52010PC0395


Titel en vindplaats

Voorstel voor een VERORDENING (EU) NR. …/… VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende de goedkeuring van landbouw- en bosbouwvoertuigen

/* COM/2010/0395 def. - COD 2010/0212 */

Tekst

BG ES CS DA DE ET EL EN FR GA IT LV LT HU MT NL PL PT RO SK SL FI SV
html html html html html html html html html html html html html html html html html html html html html html html
pdf pdf pdf pdf pdf pdf pdf pdf pdf pdf pdf pdf pdf pdf pdf pdf pdf pdf pdf pdf pdf pdf pdf
doc doc doc doc doc doc doc doc doc doc doc doc doc doc doc doc doc doc doc doc doc doc doc

Data

Classificatie

Allerlei informatie

Procedure

Verbindingen tussen documenten

Tekst

Twee talen naast elkaar: BG CS DA DE EL EN ES ET FI FR GA HU IT LT LV MT NL PL PT RO SK SL SV

NL

Brussel, 23.7.2010

COM(2010) 395 definitief

2010/0212 (COD)

Voorstel voor een

VERORDENING (EU) NR. …/… VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de goedkeuring van landbouw- en bosbouwvoertuigen

(Voor de EER relevante tekst)

SEC(2010) 934

SEC(2010) 933

TOELICHTING

1. Achtergrond van het voorstel

· Motivering en doel van het voorstel

Het doel van dit voorstel is geharmoniseerde regels voor de vervaardiging van landbouw- en bosbouwvoertuigen (trekkers, aanhangwagens en getrokken uitrustingsstukken) vast te stellen om de goede werking van de interne markt en een hoog niveau van verkeers- en arbeidsveiligheid en milieubescherming te waarborgen. Bestaande wetgeving zal worden vervangen om deze te laten aansluiten bij de beginselen van betere regelgeving en vereenvoudiging.Dit voorstel heeft tot doel de veiligheid van voertuigen te verbeteren door voorschriften voor alle categorieën landbouw- en bosbouwvoertuigen vast te stellen.Ten slotte draagt dit voorstel bij aan het concurrentievermogen van de automobielindustrie door de bestaande typegoedkeuringswetgeving voor voertuigen te vereenvoudigen, de transparantie te verbeteren en de administratieve lasten te beperken. |

Algemene contextDe technische voorschriften voor de typegoedkeuring van trekkers met betrekking tot diverse veiligheids- en milieuelementen zijn op het niveau van de Unie geharmoniseerd om te voorkomen dat de voorschriften van lidstaat tot lidstaat verschillen en om in de hele Gemeenschap een hoog niveau van verkeers- en arbeidsveiligheid en milieubescherming te waarborgen en om een geharmoniseerd EU-typegoedkeuringsstelsel mogelijk te maken.Er zijn nu nieuwe technologieën, zoals ABS (antiblokkeersystemen), beschikbaar en deze kunnen in de nabije toekomst worden toegepast, waardoor de voertuigveiligheid aanzienlijk zal worden verbeterd. Onderzoek heeft uitgewezen dat de invoering van dergelijke technologieën als standaard op nieuwe voertuigen significante voordelen zou opleveren. Door gemeenschappelijke dwingende voorschriften vast te stellen, kan ook de fragmentatie van de interne markt als gevolg van uiteenlopende productnormen in de lidstaten worden vermeden. In haar mededeling "Een concurrerend regelgevingskader voor de automobielindustrie voor de 21e eeuw" [1] juichte de Commissie de aanbeveling in het verslag van CARS 21 [2] toe om het bestaande regelgevingskader voor de typegoedkeuring van complete voertuigen te vereenvoudigen. Bijgevolg wil de Commissie met dit voorstel de typegoedkeuringswetgeving aanzienlijk vereenvoudigen door 24 basisrichtlijnen (en circa 35 gerelateerde wijzigingsrichtlijnen) betreffende de technische voorschiften voor landbouw- en bosbouwvoertuigen te vervangen door één verordening van het Europees Parlement en de Raad. |

Bestaande bepalingen op het door het voorstel bestreken gebiedDe bestaande typegoedkeuringswetgeving voor trekkers is geregeld in de volgende EU-regelgevingen: de Richtlijnen 74/347/EEG, 76/432/EEG, 76/763/EEG, 77/537/EEG, 78/764/EEG, 80/720/EEG, 86/297/EEG, 86/298/EEG, 86/415/EEG, 87/402/EEG van de Raad; de Richtlijnen 2000/25/EG, 2003/37/EG, 2009/57/EG, 2009/58/EG, 2009/59/EG, 2009/60/EG, 2009/61/EG, 2009/63/EG, 2009/64/EG, 2009/66/EG, 2009/68/EG, 2009/75/EG, 2009/76/EG en 2009/144/EG van het Europees Parlement en de Raad.Met het ontwerpvoorstel en de bijbehorende uitvoerings- en gedelegeerde handelingen zullen de bestaande, in bovengenoemde regelgevingen vastgelegde voorschriften worden overgedragen. In vergelijking met de bestaande besluiten zal de verordening nieuwe voorschriften vaststellen met betrekking tot één geavanceerde veiligheidsmaatregel, namelijk antiblokkeersystemen, in combinatie met enkele verdere aanpassingen van de remvoorschriften, zoals kortere remwegen en de invoering van hydrostatische systemen. Bovendien zijn in dit voorstel voorschriften opgenomen met betrekking tot een reeks technische aspecten voor de voertuigcategorieën waarvoor dergelijke voorschriften op dit moment nog niet krachtens Richtlijn 2003/37/EG zijn vastgesteld, op een vergelijkbaar niveau als dat wat de bovengenoemde richtlijnen nu bieden.Samenhang met andere beleidsgebieden en doelstellingen van de EUDit voorstel sluit aan bij de doelstelling van de EU om het wegverkeer veiliger te maken, wat met name wordt uiteengezet in het witboek over het Europese vervoersbeleid [3]. Dit witboek is in 2001 door de Commissie goedgekeurd en creëert een kader voor het Europese actieprogramma voor de veiligheid van het wegverkeer.Wat de milieuaspecten betreft, houdt het voorstel geen wijzigingen van het bestaande beschermingsniveau in. De enige voorgestelde wijziging is dat de verordening zou moeten verwijzen naar Richtlijn 97/68/EG betreffende de uitstoot van niet voor de weg bestemde mobiele machines in plaats van naar een specifieke richtlijn voor trekkers. Dit zou het huidige uitvoeringsproces vereenvoudigen, terwijl de belangrijkste kenmerken behouden blijven met het oog op toekomstige ontwikkelingen.Ten slotte strookt het voorstel met de strategie van de EU tot vereenvoudiging van de regelgeving, zoals aangekondigd in de mededeling van de Commissie over "Modernisering en vereenvoudiging van het acquis communautaire" [4], waarin het typegoedkeuringsstelsel voor motorvoertuigen als een prioritair gebied voor de vereenvoudiging van de communautaire wetgeving wordt aangemerkt. |

2. Raadpleging van belanghebbende partijen en effectbeoordeling |

Raadpleging van belanghebbende partijen |

Wijze van raadpleging, belangrijkste geraadpleegde sectoren en algemeen profiel van de respondentenBij de opstelling van het voorstel heeft de Commissie de belanghebbenden op de volgende wijzen geraadpleegd:er heeft een algemene raadpleging via internet plaatsgevonden, waarbij alle aspecten van het voorstel werden behandeld. Er werden reacties ontvangen van de lidstaten (ministeries), trekkerfabrikanten (Europese en nationale vertegenwoordigers en individuele bedrijven), fabrikanten van onderdelen, vervoersorganisaties en vertegenwoordigingen van gebruikers;in het kader van de effectbeoordelingsstudie heeft een externe consultant ongeveer 200 belanghebbenden uitgenodigd deel te nemen en opmerkingen in te sturen. Bovendien is er een bijeenkomst met de belanghebbenden gehouden;het voorstel is een aantal maal besproken tijdens vergaderingen van de Werkgroep landbouwtrekkers van de Commissie. |

Samenvatting van de reacties en hoe daarmee rekening is gehoudenBij de raadpleging op internet brachten de belanghebbenden een aantal kwesties te berde. In de effectbeoordeling bij dit voorstel komen de belangrijkste geopperde kwesties uitgebreid aan bod en wordt toegelicht hoe daarmee rekening is gehouden. |

Van 3 juli 2008 tot en met 12 september 2008 werd via internet een open raadpleging gehouden. De Commissie heeft 19 reacties ontvangen. De resultaten zijn (in het Engels) beschikbaar op: http://ec.europa.eu/enterprise/automotive/consultation/agricultural_vehicles/call.htm . |

Bijeenbrengen en benutten van deskundigheid |

Betrokken wetenschaps- en kennisgebiedenIn verband met het voorstel moesten diverse beleidsopties en ook de daaruit voortvloeiende gevolgen voor de economie, de samenleving en het milieu worden beoordeeld. |

Gebruikte methodeDe consultant, TRL ltd., heeft alle relevante belanghebbenden (overheidsinstanties, verwerkende industrie en gebruikersorganisaties) een vragenlijst gestuurd. Een ontwerpverslag is vervolgens besproken tijdens een vergadering met belangstellenden, waaruit verdere bijdragen zijn voortgekomen. |

|

Wijze waarop het deskundigenadvies beschikbaar is gemaakt voor het publiekHet verslag van TRL is beschikbaar op de website van DG Ondernemingen en industrie. |

EffectbeoordelingVoor elk van de belangrijkste aspecten van het voorstel werden verschillende opties bestudeerd:1. Vereenvoudigingsaspecten – I: richtlijnen of verordeningena) Geen beleidswijziging. Dat zou betekenen dat de bestaande 24 richtlijnen worden gehandhaafd en waar nodig nog worden gewijzigd.b) Bestaande afzonderlijke richtlijnen door één verordening vervangen.c) Bestaande richtlijnen door één medebeslissingsverordening en een beperkt aantal thematische gedelegeerde en uitvoeringshandelingen vervangen. Deze optie is verkozen.2. Vereenvoudigingsaspecten – II: alles opnemen in uitvoerige EU-wetgeving of verwijzen naar internationale normena) Geen beleidswijziging. Dat zou betekenen dat de bestaande 24 richtlijnen worden gehandhaafd en waar nodig nog worden gewijzigd. De richtlijnen zouden geldig blijven naast de bestaande VN/ECE-reglementen en OESO-codes, hoewel de technische voorschriften meestal (maar niet altijd) dezelfde zijn. Dit brengt momenteel heel wat verwarring teweeg bij belanghebbenden die niet nauw betrokken zijn bij het typegoedkeuringsstelsel, en leidt tot een regelgevingskader dat niet volledig transparant is. b) Bestaande afzonderlijke richtlijnen waar mogelijk door gelijkwaardige VN/ECE-reglementen vervangen.c) Bestaande afzonderlijke richtlijnen waar nodig door gelijkwaardige VN/ECE-reglementen of OESO-codes (kantelbeveiligingssystemen) of wellicht CEN/CENELEC- of ISO-normen vervangen. Deze optie is verkozen, omdat daardoor de voordelen van de vereenvoudiging met name voor de nationale instanties en het bedrijfsleven het grootst zijn.3. Voltooiing van de interne markta) Geen beleidswijziging. Dat zou betekenen dat het beleidspakket zoals voorzien in Richtlijn 2003/37/EG stukje bij beetje wordt voltooid.b) De EU-typegoedkeuringsvoorschriften voltooien en EU-typegoedkeuring van gehele voertuigen voor alle categorieën verplicht stellen.c) De EU-typegoedkeuringsvoorschriften voltooien maar EU-typegoedkeuring van gehele voertuigen voor bepaalde categorieën (T4, T5, C, R en S) facultatief laten.De Commissie heeft conform haar werkprogramma een effectbeoordeling uitgevoerd, waarvan het verslag kan worden geraadpleegd op [CIRCA WEBPAGE]3. Juridische elementen van het voorstelSamenvatting van de voorgestelde maatregelHet voorstel betekent een aanzienlijke vereenvoudiging van het typegoedkeuringsstelsel voor landbouwvoertuigen wat de technische voorschriften inzake veiligheid en emissies betreft, door de intrekking van 24 richtlijnen.Het voorstel zal, door middel van de gedelegeerde handelingen waarin het voorziet, de nieuwe dwingende voorschriften inzake remmen in detail vaststellen. Met name zullen de krachtens dit voorstel vastgestelde gedelegeerde handelingen voorschriften bevatten voor onder meer: verplichte montage van antiblokkeersystemen op sommige categorieën (snelle trekkers van categorie T5 en aanhangwagens ervan die geschikt zijn voor snelheden van meer dan 40 km/h); betere vertragingsprestaties;compatibiliteit tussen trekkers en aanhangwagens/getrokken uitrustingsstukken.RechtsgrondslagDe rechtsgrondslag van dit voorstel is artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).SubsidiariteitsbeginselHet subsidiariteitsbeginsel is van toepassing aangezien het voorstel geen gebieden bestrijkt die onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie vallen.De doelstellingen van het voorstel kunnen om de volgende redenen niet voldoende door de lidstaten worden verwezenlijkt.Om een EU-typegoedkeuringsstelsel voor voertuigen mogelijk te maken, moeten de technische voorschriften voor de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot veiligheids- en milieuelementen op het niveau van de Unie worden geharmoniseerd. Op basis van maatregelen van de lidstaten alleen kan niet tot een EU-typegoedkeuringsstelsel voor gehele voertuigen worden gekomen. Een optreden op EU-niveau is nodig omdat moet worden voorkomen dat belemmeringen voor de interne markt worden opgeworpen.De doelstellingen van het voorstel kunnen beter door een optreden van de Unie worden verwezenlijkt, omdat daarmee versnippering van de interne markt wordt voorkomen en de veiligheid en de milieuprestaties van voertuigen worden verbeterd.Het voorstel is derhalve in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel.EvenredigheidsbeginselHet voorstel is om de volgende redenen in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel.Zoals uit de effectbeoordeling blijkt, is het voorstel in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, omdat het niet verder gaat dan nodig is om de goede werking van de interne markt te garanderen en tegelijk voor een hoog niveau van openbare veiligheid en milieubescherming te zorgen.De vereenvoudiging van de regelgeving zal een aanzienlijke bijdrage leveren tot het terugdringen van de administratieve kosten voor de nationale instanties en het bedrijfsleven.Keuze van instrumentenVoorgesteld instrument: een verordening.Andere instrumenten zouden om de volgende redenen ongeschikt zijn.Het gebruik van een verordening wordt passend geacht, omdat een verordening de nodige garanties voor naleving biedt en niet in nationale wetgeving hoeft te worden omgezet.Het voorstel is opgezet volgens een "opsplitsing in twee niveaus", een aanpak waarvoor oorspronkelijk op verzoek van het Europees Parlement is gekozen en die ook al in andere wetsteksten op het gebied van EU-typegoedkeuring van motorvoertuigen is gebruikt. Daarbij komt wetgeving in twee stappen tot stand: enerzijds leggen het Europees Parlement en de Raad de fundamentele bepalingen volgens de gewone wetgevingsprocedure vast in een verordening op basis van artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;anderzijds legt de Commissie de technische specificaties ter uitvoering van de fundamentele bepalingen vast in gedelegeerde handelingen volgens artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. 4. Gevolgen voor de begrotingHet voorstel heeft geen gevolgen voor de begroting van de Gemeenschap.5. Aanvullende informatieSimulatie, proeffase en overgangsperiodeHet voorstel voorziet in een algemene overgangsperiode om fabrikanten van voertuigen en onderdelen en administraties voldoende tijd te gunnen.VereenvoudigingHet voorstel voorziet in vereenvoudiging van wetgeving.24 richtlijnen betreffende de typegoedkeuring van voertuigen zullen worden ingetrokken.Het voorstel vereenvoudigt de administratieve procedures voor overheidsinstanties. Het voorstel is opgenomen in het programma van de Commissie voor de modernisering en vereenvoudiging van het acquis communautaire en in het wetgevings- en werkprogramma van de Commissie, onder referentie 2009/ENTR/001.Intrekking van bestaande wetgevingDe goedkeuring van het voorstel heeft de intrekking van bestaande wetgeving tot gevolg.Europese Economische RuimteDe voorgestelde maatregel betreft een onderwerp dat onder de EER-overeenkomst valt en moet daarom worden uitgebreid tot de Europese Economische Ruimte. |

2010/0212 (COD)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

Verordening (EU) nr. …/2010 van het Europees Parlement en de Raad voor de goedkeuring van landbouw- en bosbouwvoertuigen

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité [5],

Na toezending van het voorstel aan de nationale parlementen,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Ter bevordering van de interne markt is bij Richtlijn 2003/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de typegoedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers en aanhangwagens, verwisselbare getrokken machines, systemen, onderdelen en technische eenheden daarvan en tot intrekking van Richtlijn 74/150/EEG van de Raad [6] een allesomvattend communautair typegoedkeuringsstelsel voor trekkers, aanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken ingesteld.

(2) Voor de totstandbrenging en de werking van de interne markt van de Unie is het wenselijk de goedkeuringsstelsels van de lidstaten te vervangen door een goedkeuringsprocedure van de Unie die gebaseerd is op het beginsel van volledige harmonisatie, terwijl tegelijkertijd de nodige rekening wordt gehouden met kosten-batenoverwegingen, met bijzondere aandacht voor het midden- en kleinbedrijf.

(3) Op verzoek van het Europees Parlement en met als doel de procedure te vereenvoudigen en te versnellen is op het gebied van de EU-typegoedkeuringswetgeving voor voertuigen een nieuwe regelgevingsaanpak ingevoerd, volgens welke de wetgever van de gewone wetgevingsprocedure slechts de fundamentele regels en beginselen vaststelt en de wetgeving met betrekking tot de nadere technische bijzonderheden aan de Commissie delegeert. Wat de materiële voorschriften betreft, moeten in deze verordening daarom alleen fundamentele bepalingen inzake verkeers- en arbeidsveiligheid en milieuprestaties worden vastgesteld en moet de bevoegdheid om de technische specificaties in gedelegeerde handelingen vast te leggen aan de Commissie worden gedelegeerd.

(4) Deze verordening laat maatregelen inzake het gebruik van landbouw- en bosbouwvoertuigen op de weg, zoals specifieke vereisten voor rijbewijzen, beperkingen van de maximumsnelheid, of de regeling van de toegang tot bepaalde wegen, onverlet.

(5) Om een hoog niveau van verkeers- en arbeidsveiligheid en milieubescherming te waarborgen, moeten de technische voorschriften en milieunormen die in het kader van de typegoedkeuring van toepassing zijn op voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden worden geharmoniseerd.

(6) Aangezien de richtlijnen betreffende niet voor de weg bestemde mobiele machines [7] niet voorzien in geharmoniseerde voorschriften voor de verkeersveiligheid, is het wenselijk fabrikanten van mobiele machines de optie te bieden overeenkomstig Europese normen goedkeuring voor hun producten te verkrijgen met betrekking tot de verkeersveiligheidsvoorschriften van deze verordening; mobiele machines moeten daarom op facultatieve basis in deze verordening worden opgenomen voor wat de typegoedkeuring van systemen met betrekking tot verkeersveiligheidsvoorschriften betreft, met name aangezien de voorschriften die van toepassing zijn op niet onder deze verordening vallende mobiele machines geen betrekking hebben op verkeersveiligheidsaspecten.

(7) Om de typegoedkeuringswetgeving volgens de aanbevelingen van het verslag "CARS 21: Een concurrerend regelgevingskader voor de automobielindustrie voor de 21e eeuw" [8] ("CARS 21") te vereenvoudigen, is het wenselijk alle afzonderlijke richtlijnen in te trekken zonder daarmee het beschermingsniveau te verminderen. De voorschriften van die richtlijnen moeten worden overgedragen naar deze verordening of haar gedelegeerde handelingen en in voorkomend geval worden vervangen door verwijzingen naar de overeenkomstige reglementen van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE), die zijn opgenomen in het recht van de Unie overeenkomstig artikel 4 van Besluit 97/836/EG van de Raad van 27 november 1997 inzake de toetreding van de Europese Gemeenschap tot de overeenkomst van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties betreffende het aannemen van eenvormige technische eisen voor wielvoertuigen, uitrustingsstukken en onderdelen die kunnen worden aangebracht en/of gebruikt op wielvoertuigen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van goedkeuringen verleend op basis van deze eisen ("Herziene overeenkomst van 1958") [9]. Om de administratieve lasten als gevolg van de typegoedkeuringsprocedure te verlichten, moet aan automobielfabrikanten de mogelijkheid worden geboden om in voorkomend geval rechtstreeks typegoedkeuring overeenkomstig deze verordening te verkrijgen door een goedkeuring te verkrijgen krachtens een van de toepasselijke VN/ECE-reglementen die in bijlage I zijn vermeld.

(8) De VN/ECE-reglementen waartoe de Unie krachtens Besluit 97/836/EG toetreedt, en de wijzigingen van VN/ECE-reglementen waartoe de Gemeenschap al is toegetreden, moeten bijgevolg als voorschriften voor de EU-typegoedkeuring of als alternatieven voor de bestaande wetgeving van de Unie in de EU-typegoedkeuringsprocedure worden opgenomen. In het bijzonder moet de bevoegdheid om deze verordening op de nodige punten aan te passen of om de nodige uitvoeringshandelingen aan te nemen, wanneer de Unie besluit dat een VN/ECE-reglement deel gaat uitmaken van de voorschriften voor EU-typegoedkeuring van voertuigen en in de plaats komt van bestaande EU-wetgeving, aan de Commissie worden gedelegeerd.

(9) Bij wijze van alternatief kan in de gedelegeerde handelingen naar door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) vastgestelde codes of naar rechtstreeks voor het publiek toegankelijke CEN/CENELEC- of ISO-normen worden verwezen.

(10) De voorschriften van deze verordening zijn in overeenstemming met de principes die zijn vastgesteld in het actieplan "Vereenvoudiging en verbetering van de regelgeving" [10].

(11) Het is van bijzonder belang dat toekomstige maatregelen die op grond van deze verordening worden voorgesteld of procedures die als toepassing ervan moeten worden gevolgd, stroken met deze principes, die in het CARS 21-verslag van de Commissie nog zijn herhaald. Met het oog op een betere regelgeving en vereenvoudiging en teneinde voortdurende actualisering van de bestaande EU-wetgeving op het gebied van technische specificaties te voorkomen, moet in deze verordening worden verwezen naar bestaande, internationale normen en voorschriften die voor het publiek toegankelijk zijn zonder dat zij in het EU-regelgevingskader volledig worden weergegeven.

(12) Richtlijn 2003/37/EG beperkte in eerste instantie de verplichte toepassing van de EU-typegoedkeuringsprocedure voor gehele voertuigen tot de voertuigcategorieën T1, T2 en T3, en voorzag niet in alle nodige voorschriften om het mogelijk te maken op vrijwillige basis voor andere categorieën een aanvraag tot EG-typegoedkeuring voor gehele voertuigen in te dienen. Om de interne markt te voltooien en ervoor te zorgen dat deze naar behoren functioneert, moet deze verordening fabrikanten de mogelijkheid bieden op vrijwillige basis voor alle categorieën die onder deze verordening vallen EU-typegoedkeuring van gehele voertuigen aan te vragen, zodat zij via de EU-typegoedkeuring van de voordelen van de interne markt kunnen profiteren.

(13) Het is wenselijk het beginsel vast te stellen dat voertuigen zodanig moeten zijn ontworpen, gebouwd en geassembleerd dat de inzittenden en andere weggebruikers zo weinig mogelijk risico van verwondingen lopen. Daartoe moeten de fabrikanten ervoor zorgen dat hun voertuigen voldoen aan de desbetreffende voorschriften van deze verordening. Die bepalingen moeten onder meer voorschriften omvatten met betrekking tot de integriteit van de voertuigstructuur, systemen om de bestuurder de controle over zijn voertuig te helpen behouden, systemen om de bestuurder een goed gezichtsveld te bieden en hem informatie over de staat van het voertuig en de omgeving te verstrekken, verlichtingssystemen, beschermingssystemen voor inzittenden, de buitenkant en het toebehoren van voertuigen, massa's en afmetingen van voertuigen, en banden van voertuigen.

(14) Om te garanderen dat de procedure voor de controle van de conformiteit van de productie, die een van de hoekstenen van het Europese typegoedkeuringssysteem vormt, juist wordt toegepast en naar behoren functioneert, moet de bevoegde instantie of een voldoende gekwalificeerde technische dienst die daartoe is aangewezen, geregeld verificaties verrichten bij de fabrikanten.

(15) Om misbruik te voorkomen, moet de vereenvoudigde procedure voor in kleine series gebouwde voertuigen worden beperkt tot geringe aantallen voertuigen; het begrip kleine series dient dan ook nauwkeurig te worden gedefinieerd door het aantal geproduceerde voertuigen aan te geven.

(16) Het is belangrijk bepalingen vast te stellen voor de individuele goedkeuring van voertuigen, zodat in het meerfasengoedkeuringsstelsel voldoende flexibiliteit kan worden toegestaan.

(17) Het hoofddoel van de wetgeving van de Unie inzake de goedkeuring van voertuigen is ervoor te zorgen dat nieuwe voertuigen, onderdelen en technische eenheden die op de markt worden gebracht een hoog niveau van veiligheid en milieubescherming bieden. Het bereiken van die doelstelling mag niet in het gedrang worden gebracht doordat bepaalde onderdelen of uitrustingsstukken worden gemonteerd nadat voertuigen op de markt of in het verkeer zijn gebracht. Daarom moeten passende maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat onderdelen of uitrustingsstukken die op voertuigen kunnen worden gemonteerd en die de werking van voor de veiligheid of de milieubescherming essentiële systemen in aanzienlijke mate nadelig kunnen beïnvloeden, door een goedkeuringsinstantie vooraf worden gecontroleerd voordat zij te koop worden aangeboden. Die maatregelen moeten technische bepalingen bevatten betreffende de voorschriften waaraan die onderdelen of uitrustingsstukken moeten voldoen.

(18) Die maatregelen moeten slechts betrekking hebben op een beperkt aantal onderdelen en uitrustingsstukken, die na raadpleging van de belanghebbenden in een lijst in een gedelegeerde handeling moeten worden opgenomen. Die maatregelen moeten ervoor zorgen dat de desbetreffende onderdelen of uitrustingsstukken de veiligheid of de milieuprestaties van het voertuig niet nadelig beïnvloeden en moeten tegelijkertijd waar mogelijk de concurrentie op de secundaire onderdelenmarkt in stand houden.

(19) Het is van belang dat de fabrikanten de eigenaars van voertuigen relevante informatie verstrekken om verkeerd gebruik van veiligheidsvoorzieningen te voorkomen.

(20) Om fabrikanten van onderdelen en technische eenheden in staat te stellen EU-typegoedkeuring voor onderdelen en technische eenheden of een vergunning aan te vragen, is het ook van belang dat deze toegang hebben tot bepaalde informatie die alleen de voertuigfabrikant kan verstrekken, zoals technische informatie en tekeningen die nodig zijn om onderdelen voor de secundaire onderdelenmarkt te ontwikkelen.

(21) Een onbeperkte toegang tot reparatie-informatie - via een gestandaardiseerd formaat voor het vinden van technische informatie - en effectieve concurrentie op de markt voor reparatie- en onderhoudsinformatiediensten is nodig om de werking van de interne markt te verbeteren, met name wat het vrije verkeer van goederen, het recht van vestiging en het vrij verrichten van diensten betreft. Een groot deel van deze informatie betreft boorddiagnosesystemen (OBD) en de interactie daarvan met andere voertuigsystemen. Het is wenselijk vast te stellen aan welke technische specificaties de websites van fabrikanten moeten voldoen, naast gerichte maatregelen om een redelijke toegang voor het midden- en kleinbedrijf te waarborgen.

(22) De lidstaten moeten sancties vaststellen voor inbreuken op deze verordening en ervoor zorgen dat deze worden toegepast. Deze sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

(23) Ter aanvulling of wijziging van bepaalde niet-essentiële onderdelen van deze verordening moet de Commissie de bevoegdheid worden verleend om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag gedelegeerde handelingen vast te stellen inzake verkeersveiligheid (met inbegrip van remmen), arbeidsveiligheid en milieuprestaties, testen, toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie en aanwijzing en bevoegdheden van technische diensten.

(24) Voor sommige onder deze verordening vallende onderwerpen zijn uniforme voorwaarden voor de tenuitvoerlegging in de lidstaten vereist om de goede werking van de interne markt te waarborgen, door de wederzijdse erkenning van in de verschillende lidstaten genomen administratieve besluiten en de aanvaarding van door de voertuigfabrikant verstrekte documenten te vereenvoudigen en belanghebbenden aldus in staat te stellen eenvoudiger van de interne markt te kunnen profiteren. De Commissie moet daarom de bevoegdheid worden verleend om overeenkomstig artikel 291 van het Verdrag uitvoeringshandelingen aan te nemen teneinde met betrekking tot de volgende punten uniforme voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van deze verordening vast te stellen: lijst met tijdens de aanvraag voor typegoedkeuring te verstrekken gegevens, typegoedkeuringsprocedures, modellen voor de extra constructieplaten, EU-typegoedkeuringscertificaten, lijst van verleende typegoedkeuringen, nummeringssysteem voor EU-typegoedkeuringen en procedures om de conformiteit van de productie te waarborgen.

(25) Overeenkomstig artikel 291 VWEU, worden de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren, vooraf volgens de gewone wetgevingsprocedure bij verordening vastgelegd. In afwachting van de vaststelling van deze nieuwe verordening blijft Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden van toepassing, met uitzondering van de regelgevingsprocedure met toetsing, die niet van toepassing is.

(26) Als gevolg van de toepassing van het nieuwe regelgevingskader dat door deze verordening wordt ingevoerd, moeten Richtlijn 2003/37/EG alsmede de volgende richtlijnen worden ingetrokken: Richtlijn 74/347/EEG van de Raad van 25 juni 1974 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende het zichtveld en de ruitenwissers van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen [11], Richtlijn 76/432/EEG van de Raad van 6 april 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de reminrichtingen van landbouw- en bosbouwtrekkers op wielen [12], Richtlijn 76/763/EEG van de Raad van 27 juli 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de zitplaatsen voor meerijders op landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen [13], Richtlijn 77/537/EEG van de Raad van 28 juni 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de maatregelen die moeten worden genomen tegen de verontreiniging door dieselmotoren, bestemd voor het aandrijven van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen [14], Richtlijn 78/764/EEG van de Raad van 25 juli 1978 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de bestuurderszitplaats op landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen [15], Richtlijn 80/720/EEG van de Raad van 24 juni 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de bedieningsruimte, de toegankelijkheid van de cabine alsmede deuren en ramen van landbouw- en bosbouwtrekkers op wielen [16], Richtlijn 86/297/EEG van de Raad van 26 mei 1986 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake aftakassen en de beveiliging daarvan bij land- en bosbouwtrekkers op wielen [17], Richtlijn 86/298/EEG van de Raad van 26 mei 1986 betreffende kantelbeveiligingsinrichtingen aan de achterzijde op land- of bosbouwsmalspoortrekkers [18], Richtlijn 86/415/EEG van de Raad van 24 juli 1986 betreffende de installatie, plaats, werking en identificatie van de bedieningsorganen van land- en bosbouwtrekkers op wielen [19], Richtlijn 87/402/EEG van de Raad van 25 juni 1987 betreffende vóór de bestuurderszitplaats bevestigde kantelbeveiligingsinrichtingen voor land- of bosbouwsmalspoortrekkers op wielen [20], Richtlijn 2000/25/EEG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2000 inzake maatregelen tegen de uitstoot van verontreinigende gassen en deeltjes door motoren bestemd voor het aandrijven van landbouw- of bosbouwtrekkers en houdende wijziging van Richtlijn 74/150/EEG van de Raad [21], Richtlijn 2009/57/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende kantelbeveiligingsinrichtingen op landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen [22], Richtlijn 2009/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de sleepinrichting en de achteruitrijinrichting van landbouw- en bosbouwtrekkers op wielen [23], Richtlijn 2009/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de achteruitkijkspiegels van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen [24], Richtlijn 2009/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de door de constructie bepaalde maximumsnelheid en de laadplatforms van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen [25], Richtlijn 2009/61/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 oktober 1978 betreffende de installatie van verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen [26], Richtlijn 2009/63/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende bepaalde onderdelen en eigenschappen van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen [27], Richtlijn 2009/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de onderdrukking van radiostoringen, veroorzaakt door landbouw- of bosbouwtrekkers (elektromagnetische compatibiliteit) [28], Richtlijn 2009/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de stuurinrichting van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen [29], Richtlijn 2009/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de onderdeelgoedkeuring van verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen van landbouw- en bosbouwtrekkers op wielen [30], Richtlijn 2009/75/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de kantelbeveiligingsinrichtingen op landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (statische proeven) [31], Richtlijn 2009/76/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende het geluidsniveau op oorhoogte van bestuurders van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen [32], Richtlijn 2009/144/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 betreffende bepaalde onderdelen en kenmerken van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen [33] (maten en maximaal getrokken massa's enz.).

(27) Het is van belang dat alle belanghebbenden een duidelijk verband leggen tussen deze verordening en Richtlijn 2006/42/EG betreffende de veiligheid van machines [34], om duidelijk vast te stellen aan welke voorschriften een bepaald product moet voldoen.

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1

Onderwerp

In deze verordening worden de administratieve en technische voorschriften voor de EU-goedkeuring van alle in artikel 2 bedoelde nieuwe voertuigen vastgesteld.

In deze verordening worden tevens de voorschriften vastgesteld voor de verkoop en het in het verkeer brengen van onderdelen en uitrustingsstukken voor voertuigen die overeenkomstig deze verordening zijn goedgekeurd en voor het verbieden van de verkoop en het in het verkeer brengen.

Deze verordening laat de toepassing van de desbetreffende wetgeving van de Unie inzake verkeersveiligheid onverlet.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1. Deze verordening is van toepassing op de individuele en typegoedkeuring van in een of meer fasen ontworpen en gebouwde voertuigen en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn ontworpen en gebouwd.

Deze verordening is van toepassing op de volgende voertuigen:

a) trekkers (categorieën T en C);

b) aanhangwagens (categorie R);

c) verwisselbare getrokken uitrustingsstukken (categorie S) en

d) mobiele machines (categorie U).

2. Deze verordening is niet van toepassing op verwisselbare machines die in het wegverkeer volledig worden gedragen.

3. Voor de volgende voertuigen mag de fabrikant naar eigen keuze een aanvraag indienen voor typegoedkeuring krachtens deze verordening, dan wel voor nationale typegoedkeuring.

a) mobiele machines;

b) aanhangwagens en getrokken werktuigen, categorieën R en S;

c) bij individuele goedkeuring, prototypen van voertuigen die onder verantwoordelijkheid van de fabrikant worden gebruikt om een specifiek testprogramma uit te voeren en die speciaal daarvoor zijn ontworpen en gebouwd.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze verordening en de in de lijst van bijlage I vermelde regelgevingen, tenzij daarin anders is bepaald, wordt verstaan onder:

1. "typegoedkeuring": de procedure waarbij een goedkeuringsinstantie certificeert dat een type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid aan de relevante administratieve bepalingen en technische voorschriften voldoet;

2. "typegoedkeuring van een geheel voertuig": een typegoedkeuring waarbij een goedkeuringsinstantie certificeert dat een compleet voertuig aan de relevante administratieve bepalingen en technische voorschriften voldoet;

3. "typegoedkeuring van een systeem": een typegoedkeuring waarbij een goedkeuringsinstantie certificeert dat een in een specifiek voertuigtype ingebouwd systeem aan de relevante administratieve bepalingen en technische voorschriften voldoet;

4. "typegoedkeuring van een onderdeel": een typegoedkeuring waarbij een goedkeuringsinstantie certificeert dat een onderdeel onafhankelijk van een voertuig aan de relevante administratieve bepalingen en technische voorschriften voldoet;

5. "typegoedkeuring van een technische eenheid": een typegoedkeuring waarbij een goedkeuringsinstantie certificeert dat een technische eenheid in samenhang met een of meer specifieke voertuigtypen aan de relevante administratieve bepalingen en technische voorschriften voldoet;

6. "nationale typegoedkeuring": een in de nationale wetgeving van een lidstaat vastgestelde typegoedkeuringsprocedure waarvan de geldigheid beperkt is tot het grondgebied van die lidstaat;

7. "EU-typegoedkeuring": de procedure waarbij een goedkeuringsinstantie certificeert dat een type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid aan de relevante administratieve bepalingen en technische voorschriften van deze verordening voldoet;

8. "trekker": een landbouw- of bosbouwvoertuig op wielen of rupsbanden, met motor, ten minste twee assen en een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet minder dan 6 km/h, die voornamelijk voor tractiedoeleinden is bestemd en in het bijzonder is ontworpen voor het trekken, duwen, dragen of in beweging brengen van bepaalde verwisselbare uitrustingsstukken die voor gebruik in de land- of bosbouw zijn bestemd, of voor het trekken van aanhangwagens of uitrustingsstukken voor de land- of bosbouw; het kan zijn aangepast om een lading te vervoeren voor landbouw- of bosbouwdoeleinden en kan zijn uitgerust met een of meer zitplaatsen voor meerijders;

9. "aanhangwagen": een getrokken landbouw- of bosbouwvoertuig dat voornamelijk is bestemd voor het vervoeren van ladingen en is ontworpen om voor landbouw- of bosbouwdoeleinden door een trekker te worden getrokken en niet om materiaal te bewerken [en waarbij de verhouding tussen de totale technisch toelaatbare massa en de massa in onbeladen toestand van dit voertuig gelijk is aan of groter is dan 3,0];

10. "verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk": een in de landbouw of bosbouw gebruikt voertuig dat is ontworpen om getrokken te worden door een trekker en die trekker een andere of extra functie geeft, van een vast gemonteerd werktuig is voorzien of is ontworpen om materiaal te bewerken, en die een laadplatform kan omvatten dat is ontworpen en gebouwd om de voor deze doeleinden benodigde gereedschappen en hulpstukken te dragen en om het tijdens het werk geproduceerde of benodigde materiaal tijdelijk op te slaan, en waarbij de verhouding tussen de totale technisch toelaatbare massa en de massa in onbeladen toestand van dit voertuig kleiner is dan 3,0;

11. "mobiele machine": een zelfaangedreven voertuig, met uitzondering van machines die op het chassis van een motorvoertuig zijn gemonteerd, dat speciaal is ontworpen en gebouwd voor werkzaamheden en dat door zijn bouw niet geschikt is voor personen- of goederenvervoer.

12. "voertuig": trekker, aanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk of mobiele machine, zoals gedefinieerd in de punten (...)8, (...)9, (...)10 en (...)11;

13. "voertuigtype": een categorie voertuigen die onderling niet verschillen op de in punt (...)41 gespecificeerde essentiële punten, ongeacht of zij tot verschillende varianten en uitvoeringen behoren zoals gedefinieerd in de punten (...)42 en (...)43;

14. "basisvoertuig": een voertuig dat in de eerste fase van een meerfasentypegoedkeuringsprocedure wordt gebruikt;

15. "incompleet voertuig": een voertuig dat nog minstens één voltooiingsfase moet ondergaan om aan de toepasselijke technische voorschriften van deze verordening te voldoen;

16. "voltooid voertuig": een voertuig dat na de meerfasentypegoedkeuringsprocedure te hebben doorlopen aan de toepasselijke technische voorschriften van deze verordening voldoet;

17. "compleet voertuig": een voertuig dat niet hoeft te worden voltooid om aan de toepasselijke technische voorschriften van deze verordening te voldoen;

18. "voertuig uit restantvoorraad": een voertuig dat deel uitmaakt van een voorraad en dat niet kan worden geregistreerd, verkocht of in het verkeer gebracht omdat nieuwe technische voorschriften in werking zijn getreden waarvoor het niet is goedgekeurd;

19. "systeem": een geheel van voorzieningen die gecombineerd zijn om in een voertuig een of meer specifieke functies te vervullen, en dat aan de voorschriften van de regelgevingen moet voldoen;

20. "onderdeel": een voorziening die aan de voorschriften van een regelgeving moet voldoen, en die bedoeld is om deel uit te maken van een voertuig en waarvoor onafhankelijk van een voertuig typegoedkeuring kan worden verleend indien de regelgeving daarin uitdrukkelijk voorziet;

21. "technische eenheid": een voorziening die aan de voorschriften van een regelgeving moet voldoen, die bedoeld is om deel uit te maken van een voertuig en waarvoor afzonderlijk, maar alleen met betrekking tot een of meer specifieke voertuigtypes, typegoedkeuring kan worden verleend indien de regelgeving daarin uitdrukkelijk voorziet;

22. "originele onderdelen of uitrustingsstukken": onderdelen of uitrustingsstukken die worden geproduceerd volgens specificaties en productienormen die de voertuigfabrikant heeft verstrekt voor de productie van onderdelen of uitrustingsstukken die bestemd zijn voor de montage van het betrokken motorvoertuig, met inbegrip van onderdelen en uitrustingsstukken die in dezelfde productielijn als de betrokken onderdelen of uitrustingsstukken geproduceerd zijn, en, op basis van een weerlegbaar vermoeden, onderdelen of uitrustingsstukken waarvan door de fabrikant gecertificeerd is dat zij van gelijke kwaliteit zijn als de onderdelen die voor de montage van het betrokken motorvoertuig zijn gebruikt en dat zij volgens de specificaties en productienormen van de fabrikant van het voertuig zijn vervaardigd;

23. "fabrikant": de persoon of instantie die jegens de goedkeuringsinstantie verantwoordelijk is voor alle aspecten van de typegoedkeuringsprocedure en voor de conformiteit van de productie, ongeacht of deze persoon of instantie rechtstreeks bij alle fasen van de constructie van een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid is betrokken, ongeacht of deze persoon of instantie direct betrokken is bij alle fasen van de bouw van het voertuig, het systeem, het onderdeel of de technische eenheid waarvoor goedkeuring wordt aangevraagd.

24. "vertegenwoordiger van de fabrikant": een in de Unie gevestigde natuurlijke of rechtspersoon die door de fabrikant is aangewezen om hem te vertegenwoordigen bij de instantie en namens hem op te treden bij onder deze verordeningen vallende aangelegenheden.

25. "goedkeuringsinstantie": de instantie van een lidstaat die door de lidstaat is opgericht of aangewezen en door de lidstaat is aangemeld bij de Commissie overeenkomstig artikel 5 en die bevoegd is voor alle aspecten van de typegoedkeuring van een type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid of van de individuele goedkeuring van een voertuig, voor de vergunningsprocedure, voor de afgifte en eventuele intrekking van goedkeuringscertificaten, en die bevoegd is om op te treden als contactpunt voor de goedkeuringsinstanties van andere lidstaten, om de technische diensten aan te wijzen en om te waarborgen dat de fabrikant voldoet aan zijn verplichtingen inzake de conformiteit van de productie;

26. "technische dienst": een organisatie of instantie die door de goedkeuringsinstantie van een lidstaat is aangewezen om namens haar als testlaboratorium tests of als conformiteitsbeoordelingsinstantie de initiële beoordeling en andere tests of inspecties te verrichten.

27. "zelftesten": het uitvoeren van tests in de eigen faciliteiten, de registratie van de testresultaten en de indiening van een verslag met conclusies bij de goedkeuringsinstantie door een fabrikant die als technische dienst is aangewezen om de naleving van bepaalde voorschriften te beoordelen;

28. "virtuele testmethode": computersimulatie, daaronder begrepen berekeningen die aantonen dat een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid voldoet aan de technische voorschriften van een regelgeving zonder dat daarvoor gebruik hoeft te worden gemaakt van fysieke voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden;

29. "typegoedkeuringscertificaat": het document waarmee de goedkeuringsinstantie officieel certificeert dat voor een type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid goedkeuring is verleend;

30. "EU-typegoedkeuringscertificaat": het op het model in deze verordening gebaseerde certificaat, dan wel het mededelingenformulier in de relevante gelijkwaardige VN/ECE-reglementen of OESO-codes die in bijlage I zijn vermeld;

31. "individuelegoedkeuringscertificaat": het document waarmee de goedkeuringsinstantie officieel certificeert dat voor een bepaald voertuig goedkeuring is verleend;

32. "conformiteitscertificaat": het op het model in deze verordening gebaseerde document dat door de fabrikant wordt afgegeven om te certificeren dat een voertuig behorende tot de reeks waarvoor overeenkomstig deze verordening typegoedkeuring is verleend, op het ogenblik van de productie conform was met het bij de typegoedkeuring goedgekeurde type en aan alle daarin vermelde voorschriften voldeed;

33. "boorddiagnosesysteem" of "OBD-systeem": een emissiebeperkingssysteem dat bij een storing door middel van in een computergeheugen opgeslagen foutcodes kan aangeven in welk gebied de storing waarschijnlijk is opgetreden;

34. "reparatie- en onderhoudsinformatie": alle informatie die nodig is voor diagnose, onderhoud, inspectie, periodieke controle, reparatie, herprogrammering of re-initialisatie van het voertuig en die de fabrikanten aan hun erkende handelaren en reparatiebedrijven verstrekken, met inbegrip van alle latere wijzigingen van en aanvullingen op deze informatie.

35. "onafhankelijke marktdeelnemer": ondernemingen, met uitzondering van erkende handelaren en reparatiebedrijven, die direct of indirect bij de herstelling en het onderhoud van motorvoertuigen betrokken zijn, met name reparateurs, fabrikanten of distributeurs van reparatieapparatuur, -gereedschap of reserveonderdelen, uitgevers van technische informatie, automobielclubs, wegenwachtdiensten, bedrijven die keurings- en controlediensten aanbieden en bedrijven die opleidingen aanbieden voor installateurs, fabrikanten en reparateurs van uitrustingsstukken voor voertuigen die op alternatieve brandstof rijden;

36. "nieuw voertuig": een voertuig dat:

a) nooit eerder is geregistreerd of

b) ten tijde van de aanvraag voor individuele goedkeuring minder dan zes maanden geregistreerd is geweest;

37. "registratie": het feit dat er voor het voertuig, nadat het is geïdentificeerd, permanente, voorlopige dan wel tijdelijke administratieve goedkeuring is verleend om het in het verkeer te brengen en dat er een registratienummer voor is afgegeven;

38. "in de handel brengen": het voor het eerst tegen vergoeding of gratis in de Unie ter beschikking stellen van een voertuig met het oog op de distributie of het gebruik ervan;

39. "in het verkeer brengen": eerste gebruik in de Unie van een onder deze verordening vallend voertuig overeenkomstig het gebruiksdoel;

40. "verkoop": iedere verkoop, van de voertuigfabrikant aan de detailhandelaar of de verkoop aan de eindgebruiker;

41. "voertuigtype": voertuigen van een categorie die ten minste op de volgende essentiële punten niet van elkaar verschillen:

– fabrikant;

– typeaanduiding door de fabrikant;

– essentiële aspecten van de constructie en het ontwerp:

– chassis met centrale buis/chassis met langsbalken/geleed chassis (duidelijke en fundamentele verschillen),

– voor categorie T: assen (aantal) of, voor categorie C: assen/rupsbanden (aantal);

en, alleen voor trekkers:

– motor (verbranding/elektrisch/hybride).

42. "variant": tot een type behorende voertuigen die ten minste op de volgende punten niet van elkaar verschillen:

a) voor trekkers:

– motor;

– werkingsprincipe;

– aantal en opstelling van de cilinders;

– vermogensverschil van niet meer dan 30% (het hoogste vermogen is niet meer dan 1,3 maal het laagste vermogen);

– verschil in cilinderinhoud van niet meer dan 20% (de grootste cilinderinhoud is niet meer dan 1,2 maal de kleinste cilinderinhoud);

– aangedreven assen (aantal, plaats en onderlinge verbinding);

– gestuurde assen (aantal en plaats);

– verschillen in maximummassa in beladen toestand van niet meer dan 10%;

– transmissie (soort);

– kantelbeveiliging;

– geremde assen (aantal);

b) voor trekkers of getrokken uitrustingsstukken:

– bestuurde assen (aantal, plaats en onderlinge verbinding);

– verschillen in maximummassa in beladen toestand van niet meer dan 10%;

– geremde assen (aantal);

43. "uitvoering van een variant": voertuigen die bestaan uit een combinatie van punten in het informatiepakket.

Artikel 4

Voertuigcategorie

Voor de toepassing van deze verordening worden de volgende voertuigcategorieën gehanteerd:

1. "categorie T": alle trekkers op wielen;

2. "categorie T1": trekkers op wielen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 40 km/h, met een minimumspoorbreedte van de zich het dichtst bij de bestuurder bevindende as van niet minder dan 1 150 mm, met een lege massa in rijklare toestand van meer dan 600 kg en met een bodemvrijheid van ten hoogste 1 000 mm;

3. "categorie T2": trekkers op wielen met een minimumspoorbreedte van minder dan 1 150 mm, met een lege massa in rijklare toestand van meer dan 600 kg, met een bodemvrijheid van ten hoogste 600 mm en met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 40 km/h, tenzij de waarde van de hoogte van het zwaartepunt van de trekker (ten opzichte van de grond gemeten), gedeeld door het gemiddelde van de minimumspoorbreedten van elke as, meer dan 0,90 bedraagt, in welk geval de door de constructie bepaalde maximumsnelheid wordt beperkt tot 30 km/h;

4. "categorie T3": trekkers op wielen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 40 km/h, met een lege massa in rijklare toestand van ten hoogste 600 kg;

5. "categorie T4": trekkers voor speciale doeleinden op wielen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 40 km/h;

6. "categorie T4.1" (trekkers met grote bodemvrijheid): trekkers voor het bewerken van hoge, in rijen geplante gewassen, bijvoorbeeld in de wijnbouw. Zij worden gekenmerkt door een (gedeeltelijk) verhoogd chassis dat zodanig is gebouwd dat zij zich parallel aan de rijen planten kunnen voortbewegen, waarbij de linker- en rechterwielen zich aan weerszijden van een of meer rijen planten bevinden. Zij zijn ontworpen om werktuigen te dragen of aan te drijven die zich aan de voorzijde, tussen de assen, aan de achterzijde of op een platform bevinden. In de werkpositie bedraagt de verticaal gemeten bodemvrijheid op de plaats van de rijen planten meer dan 1 000 mm. Wanneer de waarde van de hoogte van het zwaartepunt van de trekker (ten opzichte van de grond en met de normaal gemonteerde banden gemeten), gedeeld door het gemiddelde van de minimumspoorbreedten van alle assen, meer dan 0,90 bedraagt, mag de door de constructie bepaalde maximumsnelheid niet hoger zijn dan 30 km/h;

7. "categorie T4.2" (extra brede trekkers): trekkers die door hun grote afmetingen worden gekenmerkt en die in het bijzonder bestemd zijn om grote landbouwarealen te bewerken;

8. "categorie T4.3" (trekkers met kleine bodemvrijheid): trekkers met vierwielaandrijving, waarvan de verwisselbare uitrustingsstukken bestemd zijn voor gebruik in de land- of bosbouw en die gekenmerkt worden door een dragend frame, met een of meer aftakassen zijn uitgerust, een technisch toelaatbare massa van ten hoogste 10 ton hebben en waarbij de verhouding tussen deze massa en de maximale onbeladen massa in rijklare toestand minder dan 2,5 bedraagt en waarvan de waarde van de hoogte van het zwaartepunt,[zie vroegere voetnoot 38] (ten opzichte van de grond en met de normaal gemonteerde banden gemeten) minder dan 850 mm bedraagt;

9. "categorie T5": trekkers op wielen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 40 km/h;

10. "categorie C": trekkers op rupsbanden die door rupsbanden of door een combinatie van wielen en rupsbanden worden voortbewogen, waarvan de subcategorieën worden gedefinieerd naar analogie van categorie T;

11. "categorie R": aanhangwagens; elke in de punten 12 tot en met 15 beschreven categorie aanhangwagens wordt tevens aangeduid met de letter a of b, al naar gelang van de snelheid waarvoor de aanhangwagen is ontworpen:

– a) a voor aanhangwagens die voor een snelheid van ten hoogste 40 km/h zijn ontworpen;

– b) b voor aanhangwagens die voor een snelheid van meer dan 40 km/h zijn ontworpen.

12. "categorie R1": aanhangwagens waarvan het totaal van de technisch toelaatbare massa's per as ten hoogste 1 500 kg bedraagt;

13. "categorie R2": aanhangwagens waarvan het totaal van de technisch toelaatbare massa's per as meer dan 1 500 kg maar niet meer dan 3 500 kg bedraagt;

14. "categorie R3": aanhangwagens waarvan het totaal van de technisch toelaatbare massa's per as meer dan 3 500 kg maar niet meer dan 21 000 kg bedraagt;

15. "categorie R4": aanhangwagens waarvan het totaal van de technisch toelaatbare massa's per as meer dan 21 000 kg bedraagt;

16. "categorie S": verwisselbare getrokken uitrustingsstukken.

Elke categorie verwisselbare getrokken uitrustingsstukken wordt tevens aangeduid met de letter a of b, al naar gelang van de snelheid waarvoor deze zijn ontworpen:

– a voor verwisselbare getrokken uitrustingsstukken die voor een snelheid van ten hoogste 40 km/h zijn ontworpen,

– b voor verwisselbare getrokken uitrustingsstukken die voor een snelheid van meer dan 40 km/h zijn ontworpen;

17. "categorie S1": verwisselbare getrokken uitrustingsstukken waarvan het totaal van de technisch toelaatbare massa's per as ten hoogste 3 500 kg bedraagt;

18. "categorie S2": verwisselbare getrokken uitrustingsstukken waarvan het totaal van de technisch toelaatbare massa's per as meer dan 3 500 kg bedraagt;

19. "categorie U": machines zoals gedefinieerd in Richtlijn 2006/42/EG, met eigen aandrijving en bedoeld voor gebruik in land- of bosbouw.

HOOFDSTUK II

ALGEMENE VERPLICHTINGEN

Artikel 5

Nationale instanties

1. De lidstaten richten de voor de goedkeuring bevoegde nationale instanties op en wijzen deze aan en doen daarvan kennisgeving aan de Commissie overeenkomstig artikel 53.

De kennisgeving betreffende de goedkeuringsinstanties bevat hun naam, adres, inclusief elektronisch adres, alsmede hun bevoegdheidsgebied.

2. De goedkeuringsinstanties zien erop toe dat fabrikanten die een goedkeuring aanvragen, hun verplichtingen krachtens deze verordening nakomen.

3. De goedkeuringsinstanties verlenen alleen goedkeuring voor voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden die aan de voorschriften van deze verordening voldoen.

4. De goedkeuringsinstanties staan alleen toe dat voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden die aan de voorschriften van deze verordening voldoen, worden geregistreerd, verkocht of in het verkeer gebracht. Zij mogen de registratie, de verkoop, het in het verkeer brengen of het op de weg gebruiken van voertuigen, onderdelen of technische eenheden die aan de voorschriften van deze richtlijn voldoen, niet verbieden, beperken of belemmeren op grond van aspecten die verband houden met de constructie of werking en die onder deze verordening vallen, indien zij aan de voorschriften van deze verordening voldoen.

Artikel 6

Algemene verplichtingen van de fabrikanten

1. De fabrikant is jegens de goedkeuringsinstantie verantwoordelijk voor alle aspecten van de goedkeuringsprocedure en voor het waarborgen van de conformiteit van de productie, ongeacht of hij al dan niet rechtstreeks bij alle fasen van de bouw van een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid betrokken is.

2. Bij meerfasentypegoedkeuring is elke fabrikant verantwoordelijk voor de goedkeuring en de conformiteit van de productie van de systemen, onderdelen en technische eenheden die tijdens de door hem uitgevoerde voltooiingsfase van het voertuig worden toegevoegd. De fabrikant die reeds in eerdere fasen goedgekeurde onderdelen of systemen wijzigt, is verantwoordelijk voor de goedkeuring en conformiteit van de productie van deze onderdelen en systemen.

3. De fabrikant die het incomplete voertuig zodanig wijzigt dat dit ertoe leidt dat het wordt aangemerkt als behorende tot een andere voertuigcategorie en dat bijgevolg de reeds in een eerste goedkeuringsfase beoordeelde wettelijke voorschriften zijn gewijzigd, is ook verantwoordelijk voor de naleving van die voorschriften.

4. Voor de toepassing van deze verordening wijst een fabrikant die buiten de Gemeenschap is gevestigd, een binnen de Gemeenschap gevestigde eerste gemachtigde aan om hem voor de goedkeuringsinstantie te vertegenwoordigen.

Wanneer wordt verwezen naar de fabrikant wordt daaronder de fabrikant of zijn gemachtigde verstaan.

HOOFDSTUK III

MATERIËLE VOORSCHRIFTEN

Artikel 7

Voorschriften inzake de verkeersveiligheid

1. De fabrikanten zorgen ervoor dat de voertuigen zodanig worden ontworpen, gebouwd en geassembleerd dat de inzittenden en andere weggebruikers zo weinig mogelijk risico van verwondingen lopen.

2. De fabrikanten zorgen ervoor dat de voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden voldoen aan de relevante voorschriften van deze verordening, met inbegrip van die met betrekking tot:

a) integriteit van de voertuigstructuur;

b) systemen om de bestuurder de controle over zijn voertuig te helpen behouden, waaronder stuursystemen, remsystemen (met inbegrip van antiblokkeersystemen) en elektronische stabiliteitscontrolesystemen;

c) systemen om de bestuurder een goed gezichtsveld te bieden en hem informatie over de staat van het voertuig en de omgeving te verstrekken, daaronder begrepen ruiten, spiegels en informatiesystemen voor de bestuurder;

d) voertuigverlichtingssystemen;

e) bescherming van de inzittenden van het voertuig, met inbegrip van binnenuitrusting, hoofdsteunen, veiligheidsgordels en deuren van het voertuig;

f) buitenkant en accessoires van het voertuig;

g) elektromagnetische compatibiliteit;

h) geluidssignaalinrichtingen;

i) verwarmingssystemen;

j) voorzieningen ter beveiliging tegen onrechtmatig gebruik;

k) voertuigidentificatiesystemen;

l) massa's en afmetingen;

m) veiligheid van elektrisch materiaal;

n) beschermingsstructuren aan de achterzijde;

o) zijdelingse bescherming;

p) laadplatforms;

q) koppelingen en achteruitrijinrichtingen;

r) bedieningsorganen;

s) banden;

t) opspatafschermingssystemen.

3. De in de leden 1 en 2 bedoelde voorschriften zijn van toepassing op voertuigen en daarvoor bestemde systemen, onderdelen en technische eenheden, voor zover zij van toepassing zijn verklaard op de desbetreffende voertuigcategorie van artikel 4.

4. Om voor een hoog niveau van verkeersveiligheid te kunnen zorgen, wordt aan de Commissie de bevoegdheid gedelegeerd om overeenkomstig artikel 57 een gedelegeerde handeling vast te stellen met gedetailleerde technische voorschriften, in voorkomend geval met inbegrip van testprocedures en grenswaarden, voor de in lid 2 genoemde onderwerpen.

Artikel 8

Voorschriften inzake de arbeidsveiligheid

1. De fabrikanten zorgen ervoor dat de voertuigen zodanig worden ontworpen, gebouwd en geassembleerd dat de personen die in of met het voertuig werken zo min mogelijk risico's op verwondingen lopen.

2. De fabrikanten zorgen ervoor dat de voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden voldoen aan de relevante voorschriften van deze verordening, met inbegrip van die met betrekking tot:

a) kantelbeveiligingssystemen (hierna "ROPS" genoemd);

b) constructies ter bescherming tegen vallende voorwerpen (hierna "FOPS" genoemd);

c) zitplaatsen voor meerijders;

d) intern geluidsniveau;

e) zitplaats van de bestuurder;

f) bedieningsruimte en toegankelijkheid van de cabine;

g) aftakassen;

h) bescherming van aandrijfelementen;

i) gordelverankeringspunten;

j) veiligheidsgordels;

k) bescherming van de bestuurder tegen binnendringende voorwerpen (hierna "OPS" genoemd);

l) bescherming van de bestuurder tegen gevaarlijke stoffen;

m) gebruikershandleiding.

3. De in de leden 1 en 2 bedoelde voorschriften zijn van toepassing op voertuigen en daarvoor bestemde systemen, onderdelen en technische eenheden, voor zover zij in deze verordening van toepassing zijn verklaard op de desbetreffende voertuigcategorie.

4. Om voor een hoog niveau van arbeidsveiligheid te kunnen zorgen, wordt aan de Commissie de bevoegdheid gedelegeerd om overeenkomstig artikel 57 een gedelegeerde handeling vast te stellen met gedetailleerde technische voorschriften, in voorkomend geval met inbegrip van testprocedures en grenswaarden, voor de in lid 2 genoemde onderwerpen.

Artikel 9

Voorschriften inzake milieuprestaties

1. De fabrikanten zorgen ervoor dat de voertuigen zodanig worden ontworpen, gebouwd en geassembleerd dat de milieueffecten ervan zoveel mogelijk worden beperkt.

2. De fabrikanten zorgen ervoor dat de voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden voldoen aan de relevante voorschriften van deze verordening, met inbegrip van die met betrekking tot:

a) emissies van verontreinigende stoffen;

b) extern geluidsniveau.

3. De in Richtlijn 97/68/EG [35] voor mobiele machines vastgestelde specifieke grenswaarden, procedures en testvoorschriften voor emissies van verontreinigende stoffen zijn van toepassing.

4. De in de leden 1 en 2 bedoelde voorschriften zijn van toepassing op voertuigen en daarvoor bestemde systemen, onderdelen en technische eenheden, voor zover zij in deze verordening van toepassing zijn verklaard op de desbetreffende voertuigcategorie.

5. Om voor een hoog milieuprestatieniveau te kunnen zorgen, wordt aan de Commissie de bevoegdheid gedelegeerd om overeenkomstig artikel 57 een gedelegeerde handeling vast te stellen met gedetailleerde technische voorschriften, in voorkomend geval met inbegrip van testprocedures en grenswaarden, voor het in lid 2, onder b), bedoelde externe geluidsniveau en voor de installatie in een voertuig van goedgekeurde motoren en de daarmee samenhangende flexibiliteitsbepalingen zoals bedoeld in lid 2, onder a) en lid 3.

HOOFDSTUK IV

EU-TYPEGOEDKEURINGSPROCEDURES

Artikel 10

Procedures voor de EU-typegoedkeuring van gehele voertuigen

1. De fabrikant mag een van de volgende procedures kiezen:

a) stapsgewijze typegoedkeuring;

b) eenstapstypegoedkeuring;

c) gemengde typegoedkeuring;

d) meerfasentypegoedkeuring.

2. De stapsgewijze typegoedkeuringsprocedure is een voertuiggoedkeuringsprocedure die bestaat uit het stapsgewijze verzamelen van de hele reeks EU-typegoedkeuringscertificaten voor de systemen, onderdelen en technische eenheden van het voertuig en die uiteindelijk resulteert in de goedkeuring van het volledige voertuig.

De eenstapstypegoedkeuring is een procedure voor de goedkeuring van een voertuig in zijn geheel in één handeling.

De gemengde typegoedkeuring is een stapsgewijze goedkeuringsprocedure waarbij in de laatste fase van de goedkeuring van het gehele voertuig een of meer systemen worden goedgekeurd zonder dat voor deze systemen een EU-typegoedkeuringscertificaat moet worden afgegeven.

De meerfasentypegoedkeuringsprocedure is een goedkeuringsprocedure waarbij een of meer goedkeuringsinstanties certificeren dat een incompleet of voltooid type voertuig, al naar gelang de staat van voltooiing, aan de relevante administratieve bepalingen en technische voorschriften van deze verordening voldoet;

3. Meerfasentypegoedkeuring wordt verleend voor een type incompleet of voltooid voertuig dat conform is met de gegevens van het informatiedossier en voldoet aan de technische voorschriften van de in bijlage I vermelde toepasselijke regelgevingen, al naar gelang de voltooiingsfase waarin het voertuig zich bevindt.

4. De typegoedkeuring voor de laatste voltooiingsfase wordt pas verleend nadat de goedkeuringsinstantie heeft geverifieerd dat door de voor het incomplete voertuig afgegeven goedkeuring(en) wordt gecertificeerd dat het tijdens de laatste fase goedgekeurde voertuigtype voldoet aan alle technische voorschriften die op het moment waarop de typegoedkeuring voor het voltooide voertuig wordt verleend van toepassing zijn op de voertuigcategorie waarvoor zij wordt verleend.

5. De keuze voor een bepaalde goedkeuringsprocedure heeft geen gevolgen voor de toepasselijke wettelijke voorschriften waaraan het goedgekeurde voertuigtype ten tijde van de afgifte van de typegoedkeuring voor een geheel voertuig moet voldoen.

6. In artikel 54 worden aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden verleend om modellen vast te stellen voor de nadere invulling van de regelingen met betrekking tot typegoedkeuringsprocedures.

Artikel 11

Typegoedkeuringsaanvraag

1. De fabrikant dient de typegoedkeuringsaanvraag bij de goedkeuringsinstantie in.

2. Voor een bepaald voertuigtype mag slechts in één lidstaat één aanvraag worden ingediend.

3. Voor ieder goed te keuren type moet een afzonderlijke aanvraag worden ingediend.

Artikel 12

In de typegoedkeuringsaanvraag te verstrekken informatie

1. In een inlichtingenformulier volgens de specificaties in de uitvoeringswetgeving wordt vermeld welke gegevens door de aanvrager moeten worden verstrekt.

De aanvrager moet een informatiedossier overleggen aan de goedkeuringsinstantie. Het informatiedossier omvat het inlichtingenformulier en alle gegevens, tekeningen, foto's en andere informatie die daarin worden verlangd. Deze informatie mag zowel in papieren als elektronische vorm worden verstrekt.

In artikel 54 worden aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden verleend om modellen vast te stellen voor een inlichtingformulier en een informatiedossier.

2. Bij de aanvraag voor typegoedkeuring vermeldt de fabrikant de door hem gekozen procedure volgens artikel 10, lid 1, onder a) tot en met d), en verstrekt hij het informatiedossier.

Artikel 13

Specifieke voorschriften voor de gegevens die bij de verschillende typegoedkeuringprocedures moeten worden verstrekt

1. Een aanvraag voor stapsgewijze goedkeuring gaat vergezeld van een informatiedossier met en van alle typegoedkeuringscertificaten die vereist zijn overeenkomstig elk van de toepasselijke afzonderlijke regelgevingen en VN/ECE-reglementen of OESO-codes die in bijlage I worden vermeld.

Voor de typegoedkeuring van een systeem of technische eenheid overeenkomstig de in bijlage I vermelde toepasselijke regelgevingen heeft de goedkeuringsinstantie toegang tot het desbetreffende informatiedossier totdat de goedkeuring is verleend of geweigerd.

2. Een aanvraag voor eenstapsgoedkeuring gaat vergezeld van een informatiedossier dat de relevante informatie bevat met betrekking tot de in bijlage I vermelde regelgevingen.

3. Bij een gemengde goedkeuringsprocedure gaat het informatiedossier vergezeld van een of meer typegoedkeuringscertificaten die vereist zijn overeenkomstig elk van de in bijlage I vermelde toepasselijke afzonderlijke regelgevingen en VN/ECE-reglementen of OESO-codes, en bevat het, voor zover er geen typegoedkeuringscertificaat wordt overgelegd, de relevante, overeenkomstig de uitvoeringsmaatregelen van deze verordening vereiste, informatie met betrekking tot de in bijlage I vermelde regelgevingen.

4. Onverminderd het bepaalde in de leden 1, 2 en 3 wordt voor meerfasentypegoedkeuring het volgende verstrekt:

a) in de eerste fase: de delen van het informatiedossier en van de EU-typegoedkeuringscertificaten die voor een compleet voertuig zijn vereist en die relevant zijn voor de voltooiingsfase waarin het basisvoertuig zich bevindt;

b) in de tweede en daaropvolgende fasen: de delen van het informatiedossier en de EU-typegoedkeuringscertificaten die relevant zijn voor de lopende bouwfase, samen met een afschrift van het in de vorige bouwfase voor het voertuig afgegeven EU-typegoedkeuringscertificaat; voorts verstrekt de fabrikant alle gegevens over de wijzigingen of toevoegingen die hij in of aan het voertuig heeft aangebracht;

De onder a) en b) genoemde informatie mag overeenkomstig lid 2 worden verstrekt.

5. In een met redenen omkleed verzoek kan de goedkeuringsinstantie van de fabrikant verlangen dat hij haar de nodige aanvullende informatie verstrekt om te kunnen beslissen welke tests moeten worden verricht of om de uitvoering van die tests te vergemakkelijken.

Artikel 14

Procedure voor de EU-typegoedkeuring van systemen, onderdelen of technische eenheden

De fabrikant dient de aanvraag bij de goedkeuringsinstantie in.

Voor een type systeem, onderdeel of technische eenheid mag slechts in één lidstaat één aanvraag worden ingediend.

Voor ieder goed te keuren type moet een afzonderlijke aanvraag worden ingediend.

HOOFDSTUK V

VERLOOP VAN DE EU-TYPEGOEDKEURINGSPROCEDURES

Artikel 15

Algemene bepalingen

1. Goedkeuringsinstanties verlenen pas EU-typegoedkeuring nadat zij zich ervan hebben vergewist dat de in artikel 19 bedoelde procedures voor de conformiteit van de productie worden toegepast en als het type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid aan de toepasselijke voorschriften voldoet.

2. EU-typegoedkeuringen worden overeenkomstig de artikelen 16 en 17 verleend.

3. Indien een goedkeuringsinstantie van oordeel is dat een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid, ook al is het of zij conform de wettelijke voorschriften gebouwd, een ernstig gevaar voor de verkeersveiligheid betekent dan wel het milieu of de volksgezondheid ernstig schaadt of, in het geval van trekkers, een ernstig gevaar voor de arbeidsveiligheid betekent, kan zij de EU-typegoedkeuring ervan weigeren. Zij zendt de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten en de Commissie dan onmiddellijk een gedetailleerd dossier toe met opgave van de redenen voor haar besluit en bewijsmateriaal voor haar bevindingen.

4. De EU-typegoedkeuringscertificaten worden genummerd volgens een geharmoniseerd systeem.

5. Binnen 20 werkdagen zendt de goedkeuringsinstantie de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten een afschrift toe van het EU-typegoedkeuringscertificaat, inclusief de bijlagen, voor ieder voertuigtype waaraan zij goedkeuring heeft verleend. Het papieren afschrift mag door een elektronisch bestand worden vervangen.

6. De goedkeuringsinstantie stelt de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten onverwijld in kennis van de door haar geweigerde of ingetrokken goedkeuringen van voertuigen, met opgave van de redenen voor haar besluit.

7. Om de drie maanden zendt de goedkeuringsinstantie de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten een lijst toe van de EU-typegoedkeuringen van systemen, onderdelen of technische eenheden die zij in de voorafgaande periode heeft verleend, gewijzigd, geweigerd of ingetrokken.

8. Op verzoek van een goedkeuringsinstantie van een andere lidstaat zendt de goedkeuringsinstantie die een EU-typegoedkeuring heeft verleend, de eerstgenoemde instantie binnen 20 werkdagen na ontvangst van dat verzoek een afschrift van het desbetreffende EU-typegoedkeuringscertificaat, inclusief de bijlagen. Het papieren afschrift mag door een elektronisch bestand worden vervangen.

9. Indien de Commissie hierom verzoekt, verstrekt de goedkeuringsinstantie de in de leden 5 tot en met 8 bedoelde gegevens ook aan de Commissie.

10. De goedkeuringsinstantie stelt een informatiepakket samen dat bestaat uit het informatiedossier plus de testrapporten en alle andere documenten die de technische dienst of de goedkeuringsinstantie tijdens de uitvoering van hun taken aan het informatiedossier hebben toegevoegd. Het informatiedossier bevat een inhoudsopgave van het informatiepakket, waarvan alle bladzijden zijn genummerd of van andere tekens zijn voorzien. Dit document geeft een overzicht van de opeenvolgende stappen in het beheer van de EU-typegoedkeuringsprocedure, met name de data van alle herzieningen en bijwerkingen.

Artikel 16

Specifieke bepalingen voor het typegoedkeuringscertificaat

1. De volgende onderdelen worden als bijlage bij het typegoedkeuringscertificaat gevoegd:

a) het in artikel 15 bedoelde informatiepakket;

b) de testresultaten;

c) naam en handtekening van de persoon (personen) die gemachtigd is (zijn) conformiteitscertificaten te ondertekenen met vermelding van zijn (hun) positie in het bedrijf.

2. Het typegoedkeuringscertificaat wordt afgegeven op basis van het model in de uitvoeringshandeling bij deze verordening.

3. Voor elk voertuigtype moet de goedkeuringsinstantie:

a) alle relevante rubrieken van het EU-typegoedkeuringscertificaat, met inbegrip van het daarbij gevoegde formulier met testresultaten, volgens het model van het typegoedkeuringscertificaat in de uitvoeringshandeling bij deze verordening, invullen;

b) de inhoudsopgave bij het informatiepakket samenstellen;

c) het ingevulde certificaat en de bijlagen onverwijld aan de aanvrager afgeven.

4. In het geval van een EU-typegoedkeuring waarvan de geldigheid overeenkomstig artikel 26 beperkt is of die van de toepassing van sommige bepalingen van de regelgevingen is ontheven, worden deze beperkingen of ontheffingen in het EU-typegoedkeuringscertificaat vermeld.

5. Indien de fabrikant voor de gemengde goedkeuringsprocedure kiest, vult de goedkeuringsinstantie op het inlichtingenformulier de referenties in van de uit hoofde van regelgevingen opgestelde testrapporten waarvoor geen EU-typegoedkeuringscertificaat beschikbaar is. In artikel 54 worden aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden verleend om een model voor een dergelijk document vast te stellen.

6. Indien de fabrikant de eenstapsgoedkeuringsprocedure kiest, stelt de goedkeuringsinstantie de lijst van toepasselijke voorschriften of regelgevingen op en voegt deze lijst bij het EU-typegoedkeuringscertificaat. In artikel 54 worden aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden verleend om een model voor een dergelijke lijst vast te stellen.

Artikel 17

Specifieke bepalingen voor systemen, onderdelen en technische eenheden

1. Er wordt EU-typegoedkeuring verleend voor een type systeem dat conform is met de gegevens van het informatiedossier en voldoet aan de technische voorschriften van de in bijlage I vermelde relevante regelgeving.

2. Er wordt EU-typegoedkeuring verleend voor een type onderdeel of technische eenheid dat conform is met de gegevens van het informatiedossier en voldoet aan de technische voorschriften van de in bijlage I vermelde relevante afzonderlijke regelgeving.

3. Wanneer onderdelen of technische eenheden, die al dan niet bedoeld zijn voor reparatie, service of onderhoud, ook onder een typegoedkeuring van een systeem vallen met betrekking tot een voertuig, wordt daarvoor geen aanvullende goedkeuring verlangd, tenzij in bijlage I vermelde relevante regelgeving zulks vereist.

4. Wanneer een onderdeel of technische eenheid zijn of haar functie slechts vervult of een bijzonder kenmerk slechts vertoont in combinatie met andere onderdelen van het voertuig en daarom de naleving van de voorschriften slechts kan worden geverifieerd wanneer het onderdeel of de technische eenheid in combinatie met die andere onderdelen van het voertuig functioneert, wordt de geldigheid van de EU-typegoedkeuring van het onderdeel of de technische eenheid dienovereenkomstig beperkt.

In dat geval worden de eventuele beperkingen van het gebruik en de bijzondere montagevoorwaarden in het EU-typegoedkeuringscertificaat vermeld.

Als een dergelijk onderdeel of een dergelijke technische eenheid door de voertuigfabrikant wordt gemonteerd, wordt bij de goedkeuring van het voertuig nagegaan of de beperkingen van het gebruik en de montagevoorwaarden in acht zijn genomen.

Artikel 18

Voor EU-typegoedkeuring vereiste tests

1. Door middel van passende tests die door aangewezen technische diensten worden uitgevoerd, wordt aangetoond dat aan de technische voorschriften van deze verordening en van de in bijlage I vermelde regelgevingen is voldaan.

De testprocedures, specifieke uitrustingsstukken en instrumenten die voor de uitvoering van deze tests nodig zijn, worden in die regelgevingen beschreven.

2. De fabrikant stelt de goedkeuringsinstantie de voertuigen, onderdelen of technische eenheden ter beschikking die volgens de relevante regelgevingen nodig zijn voor de uitvoering van de voorgeschreven tests.

3. De voorgeschreven tests worden uitgevoerd op voertuigen, onderdelen en technische eenheden die representatief zijn voor het goed te keuren type.

De fabrikant kan evenwel na toestemming van de goedkeuringsinstantie een voertuig, onderdeel of technische eenheid kiezen dat of die niet representatief is voor het goed te keuren type, maar dat of die een aantal van de meest ongunstige kenmerken met betrekking tot het vereiste prestatieniveau bezit. Tijdens de selectieprocedure mogen ter ondersteuning van de besluitvorming virtuele testmethoden worden gebruikt.

4. Als alternatief voor de in lid 1 bedoelde testprocedures mogen op verzoek van de fabrikant en na toestemming van de goedkeuringsinstantie virtuele testmethoden worden gebruikt ten aanzien van de voorschriften in de krachtens deze verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen.

5. Virtuele testmethoden moeten voldoen aan de voorwaarden in de krachtens deze verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen.

6. Om ervoor te zorgen dat de met virtueel testen verkregen resultaten even inzichtelijk zijn als de met fysiek testen verkregen resultaten, wordt aan de Commissie de bevoegdheid gedelegeerd om overeenkomstig artikel 57 een gedelegeerde handeling vast te stellen waarin wordt gespecificeerd voor welke voorschriften virtueel testen mogelijk is en onder welke voorwaarden het virtueel testen moet plaatsvinden.

Artikel 19

Regelingen inzake de conformiteit van de productie

1. De goedkeuringsinstantie die een EU-typegoedkeuring verleent, neemt met betrekking tot die goedkeuring de nodige maatregelen om, zo nodig in samenwerking met de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten, te verifiëren of afdoende regelingen zijn getroffen om te waarborgen dat de voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden in productie conform zijn met het goedgekeurde type.

2. De goedkeuringsinstantie die een EU-typegoedkeuring heeft verleend, neemt met betrekking tot die goedkeuring de nodige maatregelen om, zo nodig in samenwerking met de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten, te verifiëren of de in lid 1 bedoelde regelingen nog steeds afdoende zijn en of de voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden in productie nog steeds conform zijn met het goedgekeurde type.

De verificatie van de conformiteit van voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden met het goedgekeurde type beperkt zich tot de procedures in de uitvoeringshandelingen bij deze verordening. Hiertoe mag de goedkeuringsinstantie van de lidstaat die de EU-typegoedkeuring heeft verleend, alle met betrekking tot het voorschrift dat het voorwerp vormt van de EU-typegoedkeuring voorgeschreven controles of tests uitvoeren op monsters die in de bedrijfsgebouwen, inclusief de productiefaciliteiten, van de fabrikant zijn genomen.

3. Indien een goedkeuringsinstantie die een EU-typegoedkeuring heeft verleend, vaststelt dat de in lid 1 bedoelde regelingen niet worden toegepast, aanzienlijk afwijken van de overeengekomen regelingen en controleplannen, niet meer worden toegepast of niet langer als afdoende worden beschouwd, terwijl de productie wordt voortgezet, neemt zij de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de procedure voor de conformiteit van de productie correct wordt nageleefd, of trekt zij de typegoedkeuring in.

HOOFDSTUK VI

WIJZIGINGEN VAN EU-TYPEGOEDKEURINGEN

Artikel 20

Algemene bepalingen

1. De fabrikant stelt de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend, onverwijld in kennis van elke wijziging van de gegevens in het informatiepakket.

Die goedkeuringsinstantie stelt volgens de in dit hoofdstuk beschreven regels vast welke procedure moet worden gevolgd.

Zo nodig kan zij in overleg met de fabrikant besluiten dat een nieuwe EU-typegoedkeuring of een nieuwe individuele goedkeuring moet worden verleend.

2. Een aanvraag tot wijziging van een EU-typegoedkeuring wordt uitsluitend ingediend bij de goedkeuringsinstantie die de oorspronkelijke EU-typegoedkeuring heeft verleend.

3. Indien de goedkeuringsinstantie van oordeel is dat het voor het aanbrengen van een wijziging nodig is inspecties of tests te herhalen, stelt zij de fabrikant daarvan in kennis.

De in artikel 19 bedoelde procedures zijn alleen van toepassing als de goedkeuringsinstantie op grond van die inspecties of tests tot de conclusie is gekomen dat nog steeds aan de voorwaarden voor EU-typegoedkeuring wordt voldaan.

Artikel 21

Specifieke bepalingen voor voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden

1. Indien gegevens die in het informatiepakket zijn opgenomen, zijn gewijzigd zonder daarvoor inspecties of tests hoefden te worden herhaald, wordt de wijziging een "herziening" genoemd.

In dat geval geeft de goedkeuringsinstantie de herziene bladzijde van het informatiepakket af, waarbij op iedere herziene bladzijde duidelijk de aard van de wijziging en de nieuwe afgiftedatum zijn vermeld. Met een geconsolideerde, bijgewerkte versie van het informatiepakket, vergezeld van een gedetailleerde beschrijving van de wijzigingen, wordt geacht aan deze eis te zijn voldaan.

2. Een wijziging wordt een "uitbreiding" genoemd als, naast het bepaalde in lid 1, een of meer van de volgende situaties optreden:

a) er zijn aanvullende inspecties of nieuwe tests nodig;

b) een gegeven op het EU-typegoedkeuringscertificaat, de bijlagen uitgezonderd, is gewijzigd;

c) krachtens de regelgevingen die op het goedgekeurde voertuigtype of het goedgekeurde systeem of onderdeel of de goedgekeurde technische eenheid van toepassing zijn, treden nieuwe voorschriften in werking.

In deze gevallen geeft de goedkeuringsinstantie een herzien EU-typegoedkeuringscertificaat af, voorzien van een uitbreidingsnummer dat één nummer hoger is dan het laatst toegekende uitbreidingsnummer. Op het goedkeuringscertificaat worden duidelijk de reden voor de uitbreiding en de afgiftedatum vermeld.

Bij iedere afgifte van gewijzigde bladzijden of van een geconsolideerde, bijgewerkte versie wordt in de bij het goedkeuringscertificaat gevoegde inhoudsopgave bij het informatiepakket de datum van de laatste uitbreiding of herziening of die van de laatste consolidering van de bijgewerkte versie vermeld.

Artikel 22

Afgifte en kennisgeving van wijzigingen

1. In geval van een uitbreiding worden alle relevante delen van het EU-typegoedkeuringscertificaat, de bijlagen ervan en de inhoudsopgave bij het informatiepakket bijgewerkt. Het bijgewerkte certificaat en de bijlagen ervan worden onverwijld aan de aanvrager toegezonden.

2. In geval van een herziening worden de herziene documenten of in voorkomend geval de geconsolideerde, bijgewerkte versie, inclusief de herziene inhoudsopgave bij het informatiepakket, door de goedkeuringsinstantie onverwijld aan de aanvrager toegezonden.

3. De goedkeuringsinstantie stelt de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten volgens de in artikel 15 bedoelde procedures van alle wijzigingen van EU-typegoedkeuringen in kennis.

HOOFDSTUK VII

GELDIGHEID VAN EU-TYPEGOEDKEURING

Artikel 23

Einde van de geldigheid

1. Een EU-typegoedkeuring wordt afgegeven voor onbepaalde tijd.

2. In de volgende gevallen verliest een EU-typegoedkeuring van een voertuig haar geldigheid:

a) voor de registratie, verkoop of het in het verkeer brengen van nieuwe voertuigen treden nieuwe voorschriften in werking van een regelgeving die op het goedgekeurde voertuigtype van toepassing is, en de typegoedkeuring kan niet dienovereenkomstig worden bijgewerkt;

b) de productie van het goedgekeurde voertuig wordt vrijwillig definitief stopgezet;

c) de geldigheid van de goedkeuring ingevolge een bijzondere beperking overeenkomstig artikel 26 loopt af.

3. Indien slechts één variant van een type of één uitvoering van een variant ongeldig wordt, verliest de EU-typegoedkeuring van het betrokken voertuig alleen voor die variant of uitvoering haar geldigheid.

4. Indien de productie van een bepaald voertuigtype definitief wordt stopgezet, stelt de fabrikant de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring voor het voertuig heeft verleend, hiervan in kennis.

Uiterlijk 20 werkdagen na ontvangst van deze kennisgeving stelt die instantie de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten hiervan in kennis.

5. Wanneer een EU-typegoedkeuring van een voertuig ongeldig wordt, stelt de fabrikant, onverminderd het bepaalde in lid 4, de goedkeuringsinstantie van de lidstaat die de EU-typegoedkeuring heeft verleend, daarvan in kennis.

De goedkeuringsinstantie verstrekt de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten onverwijld alle toepasselijke informatie om eventueel artikel 34 toe te kunnen passen.

Die informatie omvat met name de productiedatum en het voertuigidentificatienummer van het laatste geproduceerde voertuig.

HOOFDSTUK VIII

CONFORMITEITSCERTIFICAAT EN MARKERINGEN

Artikel 24

Conformiteitscertificaat

1. Als houder van een EU-typegoedkeuring van een geheel voertuig geeft de fabrikant een conformiteitscertificaat in papieren vorm af waarvan elk compleet, incompleet of voltooid voertuig dat conform het goedgekeurde voertuigtype is gebouwd, vergezeld gaat.

Dit certificaat wordt gratis bij het voertuig aan de koper geleverd; de levering ervan mag niet afhankelijk worden gesteld van een uitdrukkelijk verzoek daartoe of het verstrekken van aanvullende gegevens aan de fabrikant.

2. De fabrikant maakt gebruik van het model van het conformiteitscertificaat in de uitvoeringsmaatregelen overeenkomstig artikel 54.

3. Tenzij met de koper van het voertuig anders is overeengekomen, wordt het conformiteitscertificaat opgesteld in een van de officiële talen van de lidstaat waar het voertuig wordt aangeschaft.

4. Het conformiteitscertificaat wordt zodanig ontworpen dat vervalsing wordt voorkomen. Hiertoe wordt het gebruikte papier door een beeldmerk in kleur of door een watermerk in de vorm van het identificatiemerk van de fabrikant beschermd.

5. Het conformiteitscertificaat wordt volledig ingevuld en bevat geen andere beperkingen op het gebruik van het voertuig dan die welke in een regelgeving zijn toegestaan.

6. In geval van een incompleet of voltooid voertuig vult de fabrikant alleen de punten op bladzijde 2 van het conformiteitscertificaat in die in de lopende goedkeuringsfase toegevoegd of gewijzigd zijn, en voegt hij er in voorkomend geval alle in de vorige fase afgegeven conformiteitscertificaten aan toe.

7. Het opschrift van het in de uitvoeringshandeling bij deze verordening beschreven conformiteitscertificaat van voertuigen waarvoor overeenkomstig artikel 26, lid 2, goedkeuring is verleend, luidt als volgt: "Voor complete/voltooide voertuigen waarvoor overeenkomstig artikel 26 van Verordening […][deze verordening](voorlopige goedkeuring) typegoedkeuring is verleend.".

8. Het opschrift van het in de uitvoeringshandeling beschreven conformiteitscertificaat van voertuigen waarvoor overeenkomstig artikel 28 typegoedkeuring is verleend, luidt als volgt: "Voor complete/voltooide voertuigen waarvoor in kleine series typegoedkeuring is verleend"; in de onmiddellijke nabijheid daarvan wordt het jaar van productie gevolgd door een volgnummer tussen 1 en het in de tabel van bijlage II, deel 1, vermelde maximum aangebracht, waaruit voor elk productiejaar blijkt welke plaats het voertuig in de voor dat jaar toegewezen productie inneemt.

9. Onverminderd lid 1 mag de fabrikant in het conformiteitscertificaat opgenomen gegevens of informatie met elektronische middelen aan de registratie-instantie van de lidstaat doorgeven.

10. Alleen de fabrikant mag een duplicaat van het conformiteitscertificaat afgeven. Op de voorzijde van het duplicaat moet het woord "duplicaat" duidelijk zichtbaar zijn.

Artikel 25

Typegoedkeuringsmerk

1. De fabrikant van een onderdeel of technische eenheid, ongeacht of het of zij deel uitmaakt van een systeem, brengt op alle onderdelen en technische eenheden die conform het goedgekeurde type zijn vervaardigd, het krachtens de relevante gedelegeerde handeling bij deze verordening of het relevante VN/ECE-reglement of de relevante OESO-code vereiste typegoedkeuringsmerk aan.

2. Als een dergelijk typegoedkeuringsmerk niet is vereist, brengt de fabrikant ten minste zijn handelsnaam of handelsmerk en het typenummer en een identificatienummer aan.

3. Het EU-typegoedkeuringsmerk wordt opgesteld volgens het model in de uitvoeringswetgeving bij deze verordening.

HOOFDSTUK IX

ONTHEFFINGEN EN NIEUWE TECHNOLOGIEËN OF NIEUWE CONCEPTEN DIE ONVERENIGBAAR ZIJN MET GEDELEGEERDE HANDELINGEN OF VN/ECE-REGLEMENTEN

Artikel 26

Ontheffingen voor nieuwe technologieën of nieuwe concepten

1. De fabrikant kan EU-typegoedkeuring aanvragen voor een type systeem, onderdeel of technische eenheid waarin technologieën of concepten zijn toegepast die onverenigbaar zijn met een of meer van de in bijlage I vermelde regelgevingen of voorschriften.

2. De goedkeuringsinstantie verleent de in lid 1 bedoelde EU-typegoedkeuring als aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:

a) in de aanvraag zijn de redenen vermeld waarom de desbetreffende technologieën of concepten tot gevolg hebben dat het systeem, het onderdeel of de technische eenheid onverenigbaar is met de voorschriften;

b) in de aanvraag zijn de veiligheids- en milieuaspecten van de nieuwe technologie beschreven, alsmede de maatregelen die zijn getroffen om ervoor te zorgen dat, in vergelijking met de voorschriften waarvan ontheffing wordt aangevraagd, ten minste een even hoog veiligheids- en milieubeschermingsniveau wordt gewaarborgd;

c) er worden testbeschrijvingen en -resultaten aangevoerd die aantonen dat aan de voorwaarde onder b) is voldaan.

3. In afwachting van het machtigingsbesluit van de Commissie mag de goedkeuringsinstantie een voorlopige goedkeuring die alleen op zijn grondgebied geldig is, verlenen voor een voertuigtype waarop de aangevraagde ontheffing betrekking heeft. De goedkeuringsinstantie stelt de Commissie en de overige lidstaten daarvan onverwijld in kennis door middel van een dossier dat de in lid 2 bedoelde gegevens bevat.

4. Andere goedkeuringsinstanties mogen besluiten de in lid 3 bedoelde voorlopige goedkeuring op hun grondgebied te aanvaarden.

5. Voor het verlenen van een ontheffing voor nieuwe technologieën of nieuwe concepten is machtiging door de Commissie vereist overeenkomstig de in artikel 55, lid 2, bedoelde procedure.

6. Zo nodig wordt in het machtigingsbesluit ook aangegeven of er op de geldigheid beperkingen van toepassing zijn. De geldigheidsduur van de goedkeuring bedraagt in geen geval minder dan 36 maanden.

Als de Commissie de machtiging weigert, stelt de goedkeuringsinstantie de houder van de in lid 3 bedoelde voorlopige typegoedkeuring er onverwijld van in kennis dat de voorlopige goedkeuring zes maanden na de datum van het besluit van de Commissie zal worden ingetrokken.

Voertuigen die echter conform de voorlopige goedkeuring zijn vervaardigd voordat deze werd ingetrokken, mogen worden geregistreerd, verkocht of in het verkeer worden gebracht in elke lidstaat die de voorlopige goedkeuring had aanvaard.

Artikel 27

Vereiste maatregel

1. Wanneer de Commissie een machtiging voor de verlening van een ontheffing overeenkomstig artikel 26 heeft verleend, neemt zij onmiddellijk de nodige maatregelen om de gedelegeerde handelingen of de voorschriften in kwestie aan de technologische ontwikkelingen aan te passen.

Wanneer de ontheffing overeenkomstig artikel 26 betrekking heeft op een VN/ECE-reglement, stelt de Commissie een wijziging van dat VN/ECE-reglement voor volgens de procedure die krachtens de herziene overeenkomst van 1958 van toepassing is.

2. Zodra de relevante regelgevingen of voorschriften zijn gewijzigd, wordt elke aan de ontheffing inherente beperking onmiddellijk opgeheven.

Indien de nodige stappen voor de aanpassing van de gedelegeerde handelingen of van de voorschriften niet zijn ondernomen, kan op verzoek van de lidstaat die de goedkeuring heeft verleend, de geldigheid van een ontheffing bij een volgens de in artikel 55, lid 2, bedoelde procedure gegeven besluit van de Commissie worden verlengd.

HOOFDSTUK X

IN KLEINE SERIES GEPRODUCEERDE VOERTUIGEN

Artikel 28

Nationale typegoedkeuring van kleine series

1. De fabrikant kan binnen de in bijlage II, deel 1, vermelde kwantitatieve beperkingen verzoeken om een nationale typegoedkeuring van kleine series van een voertuigtype.

Voor een dergelijke goedkeuring kan de nationale instantie, indien daarvoor goede redenen zijn, vrijstelling van een of meer bepalingen van een of meer van de in bijlage I vermelde regelgevingen verlenen, mits zij alternatieve voorschriften heeft vastgesteld.

2. De in lid 1 bedoelde alternatieve voorschriften moeten een verkeersveiligheids-, milieubeschermings- en arbeidsveiligheidsniveau waarborgen dat, voor zover praktisch haalbaar, gelijkwaardig is met het door de desbetreffende, in bijlage I vermelde regelgeving geboden niveau.

3. Voor de typegoedkeuring van voertuigen krachtens dit artikel worden systemen, onderdelen of technische eenheden waarvoor overeenkomstig de in bijlage I vermelde regelgevingen typegoedkeuring is verleend, aanvaard.

4. Op het typegoedkeuringscertificaat wordt aangegeven wat de inhoud is van de overeenkomstig lid 1 verleende vrijstellingen. Voor de toepassing van dit artikel wordt het typegoedkeuringscertificaat opgesteld volgens het model in de uitvoeringswetgeving, maar zonder het opschrift "EU-typegoedkeuringscertificaat voor voertuigen". De typegoedkeuringscertificaten worden overeenkomstig deze verordening genummerd.

5. De geldigheid van de typegoedkeuring is beperkt tot het grondgebied van de lidstaat waarvan de goedkeuringsinstantie de goedkeuring heeft verleend.

6. Op verzoek van de fabrikant wordt echter een afschrift van het typegoedkeuringscertificaat en de bijbehorende bijlagen per aangetekend schrijven of per e-mail aan de goedkeuringsinstanties van de door de fabrikant aangewezen lidstaten toegezonden.

7. Uiterlijk 60 dagen na ontvangst daarvan besluiten de goedkeuringsinstanties van de door de fabrikant aangewezen lidstaten of zij de typegoedkeuring wel of niet aanvaarden. Zij delen die beslissing formeel mede aan de in de eerste alinea bedoelde goedkeuringsinstanties.

8. Een typegoedkeuring wordt niet geweigerd tenzij de goedkeuringsinstantie redelijke gronden heeft om aan te nemen dat de technische voorschriften volgens welke het voertuig is goedgekeurd, niet gelijkwaardig zijn aan haar eigen technische voorschriften.

9. Op verzoek van een aanvrager die een voertuig in een andere lidstaat wenst te verkopen, te registreren of in het verkeer te brengen, verstrekt de goedkeuringsinstantie die de goedkeuring heeft verleend, aan de aanvrager een afschrift van het typegoedkeuringscertificaat, met inbegrip van het informatiepakket. De nationale instantie staat de verkoop, de registratie of het in verkeer brengen van dit voertuig toe, tenzij hij redelijke gronden heeft om aan te nemen dat de technische voorschriften volgens welke het voertuig is goedgekeurd, niet gelijkwaardig zijn met haar eigen technische voorschriften.

HOOFDSTUK XI

INDIVIDUELE GOEDKEURINGEN

Artikel 29

Individuele goedkeuringen

1. Een aanvraag voor individuele goedkeuring wordt door de fabrikant of de eigenaar van het voertuig ingediend. Zij mag ook worden ingediend door een in de Gemeenschap gevestigde persoon die namens de fabrikant of de eigenaar van het voertuig optreedt.

2. Bij de individuele goedkeuringsprocedure certificeren de goedkeuringsinstanties dat het voertuig aan de relevante administratieve bepalingen en technische voorschriften voldoet.

3. Een individuele goedkeuring heeft betrekking op een specifiek voertuig, ongeacht of dit enig in zijn soort is of niet.

4. Aanvragen voor individuele goedkeuring hebben betrekking op ten hoogste 15 voertuigen van hetzelfde type.

5. Dit artikel is van toepassing op voertuigen waarvoor ten tijde van de indiening van de aanvraag voor individuele goedkeuring nog nooit administratieve goedkeuring was verleend voor het in het verkeer brengen ervan, wat de identificatie ervan en de afgifte van een registratienummer, met inbegrip van voorlopige en tijdelijke registraties of professionele registratie, impliceert, of die nog nooit eerder in het verkeer waren gebracht, of die minder dan zes maanden daarvoor geregistreerd of in het verkeer waren gebracht.

Artikel 30

Ontheffingen voor individuele goedkeuring

1. Een goedkeuringsinstantie kan het voertuig vrijstellen van de verplichting tot naleving van een of meer van de in bijlage I vermelde regelgevingen, mits zij alternatieve voorschriften oplegt en goede redenen heeft om een dergelijke vrijstelling te verlenen.

Alternatieve voorschriften moeten een verkeersveiligheids-, milieubeschermings- en arbeidsveiligheidsniveau waarborgen dat, voor zover praktisch haalbaar, gelijkwaardig is met het door de desbetreffende, in bijlage I vermelde regelgeving geboden niveau.

2. De goedkeuringsinstantie voert geen destructieve tests uit. Zij gebruikt alle door de aanvrager beschikbaar gestelde toepasselijke informatie waaruit blijkt dat de alternatieve voorschriften in acht worden genomen.

3. De goedkeuringsinstantie aanvaardt de EU-typegoedkeuringen van systemen, onderdelen of technische eenheden in plaats van de alternatieve voorschriften.

4. De goedkeuringsinstantie verleent de individuele goedkeuring als het voertuig conform is met de bij de aanvraag gevoegde beschrijving en voldoet aan de van toepassing zijnde technische voorschriften, en zij geeft onverwijld het individuelegoedkeuringscertificaat af.

Het formaat van het individuelegoedkeuringscertificaat is gebaseerd op het model van het EU-typegoedkeuringscertificaat in bijlage V en bevat ten minste de informatie die nodig is om de registratieaanvraag overeenkomstig Richtlijn 1999/37/EG van de Raad [36] in te vullen.

Individuelegoedkeuringscertificaten mogen niet het opschrift "EU-goedkeuring" dragen. Op een individuelegoedkeuringscertificaat wordt het identificatienummer van het desbetreffende voertuig vermeld.

Artikel 31

Geldigheid en aanvaarding van individuele goedkeuring

1. De geldigheid van een individuele goedkeuring is beperkt tot het grondgebied van de lidstaat waar de goedkeuring is verleend.

2. Wanneer een aanvrager een voertuig waarvoor een individuele goedkeuring is verleend, in een andere lidstaat wenst te verkopen, te registreren of in het verkeer te brengen, verstrekt de goedkeuringsinstantie die de goedkeuring heeft verleend, de aanvrager op diens verzoek een verklaring met de technische voorschriften volgens welke het voertuig is goedgekeurd en alle nadere informatie over de aard van de technische voorschriften waaraan dat voertuig voldoet.

3. Met betrekking tot een voertuig waarvoor een goedkeuringsinstantie van een lidstaat een individuele goedkeuring heeft verleend overeenkomstig de bepalingen van artikel 29, staan de overige lidstaten de verkoop, de registratie of het in het verkeer brengen ervan toe, tenzij zij redelijke gronden hebben om aan te nemen dat de technische voorschriften volgens welke het voertuig is goedgekeurd, niet gelijkwaardig zijn met hun eigen technische voorschriften.

4. De goedkeuringsinstanties verlenen op verzoek van de fabrikant of de eigenaar van het voertuig individuele goedkeuring voor een voertuig dat voldoet aan de bepalingen van deze verordening. In dergelijk geval aanvaarden de goedkeuringsinstanties de individuele goedkeuring en staan zij de verkoop, de registratie en het in het verkeer brengen van het voertuig toe.

Artikel 32

Specifieke bepalingen

1. De bepalingen van dit hoofdstuk mogen worden toegepast op voertuigen waarvoor een typegoedkeuring overeenkomstig deze verordening is verleend en die vóór hun eerste registratie of vóór het voor het eerst in het verkeer brengen zijn gewijzigd.

2. In het kader van een meerfasentypegoedkeuringsprocedure kan de procedure van dit hoofdstuk ook op een specifiek voertuig tijdens de opeenvolgende voltooiingsfasen worden toegepast.

3. De procedure van dit hoofdstuk mag geen tussenliggende fase in het normale verloop van een meerfasentypegoedkeuringsprocedure vervangen en mag niet worden toegepast om de eerstefasegoedkeuring van een voertuig te verkrijgen.

HOOFDSTUK XII

REGISTRATIE, VERKOOP EN IN HET VERKEER BRENGEN

Artikel 33

Registratie, verkoop en in het verkeer brengen van voertuigen

1. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 36 en 37 worden voertuigen waarvoor typegoedkeuring voor gehele voertuigen verplicht is of waarvoor de fabrikant krachtens deze verordening een dergelijke typegoedkeuring heeft verkregen, alleen geregistreerd, verkocht of in het verkeer gebracht als zij vergezeld gaan van een geldig conformiteitscertificaat overeenkomstig artikel 24.

In het geval van incomplete voertuigen wordt de verkoop ervan toegestaan, maar de bevoegde instanties van de lidstaten kunnen de permanente registratie en het in het verkeer brengen ervan weigeren zolang de voertuigen incompleet zijn.

2. Het aantal in kleine series geproduceerde voertuigen dat jaarlijks wordt geregistreerd, verkocht of in het verkeer gebracht, mag het in bijlage II, deel 1, aangegeven maximum niet overschrijden.

3. Lid 1 is niet van toepassing op voertuigen die bestemd zijn voor gebruik door het leger, de burgerbescherming, de brandweer of de ordediensten, noch op voertuigen waarvoor overeenkomstig artikel 28 of 32 typegoedkeuring is verleend.

Artikel 34

Registratie, verkoop en in het verkeer brengen van voertuigen uit restantvoorraden

1. Met inachtneming van de in bijlage II, deel 2, vermelde beperkingen en de in lid 2 genoemde termijn, mogen voertuigen die conform zijn met een voertuigtype waarvan de EU-typegoedkeuring niet meer geldig is, worden geregistreerd, verkocht en in het verkeer gebracht.

De eerste alinea is alleen van toepassing op voertuigen die zich op het grondgebied van de Unie bevinden en waarvoor ten tijde van hun productie een geldige EU-typegoedkeuring was verleend, maar die niet zijn geregistreerd of in het verkeer gebracht voor deze EU-typegoedkeuring ongeldig werd.

2. Lid 1 geldt gedurende twaalf maanden voor complete voertuigen en gedurende achttien maanden voor voltooide voertuigen, telkens gerekend vanaf de datum waarop de EU-typegoedkeuring ongeldig is geworden.

3. De fabrikant die van het bepaalde in lid 1 gebruik wil maken, moet bij de bevoegde instanties van elke lidstaat waarin deze voertuigen in gebruik worden genomen, een verzoek indienen. In dat verzoek moeten de technische of economische redenen worden vermeld waarom deze voertuigen niet aan de nieuwe technische voorschriften kunnen voldoen.

De bevoegde instanties besluiten binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag of en, zo ja, voor hoeveel exemplaren zij de registratie van deze voertuigen op hun grondgebied toestaan.

4. De lidstaten zorgen ervoor dat het in het kader van de procedure van dit artikel te registreren of in het verkeer te brengen aantal voertuigen effectief wordt gecontroleerd.

5. Dit artikel is alleen van toepassing in geval van stopzetting in verband met het einde van de geldigheid van de typegoedkeuring in het in artikel 23, lid 2, onder a), bedoelde geval.

Artikel 35

Verkoop en in het verkeer brengen van onderdelen en technische eenheden

1. Onderdelen of technische eenheden mogen alleen worden verkocht en in het verkeer worden gebracht indien zij aan de voorschriften van de relevante, in bijlage I vermelde regelgevingen voldoen en overeenkomstig artikel 25 naar behoren zijn gemerkt.

2. Lid 1 is niet van toepassing in het geval van onderdelen of technische eenheden die speciaal worden gebouwd of ontworpen voor nieuwe voertuigen die niet onder deze verordening vallen.

3. In afwijking van lid 1 mogen de lidstaten de verkoop en het in het verkeer brengen van onderdelen of technische eenheden toestaan die uit hoofde van artikel 26 van een of meer bepalingen van deze verordening zijn vrijgesteld of die bestemd zijn voor montage op voertuigen waarvoor krachtens artikel 28 of 29 goedkeuringen zijn verleend die betrekking hebben op het desbetreffende onderdeel of de desbetreffende technische eenheid.

4. In afwijking van lid 1, en tenzij in deze verordening anders is bepaald, mogen de lidstaten de verkoop en het in het verkeer brengen van onderdelen of technische eenheden toestaan die bestemd zijn voor montage op voertuigen waarvoor, op het moment dat zij in het verkeer werden gebracht, geen EU-typegoedkeuring was vereist op grond van deze verordening of Richtlijn 2003/37/EEG.

HOOFDSTUK XIII

VRIJWARINGSCLAUSULES

Artikel 36

Voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die aan deze verordening voldoen

1. Indien een nationale instantie van oordeel is dat nieuwe voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden, ook al voldoen zij aan de toepasselijke voorschriften of zijn zij naar behoren gemerkt, een ernstig gevaar betekenen voor de verkeersveiligheid, dan wel het milieu of de volksgezondheid ernstig schaden of, in het geval van trekkers, een ernstig gevaar voor de arbeidsveiligheid betekenen, kan die nationale instantie gedurende een periode van maximaal zes maanden weigeren deze voertuigen te registreren of de verkoop of het in het verkeer brengen van deze voertuigen, onderdelen of technische eenheden op haar grondgebied toe te staan.

In dat geval stelt de betrokken goedkeuringsinstantie de fabrikant, de nationale instanties van de overige lidstaten en de Commissie daarvan onmiddellijk in kennis, met opgave van de redenen voor zijn besluit, waarbij de lidstaat in het bijzonder vermeldt of het besluit het gevolg is van:

a) tekortkomingen in de desbetreffende regelgevingen; en/of

b) onjuiste toepassing van de desbetreffende voorschriften.

2. De Commissie raadpleegt zo spoedig mogelijk de betrokken partijen, en met name de goedkeuringsinstantie die de typegoedkeuring heeft verleend, ter voorbereiding van het besluit.

3. Wanneer de in lid 1 bedoelde maatregelen het gevolg zijn van tekortkomingen in de desbetreffende regelgevingen, stelt de Commissie de volgende maatregelen voor:

a) wanneer het gedelegeerde handelingen betreft, wijzigt de Commissie die handelingen dienovereenkomstig;

b) wanneer het VN/ECE-reglementen betreft, stelt de Commissie de vereiste ontwerpwijzigingen van de betrokken VN/ECE-reglementen voor volgens de procedure die krachtens de herziene overeenkomst van 1958 van toepassing is.

4. Wanneer de in lid 1 bedoelde maatregelen het gevolg zijn van onjuiste toepassing van de desbetreffende voorschriften, neemt de Commissie de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de goedkeuringsinstantie in kwestie die voorschriften naleeft. De goedkeuringsinstanties van alle lidstaten worden van dergelijke maatregelen in kennis gesteld.

Artikel 37

Voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die niet conform zijn met het goedgekeurde type

1. Indien nieuwe voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die van een conformiteitscertificaat vergezeld gaan of van een goedkeuringsmerk zijn voorzien, niet conform zijn met het door haar goedgekeurde type, neemt de nationale instantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend de nodige maatregelen, die kunnen gaan tot intrekking van de typegoedkeuring, om de voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden in productie conform te maken met het goedgekeurde type. Zij stelt de goedkeuringsinstanties van de andere lidstaten binnen 20 werkdagen in kennis van de genomen maatregelen.

2. Voor de toepassing van lid 1 worden afwijkingen van de gegevens op het EU-typegoedkeuringscertificaat of in het informatiepakket beschouwd als gebrek aan conformiteit met het goedgekeurde type. Een voertuig wordt niet geacht af te wijken van het goedgekeurde type, indien door de relevante regelgevingen toleranties zijn toegestaan en deze toleranties in acht zijn genomen.

3. Indien een nationale goedkeuringsinstantie van een andere lidstaat aantoont dat nieuwe voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die van een conformiteitscertificaat vergezeld gaan of van een goedkeuringsmerk zijn voorzien, niet conform zijn met het goedgekeurde type, kan zij de nationale instantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend, verzoeken te verifiëren of de voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden in productie nog conform zijn met het goedgekeurde type. De nationale instantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend voert deze verificatie zo spoedig mogelijk uit en in elk geval binnen 60 werkdagen na de datum van het verzoek.

4. De goedkeuringsinstantie verzoekt de nationale autoriteit die de EU-typegoedkeuring voor het systeem, het onderdeel, de technische eenheid of het incomplete voertuig heeft verleend, in de volgende gevallen de nodige maatregelen te nemen om de voertuigen in productie opnieuw conform te maken met het goedgekeurde type:

a) in geval van een EU-typegoedkeuring van een voertuig, indien het gebrek aan conformiteit van een voertuig uitsluitend aan het gebrek aan conformiteit van een systeem, onderdeel of technische eenheid kan worden toegeschreven;

b) in geval van een meerfasentypegoedkeuring, indien het gebrek aan conformiteit van een voltooid voertuig uitsluitend aan het gebrek aan conformiteit van een systeem, onderdeel of technische eenheid dat of die deel uitmaakt van het incomplete voertuig, of aan het gebrek aan conformiteit van het incomplete voertuig zelf kan worden toegeschreven.

De betrokken nationale instantie neemt de nodige maatregelen, zo nodig in samenwerking met de lidstaat die het verzoek heeft gedaan, zo spoedig mogelijk en in elk geval binnen 60 werkdagen na de datum van het verzoek.

Wanneer een gebrek aan conformiteit wordt vastgesteld, neemt de goedkeuringsinstantie van de lidstaat die de EU-typegoedkeuring van het systeem, het onderdeel of de technische eenheid dan wel de goedkeuring van het incomplete voertuig heeft verleend, de in lid 1 genoemde maatregelen.

5. De goedkeuringsinstanties stellen elkaar binnen 20 werkdagen in kennis van de intrekking van een EU-typegoedkeuring en van de redenen daarvoor.

6. Indien de nationale instantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend, het haar ter kennis gebrachte gebrek aan conformiteit betwist, trachten de betrokken lidstaten het geschil op te lossen. De Commissie wordt op de hoogte gehouden en pleegt zo nodig passend overleg om tot een vergelijk te komen.

Artikel 38

Onderdelen en uitrustingsstukken die een aanzienlijk risico vormen voor de correcte werking van essentiële systemen

1. De verkoop, het te koop aanbieden of het in het verkeer brengen van onderdelen of uitrustingsstukken die een aanzienlijk risico kunnen vormen voor de correcte werking van systemen die essentieel zijn voor de veiligheid van het voertuig of voor zijn milieuprestaties wordt verboden, tenzij daarvoor een vergunning is verleend door een goedkeuringsinstantie overeenkomstig lid 4 en artikel 39, leden 1 en 2.

De Commissie stelt overeenkomstig de in artikel 57 bedoelde procedure een lijst op van dergelijke onderdelen en uitrustingsstukken, waarbij zij rekening houdt met de beschikbare informatie over:

a) de ernst van het risico voor de veiligheid of de milieuprestaties van voertuigen waarop deze onderdelen en uitrustingsstukken zijn gemonteerd;

b) de gevolgen die het uit hoofde van dit artikel opleggen van een eventuele vergunningsplicht voor onderdelen en uitrustingsstukken met zich meebrengt voor de consumenten en de fabrikanten op de secundaire markt voor onderdelen en uitrustingsstukken.

2. Lid 1 is niet van toepassing op originele onderdelen en uitrustingsstukken, noch op onderdelen of uitrustingsstukken waarvoor een typegoedkeuring is verleend overeenkomstig de bepalingen van een van de in bijlage I vermelde regelgevingen, tenzij de goedkeuring betrekking heeft op andere aspecten dan die welke onder lid 1 vallen.

3. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om in voorkomend geval overeenkomstig artikel 57 een gedelegeerde handeling vast te stellen waarin de in de eerste alinea bedoelde onderdelen en uitrustingsstukken worden aangewezen wanneer deze in de handel worden gebracht.

4. De in lid 1, tweede alinea, bedoelde lijst kan worden bijgewerkt en voor zover nodig kunnen het model en het nummeringssysteem van het in lid 4 bedoelde certificaat, alsmede aspecten in verband met de procedure, de voorschriften waaraan dergelijke onderdelen moeten voldoen, het merken, het verpakken en de passende tests, worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 57 bedoelde procedure.

5. Deze voorschriften kunnen worden gebaseerd op de in bijlage I vermelde regelgevingen of kunnen een vergelijking opleggen van het onderdeel of het uitrustingsstuk met de prestaties van het originele voertuig of, naargelang het geval, van een onderdeel daarvan. Hierbij moeten de voorschriften ervoor zorgen dat de onderdelen of uitrustingsstukken geen nadelige invloed hebben op de werking van de systemen die essentieel zijn voor de veiligheid van het voertuig of voor zijn milieuprestaties.

Artikel 39

Onderdelen en uitrustingsstukken die een aanzienlijk risico vormen voor de correcte werking van essentiële systemen – bijkomende voorschriften

1. Voor de toepassing van artikel 38, lid 1, eerste alinea, dient de fabrikant van onderdelen of uitrustingsstukken bij de goedkeuringsinstantie een door een aangewezen technische dienst opgesteld testrapport in waarin wordt gecertificeerd dat de onderdelen of uitrustingsstukken waarvoor een vergunning wordt gevraagd, voldoen aan de in lid 3 bedoelde voorschriften. De fabrikant kan slechts één aanvraag per type per onderdeel bij slechts één goedkeuringsinstantie indienen.

In de aanvraag worden gegevens vermeld betreffende de fabrikant van de onderdelen of uitrustingsstukken, de type-, identificatie- en onderdeelnummers van de onderdelen of uitrustingsstukken waarvoor een vergunning wordt gevraagd, alsmede de naam van de fabrikant van het voertuig, het voertuigtype en, in voorkomend geval, de bouwjaren of enige andere informatie aan de hand waarvan het voertuig waarvoor deze onderdelen of uitrustingsstukken zijn bestemd, kan worden geïdentificeerd.

Wanneer de goedkeuringsinstantie, rekening houdend met het testrapport en ander bewijsmateriaal, ervan overtuigd is dat de desbetreffende onderdelen of uitrustingsstukken voldoen aan de in lid 3 bedoelde voorschriften, geeft zij onverwijld een certificaat aan de fabrikant af. Op grond van dit certificaat mogen de onderdelen of uitrustingsstukken in de Gemeenschap worden verkocht, te koop worden aangeboden of op voertuigen worden gemonteerd, onder voorbehoud van lid 2, tweede alinea.

2. De fabrikant stelt de goedkeuringsinstantie die het certificaat heeft afgegeven, onverwijld in kennis van alle wijzigingen die van invloed zijn op de afgiftevoorwaarden. Deze goedkeuringsinstantie besluit of het certificaat opnieuw moet worden bezien of opnieuw moet worden afgegeven, en of aanvullende tests noodzakelijk zijn.

Het is de verantwoordelijkheid van de fabrikant ervoor te zorgen dat de onderdelen en de uitrustingsstukken vervaardigd worden en blijven worden volgens de voorwaarden waaronder het certificaat is afgegeven.

3. Alvorens een vergunning af te geven, gaat de goedkeuringsinstantie na of er bevredigende regelingen en procedures voorhanden zijn om een effectieve controle van de conformiteit van de productie te waarborgen.

Wanneer de goedkeuringsinstantie oordeelt dat niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden voor de afgifte van de vergunning, verzoekt zij de fabrikant de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de onderdelen of uitrustingsstukken opnieuw conform worden gemaakt. Indien nodig trekt zij de vergunning in.

4. De goedkeuringsinstanties van de verschillende lidstaten brengen elke onenigheid met betrekking tot de in lid 4 bedoelde certificaten ter kennis van de Commissie. Na overleg met de goedkeuringsinstanties neemt de Commissie passende maatregelen om een einde te maken aan de onenigheid, waarbij zij zelfs, waar nodig, de intrekking van de vergunning kan eisen.

5. Zolang de in lid 1, tweede alinea, bedoelde lijst nog niet is opgesteld, kunnen de lidstaten nationale bepalingen handhaven in verband met onderdelen en uitrustingsstukken die een nadelige invloed kunnen hebben op de correcte werking van systemen die essentieel zijn voor de veiligheid van het voertuig of zijn milieuprestaties.

Artikel 40

Terugroepen van voertuigen

1. Wanneer een fabrikant aan wie een EU-typegoedkeuring voor een geheel voertuig is verleend, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 765/2008 [37] reeds verkochte, geregistreerde of in het verkeer gebrachte voertuigen moet terugroepen omdat:

– een op het voertuig gemonteerd systeem of onderdeel of een op het voertuig gemonteerde technische eenheid, al dan niet overeenkomstig deze verordening goedgekeurd,

– of een onderdeel waarvoor uit hoofde van de typegoedkeuringswetgeving geen specifieke voorschriften gelden, een ernstig gevaar voor de verkeers- of arbeidsveiligheid, de volksgezondheid of het milieu betekenen, stelt hij de goedkeuringsinstantie die de goedkeuring voor het voertuig heeft verleend, hiervan onmiddellijk in kennis.

2. De fabrikant stelt de goedkeuringsinstantie een reeks maatregelen voor om het in lid 1 bedoelde gevaar te neutraliseren. De goedkeuringsinstantie deelt de voorgestelde maatregelen onverwijld aan de goedkeuringsinstanties van de andere lidstaten mee.

De goedkeuringsinstanties zien erop toe dat deze maatregelen op hun grondgebied effectief worden uitgevoerd.

3. Indien de maatregelen door de betrokken goedkeuringsinstantie ontoereikend worden geacht of niet snel genoeg zijn uitgevoerd, stelt zij de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring voor het voertuig heeft verleend, daarvan onverwijld in kennis.

De goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring voor het voertuig heeft verleend stelt vervolgens de fabrikant in kennis. Wanneer de fabrikant geen effectieve corrigerende maatregelen voorstelt en uitvoert neemt de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend alle vereiste beschermingsmaatregelen, die kunnen gaan tot de intrekking van de EU-typegoedkeuring voor het voertuig. Bij intrekking van de EU-typegoedkeuring voor het voertuig, stelt de goedkeuringsinstantie binnen 20 werkdagen de fabrikant, de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten en de Commissie hiervan per aangetekend schrijven of equivalente elektronische middelen in kennis.

Artikel 41

Kennisgeving van besluiten en beschikbare rechtsmiddelen

Elk besluit dat uit hoofde van de bepalingen van deze verordening wordt genomen en elk besluit tot weigering of intrekking van een EU-typegoedkeuring, tot weigering van de registratie of tot verbod van de verkoop wordt uitvoerig met redenen omkleed. Het besluit wordt ter kennis gebracht van de belanghebbende onder vermelding van de rechtsmiddelen waarover hij krachtens de geldende wettelijke voorschriften van de betrokken lidstaat beschikt en van de termijnen waarbinnen deze rechtsmiddelen kunnen worden aangewend.

HOOFDSTUK XIV

INTERNATIONALE REGELGEVING

Artikel 42

VN/ECE-reglementen die deel uitmaken van de EU-typegoedkeuring

1. De VN/ECE-reglementen waartoe de Unie is toegetreden en die in bijlage I zijn vermeld, maken op dezelfde wijze deel uit van de EU-typegoedkeuring van een voertuig als de gedelegeerde handelingen bij deze verordening. Zij zijn van toepassing op de categorieën voertuigen die zijn opgenomen in de desbetreffende kolommen van de tabel van bijlage I.

2. Wanneer de Unie overeenkomstig artikel 4, lid 4, van Besluit 97/836/EG van de Raad [38] heeft besloten de toepassing van een VN/ECE-reglement voor de EU-typegoedkeuring van voertuigen verplicht te stellen, worden de bijlagen bij deze verordening dienovereenkomstig gewijzigd volgens de in artikel 56, lid 2, bedoelde procedure. In het besluit waarbij de bijlagen bij deze verordening worden gewijzigd, wordt vermeld vanaf welke data de toepassing van het VN/ECE-reglement of van de wijzigingen daarop verplicht is.

Artikel 43

VN/ECE-reglementen en EU-typegoedkeuring van in kleine series geproduceerde voertuigen

1. Voor zover zij hetzelfde toepassingsgebied en hetzelfde onderwerp hebben, worden de in bijlage I vermelde VN/ECE-reglementen als gelijkwaardig beschouwd met de overeenkomstige gedelegeerde handelingen.

2. De goedkeuringsinstanties van de lidstaten aanvaarden de krachtens deze VN/ECE-reglementen afgegeven goedkeuringen en, in voorkomend geval, de bijbehorende goedkeuringsmerken in plaats van de overeenkomstige goedkeuringen en goedkeuringsmerken die krachtens deze verordening en de overeenkomstige gedelegeerde handelingen daarvan zijn afgegeven.

3. Wanneer de Gemeenschap heeft besloten voor de doeleinden van lid 1 een nieuw VN/ECE-reglement of een gewijzigd VN/ECE-reglement toe te passen, wordt bijlage I dienovereenkomstig gewijzigd volgens de in artikel 56, lid 2, bedoelde procedure.

Artikel 44

Gelijkwaardigheid met andere regelgeving

1. In het kader van multilaterale of bilaterale overeenkomsten tussen de Gemeenschap en derde landen kan de Raad, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de gelijkwaardigheid erkennen van de bij deze verordening vastgestelde voorwaarden of bepalingen inzake de EU-typegoedkeuring van systemen, onderdelen en technische eenheden en de bij internationale regelgeving of regelgeving van derde landen vastgestelde procedures.

2. De complete testrapporten die zijn afgegeven op basis van de in bijlage I vermelde genormaliseerde OESO-codes en die overeenkomstig de algemene regels van de OESO zijn goedgekeurd, kunnen als alternatief dienen voor de volgens deze verordening of de afzonderlijke verordeningen opgestelde testrapporten.

HOOFDSTUK XV

HET VERSTREKKEN VAN TECHNISCHE INFORMATIE

Artikel 45

Informatie voor gebruikers

1. De fabrikant mag geen technische informatie over de bij deze verordening, de uitvoeringshandelingen ervan, of de in bijlage I vermelde gedelegeerde handelingen voorgeschreven gegevens verstrekken, die afwijkt van de gegevens die door de goedkeuringsinstantie zijn goedgekeurd.

2. Indien een in bijlage I vermelde uitvoeringshandeling of gedelegeerde handeling hierin voorziet, stelt de fabrikant de gebruikers alle relevante informatie en vereiste instructies ter beschikking waarin de bijzondere voorwaarden voor of de beperkingen op het gebruik van een voertuig, onderdeel of technische eenheid worden beschreven.

Die informatie wordt verstrekt in de officiële talen van de lidstaten waar het voertuig zal worden verkocht. Na aanvaarding door de goedkeuringsinstantie wordt zij in de gebruikershandleiding opgenomen.

Artikel 46

Informatie voor fabrikanten van onderdelen of technische eenheden

1. De voertuigfabrikant verstrekt de fabrikanten van onderdelen of technische eenheden alle in de in bijlage I vermelde gedelegeerde handelingen genoemde gegevens en, in voorkomend geval, tekeningen die voor de EU-typegoedkeuring van onderdelen of technische eenheden zijn vereist of die zijn vereist om een vergunning krachtens artikel 38 te verkrijgen.

De voertuigfabrikant kan de fabrikanten van onderdelen of technische eenheden een verbindende overeenkomst opleggen ter bescherming van de vertrouwelijkheid van alle informatie die niet openbaar is, met inbegrip van informatie die verband houdt met intellectuele-eigendomsrechten.

2. De fabrikant van onderdelen of technische eenheden die houder is van een EU-typegoedkeuringscertificaat dat overeenkomstig artikel 17, lid 4, beperkingen op het gebruik en/of bijzondere montagevoorschriften bevat, verstrekt alle informatie hierover aan de voertuigfabrikant.

Indien een in bijlage I vermelde gedelegeerde handeling hierin voorziet, verstrekt de fabrikant van onderdelen of technische eenheden instructies over beperkingen op het gebruik en/of bijzondere montagevoorschriften bij de geproduceerde onderdelen of technische eenheden.

HOOFDSTUK XVI

Toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie

Artikel 47

Verplichtingen van de fabrikanten

1. De fabrikanten bieden onafhankelijke marktdeelnemers op snel en makkelijk te raadplegen websites een onbeperkte en gestandaardiseerde toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie. Deze toegang moet met name op niet-discriminerende wijze worden geboden ten opzichte van de bepalingen die gelden voor, of de toegang die wordt geboden aan, erkende handelaren en reparatiebedrijven.

Deze informatie omvat alle gegevens die nodig zijn voor de montage van onderdelen of uitrustingstukken op voertuigen;

2. De fabrikant stelt aan onafhankelijke marktdeelnemers en aan erkende handelaren en reparatiebedrijven opleidingsdocumentatie ter beschikking.

3. De in lid 1 bedoelde informatie omvat ten minste het volgende:

a) het eenduidige voertuigidentificatienummer;

b) servicehandboeken met reparatie- en onderhoudsgegevens;

b) technische handleidingen;

d) informatie over onderdelen en diagnose (zoals de theoretische minimale en maximale meetwaarden);

e) bedradingsschema’s;

f) de diagnostische foutcodes (met inbegrip van de eigen codes van de fabrikant);

g) het identificatienummer van de softwarekalibratie dat op een voertuigtype van toepassing is;

h) over en door middel van eigen instrumenten en apparatuur verstrekte informatie;

i) informatie over gegevensregistratie en bidirectionele bewaking en testgegevens.

j) arbeidseenheden.

4. Erkende handelaren en reparatiebedrijven die deel uitmaken van het distributienet van een bepaalde voertuigfabrikant, worden als onafhankelijke marktdeelnemers in de zin van deze verordening beschouwd voor zover zij reparatie- of onderhoudsdiensten verrichten voor voertuigen van een fabrikant van wiens distributienet zij geen deel uitmaken.

5. De reparatie- en onderhoudsinformatie van het voertuig is altijd beschikbaar, uitgezonderd tijdens noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden aan het informatiesysteem.

6. Voor de fabricage en het onderhoud van OBD-compatibele vervangings- en onderhoudsonderdelen en diagnose- en testapparatuur verstrekken de fabrikanten zonder daarbij te discrimineren de relevante OBD-, reparatie- en onderhoudsinformatie aan belangstellende fabrikanten en reparateurs van onderdelen en diagnose- en testapparatuur.

7. Ten behoeve van het ontwerp en de fabricage van voertuiguitrusting voor trekkers die op alternatieve brandstof rijden, verstrekken de fabrikanten zonder daarbij te discrimineren de relevante OBD-, reparatie- en onderhoudsinformatie aan belangstellende fabrikanten, installateurs of reparateurs van uitrusting voor op alternatieve brandstof rijdende voertuigen.

8. Wanneer een fabrikant een EU-typegoedkeuring of een nationale typegoedkeuring aanvraagt, levert hij aan de goedkeuringsinstantie het bewijs dat hij wat de in dit artikel bedoelde informatie betreft aan deze verordening voldoet.

Indien deze informatie op dat moment niet beschikbaar is of niet aan deze verordening en de uitvoeringsmaatregelen ervan voldoet, verstrekt de fabrikant deze informatie binnen zes maanden na de datum van typegoedkeuring.

9. Indien bovengenoemd bewijs van naleving niet binnen deze termijn wordt geleverd, neemt de goedkeuringsinstantie de nodige maatregelen om op de naleving toe te zien.

10. De fabrikant stelt latere wijzigingen van en aanvullingen op de reparatie- en onderhoudsinformatie op zijn websites ter beschikking zodra deze ter beschikking worden gesteld van erkende reparateurs.

11. Indien de reparatie- en onderhoudsgegevens van een voertuig in een door of namens de voertuigfabrikant beheerde centrale databank worden opgeslagen, krijgen onafhankelijke reparatiebedrijven gratis toegang tot deze gegevens en worden zij in staat gesteld gegevens over de door hen uitgevoerde reparatie- en onderhoudswerkzaamheden in te voeren.

12. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om overeenkomstig artikel 57 een gedelegeerde handeling vast te stellen met gedetailleerde voorschriften voor de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, en met name met technische specificaties voor de manier waarop reparatie- en onderhoudsinformatie beschikbaar wordt gesteld.

Artikel 48

Verdeling van de verplichtingen over verschillende houders van typegoedkeuring

Bij stapsgewijze typegoedkeuring, met inbegrip van meerfasentypegoedkeuring, is de fabrikant die verantwoordelijk is voor de desbetreffende typegoedkeuring tevens verantwoordelijk voor het leveren van reparatie-informatie betreffende het specifieke systeem of onderdeel of de specifieke technische eenheid of de specifieke fase aan zowel de eindfabrikant als onafhankelijke marktdeelnemers.

De eindfabrikant is verantwoordelijk voor het leveren van informatie betreffende het hele voertuig aan onafhankelijke marktdeelnemers.

Artikel 49

Vergoedingen voor de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie van het voertuig

1. De fabrikanten mogen een redelijke en evenredige vergoeding vragen voor de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie van het voertuig waarop deze verordening van toepassing is.

2. Een vergoeding wordt niet redelijk of evenredig geacht indien deze ontmoedigend werkt doordat geen rekening wordt gehouden met de mate waarin de onafhankelijke marktdeelnemer deze toegang gebruikt. De fabrikanten stellen de reparatie- en onderhoudsinformatie op dag-, maand- of jaarbasis ter beschikking, waarbij de vergoeding voor de toegang tot deze informatie afhankelijk is van de periode waarvoor toegang wordt verleend.

Artikel 50

Sancties

1. De lidstaten stellen de sancties vast die worden opgelegd wanneer fabrikanten deze verordening overtreden, en ze nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat die sancties worden uitgevoerd. Deze sancties moeten evenredig en doeltreffend zijn en een afschrikkende werking hebben. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk [zes maanden na de bekendmaking van deze verordening] van de desbetreffende bepalingen op de hoogte en stellen haar onverwijld in kennis van eventuele latere wijzigingen ervan.

2. Onder meer de volgende overtredingen geven aanleiding tot een sanctie:

a) valse verklaringen afleggen tijdens goedkeuringsprocedures of procedures die tot terugroeping leiden;

b) testresultaten voor typegoedkeuring of conformiteit onder bedrijfsomstandigheden vervalsen;

c) informatie of technische specificaties achterhouden die tot terugroeping of intrekking van de typegoedkeuring kunnen leiden;

d) manipulatievoorzieningen gebruiken;

e) toegang tot informatie weigeren.

HOOFDSTUK XVII

AANWIJZING EN AANMELDING VAN TECHNISCHE DIENSTEN

Artikel 51

Aanwijzing van technische diensten

1. De technische diensten die voor de toepassing van dit artikel door de nationale instanties zijn aangewezen moeten voldoen aan de bepalingen van deze verordening.

2. De technische diensten voeren de in deze verordening of in een van de in bijlage I vermelde regelgevingen genoemde inspecties of voor de goedkeuring noodzakelijke tests zelf uit of zien hierop toe, tenzij alternatieve procedures zijn toegestaan. De technische diensten mogen geen tests of inspecties uitvoeren waarvoor zij niet zijn aangewezen.

3. De technische diensten vallen onder een of meer van de vijf volgende activiteitencategorieën, afhankelijk van hun competentiegebied:

a) Categorie A, technische diensten die de tests als bedoeld in deze verordening en in de in bijlage I vermelde regelgevingen, in hun eigen voorzieningen uitvoeren;

b) Categorie B, technische diensten die toezien op de in deze verordening en in de in bijlage I vermelde regelgevingen bedoelde tests waarvan de uitvoering plaatsvindt in de voorzieningen van de fabrikant of in de voorzieningen van een derde;

c) categorie C, technische diensten die de door de fabrikant toegepaste procedures voor de controle van de conformiteit van de productie geregeld evalueren en controleren;

d) categorie D, technische diensten die tests of inspecties uitvoeren of hierop toezien in het kader van de controle van de conformiteit van de productie.

e) categorie E, technische diensten die met individuele goedkeuringen belast zijn.

4. De technische diensten tonen aan dat zij beschikken over de gepaste vaardigheden, de specifieke technische kennis en bewezen ervaring op de specifieke gebieden die onder deze verordening en de in bijlage I vermelde regelgevingen vallen. Technische diensten voldoen aan de normen die zijn vermeld in de gedelegeerde handelingen die op de door hen uitgevoerde activiteiten betrekking hebben. Deze vereiste geldt echter niet voor de laatste fase van een meerfasentypegoedkeuringsprocedure als bedoeld in artikel 32, lid 1.

5. Een goedkeuringsinstantie kan worden aangewezen als technische dienst voor een of meer van de in lid 3 bedoelde activiteiten.

6. Een fabrikant of een namens hem optredende onderaannemer kan alleen worden aangewezen als technische dienst voor activiteiten van categorie A met betrekking tot de technische voorschriften waarvoor zelftesten in een krachtens deze verordening vastgestelde gedelegeerde handeling wordt toegestaan.

7. Technische diensten van een derde land welke niet overeenkomstig lid 6 zijn aangewezen, kunnen voor de toepassing van artikel 53 alleen worden aangemeld in het kader van een bilaterale overeenkomst tussen de Unie en het betrokken derde land.

8. Om ervoor te zorgen dat de technische diensten in alle lidstaten aan dezelfde hoge standaarden voor het prestatieniveau voldoen, wordt aan de Commissie de bevoegdheid gedelegeerd om overeenkomstig artikel 57 een gedelegeerde handeling vast te stellen met de normen waaraan deze diensten moeten voldoen en de procedure voor evaluatie van deze diensten.

Artikel 52

Beoordeling van de vaardigheden van de technische diensten

1. De in artikel 51 bedoelde vaardigheden worden aangetoond door middel van een door een bevoegde instantie opgesteld beoordelingsverslag. Dit kan een door een accrediteringsinstantie afgegeven accrediteringscertificaat omvatten.

2. De beoordeling waarop het in lid 1 bedoelde verslag wordt gebaseerd, wordt uitgevoerd volgens de bepalingen van een gedelegeerde handeling bij deze verordening overeenkomstig artikel 51, lid 8. Het beoordelingsverslag wordt na een periode van maximaal drie jaar opnieuw bezien.

3. Het beoordelingsverslag wordt desgevraagd aan de Commissie verstrekt.

4. De goedkeuringsinstantie die als technische dienst aangewezen wenst te worden, toont op basis van bewijsstukken aan dat zij aan de voorwaarden voldoet. Dit bewijsmateriaal kan onder andere bestaan uit een beoordeling door van de beoordeelde activiteit onafhankelijke controleurs. Deze controleurs kunnen uit dezelfde organisatie komen, mits zij onafhankelijk van het personeel dat de beoordeelde activiteit uitoefent, worden bestuurd.

5. Een als technische dienst aangewezen fabrikant of onderaannemer die namens hem optreedt, voldoet aan de relevante bepalingen van dit artikel.

Artikel 53

Aanmeldingsprocedures

1. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de naam, het adres, inclusief het elektronische adres, de verantwoordelijke personen en de activiteitencategorie van elke aangewezen technische dienst. Zij stellen de Commissie ook in kennis van latere wijzigingen in deze gegevens. In de aanmelding wordt vermeld voor welke van de in bijlage I genoemde onderwerpen de technische diensten zijn aangewezen.

2. Een technische dienst kan de in artikel 50 bedoelde activiteiten voor de typegoedkeuring alleen voor de lidstaat die hem heeft aangewezen uitoefenen als hij van tevoren bij de Commissie is aangemeld.

3. Dezelfde technische dienst kan door verschillende lidstaten worden aangewezen en aangemeld, ongeacht de categorie van activiteiten die deze dienst uitoefent.

4. Wanneer voor de toepassing van een in bijlage I vermelde regelgeving een specifieke organisatie of een bevoegd orgaan moet worden aangewezen waarvan de activiteit niet onder artikel 51 valt, vindt de aanmelding plaats overeenkomstig de bepalingen van onderhavig artikel.

5. De Commissie publiceert de lijst en de gegevens van de goedkeuringsinstanties en de technische diensten op haar website.

HOOFDSTUK XVIII

UITVOERINGSMAATREGELEN EN DELEGATIE

Artikel 54

Uitvoeringsmaatregelen

Om uniforme voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van deze verordening vast te leggen, stelt de Commissie, overeenkomstig de in artikel 55 bedoelde procedure, uitvoeringshandelingen met de volgende uitvoeringsmaatregelen vast:

1. de nadere invulling van de regelingen met betrekking tot typegoedkeuringsprocedures overeenkomstig artikel 10, lid 6, van deze verordening;

2. modellen voor het informatiedossier en het inlichtingenformulier overeenkomstig artikel 12, lid 1, van deze verordening;

3. een nummeringssysteem voor EU-typegoedkeuringscertificaten overeenkomstig artikel 15 van deze verordening;

4. een model voor een typegoedkeuringscertificaat overeenkomstig artikel 15, lid 5, van deze verordening;

5. een model voor de lijst van EU-typegoedkeuringen voor systemen, onderdelen of technische eenheden overeenkomstig artikel 16, lid 5, van deze verordening;

6. een model voor de lijst van toepasselijke voorschriften of regelgevingen overeenkomstig artikel 16, lid 6, van deze verordening;

7. de nadere invulling van de regelingen met betrekking tot de conformiteit van de productie overeenkomstig artikel 19 van deze verordening;

8. het model voor een conformiteitscertificaat overeenkomstig artikel 24 van deze verordening;

9. het model voor het EU-typegoedkeuringsmerk overeenkomstig artikel 25 van deze verordening;

Artikel 55

Comité

1. De Commissie wordt bijgestaan door een comité, technisch comité landbouwvoertuigen (TC-AV) genaamd.

2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit. De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

3. Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 56

Wijziging van de bijlagen

1. De Commissie kan door middel van gedelegeerde handelingen overeenkomstig de artikelen 57, 58 en 59 wijzigingen van de bijlagen bij deze verordening vaststellen.

2. Wanneer uit hoofde van Besluit 97/836/EG nieuwe VN/ECE-reglementen of wijzigingen van bestaande VN/ECE-reglementen waartoe de Unie is toegetreden, worden aangenomen, wijzigt de Commissie bijlage I bij deze verordening dienovereenkomstig door middel van een gedelegeerde handeling overeenkomstig de artikelen 57, 58 en 59.

Artikel 57

Uitoefening van de delegatie

1. De bevoegdheid tot vaststelling van de gedelegeerde handelingen, bedoeld in artikel 7, lid 4, artikel 8, lid 4, artikel 9, lid 5, artikel 18, lid 7, artikel 38, leden 1, 2 en 3, artikel 47, lid 10, artikel 51, lid 8 en artikel 56, wordt aan de Commissie verleend voor onbepaalde tijd.

2. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling vaststelt, stelt zij daar tegelijkertijd het Europees Parlement en de Raad van in kennis.

3. De bevoegdheid tot vaststelling van gedelegeerde handelingen wordt de Commissie verleend onder de in de artikelen 58 en 59 gestelde voorwaarden.

Artikel 58

Intrekking van de delegatie

1. De in artikel 7, lid 4, artikel 8, lid 4, artikel 9, lid 5, artikel 18, lid 7, artikel 38, leden 1, 2 en 3, artikel 47, lid 10, artikel 51, lid 8 en artikel 56 bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan te allen tijde door het Europees Parlement of door de Raad worden ingetrokken.

2. De instelling die een interne procedure is begonnen om te besluiten of zij de bevoegdheidsdelegatie wenst in te trekken, brengt de andere instelling en de Commissie hiervan binnen een redelijke termijn voordat een definitief besluit wordt genomen, op de hoogte en geeft daarbij aan welke gedelegeerde bevoegdheden mogelijk worden ingetrokken en waarom.

3. Het besluit tot intrekking maakt een einde aan de delegatie van de bevoegdheden die in het besluit worden vermeld. Het besluit treedt onmiddellijk in werking of op een in dat besluit bepaalde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds in werking zijnde gedelegeerde handelingen onverlet. Het wordt in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt.

Artikel 59

Bezwaar tegen gedelegeerde handelingen

1. Het Europees Parlement en de Raad kunnen bezwaar aantekenen tegen de gedelegeerde handeling binnen twee maanden na de datum van kennisgeving. Op initiatief van het Europees Parlement of de Raad kan deze periode met een maand worden verlengd.

2. Indien noch het Europees Parlement noch de Raad bij het verstrijken van deze termijn bezwaar hebben aangetekend tegen de gedelegeerde handeling, of indien het Europees Parlement en de Raad beide voor die datum aan de Commissie hebben laten weten dat zij geen bezwaar zullen aantekenen, treedt de gedelegeerde handeling in werking op de in die handeling bepaalde datum.

3. Indien het Europees Parlement of de Raad bezwaar aantekent tegen de gedelegeerde handeling, treedt deze niet in werking. De instelling die bezwaar maakt, motiveert haar bezwaar tegen de gedelegeerde handeling.

HOOFDSTUK XIX

SLOTBEPALINGEN

Artikel 60

Overgangsbepalingen

1. Deze verordening leidt niet tot ongeldigverklaring van EG-typegoedkeuringen die vóór de in artikel 64, lid 2, vermelde datum voor voertuigen of systemen, onderdelen of technische eenheden zijn verleend.

2. De goedkeuringsinstanties blijven uitbreidingen van goedkeuringen voor die voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden verlenen krachtens Richtlijn 2003/37/EG en alle in artikel 56, lid 2, vermelde richtlijnen.

Artikel 61

Verslag

1. Uiterlijk 1 januari 2018 informeren de lidstaten de Commissie over de toepassing van de in deze verordening vastgestelde typegoedkeuringsprocedures en met name over de toepassing van de meerfasenprocedure.

2. Op basis van de krachtens lid 1 verstrekte informatie brengt de Commissie uiterlijk 1 januari 2019 verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de toepassing van deze verordening.

Artikel 62

Intrekking

1. Richtlijn 2003/37/EG alsmede de Richtlijnen 74/347/EEG, 76/432/EEG, 76/763/EEG, 77/537/EEG, 78/764/EEG, 80/720/EEG, 86/297/EEG, 86/298/EEG, 86/415/EEG, 87/402/EEG, 2000/25/EG, 2009/57/EG, 2009/58/EG, 2009/59/EG, 2009/60/EG, 2009/61/EG, 2009/63/EG, 2009/64/EG, 2009/66/EG, 2009/68/EG; 2009/75/EG, 2009/76/EG en 2009/144/EG worden ingetrokken met ingang van 1 januari 2014.

2. Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijnen gelden als verwijzingen naar de deze verordening en worden, wat Richtlijn 2003/37/EG betreft, gelezen volgens de concordantietabel in bijlage III.

Artikel 63

Wijziging van Richtlijn 2006/42/EG

Artikel 1, lid 2, punt e), eerste streepje, van Richtlijn 2006/42/EG komt als volgt te luiden:

"- landbouw- en bosbouwtrekkers, met uitzondering van machines die op deze voertuigen zijn aangebracht,".

Artikel 64

Inwerkingtreding

1. Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2. Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2014.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, […]

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

[...] [...]

Bijlage I - Lijst van voorschriften voor EU-typegoedkeuring van voertuigen

Nr. | Artikel | Onderwerp | Verwijzing naar document | MV | Voertuigcategorie |

| | | | | T1 | T2 | T3 | T 4.1 | T 4.2 | T 4.3 | T 5 | C | R | S |

1 | 7, lid 2, onder a) | Brandstoftank | | | X | X | X | X | X | X | X | I | N.v.t. | N.v.t. |

2 | 7, lid 2, onder b) | Maximumsnelheid | | | X | X | X | X | X | X | X | I | N.v.t. | N.v.t. |

3 | 7, lid 2, onder b) | Reminrichtingen | | -/Y | X | X | X | X | X | X | X | X | X | X |

4 | 7, lid 2, onder b) | Stabiliteit | | | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. | X | N.v.t. | N.v.t. | X | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. |

5 | 7, lid 2, onder b) | Stuursystemen | ECE 79 Rev.2 | Y | X | X | X | X | X | X | X | X | N.v.t. | N.v.t. |

6 | 7, lid 2, onder b) | Remverbinding met de aanhangwagen | | | X | X | X | X | X | X | X | I | X | X |

7 | 7, lid 2, onder b) | Regulateur | | | X | X | X | X | X | X | X | I | N.v.t. | N.v.t. |

8 | 7, lid 2, onder b) | Snelheidsbegrenzers | | | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. | X | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. |

9 | 7, lid 2, onder b) | Achteruit en snelheidsmeter | | | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. | X | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. |

10 | 7, lid 2, onder c) | Gezichtsveld en ruitenwissers | ECE 71 | Y | X | X | X | X | X | X | X | I | N.v.t. | N.v.t. |

11 | 7, lid 2, onder c) | Ruiten | ECE 43 Rev.2 Am.3 Sup.11 | | X | X | X | X | X | X | N.v.t. | I | N.v.t. | N.v.t. |

12 | 7, lid 2, onder c) | Ruiten (T 5) | 92/22/EEG | X | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. | X | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. |

13 | 7, lid 2, onder c) | Achteruitkijkspiegels | | | X | X | N.v.t. | X | X | X | X | I | N.v.t. | N.v.t. |

14 | 7, lid 2, onder d) | Verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen | ECE 1 Rev.4 Am.5; ECE 3 Rev.3 Am.1 Sup.11; ECE 4 Rev.4 Sup.14; ECE 6 Rev.4 Sup.17; ECE 7 Rev.4 Sup.15; ECE 8 Rev.4; ECE 19 Rev.5 Sup.1; ECE 20 Rev.3; ECE 23 Rev.2 Sup.15; ECE 38 Rev.2 Sup.14; ECE 98 Rev.1 Sup.11 | Y | X | X | X | X | X | X | X | X | X | X |

15 | 7, lid 2, onder d) | Installatie verlichting | ECE 86 Am.3 Sup.4 | | X | X | X | X | X | X | X | I | X | X |

16 | 7, lid 2, onder g) | Elektromagnetische compatibiliteit | ECE 10 Rev.3 | Y | X | X | X | X | X | X | X | I | N.v.t. | N.v.t. |

17 | 7, lid 2, onder h) | Geluidssignaalinrichting | ECE 28 Am.3 | Y | X | X | X | X | X | X | X | I | N.v.t. | N.v.t. |

18 | 7, lid 2, onder k) | Kentekenplaat | | | X | X | X | X | X | X | X | I | X | X |

19 | 7, lid 2, onder k) | Voorgeschreven plaat | | | X | X | X | X | X | X | X | | X | X |

20 | 7, lid 2, onder l) | Afmetingen en massa aanhangwagen | | | X | X | X | X | X | X | X | I | X | X |

21 | 7, lid 2, onder l) | Maximummassa in beladen toestand | | | X | X | X | X | X | X | X | X | X | X |

22 | 7, lid 2, onder l) | Extra gewichten | | | X | X | N.v.t. | X | X | X | X | I | N.v.t. | N.v.t. |

23 | 7, lid 2, onder n) | Beschermingsstructuren aan de achterzijde | | | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. | X | N.v.t. |

24 | 7, lid 2, onder o) | Zijdelingse bescherming | | | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. | X | N.v.t. | X | N.v.t. |

25 | 7, lid 2, onder p) | Laadplatforms | | | X | X | X | X | X | X | X | I | N.v.t. | N.v.t. |

26 | 7, lid 2, onder q) | Koppelingen en achteruitrijinrichtingen | | | X | X | X | X | X | X | X | I | N.v.t. | N.v.t. |

27 | 7, lid 2, onder r) | Bedieningsorganen | | | X | X | X | X | X | X | X | I | N.v.t. | N.v.t. |

28 | 7, lid 2, onder s) | Banden | ECE 106 Am.5 Sup.6 | | X | X | X | X | X | X | X | N.v.t. | X | X |

29 | 7, lid 2, onder t) | Elektromagnetische compatibiliteit | ECE 10 Rev.3 | Y | X | X | X | X | X | X | X | I | N.v.t. | N.v.t. |

30 | 8, lid 2, onder a) | ROPS | OESO-code 3, 2010 | | X | N.v.t. | N.v.t. | X | X | X | X | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. |

31 | 8, lid 2, onder a) | ROPS | OESO-code 8, 2010 | | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. | X | N.v.t. | N.v.t. |

32 | 8, lid 2, onder a) | ROPS (statische tests) | OESO-code 4, 2010 | | X | X | X | X | X | X | X | X | N.v.t. | N.v.t. |

33 | 8, lid 2, onder a) | ROPS, vooraan gemonteerd (smalspoortrekkers) | OESO-code 6, 2010 | | X | X | X | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. | X | X | N.v.t. | N.v.t. |

34 | 8, lid 2, onder a) | ROPS, achteraan gemonteerd (smalspoortrekkers) | OESO-code 7, 2010 | | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. | X | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. |

35 | 8, lid 2, onder b) | FOPS, constructie ter bescherming tegen vallende voorwerpen | OESO-code 10, 2010 | | X | X | X | X | X | X | X | I | N.v.t. | N.v.t. |

36 | 8, lid 2, onder c) | Zitplaatsen voor meerijders | | | X | | X | X | X | X | X | I | N.v.t. | N.v.t. |

37 | 8, lid 2, onder d) | Geluidsniveau (intern) | | | X | X | X | X | X | X | X | X | N.v.t. | N.v.t. |

38 | 8, lid 2, onder e) | Zitplaats van de bestuurder | | | X | X | X | X | X | X | X | I | N.v.t. | N.v.t. |

39 | 8, lid 2, onder f) | Bedieningsruimte, toegankelijkheid van de cabine; | | | X | | X | X | X | X | X | I | N.v.t. | N.v.t. |

40 | 8, lid 2, onder g) | Aftakassen | | | X | X | X | X | X | X | X | X | N.v.t. | N.v.t. |

41 | 8, lid 2, onder i) | Bescherming van aandrijfelementen | | | X | X | X | X | X | X | X | X | N.v.t. | N.v.t. |

42 | 8, lid 2, onder j) | Gordelverankeringen | OESO-codes 3, 4, 6, 7, 8; 2010 | | X | X | X | X | X | X | X | X | N.v.t. | N.v.t. |

43 | 8, lid 2, onder k) | Veiligheidsgordels | | | X | X | X | X | X | X | X | X | N.v.t. | N.v.t. |

44 | 8, lid 2, onder l) | OPS, bescherming van de bestuurder tegen binnendringende voorwerpen | | | X | X | X | X | X | X | X | I | N.v.t. | N.v.t. |

44 | 8, lid 2, onder m) | Gevaarlijke stoffen | | | X | X | X | X | X | X | X | X | N.v.t. | N.v.t. |

46 | 8, lid 2, onder n) | Gebruikershandleiding | | | X | X | X | X | X | X | X | X | X | X |

47 | 9, lid 2, onder a) | Emissies van verontreinigende stoffen | 97/68/EG | | X | X | X | X | X | X | X | X | N.v.t. | N.v.t. |

48 | 9, lid 2, onder b) | Geluidsniveau (extern) | ECE 51 Rev.1 Am.4 | Y | X | X | X | X | X | X | X | I | N.v.t. | N.v.t. |

Verklaring:

X = van toepassing

I = identiek aan T al naar gelang de categorie

Y = de desbetreffende regelgevingen voor motorvoertuigen worden als gelijkwaardig aanvaard

N.v.t. = niet van toepassing

MV = de desbetreffende richtlijnen voor motorvoertuigen in het kader van Richtlijn 2007/46/EG kunnen als gelijkwaardig worden toegepast

Bijlage II – Grenswaarden voor kleine series en voertuigen uit restantvoorraden

Deel 1 - Grenswaarden voor kleine series

Het aantal eenheden van één type dat per jaar in een lidstaat wordt geregistreerd, verkocht of in het verkeer gebracht mag niet groter zijn dan hieronder voor de betrokken voertuigcategorie is aangegeven. |

Categorie | Eenheden (voor ieder type) |

T | 150 |

C | 50 |

R | 75 |

S | 50 |

Deel 2 - Grenswaarden voor voertuigen uit restantvoorraden

Het aantal voertuigen van een of meer typen, dat in een lidstaat overeenkomstig de procedure van artikel 14, in het verkeer worden gebracht, mag ten hoogste 10% bedragen van de voertuigen van alle desbetreffende typen die in de twee voorafgaande jaren in die lidstaat in bedrijf zijn gesteld, doch niet minder dan 20 exemplaren.

Op het conformiteitscertificaat van de volgens deze procedure in het verkeer gebrachte voertuigen wordt een speciale vermelding aangebracht.

Bijlage III - Concordantietabel

(bedoeld in artikel 56)

Richtlijn 2003/37/EG | Deze verordening |

- | Artikel 1 |

Artikel 1 | Artikel 2 |

Artikel 2 | Artikel 3 |

Artikel 3 | Artikelen 10 en 11 |

Artikel 4 | Artikel 12 |

Artikel 5 | Artikelen 18 tot en met 21 |

Artikel 6 | Artikelen 23 en 24 |

Artikel 7 | Artikelen 31 tot en met 33 |

Artikel 8, lid 1Artikel 8, lid 2 | Artikel 25, lid 1Artikelen 27, 28 en 32 |

Artikel 9 | Artikelen 27 en 28 |

Artikel 10 | Artikel 32 |

Artikel 11 | Artikelen 25 en 26 |

Artikel 12 | Artikelen 40 en 41 |

Artikel 13 | Artikelen 5, 12 en 16 |

Artikel 14 | Artikel 35, lid 5 |

Artikel 15 | Hoofdstuk XII |

Artikel 16 | Artikel 35, lid 2 |

Artikel 17 | Artikel 35, lid 3 |

Artikel 18 | Artikel 38 |

Artikel 19 | Artikel 48 |

Artikel 20 | Artikel 49 |

Artikel 21 | Artikel 4 + hoofdstuk VII |

Artikel 22 | - |

Artikel 23 | Artikel 2, lid 3 |

Artikel 24 | Artikel 56 |

- | Artikel 57 |

Artikel 25 | Artikel 58 |

Artikel 26 | - |

[1] COM(2007) 22.

[2] CARS 21, A Competitive Automotive Regulatory System for the 21st century: ISBN 92-79-00762-9.

[3] COM(2001) 370.

[4] COM(2003) 71.

[5] PB C[…] van […], blz. […].

[6] PB L 171 van 9.7.2003, blz. 1.

[7] Zie Richtlijn 97/68/EG en Richtlijn 2006/42/EG.

[8] COM(2007) 22 definitief.

[9] PB L 346 van 17.12.1997, blz. 78.

[10] COM(2002) 278 definitief van 5.6.2002.

[11] PB L 191 van 15.7.1974, blz. 5.

[12] PB L 122 van 8.5.1976, blz. 1.

[13] PB L 262 van 27.9.1976, blz. 135.

[14] PB L 220 van 29.8.1977, blz. 38.

[15] PB L 255 van 18.9.1978, blz. 1.

[16] PB L 194 van 28.7.1980, blz. 1.

[17] PB L 186 van 8.7.1986, blz. 19.

[18] PB L 186 van 8.7.1986, blz. 26.

[19] PB L 240 van 26.8.1986, blz. 1.

[20] PB L 220 van 8.8.1987, blz. 1.

[21] PB L 173 van 12.7.2000, blz. 1.

[22] PB L 261 van 3.10.2009, blz. 1.

[23] PB L 198 van 30.7.2009, blz. 4.

[24] PB L 198 van 30.7.2009, blz. 9.

[25] PB L 198 van 30.7.2009, blz. 15.

[26] PB L 203 van 5.8.2009, blz. 19.

[27] PB L 214 van 19.8.2009, blz. 23.

[28] PB L 216 van 20.8.2009, blz. 1.

[29] PB L 201 van 1.8.2009, blz. 11.

[30] PB L 203 van 5.8.2009, blz. 52.

[31] PB L 261 van 3.10.2009, blz. 40.

[32] PB L 201 van 1.8.2009, blz. 18.

[33] PB L 27 van 30.1.2010, blz. 33.

[34] PB L 157 van 9.6.2006, blz. 24.

[35] PB L 59 van 27.2.1998, blz. 1.

[36] PB L 138 van 1.6.1999, blz. 57.

[37] PB L 218 van 13.8.2008, blz. 30.

[38] PB L 346 van 17.12.1997, blz. 78.

--------------------------------------------------

Naar boven

Beheerd door het Publicatiebureau