Voorstel voor een VERORDENING VAN DE RAAD betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van de vermogensrechtelijke gevolgen van geregistreerde partnerschappen
/* COM/2011/0127 def. - CNS 2011/0060 */
| BG | ES | CS | DA | DE | ET | EL | EN | FR | GA | IT | LV | LT | HU | MT | NL | PL | PT | RO | SK | SL | FI | SV |
| html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | html | |
| doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc | doc |
| Twee talen naast elkaar: BG CS DA DE EL EN ES ET FI FR HU IT LT LV MT NL PL PT RO SK SL SV |
[pic] | EUROPESE COMMISSIE |
Brussel, 16.3.2011
COM(2011) 127 definitief
2011/0060 (CNS)
Voorstel voor een
VERORDENING VAN DE RAAD
betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van de vermogensrechtelijke gevolgen van geregistreerde partnerschappen
{COM(2011) 125 definitief}{COM(2011) 126 definitief}{SEC(2011) 327 definitief}{SEC(2011) 328 definitief}
TOELICHTING
1. Achtergrond van het voorstel
1.1. Algemene context
Artikel 67 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie bepaalt in lid 1 dat de Unie een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid is, waarin de grondrechten en de verschillende rechtsstelsels worden geëerbiedigd. Lid 4 van dat artikel bepaalt dat de Unie de toegang tot de rechter vergemakkelijkt, met name door het beginsel van wederzijdse erkenning van gerechtelijke en buitengerechtelijke beslissingen in burgerlijke zaken. Artikel 81 van dat Verdrag noemt uitdrukkelijk maatregelen die „de wederzijdse erkenning tussen de lidstaten van rechterlijke beslissingen en van beslissingen in buitengerechtelijke zaken en de tenuitvoerlegging daarvan” beogen, alsook „de verenigbaarheid van de in de lidstaten geldende regels voor collisie en jurisdictiegeschillen”. Op grond hiervan zijn al verschillende instrumenten aangenomen, met name Verordening (EG) nr. 2201/2203, maar de vermogensrechtelijke aspecten van geregistreerde partnerschappen zijn niet in het toepassingsgebied daarvan opgenomen.
Het ontwerp-programma van maatregelen voor de uitvoering van het beginsel van wederzijdse erkenning van beslissingen in burgerlijke en handelszaken[1], dat door de Raad op 30 november 2000 werd aangenomen, voorzag reeds in het opstellen van een instrument inzake de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van „huwelijksvermogensstelsels en de vermogensrechtelijke gevolgen van scheiding van niet-gehuwde paren”. In het door de Europese Raad van 4 en 5 november 2004 aangenomen Haags programma[2], dat de tenuitvoerlegging van het programma van wederzijdse erkenning van 2000 als eerste prioriteit stelde, werd de Commissie verzocht een groenboek in te dienen over „het conflictenrecht inzake het huwelijksvermogensregime, met inbegrip van de kwestie van de bevoegdheid en de wederzijdse erkenning”, en werd benadrukt dat er tegen 2011 een instrument op dit gebied moest worden aangenomen.
In het programma van Stockholm, dat op 11 december 2009 door de Europese Raad is aangenomen, is ook vermeld dat de wederzijdse erkenning zou moeten worden uitgebreid tot kwesties in verband met het huwelijksvermogensrecht en de vermogensrechtelijke gevolgen van de scheiding van paren.
In het „verslag over het EU-burgerschap 2010: Het wegnemen van belemmeringen voor de rechten van EU-burgers”[3], dat op 27 oktober 2010 is aangenomen, heeft de Commissie bevestigd dat de onzekerheid over de eigendomsrechten van internationale paren een van de belangrijkste struikelblokken vormt voor de EU-burgers wanneer zij in het dagelijkse leven de door de EU verleende rechten buiten hun landsgrenzen uitoefenen. Daarom heeft zij daarin aangekondigd dat zij, om deze problemen te verhelpen, in 2011 een voorstel zal aannemen voor een wetgevingsinstrument waardoor internationale paren (echtparen of geregistreerde partners) gemakkelijker kunnen weten welke rechtbanken bevoegd zijn en welk recht van toepassing is op hun eigendomsrechten.
1.2. Motivering en doel van het voorstel
Door de toenemende mobiliteit van personen in een ruimte zonder binnengrenzen stijgt het aantal duurzame relaties tussen onderdanen uit verschillende lidstaten, waarbij die relaties diverse vormen kunnen aannemen, en neemt ook het aantal paren toe die in een lidstaat wonen waarvan zij geen onderdaan zijn. Vaak verwerven zij goederen die op het grondgebied van meerdere landen van de Unie gelegen zijn. Uit een studie die in 2003 door het consortium Asser-UCL[4] is verricht, blijkt dat het fenomeen van de grensoverschrijdende paren in de Unie toeneemt en dat deze paren zowel in het dagelijkse beheer van hun goederen als bij de verdeling daarvan (ten gevolge van de scheiding van het paar of het overlijden van een van de echtgenoten of partners) met praktische en juridische problemen worden geconfronteerd. Hoewel paren het vaakst voor het instituut van het huwelijk kiezen, zijn er nieuwe vormen van verbintenis ontstaan. Een daarvan is het geregistreerd partnerschap, waarbij de verbintenis van twee personen die een duurzame relatie aangaan, formeel wordt geregistreerd bij een openbare instantie. De problemen waarmee geregistreerde partners te maken krijgen, worden vaak veroorzaakt door het feit dat de regels die op de vermogensrechtelijke gevolgen van dit soort verbintenissen toepasselijk zijn, aanzienlijk uiteenlopen, zowel materieelrechtelijke regels als regels van internationaal privaatrecht.
Omdat het geregistreerd partnerschap en het huwelijk eigen kenmerken en verschillende rechtsgevolgen hebben, dient de Commissie twee afzonderlijke voorstellen voor een verordening in: één betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van de beslissingen op het gebied van huwelijksvermogensstelsels, en een tweede betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van de beslissingen op het gebied van de vermogensrechtelijke gevolgen van geregistreerde partnerschappen.
Dit voorstel wil ervoor zorgen dat er in de Europese Unie een duidelijk rechtskader komt op grond waarvan kan worden bepaald welk gerecht bevoegd is en welk recht op de vermogensrechtelijke aspecten van deze partnerschappen toepasselijk is. Het beoogt tevens de uitwisseling van beslissingen en akten tussen de lidstaten te vergemakkelijken.
2. RESULTAAT VAN DE RAADPLEGINGEN – EFFECTBEOORDELING
De aanneming van dit voorstel werd voorafgegaan door een uitgebreide raadpleging van de lidstaten, de andere instellingen en het publiek. Na de in 2003 verrichte studie presenteerde de Commissie op 17 juli 2006 een groenboek over de collisieregels op het gebied van huwelijksvermogensstelsels, met inbegrip van de kwestie van de rechterlijke bevoegdheid en van de wederzijdse erkenning[5], dat het startsein gaf voor een brede raadpleging op dit gebied. Ter voorbereiding van dit voorstel richtte de Commissie een deskundigengroep (PRM/III genoemd) op. Die groep was samengesteld uit vertegenwoordigers van de verschillende betrokken beroepsgroepen uit de verschillende Europese rechtsculturen, en kwam tussen 2008 en 2010 vijfmaal bijeen. Op 28 september 2009 organiseerde de Commissie voorts een openbare hoorzitting, met een honderdtal deelnemers. Uit de uitwisselingen met die deelnemers bleek dat er behoefte bestaat aan een instrument van de Unie op dit gebied, dat met name de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen bestrijkt. Op 23 maart 2010 vond een vergadering met de nationale deskundigen plaats, waarop de grote lijnen werden besproken van het voorstel dat in voorbereiding was.
Ten slotte verrichtte de Commissie een gezamenlijke effectbeoordeling voor het voorstel voor een verordening op het gebied van de vermogensrechtelijke gevolgen van geregistreerde partnerschappen en voor het voorstel voor een verordening op het gebied van huwelijksvermogensstelsels. Die effectbeoordeling is bij dit voorstel gevoegd.
3. Juridische elementen van het voorstel
3.1. Rechtsgrondslag
De rechtsgrondslag van dit voorstel is artikel 81, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, dat aan de Raad de bevoegdheid toekent om, na raadpleging van het Europees Parlement, op het gebied van het familierecht maatregelen met grensoverschrijdende gevolgen vast te stellen.
Net als bij de huwelijksvermogensstelsels hangt het bestaan van vermogensrechtelijke betrekkingen tussen de partners onderling, enerzijds, en tussen de partners en derden, anderzijds, nauw samen met de voorafgaande registratie van een partnerschap. De vermogensrechtelijke aspecten van geregistreerde partnerschappen ontstaan door de registratie van het partnerschap, net zoals het huwelijksvermogensstelsel ontstaat door het huwelijk, en verdwijnen met de ontbinding ervan. Door hun partnerschap bij een openbare instantie te registreren, stellen de partners vast dat er tussen hen een duurzame en in rechte erkende relatie bestaat. In de meeste lidstaten die het partnerschap in hun wetgeving hebben geregeld, wordt dit instituut in de mate van het mogelijke met het huwelijk gelijkgesteld.
Dit voorstel heeft als doel een volledig stel regels van internationaal privaatrecht vast te stellen die toepasselijk zijn op de vermogensrechtelijke aspecten van geregistreerde partnerschappen. Het voorstel betreft dus de rechterlijke bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van de vermogensrechtelijke aspecten van geregistreerde partnerschappen. De regels in het voorstel betreffen enkel situaties met een grensoverschrijdende dimensie. Er is dus voldaan aan het vereiste van grensoverschrijdende gevolgen, dat is opgenomen in artikel 81, lid 3, van het Verdrag.
3.2. Subsidiariteitsbeginsel
De doelstellingen van het voorstel kunnen slechts worden bereikt door middel van gemeenschappelijke regels inzake de vermogensrechtelijke aspecten van geregistreerde partnerschappen, die identiek moeten zijn om de burgers rechtszekerheid en voorspelbaarheid te garanderen. Een eenzijdig optreden van de lidstaten zou derhalve in strijd zijn met deze doelstelling. Er bestaan op dit gebied geen toepasselijke internationale verdragen, buiten het Verdrag inzake de erkenning van geregistreerde partnerschappen van 5 september 2007 van de Internationale Commissie voor de burgerlijke stand. Maar dat verdrag betreft slechts de erkenning van partnerschappen en is niet in werking getreden, zodat het onwaarschijnlijk is dat het de oplossingen kan bieden die nodig zijn om een antwoord te bieden op de problemen die in de effectbeoordeling en de publieke raadpleging naar voren kwamen. Gelet op de aard en de omvang van de problemen die de burgers ondervinden, kunnen de doelstellingen alleen door de Unie worden verwezenlijkt.
3.3. Evenredigheidsbeginsel
Het voorstel eerbiedigt het evenredigheidsbeginsel aangezien het niet verder gaat dan hetgeen nodig is om zijn doelstellingen te verwezenlijken. Het voorstel harmoniseert niet het recht inzake de vermogensrechtelijke aspecten van geregistreerde partnerschappen van de lidstaten. Het doet evenmin afbreuk aan de belastingregeling van de lidstaten bij de vereffening van het vermogen van geregistreerde partners, zoals die in de wetgeving van de lidstaten is opgenomen. Aan dit voorstel zijn naar verwachting geen financiële of administratieve lasten verbonden voor de burgers en slechts een zeer beperkte extra last voor de betrokken nationale autoriteiten.
3.4. Effect op de grondrechten
Overeenkomstig de strategie van de Unie voor een doeltreffende tenuitvoerlegging van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie[6] heeft de Commissie gecontroleerd of het voorstel de in het Handvest opgenomen rechten eerbiedigt.
Het doet geen afbreuk aan het recht op eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven, of aan het recht te huwen en het recht een gezin te stichten volgens de nationale wetten, die respectievelijk zijn opgenomen in de artikelen 7 en 9 van het Handvest.
Het eigendomsrecht, dat in artikel 17 van het Handvest is neergelegd, wordt versterkt. Als voorspelbaar is welk recht toepasselijk is op alle goederen van het paar, zullen de partners hun eigendomsrecht doeltreffender kunnen uitoefenen.
De Commissie heeft ook gecontroleerd of artikel 21, dat iedere discriminatie verbiedt, geëerbiedigd is.
Ten slotte verlenen de voorgestelde bepalingen burgers, en met name geregistreerde partners, een betere toegang tot de rechter in de Unie. Zij vergemakkelijken de tenuitvoerlegging van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten, dat het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht garandeert. Door de vaststelling van objectieve criteria om te bepalen welk gerecht bevoegd is, worden parallelle procedures alsook een rush naar de rechter door de meest actieve partij voorkomen.
3.5. Keuze van het instrument
De behoefte aan rechtszekerheid en voorspelbaarheid vereist duidelijke en eenvormige regels en daarom is een verordening noodzakelijk. De voorgestelde regels inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de uitwisseling van beslissingen zijn gedetailleerd en ondubbelzinnig en behoeven geen omzetting in nationaal recht. De doelstellingen van rechtszekerheid en juridische voorspelbaarheid zouden in gevaar komen, mochten de lidstaten beschikken over een beoordelingsmarge bij de tenuitvoerlegging van de regels.
4. Gevolgen voor de begroting, vereenvoudiging en samenhang met andere beleidsgebieden van de Unie
4.1. Gevolgen voor de begroting
Het voorstel heeft geen gevolgen voor de begroting van de Unie.
4.2. Vereenvoudiging
De harmonisatie van de bevoegdheidsregels zal de procedures aanzienlijk vereenvoudigen, doordat het mogelijk wordt op grond van gedeelde regels te bepalen welk gerecht bevoegd is voor een geschil over de vermogensrechtelijke aspecten van een geregistreerd partnerschap. Door de uitbreiding van de bevoegdheid van de gerechten waarbij op grond van een toekomstig instrument van de Unie reeds een erfrechtprocedure ten gevolge van het overlijden van een van de partners of een procedure van scheiding van de partners aanhangig is, tot de daarmee verband houdende procedures inzake hun vermogen, zal eenzelfde gerecht alle aspecten van de situatie van een burger kunnen behandelen.
De harmonisatie van de collisieregels zal de procedures aanzienlijk vereenvoudigen, doordat kan worden bepaald welk recht toepasselijk is.
Ten slotte zullen de voorgestelde regels inzake de erkenning en de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke beslissingen de uitwisseling tussen de lidstaten vergemakkelijken.
4.3. Samenhang met andere beleidsgebieden van de EU
Dit voorstel maakt deel uit van de maatregelen die de Commissie neemt om de belemmeringen weg te nemen waarmee de burgers van de Unie worden geconfronteerd wanneer zij in hun dagelijkse leven de rechten uitoefenen die de EU hun verleent, zoals besproken in het bovengenoemde verslag over het EU-burgerschap 2010.
5. Toelichting per artikel
5.1. Hoofdstuk I: toepassingsgebied en definities
Artikel 1
De persoonlijke gevolgen van geregistreerde partnerschappen zijn uitdrukkelijk uitgesloten van het toepassingsgebied van deze verordening, die uitsluitend de vermogensrechtelijke aspecten daarvan betreft. Deze vermogensrechtelijke aspecten houden zowel verband met het dagelijkse beheer van de goederen van de partners (hun vermogen), als met de vereffening van dat vermogen ten gevolge van de scheiding van het paar of het overlijden van een van de partners.
Bij de bepaling van de domeinen die door het toekomstige instrument worden bestreken, leek het beter om een uitputtende lijst op te stellen van de onderwerpen die van het toepassingsgebied van de verordening uitgesloten zijn. Onderwerpen die reeds zijn geregeld in bestaande verordeningen van de Unie, zoals de onderhoudsverplichting[7], met name tussen partners, alsmede de geldigheid en de gevolgen van schenkingen[8], zijn eveneens van het toepassingsgebied van de verordening uitgesloten. Vraagstukken in verband met erfrecht zijn ook van het toepassingsgebied van de verordening uitgesloten.
De verordening doet geen afbreuk aan de aard van de zakelijke rechten op een goed, de kwalificatie van goederen en rechten en de bepaling van de prerogatieven van de houder van die rechten. De publiciteitsvoorschriften voor zakelijke rechten, met name de werking van het vastgoedregister en de gevolgen van een inschrijving of het ontbreken van een inschrijving daarin, zijn eveneens uitgesloten van het toepassingsgebied van de verordening.
Artikel 2
Ten behoeve van de samenhang en homogeniteit zijn bepaalde definities van begrippen in deze verordening dezelfde als die in andere instrumenten van de Unie die momenteel van toepassing of in onderhandeling zijn. Zo kunnen deze begrippen beter worden begrepen en ten uitvoer worden gelegd.
Voor de vermogensrechtelijke gevolgen van geregistreerde partnerschappen, de enige materie die in deze verordening is geregeld, geldt een specifieke definitie waardoor zij worden beperkt tot de vermogensrechtelijke betrekkingen tussen de partners onderling en tussen de partners en derden, ten gevolge van de relatie die door de registratie van het partnerschap geïnstitutionaliseerd is.
De definitie van het begrip „gerecht” is zodanig opgesteld dat zij ook de instanties en personen omvat die bij delegatie of aanwijzing door een gerecht hun taken vervullen. Zo kunnen de akten van deze instanties met het oog op erkenning en tenuitvoerlegging in een andere lidstaat dan die waar zij zijn gegeven, met gerechtelijke beslissingen worden gelijkgesteld.
5.2. Hoofdstuk II: bevoegdheid
Bij de gerechtelijke procedures inzake de vermogensrechtelijke gevolgen van een geregistreerd partnerschap gaat het vaak om de vereffening van het vermogen ten gevolge van de beëindiging van het samenleven door het overlijden van een van de partners of de scheiding van de partners.
Deze verordening heeft als doel de burgers in staat te stellen verschillende met elkaar verband houdende procedures door de gerechten van eenzelfde lidstaat te laten behandelen. Daartoe zorgt de verordening voor concordantie tussen de regels aan de hand waarvan wordt bepaald welke rechtbanken bevoegd zijn om kennis te nemen van de vermogensrechtelijke aspecten van verbintenissen, en de reeds bestaande of voorgestelde regels in de andere Europese instrumenten.
Artikel 3
De gerechten van een lidstaat die op grond van de regels van Verordening (EG) nr. ...[ van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en authentieke akten op het gebied van erfopvolging en betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring ] territoriaal bevoegd zijn voor de vereffening van de nalatenschap van een partner ten gevolge van zijn overlijden, zullen hun bevoegdheid uitgebreid zien tot de vereffening van het vermogen van de geregistreerde partners, die het gevolg is van het openvallen van de nalatenschap.
De gerechten van die lidstaat zullen echter de mogelijkheid hebben om zich toch onbevoegd te verklaren, als de nationale wetgeving van die staat het instituut van het geregistreerd partnerschap niet kent.
Artikel 4
Opdat het geadieerde gerecht in geval van scheiding van de partners alle aspecten van die scheiding kan behandelen zonder dat de partners verplicht zijn in verschillende lidstaten een procedure in te leiden, kan op dezelfde manier de bevoegdheid van de gerechten van een lidstaat voor de ontbinding of de nietigverklaring van een geregistreerd partnerschap, worden uitgebreid, mits de partners daarover een akkoord sluiten, tot de vereffening van het vermogen van de geregistreerde partners, die het gevolg is van die ontbinding of nietigverklaring.
Artikel 5
Deze verordening voorziet daarnaast in eigen bevoegdheidsregels, die moeten worden toegepast in de andere gevallen en met name wanneer er geen sprake is van een erfopvolgings- of scheidingsprocedure. Op basis van een hiërarchisch gestructureerde lijst aanknopingspunten kan worden bepaald van welke lidstaat de gerechten bevoegd zijn om deze procedures inzake de vermogensrechtelijke aspecten van een geregistreerd partnerschap te behandelen.
De voorgestelde criteria zijn met name de gewone gemeenschappelijke verblijfplaats van de partners, de laatste gewone gemeenschappelijke verblijfplaats als er nog een van de partners verblijft, of de gewone verblijfplaats van de verweerder. Omdat de gerechten van de lidstaat die op grond van de hierboven genoemde criteria is aangewezen, zich net als bij de artikelen 3 en 4 toch onbevoegd kunnen verklaren als de nationale wetgeving van die lidstaat het instituut van het geregistreerd partnerschap niet kent, wordt in artikel 5 de bevoegdheid van de lidstaat waar het partnerschap is geregistreerd, als laatste criterium gegeven.
Artikel 6
Wanneer er op grond van de vorige artikelen geen enkel gerecht bevoegd is, kan op grond van dit artikel worden bepaald van welke lidstaat de gerechten subsidiair bevoegd zijn. Dankzij deze regel is de toegang tot de rechter gegarandeerd voor de partners en voor derden, wanneer een goed of goederen van een van de partners of van de beide partners op het grondgebied van een lidstaat gelegen is of zijn. of wanneer de beide partners de nationaliteit van die lidstaat hebben.
5.3. Hoofdstuk III: toepasselijk recht
Artikel 15
Omdat de nationale wetgevingen van de lidstaten waar het geregistreerd partnerschap bestaat, zo uiteenlopend zijn, is het gerechtvaardigd dat in deze verordening het beginsel wordt gehuldigd dat op de vermogensrechtelijke gevolgen van een geregistreerd partnerschap het recht toepasselijk is van de staat waar het partnerschap is geregistreerd. Dit beginsel lijkt in overeenstemming te zijn met de wetgevingen van de lidstaten inzake het geregistreerd partnerschap, die algemeen verwijzen naar het recht van de staat van registratie en de partners niet de mogelijkheid bieden een ander recht te kiezen dan dat van de staat van registratie, ook wanneer hun de mogelijkheid wordt geboden onderling overeenkomsten te sluiten.
Uit dit beginsel volgt de facto de eenheid van het op de vermogensrechtelijke gevolgen van een geregistreerd partnerschap toepasselijke recht, ongeacht de aard of de locatie van de goederen van de partners.
Artikel 16
De in het vorige artikel opgenomen collisieregel geldt voor alle vormen van geregistreerde partnerschappen, ongeacht in welke staat het partnerschap is gesloten, en niet alleen op de partnerschappen die in een lidstaat zijn geregistreerd.
Artikel 17
Teneinde rekening te houden met de nationale regels, met name die in verband met de bescherming van de gezinswoning, maakt deze bepaling het voor een staat mogelijk om het buitenlandse recht niet toe te passen en in plaats daarvan het nationale recht toe te passen. Ter bescherming van de gezinswoning kan een lidstaat op het grondgebied waarvan die woning gelegen is, zijn eigen regels in verband met de bescherming van de gezinswoning toepassen. Bij wijze van uitzondering kan die staat zijn eigen recht toepassen op alle personen die op zijn grondgebied wonen, bij „voorrang” boven de bepalingen van het recht dat normaal gezien toepasselijk is of van het recht van het partnerschapscontract dat die persoon in een andere lidstaat heeft gesloten.
5.4. Hoofdstuk IV: erkenning, uitvoerbaarheid en tenuitvoerlegging
Het voorstel voorziet in het vrije verkeer van beslissingen, authentieke akten en gerechtelijke schikkingen in verband met de vermogensrechtelijke gevolgen van geregistreerde partnerschappen. Op die manier wordt wederzijdse erkenning tot stand gebracht, op basis van het wederzijdse vertrouwen dat het resultaat is van de integratie van de lidstaten binnen de Europese Unie.
Dit vrije verkeer wordt concreet gemaakt met een eenvormige procedure voor de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen, authentieke akten en gerechtelijke schikkingen uit een andere lidstaat. Deze procedure vervangt de nationale procedures die thans gelden in de verschillende lidstaten. De gronden om een beslissing niet te erkennen of de tenuitvoerlegging te weigeren, zijn ook op Europees niveau geharmoniseerd en zijn tot het strikte minimum beperkt. Zij vervangen de uiteenlopende en vaak veel strengere gronden die thans op nationaal niveau bestaan.
Beslissingen
De regels die voor de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen worden voorgesteld, zijn afgestemd op de regels die voor de erfopvolging zijn voorgesteld. Zij omvatten ook een verwijzing naar de bestaande exequaturprocedure in burgerlijke en handelszaken. Op grond daarvan wordt elke beslissing van een lidstaat zonder een bijzondere procedure erkend in de andere lidstaten. Om tot tenuitvoerlegging te kunnen overgaan, moet de eiser in de lidstaat van tenuitvoerlegging een eenvormige procedure volgen om een verklaring van uitvoerbaarheid te verkrijgen. De procedure is eenzijdig en is in de eerste fase beperkt tot een controle van de stukken. Pas wanneer de verweerder zich verzet, zal de rechter in een latere fase de mogelijke gronden tot weigering onderzoeken. Deze gronden tot weigering zorgen voor een afdoende bescherming van de rechten van de verweerders.
Deze regels vormen een grote vooruitgang op dit gebied ten opzichte van de huidige situatie. Vandaag worden de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen immers geregeld door het nationale recht van de lidstaten of bilaterale akkoorden die tussen bepaalde lidstaten zijn gesloten. De te volgen procedures, alsook de stukken die moeten worden overgelegd om de verklaring van uitvoerbaarheid te verkrijgen en de gronden waarop buitenlandse beslissingen kunnen worden geweigerd, verschillen van lidstaat tot lidstaat.
Zoals gezegd vormt deze verordening een eerste maatregel op het gebied van de vermogensrechtelijke gevolgen van geregistreerde partnerschappen en betreft zij het familierecht (zie punt 3.1). Gelet op deze specifieke context is de vrije uitwisseling van beslissingen onderworpen aan de exequaturprocedure zoals die vandaag bestaat in de thans geldende verordening Brussel I[9].
In navolging van andere domeinen kan in een latere fase de afschaffing van de tussenprocedures (exequatur) worden overwogen, na een evaluatie van de regels in deze verordening en de ontwikkeling van de justitiële samenwerking inzake de vermogensrechtelijke gevolgen van geregistreerde partnerschappen.
De akten die uitgaan van de instanties die bij delegatie of aanwijzing hun taken vervullen, overeenkomstig de definitie van het begrip „gerecht” in artikel 2, worden gelijkgesteld met beslissingen en vallen dus onder de bepalingen inzake erkenning en tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk.
Authentieke akten
Gelet op het praktische belang van authentieke akten op het gebied van de vermogensrechtelijke gevolgen van geregistreerde partnerschappen en ten behoeve van de samenhang van deze verordening met de andere instrumenten van de Unie op dit gebied, zou deze verordening ervoor moeten zorgen dat ook deze met het oog op vrije uitwisseling worden erkend.
De erkenning van authentieke akten betekent dat zij dezelfde bewijskracht hebben wat betreft de inhoud van de geregistreerde akte en de daarin vermelde feiten, dat voor hen hetzelfde vermoeden van authenticiteit geldt en dat zij hetzelfde uitvoerbare karakter hebben als in hun land van herkomst.
5.5. Hoofdstuk V: Werking jegens derden
Deze bepalingen zijn opgesteld om enerzijds de partners rechtszekerheid te bieden in hun betrekkingen met derden en anderzijds derden te beschermen tegen een regel die zij niet konden kennen of voorzien. De lidstaten wordt de vrijheid gelaten om voor rechtsbetrekkingen tussen een partner en een derde die op hun grondgebied verblijft, te bepalen dat een partner zich alleen op de regels inzake de vermogensrechtelijke gevolgen van zijn geregistreerd partnerschap kan beroepen als die gepubliceerd zijn of als de derde die regels kende of had moeten kennen.
2011/xxxx (CNS)
Voorstel voor een
VERORDENING VAN DE RAAD
betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van de vermogensrechtelijke gevolgen van geregistreerde partnerschappen
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 81, lid 3,
Gezien het voorstel van de Commissie,
Gezien het advies van het Europees Parlement[10],
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité[11],
Gezien het advies van het Comité van de Regio's[12],
Handelend volgens een bijzondere wetgevingsprocedure,
Overwegende hetgeen volgt:
(1) De Europese Unie heeft zich ten doel gesteld een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid te handhaven en te ontwikkelen, waarin het vrije verkeer van personen gewaarborgd is. Om een dergelijke ruimte geleidelijk tot stand te brengen, moet de Unie maatregelen nemen in verband met justitiële samenwerking in burgerlijke zaken met grensoverschrijdende gevolgen.
(2) Op zijn bijeenkomst in Tampere op 15 en 16 oktober 1999 heeft de Europese Raad het beginsel goedgekeurd dat de wederzijdse erkenning van vonnissen en andere beslissingen van rechterlijke instanties de hoeksteen van de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken binnen de Unie vormt, en de Raad en de Commissie gevraagd een programma van maatregelen aan te nemen ter uitvoering van dit beginsel.
(3) Op 30 november 2000 heeft de Raad het ontwerp-programma aangenomen van maatregelen voor de uitvoering van het beginsel van wederzijdse erkenning van beslissingen in burgerlijke en handelszaken[13]. In dat programma wordt verklaard dat de maatregelen voor de harmonisatie van de collisieregels de wederzijdse erkenning van beslissingen helpen bevorderen. Het voorziet ook in het opstellen van een of meer instrumenten voor wederzijdse erkenning op het gebied van huwelijksvermogensstelsels en de vermogensrechtelijke gevolgen van de scheiding van niet-gehuwde paren.
(4) Op zijn bijeenkomst van 4 en 5 november 2004 in Brussel heeft de Europese Raad een nieuw programma aangenomen, met als titel „Het Haags Programma - Versterking van vrijheid, veiligheid en recht in de Europese Unie”[14]. In dat programma heeft de Raad de Commissie gevraagd een groenboek in te dienen over het conflictenrecht inzake het huwelijksvermogensregime, met inbegrip van de kwestie van de bevoegdheid en de wederzijdse erkenning. Er wordt in beklemtoond dat er tegen 2011 een instrument op dit gebied moet worden aangenomen.
(5) Op 17 juli 2006 heeft de Commissie een groenboek[15] aangenomen over collisieregels op het gebied van huwelijksvermogensstelsels, met inbegrip van de kwestie van de rechterlijke bevoegdheid en van de wederzijdse erkenning. Dit groenboek gaf het startsein voor een brede raadpleging over de problemen waarmee paren te maken krijgen bij de vereffening van het huwelijksvermogen in een Europese context, en over de rechtsmiddelen om die problemen te verhelpen. In het groenboek kwamen ook alle vraagstukken van internationaal privaatrecht aan bod waarmee paren die een andere verbintenis dan het huwelijk hebben gesloten, met name de geregistreerde partners, te maken krijgen, alsook de specifieke problemen die zij ondervinden.
(6) Ook in het programma van Stockholm van december 2009[16], waarin het werkprogramma van de Commissie voor de jaren 2010 tot 2014 zijn vastgesteld, wordt met name verklaard dat de wederzijdse erkenning moet worden uitgebreid tot het huwelijksvermogensrecht en de vermogensrechtelijke gevolgen van de scheiding van paren.
(7) In het „verslag over het EU-burgerschap 2010: het wegnemen van belemmeringen voor de rechten van EU-burgers”[17], dat op 27 oktober 2010 is aangenomen, heeft de Commissie de aanneming aangekondigd van een voorstel voor een wetgevingsinstrument om de belemmeringen voor het vrije verkeer van personen weg te nemen, met name de problemen die paren ondervinden bij het beheer of de verdeling van hun goederen.
(8) Omdat de instituten van het huwelijk en het geregistreerd partnerschap als vormen van verbintenis eigen kenmerken hebben en de daarop toepasselijke beginselen uiteenlopen, is het aangewezen twee onderscheiden instrumenten op te stellen: één voor de vermogensrechtelijke aspecten van huwelijken, en één voor de vermogensrechtelijke aspecten van geregistreerde partnerschappen, waarop deze verordening betrekking heeft.
(9) Uit de wetgevingen van de lidstaten blijkt dat er diverse opvattingen bestaan over de andere vormen van verbintenis dan het huwelijk en er moet een onderscheid worden gemaakt tussen de paren waarvan de verbintenis is geïnstitutionaliseerd door de registratie van hun partnerschap bij een openbare instantie en de paren die een feitelijke verbintenis aangaan. Hoewel feitelijke verbintenissen in sommige lidstaten wettelijk geregeld zijn, moeten zij worden onderscheiden van de geregistreerde partnerschappen, die gelet op de voor hen geldende vormvoorwaarden kunnen worden geregeld in een instrument van de Unie waarin met hun bijzondere karakter rekening worden gehouden. Voor de goede werking van de interne markt is het van belang dat de belemmeringen voor het vrije verkeer van personen die hun partnerschap hebben geregistreerd, worden weggenomen en dat deze paren niet langer moeilijkheden ondervinden bij het beheer of de verdeling van hun goederen. Om deze doelstellingen te bereiken, brengt deze verordening de bepalingen inzake de rechterlijke bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en authentieke akten, alsook de bepalingen inzake de tegenwerpelijkheid van de vermogensrechtelijke aspecten van geregistreerde partnerschappen aan derden samen in een enkel instrument.
(10) Deze verordening regelt vraagstukken in verband met de vermogensrechtelijke gevolgen van geregistreerde partnerschappen. Het begrip „geregistreerd partnerschap” wordt slechts met het oog op de doelstellingen van de verordening gedefinieerd. De specifieke inhoud van dit begrip wordt bepaald door het nationale recht van de lidstaten.
(11) Het toepassingsgebied van deze verordening moet alle civielrechtelijke vraagstukken in verband met de vermogensrechtelijke aspecten van geregistreerde partnerschappen bestrijken, gaande van het dagelijkse beheer van de goederen van de partners (hun vermogen) tot de vereffening van dat vermogen ten gevolge van de scheiding van het paar of het overlijden van een van de partners.
(12) Omdat de onderhoudsverplichtingen tussen geregistreerde partners zijn geregeld in Verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen[18], moeten deze van het toepassingsgebied van deze verordening worden uitgesloten, net als alle vraagstukken in verband met de geldigheid en de gevolgen van schenkingen, die zijn geregeld in Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I)[19].
(13) Vraagstukken in verband met de aard van de zakelijke rechten die in het nationale recht van de lidstaten kunnen bestaan, bijvoorbeeld betreffende de daaraan verbonden publiciteitsvoorschriften, moeten ook van het toepassingsgebied van deze verordening worden uitgesloten, net zoals zij zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van Verordening (EU) nr. …/… [ van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en authentieke akten op het gebied van erfopvolging en betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring ][20]. Zo kunnen de gerechten van de lidstaat waar een goed van een of van de beide partners gelegen is, zakenrechtelijke maatregelen nemen, met name de registratie van de overdracht van dat goed in het vastgoedregister, wanneer het recht van die lidstaat daarin voorziet.
(14) Om een goede rechtsbedeling in de hand te werken en de vereffening van het vermogen van geregistreerde partners ten gevolge van het overlijden van een van de partners te vergemakkelijken, moeten de vraagstukken in verband met de vermogensrechtelijke aspecten van dat partnerschap die door dit overlijden zijn ontstaan, worden behandeld door de gerechten van de lidstaat die bevoegd zijn om de erfopvolging van de overleden partner te behandelen op grond van Verordening (EU) nr. …/… [ van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en authentieke akten op het gebied van erfopvolging en betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring ].
(15) Voorts moet deze verordening het mogelijk maken de bevoegdheid van de gerechten van een lidstaat waarbij een vordering tot ontbinding of nietigverklaring van een geregistreerd partnerschap aanhangig is, uit te breiden tot de vermogensrechtelijke aspecten van het geregistreerd partnerschap die met die vordering verband houden, mits de partners daarover een akkoord sluiten.
(16) In de andere gevallen moet deze verordening het mogelijk maken om volgens een hiërarchische lijst criteria, die moeten garanderen dat er een nauwe band bestaat tussen de partners en de lidstaat waarvan de gerechten worden aangewezen, te bepalen welke gerechten territoriaal bevoegd zijn voor vorderingen in verband met de vermogensrechtelijke aspecten van geregistreerde partnerschappen. Met uitzondering van de gerechten van de lidstaat waar het partnerschap is geregistreerd, kunnen die gerechten zich onbevoegd verklaren als hun nationale wetgeving het instituut van het geregistreerd partnerschap niet kent. Teneinde te voorkomen dat er zich gevallen van rechtsweigering voordoen, is er een regel van subsidiaire bevoegdheid opgenomen, voor het geval geen enkel gerecht op grond van de andere bepalingen van deze verordening bevoegd is om de situatie te behandelen.
(17) Met het oog op een goede rechtsbedeling moet worden voorkomen dat in de lidstaten beslissingen worden gegeven die onderling onverenigbaar zijn. Daarom zou deze verordening moeten voorzien in algemene procedureregels die geënt zijn op Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken[21].
(18) Om het beheer van de goederen van de partners te vergemakkelijken is het recht van de staat waar het partnerschap is geregistreerd, van toepassing op alle goederen van de partners, ook al is het niet het recht van een lidstaat.
(19) Om het voor de gerechten van een lidstaat gemakkelijker te maken het recht van een andere lidstaat toe te passen, kan het Europees justitieel netwerk in burgerlijke en handelszaken, dat is opgericht bij Beschikking 2001/470/EG van de Raad van 28 mei 2001[22], de gerechten informatie verstrekken over de inhoud van het buitenlandse recht.
(20) In uitzonderlijke omstandigheden moeten de gerechten van de lidstaten zich met het oog op openbare belangen kunnen beroepen op bepalingen van bijzonder dwingend recht waarvan de inachtneming noodzakelijk is voor de politieke, sociale of economische organisatie van de betrokken staten. In uitzonderlijke omstandigheden moeten de gerechten van de lidstaten voorts de mogelijkheid hebben het buitenlandse recht buiten toepassing te laten indien deze toepassing in een bepaalde zaak kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde van het land van de rechter.
(21) Niettemin mogen de gerechten de exceptie van bepalingen van bijzonder dwingend recht of de exceptie van openbare orde niet aanvoeren om het recht van een andere staat buiten toepassing te laten of om te weigeren een gegeven beslissing, een authentieke akte of een gerechtelijke schikking te erkennen of ten uitvoer te leggen, wanneer het aanvoeren van de exceptie van openbare orde in strijd zou zijn met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name artikel 21 dat iedere discriminatie verbiedt. Voorts mogen deze gerechten evenmin het op het geregistreerd partnerschap toepasselijke recht afwijzen, uitsluitend omdat het recht van het land van de rechter het instituut van het geregistreerd partnerschap niet kent.
(22) Aangezien er staten zijn waar twee of meer rechtsstelsels of gehelen van rechtsregels betreffende de in deze verordening geregelde materie naast elkaar bestaan, zou moeten worden bepaald in welke mate de bepalingen van deze verordening van toepassing zijn in de verschillende territoriale eenheden van deze staten.
(23) Aangezien een van de doelstellingen van deze verordening de wederzijdse erkenning van de in de lidstaten gegeven beslissingen is, moet deze verordening regels bevatten betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, die geënt zijn op Verordening (EG) nr. 44/2001 en die waar nodig aangepast zijn aan de specifieke vereisten van de in deze verordening geregelde materie. Zo kunnen de erkenning en tenuitvoerlegging van een beslissing die geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op de vermogensrechtelijke aspecten van een geregistreerd partnerschap, niet worden geweigerd in een lidstaat waar het nationale recht het instituut van het geregistreerd partnerschap niet kent of daaraan andere vermogensrechtelijke gevolgen verbindt.
(24) Teneinde rekening te houden met de verschillende wijzen waarop vraagstukken in verband met de vermogensrechtelijke aspecten van geregistreerde partnerschappen in de lidstaten worden geregeld, moet deze verordening de erkenning en tenuitvoerlegging van authentieke akten waarborgen. Met het oog op erkenning kunnen de authentieke akten echter niet met gerechtelijke beslissingen worden gelijkgesteld. De erkenning van authentieke akten betekent dat zij qua inhoud dezelfde bewijskracht en dezelfde gevolgen hebben als in hun lidstaat van oorsprong, en dat er ten aanzien van deze akten een weerlegbaar vermoeden van geldigheid bestaat.
(25) De rechtsbetrekkingen tussen een partner en een derde vallen weliswaar onder het op de vermogensrechtelijke gevolgen van het geregistreerde partnerschap toepasselijke recht, maar de voorwaarden voor tegenwerpelijkheid van dit recht moeten wel kunnen worden ingepast in het recht van de lidstaat waar zich de gewone verblijfplaats van de partner of de derde bevindt, teneinde te garanderen dat die laatste wordt beschermd. Het recht van deze lidstaat kan bepalen dat deze partner het op de vermogensrechtelijke gevolgen van zijn geregistreerde partnerschap toepasselijke recht alleen aan de derde kan tegenwerpen als de registratie- of publicititeitsvoorwaarden van deze lidstaat zijn nageleefd, tenzij de derde het op de vermogensrechtelijke aspecten van het geregistreerde partnerschap toepasselijke recht kende of moest kennen.
(26) De door de lidstaten aangegane internationale verplichtingen vereisen dat deze verordening de internationale verdragen waarbij één of meer lidstaten partij zijn op het ogenblik dat deze verordening wordt vastgesteld, onverlet laat. De coherentie met de algemene doelstellingen van deze verordening vereist evenwel dat deze verordening tussen de lidstaten voorrang heeft boven de verdragen.
(27) Aangezien de doelstellingen van deze verordening, te weten het vrije verkeer van personen in de Europese Unie, de mogelijkheid voor partners om zowel tijdens hun samenleven als op het ogenblik van de vereffening van hun goederen hun vermogensrechtelijke betrekkingen onderling en tegenover derden te organiseren, alsook een grotere voorspelbaarheid en rechtszekerheid, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden gerealiseerd en derhalve, vanwege de omvang en de gevolgen van deze verordening, beter op het niveau van de Europese Unie kunnen worden gerealiseerd, kan de Unie maatregelen nemen overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel dat is neergelegd in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan hetgeen nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.
(28) Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en de beginselen die zijn erkend bij het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name de artikelen 7, 9, 17, 21 en 47 betreffende de eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven, het recht te huwen en het recht een gezin te stichten volgens de nationale wetten, het eigendomsrecht, het discriminatieverbod en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte. Deze verordening moet door de gerechten van de lidstaten worden toegepast met eerbiediging van deze rechten en beginselen.
(29) Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, [hebben het Verenigd Koninkrijk en Ierland laten weten dat zij wensen deel te nemen aan de aanneming en toepassing van deze verordening]/[nemen het Verenigd Koninkrijk en Ierland, onverminderd artikel 4 van dat protocol, niet deel aan de aanneming van deze verordening; deze is dan ook niet bindend voor noch van toepassing in deze landen].
(30) Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het Protocol betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, neemt Denemarken niet deel aan de aanneming van deze verordening; deze is dan ook niet bindend voor noch van toepassing in Denemarken,
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Hoofdstuk I
Toepassingsgebied en definities
Artikel 1 Toepassingsgebied
1. Deze verordening is van toepassing op de vermogensrechtelijke aspecten die aan geregistreerde partnerschappen zijn verbonden.
Zij is met name niet van toepassing op fiscaal, administratief of douanegebied.
2. In deze verordening wordt onder „lidstaat” verstaan: alle lidstaten behalve Denemarken[, het Verenigd Koninkrijk en Ierland].
3. Vallen buiten het toepassingsgebied van deze verordening:
(a) de persoonlijke gevolgen van het geregistreerd partnerschap;
(b) de bekwaamheid van de partners;
(c) onderhoudsverplichtingen;
(d) schenkingen tussen partners;
(e) het erfrecht van de langstlevende partner;
(f) schenkingen tussen partners;
(g) de aard van de zakelijke rechten op een goed en de publiciteitsvereisten voor dergelijke rechten.
Artikel 2 Definities
In deze verordening wordt verstaan onder:
(a) „vermogensrechtelijke gevolgen”: geheel van regels betreffende de vermogensrechtelijke betrekkingen tussen de partners onderling en tegenover derden, die rechtstreeks voortvloeien uit de band die is ontstaan door de registratie van het partnerschap;
(b) „geregistreerd partnerschap”: regeling inzake het samenleven van twee personen waarin de wet voorziet en die door een openbare instantie kan worden geregistreerd;
(c) „authentieke akte”: een document dat officieel als authentieke akte is verleden of geregistreerd in de lidstaat van herkomst en waarvan de authenticiteit:
i) betrekking heeft op de ondertekening en de inhoud van de akte, en
ii) is vastgesteld door een openbare instantie of door een andere daartoe gemachtigde instantie;
(d) „beslissing”: elke door een gerecht van een lidstaat gegeven beslissing op het gebied van de vermogensrechtelijke gevolgen van een geregistreerd partnerschap, ongeacht de daaraan gegeven benaming, zoals „arrest”, „vonnis”, „beschikking” of „rechterlijk dwangbevel”, alsmede de vaststelling door de griffier van de proceskosten;
(e) „lidstaat van herkomst”: de lidstaat waar, volgens het geval, de beslissing is gegeven, het partnerschapscontract is gesloten, de authentieke akte is verleden, de gerechtelijke schikking is goedgekeurd, of waar de akte van vereffening van het gemeenschappelijk vermogen dan wel een andere akte is verleden door of voor een gerechtelijke instantie of een andere instantie, bij delegatie of aanwijzing door een gerechtelijke instantie;
(f) „aangezochte lidstaat”: de lidstaat waar de erkenning en/of de tenuitvoerlegging wordt gevraagd van de beslissing, het partnerschapscontract, de authentieke akte, de gerechtelijke schikking, de akte van vereffening van het gemeenschappelijk vermogen of een andere akte die is verleden door of voor een gerechtelijke instantie of een andere instantie, bij delegatie of aanwijzing door een gerechtelijke instantie;
(g) „gerecht”: elke bevoegde gerechtelijke instantie van de lidstaten die een rechtsprekende taak heeft op het gebied van de vermogensrechtelijke gevolgen van een geregistreerd partnerschap, alsook elke andere niet-gerechtelijke instantie of persoon die bij delegatie of aanwijzing door een gerechtelijke instantie van de lidstaten, een taak vervult die valt onder de bevoegdheden van de gerechten, zoals de taken waarin deze verordening voorziet;
(h) „gerechtelijke schikking”: een schikking op het gebied van de vermogensrechtelijke gevolgen van een geregistreerd partnerschap die door een gerecht is goedgekeurd of tijdens een procedure voor een gerecht is getroffen.
Hoofdstuk II
Bevoegdheid
Artikel 3 Bevoegdheid in geval van overlijden van een van de partners
1. De gerechten van een lidstaat waarbij overeenkomstig Verordening (EU) nr. …/… [ van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en authentieke akten op het gebied van erfopvolging en betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring ] een vordering in verband met de erfopvolging van een van de partners aanhangig is gemaakt, zijn eveneens bevoegd om te beslissen over vraagstukken in verband met de vermogensrechtelijke gevolgen van het partnerschap die verband houden met die vordering.
2. Dit gerecht kan zich onbevoegd verklaren als zijn recht het instituut van het geregistreerd partnerschap niet kent. Het bevoegde gerecht zal dan worden bepaald overeenkomstig artikel 5.
Artikel 4 Bevoegdheid in geval van scheiding van de partners
De gerechten van een lidstaat waarbij een vordering tot ontbinding of nietigverklaring van een geregistreerd partnerschap aanhangig is gemaakt, zijn eveneens bevoegd om te beslissen over vraagstukken in verband met de vermogensrechtelijke gevolgen die verband houden met die vordering, mits de partners daarover een akkoord hebben gesloten.
Dit akkoord kan te allen tijde en zelfs in de loop van de procedure worden gesloten. Wanneer het akkoord voorafgaand aan de procedure wordt gesloten, moet het in een schriftelijk document worden vastgelegd, dat is gedateerd en door de beide partijen is ondertekend.
Bij gebreke van een akkoord tussen de partners wordt de bevoegdheid geregeld door artikel 5.
Artikel 5 Andere bevoegdheden
1. In andere gevallen dan die waarin de artikelen 3 en 4 voorzien, zijn de volgende gerechten bevoegd om te beslissen in een procedure in verband met de vermogensrechtelijke gevolgen van een geregistreerd partnerschap:
a) de gerechten van de lidstaat van de gewone gemeenschappelijke verblijfplaats van de partners, of bij gebreke daarvan;
b) de laatste gewone gemeenschappelijke verblijfplaats van de partners, indien een van hen daar nog verblijft, of bij gebreke daarvan;
c) de gerechten van de lidstaat van de gewone verblijfplaats van de verweerder, of bij gebreke daarvan;
d) de gerechten van de lidstaat waar het partnerschap is geregistreerd.
2. De in lid 1, onder a), b) en c), genoemde gerechten kunnen zich onbevoegd verklaren als hun recht het instituut van het geregistreerd partnerschap niet kent.
Artikel 6 Subsidiaire bevoegdheid
Wanneer geen enkel gerecht bevoegd is op grond van de artikelen 3, 4 en 5 of het gerecht zich onbevoegd heeft verklaard, zijn de gerechten van een lidstaat bevoegd, mits:
a) een van de partners of de beide partners op het grondgebied van die lidstaat een goed of goederen bezitten; in voorkomend geval zal het geadieerde gerecht slechts over dit goed of die goederen beslissen, of;
b) de beide partners de nationaliteit van die lidstaat bezitten of, in het geval van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, er hun gemeenschappelijke „domicilie” hebben.
Artikel 7 Forum necessitatis
Wanneer geen enkel gerecht van een lidstaat bevoegd is op grond van de artikelen 3, 4, 5 en 6 of het gerecht zich onbevoegd heeft verklaard, kunnen de gerechten van een lidstaat bij wijze van uitzondering en mits de zaak voldoende nauw verbonden is met die lidstaat, beslissen over de vermogensrechtelijke gevolgen van een geregistreerd partnerschap als in een derde staat een procedure onmogelijk is of niet redelijkerwijs aanhangig kan worden gemaakt of gevoerd.
Artikel 8 Tegenvorderingen
Het gerecht waarbij de procedure op grond van de artikelen 3, 4, 5, 6 of 7 aanhangig is gemaakt, is ook bevoegd om kennis te nemen van tegenvorderingen, mits die onder het toepassingsgebied van deze verordening valt.
Artikel 9 Aanhangigmaking van een zaak bij een gerecht
Een zaak wordt geacht bij een gerecht aanhangig te zijn gemaakt:
a) op het tijdstip waarop het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk bij het gerecht wordt ingediend, mits de eiser vervolgens niet heeft nagelaten te doen wat hij met het oog op de betekening of de kennisgeving van het stuk aan de verweerder moest doen, of,
b) als het stuk moet worden betekend of ter kennis gebracht voordat het bij het gerecht wordt ingediend, op het tijdstip waarop de autoriteit die verantwoordelijk is voor de betekening of kennisgeving het stuk ontvangt, mits de eiser vervolgens niet heeft nagelaten te doen wat hij met het oog op de indiening van het stuk bij het gerecht moest doen.
Artikel 10 Controle van de bevoegdheid
Het gerecht van een lidstaat waarbij een zaak in verband met de vermogensrechtelijke aspecten van een geregistreerd partnerschap aanhangig is gemaakt waarvoor het niet bevoegd is op grond van deze verordening, verklaart zich ambtshalve onbevoegd.
Artikel 11 Controle van de ontvankelijkheid
1. Wanneer de verweerder die zijn gewone verblijfplaats in een andere lidstaat heeft dan de lidstaat waar de zaak aanhangig is gemaakt, niet verschijnt, houdt het bevoegde gerecht zijn uitspraak aan zolang niet vaststaat dat de verweerder tijdig kennis heeft kunnen nemen van het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk om zijn verweer te kunnen voeren, of dat daartoe al het nodige is gedaan.
2. Artikel 19 van Verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken[23] wordt toegepast in plaats van het bepaalde in lid 1, als de verzending van het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk van een lidstaat naar een andere lidstaat overeenkomstig die verordening moest geschieden.
3. Wanneer de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1393/2007 niet van toepassing zijn, wordt artikel 15 van het Verdrag van 's-Gravenhage van 15 november 1965 inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en handelszaken toegepast, als de verzending van het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk naar het buitenland overeenkomstig dat verdrag moest geschieden.
Artikel 12 Aanhangigheid
1. Wanneer bij gerechten van verschillende lidstaten tussen dezelfde partijen vorderingen aanhangig zijn welke hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, houdt het gerecht waarbij de zaak het laatst aanhangig is gemaakt, zijn uitspraak ambtshalve aan totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst aanhangig is gemaakt, vaststaat.
2 In de in lid 1 bedoelde zaken stelt het gerecht waarbij de zaak het eerst aanhangig is gemaakt zijn bevoegdheid vast binnen zes maanden tenzij dit als gevolg van uitzonderlijke omstandigheden onmogelijk is. Op verzoek van een ander gerecht waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, deelt het gerecht waarbij de zaak het eerst aanhangig is gemaakt dat gerecht mee op welke datum de zaak bij hem aanhangig is gemaakt en of het zijn bevoegdheid voor de zaak heeft vastgesteld dan wel, indien dat niet het geval is, wanneer de bevoegdheid vermoedelijk zal worden vastgesteld.
3. Wanneer de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst aanhangig is gemaakt, vaststaat, verklaart het gerecht waarbij de zaak het laatst aanhangig is gemaakt, zich onbevoegd.
Artikel 13 Samenhang
1. Wanneer samenhangende vorderingen aanhangig zijn bij gerechten van verschillende lidstaten, kan het gerecht waarbij het laatst een vordering aanhangig is gemaakt, zijn uitspraak aanhouden.
2. Wanneer deze samenhangende vorderingen aanhangig zijn bij gerechten die in eerste aanleg beslissen, kan het gerecht waarbij het laatst een vordering aanhangig is gemaakt, op verzoek van een van de partijen, ook tot verwijzing overgaan, mits het gerecht waarbij het eerst een vordering aanhangig is gemaakt, bevoegd is voor beide vorderingen en zijn wetgeving de samenvoeging van beide vorderingen toestaat.
3. Samenhangend in de zin van dit artikel zijn vorderingen die zo nauw verbonden zijn dat een goede rechtsbedeling vraagt om gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de vorderingen beslissingen worden gegeven die onverenigbaar zouden kunnen zijn.
Artikel 14 Voorlopige en bewarende maatregelen
Voorlopige of bewarende maatregelen waarin de wetgeving van een lidstaat voorziet, kunnen bij de gerechten van die lidstaat worden gevorderd, zelfs als de gerechten van een andere lidstaat op grond van deze verordening bevoegd zijn om van het bodemgeschil kennis te nemen.
Hoofdstuk III
Toepasselijk recht
Artikel 15 Bepaling van het toepasselijke recht
Het op de vermogensrechtelijke gevolgen van een geregistreerd partnerschap toepasselijke recht is het recht van de staat waar het partnerschap is geregistreerd.
Artikel 16 Universeel karakter van de collisieregel
Het op grond van de bepalingen van dit hoofdstuk aangewezen recht, wordt toegepast, ongeacht of dit het recht van een lidstaat is.
Artikel 17 Bepalingen van bijzonder dwingend recht
Deze verordening doet geen afbreuk aan de bepalingen van bijzonder dwingend recht waarvan de inachtneming door een lidstaat zo belangrijk wordt geacht voor de handhaving van zijn openbare belangen, zoals zijn politieke, sociale of economische organisatie, dat hij verlangt dat ze worden toegepast op elk geval dat onder de toepassingsgebied ervan valt, ongeacht welk recht overeenkomstig deze verordening op de vermogensrechtelijke gevolgen van een geregistreerd partnerschap toepasselijk is.
Artikel 18 Openbare orde van het land van de rechter
1. De toepassing van een bepaling van het door deze verordening aangewezen recht kan slechts terzijde worden gesteld indien deze toepassing kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde van het land van de rechter.
2. De toepassing van een bepaling van het door deze verordening aangewezen recht kan niet als onverenigbaar met de openbare orde van het land van de rechter worden beschouwd uitsluitend omdat het recht van het land van de rechter het instituut van het geregistreerd partnerschap niet kent.
Artikel 19 Uitsluiting van renvoi
Wanneer deze verordening de toepassing van het recht van een staat voorschrijft, worden daaronder verstaan de rechtsregels die in die staat gelden, met uitsluiting van de regels van internationaal privaatrecht.
Artikel 20 Staten met twee of meer rechtsstelsels – binnenstatelijke wetsconflicten
Wanneer een staat meerdere territoriale eenheden omvat die elk een eigen rechtsstelsel of een eigen geheel van regels hebben die betrekking hebben op de in deze verordening geregelde materie:
a) wordt elke verwijzing naar het recht van die staat met het oog op de bepaling van het op grond van deze verordening toepasselijke recht uitgelegd als een verwijzing naar het recht dat in de betrokken territoriale eenheid geldt;
b) wordt een verwijzing naar de gewone verblijfplaats in die staat uitgelegd als een verwijzing naar de gewone verblijfplaats in een territoriale eenheid;
c) wordt een verwijzing naar de nationaliteit geacht te doelen op de door het recht van die staat aangewezen territoriale eenheid of, bij gebreke van toepasselijke regels, de door de partijen gekozen territoriale eenheid of, bij gebreke van keuze, de territoriale eenheid waarmee de partner of de partners de nauwste banden hebben.
Hoofdstuk IV
Erkenning, uitvoerbaarheid en tenuitvoerlegging
Afdeling 1
BESLISSINGEN
Onderafdeling 1
Erkenning
Artikel 21 Erkenning van beslissingen
1. Alle in een lidstaat gegeven beslissingen worden in de overige lidstaten erkend, zonder dat daartoe enige procedure hoeft te worden ingesteld.
2. Als de erkenning van een beslissing wordt betwist, kan iedere belanghebbende die zich in hoofdorde op de erkenning beroept, gebruik maken van de procedures waarin de artikelen [38 tot en met 56] van Verordening (EG) nr. 44/2001 voorzien om te doen vaststellen dat de beslissing moet worden erkend.
3. Als voor een gerecht van een lidstaat de erkenning bij wege van tussenvordering wordt gevraagd, is dit gerecht bevoegd om van de vordering kennis te nemen.
Artikel 22 Gronden om een beslissing niet te erkennen
Een beslissing wordt niet erkend als:
a) de erkenning kennelijk strijdig is met de openbare orde van de aangezochte lidstaat;
b) het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk, niet tijdig en op zodanige wijze als met het oog op zijn verdediging nodig was, aan de verweerder tegen wie verstek werd verleend, betekend of ter kennis gebracht is, tenzij de verweerder tegen de beslissing geen rechtsmiddel heeft aangewend terwijl hij daartoe in staat was;
c) zij onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen in de aangezochte lidstaat gegeven beslissing;
d) zij onverenigbaar is met een beslissing die vroeger in een andere lidstaat of in een derde land tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits de vroeger gegeven beslissing voldoet aan de voorwaarden voor erkenning in de aangezochte lidstaat.
Artikel 23 Verbod van controle van de bevoegdheid van het oorspronkelijke gerecht
1. De bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat van herkomst wordt niet gecontroleerd.
2. Het in artikel 18 bedoelde criterium van openbare orde wordt niet toegepast op de in de artikelen 3 tot en met 8 bedoelde bevoegdheidsregels.
Artikel 24 Verschillen tussen de toepasselijke rechtsstelsels
De erkenning en tenuitvoerlegging van een beslissing of een deel van een beslissing in verband met de vermogensrechtelijke aspecten van een geregistreerd partnerschap kan niet worden geweigerd omdat het recht van de aangezochte lidstaat het geregistreerd partnerschap niet kent of daar niet dezelfde vermogensrechtelijke gevolgen aan verbindt.
Artikel 25 Verbod van onderzoek ten gronde
In geen geval wordt overgegaan tot een onderzoek ten gronde van de in het buitenland gegeven beslissing.
Artikel 26 Aanhouding van de uitspraak
Het gerecht van een lidstaat waarbij een vordering tot erkenning van een in een andere lidstaat gegeven beslissing aanhangig wordt gemaakt, kan zijn uitspraak aanhouden, als tegen deze beslissing een gewoon rechtsmiddel is ingesteld.
Onderafdeling 2
Tenuitvoerlegging
Artikel 27 Uitvoerbare beslissingen
De beslissingen die in een lidstaat gegeven zijn en daar uitvoerbaar zijn, worden in de andere lidstaten ten uitvoer gelegd overeenkomstig de artikelen [38 tot en met 56 en artikel 58] van Verordening (EG) nr. 44/2001.
Afdeling 2
AUTHENTIEKE AKTEN EN GERECHTELIJKE SCHIKKINGEN
ARTIKEL 28 Erkenning van authentieke akten
1. Authentieke akten die verleden zijn in een lidstaat, worden erkend in de andere lidstaten, tenzij de geldigheid ervan wordt betwist volgens het toepasselijke recht, en mits deze erkenning niet kennelijk strijdig zou zijn met de openbare orde van de aangezochte lidstaat.
2. De erkenning van authentieke akten heeft als gevolg dat deze qua inhoud bewijskracht hebben, en dat er ten aanzien van deze akten een eenvoudig vermoeden van geldigheid bestaat.
Artikel 29 Uitvoerbaarheid van authentieke akten
1. Authentieke akten die verleden en uitvoerbaar zijn in een lidstaat, worden op verzoek in een andere lidstaat uitvoerbaar verklaard overeenkomstig de in de artikelen [38 tot en met 57] van Verordening (EG) nr. 44/2001 bedoelde procedure.
2. Het gerecht waarbij op grond van de artikelen [43 en 44] van Verordening (EG) nr. 44/2001 een beroep is ingesteld, kan een verklaring van uitvoerbaarheid slechts weigeren of intrekken als de tenuitvoerlegging van de authentieke akte kennelijk strijdig is met de openbare orde van de aangezochte lidstaat.
Artikel 30 Erkenning en uitvoerbaarheid van gerechtelijke schikkingen
Gerechtelijke schikkingen die uitvoerbaar zijn in de lidstaat van herkomst, worden op verzoek van een belanghebbende partij erkend en uitvoerbaar verklaard in een andere lidstaat, onder dezelfde voorwaarden als de authentieke akten. Het gerecht waarbij op grond van artikel [42 of 44] van Verordening (EG) nr. 44/2201 een beroep is ingesteld, kan de verklaring van uitvoerbaarheid slechts weigeren of intrekken als de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke schikking kennelijk strijdig is met de openbare orde van de aangezochte lidstaat.
Hoofdstuk V
Werking jegens derden
Artikel 31
Werking jegens derden
1. De vermogensrechtelijke gevolgen van een geregistreerd partnerschap voor een rechtsbetrekking tussen een partner en een derde worden geregeld door het recht van de in artikel 15 bedoelde staat waar het partnerschap is geregistreerd.
2. Het recht van een lidstaat kan echter bepalen dat het toepasselijke recht door een partner niet aan een derde kan worden tegengeworpen wanneer een van de partners of de derde zijn gewone verblijfplaats heeft op het grondgebied van die lidstaat en de door het recht van die lidstaat opgelegde publiciteits- en of registratieformaliteiten niet zijn vervuld, tenzij de derde het op de vermogensrechtelijke gevolgen van het geregistreerde partnerschap toepasselijke recht kende of had moeten kennen.
3. Het recht van de lidstaat waar een onroerend goed is gelegen, kan voorzien in een analoge regel als die waarin lid 2 voorziet, voor de rechtsbetrekkingen tussen een partner en een derde in verband met dat onroerend goed.
Hoofdstuk VI
Algemene bepalingen en slotbepalingen
Artikel 32 Verhouding tot de bestaande internationale verdragen
1. De toepassing van bilaterale of multilaterale verdragen waarbij één of meer lidstaten op het tijdstip van de vaststelling van deze verordening partij zijn en die betrekking hebben op de in deze verordening geregelde materie, worden door deze verordening onverlet gelaten, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten op grond van artikel 351 van het Verdrag.
2. Niettegenstaande lid 1 heeft deze verordening tussen de lidstaten voorrang boven de verdragen die betrekking hebben op de in deze verordening geregelde materie en waarbij lidstaten partij zijn.
Artikel 33 Informatie die ter beschikking wordt gesteld van het publiek en de bevoegde autoriteiten
1. Uiterlijk op […] doen de lidstaten aan de Commissie mededeling, in de officiële taal of talen die zij passend achten, van:
a) een beschrijving van hun nationale wetgeving en procedures in verband met de vermogensrechtelijke aspecten van geregistreerde partnerschappen, en van de relevante teksten;
b) hun in artikel 31, leden 2 en 3, bedoelde nationale bepalingen inzake de werking jegens derden.
2. Latere wijzigingen van deze bepalingen worden door de lidstaten ter kennis van de Commissie gebracht.
3. De Commissie brengt met passende middelen, met name via de meertalige website van het Europees justitieel netwerk in burgerlijke en handelszaken, de overeenkomstig de leden 1 en 2 meegedeelde informatie ter kennis van het publiek.
Artikel 34 Herzieningsclausule
1. Uiterlijk op [vijf jaar na het van toepassing worden van …] en daarna om de vijf jaar dient de Commissie bij het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité een verslag in over de toepassing van deze verordening. Dit verslag gaat eventueel vergezeld van voorstellen tot wijziging van deze verordening.
2. Te dien einde delen de lidstaten de Commissie de relevante elementen mee betreffende de toepassing van deze verordening door hun gerechten.
Artikel 35 Overgangsbepalingen
1. De bepalingen van de hoofdstukken II en IV van deze verordening zijn van toepassing op gerechtelijke vorderingen die zijn ingesteld, authentieke akten die zijn verleden, gerechtelijke schikkingen die zijn getroffen en beslissingen die zijn gegeven na de datum van toepassing.
2. Als de vordering in de lidstaat van herkomst is ingesteld vóór de datum van toepassing van deze verordening, worden beslissingen die na deze datum zijn gegeven, erkend en ten uitvoer gelegd overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk IV, mits de toegepaste bevoegdheidsregels in overeenstemming zijn met die van hoofdstuk II.
3. De bepalingen van hoofdstuk III zijn slechts van toepassing op partners die hun partnerschap hebben geregistreerd.
Artikel 36 Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie .
Deze verordening is van toepassing vanaf [één jaar na de datum van haar inwerkingtreding].
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat overeenkomstig de Verdragen.
Gedaan te […], […]
Voor de Raad
De voorzitter
[1] PB C 12 van 15.1.2001, blz. 1.
[2] PB C 53 van 3.3.2005, blz. 1.
[3] COM(2010) 603.
[4] Studie over de huwelijksvermogensstelsels van gehuwde paren en over het vermogen van ongehuwde paren in het internationaal privaatrecht en in het nationale recht van de lidstaten van de Unie, Consortium Asser-UCL, http://europa.eu.int/comm/justice_home/doc_centre/civil/studies/doc_civil_studies.en.htm.
[5] COM(2006) 400.
[6] Mededeling van de Commissie - COM(2010) 573 van 19 oktober 2010.
[7] Verordening (EG) nr. 4/2009 (PB L 7 van 10.1.2009, blz. 1).
[8] Verordening (EG) nr. 593/2008 (PB L 177 van 4.7.2008, blz. 6).
[9] PB L 12 van 16.1.2001, blz. 1.
[10] PB C van , blz.
[11] PB C van , blz.
[12] PB C van , blz.
[13] PB L 12 van 15.1.2001, blz. 1.
[14] PB C 53 van 3.3.2005, blz. 1.
[15] COM(2006) 400.
[16] Het programma van Stockholm — Een open en veilig Europa ten dienste en ter bescherming van de burger (PB C 115 van 4.5.2010, blz. 1).
[17] COM(2010) 603.
[18] PB L 7 van 10.1.2009, blz. 1.
[19] PB L 177 van 4.7.2008, blz. 6.
[20] PB L van , blz.
[21] PB L 12 van 16.1.2001, blz. 1.
[22] PB L 174 van 27.6.2001, blz. 25.
[23] PB L 324 van 10.12.2007, blz. 79.
| Naar boven |