze richtlijn en, in voorkomend geval, over de noodzaak deze te herzien, met name gelet op de wenselijkheid om gemeenschappelijke minimumregels in te voeren inzake de soorten strafrechtelijke sancties en de maat daarvan.
De Commissie zal haar verslag zo nodig vergezeld van een wetgevingsvoorstel indienen.
Artikel 10 Omzetting
1. De lidstaten dienen uiterlijk op [24 maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn] de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.
Zij passen deze bepalingen toe vanaf [24 maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn] en onder voorbehoud en op de datum van de inwerkingtreding van Verordening (EU) nr. …. van het Europees Parlement en de Raad betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie.
Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen, alsmede een tabel waarin het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn wordt weergegeven.
Artikel 12 Inwerkingtreding
Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgend op die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 13 Adressaten
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.
Gedaan te Brussel,
Voor het Europees Parlement Voor de Raad
De Voorzitter De Voorzitter
[1] Verslag van de groep van deskundigen op hoog niveau inzake financieel toezicht in de EU, Brussel, 25.2.2009, blz. 23.
[2] Europese Commissie, Mededeling betreffende Het versterken van sanctieregelingen in de financiële sector, COM(2010) 716, 8 december 2010.
[3] COM(2011) 573 definitief
[4] In zijn "programma van Stockholm - een open en veilig Europa ten dienste en ter bescherming van de burger" van 2 december 2009 heeft de Europese Raad beklemtoond dat de financiële markten moeten worden gereguleerd en dat misbruik moet worden voorkomen, en heeft hij de lidstaten en de Commissie verzocht te zorgen voor een betere opsporing van marktmisbruik en financiële malversaties. In de conclusies van de Raad JBZ betreffende de preventie van economische crisissen en de ondersteuning van economische bedrijvigheid werd benadrukt dat kan worden nagegaan of een onderlinge aanpassing van de strafrechtelijke bepalingen met betrekking tot ernstige manipulaties van de beurskoersen en ander wangedrag inzake de effectenmarkt mogelijk dan wel wenselijk zou zijn. Zie de documenten 8920/10 van 22.4.2010 en 7881/10 van 29.3.2010.
[5] CEER/08-099, februari 2008.
[6] Zie http://ec.europa.eu/internal_market/securities/abuse/12112008_conference_en.htm
[7] Zie http://ec.europa.eu/internal_market/consultations/2009/market_abuse_en.htm
[8] Zie http://ec.europa.eu/internal_market/consultations/docs/2010/mad/consultation_paper.pdf
[9] Zie http://ec.europa.eu/internal_market/consultations/2010/mad_en.htm
[10] Het effectbeoordelingsverslag is terug te vinden op http://ec.europa.eu/internal_market/securities/abuse/index_en.htm
[11] Zie bijlage 3 van het effectbeoordelingsverslag voor een samenvatting van de debatten.
[12] PB C van , blz. .
[13] PB L 16 van 12.4.2003, blz. 6.
[14] COM(2011) 573 definitief
[15] PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31.
[16] Verordening (EU) nr. 1031/2010 van de Commissie van 12 november 2010 inzake de tijdstippen, het beheer en andere aspecten van de veiling van broeikasgasemissierechten overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap, PB L 302 van 18.11.2010, blz. 1.
| Naar boven |